Circulaire nr. AFZ 7/2007 (AFZ/2004-0580 - AFZ/2006-0444) dd. 07.05.2007
CIRC 7/2007
Circulaire nr. AFZ 7/2007 (AFZ/2004-0580 - AFZ/2006-0444) dd. 07.05.2007
RECHT OP AFTREK
Uitoefening van het recht op aftrek
Verlegging van de heffing
Werk in onroerende staat
Handeling gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving van goederen
Factuur
Transfertdocument
Arrest Bockemühl
VERPLICHTINGEN
Zelffacturering
Bewaring van boekhoudkundige stukken
Tabel van de bedrijfsmiddelen
VOLDOENING VAN DE BELASTING
Niet in belgië gevestigde belastingplichtige
Schuldenaar van de belasting
Medecontractant
Aan alle ambtenaren van de sector btw van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit en van de Administratie van fiscale zaken.
ONDERWERP VAN DE CIRCULAIRE
1. De koninklijke besluiten van 21 april 2007, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 4 mei 2007, wijzigen de artikelen 3 en 11 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, de artikelen 5 en 9 alsook de bijlage II van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde en de artikelen 1 en 5 van het koninklijk besluit nr. 31 van 2 april 2002 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen.
Deze circulaire geeft een eerste algemene commentaar op deze wijzigingen.
INLEIDING
2. De aangebrachte wijzigingen passen voornamelijk in het kader van een betere overeenstemming van de nationale bepalingen met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen inzake het recht op aftrek en meer in het bijzonder op het vlak van de voorwaarden voor de uitoefening van dit recht in de gevallen dat de verleggingsregeling van toepassing is.
3. Het arrest van het HJEG van 1 april 2004 in de zaak C-90/02 Bockemühl, verklaart voor recht dat de belastingplichtige die gehouden is tot de voldoening van de verschuldigde btw in het kader van de verlegging van de heffing (artikel 51, § 2, van het Btw-Wetboek en artikel 21, lid 1, van de 6de richtlijn - artikelen 194 tot 196 van de richtlijn 2006/112/EG vanaf 1 januari 2007), voor de uitoefening van zijn recht op aftrek met betrekking tot die belasting, niet in het bezit moet zijn van een regelmatige factuur (in de zin van artikel 5 van het het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde en van artikel 22, lid 3, van de 6de richtlijn - artikel 226 van de voornoemde richtlijn 2006/112/EG).
Het arrest benadrukt dat het opleggen en de omvang van formaliteiten voor het recht op aftrek niet verder mogen gaan dan strikt noodzakelijk is om de juiste toepassing van de betrokken verleggingsregeling te controleren.
4. Met andere woorden, zodra de belastingplichtige zichzelf terecht als schuldenaar van de btw heeft erkend en de belasting heeft voldaan tot genoegdoening en zonder kritiek vanwege de administratie, kunnen bijkomende voorwaarden in geen geval tot gevolg hebben dat de uitoefening van het overeenstemmende recht op aftrek wordt tenietgedaan.
5. In de gevallen van verlegging van de heffing (zoals bedoeld in artikel 51, § 2, van het Btw-Wetboek of in artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 31), bepaalde artikel 3, § 3, van het koninklijk besluit nr. 3 dat de belastingplichtige, om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, in het bezit diende te zijn van een factuur die vanaf de uitreiking ervan of nadien vervolledigd, alle vermeldingen van een conforme factuur moest bevatten, niettegenstaande het feit dat de belastingplichtige in voorkomend geval het in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 1 bedoeld stuk moest opmaken om de verschuldigde belasting te berekenen. Dit stuk bevat evenwel voldoende gegevens om de administratie in staat te stellen de juiste toepassing van de verlegging van de heffing te controleren en bijgevolg om de uitoefening van het recht op aftrek toe te laten.
Het was derhalve aangewezen om de nationale bepalingen te wijzigen.
6. Bovendien worden wijzigingen van technische aard aangebracht aan de artikelen 5 en 9 van het koninklijk besluit nr. 1 en aan de bijlage II bij dit besluit, alsook aan artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 31 als gevolg van de wijziging van artikel 51, § 2, van het Btw-Wetboek, dat op 1 januari 2005 werd aangevuld met een 6°.
WIJZIGING VAN ARTIKEL 3 VAN HET KONINKLIJK BESLUIT NR. 3 (Z. ART. 4 VAN HET WIJZIGEND KONINKLIJK BESLUIT)
• Wijziging van artikel 3, § 3 - artikel 3, § 1, 7°, nieuw
7. Zijn gewijzigd:
9. Dit is het voorwerp van punt 7 (nieuw) ingevoegd in artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit nr. 3 tot vervanging van artikel 3, § 3 (z. art. 4, 3° van het wijzigend koninklijk besluit).
Volgens deze nieuwe bepaling moet de belastingplichtige, om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen ten aanzien van de belasting geheven van de handelingen waarvoor hij bij toepassing van artikel 51, § 2, 1°, 2°, 5° en 6° of § 4, of van artikel 55, § 6, van het Btw-Wetboek, gehouden is zelf de opeisbare belasting te voldoen:
11. Bijgevolg wordt § 3, die overbodig wordt, opgeheven (z. art. 4, 4°, van het wijzigend koninklijk besluit).
• Wijziging van artikel 3, § 1, 6°
12. De bepaling beoogd in artikel 3, § 1, 6° van het koninklijk besluit nr. 3 met betrekking tot de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op aftrek van de belasting ten aanzien van handelingen die met een intracommunautaire verwerving van goederen worden gelijkgesteld door artikel 25quater van het Btw-Wetboek, is gewijzigd in de mate dat deze bepaling, voor wat het stuk betreft dat de belastingplichtige dient te bezitten, verwees naar het stuk bedoeld in artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1.
Laatstgenoemde bepaling beoogt evenwel het stuk dat bedoeld is in artikel 3 van hetzelfde koninklijk besluit dat gebruikt wordt om een handeling vast te stellen die door artikel 12 van het Wetboek met een levering of door artikel 19 van het Wetboek met een dienst wordt gelijkgesteld en heeft niets te maken met het beoogde geval.
13. In verband met de overdracht van goederen van een andere lidstaat naar België, voorzag de Belgische wetgeving anderzijds tot vandaag in geen enkel bijzonder stuk voor de belastingplichtige die de Belgische btw dient te voldoen en die hem toestaat zijn recht op aftrek uit te oefenen.
14. Daarom diende deze juridische leemte te worden weggewerkt met een verwijzing naar het stuk dat wordt opgesteld overeenkomstig de wettelijke bepalingen die van kracht zijn in de lidstaat van waaruit deze goederen zijn verzonden en dat dient om de overdracht van deze goederen van deze lidstaat naar België vast te stellen.
Het kan evenwel zijn dat bedoeld stuk niet werd opgemaakt of dat het niet in het bezit is van de betrokken belastingplichtige in België.
Voor die gevallen moest in de Belgische wetgeving eveneens de verplichting worden opgenomen voor de betrokken belastingplichtige om een specifiek document op te maken dat dient om de handeling vast te stellen en de Belgische belasting te voldoen en op basis waarvan hij zijn recht op aftrek zal kunnen uitoefenen.
De verplichting om dit specifiek document op te maken, maakt het voorwerp uit van de wijzigingen aangebracht aan artikel 9, § 3 van het koninklijk besluit nr. 1 (z. punt 22 hierna).
15. Artikel 3, § 1, 6° van het koninklijk besluit nr. 3 werd als volgt vervangen: "ten aanzien van de belasting geheven van een handeling die de belastingplichtige verricht voor de behoeften van zijn economische activiteit en die met een intracommunautaire verwerving wordt gelijkgesteld door artikel 25quater van het Wetboek, in het bezit zijn van het transfertdocument opgesteld overeenkomstig de wettelijke bepalingen die van kracht zijn in de lidstaat van waaruit deze goederen zijn verzonden of vervoerd of bij gebreke ervan, het in artikel 9, § 3, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde stuk en de verschuldigde belasting opnemen in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin ze opeisbaar wordt;" (z. art. 4, 2° van het wijzigend koninklijk besluit).
• Wijziging van artikel 3, § 1, 2°, 4° en 5°
16. Om elke mogelijke verwarring te vermijden ten aanzien van de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op aftrek, met name het opnemen van de belasting in de aangifte, zoals vermeld in artikel 3, § 1, 2°, 4°, 5° en 6°, van het koninklijk besluit nr. 3, wordt verduidelijkt dat het gaat om het opnemen van de verschuldigde belasting.
Deze verduidelijking werd reeds aangebracht in artikel 3, § 1, 7° (nieuw) en artikel 3, § 1, 6° (gewijzigd) van het koninklijk besluit nr. 3 (z. hierboven).
Dezelfde wijziging werd eveneens aangebracht in de bepalingen van artikel 3, § 1, 2°, 4° en 5° van het koninklijk besluit nr. 3 (z. art. 4, 1° van het wijzigend koninklijk besluit).
WIJZIGING VAN ARTIKEL 9 VAN HET KONINKLIJK BESLUIT NR. 1 (Z. ART. 2 VAN HET WIJZIGEND KONINKLIJK BESLUIT)
• Wijziging van artikel 9, § 1
17. De beoogde bepaling legt aan de medecontractanten die schuldenaar zijn van de belasting wegens intracommunautaire verwervingen van goederen of in alle gevallen waarin de verlegging van de heffing van toepassing is, de verplichting op om een stuk op te maken als zij nog niet in het bezit zijn van de factuur met betrekking tot de handeling op de datum dat deze factuur wettelijk moest worden uitgereikt, en dat binnen dezelfde termijn als de factuur. Het is op basis van dit stuk dat de medecontractant die schuldenaar is van de belasting de btw moet opnemen in zijn aangifte.
Overeenkomstig artikel 3, § 1, 5°, van het koninklijk besluit nr. 3, kon de belastingplichtige die een intracommunautaire verwerving van goederen verricht de aftrek geheven van deze verwerving reeds verrichten op basis van het stuk bedoeld in artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 dat hij zelf opmaakte. Gelet op de wijziging aangebracht aan artikel 3, § 3, van het koninklijk besluit nr. 3, (z. punt 9 hierboven), kunnen alle hiervoor bedoelde belastingplichtigen voortaan hun recht op aftrek van de belasting uitoefenen alleen op basis van dit stuk zonder al in het bezit te zijn van de factuur.
18. Om evenwel het systeem van de zelffacturering bedoeld in artikel 53, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek en artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 niet in het gedrang te brengen, zijn de medecontractanten die schuldenaar zijn van de belasting en die met hun leveranciers van goederen of diensten zijn overeengekomen om zelf de factuur uit te reiken in naam en voor rekening van laatstgenoemden, uitgesloten van de toepassing van voornoemd artikel 9, § 1.
Anders zou er inderdaad in zekere zin een "dubbel gebruik" zijn van beide stukken. Er wordt aan herinnerd dat het stuk bedoeld in artikel 9 eerder een document is in afwachting van de factuur. Welnu, bij zelffacturering is de medecontractant er immers toe verbonden om zelf de factuur op te maken. In dat geval heeft het opmaken van het stuk bedoeld in artikel 9 uiteraard geen zin meer.
Anderzijds mag de medecontractant die schuldenaar is van de belasting niet het recht krijgen om de aftrek te verrichten op grond van een ander document dan bedoelde factuur.
19. Artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 wordt dus als volgt gewijzigd:
" Behalve in het geval de factuur moet worden uitgereikt door de medecontractant in naam en voor rekening van de belastingplichtige die de goederen levert of de diensten verstrekt dienen de belastingplichtige en de niet-belastingplichtige rechtspersoon, die overeenkomstig artikel 51, § 1, 2°, en § 2, 1°, 2°, 5° en 6°, van het Wetboek, of de artikelen 20 of 20bis, schuldenaar zijn van de belasting, uiterlijk de vijfde werkdag van de maand na die waarin de belasting overeenkomstig de artikelen 17, § 1, 22, § 2, of 25septies, § 2, eerste lid, van het Wetboek de belasting opeisbaar wordt, een stuk op te maken wanneer zij nog niet in het bezit zijn van de factuur met betrekking tot de handeling.".
• Wijziging van artikel 9, § 2
20. Ten aanzien van de vermeldingen die het in artikel 9, § 1, bedoelde document moet bevatten, worden twee vermeldingen toegevoegd aan artikel 9, § 2: de datum waarop het stuk is opgemaakt en een verwijzing naar de overeenkomst of elk ander gelijkaardig stuk.
Artikel 9, § 2, wordt als volgt gewijzigd:
"Het in § 1 bedoeld stuk moet de volgende vermeldingen bevatten:
• Wijziging van artikel 9, § 3
21. Gelet op de wijziging van artikel 9, § 2, 7°, (z. hierboven) wordt de tekst van artikel 9, § 3 (oud) opgeheven.
Rekening houdend met de wijziging van artikel 3, § 1, 6°, van het koninklijk besluit nr. 3 (z. punt 15 hiervoor), voorziet artikel 9, § 3, nieuw bovendien voor de belastingplichtige die schuldenaar is van de belasting ingevolge een handeling die door artikel 25quater van het Btw-Wetboek met een intracommunautaire verwerving van goederen wordt gelijkgesteld, in de verplichting om een stuk op te maken dat de handeling vaststelt.
Dit stuk moet worden opgemaakt uiterlijk de vijfde werkdag van de maand na die waarin de belasting overeenkomstig artikel 25septies, § 2, eerste lid van het Btw-Wetboek opeisbaar wordt aangezien de belastingplichtige die schuldenaar is van de belasting op dat ogenblik niet in het bezit is van het transfertdocument opgesteld overeenkomstig de wettelijke bepalingen die van kracht zijn in de lidstaat van waaruit de goederen zijn verzonden of vervoerd.
Dit stuk moet alle vermeldingen bevatten, voorzien in § 2, van hetzelfde artikel 9.
22. Artikel 9, § 3, wordt dus als volgt gewijzigd: "De belastingplichtige die schuldenaar is van de belasting ingevolge een door artikel 25quater van het Wetboek met een intracommunautaire verwerving gelijkgestelde handeling en die niet in het bezit is van het transfertdocument opgesteld overeenkomstig de wettelijke bepalingen die van kracht zijn in de lidstaat van waaruit de goederen zijn verzonden of vervoerd, is gehouden uiterlijk de vijfde werkdag van de maand na die waarin de belasting overeenkomstig artikel 25septies, § 2, eerste lid, van het Wetboek opeisbaar wordt, een stuk op te maken dat de handeling vaststelt en de in § 2 bedoelde vermeldingen bevat.".
• Wijziging van artikel 9, § 4
23. Gelet op hetgeen voorafgaat, wordt bovendien artikel 9, § 4, vervolledigd en luidt het als volgt: "Bij de ontvangst van de factuur of het transfertdocument zijn de respectievelijk in § 1 of in § 3 bedoelde personen gehouden tot het vermelden hierop van een verwijzing naar het respectievelijk in § 2 of in § 3 bedoelde stuk, en op die stukken, van een verwijzing naar de factuur of het transfertdocument.".
WIJZIGING VAN ARTIKEL 11 VAN HET KONINKLIJK BESLUIT NR. 3
24. Om in overeenstemming te zijn met de termijn van 7 jaar voorzien in artikel 60, § 1, van het Wetboek voor de bewaring van de boeken die op grond van het Wetboek of ter uitvoering ervan moeten worden gehouden, werd artikel 11, § 5, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 3 gewijzigd om het tijdvak waarin de tabel betreffende een bepaald bedrijfsmiddel moet worden bewaard terug te brengen van 10 naar 7 jaar.
(TECHNISCHE) WIJZIGING VAN ARTIKEL 5 VAN HET KONINKLIJK BESLUIT NR. 31 (Z. ARTIKEL 6 VAN HET WIJZIGEND KONINKLIJK BESLUIT)
25. Gelet op de toegevoegde vermeldingen en de wijzigingen die werden aangebracht aan de nummering van artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1 (z. punt 20 hierboven), wordt artikel 5, § 2, tweede lid van het koninklijk besluit nr. 31 technisch aangepast voor zover er wordt verwezen naar eerstgenoemde bepaling.
Aldus worden de woorden: "de vermeldingen bedoeld in artikel 9, § 2, 1°, 2°, 4° en 5°" vervangen door de woorden "de vermeldingen bedoeld in artikel 9, § 2, 2°, 3°, 5°, 6° en 7°".
OVERIGE TECHNISCHE WIJZIGINGEN (Z. ARTIKEL 1, 3 EN 5 VAN HET WIJZIGEND KONINKLIJK BESLUIT)
26. Gelet op omzetting in Belgisch fiscaal recht met als datum van uitwerking 1 januari 2005, van de richtlijn 2003/92/EG van de Raad van 7 oktober 2003 tot wijziging van de richtlijn 77/388/EEG met betrekking tot de regels inzake de plaats van levering van gas en elektriciteit werd artikel 51, § 2, van het Btw-Wetboek aangevuld met een punt 6°.
Ten gevolge van deze wijziging worden de hierna vermelde artikelen die verwijzen naar voornoemde bepaling technisch aangepast om rekening de houden met punt 6°:
NAMENS DE MINISTER :
De adjunct-administrateur-generaal
Paul NECKEBROECK
BIJLAGE 1
BIJLAGE 2
Circulaire nr. AFZ 7/2007 (AFZ/2004-0580 - AFZ/2006-0444) dd. 07.05.2007
RECHT OP AFTREK
Uitoefening van het recht op aftrek
Verlegging van de heffing
Werk in onroerende staat
Handeling gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving van goederen
Factuur
Transfertdocument
Arrest Bockemühl
VERPLICHTINGEN
Zelffacturering
Bewaring van boekhoudkundige stukken
Tabel van de bedrijfsmiddelen
VOLDOENING VAN DE BELASTING
Niet in belgië gevestigde belastingplichtige
Schuldenaar van de belasting
Medecontractant
Aan alle ambtenaren van de sector btw van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit en van de Administratie van fiscale zaken.
ONDERWERP VAN DE CIRCULAIRE
1. De koninklijke besluiten van 21 april 2007, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 4 mei 2007, wijzigen de artikelen 3 en 11 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, de artikelen 5 en 9 alsook de bijlage II van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde en de artikelen 1 en 5 van het koninklijk besluit nr. 31 van 2 april 2002 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen.
Deze circulaire geeft een eerste algemene commentaar op deze wijzigingen.
INLEIDING
2. De aangebrachte wijzigingen passen voornamelijk in het kader van een betere overeenstemming van de nationale bepalingen met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen inzake het recht op aftrek en meer in het bijzonder op het vlak van de voorwaarden voor de uitoefening van dit recht in de gevallen dat de verleggingsregeling van toepassing is.
3. Het arrest van het HJEG van 1 april 2004 in de zaak C-90/02 Bockemühl, verklaart voor recht dat de belastingplichtige die gehouden is tot de voldoening van de verschuldigde btw in het kader van de verlegging van de heffing (artikel 51, § 2, van het Btw-Wetboek en artikel 21, lid 1, van de 6de richtlijn - artikelen 194 tot 196 van de richtlijn 2006/112/EG vanaf 1 januari 2007), voor de uitoefening van zijn recht op aftrek met betrekking tot die belasting, niet in het bezit moet zijn van een regelmatige factuur (in de zin van artikel 5 van het het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde en van artikel 22, lid 3, van de 6de richtlijn - artikel 226 van de voornoemde richtlijn 2006/112/EG).
Het arrest benadrukt dat het opleggen en de omvang van formaliteiten voor het recht op aftrek niet verder mogen gaan dan strikt noodzakelijk is om de juiste toepassing van de betrokken verleggingsregeling te controleren.
4. Met andere woorden, zodra de belastingplichtige zichzelf terecht als schuldenaar van de btw heeft erkend en de belasting heeft voldaan tot genoegdoening en zonder kritiek vanwege de administratie, kunnen bijkomende voorwaarden in geen geval tot gevolg hebben dat de uitoefening van het overeenstemmende recht op aftrek wordt tenietgedaan.
5. In de gevallen van verlegging van de heffing (zoals bedoeld in artikel 51, § 2, van het Btw-Wetboek of in artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 31), bepaalde artikel 3, § 3, van het koninklijk besluit nr. 3 dat de belastingplichtige, om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, in het bezit diende te zijn van een factuur die vanaf de uitreiking ervan of nadien vervolledigd, alle vermeldingen van een conforme factuur moest bevatten, niettegenstaande het feit dat de belastingplichtige in voorkomend geval het in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 1 bedoeld stuk moest opmaken om de verschuldigde belasting te berekenen. Dit stuk bevat evenwel voldoende gegevens om de administratie in staat te stellen de juiste toepassing van de verlegging van de heffing te controleren en bijgevolg om de uitoefening van het recht op aftrek toe te laten.
Het was derhalve aangewezen om de nationale bepalingen te wijzigen.
6. Bovendien worden wijzigingen van technische aard aangebracht aan de artikelen 5 en 9 van het koninklijk besluit nr. 1 en aan de bijlage II bij dit besluit, alsook aan artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 31 als gevolg van de wijziging van artikel 51, § 2, van het Btw-Wetboek, dat op 1 januari 2005 werd aangevuld met een 6°.
WIJZIGING VAN ARTIKEL 3 VAN HET KONINKLIJK BESLUIT NR. 3 (Z. ART. 4 VAN HET WIJZIGEND KONINKLIJK BESLUIT)
• Wijziging van artikel 3, § 3 - artikel 3, § 1, 7°, nieuw
7. Zijn gewijzigd:
-
artikel 3, § 3, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 3 voor zover erin werd bepaald dat voor de gevallen van verlegging van de heffing bedoeld in artikel 51, § 2, van het Btw-Wetboek of in artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 31, de belastingplichtige, om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, in het bezit diende te zijn van een factuur die vanaf de uitreiking ervan of nadien vervolledigd, alle vermeldingen van een conforme factuur moest bevatten, niettegenstaande het feit dat de belastingplichtige in voorkomend geval het in artikel 9 van het voornoemd koninklijk besluit nr. 1 bedoeld stuk (stuk in afwachting van de factuur) moest opmaken om de verschuldigde belasting te berekenen en te voldoen;
- artikel 3, § 3, tweede lid, van dit besluit dat voor de gevallen van verlegging van de heffing bedoeld in artikel 51, § 4, van het Wetboek (nl. hoofdzakelijk voor het werk in onroerende staat bedoeld in artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1), de verplichting oplegde om in het bezit te zijn van een conforme factuur als voorwaarde voor de uitoefening van het recht op aftrek. Rekening houdend met de bepalingen van voornoemd arrest kan een verschil in behandeling tussen handelingen verricht door een niet in België gevestigde belastingplichtige (werk in onroerende staat verricht door een niet in België gevestigde ondernemer) en die verricht door een in België gevestigde belastingplichtige niet worden gerechtvaardigd.
9. Dit is het voorwerp van punt 7 (nieuw) ingevoegd in artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit nr. 3 tot vervanging van artikel 3, § 3 (z. art. 4, 3° van het wijzigend koninklijk besluit).
Volgens deze nieuwe bepaling moet de belastingplichtige, om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen ten aanzien van de belasting geheven van de handelingen waarvoor hij bij toepassing van artikel 51, § 2, 1°, 2°, 5° en 6° of § 4, of van artikel 55, § 6, van het Btw-Wetboek, gehouden is zelf de opeisbare belasting te voldoen:
- in het bezit zijn van een factuur uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, § 2 en 53octies, van het Wetboek of, bij gebreke van een dergelijke factuur, van het bedoelde stuk in artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde of in artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit nr. 31 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen;
- de verschuldigde belasting opnemen in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin ze opeisbaar wordt.
11. Bijgevolg wordt § 3, die overbodig wordt, opgeheven (z. art. 4, 4°, van het wijzigend koninklijk besluit).
• Wijziging van artikel 3, § 1, 6°
12. De bepaling beoogd in artikel 3, § 1, 6° van het koninklijk besluit nr. 3 met betrekking tot de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op aftrek van de belasting ten aanzien van handelingen die met een intracommunautaire verwerving van goederen worden gelijkgesteld door artikel 25quater van het Btw-Wetboek, is gewijzigd in de mate dat deze bepaling, voor wat het stuk betreft dat de belastingplichtige dient te bezitten, verwees naar het stuk bedoeld in artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1.
Laatstgenoemde bepaling beoogt evenwel het stuk dat bedoeld is in artikel 3 van hetzelfde koninklijk besluit dat gebruikt wordt om een handeling vast te stellen die door artikel 12 van het Wetboek met een levering of door artikel 19 van het Wetboek met een dienst wordt gelijkgesteld en heeft niets te maken met het beoogde geval.
13. In verband met de overdracht van goederen van een andere lidstaat naar België, voorzag de Belgische wetgeving anderzijds tot vandaag in geen enkel bijzonder stuk voor de belastingplichtige die de Belgische btw dient te voldoen en die hem toestaat zijn recht op aftrek uit te oefenen.
14. Daarom diende deze juridische leemte te worden weggewerkt met een verwijzing naar het stuk dat wordt opgesteld overeenkomstig de wettelijke bepalingen die van kracht zijn in de lidstaat van waaruit deze goederen zijn verzonden en dat dient om de overdracht van deze goederen van deze lidstaat naar België vast te stellen.
Het kan evenwel zijn dat bedoeld stuk niet werd opgemaakt of dat het niet in het bezit is van de betrokken belastingplichtige in België.
Voor die gevallen moest in de Belgische wetgeving eveneens de verplichting worden opgenomen voor de betrokken belastingplichtige om een specifiek document op te maken dat dient om de handeling vast te stellen en de Belgische belasting te voldoen en op basis waarvan hij zijn recht op aftrek zal kunnen uitoefenen.
De verplichting om dit specifiek document op te maken, maakt het voorwerp uit van de wijzigingen aangebracht aan artikel 9, § 3 van het koninklijk besluit nr. 1 (z. punt 22 hierna).
15. Artikel 3, § 1, 6° van het koninklijk besluit nr. 3 werd als volgt vervangen: "ten aanzien van de belasting geheven van een handeling die de belastingplichtige verricht voor de behoeften van zijn economische activiteit en die met een intracommunautaire verwerving wordt gelijkgesteld door artikel 25quater van het Wetboek, in het bezit zijn van het transfertdocument opgesteld overeenkomstig de wettelijke bepalingen die van kracht zijn in de lidstaat van waaruit deze goederen zijn verzonden of vervoerd of bij gebreke ervan, het in artikel 9, § 3, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde stuk en de verschuldigde belasting opnemen in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin ze opeisbaar wordt;" (z. art. 4, 2° van het wijzigend koninklijk besluit).
• Wijziging van artikel 3, § 1, 2°, 4° en 5°
16. Om elke mogelijke verwarring te vermijden ten aanzien van de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op aftrek, met name het opnemen van de belasting in de aangifte, zoals vermeld in artikel 3, § 1, 2°, 4°, 5° en 6°, van het koninklijk besluit nr. 3, wordt verduidelijkt dat het gaat om het opnemen van de verschuldigde belasting.
Deze verduidelijking werd reeds aangebracht in artikel 3, § 1, 7° (nieuw) en artikel 3, § 1, 6° (gewijzigd) van het koninklijk besluit nr. 3 (z. hierboven).
Dezelfde wijziging werd eveneens aangebracht in de bepalingen van artikel 3, § 1, 2°, 4° en 5° van het koninklijk besluit nr. 3 (z. art. 4, 1° van het wijzigend koninklijk besluit).
WIJZIGING VAN ARTIKEL 9 VAN HET KONINKLIJK BESLUIT NR. 1 (Z. ART. 2 VAN HET WIJZIGEND KONINKLIJK BESLUIT)
• Wijziging van artikel 9, § 1
17. De beoogde bepaling legt aan de medecontractanten die schuldenaar zijn van de belasting wegens intracommunautaire verwervingen van goederen of in alle gevallen waarin de verlegging van de heffing van toepassing is, de verplichting op om een stuk op te maken als zij nog niet in het bezit zijn van de factuur met betrekking tot de handeling op de datum dat deze factuur wettelijk moest worden uitgereikt, en dat binnen dezelfde termijn als de factuur. Het is op basis van dit stuk dat de medecontractant die schuldenaar is van de belasting de btw moet opnemen in zijn aangifte.
Overeenkomstig artikel 3, § 1, 5°, van het koninklijk besluit nr. 3, kon de belastingplichtige die een intracommunautaire verwerving van goederen verricht de aftrek geheven van deze verwerving reeds verrichten op basis van het stuk bedoeld in artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 dat hij zelf opmaakte. Gelet op de wijziging aangebracht aan artikel 3, § 3, van het koninklijk besluit nr. 3, (z. punt 9 hierboven), kunnen alle hiervoor bedoelde belastingplichtigen voortaan hun recht op aftrek van de belasting uitoefenen alleen op basis van dit stuk zonder al in het bezit te zijn van de factuur.
18. Om evenwel het systeem van de zelffacturering bedoeld in artikel 53, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek en artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 niet in het gedrang te brengen, zijn de medecontractanten die schuldenaar zijn van de belasting en die met hun leveranciers van goederen of diensten zijn overeengekomen om zelf de factuur uit te reiken in naam en voor rekening van laatstgenoemden, uitgesloten van de toepassing van voornoemd artikel 9, § 1.
Anders zou er inderdaad in zekere zin een "dubbel gebruik" zijn van beide stukken. Er wordt aan herinnerd dat het stuk bedoeld in artikel 9 eerder een document is in afwachting van de factuur. Welnu, bij zelffacturering is de medecontractant er immers toe verbonden om zelf de factuur op te maken. In dat geval heeft het opmaken van het stuk bedoeld in artikel 9 uiteraard geen zin meer.
Anderzijds mag de medecontractant die schuldenaar is van de belasting niet het recht krijgen om de aftrek te verrichten op grond van een ander document dan bedoelde factuur.
19. Artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 wordt dus als volgt gewijzigd:
" Behalve in het geval de factuur moet worden uitgereikt door de medecontractant in naam en voor rekening van de belastingplichtige die de goederen levert of de diensten verstrekt dienen de belastingplichtige en de niet-belastingplichtige rechtspersoon, die overeenkomstig artikel 51, § 1, 2°, en § 2, 1°, 2°, 5° en 6°, van het Wetboek, of de artikelen 20 of 20bis, schuldenaar zijn van de belasting, uiterlijk de vijfde werkdag van de maand na die waarin de belasting overeenkomstig de artikelen 17, § 1, 22, § 2, of 25septies, § 2, eerste lid, van het Wetboek de belasting opeisbaar wordt, een stuk op te maken wanneer zij nog niet in het bezit zijn van de factuur met betrekking tot de handeling.".
• Wijziging van artikel 9, § 2
20. Ten aanzien van de vermeldingen die het in artikel 9, § 1, bedoelde document moet bevatten, worden twee vermeldingen toegevoegd aan artikel 9, § 2: de datum waarop het stuk is opgemaakt en een verwijzing naar de overeenkomst of elk ander gelijkaardig stuk.
Artikel 9, § 2, wordt als volgt gewijzigd:
"Het in § 1 bedoeld stuk moet de volgende vermeldingen bevatten:
| 1° | de datum waarop het stuk is opgemaakt; | |
| 2° | de naam of de maatschappelijke benaming en het adres van de bij de handeling betrokken partijen; | |
| 3° | het in artikel 50 van het Wetboek bedoeld BTW- identificatienummer van de persoon die het stuk opmaakt; | |
| 4° | a) | voor de intracommunautaire verwerving van goederen, de datum waarop krachtens artikel 25septies, § 1, van het Wetboek het belastbaar feit heeft plaatsgevonden; |
| b) | voor de in artikel 51, § 2, 1°, 2°, 5° en 6°, van het Wetboek, of in artikel 20 of 20bis, bedoelde handelingen, de datum waarop de handeling voltooid is of, wanneer de belasting opeisbaar wordt bij toepassing van artikel 17, § 1, tweede lid, of van artikel 22, § 2, tweede lid, van het Wetboek, de datum van de opeisbaarheid ervan; | |
| 5° | de gegevens bedoeld in artikel 5, § 1, 6°; | |
| 6° | per tarief, de maatstaf van heffing en het totaalbedrag van de verschuldigde belasting; | |
| 7° | een verwijzing naar de overeenkomst of naar elk ander stuk opgemaakt tussen de bij de handeling betrokken partijen, dat de aard en de hoeveelheid van de verkregen goederen of het voorwerp van de ontvangen diensten alsmede de prijs en het toebehoren ervan kan staven; | |
| 8° | het nummer waaronder het stuk is ingeschreven in het boek voor inkomende facturen of in het boek dat de belastingplichtige en de niet-belastingplichtige rechtspersoon moeten houden overeenkomstig artikel 14 van dit besluit.". | |
21. Gelet op de wijziging van artikel 9, § 2, 7°, (z. hierboven) wordt de tekst van artikel 9, § 3 (oud) opgeheven.
Rekening houdend met de wijziging van artikel 3, § 1, 6°, van het koninklijk besluit nr. 3 (z. punt 15 hiervoor), voorziet artikel 9, § 3, nieuw bovendien voor de belastingplichtige die schuldenaar is van de belasting ingevolge een handeling die door artikel 25quater van het Btw-Wetboek met een intracommunautaire verwerving van goederen wordt gelijkgesteld, in de verplichting om een stuk op te maken dat de handeling vaststelt.
Dit stuk moet worden opgemaakt uiterlijk de vijfde werkdag van de maand na die waarin de belasting overeenkomstig artikel 25septies, § 2, eerste lid van het Btw-Wetboek opeisbaar wordt aangezien de belastingplichtige die schuldenaar is van de belasting op dat ogenblik niet in het bezit is van het transfertdocument opgesteld overeenkomstig de wettelijke bepalingen die van kracht zijn in de lidstaat van waaruit de goederen zijn verzonden of vervoerd.
Dit stuk moet alle vermeldingen bevatten, voorzien in § 2, van hetzelfde artikel 9.
22. Artikel 9, § 3, wordt dus als volgt gewijzigd: "De belastingplichtige die schuldenaar is van de belasting ingevolge een door artikel 25quater van het Wetboek met een intracommunautaire verwerving gelijkgestelde handeling en die niet in het bezit is van het transfertdocument opgesteld overeenkomstig de wettelijke bepalingen die van kracht zijn in de lidstaat van waaruit de goederen zijn verzonden of vervoerd, is gehouden uiterlijk de vijfde werkdag van de maand na die waarin de belasting overeenkomstig artikel 25septies, § 2, eerste lid, van het Wetboek opeisbaar wordt, een stuk op te maken dat de handeling vaststelt en de in § 2 bedoelde vermeldingen bevat.".
• Wijziging van artikel 9, § 4
23. Gelet op hetgeen voorafgaat, wordt bovendien artikel 9, § 4, vervolledigd en luidt het als volgt: "Bij de ontvangst van de factuur of het transfertdocument zijn de respectievelijk in § 1 of in § 3 bedoelde personen gehouden tot het vermelden hierop van een verwijzing naar het respectievelijk in § 2 of in § 3 bedoelde stuk, en op die stukken, van een verwijzing naar de factuur of het transfertdocument.".
WIJZIGING VAN ARTIKEL 11 VAN HET KONINKLIJK BESLUIT NR. 3
24. Om in overeenstemming te zijn met de termijn van 7 jaar voorzien in artikel 60, § 1, van het Wetboek voor de bewaring van de boeken die op grond van het Wetboek of ter uitvoering ervan moeten worden gehouden, werd artikel 11, § 5, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 3 gewijzigd om het tijdvak waarin de tabel betreffende een bepaald bedrijfsmiddel moet worden bewaard terug te brengen van 10 naar 7 jaar.
(TECHNISCHE) WIJZIGING VAN ARTIKEL 5 VAN HET KONINKLIJK BESLUIT NR. 31 (Z. ARTIKEL 6 VAN HET WIJZIGEND KONINKLIJK BESLUIT)
25. Gelet op de toegevoegde vermeldingen en de wijzigingen die werden aangebracht aan de nummering van artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1 (z. punt 20 hierboven), wordt artikel 5, § 2, tweede lid van het koninklijk besluit nr. 31 technisch aangepast voor zover er wordt verwezen naar eerstgenoemde bepaling.
Aldus worden de woorden: "de vermeldingen bedoeld in artikel 9, § 2, 1°, 2°, 4° en 5°" vervangen door de woorden "de vermeldingen bedoeld in artikel 9, § 2, 2°, 3°, 5°, 6° en 7°".
OVERIGE TECHNISCHE WIJZIGINGEN (Z. ARTIKEL 1, 3 EN 5 VAN HET WIJZIGEND KONINKLIJK BESLUIT)
26. Gelet op omzetting in Belgisch fiscaal recht met als datum van uitwerking 1 januari 2005, van de richtlijn 2003/92/EG van de Raad van 7 oktober 2003 tot wijziging van de richtlijn 77/388/EEG met betrekking tot de regels inzake de plaats van levering van gas en elektriciteit werd artikel 51, § 2, van het Btw-Wetboek aangevuld met een punt 6°.
Ten gevolge van deze wijziging worden de hierna vermelde artikelen die verwijzen naar voornoemde bepaling technisch aangepast om rekening de houden met punt 6°:
- artikel 5, § 1, 9° en artikel 9, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit nr. 1;
- artikel 1, § 1, eerste gedachtestreepje, van het koninklijk besluit nr. 31.
NAMENS DE MINISTER :
De adjunct-administrateur-generaal
Paul NECKEBROECK
BIJLAGE 1
BIJLAGE 2
Bron: FisconetPlus
