Circulaire nr. Ci.RH.222/447.542 van 15.03.1993
CIRC 15.03.93/1
Bull. nr. 727, pag. 1107
BEZWAARSCHRIFT
Onroerende voorheffing
KADASTRAAL INKOMEN
Vrijstelling van het kadastraal inkomen
ONROERENDE VOORHEFFING
Kwijtschelding van de onroerende voorheffing
Vermindering van de onroerende voorheffing
Vermindering voor bejaardenvoorziening
Vrijstelling van de onroerende voorheffing
Onroerende voorheffing
KADASTRAAL INKOMEN
Vrijstelling van het kadastraal inkomen
ONROERENDE VOORHEFFING
Kwijtschelding van de onroerende voorheffing
Vermindering van de onroerende voorheffing
Vermindering voor bejaardenvoorziening
Vrijstelling van de onroerende voorheffing
Art. 103 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 25.06.1992 houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992 - weerslag op art. 253 WIB 92.
INLEIDING
1. Het decreet van het Vlaamse Gewest van 25.06.1992 (B.S. van 11.07.1992 - V. 2182) houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992 heeft wijzigingen aangebracht aan het Wetboek van de inkomstenbelastingen met betrekking tot de OV betreffende sommige onroerende goederen uitsluitend gelegen in het Vlaamse Gewest.
WETTELIJKE BEPALINGEN
2. Art. 50 van voormeld decreet heeft de draagwijdte van art. 162, § 1, 4°, WIB, thans art. 257, 4°, WIB 92, beperkt door een als volgt luidende bepaling waarvan de bespreking het voorwerp van een afzonderlijke circulaire zal uitmaken :
"Wat het Vlaamse Gewest betreft, wordt in afwijking van artikel 162, § 1, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, slechts kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing verleend voor zover het belastbaar inkomen krachtens artikel 9, § 1, 2° tot 4°, van dat wetboek kan worden verminderd.".
3. Art. 103 van hetzelfde decreet, besproken in deze circulaire, heeft in art. 157 WIB, thans art. 253, WIB 92, een 1°bis en een 1°ter ingelast luidende als volgt :
"(Van de onroerende voorheffing wordt het kadastraal inkomen vrijgesteld : )
...
1°bis : van de onroerende goederen of delen van onroerende goederen welke gelegen zijn in het Vlaamse Gewest en welke door een openbaar bestuur of een belastingplichtige die geen winstoogmerk nastreeft worden aangewend als bejaardenvoorziening uitgebaat door een rechtspersoon, zoals bedoeld in artikel 5 van het decreet van 5 maart 1985 houdende regeling van de erkenning en subsidiëring van voorzieningen voor bejaarden.
1°ter : van dezelfde als ander 1°bis bedoelde onroerende goederen, gefinancierd door middel van een financiële leasing, overeenkomstig de artikelen 6 van de besluiten van de Vlaamse Executieve van respectievelijk 4 april 1990 en 21 februari 1991 houdende de regels en bedragen inzake de subsidiëring als tussenkomst in de kosten van huurkoop of leasing of prefinanciering voor het bouwen, inrichten en ingebruiknemen van serviceflatgebouwen en woningcomplexen met dienstverlening en rusthuizen." (*)
| (*) | Er weze opgemerkt dat met het besluit van de Vlaamse Executieve van 21.02.1991 waarvan sprake hiervoor, het gelijknamige besluit van de Vlaamse Executieve van 27.02.1991 wordt bedoeld. Beide besluiten werden opgeheven door art. 13 van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 25.11.1992 (B.S. 10.02.1993) houdende de regels en bedragen inzake de tegemoetkoming in de kosten van huurkoop of leasing of prefinanciering voor de bouw, aankoop, inrichting en ingebruikname van voorzieningen voor bejaarden (cf. bijlage 1). |
INWERKINGTREDING
4. Het 1°bis en het 1°ter van art. 157, WIB, zoals zij werden ingevoerd door art. 103 van voormeld decreet, treden respectievelijk in werking op 01.01.1991 en op 01.01.1992 (art. 104 van het decreet).
DRAAGWIJDTE VAN DE NIEUWE BEPALINGEN
5. Overeenkomstig de nieuwe wettelijke bepalingen moeten de in het Vlaamse Gewest gelegen onroerende goederen of delen van onroerende goederen en waarvan het kadastraal inkomen van OV kan worden vrijgesteld aan de volgende voorwaarden voldoen :
- zij moeten tot de gestelde doeleinden worden aangewend door een openbaar bestuur of door een belastingplichtige die geen enkel winstoogmerk nastreeft (cf. nrs. 7 tot 9, circ. 08.08.1988, Ci.RH.222/399.054);
- zij moeten worden uitgebaat door de volgende rechtspersonen : de ondergeschikte besturen, de verenigingen zonder winstoogmerk en de instellingen van openbaar nut in de zin van de wet van 27.06.1921 (cf. art. 5, § 1, van het decreet van 05.03.1985 houdende regeling van de erkenning en subsidiëring van voorzieningen voor bejaarden - B.S. 30.08.1985 - gewijzigd door de decreten van 13.04.1988 - B.S. 10.05.1988 - en van 20.02.1991 - B.S. 06.03.1991 - z. bijlagen 2a, 2b, 2c);
- zij moeten door de Vlaamse Executieve als bejaardenvoorziening in de zin van art. 5 van voormeld decreet van 05.03.1985 worden erkend.
6. Daarenboven zal ingeval van financiële leasing waarvan sprake in art. 157, 1°ter, WIB, het leasingcontract tenminste moeten voldoen aan de voorwaarden bepaald in art. 8 van het besluit van de Vlaamse Executieve van 25.11.1992 (B.S. 10.02.1993) houdende de regels en bedragen inzake de tegemoetkoming in de kosten van huurkoop of leasing of prefinanciering voor de bouw, aankoop, inrichting en ingebruikname van voorzieningen voor bejaarden (cf. bijlage 1).
TE VOLGEN PROCEDURE OM DE VRIJSTELLING VAN O.V. TE BEKOMEN
7. Indien hij deze vrijstelling wil genieten, moet de belastingschuldige een regelmatig bezwaarschrift indienen overeenkomstig de regels van toepassing inzake de inkomstenbelasting. Dit bezwaarschrift moet ieder jaar, zolang de OV wordt ingekohierd, worden hernieuwd.
8. Het onderzoek naar de voorwaarden waarvan sprake sub 5 en 6 behoort tot de bevoegdheid van de Administratie van de directe belastingen en het moet steeds worden uitgevoerd vóór de eventuele verzending van het dossier aan de Administratie van het kadaster.
Het onderzoek naar de voorwaarde van aanwending van het onroerend goed wordt uitgevoerd door tussenkomst van de gewestelijke directeur van het kadaster. Deze ambtenaar zal het resultaat van zijn onderzoek meedelen aan zijn collega der directe belastingen.
Als bijlage 3 vindt men een exemplaar van de circulaire opgesteld ten behoeve van de ambtenaren van het kadaster.
9. De administratie dringt erop aan dat zo spoedig mogelijk uitspraak zou worden gedaan over de bezwaarschriften die beogen de vrijstelling van OV te bekomen betreffende de onroerende goederen bedoeld in onderhavige circulaire.
Zodra de vrijstelling van OV is verleend, zullen de kadastrale bescheiden zodanig worden aangepast dat die vrijstelling, zolang de wettelijke voorwaarden vervuld blijven, automatisch wordt verlengd voor de volgende aanslagjaren.
Bovendien zijn de richtlijnen vermeld in circ. 08.08.1988, Ci.RH.222/399.054 mutatis mutandis van toepassing op de bezwaarschriften betreffende de vrijstelling van OV voor de onroerende goederen bedoeld in art. 157, 1°bis en 1°ter, WIB.
10. Art. 157, 1°bis, WIB treedt in werking op 01.01.1991 zodat, in de meeste gevallen, de bezwaartermijn verstreken was op het moment van bekendmaking van het decreet in het Belgisch Staatsblad.
Wanneer, voor het aj. 1991, een belastingplichtige zijn recht tot vrijstelling op basis van art. 157, 1°bis, WIB binnen de termijn van art. 277, WIB doet gelden, zal op basis van deze bepaling ontheffing van ambtswege kunnen worden verleend voor zover de bezwaartermijn verstreken is.
Bijlage 1
EXECUTIEVEN
VLAAMSE GEMEENSCHAP
MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP
25 NOVEMBER 1992. - Besluit van de Vlaamse Executieve houdende de regels en bedragen inzake de tegemoetkoming in de kosten van huurkoop of leasing of prefinanciering voor de bouw, aankoop, inrichting en ingebruikname van voorzieningen voor bejaarden .
De Vlaamse Executieve,
Gelet op de decreten inzake voorzieningen voor bejaarden gecoördineerd op 18 december 1991;
Gelet op het akkoord van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, gegeven op 18 november 1992;
Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij wet van 4 juli 1989;
Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
Overwegende dat de noodzakelijke infrastructuur voor de opvang van bejaarden dient te worden verzekerd en dat derhalve de alternatieve subsidiëring dringend operationeel moet worden gemaakt;
Op voorstel van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Gezondheidsinstellingen, Welzijn en Gezin;
Na beraadslaging,
Besluit :
Hoofdstuk 1. - Definities
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
| 1° | Het Vlaams Fonds voor de Bouw van de Ziekenhuizen en Medisch-Sociale instellingen, hierna "het Fonds" genoemd : de autonome rechtspersoon die is opgericht bij decreet van 1 juni 1983. |
| 2° | Het bouwplafond : de maximale kostprijs die voor subsidiëring in aanmerking komt, zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Executieve tot vaststelling voor voorzieningen voor bejaarden van de maximale kostprijs van de werken, leveringen en diensten die voor subsidiëring in aanmerking komen. |
| 3° | De voorlopige erkenning : de vergunning die wordt afgeleverd in uitvoering van het Besluit van de Vlaamse Executieve tot vaststelling van de rechtspleging voor erkenning en sluiting van serviceflatgebouwen, woningcomplexen met dienstverlening en rusthuizen. |
| 4° | De aanvrager : een lokaal bestuur, een VZW of een instelling van openbaar nut in de zin van de wet van 27 juni 1921. |
| 5° | Een bejaardenvoorziening : een serviceflat, een woningcomplex met dienstverlening of een rusthuis. |
| 6° | De financieringsovereenkomst : een overeenkomst van lening, van financiële leasing of van huurkoop. |
| 7° | De financiële instantie : een bank, spaarbank, een openbare kredietinstelling of een leasingmaatschappij. |
| 8° | De Vlaamse Minister : de minister bevoegd voor het bejaardenbeleid zoals bepaald in artikel 5, § 1, II van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. |
| 9° | De tegemoetkoming : de tussenkomst in de financieringsovereenkomst en de waarborgverlening zoals omschreven in dit besluit. |
Hoofdstuk II. - Toepassingsgebied
Art. 2. § 1. Aan de aanvrager die voldoet aan de bepalingen voorzien in artikel 5, § 3, van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 18 december 1991 tot coördinatie van de decreten inzake voorzieningen voor bejaarden kan door het Fonds een tussenkomst verstrekt worden onder de voorwaarden zoals bepaald in dit besluit.
§ 2. In uitvoering van artikel 3, 2°, d, van het decreet van 1 juni 1983 houdende oprichting van het Vlaams Fonds voor de Bouw van de Ziekenhuizen en Medisch-Sociale instellingen kan aan hogergenoemde aanvrager door het Fonds de waarborg verleend worden voor de schuldvorderingen die verband houden met de financiering van de activiteiten waarnaar in § 1 verwezen wordt. De voorwaarden die hiertoe dienen vervuld worden in dit besluit nader omschreven.
Hoofdstuk III. - Omschrijving van de aard van de tegemoetkoming
Afdeling 1. - De tussenkomst in de financieringsovereenkomst
Art. 3. § 1. De tussenkomst in de financieringsovereenkomst wordt vastgesteld op vijf constante postnumerando jaarlijkse annuïteiten die maximaal 285.000 frank (tweehonderd vijfentachtigduizend) per jaar per wooneenheid mag bedragen voor de serviceflats en woningcomplexen met dienstverlening en maximaal 275.000 frank (tweehonderd vijfenzeventigduizend) per jaar per wooneenheid voor de rusthuizen.
§ 2. De in § 1 omschreven annuïteit mag nooit hoger zijn dan de constante postnumerando jaarlijkse annuïteit die berekend wordt op het bedrag van 60 % van de reële bouwkost. Voor de omrekening naar deze lagere constante annuïteit wordt de reële jaarlijkse rentevoet gebruikt die van toepassing is op datum van het afsluiten van de financieringsovereenkomst.
Afdeling 2. - De waarborgverlening
Art. 4. § 1. Op verzoek van de aanvrager kan het Fonds zijn waarborg verlenen voor het niet-gesubsidieerde gedeelte van de reële bouwkosten. De waarborg is evenwel beperkt tot het verschil tussen het bouwplafond en de som van de kapitaalsaandelen omschreven in artikel 3.
Onverminderd de toepassing van het eerste lid heeft de waarborg enkel betrekking op het uitstaande kapitaalsaldo en de vervallen interesten, met uitzondering van de verwijlinteresten en de intercalaire interesten.
Het bedrag van het bouwplafond wordt definitief vastgesteld op de datum van toekenning van de voorlopige erkenning.
§ 2. De toepasselijke rentevoet voor de berekening van de gewaarborgde interesten stemt maximaal overeen met het brutorendement voor de houder op de buitenbeursmarkt van de lineaire obligaties, uitgedrukt in Belgische frank, in het kort OLO's, met een resterende looptijd van 5 jaar volgens de berekening van het Rentenfonds en dit op datum van het afsluiten van de financieringsovereenkomst.
In het geval dat voornoemd rendement met een looptijd van vijf jaar niet beschikbaar is, is het niet afgerond rekenkundig gemiddelde van toepassing van de brutorendementen voor de houder op de buitenbeursmarkt van de lineair obligaties uitgedrukt in Belgische frank, in het kort OLO's, met een resterende looptijd van 4 en 6 jaar, volgens de berekening van het Rentenfonds dit op datum van het afsluiten van de financieringsovereenkomst.
In geval van contractuele herziening van de rentevoet, wordt de datum van het afsluiten van de financieringsovereenkomst vervangen door de datum van de laatste contractuele rentevoetherziening.
Als voornoemde bedoelde data niet op een bankwerkdag vallen, wordt de datum van de eerstvolgende bankwerkdag in aanmerking genomen.
Hoofdstuk IV. - Procedure bij aanvraag tot het bekomen van de tegemoetkoming
Art. 5. § 1. De aanvrager dient te beschikken over een principiële toezegging vanwege de Vlaamse minister waaruit blijkt dat het project kan gerealiseerd worden binnen de perken van het bouwprogramma zoals omschreven in § 2.
De aanvraag tot het bekomen van deze toezegging dient te worden ingediend onder dezelfde vorm als bepaald in de bijlage A.I principieel akkoord van het besluit van de Vlaamse Executieve van 10 juli 1985 tot vaststelling van de criteria en nadere regels volgens dewelke subsidies worden verleend en teruggevorderd voor het bouwen, verbouwen, herconditioneren en inrichten van voorzieningen voor bejaarden en voor het aankopen van gebouwen bestemd om als voorziening voor bejaarden te worden ingericht.
§ 2. Het bouwprogramma bestaat uit het maximum aantal wooneenheden waarvoor de Vlaamse minister een tegemoetkoming mag voorzien.
Voor de periode gaande van 1990 tot 1995 wordt dit programma voor de bejaardenvoorzieningen als volgt vastgesteld :
=============================================== | Aantal eenheden | | ---------------------------------------------| | Jaar | Voor serviceflats | Voor rusthuizen | | | en woningcomplexen | | |------|--------------------|-----------------| | 1990 | 2.000 | - | | 1991 | 1.500 | 1.000 | | 1992 | 750 | 1.000 | | 1993 | 750 | 1.000 | | 1994 | - | 1.000 | | 1995 | - | 1.000 | ===============================================
§ 3. Het saldo van het in § 2 jaarlijks voorziene aantal eenheden wordt op 31 december van elk jaar overgedragen naar het volgend jaar.
§ 4. Nadat het principieel akkoord bekomen werd dient de aanvrager een dossier in dat is samengesteld onder de vorm zoals bepaald in bijlage A.III -Voorontwerp- van hogergenoemd besluit. Bij de opstelling van dit voorontwerp dient de aanvrager te voldoen aan de bepalingen van artikel 3 van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 17 juli 1985 houdende de bijzondere voorwaarden voor de subsidiëring van de investeringsverrichtingen.
Art. 6. § 1. Bij zijn aanvraag tot goedkeuring van het voorontwerp voegt de aanvrager de ontwerp-financieringsovereenkomst.
§ 2. Dit ontwerp bevat een voorlopige afbetalingskalender waarbij het totaal te ontlenen bedrag bepaald wordt op basis van het door de ontwerper berekende raming van de kostprijs van het voorontwerp.
Deze kalender bestaat uit drie luiken die telkens een onderscheid maken tussen kapitaal en interesten.
| 1. | luik één : bevat de tussenkomst in de financieringsovereenkomst zoals omschreven in artikel 3; |
| 2. | luik twee : heeft betrekking op het gedeelte dat door het Fonds gewaarborgd wordt zoals bepaald in artikel 4; |
| 3. | luik drie : heeft betrekking op het gedeelte dat door het Fonds niet gewaarborgd wordt. |
§ 3. Deze ontwerp-financieringsovereenkomst bevat een bepaling waardoor de tussenkomst in de financieringsovereenkomst van het Fonds rechtstreeks door het Fonds aan de financiële instantie zal gebeuren zodat, bij overeenkomst, de overdracht van schuldvordering kan plaatsvinden.
Art. 7. Bij zijn dossier voegt de aanvrager tevens een financieel plan waarbij hij aantoont dat de uitbating ten minste kostendekkend is en een afdoende terugbetalingscapaciteit waarborgt.
De financiële instantie zal hier telkens advies over uitbrengen. Dit advies wordt bij het dossier gevoegd.
Afdeling 3. - Bijkomende voorwaarden in geval van leasing of huurkoop
Art. 8. § 1. Onverminderd hetgeen bepaald is in artikel 6 en artikel 7 zal de ontwerp-overeenkomst inzake leasing bovendien het volgende bevatten :
| 1° | Dat de bejaardenvoorziening wordt opgericht op een onroerend goed dat eigendom is van de aanvrager waarvoor het recht van opstal op dit onroerend goed voor de duur van de overeenkomst wordt verleend. Dit recht van opstal dooft uit op het einde van de overeenkomst zodat de aanvrager zonder enige bijkomende vergoeding eigenaar wordt van de bejaardenvoorziening. |
| 2° | De wijze van terbeschikkingstelling van dit goed aan de financiële instantie. |
| 3° | De verbintenis van de financiële instantie op dit goed een bejaardenvoorziening op te richten dat voldoet aan de ter zake geldende erkenningsnormen en waarvan de bouwontwerpen gehecht zijn aan de overeenkomst. |
| 4° | Het ogenblik waarop de gebouwen zullen ter beschikking worden gesteld van de aanvrager. |
| 5° | De verbintenis vanwege de financiële instantie dat geen werken zullen worden uitgevoerd behoudens uitdrukkelijke goedkeuring van de aanvrager van de detailplannen, lastenkohiers en prijzen. |
§ 2. In uitvoering van dit besluit kunnen modelovereenkomsten inzake financiële leasing op vraag van één of meerdere financiële instanties ter principiële goedkeuring aan de Vlaamse minister worden voorgelegd.
Hoofdstuk V. - Voorwaarden waaronder de tegemoetkomingen worden toegestaan
Art. 9. § 1. Na goedkeuring van het ingediende voorontwerp zal de Vlaamse minister op basis van de ingediende ontwerpfinancieringsovereenkomst aan de aanvrager de toelating geven om met de aangewezen financiële instantie een definitieve overeenkomst af te sluiten.
§ 2. Deze overeenkomst wordt medeondertekend door het Fonds met vermelding van volgende clausule : "Het Fonds verbindt ze zich toe hetzij de tussenkomst en de waarborgverlening gezamenlijk, hetzij de tussenkomst alleen, te verstrekken onder de voorwaarden zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Executieve van 25 november 1992 houdende de regels en bedragen inzake de tegemoetkoming in de kosten van huurkoop of leasing of prefinanciering voor de bouw, aankoop, inrichting en ingebruiknemen van voorzieningen voor bejaarden".
§ 3. Indien de voorlopige erkenning geweigerd wordt vervalt de tegemoetkoming van het Fonds.
§ 4. Indien de waarborg wordt toegestaan zal hij pas uitwerking hebben vanaf de datum van betaling door de financiële instantie van een bijdrage aan het Fonds die wordt vastgesteld op 0,35 ten honderd op het bedrag van het gewaarborgd krediet, zoals vastgesteld op datum van de toekenning van de voorlopige erkenning, te verhogen met 0,015 ten honderd per jaar duurtijd van het krediet.
Deze bijdrage wordt gestort binnen de 30 kalenderdagen te rekenen vanaf de datum van toekenning van de voorlopige erkenning.
Indien de bijdrage niet gestort wordt binnen hogergenoemde termijn, vervalt de waarborg van het Fonds.
Op gemotiveerde aanvraag van de financiële instantie, kan het Fonds, in uitzonderlijke omstandigheden, afwijken van hogergenoemde vervaltermijn.
§ 5. De financiële instantie zal geen hypothecair mandaat verlijden noch een hypothecaire inschrijving nemen noch overgaan tot vervroegde opeising van de lening dan mits schriftelijke toestemming van het Fonds.
De financiële instantie is er toe gehouden bij niet naleving van de afbetalingskalender door de ontlener het Fonds binnen een periode van zes weken na de vervaldag bij aangetekend schrijven op de hoogte te brengen.
Indien aan de bepalingen voorzien in lid 1 en lid 2 niet wordt voldaan vervalt de waarborgverlening door het Fonds.
Hoofdstuk VI. - Betaling van de tussenkomst
Art. 10. § 1. Nadat de voorlopige erkenning is toegestaan brengt de aanvrager de financiële instantie hiervan op de hoogte.
De financiële instantie stuurt vervolgens de afbetalingskalender van de tot op de datum van voorlopige erkenning opgenomen bedragen naar het Fonds.
Deze afbetalingskalender volgt precies dezelfde voorstellingswijze zoals omschreven in artikel 6 waarbij voorzien wordt dat de eerste betaling van het Fonds gebeurt één jaar na datum van toekenning van de voorlopige erkenning.
§ 2. Deze aanvraag tot betaling van de tussenkomst bevat een dossier met alle nodige stavingsstukken waaruit blijkt dat de opgenomen gelden werden gebruikt voor de betaling van de uitgevoerde werken.
Hoofdstuk VII. - Toezichtsregeling
Art. 11. De ambtenaren van de Vlaamse Gemeenschap hebben ten allen tijde toegang tot de bouwwerken en de gerealiseerde wooneenheden ten einde de nodige controles uit te voeren inzake naleving van de bouw- en erkenningsvoorschriften alsook inzake het gebruik der gebouwen.
Art. 12. De gebouwen waarvoor een tegemoetkoming werd verstrekt mogen gedurende 20 jaar, behoudens andersluidende toestemming van de Vlaamse minister, voor geen andere doelstellingen worden aangewend dan om als bejaardenvoorziening te worden uitgebaat door een inrichtende instantie die subsidieerbaar is krachtens het besluit van de Vlaamse Executieve van 18 december 1991 tot coördinatie van de decreten inzake de voorzieningen voor bejaarden.
Bij afwending van deze doelstelling dient onmiddellijk elke toelage die overeenkomstig dit besluit werd toegekend teruggestort aan het Fonds.
Hoofdstuk VIII. - Slotbepalingen
Art. 13. Op datum van inwerkingtreding van dit besluit worden volgende besluiten opgeheven :
Het besluit van de Vlaamse Executieve van 4 april 1990 houdende de regels en bedragen inzake subsidiëring als tussenkomst in de kosten van huurkoop of leasing of prefinanciering voor het bouwen, inrichten en ingebruiknemen van serviceflatgebouwen en woningcomplexen met dienstverlening.
Het besluit van de Vlaamse Executieve van 27 februari 1991 houdende de regels en bedragen inzake de subsidiëring als tussenkomst in de kosten van huurkoop of leasing of prefinanciering voor het bouwen, inrichten en ingebruiknemen van rusthuizen.
Art. 14. Bij wijze van overgang worden de aanvragen die voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit de toelating hebben gekregen voorzien in artikel 4, § 2, van hogergenoemde op te heffen besluiten verder behandeld volgens de bepalingen van deze besluiten.
Art. 15. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het gepubliceerd wordt in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van art. 4 dat in werking treedt met ingang van 1 april 1990.
Art. 16. De Vlaamse minister bevoegd voor Welzijn en Gezin is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 25 november 1992.
De minister-president van de Vlaamse regering,
L. VAN DEN BRANDE.
De Vlaamse minister van Financiën en Begroting,
Gezondheidsinstellingen, Welzijn en Gezin,
| Mevr. | W. DEMEESTER - DE MEYER. |
Bijlage 2a
EXECUTIEVEN
VLAAMSE GEMEENSCHAP
MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP
5 MAART 1985. - Decreet houdende regeling van de erkenning en subsidiëring van voorzieningen voor bejaarden.
De Vlaamse Raad heeft aangenomen en Wij, Executieve, bekrachtigen hetgeen volgt :
Hoofdstuk I. - Inleidende bepalingen
Artikel 1. Dit decreet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 59bis van de Grondwet.
Art. 2. Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder :
| 1° | ondergeschikt bestuur : een provincie, een gemeente, een vereniging van gemeenten, een agglomeratie, een federatie van gemeenten, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een intercommunaal openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een vereniging bedoeld bij artikel 118 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Voor de toepassing van dit decreet worden gelijkgesteld met een ondergeschikt bestuur : de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting, de Nationale Landmaatschappij en de door hen erkende vennootschappen; |
| 2° | bejaarden : personen van 60 jaar of ouder; |
| 3° | woning voor bejaarden : een huis, een deel van een huis of een appartement, dat door een ondergeschikt bestuur speciaal gebouwd of ingericht is als individuele woongelegenheid voor bejaarden; |
| 4° | dienstencentrum : een centrum dat er inzonderheid voor zorgt dat diensten van materiële, hygiënische en sociale aard worden verleend aan bejaarden van een wijk, teneinde hen te helpen zo lang mogelijk hun zelfstandigheid en hun geïntegreerdheid in de gemeenschap te behouden; |
| 5° | serviceflatgebouw en woningcomplex met dienstverlening : één of meer gebouwen die, onder welke benaming ook, functioneel een geheel vormen, bestaande uit individuele woongelegenheden waar bejaarden zelfstandig wonen en uit gemeenschappelijke voorzieningen voor dienstverlening waarop zij facultatief een beroep kunnen doen; |
| 6° | rusthuis : één of meer gebouwen die functioneel een inrichting voor collectief verblijf vormen waar, onder welke benaming ook, aan bejaarden die er op duurzame wijze verblijven, huisvesting wordt gegeven alsmede geheel of gedeeltelijk, de gebruikelijke gezins- en huishoudelijke verzorging; |
| 7° | de Executieve : de Vlaamse Executieve; |
| 8° | de Hoge raad : de Vlaamse Hoge raad voor de derde leeftijd. |
Hoofdstuk II. - Subsidiëring van investeringsverrichtingen
Afdeling I. - Woningen voor bejaarden
Art. 3. § 1. Ten laste van het Vlaams Fonds voor de bouw van ziekenhuizen en medisch-sociale instellingen kunnen binnen de perken van de goedgekeurde begrotingskredieten, subsidies worden toegekend aan ondergeschikte besturen voor het bouwen en verbouwen van woningen voor bejaarden. Het bedrag van de subsidie is vastgesteld op 60 ten honderd van de kostprijs van de werken, leveringen en diensten die door de Executieve werden goedgekeurd.
Voor subsidiëring kan eveneens in aanmerking komen, de aankoop, door ondergeschikte besturen, van gebouwen bestemd om als woning voor bejaarden te worden ingericht. Het bedrag van deze subsidie is vastgesteld op 60 ten honderd van de aankoopprijs van het gebouw, vermeerderd met de kosten van de aanpassingswerken.
Behalve indien het de aankoop van een nieuwbouw betreft door een ondergeschikt bestuur, gebouwd door een erkende huisvestigingsmaatschappij in samenwerking met het ondergeschikt bestuur, is het maximumbedrag dat als basis dient voor de subsidiëring van de aankoop en de aanpassingswerken gelijk aan 75 ten honderd van de maximumkostprijs die door de Executieve wordt vastgesteld voor de subsidiëring van de bouw van woningen voor bejaarden.
§ 2. Om voor subsidiëring in aanmerking te komen moeten de woningen voor bejaarden aan de volgende voorwaarden voldoen :
| 1° | passen in het kader van het programma dat door de Executieve wordt bepaald, na advies van de Hoge raad; |
| 2° | zodanig zijn ingeplant dat de bewoners in de lokale gemeenschap geïntegreerd blijven; |
| 3° | beantwoorden aan de voorwaarden die door de Executieve worden vastgesteld, na advies van de Hoge raad. |
De aanvrager van de subsidie moet zich ertoe verbinden de criteria en de voorwaarden volgens welke de woningen voor bejaarden zullen worden toegewezen, aan de Executieve ter goedkeuring voor te leggen.
Afdeling II. - Dienstencentra
Art. 4. § 1. Ten laste van het Vlaams Fonds voor de bouw van ziekenhuizen en medisch-sociale instellingen kunnen binnen de perken van de goedgekeurde begrotingskredieten subsidies worden toegekend aan ondergeschikte besturen, aan verenigingen zonder winstoogmerk en aan instellingen van openbaar nut in de zin van de wet van 27 juni 1921, voor het bouwen, verbouwen en inrichten van dienstencentra. Het bedrag van de subsidie is vastgesteld op 60 ten honderd van de kostprijs van de werken, leveringen en diensten die, rekening gehouden met de geplande activiteiten en met potentiële gebruikers van het dienstencentrum, door de Executieve werden goedgekeurd.
Voor subsidiëring kan eveneens in aanmerking komen, de aankoop, door voormelde ondergeschikte besturen, verenigingen zonder winstoogmerk en instellingen van openbaar nut, van gebouwen bestemd om als dienstencentrum te worden ingericht. Het bedrag van deze subsidie is vastgesteld op 60 ten honderd van de aankoopprijs van het gebouw, vermeerderd met de kostprijs van de aanpassingswerken.
Behalve indien het de aankoop van een nieuwbouw betreft door een ondergeschikt bestuur, gebouwd door een erkende huisvestigingsmaatschappij in samenwerking met het ondergeschikt bestuur, is het maximumbedrag dat als basis dient voor de subsidiëring van de aankoop en de aanpassingswerken gelijk aan 75 ten honderd van de maximumkostprijs die door de Executieve wordt vastgesteld voor een gebouw met eenzelfde oppervlakte.
§ 2. Om voor subsidiëring in aanmerking te komen moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan :
| 1° | de inplanting van het dienstencentrum moet passen in het kader van het programma dat door de Executieve wordt vastgesteld, na advies van de Hoge raad; |
| 2° | de inrichters moeten er zich toe verbinden het gebouw te bestemmen als dienstencentrum overeenkomstig de erkenningsvoorwaarden van dit decreet; |
| 3° | beantwoorden aan de voorwaarden die door de Executieve worden vastgelegd, na advies van de Hoge raad. |
Afdeling III. - Serviceflatgebouwen en woningcomplexen met dienstverlening en rusthuizen
Art. 5. § 1. Ten laste van het Vlaams Fonds voor de bouw van ziekenhuizen en medisch-sociale instellingen kunnen binnen de perken van de goedgekeurde begrotingskredieten subsidies worden toegekend aan ondergeschikte besturen, aan verenigingen zonder winstoogmerk en aan instellingen van openbaar nut in de zin van de wet van 27 juni 1921, voor het bouwen, het verbouwen, het herconditioneren en het inrichten van serviceflatgebouwen en woningcomplexen met dienstverlening en rusthuizen.
Het bedrag van de subsidie is als volgt vastgesteld :
| 1° | voor de serviceflatgebouwen en woningcomplexen met dienstverlening en de rusthuizen : 60 ten honderd van de kostprijs van de werken, leveringen en diensten die door de Executieve werden goedgekeurd; |
| 2° | voor de rusthuizen : 90 ten honderd van de kostprijs van de werken, leveringen en diensten die onontbeerlijk zijn om de inrichting, die reeds vóór 1 januari 1976 een bestemming had als rusthuis, in overeenstemming te brengen met de veiligheidsnormen betreffende de rusthuizen voor bejaarden. De Executieve stelt de regels vast volgens welke de onontbeerlijkheid van de genoemde werken wordt bepaald. |
Voor subsidiëring kan eveneens in aanmerking komen, de aankoop, door voormelde ondergeschikte besturen, verenigingen zonder winstoogmerk en instellingen van openbaar nut, van gebouwen bestemd om als serviceflatgebouw en woningcomplex met dienstverlening, of als rusthuis te worden ingericht.
Het bedrag van deze subsidie is vastgesteld op 60 ten honderd van de aankoopprijs van het gebouw, vermeerderd met de kostprijs van de aanpassingswerken.
Behalve indien het de aankoop van een nieuwbouw betreft door een ondergeschikt bestuur, gebouwd door een erkende huisvestigingsmaatschappij in samenwerking met het ondergeschikt bestuur, is het maximumbedrag dat als basis dient voor de subsidiëring van de aankoop en de aanpassingswerken gelijk aan 75 ten honderd van de maximumkostprijs die door de Executieve wordt vastgesteld voor een gebouw met eenzelfde opnamecapaciteit.
§ 2. Om voor subsidiëring in aanmerking te komen moet de in § 1 bedoelde inrichting aan de volgende voorwaarden voldoen :
| 1° | passen in het kader van het programma dat door de Executieve wordt vastgesteld, na advies van de Hoge raad; |
| 2° | ingeplant zijn in of bij een bewoonde wijk; |
| 3° | ten minste 10 individuele woongelegenheden omvatten wanneer het een serviceflatgebouw en een woningcomplex met dienstverlening betreft en 40 bejaarden kunnen herbergen wanneer het een rusthuis betreft; dit laatste aantal wordt tot 30 teruggebracht wanneer het rusthuis in combinatie met een serviceflatgebouw en een woningcomplex met dienstverlening wordt opgericht; |
| 4° | beantwoorden aan de voorwaarden die door de Executieve worden vastgelegd, na advies van de Hoge raad; |
| 5° | de aanvragers moeten een verklaring overleggen waarbij zij zich ertoe verbinden aan alle erkenningsvoorwaarden te zullen voldoen. |
Afdeling IV. - Gemeenschappelijke bepalingen
Art. 6. De Executieve bepaalt tot welk maximumbedrag de kostprijs van werken, leveringen en diensten voor subsidiëring in aanmerking komt. Dat maximumbedrag omvat de belasting op de toegevoegde waarde en de algemene kosten.
Bij het bepalen van dat maximumbedrag wordt rekening gehouden met de schommelingen van de lonen van de werknemers en de daaraan verbonden sociale lasten, alsmede met de schommelingen van de prijzen van de materialen en die van de van toepassing zijnde belastingen en taksen.
Art. 7. De bestemming van de gebouwen vermeld onder artikel 3, 4 en 5 waarvoor een subsidie wordt verleend, mag niet worden gewijzigd zonder het voorafgaand akkoord van de Executieve, op straffe van terugbetaling van de als subsidie ontvangen sommen.
Art. 8. De Executieve bepaalt de criteria en de nadere regelen volgens welke de subsidies worden verleend en teruggevorderd, na advies van de Hoge raad.
Hoofdstuk III. - Voorafgaande vergunningen
Art. 9. Het bouwen van een serviceflatgebouw en woningcomplex met dienstverlening of van een rusthuis, het als dusdanig inrichten of in gebruik nemen van een bestaand gebouw en het wijzigen van de capaciteit, zijn onderworpen aan de voorafgaande vergunning van de Executieve volgens de regels die zij bepaalt, na advies van de Hoge raad.
De vergunning kan niet worden verleend wanneer het initiatief niet past in het kader van het programma dat door de Executieve is vastgesteld, na advies van de Hoge raad.
Hoofdstuk IV. - Erkenning en subsidiëring van de werking van dienstencentra
Art. 10. § 1. Om als dienstencentrum erkend te worden en te blijven moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan.
Het centrum moet :
| 1° | opgericht zijn door een ondergeschikt bestuur, door een vereniging zonder winstoogmerk of door een instelling van openbaar nut in de zin van de wet van 27 juni 1921; |
| 2° | passen in het kader van het programma bedoeld in artikel 4, § 2, 1°; |
| 3° | centraal gelegen zijn in de te bedienen wijk en ten minste 32 uur per week openstaan als opvang- en ontmoetingscentrum voor bejaarden, met een passende spreiding over alle werkdagen; |
| 4° | de ideologische, filosofische en godsdienstige overtuiging eerbiedigen van de personen die een beroep doen op het centrum; |
| 5° | de volgende dienstverlening in het bereik brengen van de bejaarden, door op de medewerking van bestaande instellingen of diensten een beroep te doen, of door ernaar te verwijzen, of door ze zelf te organiseren indien er in het kader van de bestaande reglementering geen voorzieningen zijn erkend om plaatselijk deze dienstverlening te verstrekken : |
- gezins- en huishoudelijke verzorging;
- lichaamsverzorging;
- informatie en sociale dienstverlening;
- materiële hulp.
§ 2. De aanvrager moet :
| 1° | een centrumraad oprichten waarin vertegenwoordigers zitting hebben : |
- van de gebruikers;
- van lokale afdelingen of groepen van erkende organisaties voor sociaal- cultureel vormingswerk voor volwassenen in verenigingsverband, die zich inzonderheid richten tot bejaarden;
- van verenigingen en voorzieningen die zich plaatselijk met bejaarden inlaten.
De samenstelling en de bevoegdheid van deze raad worden door de Executieve bepaald;
| 2° | een afzonderlijke boekhouding aanleggen volgens de regels door de Executieve te bepalen. |
Art. 11. Aan de erkende dienstencentra kan, binnen de perken van de goedgekeurde begrotingskredieten, een werkingstoelage worden verleend waarvan het bedrag en de criteria volgens welke zij worden toegekend, door de Executieve worden vastgesteld.
Art. 12. De erkenning wordt verleend, geweigerd, geschorst of ingetrokken door de Executieve, volgens de regels die zij bepaalt, na advies van de Hoge raad.
Hoofdstuk V. - Erkenning van serviceflatgebouwen en woningcomplexen met dienstverlening en rusthuizen
Art. 13. § 1. Ieder in artikel 2 omschreven serviceflatgebouw en woningcomplex met dienstverlening of rusthuis is onderworpen aan de erkenning door de Executieve.
§ 2. Deze erkenning geldt slechts voor de inrichting waarvoor ze is toegekend en voor een periode van minimum 2 en van maximum 10 jaar. Ze kan worden vernieuwd.
Ze wordt verleend, geweigerd, geschorst of ingetrokken door de Executieve onder de voorwaarden en in de vormen die zij bepaalt, na advies van de Hoge raad.
§ 3. De erkenning moet worden vermeld op alle akten, facturen, brieven, bestelbiljetten en andere soortgelijke stukken uitgaande van de inrichting.
Art. 14. Geen serviceflatgebouw en woningcomplex met dienstverlening of rusthuis mag worden geëxploiteerd dan met inachtneming van de op advies van de Hoge raad door de Executieve vastgestelde normen.
Deze normen hebben onder meer betrekking op :
| 1° | het opnamebeleid; |
| 2° | het onthaal van de bejaarden; |
| 3° | de vrijheid van de in de inrichting verblijvende personen en de eerbiediging van hun ideologische, filosofische of godsdienstige overtuiging; |
| 4° | de voeding, de hygiëne en de te verstrekken zorg; |
| 5° | het gebouw; |
| 6° | de veiligheid; |
| 7° | het aantal en de kwalificatie van de personen werkzaam in de inrichting; |
| 8° | de inspraak van de bejaarden; |
| 9° | het onderzoek en het behandelen van de klachten van de bewoners; |
| 10° | het reglement van orde; |
| 11° | de boekhouding. |
Art. 15. De serviceflatgebouwen en woningcomplexen met dienstverlening en de rusthuizen waarvoor voor de eerste maal een aanvraag tot erkenning wordt ingediend, kunnen voorlopig erkend worden.
De voorlopige erkenning geldt voor een periode van één jaar die aanvangt op de dag van de ontvangst van de aanvraag. Op gemotiveerd verzoek van de aanvrager kan de voorlopige erkenning worden verlengd met een eenmalige periode van één jaar.
De Executieve bepaalt, na het advies van de Hoge raad te hebben ingewonnen, de voorwaarden waaraan moet worden voldaan en de wijze waarop de voorlopige erkenning zal worden toegekend.
Art. 16. De Executieve kan, bij een gemotiveerde beslissing, de sluiting bevelen van ieder in artikel 2 omschreven serviceflatgebouw en woningcomplex met dienstverlening of rusthuis wanneer die niet beantwoordt aan de bij dit decreet of krachtens dit decreet bepaalde voorwaarden.
De procedure inzake sluiting wordt door de Executieve bepaald, na advies van de Hoge raad.
Hoofdstuk VI. - Verweermiddelen
Art. 17. De Executieve bepaalt de wijze waarop de aanvrager een verweerschrift kan indienen tegen het voornemen van de Executieve tot weigering van de voorafgaande vergunning zoals bedoeld in artikel 9, tot weigering, schorsing of intrekking van de erkenning zoals bedoeld in artikelen 12, 13 en 15, en tot sluiting zoals bedoeld in artikel 16.
Hoofdstuk VII. - Toezicht
Art. 18. § 1. De door de Executieve aangewezen ambtenaren van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap oefenen toezicht uit op de toepassing van de bepalingen van dit decreet en van de krachtens dit decreet genomen besluiten; dit toezicht brengt het recht mede de inrichting te bezoeken en ter plaatse zelf kennis te nemen van alle stukken en bescheiden die noodzakelijk zijn in de uitoefening van hun ambt.
§ 2. Zij stellen de overtredingen vast in processen-verbaal die bewijskracht hebben tot het tegenbewijs. Afschrift wordt de overtreders toegezonden uiterlijk binnen zeven vrije dagen na vaststelling van de overtreding.
Hoofdstuk VIII. - Strafbepalingen
Art. 19. § 1. Onverminderd de toepassing van de in het Strafwetboek gestelde straffen, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van 26 frank tot 2.000 frank of met één van die straffen alleen :
| 1° | hij die met overtreding van artikel 9 een serviceflatgebouw, een woningcomplex met dienstverlening of een rusthuis bouwt, in een bestaand gebouw inricht, in gebruik neemt of de opnamecapaciteit ervan wijzigt zonder voorafgaande vergunning te hebben bekomen; |
| 2° | hij die met overtreding van artikelen 13 of 15 een serviceflatgebouw, een woningcomplex met dienstverlening of een rusthuis exploiteert zonder erkenning te hebben bekomen; |
| 3° | hij die met overtreding van artikel 16 een inrichting exploiteert waaromtrent een sluitingsmaatregel is genomen. |
Bij herhaling binnen twee jaar vanaf het tijdstip waarop een vonnis waarbij een veroordeling wegens een van de bij dit artikel bedoelde misdrijven uitgesproken is, in kracht van gewijsde is gegaan, kunnen de straffen worden verdubbeld.
§ 2. De natuurlijke personen of de rechtspersonen die met overtreding van de bepalingen van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan een inrichting exploiteren, zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de geldboeten en gerechtskosten waartoe hun aangestelde of lasthebbers worden veroordeeld.
§ 3. Alle bepalingen van Boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn op de in dit decreet bepaalde misdrijven toepasselijk.
De hoven en de rechtbanken kunnen bovendien de dader van het misdrijf verbieden een inrichting te exploiteren, zowel persoonlijk als door een tussenpersoon, gedurende een door hen te bepalen periode. Het verbod treedt in werking acht vrije dagen na het betekenen van de veroordeling.
Overtreding van dit verbod wordt met gevangenisstraf van één maand tot zes maanden gestraft.
Hoofdstuk IX. - Slot- en overgangsbepalingen
Art. 20. Opgeheven worden wat de Vlaamse Gemeenschap betreft :
| 1° | de wet van 12 juli 1966 op de rustoorden voor bejaarden, gewijzigd door de wet van 10 mei 1967; |
| 2° | de wet van 22 maart 1971 tot subsidiëring van de bouw van rustoorden voor bejaarden, gewijzigd door de wet van 15 juli 1976; |
| 3° |
artikel 4, 2°, a, van het besluit van de Regent van 2 juli 1949 betreffende de staatstussenkomst inzake toelagen voor het uitvoeren van werken door de provincies, gemeenten, verenigingen van gemeenten, commissies van openbare onderstand, kerkfabrieken en verenigingen van polders of van wateringen, in zoverre die bepaling "oude-mannenhuizen" of "woningen voor bejaardengezinnen" betreft; |
| 4° | het koninklijk besluit van 15 april 1977 betreffende de dienstencentra; |
| 5° | het koninklijk besluit van 18 april 1977 voor het toekennen van toelagen, in het Vlaamse Gewest, voor de oprichting van dienstencentra. |
Art. 21. De Executieve kan afwijken van het in artikel 9, tweede lid, bedoelde programma, wanneer de aanvrager van de voorafgaande vergunning het bewijs levert dat het bouwen van een serviceflatgebouw, van een woningcomplex met dienstverlening of van een rusthuis, het als dusdanig inrichten of in gebruik nemen van een bestaand gebouw, een aanvang hebben genomen vóór 1 januari 1985 of, vóór die datum, het voorwerp zijn geweest van een bouwvergunning of van een principieel akkoord vanwege de bevoegde Minister.
De voorafgaande vergunning bedoeld in artikel 9, eerste lid, is niet vereist wanneer de werken vóór 1 januari 1985 het voorwerp zijn geweest van ten minste een door de bevoegde Minister goedgekeurd voorontwerp.
Art. 22. § 1. Alleen de thans bestaande rusthuizen die erkend zijn overeenkomstig de bepalingen van de wet van 12 juli 1966 op de rustoorden voor bejaarden, gewijzigd door de wet van 10 mei 1967, blijven erkend voor een periode van drie jaar.
§ 2. De niet erkende rusthuizen die vóór de datum van de bekendmaking van dit decreet, een aanvraag voor erkenning hebben ingediend, kunnen voorlopig worden erkend voor zover zij voldoen aan de voorwaarden waarin door artikel 15, derde lid van dit decreet is voorzien.
Art. 23. In afwachting van de inwerkingtreding van het decreet van 1 juni 1983 houdende oprichting van het Vlaams Fonds voor de bouw van ziekenhuizen en medisch-sociale instellingen, neemt het Fonds voor de bouw van ziekenhuizen en medisch-sociale inrichtingen, opgericht bij de wet van 6 juli 1973, de in dit decreet aan het voornoemd Vlaams Fonds toegewezen functies waar.
Art. 24. De Vlaamse Executieve bepaalt de datum van inwerkingtreding van dit decreet.
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 5 maart 1985.
De Voorzitter van de Vlaamse Executieve,
G. GEENS.
De Gemeenschapsminister van Gezin en Welzijnszorg,
R. STEYAERT.
Bijlage 2b
13 APRIL 1988. - Decreet tot wijziging van het decreet van 5 maart 1985 houdende regeling van de erkenning en subsidiëring van voorzieningen voor bejaarden.
De Vlaamse Raad heeft aangenomen en Wij, Executieve, bekrachtigen hetgeen volgt :
Artikel 1. Dit decreet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 59bis van de Grondwet.
Art. 2. In artikel 14, tweede lid, van het decreet van 5 maart 1985 houdende regeling van de erkenning en subsidiëring van voorzieningen voor bejaarden, wordt het 6°, dat door het Arbitragehof bij arrest nr. 40 van 15 oktober 1987 werd vernietigd, opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
| "6° | de specifieke veiligheidsaspecten voor bejaardenvoorzieningen"; |
Art. 3. Artikel 22 van het voornoemde decreet van 5 maart 1985 wordt opgeheven.
Art. 4. § 1. De niet erkende rusthuizen die, voor het van kracht worden van dit besluit dat zal worden getroffen ter uitvoering van artikel 14, tweede lid, 6°, van het voornoemde decreet van 5 maart 1985, zoals gewijzigd door artikel 2 van dit decreet, een aanvraag voor erkenning indienen, kunnen voorlopig worden erkend, voor zover zij voldoen aan de voorwaarden waarin door artikel 15, derde lid, van het voornoemde decreet van 5 maart 1985 is voorzien.
§ 2. Blijven erkend tot 1 september 1989 :
| 1° | de rusthuizen die op 1 september 1985 bestonden en nog genoten van een erkenning overeenkomstig de bepalingen van de wet van 12 juli 1966 op de rustoorden voor bejaarden, gewijzigd door de wet van 10 mei 1967; |
| 2° | de rusthuizen die overeenkomstig het voornoemde decreet van 5 maart 1985 zijn erkend, voor zover hun erkenning verloopt vóór 1 september 1989; |
| 3° | de rusthuizen aan wie een voorlopige erkenning werd verleend op grond van het voornoemde decreet van 5 maart 1985. |
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 13 april 1988.
De Voorzitter van de Vlaamse Executieve,
G. GEENS.
De Gemeenschapsminister van Welzijn, Gezin en Volksgezondheid,
J. LENSSENS.
Bijlage 2c
20 FEBRUARI 1991. - Decreet tot wijziging van het decreet van 5 maart 1985 houdende regeling van de erkenning en subsidiëring van voorzieningen voor bejaarden.
De Vlaamse Raad heeft aangenomen en Wij, Executieve, bekrachtigen hetgeen volgt :
Artikel 1. Dit decreet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 59bis van de Grondwet.
Art. 2. In de artikelen 2, 3, 4 en 5 van het decreet van 5 maart 1985 houdende regeling van de erkenning en subsidiëring van voorzieningen voor bejaarden worden de woorden "ondergeschikt bestuur" en de woorden "ondergeschikte besturen" vervangen door de woorden "lokale of provinciale besturen".
Art. 3. In artikel 2 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
| 1° | in 1° worden de woorden "de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting, de Nationale Landmaatschappij" vervangen door de woorden "Vlaamse Huisvestingsmaatschappij" en wordt het woord "hen" dat de woorden "erkende vennootschappen" voorafgaat, vervangen door "haar"; |
| 2° | 7° wordt 8° en 8° wordt 9°; |
| 3° |
een 7° wordt ingevoegd dat luidt als volgt :
"7° dagverzorgingscentrum : een gebouw of een gedeelte van een gebouw,
|
onder welke benaming ook, waar aan bejaarden zonder overnachting, dagverzorging wordt gegeven alsmede geheel of gedeeltelijk, de gebruikelijke gezins- en huishoudelijke verzorging;"
Art. 4. Het opschrift van afdeling III van hetzelfde decreet wordt vervangen door het volgende opschrift : "Afdeling III - Serviceflats en woningcomplexen met dienstverlening, rusthuizen en dagverzorgingscentra".
Art. 5. In artikel 5 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 20 december 1989, worden volgende wijzigingen aangebracht :
| 1° | in § 1, eerste lid worden de woorden "en rusthuizen" vervangen door de woorden "rusthuizen en dagverzorgingscentra"; |
| 2° | in § 1, tweede lid, 1° worden de woorden "en de rusthuizen" vervangen door de woorden "de rusthuizen en de dagverzorgingscentra"; |
| 3° | § 1. tweede lid, 2° wordt vervangen door de volgende bepaling : |
"2° voor de rusthuizen die reeds vóór 1 januari 1976 een bestemming als rusthuis hadden : 90 ten honderd van de kostprijs van de werken, leveringen en diensten die onontbeerlijk zijn om de inrichting in overeenstemming te brengen met de veiligheidsnormen betreffende de rusthuizen voor bejaarden, op voorwaarde dat vóór 31 december 1992, met betrekking tot het in overeenstemming brengen van de inrichting met de voornoemde veiligheidsnormen, een volgens de door de Executieve vastgestelde regels opgemaakt ontwerp ter goedkeuring aan de Administratie voor Gezin en Maatschappelijk Welzijn wordt voorgelegd. De Executieve stelt de regels vast volgens welke de genoemde werken als onontbeerlijk worden beschouwd.";
| 4° | in § 1, derde lid worden de woorden "of als rusthuis" vervangen door de woorden "als rusthuis of als dagverzorgingscentrum"; |
| 5° | § 2, 3° wordt aangevuld als volgt : |
"met dien verstande dat de totale capaciteit voor wat serviceflats betreft niet meer dan 90 en voor wat rusthuizen betreft niet meer dan 180 wooneenheden mag bedragen. Deze maxima zij evenwel niet van toepassing voor initiatieven waarvoor op datum van inwerkingtreding van deze bepaling, reeds een voorafgaande vergunning werd afgeleverd of die in de programmatie zijn opgenomen;";
| 6° | § 2 wordt aangevuld als volgt : |
"6° wat de dagverzorgingscentra betreft : geïntegreerd zijn in een rusthuis of gelegen zijn in de onmiddellijke nabijheid ervan;
7° de Executieve kan van de in 6° bepaalde voorwaarden afwijken ten aanzien van andere krachtens dit decreet erkende voorzieningen.".
Art. 6. Een artikel 5bis wordt ingevoerd dat luidt als volgt :
"Artikel 5bis. De Vlaamse Executieve, kan volgens de modaliteiten bepaald in artikel 5, § 1 en § 2, 1°, 2°, 4° en 5° andere vormen van huisvesting, verzorging en dienstverlening aan bejaarden, georganiseerd door een krachtens dit decreet erkende inrichting subsidiëren.".
Art. 7. In artikel 9 van bovenvermeld decreet worden volgende wijzigingen aangebracht :
| 1° | in het eerste lid worden de woorden "of van een rusthuis" vervangen door de woorden "van een rusthuis of een dagverzorgingscentrum"; |
| 2° | een derde lid wordt toegevoegd luidend als volgt : |
"Aanpassing van dit programma kan door de Executieve, volgens de, na advies van de Hoge Raad, door haar bepaalde regels worden toegestaan op basis van subregionale en plaatselijke behoeften aan bejaardenvoorzieningen.".
Art. 8. Het opschrift van hoofdstuk V van hetzelfde decreet wordt vervangen door het volgende opschrift :
"Hoofdstuk V. - Erkenning en subsidiëring van de werking van serviceflatgebouwen en woningcomplexen met dienstverlening, rusthuizen en dagverzorgingscentra".
Art. 9. In artikel 13 worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 worden de woorden "of rusthuis" vervangen door de woorden "rusthuis of dagverzorgingscentrum";
2° een § 4 wordt toegevoegd luidend als volgt :
"§ 4. De Vlaamse Executieve kan andere vormen van huisvesting, verzorging en dienstverlening aan bejaarden, georganiseerd door een krachtens dit decreet erkende inrichting, erkennen voor zover is voldaan aan de op basis van artikel 14 vastgestelde normen.".
| Art. | 10. In artikel 14 worden volgende wijzigingen aangebracht : |
| 1° | in het eerste lid worden de woorden "of rusthuis" vervangen door de woorden "rusthuis of dagverzorgingscentrum"; |
| 2° | het tweede lid, 1°, wordt vervangen door de volgende bepaling : |
| "1° | het opname- en ontslagbeleid"; |
| 3° | het tweede lid wordt aangevuld als volgt : |
"12° voor de rusthuizen : de samenstelling en het maximaal bedrag van de aan de bejaarde aangerekende dagprijs.";
4° in dit artikel, waarvan de huidige tekst § 1 zal vormen, wordt een § 2 ingevoegd luidend als volgt :
"§ 2. De exploitatie dient te gebeuren door één enkele natuurlijke of rechtspersoon. Deze is zowel verantwoordelijk voor de individuele opnames of verhuring als voor de organisatie van de zorg- en dienstverlening.".
Art. 11. Een artikel 14bis, luidend als volgt, wordt in hetzelfde decreet ingevoegd :
"Artikel 14bis. Aan de erkende dagverzorgingscentra kan, binnen de perken van de goedgekeurde begrotingskredieten, een forfaitaire werkingstoelage worden verleend waarvan het bedrag en criteria volgens welke zij worden toegekend, door de Executieve wordt vastgelegd."
Art. 12. In artikel 15, eerste lid van hetzelfde decreet worden de woorden "en de rusthuizen" vervangen door de woorden "de rusthuizen en de dagverzorgingscentra".
Art. 13. Een artikel 15bis wordt ingevoegd dat luidt als volgt :
"Artikel 15bis. In afwijking van de artikels 13, 14 en 15 van het decreet kunnen serviceflatgebouwen en woningcomplexen met dienstverlening en rusthuizen, die het bewijs inzake het naleven van de geldende bepalingen betreffende de veiligheidsmaatregelen die toepasselijk zijn voor dergelijke gebouwen niet kunnen voorleggen, worden erkend, of in voorkomens geval voorlopig erkend, mits aan volgende voorwaarden is voldaan :
| 1° | voldoen aan alle op basis van artikels 14 en 15 van het decreet uitgevaardigde voorwaarden en normen, uitgezonderd de veiligheidsaspecten; |
| 2° | het kunnen voorleggen van een attest van de bevoegde burgemeester, na advies van de territoriaal bevoegde brandweerdienst, waarin alle maatregelen dienen te worden opgesomd die enerzijds onmiddellijk dienen te worden genomen, teneinde tijdelijk de veiligheid van de verblijfhouders te waarborgen en anderzijds de maatregelen die dienen uitgevoerd teneinde deze gebouwen conform te maken aan de geldende veiligheidsnormen; |
| 3° |
ofwel dat de werken betreffende de veiligheidsnormen werden aangevat en op normale wijze worden voortgezet;
ofwel een volgens de door de Executieve vastgestelde regels opgemaakt ontwerp met betrekking tot het in overeenstemming brengen van dergelijk gebouw met de geldende veiligheidsnormen ter goedkeuring aan de Administratie voor Gezin en Maatschappelijk Welzijn hebben voorgelegd;
ofwel een met alternatieve veiligheidsmaatregelen gemotiveerde aanvraag om afwijking zoals bepaald in de terzake geldende bepalingen hebben ingediend;
|
| 4° |
gedurende deze periode van erkenning of, in voorkomend geval van voorlopige erkenning, uitgebaat blijven door dezelfde natuurlijke of rechtspersoon.
Deze erkenning of, of in voorkomend geval voorlopige erkenning, kan slechts voor opeenvolgende periodes die gezamenlijk een maximale duur van 3 jaar niet mogen overschrijden."
|
Art. 14. In artikel 16, eerste lid van hetzelfde decreet worden de woorden "of rusthuis" vervangen door de woorden "rusthuis of dagverzorgingscentrum".
Art. 15. In artikel 19, § 1, 1° en 2°, van het decreet worden de woorden "of een rusthuis" vervangen door de woorden "een rusthuis of een dagverzorgingscentrum".
Art. 16. De Executieve kan de bepalingen van het decreet van 5 maart 1985 houdende regeling van de erkenning en subsidiëring van voorzieningen voor bejaarden coördineren met de bepalingen welke deze, op het tijdstip van de coördinatie, uitdrukkelijk of impliciet zouden gewijzigd hebben.
Daartoe kan zij :
| 1° | de volgorde, de nummering van de te coördineren bepalingen en, in het algemeen, de teksten naar de vorm wijzigen; |
| 2° | de verwijzingen die voorkomen in de te coördineren bepalingen met de nieuwe nummering overeenbrengen; |
| 3° | de redactie van de te coördineren bepalingen wijzigen ten einde ze onderling te doen overeenstemmen en eenheid in de terminologie te brengen, zonder afbreuk te doen aan de beginselen welke in deze bepalingen vervat zijn. |
De coördinatie zal het volgende opschrift dragen : "Decreten inzake voorzieningen voor bejaarden, gecoördineerd op ... ".
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 20 februari 1991.
De Voorzitter van de Vlaamse Executieve,
G. GEENS.
De Gemeenschapsminister van Welzijn en Gezin,
J. LENSSENS.
Bijlage 3
Administratie van het kadaster
K.T./143.945*
93/6
Brussel, 15.03.1993
BETREFT :
- Vrijstelling van de onroerende voorheffing.
- Toepassing van artikel 253, 1°bis en 1°ter WIB 92 (oud artikel 157, 1°bis en 1°ter WIB).
- Bejaardenvoorzieningen.
1. INLEIDING
Bij de MD van 12 oktober 1992, nr. K.T./143.067* werden U ondermeer, voor wat het Vlaamse Gewest betreft, de aan artikel 157 WIB (thans artikel 253 WIB 92) te brengen toevoegingen medegedeeld die voorkomen onder artikel 103 van het decreet van 25 juni 1992 van de Vlaamse Gemeenschap houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992.
Vooraleer hierna de toepassingsmodaliteiten te bespreken weze opgemerkt dat de door artikel 103 van voormeld decreet aan het artikel 253 WIB 92 toegevoegde bepalingen uitsluitend betrekking hebben op de onroerende goederen of delen van onroerende goederen gelegen in het Vlaamse Gewest.
2. WETTELIJKE BEPALINGEN
Art. 253. WIB 92.
Van de onroerende voorheffing wordt het kadastraal inkomen vrijgesteld :
...
Voor het Vlaamse Gewest (1) :
1°bis : van de onroerende goederen of delen van onroerende goederen welke gelegen zijn in het Vlaamse Gewest en welke door een openbaar bestuur of een belastingplichtige die geen winstoogmerk nastreeft worden aangewend als bejaardenvoorziening uitgebaat door een rechtspersoon, zoals bedoeld in artikel 5 van het decreet van 5 maart 1985 houdende regeling van de erkenning en subsidiëring van voorzieningen van bejaarden.
1°ter : van dezelfde als onder 1°bis bedoelde onroerende goederen, gefinancierd door middel van een financiële leasing, overeenkomstig de artikelen 6 van de besluiten van de Vlaamse Executieve van respectievelijk 4 april 1990 en 21 februari 1991 (2) houdende de regels en bedragen inzake de subsidiëring als tussenkomst in de kosten van huurkoop en leasing of prefinanciering voor het bouwen, inrichten en ingebruiknemen van serviceflatgebouwen en woningcomplexen met dienstverlening en rusthuizen.
...
| (1) |
Artikel 103 van het Decreet van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap van 25 juni 1992 waarvan de bepalingen van artikel 253, 1°bis en van artikel 253, 1°ter respectievelijk in werking treden op 1 januari 1991 en op 1 januari 1992. |
| (2) | Er werd opgemerkt dat met het besluit van de Vlaamse Executieve van 21 februari 1991 het gelijknamige besluit van de Vlaamse Executieve van 27 februari 1991 (B.S. 22.03.1991) wordt bedoeld. Beide besluiten werden opgeheven door art. 13 van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 25.11.1992 (B.S. 10.02.1993) houdende regels en bedragen inzake de tegemoetkoming in de kosten van huurkoop of leasing of prefinanciering voor de bouw, aankoop, inrichting en ingebruikname van voorzieningen voor bejaarden (zie bijlage : circulaire Ci.RH.222/447.542 van 15 maart 1993 van de administratie der directe belastingen). |
3. TOEPASSINGSMODALITEITEN
3.1. De bepalingen van artikel 253, 1°bis en 1°ter WIB 92 hebben tot gevolg dat, in voorkomend geval, het kadastraal inkomen van de onroerende goederen of delen van onroerende goederen welke worden aangewend als bejaardenvoorziening, en voor zover de andere gestelde wettelijke voorwaarden vervuld zijn, van vrijstelling van de onroerende voorheffing kan genieten.
3.2. Onderzoek door de administratie der directe belastingen
Er wordt opgemerkt dat de procedure tot toekenning van de vrijstelling van de onroerende voorheffing op basis van artikel 253, 1°bis en 1°ter WIB92 gelijklopend is aan deze welke voorgeschreven is voor het toepassen van de bepalingen van artikel 12, 1° WIB 92 (oud artikel 8 WIB). Aldus behoort het onderzoek naar de voorwaarden, inzonderheid inzake :
| 1° | het gebrek aan winstbejag in hoofde van de belastingplichtige, |
| 2° | de uitbating van het onroerend goed of het deel ervan door een rechtspersoon, |
| 3° | de ligging van het onroerend goed, |
| 4° | de erkenning van de instelling als dusdanig door de Executieve, |
| 5° | de financiële leasing, |
tot de bevoegdheid van de administratie der directe belastingen en wordt dit onderzoek steeds vóór de eventuele toezending van het dossier aan de administratie van het kadaster uitgevoerd (MD van 1 juni 1988, nr. K.T./112.520, verduidelijkt bij de MD van 14 juli 1988, nr. K.T./124.000).
3.3. Onderzoek door de administratie van het kadaster
3.3.1. Het onderzoek naar de aanwendingsvoorwaarde wordt, zoals dat trouwens het geval is voor de andere bepalingen opgenomen onder artikel 253 WIB 92, door de administratie van het kadaster uitgevoerd.
3.3.2. Ten dien einde wordt voor de toepassing van vorenstaande wetsbepalingen onder de term "bejaardenvoorziening" - welke een brede waaier van voorzieningen omvat - verstaan :
- rusthuis : één of meer gebouwen die functioneel een inrichting voor collectief verblijf vormen waar, onder welke benaming ook, aan bejaarden die er op duurzame wijze verblijven, huisvesting wordt gegeven alsmede geheel of gedeeltelijk, de gebruikelijke gezins- en huishoudelijke verzorging;
- serviceflatgebouw en woningcomplex met dienstverlening : één of meer gebouwen die, onder welke benaming ook, functioneel een geheel vormen, bestaande uit individuele woongelegenheden waar bejaarden zelfstandig wonen en uit gemeenschappelijke voorzieningen voor dienstverlening waarop zij facultatief een beroep kunnen doen;
- dienstencentrum : een centrum dat er inzonderheid voor zorgt dat diensten van materiële, hygiënische en sociale aard worden verleend aan bejaarden van een wijk, teneinde hen te helpen zo lang mogelijk hun zelfstandigheid en hun geïntegreerdheid in de gemeenschap te behouden;
- woning voor bejaarden : een huis, een deel van een huis of een appartement, dat door een ondergeschikt bestuur speciaal gebouwd of opgericht is als individuele woongelegenheid voor bejaarden;
- dagverzorgingscentrum : een gebouw of een gedeelte van het gebouw, onder welke benaming ook, waar aan bejaarden zonder overnachting, dagverzorging wordt gegeven alsmede geheel of gedeeltelijk, de gebruikelijke gezins- en huishoudelijke verzorging;
- bejaarden : personen van 60 jaar of ouder.
3.3.3. Het onderzoek naar het al dan niet vervuld zijn van de voorwaarde inzake de rechtstreekse of onrechtstreekse aanwending van het onroerend goed of het (de) de(e)l(en) van onroerend goed tot bejaardenvoorziening geschiedt met inachtneming van de algemene voorschriften (o.a. B. 324, blz. 30 en volg.).
3.4. Volledigheidshalve wordt verduidelijkt wat wordt verstaan onder :
3.4.1. rechtspersoon die de bejaardenvoorziening uitbaat :
de ondergeschikte besturen, de verenigingen zonder winstoogmerk en de instellingen van openbaar nut in de zin van de wet van 27 juni 1921 (artikel 5 van het gewijzigd decreet van 5 maart 1985 houdende regeling van de erkenning en subsidiëring van voorzieningen voor bejaarden);
3.4.2. financiële leasing waarvan sprake in artikel 253, 1°ter WIB 92 :
een afgesloten overeenkomst tussen de aanvrager, d.w.z. de rechtspersoon zoals vermeld onder punt 3.4.1., en de financiële instantie (bv. een bank).
In deze overeenkomst, welke aan een minimum aantal opgelegde voorwaarden dien te beantwoorden moet eveneens bepaald zijn dat de bejaardenvoorziening (lees het gebouw) wordt opgericht op een onroerend goed dat eigendom is van de aanvrager waarvoor het recht van opstal op dit onroerend goed voor de duur van de overeenkomst wordt verleend. Dit recht van opstal dooft uit op het einde van de overeenkomst, zodat de aanvrager zonder enige bijkomende vergoeding eigenaar wordt van de bejaardenvoorziening (zie inzonderheid artikel 8 van het reeds vernoemd Besluit van de Vlaamse Executieve van 25.11.1992 en opgenomen als bijlage bij de circulaire Ci.RH.222/447.542 van 15 maart 1993 van de Administratie der directe belastingen).
Uit dergelijke geregistreerde overeenkomst vloeit voort dat tijdens het recht van opstal de financiële instantie in de hoedanigheid van opstalhouder de onroerende voorheffing verschuldigd is voor het opgericht gebouw en voor de grond en kan er, voor zover de andere voorwaarden opgelegd bij 1°bis en 1°ter van artikel 253 WIB 92 vervuld zijn, eveneens vrijstelling van de onroerende voorheffing worden verleend voor de onroerende goederen of delen van onroerende goederen.
4. SLOTBEMERKINGEN
4.1. De voorschriften met betrekking tot de rusthuizen opgenomen in de MD van 24 november 1988, nr. K.T./119.792, inzonderheid de punten 5 tot 7 worden, voor wat de hiervoor bedoelde bejaardenvoorzieningen betreft, opgeheven (dus alleen voor wat het Vlaamse Gewest betreft).
4.2. De bijzondere aandacht wordt gevestigd op het feit dat de vrijstelling van de onroerende voorheffing ten vroegste uitwerking kan hebben op 1 januari 1991 of op 1 januari 1992 naargelang het gaat om onroerende goederen of delen van onroerende goederen respectievelijk opgenomen onder artikel 253, 1°bis of 1°ter WIB 92.
Dienvolgens moeten de aanvragen tot vrijstelling van de onroerende voorheffing van het kadastraal inkomen toegekend aan bejaardenvoorzieningen welke betrekking hebben op een aanslagjaar voorafgaand aan hetzij 1991 of hetzij 1992, naargelang het geval, worden onderzocht in funktie van de richtlijnen opgenomen in laatstvermelde MD; voor de aanvragen betreffende bejaarden voorzieningen welke niet voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 253, 1°bis en 1°ter WIB 92, blijven diezelfde voorschriften van toepassing.
4.3. De in beraad gehouden gevallen zullen in het licht van bovenstaande richtlijnen worden opgelost. Bij het toezenden van de bezwaarkaders aan uw ambtgenoot der directe belastingen zal, in voorkomend geval, de aandacht gevestigd worden op het feit dat de administratie van het kadaster het onderzoek naar de aanwendingsvoorwaarden heeft uitgevoerd in het licht van de nieuwe wetsbepalingen van artikel 253, 1°bis of 1°ter WIB 92 en dat de hem overgezonden voorstellen slechts onder voorbehoud geschieden aangezien het onderzoek naar de andere vereiste voorwaarden (punt 3.2. hiervoor) nog door zijn diensten dient te worden uitgevoerd.
Bron: FisconetPlus
