Circulaire nr. Ci.RH.421/444.672 dd. 31.03.1993

CIRC 31.03.93/1

Circulaire nr. Ci.RH.421/444.672 dd. 31.03.1993


Bull. nr. 727, pag. 1191

VENNOOTSCHAPSBELASTING
Verrekening van de voorheffingen.

VERREKENING VAN DE VOORHEFFINGEN
Belastingkrediet.
Fictieve onroerende voorheffing.
Fictieve roerende voorheffing.
Forfaitaire bedrijfsvoorheffing.
Forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting.
Onroerende voorheffing.
Roerende voorheffing.

VOORHEFFING
Verrekening van de voorheffingen.


Overzicht van de opeenvolgende wijzigingen die sinds de Hervormingswet 1988 zijn aangebracht aan de verrekening van de voorheffingen en ermede gelijkgestelde bestanddelen met de Ven.B.

VERREKENING VAN VOORHEFFINGEN MET DE VEN.B.

INHOUDSTAFEL I. INLEIDING 1 II. ONROERENDE VOORHEFFING 3 III. FICTIEVE ONROERENDE VOORHEFFING 4 IV. ROERENDE VOORHEFFING A. In beginsel verrekenbare RV 1. RV op inkomsten van aandelen of delen of inkomsten van belegde kapitalen 5 2. RV op andere inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen 7 B. Beperking van de verrekening van de RV m.b.t. inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen 1. Waardeverminderingen of minderwaarden 8 2. Voorwaarde van volle eigendom 10 C. Beperking van de verrekening van de RV m.b.t. andere inkomsten dan inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen 11 V. FICTIEVE ROERENDE VOORHEFFING A. FRV m.b.t. inkomsten van certificaten van Belgische gemeenschappelijke beleggingsfondsen 14 B. FRV op liquidatiebonussen 16 C. FRV op sommige inkomsten uitgekeerd door ondernemingen in een tewerkstellingszone of door erkende coördinatiecentra 17 VI. BELASTINGKREDIET A. In beginsel verrekenbaar BK 22 B. Waardeverminderingen of minderwaarden 24 C. Voorwaarde van volle eigendom 25 VII. FORFAITAIR GEDEELTE VAN BUITENLANDSE BELASTING A. In beginsel verrekenbaar FBB 26 B. Beperking van de verrekening van de FBB m.b.t. inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen 1. Inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen die niet als DBI worden afgetrokken 32 2. Waardeverminderingen of minderwaarden 33 3. Voorwaarde van volle eigendom 34 C. Beperking van de verrekening van het FBB in verhouding tot de bezitsduur van bepaalde effecten 35 VIII. BVR 38 IX. BEPERKING INZAKE VERREKENING VAN VOORHEFFINGEN M.B.T. BIJZONDERE AANSLAGEN 39 I. INLEIDING 1. Deze circ. geeft een algemeen overzicht van de opeenvolgende wijzigingen die de laatste jaren zijn aangebracht aan de regels inzake verrekening van voorheffingen en ermede gelijkgestelde bestanddelen met de Ven.B.

Volledigheidshalve zijn in dit overzicht een aantal wetsbepalingen vermeld die reeds voorheen werden gecommentarieerd en waarbij desgevallend telkens wordt verwezen naar de nrs. van de circ. waarin die bepalingen zijn besproken.

2. De volgende wetten worden voor een vlottere leesbaarheid van de circ. hierna als volgt afgekort :

  • W. 11.04.1983 (van de) Wet van 11 april 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen ( V 1670 - Bull. 618)
  • W. 07.12.1988 (van de) Wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen (V 1957 - Bull. 679)
  • W. 30.12.1988 (van de) Programmawet van 30 december 1988 (v 1961 - Bull. 680)
  • W. 22.12.1989 (van de) Wet van 22 december 1989 houdende fiscale bepalingen (V 2019 - Bull. 691)
  • W. 22.02.1990 (van de) Wet van 22 februari 1990 houdende verlaging van de roerende voorheffing (V 2033 - Bull. 693)
  • W. 20.07.1990 (van de) Wet van 20 juli 1990 houdende economische en fiscale bepalingen (V 2061 - Bull. 697)
  • W. 04.12.1990 (van de) Wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten (V 2071 - Bull. 702)
  • W. 28.12.1990 (van de) Wet van 28 december 1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen (V 2073 - Bull. 702)
  • W. 23.10.1991 (van de) Wet van 23 oktober 1991 tot omzetting in het Belgische recht van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen (V 2143 - Bull. 712).
II. ONROERENDE VOORHEFFING

3. Met ingang van het aj. 1992 moet de verrekenbare OV worden berekend op het geïndexeerde KI (zie nr. 14, cir. 23.08.1991 nr. Ci.RH.21/429.638 - Bull. 709).

III. FICTIEVE ONROERENDE VOORHEFFING

4. Met ingang van het aj. 1989 is de verrekening van een FOV niet meer van toepassing op de instellingen van openbaar nut (art. 189, 2e lid, WIB, zoals ingevoegd door art. 186, W. 30.12.1988).

IV. ROERENDE VOORHEFFING

A. In beginsel verrekenbare RV

1. RV op inkomsten van aandelen of delen of inkomsten van belegde kapitalen

5. De in beginsel verrekenbare RV bedraagt 25/75 van het geïnde nettobedrag van de inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen.

Evenwel bedraagt de verrekenbare RV 20/80 van het geïnde nettobedrag van de inkomsten van aandelen of delen die inbrengen in geld vertegenwoordigen welke in 1982 of 1983 zijn gedaan met het oog op verrichtingen als bedoeld in art. 2, KB 15 van 09.03.1982, laatst gewijzigd door art. 25, W. 20.07.1990, en die zijn verleend of toegekend voor de 5, de 10 of de 9 eerste boekjaren waarvoor die inkomsten van de PB zijn vrijgesteld krachtens art. 3, § 1, van voormeld KB nr. 15 (zie circ. 16.05.1991, nr. Ci.RH.233/421.403 - Bull. 720).

6. Geen RV wordt verrekend m.b.t. de zogeheten "liquidatiebonussen" die ingevolge art. 111, § 1, 2°, WIB, als DBI aftrekbaar zijn (zie nrs. II/458 en 459, circ. 09.09.1992, nr. Ci.D.19/416.334-Ven.B, 32e afl. - Bull. 720).

Vanaf 01.01.1990 wordt geen RV verrekend, uit hoofde van inkomsten van aandelen of delen, in zover de toekenning of betaalbaarstelling van die inkomsten een waardevermindering of minderwaarde van de aandelen tot gevolg heeft (zie de nrs. 9 en 10 hierna).

M.b.t. inkomsten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 23.07.1990, wordt de RV slechts verrekend op voorwaarde dat de genieter van de inkomsten de volle eigendom van de effecten had op het ogenblik waarop de inkomsten zijn toegekend of betaalbaar gesteld (zie nr. 8 hierna).

De aandacht wordt erop gevestigd dat m.b.t. de vanaf 15.10.1991 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten, en mits aan de gestelde voorwaarden is voldaan, kan worden verzaakt aan de inning van de RV op inkomsten uitgekeerd door een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij (zie circ. 16.07.1992, nr. Ci.RH.233/437.131 - Bull. 719). In dergelijke gevallen kan uiteraard geen RV worden verrekend.

2. RV op andere inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen


7. Het tarief van de in beginsel verrekenbare RV bedraagt :


  • 25/75 van het geïnde nettobedrag van inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen, die zijn verleend of toegekend in uitvoering van overeenkomsten gesloten vóór 01.03.1990;
  • 10/90 van het geïnde nettobedrag van inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen, die zijn verleend of toegekend in uitvoering van overeenkomsten gesloten vanaf 01.03.1990 (zie circ. 16.05.1991, nr. Ci.RH.233/421.403 - Bull. 707).
De aandacht wordt er reeds op gevestigd dat de RV in bepaalde gevallen slechts verrekenbaar is in verhouding tot de tijd dat de belastingplichtige schuldeiser is geweest of de volle eigendom heeft gehad van de effecten (zie de nrs. 11 tot 13 hierna).

B. Beperking van de verrekening van de RV m.b.t. inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen

1. Waardeverminderingen of minderwaarden

8. Voor verrichtingen die vanaf 01.01.1990 plaatsvinden wordt geen RV verrekend uit hoofde van inkomsten uit aandelen of delen, in zover de toekenning of betaalbaarstelling van die inkomsten een waardevermindering of een minderwaarde van die aandelen of delen tot gevolg heeft (art. 192, 2e lid, WIB, ingevoegd door art. 297, W. 22.12.1989 en gewijzigd door art. 12, W. 28.12.1990).


9. Op fiscaal vlak is er slechts sprake van :


  • een waardevermindering wanneer de werkelijke waarde van een aandeel op de afsluitingsdatum van het boekjaar waarin het dividend wordt toegekend of betaalbaar gesteld, lager is dan de fiscale waarde van het desbetreffende aandeel op de afsluitingsdatum van het vorige boekjaar;
  • een minderwaarde wanneer de fiscale waarde van het desbetreffende aandeel op het ogenblik van realisatie hoger is dan de overdrachtprijs ervan.
Het is ter zake evenwel zonder belang of de waardevermindering al dan niet door de vennootschap is geboekt (zie PV nr. 646 van 07.11.1990, gesteld door de H. Volksv. DAEMS, Bull. 705).

De vraag of een waardevermindering of een minderwaarde te wijten is aan de toekenning of betaalbaarstelling van een dividend, moet inzonderheid worden uitgemaakt aan de hand van de feitelijke omstandigheden (zie PV nr. 598 van 13.09.1990, gesteld door de H. Volksv. VAN RENTERGHEM, Bull. 704).

2. Voorwaarde van volle eigendom

10. De RV betreffende inkomsten van aandelen of van belegde kapitalen die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 23.07.1990 is slechts verrekenbaar op voorwaarde dat de verkrijger van de inkomsten de volle eigendom van de effecten heeft gehad op het ogenblik van de toekenning of betaalbaarstelling van die inkomsten (art. 31, § 2, W. 07.12.1988 ingevoegd door art. 24, 3°, W. 28.12.1990).

C. Beperking van de verrekening van de RV m.b.t. andere inkomsten dan inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen

11. Voor inkomsten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 01.01.1989 is, ten name van de verkrijgers van in art. 11bis, WIB (1), bedoelde inkomsten en van inkomsten van obligaties, kasbons en andere soortgelijke effecten, de RV slechts verrekenbaar in verhouding tot de tijd dat zij de effecten bezitten (art. 31, W. 07.12.1988).

Art. 191, 2e lid, WIB, luidens hetwelk de verrekening van de verkrijgers van in art. 11bis, WIB (1), bedoelde inkomsten moest worden beperkt tot het bedrag van de RV op de inkomsten die evenredig betrekking hebben op de bezitsduur van het effect (zie Com.IB nr. 186/24.1) werd met ingang van het aj. 1990 opgeheven (art. 35, § 1, 27°, W. 07.12.1988) (2).

(1) Art. 11bis, WIB zoals het van toepassing was op de vóór 01.01.1990 ontvangen inkomsten, luidde als volgt :

"Art. 11bis. - Wanneer het gaat om door effecten belichaamde leningen waarvan de interesten worden gekapitaliseerd of om effecten die geen aanleiding geven tot een periodieke uitbetaling van interest en die werden uitgegeven met een disconto dat overeenstemt met de tot op de vervaldag van het effect gekapitaliseerde interesten, omvatten de in artikel 11 bedoelde inkomsten iedere som die door de schuldenaar van de inkomsten boven het kapitaal wordt toegekend bij de terugbetaling of de inkoop van het effect, ongeacht of die al dan niet plaats heeft op de bij overeenkomst vastgestelde vervaldag."

Art. 11bis, WIB, zoals het van toepassing is op de vanaf 01.01.1990 ontvangen inkomsten (art. 253, W. 22.12.1989), luidt als volgt :

"Art. 11bis. - § 1. De in artikel 11 bedoelde inkomsten van vastrentende effecten, omvatten iedere som die door de schuldenaar van de inkomsten boven het kapitaal wordt betaald of toegekend bij de terugbetaling of de inkoop van het effect, ongeacht of die al dan niet plaats heeft op de bij de overeenkomst vastgestelde vervaldag.

Als vastrentende effecten worden aangemerkt obligaties, kasbons en andere soortgelijke effecten, met inbegrip van door effecten belichaamde leningen waarvan de interesten worden gekapitaliseerd of van effecten die geen aanleiding geven tot een periodieke uitbetaling van interest en die werden uitgegeven met een disconto dat overeenstemt met de tot op de vervaldag van het effect gekapitaliseerde interesten.

§ 2. De inkomsten van de in § 1 bedoelde effecten zijn ten name van elke belastingplichtige belastbaar in verhouding tot de bezitsduur van het effect."

(2) Elke wijziging die vanaf 01.01.1988 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening is aangebracht is ter zake zonder uitwerking.

Evenwel voorziet art. 39, 2e lid, W. 07.12.1988, in een overgangsbepaling, waardoor met betrekking tot de andere dan de in het toenmalige art. 11bis, WIB, bedoelde inkomsten van effecten (d.w.z. inkomsten van obligaties, kasbons en andere soortgelijke effecten) die in 1988 werden verhandeld en waarbij de bruto-interesten in de prijs zijn opgenomen, de RV op de eerste coupon die in 1989 vervalt volledig verrekenbaar blijft ten name van de verkrijger.

12. Ten name van de verkrijgers van inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen, andere dan :

  • inkomsten van aandelen of delen van belegde kapitalen;
  • en in art. 11, 5°, WIB, bedoelde opbrengsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen (royalty's).
is de RV slechts verrekenbaar in verhouding tot de tijd dat de verkrijgers eigenaar of vruchtgebruiker zijn geweest van de financiële activa of in verhouding tot de tijd dat de vennootschap schuldeiser is (art. 31, § 1, 1e lid, W. 07.12.1988 zoals gewijzigd door art. 24, 1°, W. 28.12.1990).

Voormelde bepalingen zijn van toepassing op :

  • de in art. 11bis, § 1, WIB, bedoelde inkomsten van vastrentende effecten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 01.01.1990;
  • de andere inkomsten (inkomsten van schuldvorderingen, leningen en deposito's) die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 01.01.1991.
13. Bovendien wordt voor inkomsten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 23.07.1990 de verrekening van RV slechts verleend in verhouding tot de tijd dat de vennootschap de volle eigendom van de effecten heeft gehad (art. 31, § 1, 2e lid, W. 07.12.1988 ingevoegd door art. 24, 2°, W. 28.12.1990).

V. FICTIEVE ROERENDE VOORHEFFING

A. FRV m.b.t. inkomsten van certificaten van Belgische gemeenschappelijke beleggingsfondsen

14. De verrekenbare FRV m.b.t. inkomsten van certificaten van Belgische gemeenschappelijke beleggingsfondsen die zijn verleend of toegekend in uitvoering van overeenkomsten gesloten vanaf 01.03.1990, en waarvoor geen melding wordt gemaakt van het bedrag per categorie van toegekende of uitbetaalde inkomsten, wordt van 25 % op 10 % teruggebracht (art. 191, 1e lid, 3°, WIB zoals het werd gewijzigd door art. 5, W. 22.02.1990).

15. Luidens art. 146, § 4, W. 04.12.1990, moeten beleggingsfondsen, volgens door de Koning bepaalde regels, per categorie het bedrag meedelen van de toegekende of uitbetaalde inkomsten (*). Aangezien voortaan het bedrag van elke betaalbaar gestelde coupon moet worden geschift in de verschillende categorieën van inkomsten waaruit het is samengesteld, wordt het hierboven vermelde art. 191, 1e lid, 3°, WIB, dan ook opgeheven (art. 146, § 5, W. 04.12.1990).

(*) Die bepalingen zullen later uitvoerig worden gecommentarieerd.

B. FRV op liquidatiebonussen

16. Art. 191, 1e lid, 6°, WIB, luidens hetwelk, met betrekking tot "liquidatiebonussen", die door de aan de Ven.B onderworpen vennootschappen werden geïnd en die krachtens het toenmalige art. 111, 5°, WIB, voor aftrek als VRI in aanmerking kwamen, een verrekenbare en terugbetaalbare FRV werd toegekend die gelijk was aan 25/75 van die bonussen (zie Com.IB nr. 186/102), wordt opgeheven voor de verrichtingen die vanaf 01.01.1990 plaatsgrijpen (art. 309, 20°, W. 22.10.1989).

De hierboven aangehaalde bepalingen blijven evenwel ongewijzigd van toepassing wanneer dergelijke liquidatiebonussen betrekking hebben op verrichtingen die vóór 01.01.1990 hebben plaatsgevonden, t.t.z. op :

  • inkopen van eigen aandelen vóór 01.01.1990;
  • gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen van een vennootschap ingevolge het overlijden, de uittreding of de uitsluiting van een vennoot wanneer het overlijden, de uittreding of de uitsluiting vóór 01.01.1990 plaats heeft;
  • verdeling van het maatschappelijk vermogen van een vennootschap ingevolge de in vereffeningstelling van de vennootschap vóór 01.01.1990.
C. FRV op sommige inkomsten uitgekeerd door ondernemingen in een
tewerkstellingszone of door erkende coördinatiecentra

17. Gelet op de verschillende opeenvolgende wijzigingen aan art. 29, W. 11.04.1988 (*), kan de toestand betreffende de verrekening van een FRV op sommige inkomsten uitgekeerd door ondernemingen in een tewerkstellingszone of door erkende coördinatiecentra, per wetswijziging, als volgt worden samengevat :

(*) De wetswijzigingen waarvan sprake is in deze rubriek, zullen in een aparte circ. uitvoeriger worden besproken.

W. 22.02.1990

18. De FRV op sommige inkomsten van schuldvorderingen of leningen die zijn betaald of toegekend door ondernemingen in een tewerkstellingszone of door erkende coördinatiecentra wordt tot 10/90 teruggebracht op de vanaf 22.01.1990 gesloten overeenkomsten (art. 8, W. 22.02.1990).

W. 28.12.1990

19. De FRV op sommige inkomsten van aandelen, uitgekeerd door ondernemingen in een tewerkstellingszone of door erkende coördinatiecentra wordt eveneens tot 10/90 teruggebracht m.b.t. de inkomsten van de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen die verband houden met de financiering van investeringen gedaan vanaf 23.07.1990 (art. 17, 1°, W. 28.12.1990).

De FRV op voormelde inkomsten blijft evenwel in beginsel behouden op 25/75 met betrekking tot :

  • investeringen die vóór 23.07.1990 zijn geboekt;
  • investeringen die op die datum nog niet zijn geboekt, doch niet los kunnen worden gezien van investeringen die vóór 23.07.1990 zijn geboekt in de activa, met name in de post "Activa in aanbouw en vooruitbetalingen";
  • investeringen waartoe vóór 23.07.1990 een juridische verbintenis werd aangegaan voorzien van een voorschot waarvan de verplichting werd geboekt in de klasse 0.
20. Bovendien is, met betrekking tot de in art. 29, c) en d), W. 11.04.1983 bedoelde winsten en inkomsten (zowel op inkomsten van aandelen als op inkomsten van schuldvorderingen of leningen), de toepassing van de FRV afhankelijk van de voorwaarde dat de onderneming voor de in die bepalingen vermelde activa onherroepelijk verzaakt aan het voordeel van de investeringsaftrek m.b.t. investeringen die vanaf 01.01.1991 worden verricht (art. 17, 2°, W. 28.12.1990).

W. 23.10.1991

21. De FRV wordt op nul gebracht m.b.t. de vanaf 24.07.1991 toegekende of uitgekeerde inkomsten (art. 7, B en 9, § 7, 1e lid, W. 23.10.1991). Het voormelde is evenwel niet van toepassing :

  • op inkomsten van vorderingen of leningen verschuldigd in uitvoering van vóór 24.07.1991 gesloten overeenkomsten waarvan de datum vaststaat of die het voorwerp zijn van een vóór die datum gedane opname;
  • op de aandelen of delen van belegde kapitalen uitgekeerde winst die betrekking heeft op het maatschappelijk kapitaal dat werd aangewend tot passende investeringen in uitvoering van vóór 24.07.1991 gesloten overeenkomsten waarvan de datum vaststaat of die het voorwerp zijn van een vóór die datum gedane opname (art. 9, § 7, 2e lid, W. 23.10.1991).
Met betrekking tot de coördinatiecentra zijn de bepalingen van het vorige lid van toepassing op de inkomsten die werden verleend of toegekend uiterlijk tijdens het laatste belastbare tijdperk van de eerste erkenningsperiode (art. 9, § 7, 4e lid, W. 23.10.1991).

VI. BELASTINGKREDIET

A. In beginsel verrekenbaar BK

22. Luidens de art. 191, 1e lid, 1°, a, en 192, 1e lid, WIB, kan het in art. 135, WIB bedoelde BK in beginsel worden verrekend m.b.t. inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen wanneer die inkomsten niet als DBI kunnen worden afgetrokken, doordat ze niet op vaste deelnemingen betrekking hebben.

Het voormelde BK bedraagt, voor inkomsten van aandelen of delen verleend of toegekend vanaf 01.01.1991 en voor inkomsten van belegde kapitalen die met vanaf 31.12.1990 afgesloten boekjaren verband houden of in die boekjaren uit vroeger gereserveerde winsten worden verleend of toegekend :

  • 46 % van het geïnde of verkregen bedrag, na aftrek van de erop betrekking hebbende RV, maar vóór aftrek van de innings- en bewaringskosten of van andere soortgelijke kosten of lasten, in de gewone gevallen;
  • 43 % van het geïnde of verkregen bedrag, na aftrek van de erop betrekking hebbende RV maar vóór aftrek van de innings en bewaringskosten of van andere soortgelijke kosten of lasten, voor inkomsten van aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen die inbrengen in geld vertegenwoordigen welke in 1982 of in 1983 zijn gedaan met het oog op verrichtingen als bedoeld in art. 2, KB nr. 15 van 09.03.1982, laatst gewijzigd door art. 25, W 20.07.1990, en die zijn verleend of toegekend voor de 5, de 10 of de 9 eerste boekjaren waarvoor die inkomsten van PB zijn vrijgesteld krachtens art. 3, § 1, van het voormeld KB nr. 15 (inkomsten van zogenaamde AFV-aandelen), (zie eveneens nr. II/933, circ. 15.01.1992, nr. Ci.D.19/416.334-Ven.B, 22e afl. - Bull. 713).
Wanneer het BK betrekking heeft op inkomsten uit aandelen die zijn toegekend of toegewezen vanaf 01.01.1990 door beleggingsvennootschappen (Bevek of Bevak), wordt dit BK slechts toegestaan, in zover vaststaat dat die inkomsten voortkomen uit Belgische inkomsten van aandelen (zie art. 144, § 2, W. 04.12.1990).

23. Met ingang van het aj. 1992 (*) kan in geen enkel geval nog een BK worden verrekend (art. 5, D en I, W. 23.10.1991).

(*) Elke wijziging die vanaf 24.07.1991 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening is aangebracht is ter zake zonder uitwerking.

B. Waardeverminderingen of minderwaarden

24. Voor verrichtingen die vanaf 01.01.1990 plaatsvinden wordt geen BK verrekend uit hoofde van de inkomsten uit aandelen of delen, in zover de toekenning of betaalbaarstelling van die inkomsten een waardevermindering of een minderwaarde van die aandelen of delen tot gevolg heeft (art. 192, 2e lid, WIB, ingevoegd door art. 297, W. 22.12.1989 en gewijzigd door art. 12, W. 28.12.1990). Ter zake kan worden verwezen naar de nrs. 9 tot 10 hierboven.

Deze bepaling wordt met ingang van het aj. 1992 (*) opgeheven (art. 5, J, W. 23.10.1991).

(*) Elke wijziging die vanaf 24.07.1991 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening is aangebracht is ter zake zonder uitwerking.

C. Voorwaarde van volle eigendom.

25. Voor inkomsten van aandelen of delen die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 23.07.1990 is het BK slechts verrekenbaar op voorwaarde dat de verkrijger van de inkomsten de volle eigendom van de effecten heeft gehad op het ogenblik van toekenning of betaalbaarstelling van die inkomsten (art. 31, § 2, W. 07.12.1988 ingevoegd door art. 24, 3°, W. 28.12.1990).

Deze bepaling wordt eveneens met ingang van het aj. 1992 (*) opgeheven (art. 6, D, W. 23.10.1991).

(*) Elke wijziging die vanaf 24.07.1991 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening is aangebracht is ter zake zonder uitwerking.

VII. FORFAITAIR GEDEELTE VAN BUITENLANDSE BELASTING

A. In beginsel verrekenbaar FBB

26. Tot en met het aj. 1989 bedroeg het FBB dat in de regel met de verschuldigde Ven.B kon worden verrekend, 15 % van het bedrag van de verkregen roerende inkomsten (vóór aftrek van de eventuele RV) die in het buitenland aan een belasting werden onderworpen die gelijkaardig is aan de PB, de Ven.B of de BNV (zie toenmalig art. 187 en 195, WIB).

De aandacht wordt er evenwel op gevestigd dat voor de inkomsten uit aandelen die zijn toegekend of toegewezen vanaf 01.01.1990 door beleggingsvennootschappen (beveks of bevaks) slechts een FBB wordt toegestaan, in zover vaststaat dat deze inkomsten voortkomen uit inkomsten die voldoen aan de andere in art. 187, WIB, gestelde voorwaarden (art. 145, § 1, W. 07.12.1990).

27. Art. 35, § 1, 28°, W. 07.12.1988, heeft art. 195, WIB, met ingang van het aj. 1990 opgeheven. Deze opgeheven wetsbepaling werd in feite hernomen in art. 29, § 3, W. 07.12.1988, met dien verstande dat de FBB vanaf het aj. 1990 in de regel wordt bepaald op 15/85 van het bedrag van de geïnde of verkregen roerende inkomsten (vóór aftrek van de eventuele RV) (zie de nrs. III/101 tot 106, circ. 07.09.1990, nr. Ci.D.19/402.192 - Ven.B, 21e afl. - Bull. 698) (*).

(*) Elke wijziging die vanaf 01.01.1988 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening is aangebracht is ter zake zonder uitwerking.

28. Het FBB moet met ingang van het aj. 1990 eveneens onder de "verworpen uitgaven" worden opgenomen (*).

(*) Elke wijziging die vanaf 01.01.1988 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening is aangebracht is ter zake zonder uitwerking.

29. Met ingang van het af. 1992 (*) wordt m.b.t. inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen andere dan :

  • inkomsten van aandelen of delen van belegde kapitalen;
  • en in art. 11, 5°, WIB bedoelde opbrengsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van alle roerende goederen (royalty's),
het FBB bepaald volgens een breuk waarvan :

  • de teller gelijk is aan de werkelijk ingehouden buitenlandse belasting, uitgedrukt in een % van het inkomen waarop die belasting betrekking heeft en beperkt tot 15;
  • en de noemer gelijk is aan 100 verminderd met het cijfer van de teller.
(*) Elke wijziging die vanaf 23.07.1990 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening is aangebracht is ter zake zonder uitwerking.

Wanneer de buitenlandse belasting ten laste van de schuldenaar valt ter ontlasting van de verkrijger van het inkomen, blijft de noemer vastgesteld op 100 (art. 23, W. 28.12.1990).

30. Met ingang van het aj. 1992 (*) kan in beginsel geen FBB meer worden verrekend uit hoofde van de inkomsten van buitenlandse aandelen of delen en van buitenlandse belegde kapitalen (art. 5, G, W. 23.10.1991).

(*) Elke wijziging die vanaf 24.07.1991 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening is aangebracht is ter zake zonder uitwerking.

Dit impliceert dat met ingang van het aj. 1992 het bedrag van het FBB in beginsel nog slechts wordt bepaald op 15/85 van het bedrag van de geïnde of verkregen inkomsten (vóór aftrek van de eventuele RV), in zover het betrekking heeft op in art. 11, 5°, WIB bedoelde opbrengsten.

31. De aandacht wordt er evenwel op gevestigd dat het verrekenbare bedrag van het FBB - zoals voorheen - steeds moet worden bepaald met inachtneming van de bijzonderheden die in de dubbelbelastingverdragen zijn vastgesteld (zie circ. 16.03.1990, nr. Ci.R9.Div/415.458 - Bull. 694).

B. Beperking van de verrekening van FBB m.b.t. inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen



1.Inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen die niet als DBI worden afgetrokken
32. M.b.t. inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen mag slechts FBB worden verrekend wanneer die inkomsten niet als DBI kunnen worden afgetrokken, doordat ze op niet vaste deelnemingen betrekking hebben (art. 196, 2°, WIB gewijzigd door art. 298, 1°, W. 22.12.1989).

Deze bepaling wordt met ingang van het aj. 1992 (*) opgeheven (art. 5, K, W. 23.10.1991).

(*) Elke wijziging die vanaf 24.07.1991 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening is aangebracht is ter zake zonder uitwerking.



2.Waardeverminderingen of minderwaarden
33. Voor verrichtingen die vanaf 01.01.1990 plaatsvinden wordt geen FBB verrekend uit hoofde van inkomsten uit aandelen of delen, in zover de toekenning of betaalbaarstelling van die inkomsten een waardevermindering of een minderwaarde van die aandelen of delen tot gevolg heeft (zie art. 196, 3°, WIB, ingevoegd door art. 298, W. 22.12.1989 en gewijzigd door art. 13, W. 28.12.1990). Ter zake kan nuttig worden verwezen naar de nrs. 9 en 10 hierboven.

Deze bepaling wordt met ingang van het aj. 1992 (*) opgeheven (art. 5, K, W. 23.10.1991).

(*) Elke wijziging die vanaf 24.07.1991 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening is aangebracht is ter zake zonder uitwerking.



3.Voorwaarde van volle eigendom
34. Voor inkomsten van aandelen of van belegde kapitalen die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 23.07.1990, is het FBB slechts verrekenbaar op voorwaarde dat de verkrijger van de inkomsten de volle eigendom van de effecten heeft gehad op het ogenblik van toekenning of betaalbaarstelling van die inkomsten (art. 31, § 2, W. 07.12.1988 ingevoegd door art. 24, 3°, W. 28.12.1990).

Deze bepaling wordt eveneens met ingang van het aj. 1992 (*) opgeheven (art. 6, D, W. 23.10.1991).

(*) Elke wijziging die vanaf 24.07.1991 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening is aangebracht is ter zake zonder uitwerking.

C. Beperking van de verrekening van het FBB in verhouding tot de bezitsduur van bepaalde effecten

35. Voor inkomsten ontvangen vanaf 01.01.1990 is ten name van de verkrijgers van in art. 11bis, WIB, bedoelde inkomsten en van inkomsten van obligaties, kasbons en andere soortgelijke effecten het FBB slecht verrekenbaar in verhouding tot de tijd dat zij effecten bezitten (art. 31, W. 07.12.1988 gewijzigd door art. 308, W. 22.12.1989).

36. Ten name van de verkrijgers van inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen, andere dan :

  • inkomsten van aandelen of delen van belegde kapitalen;
  • en in art. 11, 5°, WIB bedoelde opbrengsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende inkomsten (royalty's),
is het FBB slechts verrekenbaar in verhouding tot de tijd dat de verkrijgers eigenaar of vruchtgebruiker zijn geweest van de financiële activa of in verhouding tot de tijd dat de belastingplichtige schuldeiser is (art. 31, § 1, 1e lid, W. 07.12.1988 gewijzigd door art. 24, 1°, W. 28.12.1990).

Voormelde bepalingen zijn van toepassing op :

  • de in art. 11bis, § 1, WIB, bedoelde inkomsten van vastrentende effecten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 01.01.1990;
  • de andere inkomsten (inkomsten van schuldvorderingen, leningen en deposito's) die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 01.01.1991.
37. Bovendien wordt voor inkomsten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 23.07.1990 de verrekening van het FBB slechts verleend in verhouding tot de tijd dat de vennootschap de volle eigendom van de effecten heeft gehad (art. 31, § 1, 2e lid, W. 07.12.1988 ingevoegd door art. 24, 2°, W. 28.12.1990).

VIII. BVR

38. Met ingang van het aj. 1991 (zie art. 333, § 1, 3°, W. 22.12.1989) wordt de BVR afgeschaft (zie eveneens circ. 25.10.1991, nr. Ci.RH.244/430.516 - Bull. 711).

IX. BEPERKING INZAKE VERREKENING VAN VOORHEFFINGEN M.B.T. BIJZONDERE AANSLAGEN

39. Art. 200, WIB (geen verrekening van voorheffingen met de bijzonder aanslagen) werd door art. 299, W. 22.12.1989 gewijzigd voor verrichtingen die vanaf 01.01.1990 plaatsvinden.

40. De onderrichtingen opgenomen in Com.IB 186/113 en 114, 2e gedachtenstreepje, blijven onverminderd van toepassing m.b.t. de bijzondere aanslagen op verrichtingen die vóór 01.01.1990 hebben plaatsgevonden, d.w.z. op de bijzondere aanslagen in geval van :

  • inkopen van eigen aandelen vóór 01.01.1990;
  • gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen van een vennootschap ingevolge het overlijden, de uittreding of de uitsluiting van een vennoot, wanneer het overlijden, de uittreding of de uitsluiting vóór 01.01.1990 plaats heeft;
  • verdeling van het maatschappelijk vermogen van een vennootschap ingevolge de in vereffeningstelling van de vennootschap vóór 01.01.1990;
  • voordelen van alle aard verleend door vennootschappen die vóór 01.01.1990 in vereffening zijn gesteld.
Volledigheidshalve kan worden vermeld dat evenmin voorheffingen mogen worden verrekend met de afzonderlijke bijzondere aanslag van 200 % op niet bewezen lasten of bedragen (zie nr. III/606, circ. 07.09.1990, Ci.D.19/402.192-Ven.B., 21e afl. - Bull. 698).