Circulaire nr. Ci.RH.233/463.721 van 18.02.1997
CIRC 18.02.97/1
Bull. nr. 770, pag. 715
AANVULLENDE CRISISBIJDRAGE
Toepassingsgebied van de aanvullende crisisbijdrage.
ROERENDE VOORHEFFING
Tarief van de roerende voorheffing.
Verlaagde tarief van de roerende voorheffing.
RULING
Aanvraag om een voorafgaand fiscaal akkoord.
Toepassingsgebied van de aanvullende crisisbijdrage.
ROERENDE VOORHEFFING
Tarief van de roerende voorheffing.
Verlaagde tarief van de roerende voorheffing.
RULING
Aanvraag om een voorafgaand fiscaal akkoord.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2 en 3.
INHOUDSTAFEL Nr I. INLEIDING .......................................................1 II. WETTEKSTEN ......................................................3 III. ANDERE INKOMSTEN DAN DIVIDENDEN A. Bedoelde inkomsten ...........................................7 B. Evolutie van de aanslagvoet van de RV ........................8 C. In aanmerking te nemen datum ................................14 1. Inkomsten van vastrentende effecten van Belgische oorsprong ................................................15 2. Via een tussenpersoon in België geïnde inkomsten van buitenlandse oorsprong 16 IV. DIVIDENDEN A. Algemeen overzicht ..........................................17 B. Dividenden met verlaagde voorheffing ........................24 C. Dividenden van genoteerde AFV-aandelen 1. Bedoelde aandelen ........................................25 2. Fiscale voordelen waaraan de uitkerende vennootschap moet verzaken ............................................29 3. Aan de aandelen verbonden rechten ........................31 4. Inwerkingtreding .........................................33 D. Dividenden van aandelen uitgegeven vanaf 1.1.1994 1. Algemeen .................................................36 2. Aandelen uitgegeven door middel van het openbaar aantrekken van spaargelden ...............................42 3. Besloten uitgiften van aandelen a) Principe ..............................................50 b) Aandelen op naam ......................................52 c) In open bewaring gegeven aandelen aan toonder .........55 d) Storting in geld ......................................63 1. Keuzedividend ......................................66 2. Converteerbare obligaties en inschrijvingsrechten ..68 4. Kapitaalvermindering na 31.12.1993 .......................75 5. Overdracht van goederen of aandelen a) Principe ..............................................82 b) Bedoelde personen .....................................83 c) Bedoelde goederen en aandelen .........................84 d) Bedoelde overdrachten .................................85 6. Dividenden van vreemde oorsprong .........................86 E. Dividenden uitgekeerd door Belgische beleggingsvennootschappen ...................................92 F. Verzaking aan het voordeel van de verlaagde RV 1. Algemeen ..................................................94 2. Modaliteiten van verzaking ................................97 G. Schifting van dividenden volgens hun oorsprong 1. Toepasselijke RV-tarieven ................................100 2. Opneming van reserves ....................................101| I. | INLEIDING |
1. Deze circulaire verstrekt commentaar op de diverse wijzigingen die de bepalingen inzake RV hebben ondergaan ingevolge :
- de art. 31 en 34, § 3, Programmawet van 24.12.1993 (V 2280 - Bull. 736);
- de art. 20, 23, 28 en 29, § 1, 3° en 4°, W 30.3.1994 tot uitvoering van het globaal plan op het stuk van de fiscaliteit (V 2297 - Bull. 739) en het daarbij aansluitende KB 1.9.1995 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de open bewaargeving van sommige aandelen die vanaf 1.1.1994 zijn uitgegeven (V 2415 - Bull. 754);
- de art. 13, 21, 3° en 28, 4e lid, W 20.12.1995 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen (V 2422 - Bull. 757).
Een overzicht van de evolutie van de RV-tarieven sedert het in voege treden van de W 22.2.1990 houdende verlaging van de RV (V 2033 - Bull. 693) is vervat onder nr. 13 (inkomsten andere dan dividenden) en onder nr. 22 (dividenden).
2. De opeenvolgende wijzigingen aan de aanslagvoet van de RV hebben uiteraard een invloed op het verrekenbaar bedrag van deze voorheffing.
| II. | WETTEKSTEN |
Programmawet 24.12.1993
| Art. | 31 |
3. In artikel 269, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, wordt de aanslagvoet van "10 %" vervangen door de aanslagvoet van "13 %" en worden de woorden "artikel 90, 4° tot 6°" vervangen door de woorden "artikel 90, 5° tot 7°".
| Art. | 34 |
...
§ 3. De artikelen 31 en 32 zijn van toepassing voor de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 1994.
W 30.3.1994 tot uitvoering van het globaal plan op het stuk van de fiscaliteit
| Art. | 20 |
4. Artikel 269 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 31 van de wet van 24 december 1993, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Artikel 269. De aanslagvoet van de roerende voorheffing is vastgesteld op :
1° 13 % voor inkomsten van roerende goederen en kapitalen die geen dividenden zijn, alsmede voor diverse inkomsten als vermeld in artikel 90, 5° tot 7°;
| 2° | 25 % voor de dividenden. |
De aanslagvoet van 25 % wordt evenwel verlaagd tot :
1° 20 % voor dividenden van aandelen die inbrengen in geld vertegenwoordigen die in 1982 of in 1983 zijn gedaan met het oog op verrichtingen als vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 15 van 9 maart 1982 tot aanmoediging van de inschrijving op of de aankoop van aandelen of bewijzen van deelgerechtigheid in Belgische vennootschappen en die zijn verleend of toegekend voor de vijf, de tien of de negen eerste boekjaren waarvoor die inkomsten van personenbelasting zijn vrijgesteld krachtens artikel 3, § 1, van het voormelde koninklijk besluit nr 15;
2° 13 % voor dividenden van in 1° vermelde aandelen die genoteerd zijn op een beurs voor roerende waarden wanneer de vennootschap die de inkomsten uitkeert onherroepelijk heeft verzaakt aan de overdracht, op de aan de desbetreffende aandelen uitgekeerde inkomsten :
- van de belastingbesparing die uit de ter zake voorziene vrijstelling van vennootschapsbelasting voortvloeit;
- van het eventueel aanvullend inkomen dat voortvloeit uit de bedoelde vrijstelling die de vennootschappen, in de oprichting of kapitaalverhoging waaraan de desbetreffende vennootschap rechtstreeks of onrechtstreeks heeft deelgenomen, in voorkomend geval hebben verkregen;
Voor zover de vennootschap die de inkomsten uitkeert niet onherroepelijk verzaakt aan het voordeel van deze verlaging, wordt de aanslagvoet van 25 % eveneens verlaagd tot 13 % voor de volgende dividenden :
a) dividenden van aandelen uitgegeven vanaf 1 januari 1994 door het openbaar aantrekken van spaargelden;
b) dividenden van aandelen die, vanaf hun uitgifte, hetzij het voorwerp hebben uitgemaakt van een inschrijving op naam bij de uitgever, hetzij in België in open bewaargeving zijn gegeven, waarvan de Koning de voorwaarden en de wijze van toepassing bepaalt, bij een bank, een openbare kredietinstelling, een beursvennootschap of een spaarkas die aan de controle van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen is onderworpen, wanneer die aandelen werden uitgegeven vanaf 1 januari 1994 ter vertegenwoordiging van maatschappelijk kapitaal en overeenstemmen met inbrengen in geld;
c) dividenden uitgekeerd door beleggingsvennootschappen als bedoeld in de artikelen 114, 118 en 119quinquies van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten, die geen dividenden zijn als vermeld in artikel 21, 2°.
De in het tweede lid, 2°, en in het derde lid, a en b, bedoelde aanslagvoet van 13 % is slechts van toepassing voor zover de aandelen waarop de dividenden betrekking hebben geen enkel voorrecht toekennen ten opzichte van de andere door de vennootschap uitgegeven aandelen.
Voor de in het derde lid, a) en b), vermelde vennootschappen die na 31 december 1993 hun kapitaal verminderen, worden de kapitaalverhogingen waartoe zij overgaan slechts in aanmerking genomen in de mate dat zij meer bedragen dan die kapitaalverminderingen.
Deze kapitaalverhogingen worden evenwel geheel in aanmerking genomen wanneer de kapitaalverminderingen beantwoorden aan rechtmatige financiële of economische behoeften.
Worden geacht aan de in het zesde lid vermelde voorwaarde te beantwoorden, de kapitaalverminderingen gebruikt om verliezen boekhoudkundig aan te zuiveren of om onbeschikbare reserves aan te leggen.
Ingeval van overdracht door de natuurlijke personen of rechtspersonen door of namens wie de oprichtingsakte is ondertekend, of in geval van oprichting bij openbare inschrijving, die de ontwerpoprichtingsakte hebben ondertekend, door de aandeelhouders, bestuurders, zaakvoerders of vennoten van de vennootschap die de overdracht verkrijgt van, hetzij goederen die vóór 1 januari 1994 voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid zijn aangewend, hetzij aandelen die deel hebben uitgemaakt van hun privaat vermogen, hetzij goederen die hebben toebehoord aan een vennootschap waarvan zij vóór 1 januari 1994 aandeelhouders, bestuurders, zaakvoerders of vennoten waren, wordt alleen het bedrag van die inbreng in geld, dat meer bedraagt dan de overdrachtprijs, in aanmerking genomen voor de toepassing van het derde lid, a) en b).
Het achtste lid is van toepassing op de overdracht gedaan door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die in eigen naam, maar voor rekening van een in dat lid vermelde persoon, handelt".
| Art. | 23 |
Artikel 345, § 1, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, vervangen door artikel 7 van de wet van 6 augustus 1993, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"1° een verrichting als vermeld in de artikelen 46, § 1, eerste lid, 2°, 211, § 1, eerste lid, 269, zesde lid of 344, § 2, wel degelijk beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften".
| Art. | 28 |
Voor de toepassing van artikel 269, tweede lid, 2°, van hetzelfde Wetboek moet de bedoelde verzaking het voorwerp uitmaken van een vóór 1 januari 1995 genomen regelmatige beslissing van de algemene vergadering van de aandeelhouders of de vennoten.
| Art. | 29 |
| § | 1. 1° en 2° ... |
3° Artikel 20 is van toepassing op inkomsten die vanaf 1 januari 1994 worden toegekend of betaalbaar gesteld en, voor zover ze verband houden met in artikel 269, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde inkomsten, betrekking hebben op een boekjaar dat aan het aanslagjaar 1995 of aan een later aanslagjaar is verbonden.
4° Artikel 23 is van toepassing op de vanaf 1 januari 1994 gedane verrichtingen.
...
W 20.12.1995 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen
| Art. | 13 |
5. In artikel 269, eerste lid, 1°, tweede lid, 2°, derde lid en vierde lid van hetzelfde Wetboek, vervangen door artikel 20 van de wet van 30 maart 1994, wordt de aanslagvoet van "13 %" telkens vervangen door de aanslagvoet van "15 %".
| Art. | 21 |
In artikel 463bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door artikel 22 van de wet van 22 juli 1993 en gewijzigd bij artikel 25 van de wet van 30 maart 1994 en bij artikel 106 van de wet van 21 december 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
| 1° | en 2°... |
| 3° | paragraaf 1, eerste lid, 2° ... en § 3 worden opgeheven. |
| Art. | 28 |
...
De artikelen 13, 21, 3° ... zijn van toepassing op de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 1996.
...
KB 1.9.1995 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de open bewaargeving van sommige aandelen die vanaf 1 januari 1994 zijn uitgegeven
| Art. | 1 |
6. Afdeling III van hoofdstuk II van het KB/WIB 92 wordt met een onderafdeling IV, bevattende een artikel 119bis, aangevuld, luidend als volgt :
"Onderafdeling IV - In België in open bewaring gegeven aandelen aan toonder uitgegeven vanaf 1 januari 1994 - Voorwaarden en toepassingswijze voor het verkrijgen van een verlaagd tarief inzake roerende voorheffing (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 269, derde lid, b).
Art. 119bis. - § 1. Voor de toepassing van artikel 269, derde lid, b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, moeten de aandelen aan toonder vanaf hun uitgifte permanent in België in open bewaring zijn gegeven bij een bank, een openbare kredietinstelling, een beursvennootschap of een spaarkas die aan de controle van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen is onderworpen.
Aan de voorwaarde van permanente open bewaargeving is voldaan indien :
1° de aandelen, met het oog op hun open bewaargeving en vanaf hun materiële uitgifte, door de emitterende vennootschap worden overhandigd aan een in het eerste lid vermelde instelling die door de bewaargever bij de inschrijving op de aandelen werd aangewezen, en
2° de open bewaargeving ononderbroken gehandhaafd is gebleven tot op de datum van toekenning of betaalbaarstelling van het dividend.
§ 2. Voor aandelen waarvoor toepassing wordt gemaakt van artikel 269, derde lid, b, van voormeld Wetboek moet de emitterende vennootschap bij de materiële uitgifte ervan die aandelen doen identificeren door middel van een speciaal codenummer dat door het Secretariaat voor Roerende Waarden wordt toegekend.
De emitterende vennootschap moet het Secretariaat voor Roerende Waarden in kennis stellen van de datum van toekenning of betaalbaarstelling van het dividend, zomede van het belastbare brutobedrag van de coupon, opdat dit Secretariaat deze informatie zou kunnen mededelen aan de bewaarnemende instellingen die erom vragen.
§ 3. Bij de toekenning of betaalbaarstelling van het dividend moeten de in § 1, eerste lid, vermelde instellingen :
- per emitterende vennootschap een globaal attest opstellen waarin het aantal aandelen opgegeven wordt dat voldoet aan de hogervermelde voorwaarde van permanente open bewaargeving;
- dit attest bezorgen aan de emitterende vennootschap.
De emitterende vennootschap moet de voormelde attesten als bewijs bij haar aangifte in de roerende voorheffing voegen.
§ 4. Ingeval de aandelen van bewaarnemende instelling veranderen, wordt voor de toepassing van § 1, tweede lid, 2°, geacht dat de open bewaargeving niet onderbroken wordt indien deze verrichting gebeurt tussen instellingen als vertaald in § 1 en voor zover :
- de verrichting plaatsheeft zonder de afgifte van de aandelen aan de bewaargever;
- de eerste instelling aan de nieuwe instelling een attest uitreikt waarin zij bevestigt dat de betrokken aandelen tot op de dag van de voormelde verrichting het voorwerp hebben uitgemaakt van een open bewaargeving als vermeld in § 1".
| Art. | 2 |
Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
De in artikel 269, derde lid, b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde aandelen die vóór de in het eerste lid vermelde datum zijn uitgegeven en die, vanaf hun materiële uitgifte, in België in open bewaargeving zijn gebleven, worden geacht te voldoen aan de voorwaarde van identificatie bedoeld in artikel 119bis, § 2, van het KB/WIB 92, zoals dit artikel is ingevoegd door artikel 1 van dit besluit, indien het voorgeschreven speciaal codenummer wordt toegekend uiterlijk de laatste dag van de tweede maand volgend op die waarin dit besluit is bekendgemaakt.
III. ANDERE INKOMSTEN DAN DIVIDENDEN
| A. | Bedoelde inkomsten |
7. Deze rubriek heeft betrekking op de hierna volgende inkomsten van Belgische of buitenlandse oorsprong :
1° interest bedoeld in art. 17, § 1, 2°, WIB 92, en die meer bepaald omvat :
- interest, achterstallige rente, premies en alle andere opbrengsten van al dan niet vastrentende effecten, van niet door effecten vertegenwoordigde leningen en schuldvorderingen en van gelddeposito's (art. 19, § 1, 1° en §§ 2 en 3, WIB 92);
- de termijnen (met uitsluiting van het erin begrepen gedeelte dat dient tot wedersamenstelling van het kapitaal) voortkomend van bepaalde overeenkomsten waarbij een recht van gebruik van gebouwde onroerende goederen wordt verleend (art. 19, § 1, 2°, WIB 92);
- de inkomsten begrepen in kapitalen en afkoopwaarden vereffend bij leven betreffende sommige levensverzekeringscontracten met gewaarborgd rendement (art. 19, § 1, 3° en § 4, WIB 92);
2° inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen (art. 17, § 1, 3°, WIB 92);
3° inkomsten die begrepen zijn in lijfrenten of tijdelijke renten die geen pensioenen zijn en na 1.1.1962 onder bezwarende titel zijn aangelegd ten laste van enige rechtspersoon of onderneming (art. 17, § 1, 4° en 20, WIB 92);
4° inkomsten verkregen, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, uit de onderverhuring of de overdracht van huur van al dan niet gemeubileerde onroerende goederen of uit de concessie van het recht om een plaats die van nature onroerend is en niet is gelegen binnen de omheining van een sportinrichting te gebruiken om er plakbrieven of andere reclamedragers te plaatsen (art. 90, 5°, WIB 92);
5° loten van effecten van leningen, met uitzondering van de loten die van elke Belgische zakelijke en personele belasting of van elke belasting zijn vrijgesteld (art. 90, 6°, WIB 92);
6° opbrengsten uit de verhuring van jacht-, vis- en vogelvangstrecht (art. 90, 7°, WIB 92).
| B. | Evolutie van de aanslagvoet van de RV |
8. Onverminderd de toepassing van bepaalde vrijstellingen en van de eventuele verminderingen ingevolge de overeenkomsten tot vermijding van dubbele belasting, bedroeg de aanslagvoet van de RV op de in nr. 7 bedoelde inkomsten, vóór de inwerkingtreding van de W 22.2.1990, in de regel 25 %.
Die aanslagvoet bedroeg evenwel :
- 20 % voor inkomsten van de effecten van de eerste tranche van de bijzondere lening 1981 (Op deze lening, die in 1991 werd terugbetaald, wordt hierna niet verder ingegaan) alsook voor de loten van Belgische oorsprong;
- 12,5 % voor de inkomsten van vóór 1.12.1962 gesloten overeenkomsten.
| 9. |
Art. 3, W 22.2.1990, heeft het tarief van de RV tot 10 % verminderd. |
Dit tarief van 10 % was in de regel van toepassing op de inkomsten die zijn verleend of toegekend ter uitvoering van vanaf 1.3.1990 gesloten overeenkomsten. Voor verdere details zie circ. 16.5.1991, Ci.RH.233/421.403 (Bull. 707).
10. Art. 22, W 22.7.1993 houdende fiscale en financiële bepalingen (V 2253 - Bull. 731), heeft in het WIB 92 een art. 463bis ingevoegd waardoor o.m. inzake RV een aanvullende crisisbijdrage (ACB) van 3 opcentiemen werd ingevoerd. De tarieven van 10 %, 25 %, 20 % en 12,5 % werden hierdoor verhoogd tot respectievelijk 10,3 %, 25,75 %, 20,6 % en 12,88 %. Die verhoging was van toepassing op de inkomsten die werden toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 26.7.1993. Voor verdere details wordt verwezen naar de circ. 31.10.1994, Ci.RH.243/462.311 (Bull. 744).
11. Art. 31, Programmawet van 24.12.1993, heeft in art. 269, 1ste lid, 1°, WIB 92, de aanslagvoet van 10 % vervangen door die van 13 %. Rekening houdend met de ACB (zie nr 10) bedroeg het werkelijk toegepaste tarief dus 13,39 %. De andere tarieven van de RV werden door de voormelde wettelijke bepaling niet gewijzigd.
Het tarief van 13,39 % was van toepassing op de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1.1.1994.
12. Art. 13, W 20.12.1995, heeft in art. 269, 1ste lid, 1°, WIB 92, de aanslagvoet van 13 % vervangen door die van 15 %. Art. 21 van diezelfde wet heeft op zijn beurt wijzigingen aangebracht aan art. 463bis, WIB 92, waardoor de ACB (zie nr 10) niet meer verschuldigd is op o.m. de RV. De nieuwe tarieven die uit deze wijziging voortvloeien en die van toepassing zijn op de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1.1.1996 bedragen voortaan respectievelijk 15 %, 25 %, 20 % en 12,5 %.
13. De verschillende hiervoor vermelde wijzigingen worden in het hierna volgend schema samengevat. De kolommen vermelden :
- kol. 1 : de periode van toekenning of betaalbaarstelling van de inkomsten;
- kol. 2 : het RV-tarief op inkomsten van vanaf 1.3.1990 gesloten overeenkomsten;
- kol. 3 : het RV-tarief op inkomsten - andere dan bedoeld in de kol. 4 en 5 van vóór 1.3.1990 gesloten overeenkomsten;
- kol. 4 : het RV-tarief op Belgische loten van vóór 1.3.1990 uitgegeven leningen;
- kol. 5 : het RV-tarief op inkomsten van vóór 1.12.1962 gesloten overeenkomsten.
| C. | In aanmerking te nemen datum |
14. Ondanks de verschillende wijzigingen van de aanslagvoet zal de berekening van de RV met inachtneming van de datum van toekenning of betaalbaarstelling geen bijzondere problemen stellen.
Niettemin lijkt het nuttig aan volgende regels te herinneren.
1. Inkomsten van vastrentende effecten van Belgische oorsprong
15. De in aanmerking te nemen datum is deze van de vervaldag van de coupons, wat ook de werkelijke datum van inning is, met dien verstande dat voor de kapitalisatiebons de vervaldag valt op het einde van het contract.
Wanneer het evenwel gaat om kasbons met facultatieve kapitalisatie (met inbegrip van de kasbons met een progressieve rente) mag men ervan uitgaan dat de coupons die vervallen op een welbepaalde datum (die niet met de eindvervaldag van het effect overeenstemt) en slechts het voorwerp uitmaken van een inning op een latere datum, aan de RV onderworpen zijn die van toepassing is op de datum van die inning.
2. Via een tussenpersoon in België geïnde inkomsten van buitenlandse oorsprong
16. De in aanmerking te nemen datum is deze van de effectieve betaalbaarstelling van de inkomsten in België door de tussenkomende financiële instelling of deze waarop ze zijn ingeschreven op een ten gunste van de verkrijgen geopende beschikbare rekening.
| IV. | DIVIDENDEN |
| A. | Algemeen overzicht |
17. Vóór de invoering van de ACB (zie nr 10) bedroeg het tarief van de RV op dividenden in de regel 25 % (onverminderd bepaalde vrijstellingen en verminderingen).
Dat tarief kon evenwel 20 % bedragen op de dividenden van de zogeheten AFV-aandelen.
18. Door de invoering van de ACB werden de tarieven van 20 % en 25 % respectievelijk verhoogd tot 20,60 % en 25,75 % wat de vanaf 26.7.1993 toegekende of betaalbaar gestelde dividenden betreft.
19. Art. 20, W 30.3.1994, heeft voor bepaalde dividenden (Doorgaans "VVPR"-dividenden genoemd, refererend naar de afkorting "Verlaagde Voorheffing - Précompte Réduit". Zie eveneens circ. 17.10.1996, Ci.RH.233/485.651 (Bull. 766)) de RV verlaagd tot 13 % (13,39 % ACB inbegrepen).
Ter zake gaat het om :
a) dividenden van genoteerde AFV-aandelen waarvoor verzaakt wordt aan de nog lopende vrijstelling van Ven.B;
b) dividenden van sommige nieuw uitgegeven aandelen;
c) dividenden uitgekeerd door Belgische beleggingsvennootschappen.
20. Het tarief van 13,39 % is van toepassing op dividenden die vanaf 1.1.1994 worden toegekend of betaalbaar gesteld (voor verdere details, zie nr 24 en volgende).
21. Zoals voor de andere inkomsten (zie nr 12) heeft de W 20.12.1995, wat bepaalde, vanaf 1.1.1996 toegekende of betaalbaar gestelde dividenden betreft :
- het tarief van 13 % verhoogd tot 15 %;
- terzelfdertijd de ACB afgeschaft.
Bijgevolg zijn de thans inzake dividenden toepasselijke tarieven 25 %, 20 % of 15 %.
22. Het volgende schema geeft een overzicht van de evolutie van de tarieven van de RV op dividenden. De kolommen vermelden :
- kol. 1 : de periode van toekenning of betaalbaarstelling;
- kol. 2 : het toepasselijke RV-tarief op gewone dividenden;
- kol. 3 : het toepasselijke RV-tarief op AFV-dividenden;
- kol. 4 : het toepasselijke RV-tarief op VVPR-dividenden.
23. Wat meer bepaald de AFV-dividenden betreft, wordt eraan herinnerd dat het tarief van 20 % (20,6 % met ACB) slechts van toepassing is voor de 5, 10 of 9 eerste boekjaren waarvoor de inkomsten van PB zijn vrijgesteld, zodat, rekening houdend met de keuzemogelijkheid van de vennootschap inzake de vrijstellingsperiode, de toepassing van dit tarief ten einde loopt in het boekjaar 1995 (of 1994/1995 indien de boekhouding anders dan per kalenderjaar wordt gehouden).
| B. | Dividenden met verlaagde voorheffing |
24. Zoals reeds onder nr 19 werd vermeld, is het verlaagde tarief van de RV (- 13,39 % voor de dividenden toegekend of betaalbaar gesteld gedurende de periode van 1.1.1994 tot 31.12.1995 inbegrepen; - 15 % voor de dividenden toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1.1.1994) van toepassing :
1° op dividenden van in 1982 of in 1983 in het kader van KB 15/150 uitgegeven AFV-aandelen die genoteerd worden op een Belgische beurs voor roerende waarden, wanneer de vennootschap die de inkomsten uitkeert in feite onherroepelijk heeft verzaakt aan de vrijstelling van Ven.B die op het geheel of een gedeelte van die dividenden van toepassing was;
2° voor zover de vennootschap die de inkomsten uitkeert niet onherroepelijk verzaakt aan het voordeel van de verlaging van de RV, op dividenden van aandelen die zijn uitgegeven vanaf 1.1.1994 :
a) hetzij door het openbaar aantrekken van spaargelden;
b) hetzij ter vertegenwoordiging van maatschappelijk kapitaal dat in geld wordt gestort en die vanaf hun uitgifte het voorwerp uitmaken van een inschrijving op naam bij de uitgever of in België in open bewaargeving zijn gegeven bij een bank, een openbare kredietinstelling, een beursvennootschap of een spaarkas die aan de controle van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen is onderworpen;
3° eveneens voor zover de vennootschap niet onherroepelijk aan het voordeel verzaakt, op dividenden uitgekeerd door beleggingsvennootschappen naar Belgisch recht (BEVEK, BEVAK en VBS).
C. Dividenden van genoteerde AFV-aandelen
| 1. | Bedoelde aandelen |
25. De eerste categorie aandelen waarvan de dividenden het verlaagde RV-tarief kunnen genieten wordt gevormd door de aandelen die inbrengen in geld vertegenwoordigen die in 1982 of in 1983 zijn gedaan met het oog op verrichtingen als vermeld in het KB nr 15 van 9.3.1982 tot aanmoediging van de inschrijving op of de aankoop van aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in Belgische vennootschappen (de zogeheten AFV-aandelen).
Voor de commentaar op de bepalingen van het KB nr 15 en van de latere aangebrachte wijzigingen wordt verwezen naar de circ. 14.11.1983, Ci.RH.421/332.973 (Bull. 623), 30.6.1992, Ci.RH.421/439.707 (Bull. 719) en 18.7.1994, nr Ci.RH.421/450.943 (Bull. 741).
26. De mogelijkheid om het verlaagde RV-tarief toe te passen wordt evenwel enkel geboden voor de aandelen die genoteerd zijn op een beurs voor roerende waarden. Dit is met name het geval voor de AFV-aandelen die :
- ofwel ingeschreven zijn op de eerste markt overeenkomstig het KB 28.2.1993 betreffende de opneming van effecten in de eerste markt van een Effectenbeurs (BS 8.4.1993), genomen in uitvoering van art. 33, W 4.12.1990 op de financiële transacties en de financiële markten (BS 22.12.1990);
- ofwel toegelaten zijn tot de tweede markt overeenkomstig KB 18.1.1991 houdende het reglement van de effectenbeursvennootschap ven Brussel (BS 25.1.1991) of overeenkomstig het KB 25.2.1996 houdende het reglement van de Effectenbeurs van Antwerpen (BS 7.3.1996).
27. In feite gaat het om de Beurzen voor roerende waarden opgericht in Antwerpen en Brussel overeenkomstig art. 5 van de voornoemde W 4.12.1990 en bestuurd respectievelijk door de CV "Effectenbeursvennootschap van Antwerpen" en de CV "Effectenbeursvennootschap van Brussel" (zie circ. 8.7.1993, Ci.RH.421/451.076 - Bull. 730 en 14.11.1994, Ci.D.19/444.905, 24e aflevering - Bull. 745). Evenwel dient te worden opgemerkt dat de niet officieel genoteerde effecten die toegelaten worden tot de door de Beurscommissie georganiseerde openbare veilingen bij toepassing van de art. 128 en 189 van het voornoemde KB 18.1.1991 niet aan de gestelde voorwaarden voldoen.
28. De voorwaarde inzake notering moet worden beoordeeld per categorie van AFV-aandelen (AFV-1, AFV-2, enz.). Het is echter niet vereist dat alle effecten van eenzelfde categorie het voorwerp hebben uitgemaakt van een inschrijving op de eerste markt of van een toelating tot de tweede markt in die zin dat aan de voorwaarde voldaan is wanneer voor een bepaalde categorie van AFV-aandelen de uitkerende vennootschap een aanvraag tot inschrijving of toelating heeft gedaan voor slechts een gedeelte van de effecten van deze categorie.
| 2. | Fiscale voordelen waaraan de uitkerende vennootschap moet verzaken |
29. Om de verlaagde aanslagvoet van de RV te kunnen toepassen, moet de vennootschap die de inkomsten uitkeert onherroepelijk hebben verzaakt aan de overdracht (Wat deze overdracht betreft, zie nrs. 2/26 tot 44, circ. 14.11.1993, Ci.RH.421/332.973 (Bull. 623)) op de aan de AFV-aandelen toegekende dividenden van :
- de belastingbesparing die uit de terzake voorziene vrijstelling van vennootschapsbelasting voortvloeit;
- het eventueel aanvullende inkomen dat voortvloeit uit de bedoelde vrijstelling die de vennootschappen, in de oprichting of kapitaalverhoging waarvan de desbetreffende vennootschap rechtstreeks of onrechtstreeks heeft deelgenomen, in voorkomend geval hebben verkregen.
30. Overeenkomstig art. 28, W 30.3.1994, moet de verzaking, om geldig te zijn, het voorwerp uitmaken van een vóór 1.1.1995 genomen regelmatige beslissing van de algemene vergadering van de aandeelhouders of de vennoten.
| 3. | Aan de aandelen verbonden rechten |
31. Overeenkomstig art. 269, 4e lid, WIB 92, is de verlaagde RV slechts van toepassing voor zover de aandelen geen enkel voorrecht toekennen ten opzichte van de andere door de vennootschap uitgegeven aandelen.
32. Met betrekking tot de AFV-aandelen, vereiste het KB 15/150 niet dat deze bevoorrecht waren (cfr PV nr 139 van 25.6.1982, gesteld door Senator De Cooman - Bull. 610). Wanneer evenwel bevoorrechte aandelen werden gecreëerd, impliceert de afschaffing van het voorrecht dat de statuten moeten worden gewijzigd door een vóór 1.1.1995 regelmatig genomen beslissing van de algemene vergadering van de aandeelhouders of de vennoten.
| 4. | Inwerkingtreding |
33. Overeenkomstig art. 29, § 1, 3°, W 30.3.1994, is de verlaagde RV (- 13,39 % voor de dividenden toegekend of betaalbaar gesteld gedurende de periode van 1.1.1994 tot en met 31.12.1995; - 15 % voor de dividenden toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1.1.1996) in principe van toepassing op de dividenden die vanaf 1.1.1994 worden toegekend of betaalbaar gesteld.
34. Bovendien is ook als voorwaarde gesteld dat de dividenden betrekking moeten hebben op een boekjaar dat is verbonden aan het aanslagjaar 1995 of aan een later aanslagjaar. Behalve wat de eventuele interimdividenden betreft die tijdens een boekjaar verbonden aan het aanslagjaar 1995, in 1994 werden toegekend, zal, in de praktijk, de verlaging dan ook slechts toepassing vinden op de vanaf 1995 toegekende dividenden.
35. Uit wat voorafgaat volgt eveneens dat, in de gevallen waarin voor de verlaagde RV werd gekozen, de aan de AFV-aandelen verbonden vrijstelling van Ven.B - die voor het aj. 1994 op nul werd gebracht - met ingang van het aj. 1995 definitief vervalt.
D. Dividenden van aandelen uitgegeven vanaf 1.1.1994
| 1. | Algemeen |
36. De tweede categorie van aandelen waarvan de dividenden het verlaagde RV-tarief kunnen genieten, zijn die welke onder bepaalde voorwaarden vanaf 1.1.1994 zijn uitgegeven.
Daarbij zijn de voorwaarden verschillend naargelang het gaat om aandelen die uitgegeven zijn door het openbaar aantrekken van spaargelden dan wel in het kader van een besloten uitgifte.
37. Het voordeel van de verlaging van de RV is facultatief in die zin dat de emitterende vennootschap eraan kan verzaken. Deze verzaking is onherroepelijk (zie Verslag Comm. Fin., 1993-1994, parl. st. 1290-6, blz. 36) en moet beslist worden overeenkomstig de bepalingen van de SWHV.
38. Er dient te worden opgemerkt dat de verlaging van de RV nooit toepassing kan vinden in verband met de interesten van voorschotten die, op grond van art. 18, 1ste lid, 3 °en 2de lid, WIB 92, als dividenden worden geherkwalificeerd.
39. Het moet gaan om aandelen die zijn uitgegeven vanaf 1.1.1994. De in aanmerking te nemen datum van uitgifte is die van de vastlegging bij authentieke akte van de oprichting of de kapitaalverhoging (d.w.z. na het verstrijken van de inschrijvingsperiode - zie art. 29, § 4 en 34, §§ 1, 4 en 5, SWHV) en niet, wat de openbaar uitgegeven aandelen betreft, die van het verzoek tot goedkeuring van het openbaar aanbod tot inschrijving bij de Commissie voor het Bank- en Financiewezen noch die van openbare aankondiging van de verrichting door middel van de door de hoger vermelde Commissie vooraf goedgekeurde prospectus.
40. Ook voor de nieuwe aandelen geldt als voorwaarde dat ze geen enkel voorrecht mogen verlenen ten opzichte van de andere door de vennootschap uitgegeven aandelen (inzonderheid de toekenning van een bevoorrecht dividend of van een hoger dividend t.o.v. de andere door de vennootschap uitgegeven aandelen).
41. Indien het vóór 1.1.1994 bestaande kapitaal reeds vertegenwoordigd wordt door meerdere categorieën aandelen, mogen de nieuwe aandelen niet méér voorrechten toekennen dan de oude aandelen die er het minst verlenen. Met andere woorden, indien aan een gedeelte van de oude aandelen geen enkel voorrecht is gehecht, mogen de nieuwe er ook geen enkel verlenen.
2. Aandelen uitgegeven door middel van het openbaar aantrekken van spaargelden
42. Zijn hier beoogd, de effecten uitgegeven vanaf 1.1.1994 die voldoen aan de criteria bepaald in het KB 9.1.1991 (BS 12.1.1991) over het openbaar karakter van verrichtingen om spaargelden aan te trekken en de gelijkstelling van bepaalde verrichtingen met een openbaar bod (Amendementen, Kamer, 1993-1994, parl. st. 1290-3, blz. 8).
43. Er dient te worden opgemerkt dat de openbare uitgiften van aandelen het voorwerp moeten uitmaken van een kennisgeving bij de Commissie voor het Bank- en Financiewezen (art. 26, KB nr 185 van 9.7.1935 op de bankcontrole en het uitgifteregime voor titels en effecten, laatst gewijzigd door art. 156, W 22.3.1993 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen BS 19.4.1993). Bijgevolg bestaat er een systematisch toezicht op zulke uitgiften.
44. Zoals voorzien in art. 1 van het voormelde KB 9.1.1991, is het openbaar karakter van bepaalde financiële verrichtingen aangetoond van zodra één van de volgende omstandigheden zich voordoet :
1° het aanwenden, door hem die voor eigen rekening of voor rekening van een derde één van die verrichtingen uitvoert, van één of meer reclamemiddelen, van welke aard ook, gericht op het publiek in België om die verrichtingen aan te kondigen of aan te bevelen;
2° het beroep op of tussenkomst van bemiddelaars (Onder bemiddelaar wordt verstaan, elke natuurlijke of rechtspersoon die in België, zelfs als bijkomstige of tijdelijke werkzaamheid, de hierboven vermelde verrichtingen uitvoert als makelaar, commissionair of handelaar in effecten, verkoper, lasthebber, vertegenwoordiger, agent, loketinstelling of in enige soortgelijke hoedanigheid);
3° het solliciteren, voor eigen rekening of voor rekening van een derde, van meer dan 50 personen.
45. In de onderhavige context beoogt de notie openbare uitgifte enkel de verrichtingen van openbaar aanbod tot inschrijving, die gelijktijdig met de oprichting van een vennootschap of de verhoging van haar kapitaal plaatsvinden. De aanbiedingen tot openbare verkoop van effecten, die een voorheen bestaand kapitaal vertegenwoordigen, kunnen derhalve niet in aanmerking worden genomen.
46. Dit impliceert dat het recht op verlaagde RV niet kan worden ingeroepen wanneer aandelen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een besloten uitgifte later openbaar worden geplaatst, en dit zelfs in het geval waarin die aandelen tot dan aan de in art. 269, 3de lid, b, WIB 92, gestelde voorwaarden (zie nr 50 e.v.) beantwoordden.
47. De aandacht wordt gevestigd op het feit dat, om te kunnen worden ingeschreven op de eerste markt van een Beurs voor roerende waarden, de aandelen waarvan de dividenden onderworpen zijn aan de verlaagde RV moeten voldoen aan de karakteristieken die werden bepaald door de Minister van Financiën (zie inzonderheid circ. 17.10.1996, Ci.RH.233/485.651 - Bull. 768).
48. Anderzijds mag worden gesteld dat de in het KB 9.1.1991 bepaald criteria vervuld zijn wanneer het openbaar aanbod het voorwerp heeft uitgemaakt van de vaste opname door een financiële tussenpersoon die de effecten bij cliënten plaatst, voor zover aan de andere voorwaarden betreffende het openbaar aantrekken van spaargelden is voldaan en de plaatsing gebeurt tegen dezelfde waarde en tijdens dezelfde periode als die van de inschrijving.
49. In tegenstelling tot aandelen, die het voorwerp uitmaken van een besloten uitgifte, die moeten overeenstemmen met een inbreng in geld (zie nr 51), is geen enkele voorwaarde gesteld m.b.t. de wijze van volstorting van de inbrengen.
3. Besloten uitgiften van aandelen
| a) | Principe |
50. De dividenden van aandelen die vanaf 1.1.1994 zijn uitgegeven zonder het voorwerp uit te maken van een openbaar aanbod, kunnen eveneens de verlaagde RV genieten op voorwaarde dat ze werden toegekend :
- hetzij aan aandelen op naam;
- hetzij aan aandelen aan toonder die bij een financiële instelling in open bewaargeving werden gegeven.
De verlaagde RV is evenwel enkel van toepassing voor zover de aandelen maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen en in geld werden gestort.
| b) | Aandelen op naam |
52. Hier worden de aandelen beoogd die sinds hun uitgifte het voorwerp hebben uitgemaakt van een inschrijving op naam.
Hierbij valt te noteren dat, wat de handelsvennootschappen betreft, enkel de NV en de CVA de mogelijkheid hebben om aandelen uit te geven die niet op naam zijn, zodat bij de andere vennootschappen waarvan het kapitaal door aandelen wordt vertegenwoordigd (GCV, BVBA, CV), uiteraard steeds aan deze voorwaarde is voldaan.
53. De eigendom van een aandeel op naam wordt bewezen door de inschrijving in het register van de aandelen op naam (art. 42 en 43 SWHV). Aan de voorwaarde van inschrijving moet voldaan zijn vanaf de uitgifte van de effecten d.w.z., in de praktijk, vanaf de oprichting van de vennootschap of vanaf de kapitaalverhoging. Zij moet bovendien een permanent karakter vertonen (Amendementen, Kamer, 1993-1994, parl. st. 1290-3, blz. 9). Daaruit volgt dat het recht op verlaagde RV definitief verloren gaat vanaf het ogenblik dat aandelen op naam omgezet worden in aandelen aan toonder.
54. Indien die aandelen aanvankelijk aan toonder waren en nadien worden omgezet in effecten op naam, kan op grond van die omzetting het recht op verlaagde RV niet worden ingeroepen.
| c) | In open bewaring gegeven aandelen aan toonder |
55. Hier worden de aandelen aan toonder beoogd die vanaf hun uitgifte op ononderbroken wijze, in België in open bewaargeving zijn gegeven bij een bank, een openbare kredietinstelling, een beursvennootschap of een spaarkas die aan de controle van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen is onderworpen.
56. Overeenkomstig art. 119bis, KB/WIB 92, ingevoegd door art. 1, KB 1.9.1995 (V 2415 - Bull. 754), is aan de voorwaarde van permanente open bewaargeving voldaan indien :
1° de aandelen, met het oog op hun open bewaargeving en vanaf hun materiële uitgifte, door de emitterende vennootschap worden overhandigd aan een in nr 55 vermelde instelling die door de bewaargever bij de inschrijving op de aandelen werd aangewezen;
2° de open bewaargeving ononderbroken gehandhaafd is gebleven tot op de datum van toekenning of betaalbaarstelling van het dividend.
57. De emitterende vennootschap moet, enerzijds, bij de materiële uitgifte ervan die aandelen doen identificeren door middel van een speciaal codenummer dat door het "Secretariaat voor Roerende Waarden" wordt toegekend, en anderzijds, ten gepaste tijde, het belastbare brutobedrag en de datum van toekenning of betaalbaarstelling van de gedecreteerde dividenden aan deze dienst mededelen.
58. Bij de toekenning of betaalbaarstelling van het dividend moeten de in nr 55 vermelde instellingen :
- per emitterende vennootschap een globaal attest opstellen waarin het aantal aandelen opgegeven wordt dat voldoet aan de hogervermelde voorwaarde van permanente open bewaargeving;
- dit attest bezorgen aan de emitterende vennootschap.
59. De emitterende vennootschap moet dit attest als bewijs bij haar aangifte in de roerende voorheffing voegen.
60. In geval de aandelen van bewaarnemende instelling veranderen, wordt geacht dat de open bewaargeving niet onderbroken wordt indien deze verrichting gebeurt tussen instellingen als vermeld in nr 55 en voor zover :
- de verrichting plaats heeft zonder de afgifte van de aandelen aan de bewaargever;
- de instelling die de afstand doet aan de ontvangende instelling een attest uitreikt waarin zij bevestigt dat de betrokken aandelen tot op de dag van de voormelde verrichting het voorwerp hebben uitgemaakt van een open bewaargeving als vermeld in nr 56.
61. Bij overgangsbepaling is bepaald dat de aandelen die vóór 28.9.1995 werden uitgegeven en die vanaf hun materiële uitgifte, in België in open bewaargeving zijn gebleven, worden geacht te voldoen aan de hogervermelde voorwaarde van identificatie indien het voorgeschreven speciaal codenummer uiterlijk op 30.11.1995 werd toegekend.
62. Indien aandelen vanaf hun uitgifte het voorwerp hebben uitgemaakt van een inschrijving op naam en recht hebben gegeven op de toepassing van de verlaagde RV, heeft elke omzetting van die aandelen in effecten aan toonder het verlies van het voordeel van die verlaagde RV tot gevolg, zelfs wanneer zij in open bewaring worden gegeven.
| d) | Storting in geld |
63. Enkel de dividenden toegekend aan aandelen die werden uitgegeven ter vertegenwoordiging van maatschappelijk kapitaal en die overeenstemmen met inbrengen in geld komen in aanmerking om de verlaagde RV te genieten. Winstbewijzen, genotsaandelen, oprichtersbewijzen, enz. zijn bijgevolg uitgesloten (zie Verslag Comm. Fin., Kamer, 1993-1994, parl. st. 1290-6, blz. 63).
64. Bovendien kan de incorporatie in kapitaal van reserves, uitgiftepremies of voorheen bestaande meerwaarden niet worden aangemerkt als een inbreng in geld (zie Verslag Comm. Fin., Kamer, 1993-1994, parl. st. 1290-6, blz. 38).
65. Daarentegen kan worden aanvaard dat aandelen die voortkomen uit de omzetting van een schuldvordering (ongeacht de vorm ervan) worden aangemerkt als aandelen ter vertegenwoordiging van een inbreng in geld, behalve indien deze schuldvordering haar oorsprong vindt in een overdracht zoals bedoeld in nr 82.
Drie gevallen verdienen de aandacht, namelijk :
- de toekenning van een keuzedividend;
- de omzetting van obligaties in aandelen;
- de uitoefening van een bevoorrecht inschrijvingsrecht.
| 1. | Keuzedividend |
66. Het probleem van het keuzedividend kan zich stellen ten name van vennootschappen die tot een kapitaalverhoging overgaan vanaf 1.1.1994. Een aandeelhouder kan inderdaad de keuze hebben om het dividend te innen in speciën dan wel om het recht op dividend in te brengen n.a.v. een kapitaalverhoging in de uitkerende vennootschap.
De keuze tot conversie in nieuwe aandelen kan slaan op het ganse toegekende dividend of slechts op een gedeelte ervan.
67. Deze omzetting heeft tot gevolg :
- dat het ganse dividend verbonden aan de oude aandelen (uitgegeven vóór 1.1.1994) onderworpen wordt aan de RV tegen het gewone tarief (25 %) of tegen het AFV-tarief (20 %), volgens het geval (zie Verslag Comm. Fin., Kamer, parl. st. 1290-6, blz. 83 en 89);
- dat de dividenden die nadien worden voortgebracht door de nieuwe, ingevolge de conversie ontvangen aandelen (uitgegeven vanaf 1.1.1994), de verlaagde RV zullen ondergaan voor zover voldaan is aan de overige terzake gestelde voorwaarden.
| 2. | Converteerbare obligaties en inschrijvingsrechten |
68. Voor het begrip inschrijvingsrecht, warrant en converteerbare obligatie kan worden verwezen naar de nrs 35 tot 37, circ. 27.9.1993, Ci.RH.421/439.105 (Bull. 732).
De NV en de CVA hebben de mogelijkheid converteerbare obligaties of inschrijvingsrechten uit te geven. De modaliteiten inzake uitgifte en conversie van dergelijke effecten zijn vastgelegd in de art. 101bis tot 101octies en 107, SWHV.
69. De duur tijdens dewelke de conversie of de uitoefening van de inschrijvingsrechten kan plaatsvinden mag niet langer zijn dan tien jaar, te rekenen vanaf de uitgifte van de obligaties.
70. Indien de conversie van het effect na 1.1.1994 plaatsvindt, moet de inbreng worden beschouwd als nieuw kapitaal dat recht geeft op de toepassing van de verlaagde RV (zie Verslag Comm. Fin., Senaat, 1993-1994, parl. st. 1002-2, blz. 37).
71. De verlaagde RV is van toepassing zowel m.b.t. de converteerbare obligaties uitgegeven door het openbaar aantrekken van spaargelden als voor die welke het voorwerp waren van een besloten uitgifte. In de beide gevallen kan de conversie van obligaties in aandelen worden gelijkgesteld met een inbreng in geld.
72. Er wordt aan herinnerd dat voor de toepassing van de verlaagde RV en van het ermee gepaard gaande openbaar aantrekken van spaargelden, de in aanmerking te nemen datum die is van de akte van de kapitaalverhoging en niet die van de uitgifte van de converteerbare obligaties of van de inschrijvingsrechten (zie Verslag Comm. Fin., Kamer, 1993-1994, parl. st., 1290-6, blz. 68 en 69 en PV 792 van 15.6.1994, gesteld door Senator Cooreman, Bull. 743, blz. 2719).
73. Onder akte van kapitaalverhoging dient te worden verstaan de authentieke akte bedoeld in art. 101octies, SWHV, waarin de vaststelling gebeurt van de conversie van obligaties in aandelen of van de inschrijving op aandelen ingeval van uitoefening van de optie, van de daaruit voortvloeiende verhoging van het maatschappelijk kapitaal en van het aantal ter vertegenwoordiging van die verhoging uitgegeven nieuwe aandelen. Deze akte verleent de hoedanigheid van aandeelhouder aan de obligatiehouder die de conversie van zijn effect heeft gevraagd of aan de houder van het inschrijvingsrecht die zijn recht heeft uitgeoefend.
74. Anderzijds moeten, indien de vennootschap voor de uitgifte van de converteerbare obligaties of de inschrijvingsrechten niet openbaar spaargelden heeft aangetrokken, de aandelen die uit deze conversie ontstaan uiteraard voldoen aan de voorwaarde van nominatieve inschrijving of open bewaargeving in België.
| 4. | Kapitaalvermindering na 31.12.1993 |
75. Art. 269, 5de lid, WIB 92, bepaalt dat bij vennootschappen die na 31.12.1993 hun kapitaal verminderen, de kapitaalverhogingen waartoe zij overgaan slechts in aanmerking worden genomen in de mate dat zij meer bedragen dan die kapitaalverminderingen.
76. Het is daarbij zonder belang of de vermindering aan de kapitaalverhoging voorafgaat dan wel daarop volgt of dat ze wordt verricht door terugbetaling van maatschappelijk kapitaal dan wel op een andere wijze (zie Verslag Comm. Fin., Kamer, 1993-1994, parl. st. 1290-6, blz. 67).
77. Krachtens art. 269, 6de lid, WIB 92, worden die kapitaalverhogingen evenwel geheel in aanmerking genomen wanneer de kapitaalverminderingen beantwoorden aan rechtmatige financiële of economische behoeften.
78. Dienaangaande bepaalt art. 269, 7de lid, WIB 92, dat de kapitaalverminderingen geacht worden aan die voorwaarde te voldoen indien ze gebruikt werden om :
- verliezen boekhoudkundig aan te zuiveren (overgedragen verliezen of verlies van het boekjaar zelf);
- onbeschikbare reserves aan te leggen.
79. Onder "onbeschikbare reserves" wordt verstaan deze bedoeld in art. 72bis, § 2, SWHV. Die bepaling laat toe dat een kapitaalvermindering plaatsvindt om een reserve te vormen tot dekking van een voorzienbaar verlies. Die reserve mag niet hoger zijn dan 10 % van het geplaatste kapitaal (na vermindering daarvan), noch uitgekeerd worden aan de aandeelhouders; ze mag slechts worden aangewend voor de aanzuivering van geleden verliezen of tot verhoging van het kapitaal door incorporatie van reserves (zie Verslag Comm. Fin., Senaat, 1993-1994, parl. st. 1002-2, blz. 37).
80. Te noteren dat overeenkomstig de bepalingen van art. 2, § 5 en 184, WIB 92, het 5de lid van art. 269, WIB 92, zowel de vermindering op de rekening "uitgiftepremies" als op de rekening "kapitaal" beoogt.
81. Overeenkomstig art. 345, § 1, 1°, WIB 92, kunnen de betrokken vennootschappen voorafgaandelijk aan iedere beslissing inzake de vermindering van hun kapitaal, de Commissie voor voorafgaande fiscale akkoorden (Rulingcommissie) om een akkoord vragen omtrent het feit dat de in het vooruitzicht gestelde verrichting aan rechtmatige financiële of economische behoeften beantwoordt (zie dienaangaande circ. 24.9.1993, Ci.D.19/452.701 - Bull. 732).
5. Overdracht van goederen of aandelen
| a) | Principe |
82. Art. 269, 8ste lid, WIB 92, strekt ertoe te vermijden dat inbrengen in natura worden omgezet in inbrengen in geld. Het gedeelte van het nieuwe kapitaal dat overeenstemt met de prijs van de overdracht van bepaalde goederen, gedaan door natuurlijke of rechtspersonen die een belang hebben in het beheer of in het patrimonium van de vennootschap die wordt opgericht of die haar kapitaal verhoogt, mag derhalve niet in aanmerking worden genomen om recht te geven op de toepassing van de verlaagde RV.
b) Bedoelde personen
| 83. | Worden bedoeld de overdrachten gedaan door : |
- de stichters van de vennootschap die de overdracht verkrijgt, met name de natuurlijke of rechtspersonen door of namens wie de oprichtingsakte is ondertekend, of in geval van oprichting bij openbare inschrijving die de ontwerpoprichtingsakte hebben ondertekend;
- de aandeelhouders, bestuurders, zaakvoerders of vennoten van de vennootschap die de overdracht verkrijgt;
- een natuurlijk of rechtspersoon die handelt in eigen naam, maar voor rekening van een oprichter, aandeelhouder, bestuurder, zaakvoerder of vennoot van de vennootschap die de overdracht verkrijgt.
Terzake is het zonder belang of de overdrager op het ogenblik van de overdracht reeds aandeelhouder, bestuurder, zaakvoerder of vennoot was in de vennootschap die de overdracht verkrijgt.
| c) | Bedoelde goederen en aandelen |
84. Beoogd zijn de overdrachten van bestanddelen die, bij de overdrager, de aard hebben van :
- hetzij, goederen die vóór 1.1.1994 voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid zijn aangewend (wat dit begrip betreft, wordt verwezen naar de commentaar op art. 41, WIB 92);
- hetzij, aandelen die van zijn privaat vermogen deel uitmaken;
- hetzij, goederen die hebben toegehoord aan een vennootschap waarvan hij vóór 1.1.1994 aandeelhouder, bestuurder, zaakvoerder of vennoot was.
| d) | Bedoelde overdrachten |
85. Alhoewel art. 269, 8ste lid, WIB 92, daarover geen uitsluitsel geeft, blijkt dat uitsluitend de in nr 84 vermelde vanaf 1.1.1994 gedane overdrachten van goederen en aandelen worden bedoeld. De uitsluiting slaat bijgevolg niet op de vóór die datum gedane overdrachten, zelfs indien de prijs ervan slechts werd voldaan vanaf die datum.
| 6. | Dividenden van vreemde oorsprong |
86. In beginsel is de verlaagde RV eveneens van toepassing, onder dezelfde voorwaarden als voor dividenden van Belgische oorsprong, op dividenden van nieuwe aandelen van buitenlandse vennootschappen die vanaf 1.1.1994 worden toegekend.
87. Derhalve moeten de openbare uitgiften van aandelen van buitenlandse vennootschappen worden gedaan in het kader van het KB 9.1.1991 (zie nr 42). Anderzijds moet de open bewaargeving van aandelen aan toonder die het voorwerp hebben uitgemaakt van een besloten uitgifte beantwoorden aan de modaliteiten die zijn vastgelegd in art. 119bis, KB/WIB 92 (zie nr 55).
88. M.b.t. de inschrijving op naam bij de uitgever vanaf de uitgifte van de aandelen kan inzonderheid worden verwezen naar de buitenlandse wettelijke bepalingen terzake, wetende dat voor bepaalde vennootschapsvormen een verplichting kan bestaan om uitsluitend effecten op naam uit te geven.
89. De beperkingen inzake kapitaalverminderingen en verdoken inbrengen in natura (zie nrs 75 tot 85) zijn terzake evenzeer van toepassing.
90. Er wordt in herinnering gebracht dat de RV op roerende inkomsten van buitenlandse oorsprong slechts verschuldigd is voor zover de inkomsten in België worden geïnd, met uitzondering van de gevallen voorzien in art. 262, 1°, b, en 2°, WIB 92 (gevallen waarin de RV verschuldigd is door de genieter van de inkomsten).
91. In de praktijk betekent zulks dat de financiële tussenpersoon die belast is met de inhouding van de RV of in voorkomend geval, de genieter van de inkomsten, moet nagaan of alle voorwaarden voor de toepassing van de verlaagde RV vervuld zijn.
| E. | Dividenden uitgekeerd door Belgische beleggingsvennootschappen |
92. Voor zover er niet onherroepelijk verzaakt wordt aan dit voordeel, is de verlaagde RV eveneens van toepassing op vanaf 1.1.1994 door beleggingsvennootschappen naar Belgisch recht (De inkomsten als vermeld in art. 21, 2°, WIB 92, zijn echter van RV vrijgesteld) uitgekeerde dividenden.
Bedoeld zijn de beleggingsvennootschappen met veranderlijk kapitaal (BEVEK), de beleggingsvennootschappen met vast kapitaal (BEVAK) en de vennootschappen voor belegging in schuldvorderingen (VBS) respectievelijk bedoeld in de art. 114, 118 en 119quinquies, W 4.12.1990 op de financiële transacties en de financiële markten (V 2071 - Bull. 702).
93. Er dient te worden opgemerkt dat de verlaging van de RV hier aan geen enkele voorwaarde is onderworpen.
F. Verzaking aan het voordeel van de verlaagde RV
| 1. | Algemeen |
94. In de gevallen bedoeld in art. 269, 3de lid, WIB 92, is wettelijk voorzien dat de emitterende vennootschap kan verzaken aan het voordeel van de verlaagde RV. Om diverse redenen (bv. liquiditeit van de markt) kan de vennootschap het inderdaad interessanter achten dat de RV op alle uitgekeerde dividenden wordt gevestigd tegen het eenvormige tarief (van 25 %).
95. De verzaking aan het voordeel van de verlaagde RV moet het voorwerp uitmaken van een beslissing door de vennootschap die de aandelen uitgeeft en zij moet op formele en onherroepelijke wijze worden uitgedrukt.
96. Alhoewel de beleggingsvennootschappen naar Belgisch recht de verlaagde RV genieten ongeacht de uitgiftedatum van de aandelen, sluit de wet echter niet uit dat ook zij kunnen verzaken aan deze verlaging van de RV.
| 2. | Modaliteiten van verzaking |
97. De wijze waarop de verzaking aan de verlaagde RV moet worden uitgedrukt werd wettelijk niet vastgelegd. Meestal zal deze verzaking worden ingeschreven in de akte van oprichting of van verhoging van het maatschappelijk kapitaal.
98. De verzaking is eveneens geldig wanneer zij voortvloeit uit een beslissing van de algemene vergadering van aandeelhouders of vennoten die wordt bijeengeroepen om zich voor de eerste maal uit te spreken over de uitkering van een dividend aan de nieuwe aandelen tenzij in de loop van het voorbije boekjaar reeds een interimdividend werd toegekend met toepassing van de verlaagde RV.
99. Voor de verzaking aan het voordeel van verlaagde RV moeten de oprichting en iedere kapitaalverhoging die vanaf 1.1.1994 werd doorgevoerd, afzonderlijk in aanmerking worden genomen.
G. Schifting van dividenden volgens hun oorsprong
| 1. | Toepasselijke RV-tarieven |
100. M.b.t. vanaf 1.1.1996 toegekende of betaalde dividenden kan de vennootschap-schuldenares ertoe gehouden zijn om in bepaalde gevallen de in te houden RV te berekenen tegen verschillende tarieven (25 en 15 %) wanneer het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigd is door gewone aandelen uitgegeven vóór 1.1.1994 en door aandelen uitgegeven vanaf 1.1.1994 (Rekening houdend met de opmerking in nr 23 wordt het tarief 20 % (AFV) hier niet in overweging genomen).
| 2. | Opneming van reserves |
101. Wanneer niet alle dividenden tegen hetzelfde tarief aan de RV onderworpen zijn en een gedeelte van die RV wordt vrijgesteld omdat het voortkomt van een opneming van gereserveerde winst als bedoeld in art. 264, 1ste lid, 3°, WIB 92 (definitief belaste reserves en ten name van vennoten belaste reserves), moet deze opneming omgeslagen worden over de tegen de verschillende tarieven belastbare inkomsten, in evenredigheid tot het geheel van de netto-inkomsten.
In de praktijk wordt het geval bedoeld waarin een vennootschap dividenden toekent waarvan een gedeelte tegen 15 % aan de RV is onderworpen (zie nr 24 e.v.) en het overige gedeelte tegen het gewone tarief van 25 %.
102. Om het totale bedrag van de te storten RV te berekenen moet die vennootschap vooraf de eventuele opneming van definitief belaste reserves of van ten name van vennoten belaste reserves proportioneel omslaan over :
- enerzijds, de netto-inkomsten die aan de RV tegen 15 % zijn onderworpen;
- anderzijds, de netto-inkomsten die aan de RV tegen 25 % zijn onderworpen.
Om die omslag te maken, moet de vennootschap de volgende vergelijking oplossen (Deze vergelijking is slechts van toepassing voor een combinatie van de RV-tarieven van 15 en 25 %. Indien één of meerdere andere tarieven van toepassing zouden zijn (nl. in geval van toepassing van verdragen ter vermijding van dubbele heffing of het 20 % tarief voor AFV-effecten), dient de formule te worden aangepast) :
2C² - (17A + 15B + 2E)C + 17AE = 0 waarbij :
- A = totaal van de bruto-inkomsten onderworpen aan de RV tegen 15 %
- B = totaal van de bruto-inkomsten onderworpen aan de RV tegen 25 %
- C = gedeelte van de opneming van reserves dat betrekking heeft op de aan de RV tegen 15 % onderworpen dividenden
- E = totaal van de opneming van definitief belaste reserves en van ten name van vennoten belaste reserves.
Eens de waarde C bepaald, verkrijgt men de waarde D (gedeelte van de opneming van reserves dat betrekking heeft op de aan de RV tegen 25 % onderworpen inkomsten) door het verschil te maken :
D = E - C
De verschuldigde RV kan vervolgens als volgt worden berekend :
1. totaal van de bruto-inkomsten onderworpen aan de RV tegen 15 % : ...... - C ------ ...... x 15 % ------ ...... 2. totaal van de bruto-inkomsten onderworpen aan de RV tegen 25 % : ...... - D ------ ...... x 25 % ------ ...... Wat de verificatie van de aangifte 273A betreft, is niets gewijzigd aan het principe volgens hetwelk men moet uitgaan van de netto-inkomsten, verminderd met de opneming van de definitief belaste reserves en de ten name van vennoten belaste reserves, om het bedrag van de verschuldigde RV te bepalen.
Voorbeelden
103. I. De toestand van de reserves van een NV is op 31.12.1995 als volgt :
- definitief belaste reserves 100.000 - andere reserves 900.000 --------- - totaal : 1.000.000 De betrokken vennootschap beslist tot de toekenning van een brutodividend van 500.000 F, opgenomen uit haar gereserveerde winst en als volgt samengesteld :
- dividenden onderworpen aan de RV tegen 15 % : 200.000 - dividenden onderworpen aan de RV tegen 25 % : 300.000 --------- 500.000 Om de verschuldigde RV te berekenen, moet deze vennootschap vooraf de opneming van definitief belaste reserves onderverdelen in :
- C = het gedeelte van de opneming dat betrekking heeft op de dividenden onderworpen aan de RV tegen 15 %;
- D = het gedeelte van de opneming dat betrekking heeft op de dividenden onderworpen aan de RV tegen 25 %;
Die onderverdeling moet gebeuren in evenredigheid tot de netto-inkomsten.
De in nr 102 uiteengezette formule geeft ons de volgende waarde (Oplossing van een vergelijking van de tweede graad van het type ax² + bx + c = 0, waarvan de positieve wortel als volgt wordt berekend :
------ -b +Vb²-4ac x = ----------- 2a C = 42.420
Daarvan wordt D afgeleid :
D = 100.000 - 42.420 = 57.580
Berekening van de RV door de vennootschap :
- RV tegen 15 % (200.000 - 42.420) x 15 % = 23.637 - RV tegen 25 % (300.000 - 57.580) x 25 % = 60.605 --------- 84.242 Controle door de administratie
- Netto toegekend (15 %) : 200.000 - 23.637 = 176.363 - Netto toegekend (25 %) : 300.000 - 60.605 = 239.395 --------- - Netto totaal : 415.758 - C = 100.000 x (176.363/415.758) = 42.420 - D = 100.000 - 42.420 = 57.580 - RV tegen 15 % : (176.363 - 42.420) x 15/85 = 23.637 - RV tegen 25 % : (239.395 - 57.580) x 25/75 = 60.605 --------- - Totaal RV 84.242 104. II. Zelfde gegevens als in voorbeeld I. De vennootschap vergeet echter in haar berekening de opneming van definitief belaste reserves af te trekken.
RV berekend door de vennootschap :
- RV tegen 15 % : 200.000 x 15 % = 30.000 - RV tegen 25 % : 300.000 x 25 % = 75.000 --------- - Totaal gestorte RV 105.000 Controle door de administratie :
- Netto toegekend (15 %) : 200.000 - 30.000 = 170.000 - Netto toegekend (25 %) : 300.000 - 75.000 = 225.000 --------- - Netto totaal 395.000 - C = 100.000 x (170.000/395.000) = 43.038 - D = 100.000 - 43.038 = 56.962 - RV tegen 15 % : (170.000 - 43.038) x 15/85 = 22.405 - RV tegen 25 % : (225.000 - 56.962) x 25/75 = 56.013 --------- - Totaal verschuldigde RV 78.418 - Terug te betalen RV : 105.000 - 78.418 = 26.582NAMENS DE MINISTER :De Directeur-generaal,
J.-C. TILLIET.
Bron: FisconetPlus
