Circulaire 2018/C/52 betreffende de aanduiding van de schuldenaar van de roerende voorheffing

Schuldenaar van de roerende voorheffing voor de inkomsten die aan belastingplichtigen onderworpen aan de rechtspersonenbelasting worden toegekend: afwijking zoals bedoeld in art. 262, 1°, a), WIB 92.

Inkomstenbelastingen ; roerende voorheffing ; schuldenaar van de RV ; rechtspersonenbelasting

FOD Financiën, 02.05.2018
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Vennootschapsbelasting

1. Deze circulaire heeft, als gevolg van twee arresten van 10.11.2017 van het Hof van Cassatie (1), betrekking op de vaststelling van de schuldenaar van de RV wanneer de verkrijger van de inkomsten een aan de RPB onderworpen belastingplichtige is.

(1) Arresten van 10.11.2017 van het Hof van Cassatie nr. F.15.0202.F en nr. F.16.0030.F.

Het Hof van Cassatie heeft meer bepaald de draagwijdte van art. 262, 1°, a), WIB 92, onderzocht. Volgens dat artikel is - in afwijking van art. 261, WIB 92 -, de RV over de volgende inkomsten verschuldigd door de verkrijger daarvan: de inkomsten van kapitalen en roerende goederen verkregen door aan de RPB onderworpen belastingplichtigen in zoverre overeenkomstig de vigerende wettelijke en reglementaire bepalingen een RV verschuldigd is en in de gevallen waar die inkomsten, als het gaat om inkomsten van Belgische oorsprong, zijn toegekend of betaalbaar gesteld zonder enige inhouding of storting van RV.

2. In de voormelde arresten heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat uit de bepalingen van art. 262, 1°, a), WIB 92, niet volgt dat de vennootschap die de inkomsten verschuldigd is maar, hoewel de wet haar daartoe verplicht, niet aan de bron de RV inhoudt op de inkomsten die ze toekent of betaalbaar stelt, van haar wettelijke verplichting tot inhouding van die RV ontheven zou zijn louter op grond dat de verkrijger van die inkomsten een aan de RPB onderworpen belastingplichtige zou zijn en evenmin dat, in dat geval, die verkrijger degene zou worden die de voormelde voorheffing verschuldigd is.

Het Hof van Cassatie heeft daardoor de principes die door de administratie zijn ingenomen en die vermeld zijn in de circ. van 21.03.2001 (nr. Ci.RH.233/531.107), waarnaar wordt verwezen, behouden.

3. Er wordt aan herinnerd dat het Hof van Cassatie in een eerste arrest van 09.01.2015 (2) de principes die zijn opgenomen in de voornoemde circ. van 21.03.2001 had verworpen.

(2) Arrest van 09.01.2015 van het Hof van Cassatie, nr. F.12.0117.N.

Dat arrest had de administratie ertoe gebracht om op haar standpunt terug te komen (zie circ. van 15.06.2015, AAFisc Nr. 27/2015, Ci.RH.233/636.486).

In de huidige omstandigheden zijn de richtlijnen die zijn vermeld in de circ. van 15.06.2015 echter niet langer van toepassing.

4. Tot besluit moet er van worden uitgegaan dat voor de roerende inkomsten van Belgische oorsprong en de roerende inkomsten van buitenlandse oorsprong die in België worden geïnd door een aan de RPB onderworpen belastingplichtige, deze laatste enkel als schuldenaar van de RV wordt aangeduid in die gevallen waar de niet inhouding van de RV aan de bron een rechtsgrond heeft.

De eventuele rechtzettingen of hangende geschillen zullen, in voorkomend geval, worden behandeld door rekening te houden met dit standpunt.

Voor de Administrateur-generaal van de Fiscaliteit,

Danny DELVAUX
Administrateur-generaal

Interne ref.: 714.044