Circulaire 2019/C/129 met betrekking tot de wijzigingen aangebracht aan de koninklijk besluiten nrs. 4, 10, 19, 51 en 54 met betrekking tot de Btw en tot opheffing van het koninklijk besluit nr. 47 door het koninklijk besluit van 28.06.2019

Eerste commentaar met betrekking tot het koninklijk besluit van 28.06.2019 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 4, 10, 19, 51 en 54 en tot opheffing van het koninklijk besluit nr. 47.

belasting over de toegevoegde waarde ; indiening langs elektronische weg van de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit ; vrijstellingsregeling van de belasting – mededeling van het omzetcijfer ; opheffing van het koninklijk besluit nr. 47 tot regeling van de controle van de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd ter zake van de levering, intracommunautaire verwerving en invoer van vervoermiddelen, in de zin van artikel 8bis, § 2, 1°, van het Wetboek ; technische aanpassingen aan het Btw-Wetboek

FOD Financiën, 12.12.2019

Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Belasting over de toegevoegde waarde

Inhoudstafel

1. Inleiding

2. Indiening langs elektronische weg van de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit

2.1. Reglementering

2.2. Commentaar

3. Vrijstellingsregeling van de belasting – Mededeling van het jaarlijks omzetcijfer

3.1. Reglementering

3.2. Commentaar

4. Opheffing van het koninklijk besluit nr. 47 van 25.02.1996 tot regeling van de controle van de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd ter zake van de levering, intracommunautaire verwerving en invoer van vervoermiddelen, in de zin van artikel 8bis, § 2, 1°, van het Wetboek

4.1. Reglementering

4.2. Commentaar

5. Technische aanpassingen betreffende de communautaire en de nationale wetgeving

5.1. Aanpassing van de terminologie om de bevoegde diensten aan te duiden in het koninklijk besluit nr. 10

5.1.1. Reglementering

5.1.2. Commentaar

5.2. Technische aanpassingen betreffende de communautaire wetgeving in de koninklijke besluiten nrs. 51 en 54

5.2.1. Reglementering

5.2.2. Commentaar

5.3. Technische aanpassing betreffende de nationale wetgeving in het koninklijk besluit nr. 4

5.3.1. Reglementering

5.3.2. Commentaar

1. Inleiding

Het koninklijk besluit van 28.06.2019 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 4, 10, 19, 51 en 54 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de indiening langs elektronische weg van de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit, de vrijstellingsregeling van belasting, houdende technische aanpassingen betreffende de communautaire en nationale wetgeving en tot opheffing van het koninklijk besluit nr. 47 van 25.02.1996 tot regeling van de controle van de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd ter zake van de levering, intracommunautaire verwerving en invoer van vervoermiddelen, in de zin van artikel 8bis, § 2, 1°, van het Wetboek, werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 12.07.2019.

Hierna gaat een eerste algemene commentaar dat de wijzigingen uiteenzet die dat koninklijk besluit heeft ingevoegd in de in uitvoering van het Btw-Wetboek genomen koninklijke besluiten.

2. Indiening langs elektronische weg van de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit

2.1. Reglementering

Artikel 4 van het koninklijk besluit van 28.06.2019 vervangt artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 10, van 29.12.1992, met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 2, derde lid, en 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid, van het Btw-Wetboek, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde, door de volgende bepaling:

'Art. 6, § 1. De belastingplichtigen gehouden tot de indiening van de aangiften bedoeld in de artikelen 1 tot en met 3 dienen die aangiften in langs elektronische weg.

De belastingplichtigen bedoeld in het eerste lid zijn vrijgesteld van de verplichting tot indiening langs elektronische weg zolang zij, en in voorkomend geval de persoon die gemachtigd is de bedoelde aangiften namens hen in te dienen, niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikken om aan deze verplichting te voldoen.

De praktische toepassingsmodaliteiten van het eerste en tweede lid worden geregeld door de Minister van Financiën of zijn gemachtigde.

§ 2. De aangiften bedoeld in de artikelen 4 en 5, worden gedaan op formulieren die de betrokkenen kunnen bekomen bij de bevoegde diensten van de administratie en waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gemachtigde wordt vastgesteld.'.

Artikel 14 van het koninklijk besluit van 28.06.2019 bepaalt dat 'Artikel 4 in werking treedt op 1 januari 2020'.

2.2. Commentaar

Krachtens artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 10 moet eenieder, met uitzondering van de personen bedoeld in het vijfde lid van dat artikel, vooraleer een economische activiteit uit te oefenen waardoor hij belastingplichtige wordt, daarvan aangifte doen bij de bevoegde dienst van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde. Deze aangifte die bedoeld is in artikel 53, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek ook bekend als het 'formulier 604A'.

Die bepaling voorziet eveneens in een verplichting voor dezelfde belastingplichtigen om elke wijziging die zich in het kader van die activiteit heeft voorgedaan aan te geven of nog om aangifte te doen van de stopzetting van die werkzaamheid. Die aangiften zijn bedoeld in de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit nr. 10 en worden respectievelijk ingediend door middel van het 'formulier 604B' en het 'formulier 604C' om de bevoegde dienst op de hoogte te brengen van elke wijziging in hun identificatiegegevens (wijziging van maatschappelijke benaming, van woonplaats of maatschappelijke zetel, wijziging van juridische vorm, wijziging van activiteit enz.) evenals van de stopzetting van werkzaamheid.

Sinds vele jaren is het verplicht om een reeks documenten langs elektronische weg in te dienen op grond van de machtiging toegekend aan de Koning door artikel 53octies, § 2, van het Btw-Wetboek. Dat geldt met name voor de periodieke btw-aangifte (artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek), voor de jaarlijkse lijst van de btw-belastingplichtige afnemers (artikel 53quinquies van het Btw-Wetboek) en voor de opgave van intracommunautaire handelingen (artikel 53sexies van het Btw-Wetboek).

Sinds de wijziging door de wet van 29.11.2017 (Belgisch Staatsblad van 06.12.2017), voorziet artikel 53octies, § 2, van het Btw-Wetboek dat de Koning, onder de door hem vast te stellen voorwaarden, kan toestaan of zelfs opleggen dat de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek, worden ingediend door middel van een procedure waarbij informatica- en telegeleidingstechnieken worden gebruikt.

Artikel 4 van het koninklijk besluit van 28.06.2019 vervangt aldus artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 10 door in zijn paragraaf 1 te voorzien in een verplichte indiening langs elektronische weg van de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit.

Een uitzondering op dit principe is voorzien in artikel 6, § 1, tweede lid (nieuw), van het koninklijk besluit nr. 10 voor de belastingplichtigen die kunnen aantonen dat zij zelf dan wel de persoon die gemachtigd is de bedoelde aangiften namens hen in te dienen, niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikken om aan deze verplichting te voldoen. Het betreft dezelfde uitzondering als die voorzien inzake periodieke btw-aangiften in artikel 18, § 5, van het koninklijk besluit nr. 1, voor de jaarlijkse opgave van de belastingplichtige afnemers in artikel 2, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 23 en voor de opgave van de intracommunautaire handelingen in artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit nr. 50.

Onder het begrip 'langs elektronische weg' worden bedoeld de indiening via een elektronische applicatie die door de administratie ter beschikking zal worden gesteld en de verzending langs elektronische weg, op grond van artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 10, van de gegevens bedoeld in de artikelen 1 tot en met 3 van hetzelfde besluit door een enig ondernemingsloket erkend door de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie.

Krachtens artikel 6, § 1, derde lid, (nieuw), van hetzelfde besluit, is de Minister van Financiën of zijn gemachtigde belast met de uitvoering van die bepaling. Hij bepaalt met name het model van de formulieren die gelden als aangifte van aanvang, wijziging of stopzetting van activiteit en de modaliteiten en voorwaarden voor de indiening op elektronische wijze of op papier (krachtens de tolerantie opgenomen in artikel 6, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 10) van die formulieren.

Het artikel 6, (nieuw), van het koninklijk besluit nr. 10 herneemt in zijn paragraaf 2 gedeeltelijk de verplichting die is voorzien in het huidige artikel 6 van dat besluit, op grond waarvan de aangiften voorzien in de artikelen 4 en 5 van hetzelfde besluit moeten worden gedaan op formulieren die door de betrokkenen kunnen worden bekomen bij de bevoegde btw-diensten.

Het betreft de aangiften bedoeld in de artikelen 53bis, §§ 1 en 2 en 25ter, § 1, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek. Zij hebben enerzijds betrekking op de drempeloverschrijding of de optie voor belastingheffing met betrekking tot de intracommunautaire verwervingen van goederen door de personen bedoeld in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, a), van het Btw-Wetboek (vrijgestelde belastingplichtigen, belastingplichtigen onderworpen aan de landbouwregeling, belastingplichtigen zonder recht op aftrek en niet-belastingplichtige rechtspersonen) en anderzijds op de eerste aankoop van een dienst door belastingplichtigen die niet voor btw-doeleinden geïdentificeerd zijn waarvoor ze schuldenaar zijn van de belasting op grond van artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek. Deze aangiften zijn niet bedoeld door de onderhavige maatregel inzake de verplichte indiening langs elektronische weg.

De elektronische toepassing die ter beschikking zal worden gesteld van de belastingplichtigen om de in artikel 6, § 1, (nieuw), van het koninklijk besluit nr. 10 bedoelde verplichting te voldoen, is in ontwikkelingsfase. Aanvankelijk werd voorzien dat deze toepassing zal uiterlijk op 01.01.2020 beschikbaar zou zijn voor de belastingplichtigen. Om die reden voorziet artikel 14 van het koninklijk besluit van 28.06.2019 dat artikel 6 (nieuw) van het koninklijk besluit nr. 10 pas op 01.01.2020 in werking zal treden.

Echter, deze toepassing zal, om technische redenen, nog niet toegankelijk zijn op 01.01.2020. Het spreekt voor zich dat, in zover er geen beroep wordt gedaan op een ondernemingsloket, de indiening op papier de regel zal blijven zolang als deze nieuwe toepassing niet beschikbaar zal zijn.

3. Vrijstellingsregeling van de belasting – Mededeling van het jaarlijks omzetcijfer

3.1. Reglementering

Artikel 7 van het koninklijk besluit van 28.06.2019 vervangt artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 19 van 29.06.2014 met betrekking tot de vrijstellingsregeling van de belasting over de toegevoegde waarde in het voordeel van kleine ondernemingen, door de volgende bepaling:

'Art. 4. § 1. De belastingplichtige die op 31 december de vrijstellingsregeling van belasting toepast, stelt vóór 31 maart van het volgend jaar, de administratie in kennis van het totaalbedrag van de omzet, gerealiseerd in de loop van het voorgaand kalenderjaar.

In het geval de economische activiteit aanvangt in de loop van het jaar, moet de belastingplichtige bovendien opgeven gedurende welk tijdvak hij die activiteit heeft uitgeoefend.

Die gegevens worden vermeld in het daartoe bestemde kader van de jaarlijkse lijst van de belastingplichtige afnemers die de belastingplichtige bij de administratie moet indienen overeenkomstig artikel 53quinquies, eerste en tweede lid, van het Wetboek.

§ 2. De belastingplichtige die, overeenkomstig artikel 53quinquies, derde lid, van het Wetboek ervan ontheven is de jaarlijkse lijst van de btw-belastingplichtige afnemers in te dienen, is eveneens ontheven van de in paragraaf 1 bedoelde verplichtingen.'.

3.2. Commentaar

Overeenkomstig artikel 53quinquies, derde lid, van het Btw-Wetboek, is de belastingplichtige op wie de in artikel 56bis van het Btw-Wetboek bedoelde vrijstellingsregeling van belasting van toepassing is en die geen enkele handeling verricht waarvoor hij gehouden is de jaarlijkse lijst van belastingplichtige afnemers voorzien in artikel 53quinquies, eerste en tweede lid, van het Btw-Wetboek in te dienen, niet gehouden om de administratie daarvan in kennis te stellen. In geval van een nihil-lijst van belastingplichtige afnemers, moet die bijgevolg niet bij de administratie worden ingediend.

Artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 19 van 29.06.2014 met betrekking tot de vrijstellingsregeling van belasting over de toegevoegde waarde in het voordeel van kleine ondernemingen, voorzag tot heden evenwel dat de vrijgestelde belastingplichtige het bedrag van zijn jaarlijkse omzetcijfer moet meedelen door middel van een vermelding die moet worden aangebracht in de hiervoor bedoelde jaarlijkse lijst. In geval de vrijgestelde belastingplichtige geen jaarlijkse lijst van belastingplichtige afnemers bij de administratie moet indienen, kan het jaarlijkse omzetcijfer uiteraard ook niet via deze lijst worden meegedeeld.

Rekening houdend met hetgeen voorafgaat, voegt artikel 7 van het koninklijk besluit van 28.06.2019 in artikel 4 van het voormelde koninklijk besluit nr. 19 een nieuwe paragraaf 2 in die bepaalt dat alle belastingplichtigen op wie overeenkomstig artikel 56bis van het Btw-Wetboek de vrijstellingsregeling van belasting van toepassing is en die krachtens artikel 53quinquies, derde lid, van het Btw-Wetboek ervan ontheven zijn de jaarlijkse lijst van de belastingplichtige afnemers in te dienen, er niet meer toe gehouden zijn het bedrag van hun omzet aan de administratie mee te delen.

4. Opheffing van het koninklijk besluit nr. 47 van 25.02.1996 tot regeling van de controle van de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd ter zake van de levering, intracommunautaire verwerving en invoer van vervoermiddelen, in de zin van artikel 8bis, § 2, 1°, van het Wetboek

4.1. Reglementering

Artikel 13 van het koninklijk besluit van 28.06.2019 bepaalt hetgeen volgt:

'Het koninklijk besluit nr. 47 van 25 februari 1996 tot regeling van de controle van de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd ter zake van de levering, intracommunautaire verwerving en invoer van vervoermiddelen, in de zin van artikel 8bis, § 2, 1°, van het Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 24 januari 2015, wordt opgeheven'.

4.2. Commentaar

Artikel 53nonies, § 2, van het Btw-Wetboek bepaalt dat de koning iedere andere maatregel neemt met het oog op de controle en de betaling van de belasting verschuldigd ter zake van de levering, de invoer of de intracommunautaire verwerving van een vervoermiddel.

In uitvoering van die bepaling verplichten de artikelen 1 tot en met 3 van het koninklijk besluit nr. 47 van 25.02.1996 tot regeling van de controle van de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd ter zake van de levering, intracommunautaire verwerving en invoer van vervoermiddelen in de zin van artikel 8bis, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek, dat op elke aanvraag tot inschrijving van een voertuig in België, desgevallend tijdelijk, verklaringen worden aangebracht die bevestigen dat voor het voertuig alle benodigde btw-formaliteiten werden vervuld (communautair karakter van het voertuig, voldoening van de btw, eventuele uitzondering, enz.).

De voormelde verklaringen bestaan erin dat door de belastingplichtige verkoper (meestal een concessiehouder) twee papieren vignetten worden aangebracht op de aanvraag tot inschrijving die moet worden ingediend bij de Dienst voor de inschrijving van de voertuigen (DIV):

-een papieren vignet (het vignet 705) dat wordt afgeleverd door de douanediensten en dat het communautaire karakter van het voertuig vaststelt bij een eerste inschrijving in België (nieuwe voertuigen of tweedehands voertuigen die in België worden binnengebracht);

-een ander papieren vignet (het vignet 904) dat samen met het eerste door de concessiehouder moet worden aangebracht bij een eerste inschrijving in België of bij de verkoop van het voertuig met vrijstelling van btw krachtens de artikelen 39, 39bis of 42, § 3, van het Btw-Wetboek dat aldus het voorwerp zal uitmaken van een tijdelijke inschrijving in België in het kader van die vrijstelling.

Doordat de DIV aan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde informatie bezorgt aangaande de effectieve inschrijving van deze voertuigen, kan de administratie voor elke belastingplichtige een specifieke, gerichte controle uitoefenen op de voldoening van de btw op de levering of op de correcte toepassing van de btw-vrijstelling (artikelen 39, 39bis en 42, § 3, eerste lid, 1° tot 8°, van het Btw-Wetboek).

De algemene administratie douane en accijnzen is in de loop van het jaar 2017 gestart met de informatisering van het vignet 705 dat altijd bij de eerste inschrijving van landvoertuigen bij de DIV op de aanvraag tot inschrijving moet aangebracht worden.

De afgifte van het vignet 705 gebeurt door die administratie na controle van de douane- en fiscale toestand van dat landvoertuig. Dat is het geval voor landvoertuigen die in België geproduceerd worden, ingevoerd worden of intracommunautair verworven worden. Daarbij moet worden opgemerkt dat de productie, de invoer of de intracommunautaire verwerving niet steeds samenvalt met de verkoop die aanleiding geeft tot de eerste inschrijving (met name in het geval van opeenvolgende verkopen).

Het is gebleken dat deze zware formaliteiten met betrekking tot de aangifte bedoeld in artikel 3 van het koninklijke besluit nr. 47 niet langer verantwoord waren, rekening houdend met het zeer beperkt aantal daadwerkelijke fraudegevallen in dit domein enerzijds en met de alternatieve controlemaatregelen waarover de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde ondertussen beschikt anderzijds.

De correcte toepassing van de btw-regels wordt verzekerd door de controles die worden uitgevoerd door de douanediensten ter gelegenheid van de afgifte van de vignetten 705, door de inlichtingen die worden verstrekt door de DIV (bijvoorbeeld in het kader van aanvragen tot inschrijving van voertuigen die slechts in aanmerking konden komen voor een tijdelijke inschrijving in België maar die hier later toch het voorwerp uitmaken van een aanvraag tot definitieve inschrijving) of nog door de mogelijkheid om gerichte sectoriele controles te laten uitvoeren.

Bijgevolg is gebleken dat de formaliteiten met betrekking tot het afleveren en aanbrengen van het vignet 904 kunnen worden opgeheven. Om dezelfde redenen kan de gelijkaardige verplichting ten aanzien van schepen, opgenomen in artikel 4 van het voormelde koninklijk besluit nr. 47, eveneens worden afgeschaft.

Het merendeel van de bepalingen van artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 47 zijn ofwel achterhaald (bijvoorbeeld inzake de diplomatieke nummerplaten), ofwel momenteel al opgenomen in de koninklijke besluiten nr. 18 van 29.12.1992 met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van de uitvoer van goederen en diensten naar een plaats buiten de gemeenschap, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, nr. 46 van 29.12.1992 tot regeling van de aangifte van de intracommunautaire verwerving van vervoermiddelen en van de betaling van de ter zake verschuldigde btw en nr. 48 van 29.12.1992 met betrekking tot de levering van vervoermiddelen in de zin van artikel 8bis, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek, verricht binnen de voorwaarden van artikel 39bis van het Btw-Wetboek (bijvoorbeeld de verplichting van het vervoer van het voertuig naar de lidstaat van bestemming vóór het einde van de derde maand die volgt op de tijdelijke inschrijving).

Rekening houdend met hetgeen voorafgaat en met de bestaande reglementering inzake douane en de inschrijving van voertuigen, is er geen dwingende reden meer om het koninklijk besluit nr. 47 te handhaven. Het wordt derhalve opgeheven.

5. Technische aanpassingen betreffende de communautaire en de nationale wetgeving

5.1. Aanpassing van de terminologie om de bevoegde diensten aan te duiden in het koninklijk besluit nr. 10

5.1.1. Reglementering

De artikelen 1 tot en met 3 van het koninklijk besluit van 28.06.2019 brengen de volgende wijzigingen aan aan de artikelen 1, 2 en 5 van voormeld koninklijk besluit nr. 10:

Artikel 1

'1° in het eerste lid worden de woorden "op het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde dat bevoegd is voor de plaats waar hij is gevestigd" vervangen door de woorden "bij de bevoegde dienst van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waaronder hij ressorteert'';

2° in het vierde lid worden de woorden 'belast met de belasting over de toegevoegde waarde' opgeheven'.

Artikel 2

'In de leden 1, 3 en 4, worden de woorden "op het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde" telkens vervangen door de woorden "bij de bevoegde dienst van de administratie''.'

Artikel 5

'De woorden "op het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde" vervangen door de woorden "bij de bevoegde dienst van de administratie''.

De artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit van 28.06.2019 brengen de volgende wijzigingen aan aan de artikelen 7 en 7bis van het koninklijk besluit nr. 10:

Artikel 7

'in het eerste lid worden de woorden "het hoofd van het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde" vervangen door de woorden "de bevoegde ambtenaar van de dienst van de administratie''.'

Artikel 7bis

'de woorden "aan het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde" worden vervangen door de woorden "de bevoegde dienst van de administratie''.'

5.1.2. Commentaar

De artikelen 1, 2, 3, 5 en 6 van het koninklijk besluit van 28.06.2019 passen de terminologie aan die wordt gebruikt om de bevoegde diensten aan te duiden voor de behandeling van de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit.

Sinds de inwerkingtreding van de wet van 25.04.2014 tot aanpassing in de fiscale wetgeving van de benamingen van de administraties van de Federale Overheidsdienst Financiën en houdende verscheidene andere wetswijzigingen (Belgisch Staatsblad van 16.05.2014), zijn de bewoordingen die worden gebruikt om de inzake btw bevoegde administratie aan te duiden 'de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde'.

Bijgevolg worden, in het kader van de huidige wijziging van het koninklijk besluit nr. 10, de bewoordingen 'controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde' vervangen door de bewoordingen 'bevoegde dienst van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde'.

Deze wijziging wordt evenwel slechts doorgevoerd in artikel 1, eerste lid, van dit besluit, zijnde de eerste bepaling waarin naar de administratie wordt verwezen. In de artikelen 1, vierde lid, 2, eerste lid, 3, 4, 5, 7 en 7bis, van het koninklijk besluit nr. 10, wordt enkel verwezen naar de 'administratie' zonder vermelding van de woorden 'belast met de belasting over de toegevoegde waarde'.

5.2. Technische aanpassingen betreffende de communautaire wetgeving in de koninklijke besluiten nrs. 51 en 54

5.2.1. Reglementering

De artikelen 8 en 9 van het koninklijk besluit van 28.06.2019 brengen de volgende wijzigingen aan aan de artikelen 1 en 4 van het koninklijk besluit nr. 51 van 14.04.1993 met betrekking tot de vereenvoudigingsregeling voor intracommunautaire verwervingen van accijnsproducten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde:

'In artikel 1, eerste lid, worden de woorden "artikel 1, § 6, 4°, a en b, van het Wetboek" vervangen door de woorden "artikel 1, § 6, 4°, van het Wetboek, met uitzondering van tabaksfabricaten" en de woorden "artikel 7 van de Richtlijn 92/12/EEG" vervangen door de woorden "artikel 33 van de Richtlijn 2008/118/EG."

In artikel 4 worden de woorden "artikel 23 van de Richtlijn 92/12/EEG" vervangen door de woorden "artikel 12 van de Richtlijn 2008/118/EG''.'

De artikelen 10 en 11 van het koninklijk besluit van 28.06.2019 brengen de volgende wijzigingen aan aan de artikelen 2 en 4 van het koninklijk besluit nr. 54 van 25.02.1996 met betrekking tot de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot bedoeld in artikel 39quater van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde:

'In artikel 2, 1°, worden de woorden "artikel 4, b, van de richtlijn 92/12/EEG" vervangen door de woorden "artikel 4, lid 11, van de richtlijn 2008/118/EG."

In artikel 4 worden de woorden "artikel 4, b, van de Richtlijn 92/12/EEG" vervangen door de woorden "artikel 4, lid 11, van de Richtlijn 2008/118/EG".'

5.2.2. Commentaar

Artikel 3 van de wet van 01.04.2009 tot wijziging van het Btw-Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 22.04.2009, ed. 2) heeft artikel 1, § 6, 4°, van het Btw-Wetboek vervangen teneinde de letterlijke omzetting in intern recht te verzekeren van de definitie van accijnsproducten zoals bedoeld in artikel 2, lid 3, van de richtlijn 2006/112/EG van de raad van 28.11.2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PBEG L 347 van 11.12.2006).

Voortaan wordt, overeenkomstig artikel 1, § 6, 4°, van het Btw-Wetboek, voor de toepassing van dit Wetboek 'verstaan onder "accijnsproducten": energieproducten, alcohol en alcoholhoudende dranken en tabaksfabricaten, zoals omschreven in de vigerende communautaire bepalingen, met uitzondering van gas dat geleverd wordt via een op het grondgebied van de Gemeenschap gesitueerd aardgassysteem of eender welk op een dergelijk systeem aangesloten net'.

De eerste aanpassing aangebracht door artikel 8 van het koninklijk besluit van 28.06.2019 wijzigt in de vereiste zin de verwijzing naar het Wetboek, waarbij de initieel in artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 51 van 14.04.1993 met betrekking tot de vereenvoudigingsregeling voor intracommunautaire verwervingen van accijnsproducten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde niet beoogde tabaksfabricaten evenwel uitdrukkelijk worden uitgesloten.

De richtlijn 92/12/EEG van de raad van 25.02.1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, is herhaaldelijk ingrijpend gewijzigd. Omwille van de duidelijkheid werd deze richtlijn vervangen door de richtlijn 2008/118/EG van de raad van 16.12.2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG (PBEG L 9/12 van 14.01.2009).

De tweede aanpassing door voormeld artikel 8 alsook die door de artikelen 9 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 28.06.2019 betreffen bijgevolg de vervanging van de verwijzingen naar de richtlijn 92/12/EEG in het voornoemde koninklijk besluit nr. 51 alsook in het koninklijk besluit nr. 54.

5.3. Technische aanpassing betreffende de nationale wetgeving in het koninklijk besluit nr. 4

5.3.1. Reglementering

Artikel 12 van het koninklijk besluit van 28.06.2019 vervangt artikel 8^1, § 2, eerste lid, 3°, d), van het koninklijk besluit nr. 4 van 29.12.1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, als volgt:

'd) leveringen van goederen en diensten heeft verricht waarvoor het verlaagd btw-tarief van toepassing is overeenkomstig de rubrieken XXXI, XXXII, XXXIII, XXXVI, XXXVII, XXXVIII en XL van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;'.

5.3.2. Commentaar

Onder de handelingen die, overeenkomstig artikel 8^1, § 2, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29.12.1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, in aanmerking komen voor de berekening van de dertig percent van het omzetcijfer om te kunnen genieten van de regeling van de maandelijkse teruggaaf van het btw-belastingtegoed, valt inzonderheid het werk in onroerende staat op voorwaarde dat het onderworpen is aan het verlaagd tarief van 6 % overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven (artikel 8^1, § 2, eerste lid, 3°, d), van het koninklijk besluit nr. 4).

Het koninklijk besluit van 14.12.2015 tot wijziging van het voornoemd koninklijk besluit nr. 20 (Belgisch Staatsblad van 15.12.2015, ed. 2), heeft in tabel A van de bijlage bij dit besluit de rubriek 'XL. Schoolgebouwen' ingevoegd. Deze rubriek werd vervangen bij het koninklijk besluit van 03.08.2016 (Belgisch Staatsblad van 19.08.2016, ed. 2) en beoogt voortaan de 'Gebouwen bestemd voor onderwijs en leerlingenbegeleiding'. Rubriek XL, 3°, onderwerpt het werk in onroerende staat verricht aan dergelijke gebouwen aan het verlaagd tarief van 6 %.

Artikel 12 van het koninklijk besluit van 28.06.2019 wijzigt in de vereiste zin artikel 8^1, § 2, eerste lid, 3°, d), van het koninklijk besluit nr. 4 om het in overeenstemming te brengen met de aan het koninklijk besluit nr. 20 aangebrachte wijzigingen.

Interne ref.: 136.359