Circulaire nr. 4/2007 (AFZ 2/2007 - Dos. EE/L. 158) d.d. 21.02.2007
Vlaams Gewest - Gezinswoning - Vrijstelling ten voordele van de langstlevende partner
In het Belgisch Staatsblad van 20 september 2006, Editie 2, werd het decreet van het Vlaams Parlement van 7 juli 2006 "houdende vrijstelling van successierechten ten voordele van de langstlevende partner voor de nettowaarde van de gezinswoning", bekendgemaakt.
Bij dit decreet worden, voor wat het Vlaams Gewest betreft, de artikelen 42, 48, 56 en 128 van het Wetboek der successierechten gewijzigd.
Deze eerste circulaire becommentarieert deze wijzigingen. In bijlage gaan de tekst van het decreet (bijlage 1) en de gecoördineerde tekst van de gewijzigde bepalingen van het Wetboek der successierechten (bijlage 2).
* *
*
Commentaar bij de vrijstelling van successierechten ten voordele van de langstlevende partner voor de nettowaarde van de gezinswoning.
1. Algemeen opzet van de vrijstelling
Vertrekkend enerzijds van de vaststelling dat het verwerven van een gezinswoning voor de meeste echtparen en samenwonenden nog steeds de belangrijkste investering is die ze in hun leven doen, en anderzijds van het feit dat het verschuldigd zijn van successierechten door de langstlevende over de waarde van het deel van de eerststervende in de gezinswoning bij de bevolking steeds meer als onrechtvaardig en hardvochtig wordt aangevoeld, heeft de Vlaamse Regering - zoals overeengekomen in het regeerakkoord - beslist onderhavige vrijstelling aan het Vlaams Parlement voor te stellen.
2. Draagwijdte van de vervanging van artikel 48 VL. W. Succ.
Juridisch-technisch heeft de Vlaamse decreetgever er uiteindelijk (*) voor geopteerd om het principe van de vrijstelling in artikel 48 VL. W. Succ. in te schrijven door aan dat artikel een volledig nieuwe redactie te geven (legistiek werd het artikel volledig "vervangen" door een nieuwe tekst).
[(*) In het voorontwerp van decreet (zie Vlaams Parlement, Stuk 865 (2005-2006)-Nr. 1, blz. 9 - 10) had de Vlaamse Regering drie artikelen ontworpen waarin telkens in functie van de nieuwe vrijstelling, nieuwe onderdelen aan de bestaande tekst van artikel 48 VL. W. Succ. werden toegevoegd of bestaande onderdelen ervan werden vervangen. De Raad van State vond dit niet raadzaam. De Vlaamse Regering heeft dan besloten het artikel volledig te herschrijven.]
Die nieuwe redactie heeft geen enkele invloed op de situatie van de rechtverkrijgenden in rechte lijn (ascendenten en descendenten van de overledene) : voor hen verandert de nieuwe redactie van artikel 48 VL. W. Succ. dus niets. Hetzelfde geldt voor de langstlevende partner die geen deel in de gezinswoning verkrijgt.
Alleen voor de langstlevende partner die een deel van de gezinswoning uit de nalatenschap verkrijgt, bevat het nieuwe artikel 48 VL. W. Succ. nieuwe bepalingen.
De vrijstelling geldt enkel ten voordele van de langstlevende partner van de overledene. Hiermee wordt in principe bedoeld de langstlevende echtgenoot of iedere overlevende samenwonende, die uit de nalatenschap een part in de gezinswoning verkrijgt. Niet alle overlevende samenwonenden kunnen echter de vrijstelling genieten.
3.1. Komen aldus voor de vrijstelling in aanmerking:
-
de overlevende echtgenoot
-
de wettelijk samenwonende met de erflater, d.w.z. een persoon waarmee de overledene op de dag van het openvallen van de nalatenschap overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek, samenwoonde, mits (zie punt 3.2 hierna) hij geen bloedverwant in rechte lijn is van de overledene, noch een rechtverkrijgende die voor de toepassing van het tarief met een rechtverkrijgende in de rechte lijn wordt gelijkgesteld;
-
elke feitelijk samenwonende met de erflater, d.w.z. de persoon of personen die op het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap ten minste drie jaar met de erflater samenwonen en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren en de daarmee in geval van overmacht gelijkgestelde persoon of personen (zie verder), mits (zie punt 3.2 hierna) zij geen bloedverwant in rechte lijn zijn van de overledene, noch een rechtverkrijgende die voor de toepassing van het tarief met een rechtverkrijgende in de rechte lijn wordt gelijkgesteld.
Voorbeeld: X en Y, broer en zus, wonen sedert het overlijden van Z (meer dan drie jaar geleden), echtgenote van X, feitelijk samen in de woning die X en Z tijdens hun huwelijk hebben aangekocht en die door het overlijden van Z voor de geheelheid eigendom is geworden van X. X overlijdt en zijn nalatenschap valt volledig toe aan Y. Y zal de vrijstelling genieten, als naast het samenwonen er eveneens een gemeenschappelijke huishouding werd gevoerd met X. Indien Y echter de dochter van X zou zijn geweest, zou zij de vrijstelling niet kunnen genieten
Er wordt in dit kader benadrukt dat ten aanzien van de feitelijk samenwonenden - om als dusdanig te kunnen worden aangemerkt - de vereiste duur van het samenwonen en voeren van een gemeenschappelijke huishouding, dus verschilt (*) naargelang het gaat om de algemene toepassing van artikel 48 (tarief, opsplitsing in een roerende en onroerende grondslag .. ; vereiste duur 1 jaar) dan wel om de vrijstelling van het verkregen part in de gezinswoning ten voordele van de langstlevende partner (vereiste duur: 3 jaar). Dit betekent dat gebeurlijk een erfgerechtigde voor de algemene toepassing van artikel 48 wel maar voor de toepassing van de vrijstelling ten voordele van de langstlevende partner niet als feitelijk samenwonende zal kunnen beschouwd worden.
[(*) De overige "klassieke" elementen om van feitelijke samenwoning te kunnen spreken (samenwonen en voeren van een gemeenschappelijke huishouding, ononderbroken termijn, onderbreking door overmacht, bewijsregeling met instelling van weerlegbaar vermoeden gekoppeld aan de inschrijving in het bevolkingsregister, …) zijn onveranderd gebleven en gelden evenzeer in het kader van de vrijstelling ten voordele van de langstlevende partner als in het kader van de algemene toepassing van artikel 48 Vl. W. Succ.]
Vb. X en Y (niet-verwanten) woonden, op het ogenblik van het overlijden van X, anderhalf jaar feitelijk samen in een woning die X en Y elk voor de helft hebben aangekocht. X heeft bij testament, naast een aantal roerende goederen, ook zijn deel in de gezinswoning vermaakt aan Y. Y zal wel het tarief van Tabel I van § 1 van artikel 48 kunnen genieten, evenals de opsplitsing van zijn verkrijging in een roerende en een onroerende grondslag vermits de samenwoning al meer dan één jaar bestaat maar niet de vrijstelling voor de gezinswoning, vermits hij voor die vrijstelling niet als samenwonende kan beschouwd worden wegens de nog geen drie jaar durende samenwoning.
Wordt ook als feitelijk samenwonende voor de toepassing van de vrijstelling beschouwd: de persoon (*) die, op het tijdstip dat het overmacht uitmakende feit dat een einde stelde aan de samenwoning zich voordeed, met de erflater al minstens drie jaar ononderbroken samenwoonde en er een gemeenschappelijke huishouding mee voerde, mits de situatie van overmacht heeft voortgeduurd tot op de dag van het overlijden.
[(*) De voorwaarde (zie punt 3.2) dat het niet mag gaan om een bloedverwant in rechte lijn van de overledene, noch om een rechtverkrijgende die voor de toepassing van het tarief met een rechtverkrijgende in de rechte lijn wordt gelijkgesteld, geldt hier uiteraard ook.]
3.2. Zijn daarentegen van de vrijstelling uitgesloten:
-
de rechtverkrijgenden (bloedverwanten) in rechte lijn stricto sensu ;
De ascendenten en descendenten van de erflater genieten dus de vrijstelling niet. Het gaat hier zeker niet om een vergetelheid van de decreetgever maar wel degelijk om diens uitdrukkelijke wil. In de Memorie van Toelichting zegt de Vlaamse Regering immers met zoveel woorden dat voor de erfopvolgers in rechte lijn de gezinswoning onverminderd een belastbaar actiefbestanddeel blijft. Eerder (zie punt 2) werd al opgemerkt dat de wijziging van artikel 48 VL.W. Succ. voor hen geen veranderingen meebrengt.
-
elke samenwonende die bovendien:
4. Onderwerp van de vrijstelling: het netto-aandeel van de rechtverkrijgende echtgenoot of samenwonende in de (in principe) op het ogenblik van het overlijden bestaande gezinswoning.
hetzij een bloedverwant in de rechte lijn van de erflater is;
daarentegen kan een broer, een zus, een oom, neef, tante, nicht of verdere bloedverwant, evenals om het even welke aanverwant of elke niet-verwant, die met de erflater samenwoonde en een gemeenschappelijke huishouding voerde, en die geen met een rechtverkrijgende in rechte lijn gelijkgestelde verkrijger is (zie volgend streepje), wel de vrijstelling genieten; alleen bloedverwanten in de rechte lijn zijn uitgesloten.
hetzij een rechtverkrijgende is die voor de toepassing van het tarief met een rechtverkrijgende in de rechte lijn wordt gelijkgesteld ( vb. stiefkind, art. 50, 1ste lid, VL. W. Succ. ; zorgkind, art. 50, 3de lid, VL. W. Succ., persoon bedoeld in artikel 52^2 W. Succ.).
Hieromtrent wordt in de Memorie van Toelichting het volgende gezegd: "Wanneer een verkrijger uit de rechte lijn of een verkrijger die daarmee wordt gelijkgesteld (bijvoorbeeld stiefkinderen, zorgkinderen, geadopteerde bedoeld in artikel 52^2 W. Succ.) ook aan de omschrijving van "samenwonende" zou beantwoorden, dan geldt de vrijstelling van successierechten niet. De hoedanigheid van ascendent of descendent of daarmee gelijkgestelde verkrijger zal voor de toepassing van de vrijstelling voor de nettowaarde van de gezinswoning primeren op de hoedanigheid van samenwonende. Het is niet de bedoeling van de Vlaamse Regering de vrijstelling ook toe te kennen aan inwonende kinderen of kleinkinderen, of aan inwonende ouders of grootouders. Het is immers niet deze categorie van samenwonenden voor wie de Vlaamse Regering de beleidsintentie in het Vlaams regeerakkoord heeft geformuleerd: "Voor de successierechten zowel tussen gehuwden als tussen samenwonenden met betrekking tot de gezinswoning wordt een nultarief toegepast." (Vertrouwen geven, verantwoordelijkheid nemen, bladzijde 24). De Vlaamse Regering heeft een situatie voor ogen waarbij kan verondersteld worden dat de erflater en de verkrijger van de gezinswoning samen hebben bijgedragen tot de verwerving van de gezinswoning of minstens kan verondersteld worden dat de erflater en de verkrijgende samenwonende partner bijdragen hebben geleverd tot het voeren van een gemeenschappelijke huishouding.".
4.1. Het begrip "gezinswoning"
Krachtens het bepaalde in artikel 48, § 2, vierde lid, W. Succ. wordt er in de context van de vrijstelling onder "gezinswoning" verstaan: "de gezamenlijke hoofdverblijfplaats van de erflater en zijn overlevende echtgenoot of samenwonende". Het gaat dus in principe om de woning waar de partners op het ogenblik van het overlijden gewoonlijk samenleefden (*).
[(*) Vlaams Parlement, Stuk 865 (2005-2006), Memorie van Toelichting, blz. 4]
Naar analogie met het bewijs van de samenwoning voor de bepaling van het toepasselijk tarief, kan de gewoonlijke samenleving in een bepaalde woning bewezen worden - tot bewijs van het tegendeel door de administratie - met een uittreksel uit het bevolkingsregister waaruit de samenwoning blijkt. Omgekeerd kan bij gebreke aan een inschrijving in het bevolkingsregister op hetzelfde adres, de samenwoning uiteraard ook met andere middelen door partijen worden aangetoond (*).
[(*) Vlaams Parlement, Stuk 865 (2005-2006), Memorie van Toelichting, blz. 4]
De Vlaamse decreetgever heeft niet nader bepaald wat (tuin, garage, zwembad, gedeelte van de woning gebruikt voor beroep, …) al dan niet als behorende tot de gezinswoning moet worden beschouwd. Dat wordt trouwens ook door de federale wetgever niet gedaan in de artikelen 215 (1) en 915bis, § 2 (2), van het Burgerlijk Wetboek (3), die eveneens de bescherming van de gezinswoning beogen. Bij gebreke van een specifieke invulling is het zonder meer verkieselijk dat het begrip "gezinswoning" in het kader van deze vrijstelling van successierechten, dezelfde goederen zou omvatten als die welke het begrip omvat in het kader van de beschermingsmaatregelen ten aanzien van de gezinswoning in het Burgerlijk Wetboek. Bovendien wordt in de voorbereidende werken van het decreet daarop met zoveel worden aangedrongen (4).
[(1) Primair huwelijksvermogensrecht: bescherming van de gezinswoning tijdens het huwelijk. Artikel ook van toepassing in het kader van de wettelijke samenwoning (zie artikel 1477 B.W.).
(2) De gezinswoning vormt de concrete erfrechtelijke reserve van de langstlevende echtgenoot
(3) In die artikelen wordt niet direct gesproken van "gezinswoning" maar van "onroerend goed dat het gezin tot voornaamste woning dient/diende". In de rechtsleer wordt wel telkens de term gezinswoning gebruikt.
(4) Zie Vlaams Parlement Stuk 865 (2005 - 2006) - Nr. 3 (Verslag) bladzijde 6: "De heer Gilbert Bossuyt … Hij vraagt wel dat de gehanteerde begrippen zoveel mogelijk zouden aansluiten bij bestaande begrippen in de wetgeving. Hij veronderstelt trouwens dat met deze bekommernis rekening werd gehouden.".]
Welke goederen het begrip "gezinswoning" naast het eigenlijke woongedeelte kan omvatten, werd gespecificeerd in het Verslag Cooreman bij de wet van 14 mei 1981 (*), waarbij artikel 915bis in het Burgerlijk Wetboek werd ingevoegd. De administratie zal bijgevolg in het kader van de vrijstelling waarover het hier gaat aan het begrip "gezinswoning" dezelfde invulling geven als gedaan wordt in vermeld Verslag Cooreman.
[(*) Wet van 14 mei 1981 tot wijziging van het erfrecht van de langstlevende echtgenoot. B.S. 27/05/1981 - Verslag blz. 37]
Dus:
-
"aanhorigheden zoals garage en tuin genieten de vrijstelling wel;
Of iets als een aanhorigheid (1) kan beschouwd worden, is een feitenkwestie. In de praktijk zal de scheidingslijn niet steeds duidelijk zijn. Alleszins kan in deze context een onroerend goed niet meer als aanhorigheid van de gezinswoning worden aangemerkt, wanneer de waarde ervan gelijk is aan de waarde van de gezinswoning of die laatste waarde overtreft (2). Meer algemeen geldt hier - zoals dat trouwens ook het geval is voor de toepassing van de regeling inzake bescheiden woningen in het Wetboek der registratierechten - dat een gebouw, een tuin, een weide, een bebost perceel, een zwemkom, … maar als aanhorigheden van de gezinswoning kunnen worden aangemerkt, indien ze gelet op hun ligging, hun oppervlakte of hun waarde als "normale" aanhorigheden van de woning kunnen worden beschouwd.
[(1) Zie ook artikel 53, laatste lid Vl. W. Reg. (stelsel van de bescheiden woningen) waarin het begrip "aanhorigheden" in dezelfde zin als hier voorkomt.
(2) Dat de aanhorigheden van de gezinswoning samen met die gezinswoning de vrijstelling genieten, is in feite een toepassing van het algemeen rechtsbeginsel dat de bijzaak het statuut van de hoofdzaak volgt.]
Quid met een bedrijfsgebouw dat deel uitmaakt van een samenhorend complex (vb. hoeve, handelszaak, kantoor-woningcomplex) gevormd door het woon- en het bedrijfsgedeelte ? Wanneer het beroepsgedeelte en het privé-gedeelte onafscheidelijk deel uitmaken van één samenhorend complex, en dit beroepsgedeelte is - gelet op waarde en/of omvang - ondergeschikt aan het privé-gedeelte, dan kan de vrijstelling wel voor het geheel verleend worden.
-
de delen die als bedrijfsgebouw dienen binnen een samenhorend complex gevormd door de woning en het bedrijf, genieten de vrijstelling niet, wanneer het bedrijfsgebouw niet kan beschouwd worden als een aanhorigheid van het woninggedeelte.
4.2. Het begrip netto-aandeel - algemene en bijzondere regel voor aanrekening van het passief.In principe komt enkel de op het ogenblik van het overlijden bestaande gezinswoning in aanmerking voor de vrijstelling (artikel 48, § 2, derde lid, W. Succ.). Dit brengt bijvoorbeeld mee:
dat wanneer de betrokkenen achtereenvolgens in verschillende van de nalatenschap afhangende woningen hun gezamenlijke hoofdverblijfplaats hebben gehad, de vrijstelling enkel kan toegepast worden voor de op het ogenblik van het overlijden bestaande hoofdverblijfplaats; de overlevende heeft in een dergelijke situatie dus geen keuzerecht (*);
[(*) In het verslag bij het ontwerp van decreet (Stuk 865 (2005-2006) - Nr. 3, blz. 4) wordt het door de Vlaamse Minister van Financiën als volgt geformuleerd: "De Vlaamse Regering heeft niet geopteerd voor een soort joker die door de langstlevende naar keuze voor een of ander onroerend goed kan worden ingezet.".]
dat wanneer de betrokkenen op het ogenblik van het overlijden hun gezamenlijke hoofdverblijfplaats hadden in een gehuurde woning, terwijl er in de nalatenschap een eigen woning van de overledene aanwezig is waarin zij voorheen (*) hun hoofdverblijfplaats hebben gehad maar die op het ogenblik van het overlijden verhuurd is aan derden, de vrijstelling geen toepassing kan vinden.
Wanneer op het ogenblik van het overlijden er geen gezamenlijke hoofdverblijfplaats meer bestaat kan, bij uitzondering, ook de "laatste" gezinswoning voor de vrijstelling in aanmerking worden genomen. De gevallen waarin dit kan zijn limitatief opgesomd in artikel 48, §2, vijfde lid van het VL. W. Succ.:[(*) d.w.z. vóór de overbrenging ervan naar de gehuurde gezinswoning]
1ste geval: aan het samenwonen van de echtgenoten of de wettelijk samenwonenden (1) is een einde gekomen door hun feitelijke scheiding (2);
[(1) In geval vóór het overlijden feitelijk samenwonenden een einde hebben gemaakt aan hun samenwoning (behoudens wegens overmacht), kan de vrijstelling uiteraard niet meer worden toegekend.
(2) Bij feitelijke scheiding is er een intentioneel element bij één of bij beide partners om niet meer samen te wonen. Bij overmacht (zie 2de geval) ontbreekt dit intentioneel element ; het ligt in de bedoeling van de partners het samenwonen te hervatten zodra de overmachtsituatie verdwijnt.]
Wat wordt hier bedoeld met feitelijke scheiding ? De memorie van toelichting verschaft hierover geen nadere gegevens. Men mag aannemen dat aan dat begrip een gelijkaardige inhoud (*) moet worden gegeven als die welke het heeft in het kader van de inkomstenbelastingen. Wat echtgenoten betreft is er aldus sprake van feitelijke scheiding wanneer de echtgenoten hun verplichting tot samenwonen niet meer nakomen.
[(*) Zie Vlaams Parlement Stuk 865 (2005 - 2006) - Nr. 3 (Verslag) bladzijde 6: "De heer Gilbert Bossuyt … Hij vraagt wel dat de gehanteerde begrippen zoveel mogelijk zouden aansluiten bij bestaande begrippen in de wetgeving. Hij veronderstelt trouwens dat met deze bekommernis rekening werd gehouden.".]
Daarbij speelt het geen rol:
of het een éénzijdige of minnelijke feitelijke scheiding betreft
of het een zuivere feitelijke toestand is
of er een procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed is aangespannen.
De feitelijke scheiding wordt geacht te bestaan wanneer de echtgenoten werkelijk en op duurzame wijze een verschillende woonplaats hebben.
Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor wettelijk samenwonenden.
2de geval: aan die samenwoning is door overmacht, voortdurend tot op het tijdstip van het overlijden, een einde gekomen;
Het begrip overmacht werd in deze context niet op bijzonder wijze gedefinieerd. Het moet dus in zijn gewone juridische betekenis worden geïnterpreteerd. Overmacht is aldus een gebeurtenis die:
1) onvoorzienbaar is ;
2) onafwendbaar is en derhalve niet gepaard gaat met een aan de betrokkenen toerekenbare nalatigheid of gebrek aan voorzichtigheid;
3) een onoverkomelijke hinderpaal uitmaakt voor het naleven van de samenlevingsverplichting /het samenlevingsengagement.
Merk op dat wanneer een feitelijk samenwonende betrokkene is, het geval van overmacht zich moet hebben voorgedaan aansluitend op een periode van ten minste drie jaar waarin hij ononderbroken met de erflater heeft samengewoond en er een gemeenschappelijke huishouding heeft mee gevoerd.
3de geval: de hoofdverblijfplaats van één van de of van beide betrokkenen werd verplaatst van de laatste gezinswoning naar een rust- of verzorgingsinstelling, naar een serviceflatgebouw of een woningcomplex met dienstverlening.
Deze opsomming is beperkend ; zij mag niet worden uitgebreid naar andere instellingen of gebouwen/gebouwencomplexen.
Anderzijds doet het er niet toe of die verplaatsing van de hoofdverblijfplaats vrijwillig dan wel gedwongen is geschied (*).
[(*) Vlaams Parlement, Stuk 865 (2005-2006) - Nr. 1, Memorie van Toelichting, blz. 4.]
Quid indien beide betrokkenen - gelijktijdig of achtereenvolgend - van de laatste gezinswoning rechtstreeks (d.w.z. zonder eerst nog ergens anders hun hoofdverblijfplaats te hebben gehad) werden verplaatst naar dezelfde rust- of verzorgingsinstelling, naar hetzelfde serviceflatgebouw of naar hetzelfde woningcomplex met dienstverlening? Strikt genomen (cf. tekst van het artikelonderdeel: "als aan hun samenwonen een einde is gekomen…") hebben ze dan op het ogenblik van het overlijden nog een gezamenlijke hoofdverblijfplaats en wonen ze dus nog samen zodat geen van de uitzonderingen toepassing kan vinden. Nochtans neemt de administratie aan (1) dat het 3de (uitzonderings)geval ook deze situatie dekt, zelfs wanneer de betrokkenen in de instelling of het gebouwencomplex samen een of meerdere kamers, een flat of een paviljoen betrekken, op voorwaarde dat ze geen eigenaar zijn van die kamers, flat of paviljoen (2).
[(1) Zoniet zou de "laatste gezinswoning" van echtgenoten of wettelijke samenwoners die elk een plaats vinden in een ander rusthuis wel en echtgenoten of wettelijk samenwoners die een plaats vinden in hetzelfde rusthuis niet in aanmerking komen voor de vrijstelling. Het was zeker niet de bedoeling van de decreetgever om het verder samenwonen van de betrokkenen in het rusthuis fiscaal te ontmoedigen, door in zulk geval de vrijstelling voor de l"aatste"gezinswoning niet toe te staan.
(2) Anders vormen die kamers of vormt die flat of dat paviljoen uiteraard de gezinswoning waarop de vrijstelling toepassing vindt.]
Enkel het door de langstlevende echtgenoot of overlevende samenwonende verkregen netto-aandeel in de gezinswoning wordt vrijgesteld. Onder netto-aandeel wordt verstaan de waarde van het verkregen part in de woning (waarde die wordt bepaald in functie van de verkoopwaarde van het geheel van de woning) verminderd met de schulden van de nalatenschap die op dat aandeel moeten worden aangerekend.
Sinds 1 januari 1997 wordt voor de tariefgroep "in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden" per erfgerechtigde het actief opgesplitst in drie categorieën, waarop (1) dan telkens het tarief wordt toegepast: de familiale bedrijfsactiva van artikel 60bis VL. W. Succ., de roerende goederen en de onroerende goederen. Sedertdien wordt ook het passief opgesplitst in categorieën (onroerend passief, roerend passief en niet-specifiek passief) ingevolge de invoering van een aanrekeningsregel (2). De bestaande algemene aanrekeningsregel inzake het passief blijft bestaan; voor de langstlevende echtgenoot en de overlevende samenwonende die een deel verkrijgen in de gezinswoning moest hij echter vervolledigd worden.
[(1) Na aanrekening - in een bepaalde volgorde - van zijn aandeel in de schulden van de verschillende passiefcategorieën - zie verder
(2) Met als bedoeling het voordeel spruitende uit de opsplitsing van het actief en uit de vrijstelling voor bedrijfsactiva zoveel als mogelijk te minimaliseren. Zonder die bedoeling had men kunnen volstaan met het voorschrijven van een evenredige verdeling van het passief over de drie actiefgroepen.]
Dit brengt mee dat er voor wat betreft de erfgerechtigden in rechte lijn en voor wat betreft de langstlevende echtgenoot en de overlevende samenwonende die niets verkrijgen in de gezinswoning, er niets verandert. Wat hen betreft houdt dat dus in dat, zoals voorheen:
-
het niet-specifiek passief (1) in eerste instantie wordt afgetrokken van de familiale bedrijfsactiva (2); wanneer er onvoldoende bedrijfsactiva zijn wordt het overschot aangerekend op de roerende goederen en vervolgens op de onroerende goederen (3);
[(1) Het specifiek passief bestaat uit de schulden die specifiek werden aangegaan om roerende (specifiek roerend passief) of onroerende (specifiek onroerend passief) goederen te verwerven of te behouden. Het niet-specifiek passief is het totaal van alle andere schulden (inbegrepen de begrafeniskosten).
(2) bij toepassing van artikel 60bis, § 9, VL. W. Succ.
(3) bij toepassing van het nieuw artikel 48, §2, zesde lid, VL. W. Succ.]
-
het specifiek roerend passief eerst wordt aangerekend op het roerend actief; bij ontoereikendheid van dat roerend actief wordt het overschot aangerekend op de goederen van artikel 60bis van het VL. W. Succ. (bedrijfsactiva) en vervolgens op de onroerende goederen;
-
het specifiek onroerend passief eerst wordt aangerekend op het onroerend actief. Wanneer dat ontoereikend is, wordt het overschot eerst aangerekend op de goederen van artikel 60bis (bedrijfsactiva) en vervolgens op de gewone roerende goederen.
Bij het hier becommentarieerde decreet wordt er - maar (logischerwijze) alleen voor de langstlevende echtgenoot of de overlevende samenwonende die een part verkrijgt in de gezinswoning - een nieuwe actiefcategorie gecreëerd: het niet-belastbaar onroerend actief (die categorie omvat dus uitsluitend het verkregen part in de gezinswoning). Parallel daarmee en naar analogie met wat in 1997 werd gedaan, wordt er een nieuwe specifieke passiefcategorie in het leven geroepen: de schulden die specifiek werden aangegaan om de gezinswoning te verwerven of te behouden.
Krachtens het bepaalde in artikel 48, § 2, 7de lid, VL. W. Succ, moeten die specifieke schulden steeds bij voorrang aangerekend worden op het deel van de langstlevende echtgenoot of van de overlevende samenwonende in de gezinswoning. Dit voorschrift vult dus de algemene aanrekeningsregel aan wanneer er een langstlevende echtgenoot of overlevende samenwonende een deel van de gezinswoning uit de nalatenschap verkrijgt.
Voor de langstlevende echtgenoot of de overlevende samenwonende die aldus een deel in de gezinswoning verkrijgt, wordt de algemene aanrekeningsregel met andere woorden gevormd door het samengenomen zesde (*) en zevende lid van § 2 van artikel 48 VL. W. Succ.
[(*) Ingevolge die combinatie moet in de aanrekeningsregel voor het niet-specifiek passief (zie blz. 7) onder "onroerende goederen" uiteraard de belastbare onroerende goederen worden verstaan met uitsluiting van het vrijgestelde part in de gezinswoning.]
Wat moet gedaan worden als er na de toepassing van die leden nog schulden overblijven die nog niet (volledig) konden worden aangerekend hoewel er nog actief resteert, wordt bepaald in een bijzondere aanrekeningsregel neergelegd in het 8ste lid van § 2, van artikel 48 VL. W. Succ. : die nog overblijvende schulden worden:
-
eerst aangerekend op de nog overbijvende waarde van het aan het tarief onderworpen onroerende goederen
-
vervolgens op de overbijvende waarde van de goederen vermeld in artikel 60bis en het roerend actief
-
en tenslotte op de overblijvende waarde van het deel in de gezinswoning.
Uiteraard vinden deze aanrekeningsregels geen toepassing indien de langstlevende partner de gezinswoning onder de vorm van een bijzonder legaat bekomt. Een bijzondere legataris draagt immers niet bij in het passief van de nalatenschap.
De tabel op de volgende bladzijde geeft een schematisch overzicht van de toerekeningsvolgorde van de specifieke en de niet-specifieke schulden van de nalatenschap, naargelang de langstlevende partner al dan niet een aandeel in de gezinswoning verkrijgt.
| Erfdeel van langstlevende partner die geen aandeel in de gezinswoning verkrijgt | Erfdeel van langstlevende partner die wel een aandeel in de gezinswoning verkrijgt |
| Specifieke schuld inzake de gezinswoning | |
| 1) onroerend actief 2) bedrijfsactiva (60bis) 3) roerend actief | 1) gezinswoning 2) onroerend actief 3) bedrijfsactiva (60bis) 4) roerend actief |
| Specifieke schuld inzake een ander onroerend goed | |
| 1) onroerend actief 2) bedrijfsactiva (60bis) 3) roerend actief | 1) onroerend actief 2) bedrijfsactiva (60bis) 3) roerend actief 4) gezinswoning |
| Specifieke schuld inzake een roerend goed | |
| 1) roerend actief 2) bedrijfsactiva (60bis) 3) onroerend actief | 1) roerend actief 2) bedrijfsactiva (60bis) 3) onroerend actief 4) gezinswoning |
| NIET specieke schuld | |
| 1) bedrijfsactiva (60bis) 2) roerend actief 3) onroerend actief | 1) bedrijfsactiva (60bis) 2) roerend actief 3) onroerend actief 4) gezinswoning |
Merk op dat de bijzondere aanrekeningsregel er niet op gericht is het voordeel spruitende uit de vrijstelling voor de gezinswoning zoveel mogelijk te minimaliseren.
Voorbeeld: langstlevende echtgenoot verkrijgt alles
Actief nalatenschap (na vereffening van het gemeenschappelijk vermogen):
| € 100.000 |
| € 100.000 |
| € 100.000 |
Passief nalatenschap (na vereffening van het gemeenschappelijk vermogen):
| € 150.000 |
| € 25.000 |
Aanrekening:
a) toepassing algemene aanrekeningsregel in geval de langstlevende echtgenoot een deel in de gezinswoning verkrijgt
aanrekening op de roerende goederen:
€ 100.000 - € 150.000 (niet specifieke schuld) = € - 50.000 (blijft nog te verrekenen)
onroerende goederen (niet-gezinswoning) € 100.000 - € 25.000 (specifieke schuld o.g. niet-gezinswoning) = € 75.000
b) toepassing bijzondere aanrekeningsregel op resterende schuld
onroerende goederen (niet-gezinswoning) € 75.000 - € 50.000 (resterende schuld) = € 25.000
c) Netto-actief na aanrekening passief
| € 25.000 |
| € 100.000 (vrijgesteld) |
| € 25.000 (*) |
[(*) De Vlaamse decreetgever had evengoed kunnen bepalen dat de overblijvende schuld, na toepassing van de algemene aanrekeningsregel, eerst moet aangerekend worden op de overblijvende waarde van de gezinswoning. Dit zou voor de Vlaamse Schatkist voordeliger zijn geweest. Hernemen we het voorbeeld in de tekst van de circulaire:
- toepassing van de bijzondere aanrekeningsregel (de toepassing van de algemene aanrekeningsregel blijft uiteraard onveranderd - zie a) in het oorspronkelijke voorbeeld) zou dan gegeven hebben:
- gezinswoning 100.000 - 50.000 (resterende schuld) = 50.000
netto-actief na aanrekening passief
| € 75.000 |
| € 50.000 (vrijgesteld) |
| € 75.000 |
In de bijlage bij het Verslag namens de Commissie voor Algemeen Beleid, Financiën en Begroting wordt terzake het volgende gezegd:
" Een mogelijke optie van de Vlaamse Regering had kunnen zijn om het passief zoveel als mogelijk in mindering te brengen van het niet-belastbaar onroerend actief. Op die manier had ze de kostprijs van de maatregel misschien wat kunnen drukken. Tegenover de langstlevende partner zou het echter niet erg fair zijn om het actiefbestanddeel vrij te stellen maar de passiefbestanddelen zoveel mogelijk uit de berekeningen te weren. Daarom heeft de regering gekozen de vrijstelling zoveel mogelijk intact toe te kennen. De waarde van de - van successierechten vrijgestelde - gezinswoning wordt in de toerekeningsvolgorde dus steeds weerhouden als allerlaatste categorie. (…) Het passief dat specifiek betrekking heeft op de gezinswoning, moet in eerste instantie in mindering worden gebracht van de waarde van de gezinswoning.".]
De ontvanger der successierechten moet de algemene en bijzondere aanrekeningsregels toepassen zoals in de wetteksten bepaald, zelfs al zouden de aangevers de aanrekening anders hebben gedaan en al zou daaruit een voordeel voor de Vlaamse Schatkist voortspruiten.
Er wordt aan herinnerd dat de aanrekeningsregels slechts van toepassing zijn in het kader van de fiscale vereffening van de nalatenschap. De vereffening van het gemeenschappelijk vermogen - dat aan de fiscale vereffening van de nalatenschap voorafgaat - blijft daarentegen zoals dat voorheen het geval was volledig beheerst door de regels van het burgerlijk recht (*).
[(*) Proportionele verdeling van het gemeenschapspassief over de onderscheiden categorieën van goederen (roerende, onroerende, gezinswoning, bedrijfsactiva) van het gemeenschappelijk vermogen. Het aldus bekomen netto van de onderscheiden categorieën van goederen valt in de nalatenschap, samen met de eigen goederen en schulden van de overledene.]
Voorbeeld:
De overledene was gehuwd onder het wettelijk stelsel en zijn nalatenschap vererft volgens de wettelijk devolutie waarbij de langstlevende echtgenoot 1/1 vrg (32%) en het kind 1/1 BE (68%) verkrijgt.
De overledene bezat samen met zijn partner :
| Actief : Gezinswoning (GW) : | 200.000 | |
| Onroerend : | 100.000 | |
| Roerend : | 150.000 | 450.000 |
| Passief : | niet specifieke schulden: | 200.000 | |
| Specifieke onroerende schuld ander dan GW: | 28.000 | 228.000 | |
De overledene bezat als eigen goederen :
| Actief : | onroerend : | 50.000 | |
| Passief : | specifiek onroerende schuld : | 3.000 | |
| Begrafeniskosten : | 5.000 | 8.000 | |
1) Vereffening van het gemeenschappelijk vermogen volgens de regels van het burgerlijk recht
| GV netto = 450.000 - 228.000 = 222.000 | ||||||
| GW | ONR | ROER | ||||
| 450.000 | = | 200.000 | = | 100.000 | = | 150.000 |
| 222.000 | 98.666,66 | 49.333,33 | 74.000 | |||
| ½ | 49.333,33 | 24.666,66 | 37.000 | |||
2) Bepaling belastbaar emolument
| GW | ONR | ROER | |
| Aandeel in GV | 49.333,33 | 24.666,66 | 37.000 |
| Eigen V | - | 50.000 | - |
| Passief : | -3.000 | - 5.000 | |
| 49.333,33 | 71.666,66 | 32.000 | |
| Langstl. (Vrg 32%) | 15.786,66 | 22.933,33 | 10.240 |
| Kind (BE = 68 %) | 33.546,66 | 48.733,33 | 21.760 |
3) Berekening rechten
|
| GW vrijgesteld | |||
| Onroerend : | 22.933,33 x 3 % = | 687,99 | |
| Roerend : | 10.240 x 3 % = | 307,20 | |
| 33.173,33 | 995,19 | ||
| Art.56 | - 168,26 | ||
| 826,93 | |||
|
| Onroerend : (GW + ONR) = 33.546,66 + 48.733,33 = 82.279,99 | |||
| 50.000 x 3 % = | 1.500 | ||
| 32.279,99 x 9 % = | 2.905,19 | 4.405,19 | |
| 652,80 | |||
| Roerend : 21.760 x 3 % = | 5.057,99 | ||
| 5.884,92 |
Om de schulden die specifiek werden aangegaan om de gezinswoning te verwerven of te behouden (*) te kunnen aanrekenen op de waarde van de gezinswoning, moet de ontvanger uiteraard ingelicht worden van het feit dat een schuld die aard heeft.
[(*) Voor de inhoud van de termen "verwerven" en "behouden", wordt verwezen naar de aanschrijving nr. 1/1997, blz. 7, punt 3.4.1., c)]
Als het een schuld betreft die werd aangegaan om alleen de gezinswoning te verwerven of te behouden, stelt er zich geen probleem: de schuld moet in de aangifte aangemerkt worden als specifiek betrekking hebbende op de gezinswoning. Quid als de schuld werd aangegaan voor het behoud of verwerven van een complex van onroerende goederen waarvan de gezinswoning deel uitmaakte (vb. showroom + bovenliggende woonruimte) ? In dat geval moet de schuld uitgesplitst worden tussen de (verkoop)waarde van de gezinswoning enerzijds en die van de andere van het complex deel uitmakende onroerende goederen anderzijds. De aangever(s) moet het deel van de schuld dat betrekking heeft op de gezinswoning als specifieke schuld van de gezinswoning aangeven.
De wijziging van artikel 42, VIII VL.W.Succ. heeft precies tot doel de indieners van de aangifte te verplichten dergelijke schuld(en) als dusdanig in de aangifte te identificeren.
Het niet-nakomen van die verplichting leidt tot een boete gelijk aan tweemaal de ontdoken rechten (zie wijziging artikel 128 VL.W. Succ.). Overeenkomstig het barema tot vermindering van de proportionele fiscale boeten, wordt die boete verminderd tot 1/5 van de bijkomende rechten.
Wie is of zijn schuldenaars van de boete? Gelet op de bewoordingen van de inleiding van artikel 128 VL.W. Succ., samen gelezen met de combinatie gevormd door de artikelen 38 en 42 VL. W. Succ., zou de boete in principe verschuldigd zijn door de tot aangifte gehouden personen (ieder naar verhouding van zijn verkrijging).
In de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van decreet (1) wordt met zoveel woorden gezegd dat de verplichting tot aangifte rust op de aangevers. Logischerwijze zou de boete bij niet-naleving van de verplichting dan ook ten laste moeten vallen van de tot aangifte gehouden personen. In de bevoegde parlementscommissie (2) heeft de Vlaamse Minister van Financiën echter verklaard dat de aangifteplicht rust op de langstlevende partner. In die optiek zou alleen de langstlevende partner(s) die een deel in de gezinswoning verkrijgt (verkrijgen) de boete kunnen oplopen.
[(1) Vlaams Parlement, Stuk 865 (2005-2006) - Nr. 1, Memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet, blz. 5.
(2) Vlaams Parlement, Stuk 865 (2005-2006) - Nr. 3, Verslag namens de Commissie voor Algemeen Beleid, Financiën en begroting, blz. 5 (rechterkolom), standpunt dat nog eens wordt herhaald in de bijlage ("Toerekeningsvolgorde van het passief van de nalatenschap") bij dat document, blz. 14, : "Om de principes van de toerekeningsvolgorde van het passief correct te kunnen toepassen, moet de ontvanger weten welke schulden specifiek werden aangegaan om de gezinswoning te verwerven of te behouden. Daarom werd in het wetboek de verplichting ingeschreven voor de langstlevende echtgenoot of de samenwonende partner om dit te melden in de aangifte van nalatenschap. Het invoeren van een dergelijke verplichting is uiteraard zinloos als daaraan geen sanctie wordt gekoppeld. Daarom wordt voorzien in een boete die overeenstemt met de gangbare boete bij foutieve vermeldingen in de aangifte van nalatenschap".
Bij de beoordeling wie de boete moet betalen, moet niet enkel rekening gehouden worden met de vraag wie de aangifteplichtigen zijn maar ook met de vraag wie er baat (*) heeft bij de niet-naleving van de verplichting om de schuld als een specifieke schuld van de gezinswoning te identificeren.
[(*) Vgl. schuldenaar van de boete bepaald in het 1° van artikel 128 - m.b. onjuiste aangifte van een graad van verwantschap - J. DECUYPER, Successierechten 2004-2005 II, Kluwer, blz. 1244 nr. 2092]
In feite hangt het er van af of de langstlevende partner al dan niet een persoon is die tot indiening van de aangifte gehouden is. De situatie is verschillend naargelang de langstlevende partner de langstlevende echtgenoot of een overlevende samenwonende is. De langstlevende echtgenoot is steeds (1) gehouden tot indiening van de aangifte. Dit is niet steeds (2) het geval voor de (wettelijk of feitelijk) samenwonende. In geval hij niet tot aangifte van de nalatenschap gehouden is, moet billijkheidshalve dan nog onderscheid gemaakt worden naargelang de samenwonende al dan niet de aangifte heeft mede-ondertekend (3).
[(1) Als reservataire erfgenaam
(2) Dit is bijvoorbeeld niet het geval wanneer de overlevende samenwonende als bijzondere legataris enkel het deel van de overledene in de gezinswoning verkrijgt en de rest van de nalatenschap volgens de wettelijke devolutie in rechte lijn wordt vererfd.
(3) Wat hij alsdan uiteraard niet wettelijk verplicht is. Indien hij echter heeft medegetekend, heeft hij aldus de aangifte voor echt en waar verklaard en is hij even schuldig aan het niet-vermelden van de specifieke schuld betreffende de gezinswoning als wanneer hij wel tot de aangifte van nalatenschap gehouden zou geweest zijn.]
Dit geeft het volgende onderscheid:
-
De langstlevende echtgenoot die een verkeerde aangifte heeft gedaan zal de boete alleen verschuldigd zijn, ook al zijn er naast hem nog andere personen die tot indiening van de aangifte gehouden zijn. De langstlevende echtgenoot is immers in dit geval de enige ondertekenaar van de aangifte van nalatenschap die voordeel haalt uit de niet-naleving van de verplichting.
-
Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, als het gaat om een overlevende samenwonende:
die tot aangifte gehouden is;
of die niet tot aangifte gehouden is maar toch de aangifte heeft medeondertekend (*).
[(*) Het is in geval van een gezamenlijk gedane aangifte van nalatenschap voor de mederechtverkrijgenden moreel vaak moeilijk de door de langstlevende partner aan de schulden van de overledene gegeven kwalificatie te betwisten.]
-
Enkel wanneer de overlevende samenwonende niet tot indiening gehouden is, en hij de aangifte van nalatenschap niet medeondertekend heeft, zal de boete gevorderd worden van de groep van de tot aangifte van nalatenschap verplichte personen (ieder in verhouding van zijn erfdeel).
Uiteraard is het niet uitgesloten dat een overtreder van het voorschrift ook strafrechtelijk wordt vervolgd (zie artikelen 133 en 133bis VL.W. Succ.).
6. Invloed van de vrijstelling op de toepassing van de in artikel 56 VL. W. Succ. bepaalde rechtenvermindering voor de langstlevende echtgenoot of overlevende samenwonende
Artikel 56 VL.W. Succ. kent een rechtenvermindering (ook wel belastingkrediet genoemd) toe aan bepaalde rechtverkrijgenden van wie het emolument een bepaald maximumbedrag niet te boven gaat.
Voor een rechtverkrijgende in de tariefcategorie "in rechte lijn, tussen echtgenoten of tussen samenwonenden" bedraagt het belastingskrediet maximaal 500 euro en wordt er geen belastingkrediet meer toegekend van zodra het emolument een bedrag van 50.000 euro bereikt.
In de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet wordt over de ratio legis van de wijziging van artikel 56 VL.W. Succ. het volgende gezegd: "Om alle mogelijke misverstanden hieromtrent uit te sluiten wordt uitdrukkelijk decretaal bepaald dat het overeenkomstig artikel 48 vrijgestelde aandeel van de samenwonende partner in de gezinswoning niet wordt meegeteld in het emolument dat de grootte van het belastingkrediet bepaalt.".
7. De langstlevende partner die (een part in) de gezinswoning verkrijgt is een gehandicapte persoon in de zin van artikel 54 van het Vl. W.Succ.
In Circulaire nr. 10/2003 d.d. 23.06.2003 werd de voetvrijstelling voor gehandicapte rechtverkrijgenden (art. 54 Vl. W. Succ.) toegelicht.
Als de partner die (een part in) de gezinswoning verkrijgt tevens gehandicapt is, zullen zowel de vrijstelling van de gezinswoning voor de langstlevende partner (artikel 48, §2, derde lid, Vl.W. Succ.) als de voetvrijstelling voor een gehandicapte persoon van toepassing zijn.
Artikel 54, derde lid, Vl. W. Succ. bepaalt: "In geval een verkrijger als bedoeld in het eerste lid onderworpen is aan het tarief "in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden" van tabel I van artikel 48, wordt het bedrag van de vrijstelling eerst toegerekend op zijn netto-onroerend aandeel en bij uitputting van dat aandeel vervolgens op zijn netto-roerend aandeel.
Uit niets blijkt dat, in geval van cumulatieve toepasselijkheid van beide vrijstellingen, de Vlaamse decreetgever gewild heeft dat de toepasselijkheid van de laatst ingevoerde vrijstelling door de administratie zou kunnen aangewend worden als een middel om de eerst ingevoerde vrijstelling (gedeeltelijke) uit te hollen.
Daarom neemt de Administratie aan dat in geval van cumulatieve toepasselijkheid van die vrijstellingen ook voor de toepassing van artikel 54, derde lid, Vl. W. Succ. de gezinswoning moet geacht worden geen deel uit te maken van de categorie van de onroerende goederen maar een afzonderlijke categorie te vormen. De volgorde van aanrekening van het bedrag van de vrijstelling voor een gehandicapte persoon is dus in geval van cumulatieve toepasselijkheid van de bedoelde vrijstellingen:
-
eerst op het netto-onroerend aandeel van de gehandicapte persoon, exclusief zijn netto-aandeel in de gezinswoning;
-
bij uitputting daarvan op zijn netto-roerend aandeel;
-
en wanneer ook dat aandeel uitgeput is op zijn netto-aandeel in de gezinswoning.
Artikel 6 van het decreet bepaalt de inwerkingtreding ervan op 1 januari 2007. Dit wil zeggen dat de in deze circulaire besproken vrijstelling en begeleidende maatregelen maar van toepassing kunnen zijn op de nalatenschappen die vanaf die datum openvallen.
NAMENS DE MINISTER:
De adjunct-administrateur-generaal,
Paul NECKEBROECK
BIJLAGE 1
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 20 september 2006, Ed. 2
VLAAMSE OVERHEID
7 JULI 2006. - Decreet houdende vrijstelling van successierechten ten voordele van de langstlevende partner voor de netto-waarde van de gezinswoning
Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :
Decreet houdende vrijstelling van successierechten ten voordele van de langstlevende partner voor de netto-waarde van de gezinswoning.
Artikel 1. - Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.
Art. 2. - In artikel 42, VIII, van het Wetboek der Successierechten, wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
"Als de afwijking vermeld in artikel 48, §2, derde lid, van toepassing is, moet bij de schulden die specifiek werden aangegaan om de gezinswoning te verwerven of te behouden uitdrukkelijk worden vermeld dat ze met dat doel werden aangegaan.".
Art. 3. - Artikel 48 van hetzelfde wetboek, vervangen bij decreet van 15 april 1997 en gewijzigd bij de decreten van 15 juli 1997, 30 juni 2000, 1 december 2000 en 6 juli 2001 wordt vervangen als volgt:
"§1. De rechten van successie en van overgang bij overlijden worden geheven volgens het tarief aangeduid in onderstaande tabellen:
| TABEL I | |||
| Tarief in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden | |||
| A | A Tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte zoals voor-komend in kolom A | Totale bedrag van de belasting over de voor-gaande gedeelten | |
| Van | tot | ||
| 0,01 EUR | - 50.000 EUR | 3 % | |
| 50.000 EUR | - 250.000 EUR | 9 % | 1.500 EUR |
| boven de 250.000 EUR | 27 % | 19.500 EUR | |
| TABEL II | |||||
| Tarief tussen andere personen dan in rechte lijn, echtgenoten en samenwonenden | |||||
| A | Tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte zoals voorkomend in kolom A | Totale bedrag van de belasting over de voor-gaande gedeelten | |||
| Van | tot | tussen broers en zusters | tussen anderen | tussen broers en zusters | tussen anderen |
| 0,01 EUR | 75.000 EUR | 30 % | 45 % | ||
| 75.000 EUR | 125.000 EUR | 55 % | 55 % | 22.500 EUR | 33.750 EUR |
| boven de 125.000 EUR | 65 % | 65 % | 50.000 EUR | 61.250 EUR | |
§2. Tabel I bevat het tarief in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden.
Dit tarief wordt per rechtverkrijgende toegepast op het netto-aandeel in de onroerende goederen enerzijds, en op het netto-aandeel in de roerende goederen anderzijds volgens de overeenstemmende gedeelten zoals voorkomend in kolom A.
In afwijking van het vorige lid wordt het tarief van het recht van successie en van het recht van overgang bij overlijden tussen echtgenoten en tussen samenwonenden wat de onroerende goederen betreft, enkel toegepast op het netto-aandeel van de rechtverkrijgende echtgenoot of samenwonende in de andere goederen dan de woning die de erflater en zijn echtgenoot of samenwonende tot gezinswoning diende op het ogenblik van het overlijden. Die afwijking geldt evenwel niet als de samenwonende die een aandeel verkrijgt in die gezinswoning hetzij een bloedverwant in de rechte lijn van de erflater is, hetzij een rechtverkrijgende is die voor de toepassing van het tarief met een rechtverkrijgende in de rechte lijn wordt gelijkgesteld.
Onder gezinswoning wordt voor de toepassing van deze bepaling verstaan de gezamenlijke hoofdverblijfplaats van de erflater en zijn overlevende echtgenoot of samenwonende. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van de samenwoning.
Als gezinswoning wordt eveneens in aanmerking genomen de laatste gezinswoning van de echtgenoten of samenwonenden als aan hun samenwonen een einde is gekomen, hetzij door de feitelijke scheiding van de echtgenoten of van de personen die overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek samenwonen, hetzij dooreen geval van overmacht dat tot op het ogenblik van het overlijden heeft voortgeduurd, hetzij door de verplaatsing van de hoofdverblijfplaats van één van de of van beide betrokkenen naar een rust- of verzorgingsinstelling, of een serviceflatgebouw of een woningcomplex met dienstverlening.
De schulden en de begrafeniskosten worden bij voorrang aangerekend op de roerende goederen en op de goederen vermeld in artikel 60bis, tenzij de aangevers bewijzen dat het schulden betreft die specifiek werden aangegaan om onroerende goederen te verwerven of te behouden.
Als de langstlevende echtgenoot of samenwonende een deel verkrijgt in de gezinswoning, wordt zijn aandeel in de schulden van de nalatenschap die specifiek werden aangegaan om die woning te verwerven of te behouden evenwel steeds bij voorrang aangerekend op de waarde van zijn deel in de gezinswoning.
Als er voor de langstlevende echtgenoot of samenwonende die een deel in de gezinswoning verkrijgt, na de toepassing van de vorige twee leden schulden overblijven, worden die eerst aangerekend op de overblijvende waarde van de aan het tarief onderworpen onroerende goederen, vervolgens op de overblijvende waarde van het roerend actief en de goederen vermeld in artikel 60bis, en ten slotte op de overblijvende waarde van dat deel in de gezinswoning.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder samenwonenden verstaan:
1° de persoon, die op de dag van het openvallen van de nalatenschap overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek, met de erflater wettelijk samenwoont;
2° de persoon of personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap, ten minste één jaar ononderbroken met de erflater samenwonen en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren. De afwijking vermeld in het derde lid is echter alleen van toepassing voor de persoon of personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap, ten minste drie jaar ononderbroken met de erflater samenwonen en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren. Deze voorwaarden worden geacht ook vervuld te zijn indien het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater, aansluitend op de bedoelde periode van één of drie jaar tot op de dag van het overlijden, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding.
§3. Tabel II bevat het tarief tussen andere personen dan in rechte lijn, tussen echtgenoten en samenwonenden. Dit tarief wordt, voor wat broers en zusters betreft, toegepast op het overeenstemmende gedeelte van het netto-aandeel van elk der rechtverkrijgenden zoals voorkomend in kolom A. Voor wat alle anderen betreft, wordt dit tarief toegepast op het overeenstemmende gedeelte van de som van de netto-aandelen, verkregen door de rechtverkrijgenden van deze groep.".
Art. 4. - In artikel 56 van hetzelfde wetboek, vervangen bij decreet van 21 december 2001 en gewijzigd bij decreten van 19 april 2002 en 20 december 2002, wordt tussen het eerste en het tweede lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Voor de bepaling van de nettoverkrijging, vermeld in het eerste lid, wordt geen rekening gehouden met het aandeel dat de echtgenoot of samenwonende verkrijgt in de gezinswoning, vermeld in artikel 48.".
Art. 5. - In artikel 128 van hetzelfde wetboek, gewijzigd bij de wet van 7 maart 2002, wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
"2° die schulden aangeeft die niet ten laste van de nalatenschap komen of die in het geval vermeld in artikel 42, VIII, tweede zin, nalaat te vermelden dat een opgegeven schuld werd aangegaan met als doel de gezinswoning te verwerven of te behouden;" .
Art. 6. - Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2007.
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 7 juli 2006
De minister-president van de Vlaamse Regering,
Y. LETERME
Vlaams Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening,
D. VAN MECHELEN
BIJLAGE 2
Gecoördineerde teksten van de gewijzigde artikelen van het Vlaams Wetboek der successierechten
Art. 42
De aangifte van nalatenschap vermeldt:
I. Naam, voornamen, beroep, domicilie, plaats en datum van geboorte van de aangever en, desvoorkomend, van de echtgenoot der aangeefster.
II. Naam, voornamen, beroep, domicilie, plaats en datum van geboorte van de overleden persoon en, desvoorkomend, van haar echtgenoot plaats en datum van het overlijden van de aflijvige.
III. Naam, voornamen, beroep, domicilie, plaats en datum van geboorte van de personen die de hoedanigheid hebben van erfgenamen, legatarissen en begiftigden en, in voorkomend geval, van hun echtgenoot; graad van verwantschap tussen de overledene en zijn erfgenamen, legatarissen en begiftigden; wat door elk hunner wordt verkregen; de titel krachtens welke zij tot de nalatenschap komen; naam, voornamen, domicilie, geboorteplaats en -datum van de kinderen beoogd bij artikel 56.
IV. In voorkomend geval, aanduiding van de erfgenamen uitgesloten krachtens uiterste wilsbeschikkingen of contractuele beschikkingen.
V. De keuze van een enkele woonplaats in België.
VI. Nauwkeurige aanduiding en begroting, artikelsgewijze, van al de goederen die het belastbaar actief uitmaken.
VII. De aanwijzing van sectie en nummer van het kadaster van elkeen der onroerende goederen die onder de nalatenschap horen.
VIII. De aanduiding van elk der schulden die in mindering van het belastbaar actief kunnen toegelaten worden, met opgave van naam, voornamen en domicilie van de schuldeiser, van de oorzaak der schuld en van de datum der akte, zo er een bestaat. Als de afwijking vermeld in artikel 48, § 2, derde lid, van toepassing is, moet bij de schulden die specifiek werden aangegaan om de gezinswoning te verwerven of te behouden uitdrukkelijk worden vermeld dat ze met dat doel werden aangegaan.
VIIIbis. De aangifte vermeldt of de overledene ten bate van zijn erfgenamen, legatarissen of begiftigden schenkingen onder levenden heeft gedaan die vastgesteld werden door akten, welke dagtekenen van minder dan drie jaar vóór de datum van het overlijden en vóór dezelfde datum tot de formaliteit der registratie aangeboden werden of verplichtend registreerbaar geworden zijn; zo ja, duidt zij de begunstigde persoon aan en geeft de datum der akten of aangiften op alsmede de grondslag waarop het registratierecht werd of dient geheven. Die bepaling is toepasselijk welke ook de datum van de akte weze, indien de schenking gedaan werd onder een schorsende voorwaarde die vervuld werd ingevolge het overlijden van de schenker of minder dan drie jaar vóór dit overlijden.
IX. De aangifte vermeldt of de overledene het vruchtgebruik van enige goederen gehad heeft ofwel met fideïcommis bezwaarde goederen verkregen heeft en, zo ja, waarin deze goederen bestaan, met aanduiding van de personen die tot het genot van de volle eigendom zijn gekomen ofwel voordeel getrokken hebben uit het fideïcommis ten gevolge van het overlijden van de aflijvige.
X. Ingeval het recht van successie verschuldigd is, bevat de aangifte bovendien de uitdrukkelijke vermelding van het adres en de datum en duur van de vestiging van de verschillende fiscale woonplaatsen die de overledene of de afwezige gehad heeft in de periode van vijf jaar voorafgaand aan zijn overlijden of aan het tijdstip waarop de laatste tijding van de afwezige werd ontvangen.
Art. 48
§ 1. De rechten van successie en van overgang bij overlijden worden geheven volgens het tarief aangeduid in onderstaande tabellen.
| TABEL I | |||
| A | Tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte zoals voorkomend in kolom A | Totale bedrag van de belasting over de voorgaande gedeelten | |
| van | tot | ||
| 0,01 EUR | 50.000 EUR | 3 % | |
| 50.000 EUR | 250.000 EUR | 9 % | 1.500 EUR |
| boven de 250.000 EUR | 27 % | 19.500 EUR | |
| TABEL II | |||||
| A | Tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte zoals voorkomend in kolom A | Totale bedrag van de belasting over de voorgaande gedeelten | |||
| van | tot | tussen broers en zusters | tussen anderen | tussen broers en zusters | tussen anderen |
| 0,01 EUR | 75.000 EUR | 30 % | 45 % | ||
| 75.000 EUR | 125.000 EUR | 55 % | 55 % | 22.500 EUR | 33.750 EUR |
| boven de 125.000 EUR | 65 % | 65 % | 50.000 EUR | 61.250 EUR | |
§ 2. Tabel I bevat het tarief in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden.
Dit tarief wordt per rechtverkrijgende toegepast op het netto-aandeel in de onroerende goederen enerzijds, en op het netto-aandeel in de roerende goederen anderzijds volgens de overeenstemmende gedeelten zoals voorkomend in kolom A.
In afwijking van het vorige lid wordt het tarief van het recht van successie en van het recht van overgang bij overlijden tussen echtgenoten en tussen samenwonenden wat de onroerende goederen betreft, enkel toegepast op het nettoaandeel van de rechtverkrijgende echtgenoot of samenwonende in de andere goederen dan de woning die de erflater en zijn echtgenoot of samenwonende tot gezinswoning diende op het ogenblik van het overlijden. Die afwijking geldt evenwel niet als de samenwonende die een aandeel verkrijgt in die gezinswoning hetzij een bloedverwant in de rechte lijn van de erflater is, hetzij een rechtverkrijgende is die voor de toepassing van het tarief met een rechtverkrijgende in de rechte lijn wordt gelijkgesteld.
Onder gezinswoning wordt voor de toepassing van deze bepaling verstaan de gezamenlijke hoofdverblijfplaats van de erflater en zijn overlevende echtgenoot of samenwonende. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van de samenwoning.
Als gezinswoning wordt eveneens in aanmerking genomen de laatste gezinswoning van de echtgenoten of samenwonenden als aan hun samenwonen een einde is gekomen, hetzij door de feitelijke scheiding van de echtgenoten of van de personen die overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek samenwonen, hetzij door een geval van overmacht dat tot op het ogenblik van het overlijden heeft voortgeduurd, hetzij door de verplaatsing van de hoofdverblijfplaats van een van de of van beide betrokkenen naar een rust- of verzorgingsinstelling, of een serviceflatgebouw of een woningcomplex met dienstverlening.
De schulden en de begrafeniskosten worden bij voorrang aangerekend op de roerende goederen en op de goederen, vermeld in artikel 60bis, tenzij de aangevers bewijzen dat het schulden betreft die specifiek werden aangegaan om onroerende goederen te verwerven of te behouden.
Als de langstlevende echtgenoot of samenwonende een deel verkrijgt in de gezinswoning, wordt zijn aandeel in de schulden van de nalatenschap die specifiek werden aangegaan om die woning te verwerven of te behouden evenwel steeds bij voorrang aangerekend op de waarde van zijn deel in de gezinswoning.
Als er voor de langstlevende echtgenoot of samenwonende die een deel in de gezinswoning verkrijgt, na de toepassing van de vorige twee leden schulden overblijven, worden die eerst aangerekend op de overblijvende waarde van de aan het tarief onderworpen onroerende goederen, vervolgens op de overblijvende waarde van het roerend actief en de goederen, vermeld in artikel 60bis, en ten slotte op de overblijvende waarde van dat deel in de gezinswoning.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder samenwonenden verstaan:
1° de persoon, die op de dag van het openvallen van de nalatenschap overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek, met de erflater wettelijk samenwoont;
of
2° de persoon of personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap, ten minste één jaar ononderbroken met de erflater samenwonen en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren. De afwijking vermeld in het derde lid is echter alleen van toepassing voor de persoon of personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap, ten minste drie jaar ononderbroken met de erflater samenwonen en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren. Deze voorwaarden worden geacht ook vervuld te zijn indien het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater, aansluitend op de bedoelde periode van één of drie jaar tot op de dag van het overlijden, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding.
§ 3. Tabel II bevat het tarief tussen andere personen dan in rechte lijn, tussen echtgenoten en samenwonenden. Dit tarief wordt, voor wat broers en zusters betreft, toegepast op het overeenstemmende gedeelte van het netto-aandeel van elk der rechtverkrijgenden zoals voorkomend in kolom A. Voor wat alle anderen betreft, wordt dit tarief toegepast op het overeenstemmende gedeelte van de som van de netto-aandelen, verkregen door de rechtverkrijgenden van deze groep.
Art. 56
De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van een verkrijging in de rechte lijn, tussen echtgenoten of tussen samenwonenden worden, indien de netto-verkrijging niet meer bedraagt dan 50.000 EUR, verminderd met 500 EUR vermenigvuldigd met [1 - (netto-verkrijging / 50.000)].
Voor de bepaling van de nettoverkrijging, vermeld in het eerste lid, wordt geen rekening gehouden met het aandeel dat de echtgenoot of samenwonende verkrijgt in de gezinswoning, vermeld in artikel 48.
De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van een verkrijging door een broer of zuster worden, indien de netto-verkrijging groter is dan 18.750 EUR en niet meer bedraagt dan 75.000 EUR, verminderd met 2.500 EUR vermenigvuldigd met [1 - (netto-verkrijging / 75.000)]. Indien de netto-verkrijging gelijk is aan of minder is dan 18.750 EUR, worden die rechten verminderd met 2.000 EUR vermenigvuldigd met (netto-verkrijging / 20.000).
De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van de samengenomen verkrijgingen door andere personen dan erfgenamen in de rechte lijn, de echtgenoot, samenwonenden of broers en zusters worden, indien de som van hun netto-verkrijgingen groter is dan 12.500 EUR en niet meer bedraagt dan 75.000 EUR, verminderd met 2.400 EUR vermenigvuldigd met [1 - (som van de netto-verkrijgingen / 75.000)]. Indien de som van hun nettoverkrijgingen gelijk is aan of minder is dan 12.500 EUR, worden die rechten verminderd met 2.000 EUR vermenigvuldigd met (som van de verkrijgingen / 12.500). De overeenkomstig dit lid bekomen vermindering wordt omgeslagen over de betrokken erfgenamen in verhouding tot hun aandeel in de samengenomen verkrijgingen.
Voor de bepaling van de netto-verkrijging zoals bedoeld in de vorige alinea's, wordt geen rekening gehouden met de vrijstelling zoals bedoeld in artikel 54. Het bedrag van de vermindering kan in voorkomend geval niet meer bedragen dan de rechten verschuldigd na toekenning van de vrijstelling van artikel 54.
Is het recht van overgang bij overlijden verschuldigd voor verkrijgingen als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, dan geldt dezelfde rechtenvermindering met dien verstande dat dan rekening gehouden wordt met de bruto-verkrijging.
De door een kind van de overledene verschuldigde rechten worden verminderd met 75 EUR voor elk vol jaar dat nog moet verlopen tot het de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. De door de overlevende echtgenoot of samenwonende verschuldigde rechten worden verminderd met de helft van de verminderingen die de gemeenschappelijke kinderen overeenkomstig dit lid genieten. Deze verminderingen zijn van toepassing ongeacht de nettoverkrijgingen van de rechthebbenden en bovenop de vermindering waarop ze krachtens het eerste of het vierde lid recht hebben.
Art. 128
Een boete gelijk aan het tweevoud van het ontdoken recht wordt verbeurd door de erfgenaam, legataris of begiftigde :
1° die ten nadele van de Staat een legaat, een schenking, een graad van verwantschap of de leeftijd van de persoon op wiens hoofd een vruchtgebruik is gevestigd, verzwijgt of onjuist aangeeft;
2° die schulden aangeeft die niet ten laste van de nalatenschap komen of die in het geval vermeld in artikel 42, VIII, tweede zin, nalaat te vermelden dat een opgegeven schuld werd aangegaan met als doel de gezinswoning te verwerven of te behouden;
3° die een onjuiste aangifte doet omtrent het aantal kinderen van de rechtsopvolgers van de overledene;
4° die verzuimt de in artikel 42, VIIIbis en X bedoelde vermeldingen in de aangifte op te nemen of die dienaangaande een onjuiste of onvolledige vermelding maakt.
