Circulaire AKRED nr. 5/2002 d.d. 21.02.2002 (AFZ/2001/1028 - Dos. 281)
Registratie-, hypotheek- en griffierechten en taks tot vergoeding der successierechten
Kosteloze registratie -vrijstelling hypotheek- en griffierechten
Vrijstelling van de taks tot vergoeding der successierechten
Wet van 5 december 2001 tot wijziging van artikel 161, 1°, van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten en artikel 149 van het Wetboek der successierechten
MINISTERIE VAN FINANCIËN
Brussel, 21 februari 2002
Administratie van Fiscale Zaken
4de dienst - 3de directie
AFZ/2001/1028 - Dos. 281
Administratie van Kadaster, Registratie en Domeinen
Sector Registratie en Domeinen
Ref. Centr. Adm. AKED – Directie I/3 – EE/L. 109
In het Staatsblad van 19 december 2001, editie 2, werd de wet van 5 december 2001 tot wijziging van artikel 161, 1°, van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten en artikel 149 van het Wetboek der successierechten bekendgemaakt.
Artikel 2 van die wet bepaalt dat bepaalde akten ten name of ten bate van de inrichtende machten van het onderwijs of van V.Z.W.'s voor patrimoniaal beheer van onroerende schoolinfrastructuur kosteloos zullen worden geregistreerd.
Artikel 3 van die wet bepaalt dat de inrichtende machten van het onderwijs voor bepaalde goederen en V.Z.W.'s voor patrimoniaal beheer van onroerende schoolinfrastructuur niet aan de taks tot vergoeding der successierechten zullen onderworpen zijn.
Bij deze circulaire wordt een eerste commentaar verstrekt bij de nieuwe bepalingen.
Een uittreksel uit de wet van 5 december 2001 gaat in bijlage 1. De gecoördineerde teksten van de gewijzigde bepalingen gaan in bijlage 2.
Commentaar
1. KOSTELOZE REGISTRATIE
Krachtens het nieuwe tweede lid van artikel 161, 1° van het W.Reg. worden kosteloos geregistreerd de akten die voldoen aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
1.1. akten in der minne
1.2. akten die betrekking hebben op onroerende goederen die uitsluitend bestemd zijn voor onderwijs
1.3. akten verleden ten name of ten bate van ofwel
1.3.1 de inrichtende machten van het gemeenschapsonderwijs of het gesubsidieerd onderwijs;
1.3.2.verenigingen zonder winstoogmerk voor patrimoniaal beheer die tot uitsluitend doel hebben onroerende goederen ter beschikking te stellen voor onderwijs dat door de voornoemde inrichtende machten wordt verstrekt.
1.4. akten waarvan de kosten wettelijk ten laste vallen van de onder punt 1.3. genoemde organismen
Hierna wordt enkel ingegaan op de elementen in de bepaling die specifiek zijn voor deze nieuwe categorie van kosteloos te registreren akten. De andere elementen (akten "in der minne"; akten verleden "ten name of ten bate van"; akten waarvan de "kosten wettelijk ten laste vallen van bedoelde organismen"; problematiek van de uitgestrektheid tot de aangehechte stukken) hebben mutatis mutandis dezelfde inhoud als bij de andere krachtens artikel 161, 1°, W.Reg. kosteloos te registreren akten.
1.5. Begunstigde organismen
Voorafgaande opmerking. De wetgever heeft in de nieuwe bepaling als begunstigden van de kosteloze registratie ook de inrichtende machten van het gemeenschapsonderwijs vermeld. Dit was eigenlijk overbodig gezien de inrichtende machten van het gemeenschapsonderwijs al van de kosteloze registratie genieten bij toepassing van artikel 161, 1°, eerste lid, W.Reg. Idem dito voor wat betreft de inrichtende machten van het officieel gesubsidieerd onderwijs (onderwijs ingericht door de provincies en de steden en gemeenten); die kunnen reeds artikel 161, 2°, W.Reg. inroepen om kosteloze registratie te genieten bij de verkrijging van onroerende goederen bestemd voor het door hen ingerichte onderwijs. De "vrije" universiteiten (d.w.z. de andere universiteiten dan die welke ingericht door de Gemeenschappen zelf) kunnen eveneens reeds beroep doen op artikel 161, 2°, W.Reg.
De nieuwe bepaling is dus vooral bedoeld voor het vrij gesubsidieerd onderwijs.
Voor een goed begrip van de gebruikte terminologie in de nieuwe bepaling wordt er op gewezen dat de omschrijving van de begunstigde organismen (zie punten 1.3.1 en 1.3.2.) is ingegeven door de verschillende wijze waarop in de Vlaamse en de Franse Gemeenschap de aankoop en het onderhoud van schoolgebouwen in het vrij onderwijs wordt gesubsidieerd.
In de Vlaamse Gemeenschap geschiedt de subsidiërïng via de Vlaamse openbare instelling "Dienst voor Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd Onderwijs" (DIGO). Om voor subsidiëring door DIGO in aanmerking te komen moeten de inrichtende machten - in de Vlaamse Gemeenschap zijn dit in het vrij onderwijs doorgaans maar niet noodzakelijk verenigingen zonder winstoogmerk - eigenaar zijn van de voor onderwijs aangewende gebouwen. Vandaar de omschrijving "inrichtende machten van het ... gesubsidieerd onderwijs".
In de Franse Gemeenschap gaat men naar een systeem waarbij, om voor subsidiëring in aanmerking te komen, de schoolgebouwen moeten ondergebracht worden in van de inrichtende machten afgescheiden V.Z.W.'s. Die "patrimoniale" V.Z.W.'s moeten uitsluitend tot doel hebben de schoolgebouwen ter beschikking te stellen voor onderwijs dat door de voornoemde inrichtende machten wordt verstrekt.
Het uiteindelijke doel van de nieuwe bepaling is dus aan het vrij gesubsidieerd onderwijs op het vlak van voor onderwijs bestemde onroerende goederen dezelfde fiscale gunstregeling toe te kennen als die welke het gemeenschapsonderwijs en het officieel gesubsidieerd onderwijs genieten in het kader van artikel 161 W.Reg.
De Minister van Financiën heeft er in de kamercommissie (1) op gewezen dat de maatregel niet geldt voor onroerende goederen die worden bestemd voor een ander onderwijstype dan het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd onderwijs. De gunstregeling geldt dus niet voor allerlei vormingsinstituten die opleidingen aanbieden buiten een officieel leerplan om en die niet officieel erkende diploma's of getuigschriften afleveren. In de voorbereidende werken werd het voorbeeld van de autorijscholen gegeven.
----------
(1) Gedr. St. Kamer, Doc 50 1276/008 van 19 juli 2001, blz. 7.
In de praktijk zal op de nieuwe vrijstelling onder de vorm van kosteloze registratie vooral beroep worden gedaan:
- in de Vlaamse Gemeenschap: in het kader van de verkrijging (vrijstelling van het mutatierecht of het schenkingsrecht en vrijstelling van het recht op de hypotheekvestigingen en van het hypotheekrecht zelf) door de V.Z.W.'s- inrichtende machten van onroerende goederen bestemd tot schoolgebouwen (bouwgronden, bestaande schoolgebouwen, andere bestaande gebouwen bestemd om tot schoolgebouwen te worden omgevormd) en bij fusies van school V.Z.W.'s-inrichtende machten door inbreng om niet in een nieuwe VZW-inrichtende macht (vrijstelling van het recht van 1,1 % bedoeld in artikel 140, 1ste lid, 3°).
- in de Franse Gemeenschap: in het kader van de overdracht door de inrichtende machten van het vrij gesubsidieeerd onderwijs van de bestaande schoolgebouwen aan de verenigingen zonder winstooogmerk voor patrimoniaal beheer door inbreng om niet (vrijstelling van het recht van 1,1% bedoeld in artikel 140, 1ste lid, 3°) en bij de rechtstreekse verkrijging door die verenigingen zonder winstoogmerk voor patrimoniaal beheer van voor onderwijs bestemde onroerende goederen (vrijstelling van het mutatierecht of het schenkingsrecht en vrijstelling van het recht op de hypotheekvestigingen en van het hypotheekrecht zelf).
In theorie verzet er zich niets tegen dat een V.Z.W.-inrichtende macht in de Vlaamse Gemeenschap de schoolgebouwen die ze in eigendom heeft, onderbrengt in een V.Z.W. voor patrimoniaal beheer die uitsluitend tot opdracht heeft de schoolgebouwen ter beschikking te stellen van de V.Z.W.-inrichtende macht. De overdracht aan de patrimoniale V.Z.W. geniet dan de kosteloze registratie. Idem dito zo een V.Z.W.-inrichtende macht in de Franse Gemeenschap zelf nog onroerende goederen met onderwijsbestemming verkrijgt. Alleen zullen de betreffende gebouwen in de respectieve Gemeenschappen niet voor subsidiëring in aanmerking komen.
1.6. Onroerende goederen die uitsluitend bestemd zijn voor onderwijs
Bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel is er heel wat gebakkeleid over de term "uitsluitend", die zowel voorkomt in de omschrijving van de voor de kosteloze registratie in aanmerking komende onroerende goederen als in de omschrijving van de "patrimoniale" V.Z.W.'s . Een volksvertegenwoordiger heeft een door hem ingediend amendement dat er toe strekte het woord "uitsluitend" te vervangen door het woord "hoofdzakelijk" uiteindelijk ingetrokken omdat zowel de indiener van het oorspronkelijk voorstel, als de Minister van Financiën, als commissieleden van de meerderheid aan dat begrip een ruime interpretatie gaven (2). Gelet op die duidelijke stellingname zal de uitvoeringsadministratie zich aansluiten bij een ruime interpretatie. De betreffende onroerende goederen moeten dus in de eerste plaats bestemd zijn voor onderwijs; wanneer zij daarnaast op bijkomstige wijze ook voor andere doeleinden zullen gebruikt worden brengt dit niet het verlies mee van de kosteloze registratie. Wanneer de bestemming voor onderwijs niet evident uit de aard van het onroerend goed blijkt zal in de akte een verklaring moeten opgenomen worden waarin de inrichtend macht of de patrimoniale V.Z.W. uitdrukkelijk verklaart dat het onroerend goed in de eerste plaats die bestemming zal krijgen. Ontbreekt die verklaring dan kan ze door de administratie nog altijd gevraagd worden bij toepassing van artikel 168 W.Reg.
----------
(2) zie:
- Gedr. St. Kamer, Doc 50 1276/008 van 19 juli 2001, blz. 6;
- Hand. Kamer, CRIV 50 PLEN 167 van 17 oktober 2001, blz. 3 2.
In de voorbereidende werken werden de volgende voorbeelden van die ruime interpretatie gegeven:
- een conciërgewoning bij een schoolgebouwencomplex;
- een in een school aangelegd zwembad dat voornamelijk voor schoolactiviteiten is bestemd maar ook toegankelijk is voor het publiek;
- een in een schoolinstelling geïntegreerde kapel die in de week voor eucharistievieringen met de leerlingen wordt gebruikt.
Wanneer een zelfde akte ten name of ten bate van de hier bedoelde organismen onroerende goederen betreft waarvan sommige wel en andere niet voldoen aan de vereiste directe band met de onderwijsfunctie, zal het toepasselijke recht uiteraard geheven worden over de in aanmerking te nemen heffingsgrondslag van de onroerende goederen die niet voldoen aan de vereiste band.
1.7. V.Z.W.'s voor patrimoniaal beheer die uitsluitend tot doel hebben onroerende goederen ter beschikking te stellen voor onderwijs
Zoals reeds aangegeven in het vorige nummer werd ook in dit verband in het parlement - ook door de Minister van Financiën - uitdrukkelijk gesteld dat het woord "uitsluitend" ruim dient geïnterpreteerd te worden.
In ieder geval is het duidelijk dat indien onroerende goederen verkregen worden door dergelijke patrimoniale V.Z.W.'s het registratierecht zal verschuldigd zijn voor die goederen waarvoor er geen onomstotelijke en rechtstreekse band met een onderwijsactiviteit kan worden aangetoond.
2. VRIJSTELLING VAN HYPOTHEEK- EN GRIFFIERECHTEN
Voor de volledigheid wordt hier herinnerd aan de terugverwijzing in de artikelen 265. 279/1, 279/2 en 280 W.Reg. naar artikel 161 W.Reg. (kosteloze registratie), in het kader van de vrijstellingen op het vlak van het hypotheekrecht en de griffierechten. Binnen het bestek van deze circulaire wordt daarop niet verder ingegaan.
3. VRIJSTELLING VAN DE TAKS TOT VERGOEDING VAN DE SUCCESSIERECHTEN
De wetgever heeft klaarblijkelijk de bedoeling gehad de voormelde onroerende schoolinfrastructuur van de taks tot vergoeding der successierechten vrij te stellen, indien die infrastructuur eigendom is van een aan de laks onderworpen V.Z.W. Vermits de schoolinfrastructuur van het door de gemeenschappen zelf ingericht onderwijs, evenals die van het door de provincies. steden en gemeenten ingericht onderwijs normaal eigendom is van die inrichtende machten zelf - welke uiteraard niet aan de laks onderworpen zijn -, zal onderhavige bepaling ook voornamelijk toepassing vinden in het kader van het vrij gesubsidieerd onderwijs. Het uiteindelijke doel van de maatregel is dus opnieuw een gelijke behandeling instellen van het officieel onderwijs en het vrij onderwijs wat hun onroerende infrastructuur aangaat (niet onderwerping aan een "patrimoniumtaks").
De beneficerende organismen van de "vrijstelling" van de laks zijn dus dezelfde organismen als die waarvan sprake onder punt 1.5.
Juridisch-technisch zou het te prefereren geweest zijn dat de wetgever de onroerende schoolinfrastructuur uit de in artikel 150 W.Succ. bepaalde belastbare massa gesloten had. In plaats daarvan heeft hij geopteerd voor een wijziging van artikel 149 W.Succ. Dat artikel bevatte tot nog toe organismen die volledig van de taks zijn vrijgesteld. Door deze bepaling aan te vullen met een 4° met organismen waarvoor niet noodzakelijk in alle gevallen een volledige vrijstelling geldt. wordt de interne logica van het tweede boek van het W.Succ. enigszins verstoord.
Voor de V.Z.W.'s inrichtende machten van onderwijs is expressis verbis bepaald dat de vrijstelling enkel geldt voor de onroerende goederen die uitsluitend bestemd zijn voor onderwijs. Vermits het patrimonium van dergelijke V.Z.W's normaal nog uit andere goederen bestaat, blijven zij voor die andere goederen principieel onderworpen aan de laks tot vergoeding der successierechten.
Voor de V.Z.W's voor patrimoniaal beheer van onroerende schoolinfrastructuur is er geen dergelijke uitdrukkelijke beperking van de vrijstelling te vinden in de wettekst. Dit is maar logisch indien die V.Z.W.'s inderdaad uitsluitend eigenaar zijn van onroerende goederen bestemd om ter beschikking van inrichtende machten te worden gesteld. Niettegenstaande de ruime interpretatie die het parlement gegeven heeft aan de term "uitsluitend" is het mogelijk dat die V.Z.W.'s ook nog andere goederen bezitten. In dat geval moeten ze geacht worden voor die andere goederen principieel de taks verschuldigd te zijn.
4. INWERKINGTREDING
De wet bevat geen uitdrukkelijke bepaling van inwerkingtreding. Zij treedt dus in werking de tiende dag na die van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad zijnde dus op 29 december 2001.
NAMENS DE MINISTER:
De adjunct-administrateur-generaal van de belastingen,
Jean-Marc DELPORTE
----------
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 19 december 2001
MINISTERIE VAN FINANCIEN
5 DECEMBER 2001 - Wet tot wijziging van artikel 161, 1°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en artikel 149 van het Wetboek der successierechten
ALBERT II, Koning der Belgen
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt:
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2. In artikel 161, 1°, van het Wetboek van registratie-, hypotheek en griffierechten, wordt tussen het eerste en het tweede lid een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt:
"De akten in der minne, die betrekking hebben op onroerende goederen die uitsluitend bestemd zijn voor onderwijs, verleden ten name of ten bate van de inrichtende machten van het gemeenschapsonderwijs of het gesubsidieerd onderwijs, alsook ten name of ten bate van verenigingen zonder winstoogmerk voor patrimoniaal beheer die tot uitsluitend doel hebben onroerende goederen ter beschikking te stellen voor onderwijs dat door de voornoemde inrichtende machten wordt verstrekt.",
Art. 3. Artikel 149 van het Wetboek der successierechten wordt aangevuld als volgt:
"4° de inrichtende machten van het gemeenschapsonderwijs of het gesubsidieerd onderwijs, voor wat betreft de onroerende goederen die uitsluitend bestemd zijn voor onderwijs en de verenigingen zonder winstoogmerk voor patrimoniaal beheer die tot uitsluitend doel hebben onroerende goederen ter beschikking te stellen voor onderwijs dat door de voornoemde inrichtende machten wordt verstrekt.".
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 5 december 2001.
ALBERT
Van Koningswege:
De Minister van Financiën,
D. REYNDERS
Met 's Lands zegel gezegeld:
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN
Gecoördineerde teksten
Art. 161, 1° W.Reg.
Worden kosteloos geregistreerd:
1° akten in der minne verleden ten name of ten bate van Staat, Kolonie en openbare Staatsinstellingen met uitzondering van de akten verleden in naam of ten gunste van de Algemene Spaar- en Lijfrentekas voor de verrichtingen van de Spaarkas.
De akten in der minne, die betrekking hebben op onroerende goederen die uitsluitend bestemd zijn voor onderwijs, verleden ten name of ten bate van de inrichtende machten van het gemeenschapsonderwijs of het gesubsidieerd onderwijs, alsook ten name of ten bate van verenigingen zonder winstoogmerk voor patrimoniaal beheer die tot uitsluitend doel hebben onroerende goederen ter beschikking te stellen voor onderwijs dat door de voornoemde inrichtende machten wordt verstrekt.
De akten in der minne verleden ten name of ten bate van de naamloze vennootschap van publiekrecht HST-Fin.
De akten in der minne verleden ten name of ten bate van de naamloze vennootschap A.S.T.R.I.D.
De akten verleden ten name of ten bate van de naamloze vennootschap BIO.
Hetzelfde geldt -met uitzondering van akten houdende schenking onder de levenden- voor akten verleden ten name of ten bate van de Nationale Maatschappij voor de huisvesting, de Nationale Landmaatschappij en de Nationale Maatschappij van Belgische spoorwegen.
Deze beschikking is echter slechts van toepassing op de akten waarvan de kosten wettelijk ten laste van bedoelde organismen vallen;
Art. 149 W.Succ.
Zijn van de taks vrijgesteld:
1° de gemachtigde compensatiekassen voor kindertoeslagen en de gemachtigde onderlinge kassen voor kindertoeslagen;
2° de inrichtingen en verenigingen zonder winstoogmerken die rechtspersoonlijkheid voor 11 juli 1921 hebben verkregen, andere dan deze waarover het gaat in het 2 van vorig artikel;
3° de erkende pensioenkassen voor zelfstandigen;
4° de inrichtende machten van het gemeenschapsonderwijs of het gesubsidieerd onderwijs, voor wat betreft de onroerende goederen die uitsluitend bestemd zijn voor onderwijs en de verenigingen zonder winstoogmerk voor patrimoniaal beheer die tot uitsluitend doel hebben onroerende goederen ter beschikking te stellen voor onderwijs dat door de voornoemde inrichtende machten wordt verstrekt.
