Circulaire nr. Ci.RH.243/464.916 van 09.10.1995
CIRC 09.10.95/1
Bull. nr. 755, pag. 3061
BEROEPSKOSTEN
Niet aftrekbare kosten.
Onroerende voorheffing bedrijf.
BIJDRAGE
Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid.
UITVOERING VAN HET GLOBAAL PLAN OP HET STUK VAN DE FISCALITEIT
Beroepskosten.
Niet aftrekbare kosten.
Onroerende voorheffing bedrijf.
BIJDRAGE
Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid.
UITVOERING VAN HET GLOBAAL PLAN OP HET STUK VAN DE FISCALITEIT
Beroepskosten.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1 en 2.
INHOUDSTAFEL Nr. I. INLEIDING ................................................ 1 II. WETTEKSTEN ............................................... 2 III. ALGEMENE DRAAGWIJDTE ..................................... 3 IV. OV/BEDRIJF ............................................... 6 V. BIJZONDERE BIJDRAGE VOOR DE SOCIALE ZEKERHEID ............ 16 VI. INWERKINGTREDING ......................................... 20 I. INLEIDING
1. Deze circulaire bespreekt de wijzigingen die door de W 30.3.1994 tot uitvoering van het globaal plan op het stuk van de fiscaliteit (V 2297 - Bull. 739) (Verder kortweg W 30.3.1994 genoemd) in de PB op het vlak van de beroepskosten aan het WIB 92 zijn gebracht.
Het betreft de art. 4 en 5, W 30.3.1994 die respectievelijk de art. 52, 1° en 53, 3° tot 5°, WIB 92 hebben gewijzigd.
De gewijzigde teksten zijn hierna vet afgedrukt.
II. WETTEKSTEN
| Art. | 52, WIB 92 |
2. Onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 53 tot 66 worden inzonderheid als beroepskosten aangemerkt :
| 1° | de huur en de huurlasten, evenals de onroerende voorheffing, met inbegrip van de opcentiemen betreffende onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt en alle kosten wegens het onderhouden, verwarmen, verlichten daarvan, enz.; |
| 2° |
tot 11° [ongewijzigd].
Art. 53, WIB 92
Als beroepskosten worden niet aangemerkt :
|
| 1° | tot 3° [ongewijzigd] (De Franse tekst van art. 53, 3°, WIB 92 is evenwel met de Nederlandse tekst in overeenstemming gebracht (cf. art. 5, 1°, W 30.3.1994). Daar het hier louter een rechtzetting van een materiële misslag in de Franse tekst betreft, hoeft die wijziging geen verdere commentaar); |
| 4° | de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid; |
| 5° | verhogingen, vermeerderingen, kosten en nalatigheidsinteresten met betrekking tot de personenbelasting en de voorheffingen, met uitzondering van de onroerende voorheffing, verhoogd met de opcentiemen, met betrekking tot het kadastraal inkomen van de onroerende goederen of gedeelten daarvan die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt; |
| 6° | tot 16° [ongewijzigd]. |
III. ALGEMENE DRAAGWIJDTE
3. De inzake beroepskosten aangebrachte wijzigingen betreffen twee totaal verschillende materies, nl. enerzijds de onroerende voorheffing en anderzijds de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid.
4. Wat de eerstbedoelde materie betreft, heeft de W 30.3.1994 het belastingstelsel van de onroerende inkomsten ingrijpend gewijzigd. Zo wordt o.m., behoudens wat de in art. 16, WIB 92 bedoelde woning betreft, de verrekening van de onroerende voorheffing met ingang van het aj. 1995 afgeschaft (Deze maatregel zal in een afzonderlijke circulaire worden besproken). Daartegenover staat evenwel dat de onroerende voorheffing die betrekking heeft op onroerende goederen of gedeelten daarvan die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt, met ingang van datzelfde aj. volledig als beroepskost aftrekbaar is (cf. de art. 52, 1° en 53, 5°, WIB 92, zoals zij zijn gewijzigd door de art. 4 en 5, 3°, W 30.3.1994) (Voorheen was de OV/bedrijf slechts als beroepskost aftrekbaar in de mate dat zij meer bedroeg dan 12,5 % van het (geïndexeerd) KI van die goederen (cf. het vroegere art. 53, 4°, WIB 92)). Hetzelfde geldt voor de met die voorheffing verband houdende kosten en nalatigheidsinteresten.
5. Wat de door de W 30.3.1994 houdende sociale bepalingen (V 2298 - Bull. 739) ingevoerde bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid betreft (Meer bijzonderheden nopens de invoering en de door de Administratie der directe belastingen uit te voeren regularisatie van die bijzondere bijdrage, zullen in afzonderlijke instructies worden medegedeeld), bepaalt art. 53, 4°, WIB 92, zoals het werd vervangen door art. 5, 2° van de hier besproken W 30.3.1994, uitdrukkelijk dat die bijdrage niet als een beroepskost kan worden aangemerkt.
IV. OV/BEDRIJF
6. Overeenkomstig de nieuwe tekst van art. 52, 1°, WIB 92 is de OV (hoofdsom en opcentiemen) met betrekking tot onroerende goederen of gedeelten daarvan die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt, voortaan volledig als beroepskost aftrekbaar.
Dit geldt uiteraard ook voor de OV die betrekking heeft op het in het KI opgenomen bedrijfsmaterieel en op de in het KI opgenomen bedrijfsoutillage.
7. Alleen de werkelijk gedragen OV/bedrijf is als beroepskost aftrekbaar.
Dit betekent dat in voorkomend geval rekening moet gehouden worden met het bedrag van de OV zoals het is vastgesteld na aftrek van de in art. 257, WIB 92 bedoelde verminderingen (voor bescheiden woning, grootoorlogsinvalide, zware handicap, gezinslast, enz.).
8. Dienaangaande wordt de aandacht erop gevestigd dat de in art. 257, 1° tot 3°, WIB 92 bedoelde verminderingen inzake OV (nl. de vermindering wegens bescheiden woning, de vermindering ten voordele van de groot- oorlogsverminkten en van de gehandicapte personen en de vermindering ten voordele van het gezinshoofd - zie nrs. 257/1 tot 62, Com.IB 92) krachtens art. 258, tweede lid, in fine, WIB 92 niet worden verleend voor het gedeelte van de woning dat voor de uitoefening van een beroepswerkzaamheid wordt gebruikt, wanneer het gedeelte van het inkomen dat erop betrekking heeft meer bedraagt dan een vierde van het kadastraal inkomen van de volledige woning.
9. M.a.w. indien het beroepsmatig gebruikte gedeelte van de woning niet meer bedraagt dan een vierde van de totale woning, worden de in art. 257, 1° tot 3°, WIB 92 bedoelde verminderingen op het volledige KI van de woning verleend en moet derhalve met die verminderingen rekening gehouden bij het bepalen van de als beroepskost aftrekbare OV/bedrijf.
Voorbeeld
Geïndexeerd KI van de woning (jaar 1984) :
60.000 F x 1,1398 = 68.400 F
Beroepsmatig gebruikt gedeelte : 1/4
Vermindering ten voordele van het gezinshoofd (2 kinderen ten laste) : 20 %
Tarief van de OV Vlaams Gewest : 2,50 % Provincie : 3,50 % Gemeente : 14,00 % ------- Totaal : 20,00 % Bedrag van de OV - Basisbedrag : 68.400 F x 20 % = 13.680 F - Vermindering ten voordele van het gezinshoofd : 13.680 F x 20 % = - 2.736 F --------- - Verschuldigde OV : 10.944 F Als beroepskost aftrekbare OV/bedrijf : 10.944 x 1/4 = 2.736 F 10. Indien het beroepsmatig gebruikte gedeelte van de woning evenwel meer bedraagt dan een vierde van de totale woning, worden de in art. 257, 1° tot 3°, WIB 92 bedoelde verminderingen slechts verleend op het gedeelte van de woning dat niet voor beroepsdoeleinden wordt gebruikt. In dergelijk geval mag met die verminderingen dus geen rekening worden gehouden om de als beroepskost aftrekbare OV/bedrijf te bepalen. Dit houdt in dat indien in de praktijk slechts één of meer van de in art. 257, 1° tot 3°, WIB 92 bedoelde verminderingen zijn verleend, de als beroepskost aftrekbare OV/bedrijf eenvoudigweg kan bepaald worden door het basisbedrag van de OV (d.w.z. het bedrag vóór toepassing van enigerlei vermindering) te vermenigvuldigen met de verhouding van het beroepsmatig gebruikte gedeelte ten opzichte van het geheel.
Voorbeeld
Zelfde voorbeeld als in nr. 9, doch het beroepsmatig gebruikte gedeelte bedraagt 1/3 van de totale woning.
Tarief van de OV : 20 % Bedrag van de OV - Basisbedrag : 68.400 F x 20 % = 13.680 F - Vermindering ten voordele van het gezinshoofd : (13.680 F x 2/3) x 20 % = - 1.824 F --------- - Verschuldigde OV : 11.856 F Voor het bepalen van de als beroepskost aftrekbare OV/bedrijf kan het bedrag van de verschuldigde OV als volgt worden uitgesplitst : privé-gedeelte (2/3) beroepsgedeelte (1/3) KI (68.400) : 45.600 22.800 OV : - basisbedrag (20 %, zijnde in totaal 13.680) : 9.120 4.560 - vermindering ten voordele van het gezinshoofd (20 % van de OV/privé) : - 1.824 - ------- ------- Verschuldigd (11.856) : 7.296 4.560 De als beroepskost aftrekbare OV/bedrijf bedraagt dus 4.560 F. Dit bedrag kan hier ook onmiddellijk worden verkregen door het basisbedrag van de verschuldigde OV (13.680 F) te vermenigvuldigen met 1/3, (13.680 x 1/3 = 4.560 F).
11. Wanneer een onroerend goed slechts gedurende een gedeelte van het jaar geheel of gedeeltelijk voor beroepsdoeleinden is gebruikt, dient het volgens de hiervoor uiteengezette regels berekende bedrag van de OV op het beroepsmatig gebruikte gedeelte van de woning uiteraard nog te worden herleid in verhouding tot het aantal maanden dat het goed geheel of gedeeltelijk voor de uitoefening van het beroep is gebruikt.
12. Vanzelfsprekend moet bij het bepalen van de als beroepskost aftrekbare OV/bedrijf ook rekening worden gehouden met eventuele ontheffingen die inzake OV worden verleend (b.v. ingevolge bezwaar tegen het KI, wegens gehele of gedeeltelijke onproduktiviteit, enz.).
13. De als beroepskost aftrekbare OV/bedrijf wordt in mindering gebracht van de inkomsten van het jaar of het boekjaar waarin de OV als een definitieve en vaststaande schuld werd geboekt in de zin van art. 49, tweede lid, WIB 92.
Personen die geen regelmatige boekhouding voeren en de OV niet als een definitieve en vaststaande schuld in de vorenstaande zin hebben geboekt, kunnen de OV/bedrijf slechts als beroepskost in mindering brengen van de inkomsten van het jaar waarin de OV werkelijk is betaald (en dit ongeacht het belastbaar tijdperk waarop de OV betrekking heeft).
14. Naast de OV/bedrijf zijn ook de ermede verband houdende kosten en nalatigheidsinteresten als beroepskosten aftrekbaar (cf. art. 53, 5°, WIB 92).
15. De vervolgingskosten in verband met de OV zijn daarentegen niet aftrekbaar (zie 53/52, Com.IB 92).
V. BIJZONDERE BIJDRAGE VOOR DE SOCIALE ZEKERHEID
16. De W 30.3.1994 houdende sociale bepalingen (zie inzonderheid de art. 106 tot 112) voert met ingang van het jaar 1994 een bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid in, ter financiering van de regelingen van de sociale zekerheid der werknemers. Die bijdrage, welke in de regel dus voor werknemers verschuldigd is, wordt vastgesteld in verhouding tot het gezinsinkomen en wordt bij wijze van voorschot vanaf 1.4.1994 maandelijks door de werkgever op de bezoldigingen ingehouden. De uiteindelijke afrekening gebeurt jaarlijks door de Administratie der directe belastingen ter gelegenheid van de regularisatie van de fiscale toestand van de betrokken belastingplichtigen.
Meer bijzonderheden nopens de invoering van die bijdrage en de regularisatie ervan door de Administratie der directe belastingen, zullen in afzonderlijke instructies worden meegedeeld.
Onderhavige circulaire heeft alleen tot doel het fiscaal regime van die bijdrage te verduidelijken.
17. Welnu, de nieuwe tekst van art. 53, 4°, WIB 92 stelt uitdrukkelijk dat de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid niet als een aftrekbare beroepskost wordt aangemerkt.
18. Dit houdt o.m. in dat die bijdrage niet in mindering van het brutobedrag van de bezoldigingen mag worden gebracht :
| a) | voor de vaststelling van de grondslag die moet dienen voor de berekening van de verschuldigde BV; |
| b) |
voor de vaststelling van het op de individuele fiches 281.10, 281.20 en 281.21 (resp. in de rubrieken T, T Adm en T Ven) te vermelden belastbare bedrag van de bezoldigingen.
Ter verduidelijking wordt er nog op gewezen dat bestuurders en
|
vennoten alleen aan de voormelde bijdrage onderworpen zijn indien zij in de regeling van de sociale zekerheid der werknemers vallen (wat het geval zou kunnen zijn indien zij prestaties verrichten krachtens een met de werkgever gesloten arbeidsovereenkomst).
19. Zelfstandigen (handelaars, beoefenaars van vrije beroepen en aan de regeling van de sociale zekerheid van zelfstandigen onderworpen bestuurders en vennoten) zijn immers niet aan die bijzondere bijdrage onderworpen. Zij moeten evenwel een gelijkwaardige inspanning leveren die werd verwezenlijkt door een verhoging van de bijdragen voor de sociale zekerheid der zelfstandigen (zie inzonderheid art. 116, W 30.3.1994 houdende sociale bepalingen).
Die verhoogde sociale zekerheidsbijdragen der zelfstandigen blijven bij voortduur aftrekbare beroepskosten op grond van art. 52, 7°, WIB 92.
VI. INWERKINGTREDING
20. Overeenkomstig art. 29, § 1, 1°, W 30.3.1994 zijn de hier besproken bepalingen van toepassing met ingang van het aj. 1995.
Wat de OV/bedrijf betreft, betekent dit inzonderheid dat zij voor het eerst volledig als beroepskost kan worden aangemerkt wanneer zij, overeenkomstig het bepaalde in nr. 13 hiervoor, geboekt of betaald is in een belastbaar tijdperk dat aan het aj. 1995 verbonden is, en dit ongeacht het belastbare tijdperk waarop zij betrekking heeft.
NAMENS DE MINISTER :Voor de Directeur-generaal :De Auditeur-generaal,
M. CHERPION
Bron: FisconetPlus
