Circulaire nr. Ci.RH.423/567.729 (AOIF 43/2004) dd. 23.12.2004

CIRC 23.12.04/2

Circulaire nr. Ci.RH.423/567.729 (AOIF 43/2004) dd. 23.12.2004


EXIT TAX

VASTGOEDBEVAK
Verkoopwaarde


Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, B en C (sector taxatie)
1. Rekening houdende met de boekhoudkundige waarderingsregels die worden toegepast door vastgoedbevaks moet, voor de verrichtingen zoals bedoeld in art. 210, § 1, WIB 92 waaraan een vastgoedbevak deelneemt, de werkelijke waarde van het maatschappelijk vermogen zoals bedoeld in art. 210, § 2 van hetzelfde wetboek worden bepaald aan de hand van de volgende richtlijnen.

2. Voor de toepassing van art. 210, § 2, WIB 92 moeten, wanneer de onroerende goederen en de onroerende zakelijke rechten die zijn begrepen in het maatschappelijk vermogen van een overgenomen, gesplitste of erkende vennootschap werden gewaardeerd rekening houdende met de registratierechten of de BTW die zouden verschuldigd geweest zijn in geval van verkoop, met het oog op de bepaling van de werkelijke waarde van het maatschappelijk vermogen deze rechten en BTW in mindering worden gebracht van de te weerhouden schattingswaarde, in zover ze er deel van uitmaken.

Daarom moet de schattingswaarde worden gerechtvaardigd aan de hand van een verslag dat wordt opgesteld door een vastgoeddeskundige zoals bedoeld in art. 4, § 1, 7° en 8°, KB van 10.4.1995 met betrekking tot vastgoedbevaks (V 2395). De waarde van de onroerende goederen en de onroerende zakelijke rechten met inbegrip van de rechten en BTW en de waarde ervan zonder de rechten en BTW moeten duidelijk worden vermeld in het schattingsverslag. In onderhavig geval moet de schattingswaarde met inbegrip van de rechten of BTW overeenstemmen met de prijs, rechten of BTW inbegrepen, die een koper bereid zou zijn te betalen om de huurinkomsten of het genot van dat goed of recht te verkrijgen, de kosten voor zijn rekening nemend die de eigenaar of de houder van het onroerend zakelijk recht zou moeten betalen.

3. De werkelijke waarde van het maatschappelijk vermogen dat aldus wordt bepaald, mag echter niet lager liggen dan een bedrag dat overeenstemt met de waarde van het maatschappelijk vermogen zoals dat, volgens het geval, zou bepaald geweest zijn in vergelijking met de waarde van de uitgegeven aandelen of de prijs van de aandelen die werden verworven of aangeboden aan het publiek, verminderd met de rechten of BTW die in de hiervoor vermelde schattingswaarde werden opgenomen.

4. Deze richtlijnen zijn mutatis mutandis van toepassing voor het bepalen van de werkelijke waarde zoals bedoeld in art. 210, § 4, WIB 92.

5. Deze circulaire geldt eveneens voor de hangende geschillen.

De Minister,

Didier REYNDERS