Circulaire nr. 11/2014 d.d. 29.08.2014

Griffierechten - Rolrechten - Nieuwe familie- en jeugdrechtbank - Enig familiedossier - Enig rolrecht

FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN

Algemene Administratie van de PATRIMONIUMDOCUMENTATIE

Toezicht en controle van de griffies

OPMERKING : Voor wat betreft het rolrecht van toepassing in het kader van de wet van 30 juli 2013 betreffende de invoering van en familie- en jeugdrechbank, de onderhavige circulaire wordt vervangt door de circulaire nr. 13/2014 van 18.09.2014.

Onderhavige circulaire vervangt de vorige richtlijnen, voor wat betreft het rolrecht van toepassing op het familierecht, behoudens wat betreft het vredegerecht.

I. Algemene heffingsregels

Toepassingsgebied. Het rolrecht (art. 269^1 tot 269^3 W.Reg.) is van toepassing op alle niveaus van burgerlijke rechtbanken, in burgerlijke, handels- en sociale zaken. Het betreft niet de verzoekschriften ingeleid voor de bijzondere rechtbanken (Raad van State, Grondwettelijk Hof).

Eisbaarheid van het rolrecht. Het inschrijven van zaken op de algemene rol, de inschrijving van verzoekschriften in de registers der verzoekschriften en de inschrijving van vorderingen in kort geding maken het rolrecht opeisbaar.

Toepasselijk tarief Om het toepasselijk tarief te bepalen, wordt een onderscheid gemaakt:

  • volgens de aard van de rol waar de zaak is ingeleid (algemene of bijzondere rol) ;
  • volgens de rechtbank of het niveau ervan.

Inschrijvingen op de algemene rol (art. 269^1 W.Reg.). In principe wordt elke zaak ingeleid bij een burgerlijke rechtbank, in burgerlijke, handels- en sociale zaken, ingeschreven op de algemene rol hiervan in volgorde van aanbieding, wat ook de vorm is van inleiding (deurwaardersexploot, oproep door de griffier bij gerechtsbrief, aangetekende brief, gewone brief). Dit is ook zo in geval van een verzoekschrift op tegenspraak en vrijwillige verschijning van de partijen.

De heffing van het rolrecht ingeschreven in artikel 269^1 W.Reg. houdt verband met de inschrijving van de zaak op de algemene rol van de rechtbank waarvoor de zaak aanhangig is gemaakt.

Elke nieuwe inschrijving van dezelfde zaak op de algemene rol van dezelfde rechtbank geeft in principe aanleiding tot de heffing van een nieuw recht, zonder verrekening van het vorige recht.

Evenwel zal een nieuwe of bijkomende vordering die geen nieuwe inschrijving op de algemene rol met zich meebrengt, geen nieuw recht opeisbaar maken (incidentele of tegeneis, verzoek in tussenkomst of in vrijwaring, vraag om heropening van de debatten, incidenteel beroep, nieuwe dagvaarding van niet-verschijnenden, vraag om hervatting van het geding, zaak teruggestuurd krachtens de wet op het taalgebruik in gerechtszaken, …)

Het rolrecht wordt verminderd tot 30 EUR voor de procedures voorzien in artikel 162, 13° W.Reg., te weten :

  • procedures voor vrederechters wanneer het bedrag van de hoofdeis het maximum van de laatste aanleg niet te boven gaat;
  • procedures inzake uitkering tot onderhoud of ingesteld overeenkomstig artikel 221 B.W., of nog verzoekschrift om sommendelegatie ingeleid bij de vrederechter overeenkomstig artikel 203ter B.W.;
  • procedures voor de rechtbank van koophandel inzake zee- of binnenvaart, indien het bedrag van de hoofdeis het bedrag van de laatste aanleg voor het vredegerecht niet te boven gaat.

Inschrijving in het register der verzoekschriften (art. 269^2 W.Reg.). De inschrijving van eenzijdige verzoekschriften - met uitsluiting van de verzoekschriften op tegenspraak - in het register der verzoekschriften maakt het recht van artikel 269^2 W.Reg. opeisbaar.

Inschrijving in het register der kort gedingen (art. 269^3 W.Reg.). De vorderingen in kort geding, gebonden aan hoogdringendheid en waarover de rechter voorlopig uitspraak doet - zonder de hoofdzaak te benadelen - geven aanleiding tot de heffing van het recht van artikel 269^3 W.Reg.

Wanneer een vordering in kort geding voortvloeit uit een zaak ingeschreven op de algemene rol (betaling van het recht van artikel 269^1 W.Reg.), heeft de inschrijving in het register der kort gedingen een tweede rolrecht tot gevolg (betaling van het recht van artikel 269^3 W.Reg.).

Vereffening in debet (art. 283 W.Reg.). Het recht wordt vereffend in debet in geval van inschrijving:

  • ten verzoeke van een persoon die rechtsbijstand heeft verkregen;
  • in procedures bij faillissement, wanneer de kosteloosheid door de rechtbank werd bevolen;
  • van een vordering tot interpretatie of tot verbetering van een gerechtelijke beslissing;
  • ten verzoeke en ter verdediging van de beklaagden of betichten in strafzaken.

II. Wet tot invoeringvan een familie- en jeugdrechtbank – Bijzondere heffingsregels

Inwerkingtreding. De wet van 30 juli 2013 betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank (afgekort : wet) richt binnen de rechtbank van eerste aanleg één (meerdere) familie- en jeugdkamer(s) en kamer(s) voor minnelijke schikking op (B.S., 27 september 2013, 2de editie, blz. 68429 en volgende). Deze kamers worden "Familie- en jeugdrechtbank" genoemd en ze vormen een sectie van de rechtbank van eerste aanleg. Ook elk hof van beroep omvat familiekamers, jeugdkamers en kamers voor minnelijke schikking.

De wet treedt in werking op 1 september 2014.

Geen fiscale wijziging. De wet wijzigt geen enkele regel van het Wetboek der registratierechten.

Bevoegdheden van de nieuwe familierechtbank. De wet wijst aan de nieuwe familierechtbank de familiezaken in strikte zin toe (huwelijk, echtscheiding, erkenning, adoptie; rechten en plichten van echtgenoten en wettelijk samenwonenden, voorlopige maatregelen tussen echtgenoten en wettelijk samenwonenden, ouderlijk gezag, verblijfplaats van de kinderen, internationale ontvoering van een kind; verplichting tot alimentatie; huwelijksvermogensstelsel, erfenissen, giften onder levenden, testamenten, verdelingen; tijdelijk verbod tot woonst; familiale uitkeringen; beroep inzake de bescherming van mentaal zieke personen; kleine erfenissen; de erfregeling inzake landbouwbedrijven).

De familierechtbank is niet bevoegd inzake geschillen tussen feitelijk samenwonenden, noch inzake de bescherming van mentaal zieken, noch inzake het recht op inkomen voor sociale integratie (D. PIRE, "De wet van 30 juli 2013 tot invoering van een familie- en jeugdrechtbank", Act. dr. fam., 2013/9, blz. 170 tot 200, in het bijzonder, nrs. 14 tot 21, blz. 173 tot 175).

Overdracht van bevoegdheden en verhoging van de rechten. Bepaalde overdrachten van bevoegdheden tussen rechtbanken hebben een niet verwaarloosbare fiscale impact. Zo brengt de overdracht van bepaalde bevoegdheden van de jeugdrechtbank naar de familierechtbank (ouderlijk gezag) het rolrecht van 60 euro (register der verzoekschriften) naar 100 euro (algemene rol), wat een verhoging van 66,6% is.

De overdracht van bepaalde bevoegdheden van de vrederechter naar de familierechter (alimentatie-uitkering; voorlopige maatregelen tussen echtgenoten en tussen wettelijk samenwonenden) brengt eveneens een verhoging mee van het rolrecht van 40 euro (art. 269^1, eerste lid, 1° W. Reg) en van 30 euro (269^1, … 2de lid, W. Reg) naar 100 euro, wat een verhoging van 150% en 233,3% is.

Die verhogingen worden gedeeltelijk gecompenseerd door het feit dat de vrederechter zijn bevoegdheden uitgebreid ziet door de wet, wat in de betrokken gevallen leidt tot een vermindering van het rolrecht:

  • de algemene bevoegdheid van de vrederechter is opgetrokken (2.500 euro in plaats van 1.860 euro);
  • het bedrag waarover hij in laatste aanleg oordeelt is verhoogd (1.860 euro in plaats van 1.240 euro);
  • de wet wijst hem nieuwe materiële bevoegdheden toe (begrafenissen en begraafplaatsen; maatregelen tot juridische bescherming en de stelsels van onbekwaamheid; aanstelling van de curator; aanstelling van de sekwester).

Enig familiedossier - Enig rolrecht. Er dient rekening gehouden te worden met een fundamentele vernieuwing die ingevoerd wordt door de wet, namelijk het opstellen van een enig familiedossier. Dat enig dossier (duurtijd : 30 jaar) is samengesteld uit alle zaken die ingeleid worden bij de familierechtbank en opeenvolgend betrekking hebben op dezelfde partijen en hun huidige of toekomstige gemeenschappelijke kinderen.

Het familiedossier betreft de bij de familierechtbank ingediende vorderingen tussen partijen die ofwel samen een minderjarig kind hebben, ofwel gehuwd zijn of waren, ofwel wettelijk samenwonenden zijn of waren, samengevoegd in één dossier. Worden ook bij het familiedossier gevoegd, de zaken met betrekking tot een kind waarvan de afstamming slechts ten aanzien van één ouder is vastgesteld, alsook de zaken met betrekking tot het in artikel 375bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde persoonlijk contact. (art. 725bis, § 1, nieuw Ger. Wb.).

Dat familiedossier wordt geopend vanaf de eerste vordering die bij de familierechtbank wordt ingesteld, wat een rolrecht opvorderbaar maakt.

Er dient te worden beschouwd dat het recht van 100 EUR (art. 269^1, 2° W.Reg.) slechts éénmaal verschuldigd is voor heel het enig familiedossier, namelijk bij de opening ervan bij de familierechtbank, zelfs als er later nieuwe zaken ingeleid worden bij de familierechtbank en zelfs als de eerste eis ingeleid wordt bij eenzijdig verzoekschrift of in kort geding.

Verder is een enig rolrecht van 210 € (art. 269^1, 3° W.Reg.) verschuldigd wanneer beroep wordt ingesteld voor het bevoegde hof van beroep, zelfs indien meerdere beroepen opeenvolgend in hetzelfde familiedossier worden ingesteld, en zelfs zo het eerste beroep wordt ingesteld bij eenzijdig verzoekschrift of in kort geding.

Tenslotte, is een enig rolrecht van 375 € (art. 269^1, 4° W.Reg.) verschuldigd wanneer voor het eerst een voorziening in cassatie wordt ingesteld in een familiedossier, ongeacht het aantal voorzieningen dat later nog wordt ingesteld in dit familiedossier.

Jeugddossier - Geen rolrecht. Er dient ook rekening gehouden te worden met de invoering van een enig jeugddossier. Dit dossier wordt bij de jeugdrechtbank geopend op initiatief van de procureur des Konings (in beroep, de procureur-generaal) in geval van een wetsovertreding begaan door een minderjarige.

In het kader van de jeugdbescherming is er geen inschrijving op een rol. Er is dan ook geen rolrecht verschuldigd bij de opening van dit jeugddossier.

Interne ref.: Dossier nr. EE/G.165