Circulaire 973, addendum dd. 07.08.1974
Dubbelbelastingverdragen - Groothertogdom Luxemburg
Onderrichtingen betreffende de toepassing van de Belgisch-Luxemburgse overeenkomst van 17.09.1970 tot het vermijden van dubbele belasting en tot regeling van sommige andere aangelegenheden inzake belasting naar het inkomen en naar het vermogen, en van het Slotprotocol
Circ. 973, addendum van 07.08.1974
1. Op bladzijde 211, B.515, het laatste lid van nr. 17 door de volgende tekst vervangen :
" 17bis. Art.10, § 4, ov. bepaalt evenwel dat de beperking niet van toepassing is indien de genieter van de dividenden in België een vaste inrichting heeft waarmede de deelneming die de dividenden oplevert werkelijk is verbonden.
" Die toestand valt echter ook onder de bepalingen van art. 24, §5, ov., en punt 8 van het Slotprotocol, waarvan de betekenis moest worden verduidelijkt ingevolge de wijzigingen die de W. 25.6.1973 (V. 1369) heeft gebracht aan de regeling die volgens het interne recht van toepassing is op Belgische dividenden verkregen door Belgische vaste inrichtingen van buitenlandse vennootschappen.
" De kwestie werd onderzocht in het raam van de bij art. 25, § 3, ov., ingesteld regeling voor onderling overleg. Gelet op de wederkerigheid die aan de overeenkomst ten gronde ligt en op de regeling die van toepassing is op Luxemburgse dividenden verkregen door Luxemburgse vaste inrichtingen van Belgische vennootschappen (cf. namelijk nr. 29, laatste lid), hebben de bevoegde autoriteiten van de twee Staten, in onderlinge overeenstemming, beslist dat op Belgische dividenden die in de loop van de boekjaren afgesloten met ingang van 31 december 1973 worden verkregen door Belgische vaste inrichtingen van Luxemburgse vennootschappen, dezelfde regeling wordt toegepast als die welke van toepassing zou zijn indien die dividenden onmiddellijk door de maatschappelijke zetel van die vennootschappen waren verkregen.
" Belgische dividenden die in de loop van zulke boekjaren aan Belgische vaste inrichtingen van Luxemburgse vennootschappen worden betaald, zullen bijgevolg aan de R.V. onderworpen blijven maar deze zal tot 10 of tot 15 pct. van het brutobedrag der dividenden, volgens het in art. 10, § 2, ov., voorziene onderscheid worden beperkt, alsof die dividenden door de Luxemburgse maatschappelijke zetel werden verkregen."
2. Op bladzijde 212, B.515, na nr. 19, de volgende tekst inlassen:
" 19bis. De vraag of een Luxemburgse vennootschap onmiddellijk ten minste 25 pct. van de stemgerechtigde aandelen bezit van de Belgische vennootschap die de interest verschuldigd is, zal in de regel tot geen moeilijkheid aanleiding geven.
" Daarentegen moet bij de vraag of een Luxemburgse vennootschap zulke deelneming al dan niet middellijk bezit, rekening worden gehouden met al de omstandigheden die zich ter zake voordoen, en met name met alle mogelijke bindingen tussen schuldenaar en schuldeiser; in geval van twijfel zal men alle inlichtingen betreffende de verwantschap van de vennnootschappen in kwestie en betreffende hun vertakkingen eisen.
" in dat verband worde opgemerkt dat het belang van een middellijke deelneming met name volgens één van de volgende methodes kan worden bepaald:
- "Regel van drie" : de vennootschap A bezit 30 pct. van het kapitaal van de vennootschap B, die 20 pct. van het kapitaal van de vennootschap C bezit : dientengevolge kan de vennootschap A worden beschouwd een middellijke deelneming van 30 x 20 hetzij 6 pct. van het kapitaal van de vennootschap C te bezitten : ___ ___
100 100
- "Regel van de meerderheid": de vennootschap X bezit 51 pct. van het kapitaal van de vennootschap Y, die 32 pct. van het kapitaal van de vennootschap Z bezit: dientengevolge kan de vennootschap X worden beschouwd middellijk 32 pct. van het kapitaal van de vennootschap Z te bezitten.
" Het is duidelijk dat, wanneer een Luxemburgse vennootschap te gelijk een onmiddellijke deelneming en een of meer middellijke deelnemingen in het kapitaal van een Belgische vennootschap bezit, de som moet worden gemaakt van de deelnemingspercentages om uit te maken of het door de overeenkomst bepaalde deelnemingspercentage van 25 pct. al dan niet is bereikt.
" 19ter.- Men zal zich ook ervan vergewissen dat de vennootschap die verblijfhouder is van Luxemburg in de zin van art. 4, ov., de werkelijke genieter van de interest is en dat zij geen holdingvennootscahp is die geen aanspraak op het voordeel van de overeenkomst heeft (cf. nr. 1, 3e en 4e lid hiervoren). In voorkomend geval zal men zich ten andere schikken naar de onderrichtingen van nr. 27 in verband met de regeling die op het bovenmatige bedrag van interest van toepassing is.
" Ingeval bij de toepassing van art. 11, § 3, ov., moeilijkheden mochten rijzen, kan hierover, langs hiërarchische weg, omstandig verslag worden uitgebracht bij het Hoofdbestuur (Directie I/3) dat, zo nodig, in het raam van de bij art. 25, ov., ingestelde regeling voor onderling overleg, de Luxemburgse administratie zal raadplegen."
