Circulaire nr. Ci.RH.331/576.861 (AOIF 28/2006) van 18.07.2006

CIRC 18.07.06/2
BEREKENING VAN DE PB
Belastingvrije som
Toeslag op de belastingvrije som

GEZINSLAST
Kind ten laste
Overleden kind

PERSONENBELASTING
Berekening van de PB
Gezinslast
Commentaar op art. 2, W 6.7.2004 tot wijziging van art. 138, WIB 92, teneinde rekening te houden met doodgeboren kinderen bij de vaststelling van de personen ten laste.
Aan alle ambtenaren.
I. WETTEKSTEN
W 6.7.2004 tot wijziging van artikel 138 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 teneinde rekening te houden met doodgeboren kinderen bij de vaststelling van de personen ten laste (BS 5.8.2004 - erratum BS 23.8.2004 - V 3358 - Bull. 851)
Art. 2
1. Artikel 138 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt aangevuld met het volgende lid :
"Een doodgeboren kind of een kind verloren bij een miskraam na ten minste 180 dagen zwangerschap wordt eveneens geacht op 1 januari van het aanslagjaar deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op voorwaarde dat de gebeurtenis zich gedurende het belastbaar tijdperk heeft voorgedaan."
Art. 3
Artikel 2 is van toepassing vanaf aanslagjaar 2006.
II. GECOORDINEERDE TEKST
Art. 138, WIB 92
2. Een in het belastbare tijdperk overleden kind wordt geacht deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar, op voorwaarde dat het reeds voor het vorige aanslagjaar te zijnen laste was of het tijdens het belastbare tijdperk geboren en overleden is.
Een doodgeboren kind of een kind verloren bij een miskraam na ten minste 180 dagen zwangerschap wordt eveneens geacht op 1 januari van het aanslagjaar deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op voorwaarde dat de gebeurtenis zich gedurende het belastbaar tijdperk heeft voorgedaan.
III. ALGEMEEN
3. Opdat een kind als ten laste zou kunnen worden aangemerkt, is inzonderheid vereist dat het kind deel uitmaakt van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar.
Art. 138, WIB 92, zoals dat artikel van toepassing was tot en met aj. 2005, bevatte reeds een uitzondering op die regel, vermits het bepaalde dat een in het belastbare tijdperk overleden kind wordt geacht deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar, op voorwaarde dat het reeds voor het vorige aanslagjaar te zijnen laste was of het tijdens het belastbare tijdperk geboren en overleden is.
Die laatste voorwaarde hield evenwel in dat er een zekere tijdspanne moest verlopen zijn tussen de geboorte en het overlijden van het kind en liet derhalve niet toe dat een doodgeboren kind als ten laste kon worden aangemerkt.
Art. 138, tweede lid, WIB 92, ingevoegd door art. 2, W 6.7.2004, bepaalt dat een doodgeboren kind of een kind verloren bij een miskraam na ten minste 180 dagen zwangerschap eveneens wordt geacht deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar, op voorwaarde dat de gebeurtenis zich gedurende het belastbare tijdperk heeft voorgedaan.
Een doodgeboren kind of een kind verloren bij een miskraam na ten minste 180 dagen zwangerschap wordt dus op gelijke voet gesteld met een kind dat enige tijd na zijn geboorte overleden is, zodat het voortaan recht geeft op :
- de toeslag op de belastingvrije som voor kinderen ten laste;
- de bijkomende toeslag op de belastingvrije som voor ieder kind ten laste jonger dan 3 jaar voor wie geen oppaskosten worden afgetrokken.
IV. BEOOGDE KINDEREN
4. In art. 138, tweede lid, WIB 92, worden beoogd :
- de doodgeboren kinderen;
- de kinderen verloren bij een miskraam na ten minste 180 dagen zwangerschap.
5. De bedoelde kinderen zijn die voor wie in het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat een akte van aangifte van een levenloos kind wordt opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand. Die kinderen kunnen recht geven op kraamgeld.
V. TOESLAGEN OP DE BELASTINGVRIJE SOM
6. De beoogde kinderen geven recht op :
- de toeslag op de belastingvrije som voor kinderen ten laste (art. 132, eerste lid, 1° tot 5°, WIB 92);
- de bijkomende toeslag op de belastingvrije som voor ieder kind ten laste jonger dan 3 jaar voor wie geen kosten voor oppas worden afgetrokken (art. 132, eerste lid, 6°, WIB 92).
Zij geven evenwel geen recht op de dubbeltelling wegens zware handicap op grond van art. 132, tweede lid, WIB 92.
Art. 132bis, WIB 92 (co-ouderschap : verdeling over de ouders van de toeslag op de belastingvrije som waarop kinderen recht kunnen geven), is ter zake zonder voorwerp.
VI. AKTE VAN AANGIFTE VAN EEN LEVENLOOS KIND
7. Overeenkomstig art. 80bis, BW, maakt de ambtenaar van de burgerlijke stand een akte van aangifte van een levenloos kind op wanneer een kind is overleden op het ogenblik van de vaststelling van de geboorte door de ambtenaar van de burgerlijke stand of de door hem toegelaten geneesheer of gediplomeerde vroedvrouw.
8. De akte van aangifte van een levenloos kind vermeldt :
1° de dag, het uur, de plaats van de bevalling, alsmede het geslacht van het kind;
2° het jaar, de dag, de plaats van de geboorte, de naam, de voornamen en de woonplaats van de moeder en de vader;
3° de naam, de voornamen en de woonplaats van de aangever;
4° de voornamen van het kind, indien om de vermelding ervan wordt verzocht.
De akte van aangifte van een levenloos kind wordt slechts opgesteld indien de geboorte heeft plaatsgevonden meer dan zes maanden na de verwekking en wordt, op haar dagtekening, ingeschreven in het register van de akten van overlijden.
VII. KRAAMGELD
9. Zwangerschap geeft geen recht op kinderbijslag, maar geeft daarentegen wel recht op kraamgeld, op voorwaarde dat het een kind betreft waarvoor een akte van aangifte van een levenloos kind werd opgesteld door de ambtenaar van de burgerlijke stand.
VIII. AANGIFTE PB (AJ. 2006)
10. Een kind dat in 2005 doodgeboren is of een kind dat in 2005 verloren is bij een miskraam na ten minste 180 dagen zwangerschap moet begrepen zijn in het aantal kinderen die fiscaal volledig ten laste kunnen worden beschouwd van de belastingplichtige dat moet vermeld worden tegenover code 1030 in vak II, rubriek B, 1, a van de aangifte in de PB van aj. 2006. Dat kind mag eveneens worden opgenomen in het aantal kinderen van minder dan 3 jaar die fiscaal ten laste zijn van de belastingplichtige dat moet worden vermeld tegenover code 1038 in vak II, rubriek B, 4, a van die aangifte.
Het is echter uitgesloten dat kind op te nemen in de rubrieken B, 1, b en B, 4, b en/of in de rubrieken B, 2 of B, 3 (respectievelijk codes 1031, 1039 en 1034 tot 1037) van vak II van die aangifte.
IX. MEDEDELING VAN INLICHTINGEN
11. Tijdens de parlementaire voorbereidende werkzaamheden van de W 6.7.2004 heeft de Minister van Financiën verklaard dat, om de ouders niet nodeloos te verplichten bij hun jaarlijkse aangifte documenten over te leggen met betrekking tot de miskraam of het doodgeboren kind, met de instanties die ter zake bevoegd zijn, zal worden afgesproken om de nodige inlichtingen te verschaffen omtrent de rechthebbenden op kraamgeld (Kamer van Volksvertegenwoordigers, Zitting 2003-2004, Parl. Doc. 1141/001, blz. 4 en 1141/002, blz. 5).
De administratie zal de nodige maatregelen treffen opdat die inlichtingen in de mate van het mogelijke aan de taxatiediensten van de betrokken belastingplichtigen worden medegedeeld.
X. INWERKINGTREDING

12. Art. 2, W 6.7.2004 treedt in werking met ingang van aanslagjaar 2006 (cf. art. 3, W 6.7.2004).
Voor de Administrateur-generaal
van de Belastingen en de Invordering :
De Directeur,
S. QUINTENS