Circulaire nr. Ci.RH.26/359.265 dd. 21.03.1986

CIRC 21.03.86/1

Circulaire nr. Ci.RH.26/359.265 dd. 21.03.1986


Bull. nr. 650, pag. 949

FISCALE STIMULI
Aanmoediging van de aanschaffing van aandelen of deelbewijzen van de vennootschap waarin de belastingplichtige als loontrekker is tewerkgesteld


INHOUDSOPGAVE Nr. I. Inleiding.............................................. 1 en 2 II. Wetteksten............................................. 3 en 4 III. Belastingplichtigen die de aftrek mogen toepassen...... 5 tot 8 IV. In aanmerking komende effecten......................... 9 tot 12 V. Aanschaffingsprijs van de effecten..................... 13 VI. Belastbaar tijdperk waarvoor de aftrek wordt toegestaan 14 VII. Beperking van de aftrek A. Algemeen............................................ 15 tot 16 B. Bijzondere gevallen................................. 17 tot 19 VIII. Voorwaarde gesteld voor de toekenning van de aftrek A. Algemeen............................................ 20 B. Aanschaffing door bemiddeling van een financiële tussenpersoon....................................... 21 tot 23 C. Aanschaffing zonder bemiddeling van een financiële tussenpersoon....................................... 24 tot 26 IX. Voorwaarde gesteld voor het behoud van de aftrek voor de volgende jaren A. Algemeen............................................ 27 B. Aard van het te leveren bewijs...................... 28 en 29 C. Bijzonder geval..................................... 30 X. Gehele of gedeeltelijke vervroegde opdracht van effecten............................................... 31 tot 34 XI. Inwerkingtreding....................................... 35 XII. Onverenigbaarheid...................................... 36 I. INLEIDING 1. De art. 11, 2° en 12, 2° tot 4°, W. 28.12.1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen (V. 1704 - B. 625), die resp. de art. 67 en 71, WIB, aanvullen, strekken ertoe de werknemers aan te moedigen om aandeelhouder te worden van hun onderneming.

Deze belastingplichtigen mogen voortaan van het totaal van hun belastbare netto-inkomsten, de sommen aftrekken die zij hebben besteed aan de aanschaffing van of aan de inschrijving op en de afbetaling van aandelen of deelbewijzen in de vennootschap waarin ze tewerkgesteld zijn.

2. De aftrekregeling waarover het hier gaat vertoont veel punten van gelijkenis met die van art. 4, KB nr. 15 (zie circ. 14.11.1983, Ci.RH.421/332.973). Evenwel is de toepassing van de nieuwe maatregel, eensdeels, niet begrensd in de tijd, maar, anderdeels, wel beperkt tot een categorie van belastingplichtigen (in casu de werknemers), die er aanspraak kunnen op maken.

II. WETTEKSTEN

3. Art. 67, WIB

Diverse inkomsten als bedoeld in artikel 6, 4°, zijn :


1° tot 8° ...


9° in geval van overdracht, binnen vijf jaar na de aanschaffing, van effecten waarvoor de in artikel 71, § 1, 8°, bedoelde aftrek is verricht, een som gelijk aan zoveel maal één zestigste van de aanschaffingsprijs van die effecten, als er nog volle maanden te lopen blijven tot het einde van de termijn van vijf jaar, behalve indien de overdracht te wijten is aan het overlijden van de belastingplichtige of aan een geval van overmacht.

4. Art. 71, WIB

§ 1. Van de gezamenlijke netto-inkomsten van de verschillende in artikel 6 bedoelde categorieën worden afgetrokken, voor zover zij niet konden worden afgetrokken voor de vaststelling van die netto-inkomsten:


1° tot 7° ...


8° de bedragen besteed aan de aanschaffing van aandelen of bewijzen van deelgerechtigheid in vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen als bedoeld bij de artikelen 98, 100 en 102, waarin de belastingplichtige werknemer is, in de zin van artikel 20, 2°, a;


§ 2. De in § 1 bedoelde lasten worden in mindering gebracht van de inkomsten van het belastbaar tijdperk waarin zij werkelijk werden betaald;

...

De in § 1, 8°, bedoelde aftrek is per belastbaar tijdperk beperkt tot 40.000 frank, verhoogd met 10.000 frank voor de echtgenoot en voor ieder ander persoon ten laste als bedoeld bij artikel 82, § 1, 2° tot 5°. In geval van toepassing van artikel 75, § 1, is de aftrek beperkt tot 25.000 frank per echtgenoot;


§ 3. ...


§ 3bis. De in § 1, 8°, bedoelde aftrek wordt slechts toegekend als de belastingplichtige tot staving van zijn aangifte van het belastbaar tijdperk waarvoor de aftrek is verricht, de bewijsstukken overlegt dat de aandelen of deelbewijzen zijn aangeschaft en dat ze op het einde van dat belastbaar tijdperk nog in zijn bezit zijn.

De aftrek wordt slechts behouden als de belastingplichtige tot staving van zijn aangiften van de vijf volgende belastbare tijdperken, het bewijs overlegt dat de aandelen of deelbewijzen waarvoor de aftrek is verricht, nog in zijn bezit zijn.

Het voorgaande lid is niet van toepassing in de gevallen waar de overdracht te wijten is aan het overlijden van de belastingplichtige of aan een geval van overmacht.


§ 4. ...


§ 5. ...


Art. 54, W. 28.12.1983

§ 3. De aftrek bedoeld in artikel 71, § 1, 8°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, ingevoegd door artikel 12, 2°, van deze wet, kan niet worden samengevoegd met de aftrek bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 15 van 9 maart 1982 tot aanmoediging van de inschrijving op of de aankoop van aandelen of bewijzen van deelgerechtigheid in Belgische vennootschappen, gewijzigd door het koninklijk besluit nr. 150 van 30 december 1982.

III. BELASTINGPLICHTIGEN DIE DE AFTREK MOGEN TOEPASSEN

5. Het zijn alleen de in art. 20, 2°, a, WIB, bedoelde werknemers, ongeacht of zij aan de PB dan wel aan de BNV-nat.pers. onderworpen zijn, die de bedragen kunnen aftrekken welke zij besteed hebben aan de aanschaffing van de aandelen of deelbewijzen van de vennootschap waarin zij hun beroepswerkzaamheid uitoefenen.

6. Deze maatregel geldt dus enkel voor de loon- en weddetrekkers die, op het ogenblik van de aanschaffing van de effecten door een arbeidsovereenkomst of door een soortgelijk wettelijk of reglementair statuut zijn verbonden met de vennootschap waarvan zij aandelen of deelbewijzen verwerven, en dit, zelfs indien ze reeds aandeelhouder of vennoot zijn.

7. De werknemers van een personenvennootschap die niet voor de aanslag van haar winsten in de PB heeft geopteerd, verliezen de hoedanigheid van loon- of weddetrekker niet wanneer zij, na de aanschaffing ervan, slechts een beperkt aantal deelbewijzen bezitten en geen enkele leidende functie in de vennootschap vervullen (zie 100/17, Com.IB).

8. Bestuurders, enz., van vennootschappen op aandelen zijn steeds van het oordeel van de hier bedoelde maatregel uitgesloten, zelfs indien zij door een arbeidsovereenkomst met de vennootschap verbonden zijn. Hetzelfde geldt voor vennoten van personenvennootschappen, behalve in het bijzonder geval bedoeld onder nr. 7.

IV. IN AANMERKING KOMENDE EFFECTEN

9. Het gaat om aandelen of deelbewijzen in vennootschappen of andere rechtspersonen, die krachtens de art. 98, 100 of 102, WIB aan de Ven.B onderworpen zijn.

Die vennootschappen en rechtspersonen zijn :



a)de Belgische vennootschappen op aandelen of ermede gelijkgestelde rechtspersonen naar Belgisch recht (art. 98, WIB);
b)de andere Belgische handelsvennootschappen dan op aandelen (vennootschappen welke uit fiscaal oogpunt als "personenvennootschappen" worden aangezien), die niet hebben geopteerd voor de aanslag van hun winsten in de PB ten name van hun vennoten (art. 100, WIB);
c)de vennootschappen naar buitenlands recht en de ermede gelijkgestelde rechtspersonen die aan de Ven.B onderworpen zijn omdat zij in België hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer hebben (art. 102, WIB).
10. Alleen de effecten die een deel van het kapitaal van dergelijke vennootschappen of rechtspersonen vertegenwoordigen komen in aanmerking, met uitsluiting van BV de winstbewijzen.

11. Er kan geen aftrek worden toegestaan voor :

  • de aanschaffing van effecten van vennootschappen naar buitenlands recht die niet aan de Ven.B onderworpen zijn;
  • de aanschaffing van effecten van rechtspersonen die aan de RPB onderworpen zijn (BV rechtspersonen als bedoeld in art. 94, tweede lid, WIB);
  • de aanschaffing door een werknemer van een dochteronderneming, van aandelen van het moederbedrijf en vice-versa;
  • de aanschaffing van effecten van andere vennootschappen, met inbegrip van die welke tot dezelfde groep behoren, als die waarbij de werknemer in dienst is;
  • de bijdragen of stortingen van de leden van een V.Z.W. die aan de Ven.B onderworpen is (PV nr. 49 van 25.11.1982, gesteld door de Hr. Senator Peeters, B. 618 -blz. 1510).
12. De aanschaffing van de effecten kan zowel op de primaire markt (inschrijving op nieuwe aandelen of deelbewijzen bij oprichting of kapitaalverhoging), als op de secundaire markt (BV aankoop op de beurs van bestaande aandelen of deelbewijzen) gebeuren.

Het is zonder belang of de werknemer zich zijn effecten al dan niet rechtstreeks bij de werkgever heeft aangeschaft.

V. AANSCHAFFINGSPRIJS VAN DE EFFECTEN

13. De aanschaffingsprijs van de effecten die voor aftrek in aanmerking moet worden genomen stemt, naargelang van het geval, overeen :

  • met hun uitgifteprijs, verhoogd met de bijkomende kosten (o.a. taksen) en met de eventueel aangekochte inschrijvingsrechten of
  • met hun aankoopprijs, bij voorkomend geval verhoogd met de makelaarslonen, rechten, taksen en andere eventuele aanvullende kosten, of nog
  • met de werkelijk betaalde prijs, vermeerderd met de waarde van het belastbare voordeel dat voor de werknemer ontstaat wanneer de werkgever aan zijn personeel aandelen afstaat of uitgeeft tegen verminderde prijs.
VI. BELASTBAAR TIJDPERK WAARVOOR DE AFTREK WORDT TOEGESTAAN

14. Overeenkomstig de in art. 71, § 2, WIB, vervatte regel, zijn de voor aftrek in aanmerking komende bedragen - in voorkomend geval beperkt (zie nrs. 15 tot 18) -, die welke tijdens het belastbare tijdperk werkelijk werden betaald. Om tot aftrek aanleiding te geven moet de betaling of de afbetaling van de effecten derhalve niet noodzakelijk gebeuren tijdens het jaar van aankoop of inschrijving.

VII. BEPERKING VAN DE AFTREK

A. Algemeen

15. De aftrek is per belastbaar tijdperk beperkt tot 40.000 F, verhoogd:

  • met 10.000 F voor de echtgenoot;
  • met 10.000 F voor ieder ander persoon die fiscaal als ten laste wordt beschouwd.
16. De aftrek wordt niet verhoogd voor de handicap van ten minste 66 pct. van de belastingplichtige, zijn echtgenoot of ieder ander persoon ten laste.

B. Bijzondere gevallen

17. Voor het jaar van huwelijk, ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed, of voor het jaar dat volgt op datgene waarin de feitelijke scheiding plaatsgreep, wordt de aftrek voor elke echtgenoot beperkt tot 25.000 F, eventueel te verhogen met 10.000 F, voor elke persoon die hij (zij) ten laste heeft.

18. Indien slechts één van beide echtgenoten belastbare inkomsten heeft gehad, wordt evenwel een aftrek van 40.000 F, maximum aanvaard, zoals voor een alleenstaande belastingplichtige, eventueel te verhogen met 10.000 F, per persoon ten laste.

19. Bij de beoordeling of de ter zake gestelde voorwaarden van aftrekbaarheid vervuld zijn, worden de echtgenoten als afzonderlijke belastingplichtigen beschouwd. Dit houdt in dat de man de sommen niet mag aftrekken die hij heeft besteed aan de aanschaffing van aandelen van de vennootschap waarin zijn vrouw tewerkgesteld is en vice-versa (tenzij zij beiden in dezelfde vennootschap werken).

VIII. VOORWAARDE GESTELD DOOR DE TOEKENNING VAN DE AFTREK

A. Algemeen

20. De aftrek wordt slechts toegekend indien de effecten waarvoor hij geldt op 31 december van het belastbare tijdperk van de aanschaffing van die effecten, nog in het bezit van de belastingplichtige zijn.

De bewijsstukken dienaangaande evenals die aangaande de aanschaffing van de effecten moeten door de belastingplichtige worden overgelegd tot staving van zijn aangifte van de inkomsten van het belastbare tijdperk waarvoor hij de aftrek wenst te verkrijgen.

B. Aanschaffing door bemiddeling van een financiële tussenpersoon

21. Wanneer de effecten worden aangeschaft door toedoen van een financiële tussenpersoon (bank, kredietinstelling, spaarkas, wisselagent of wisselagent-correspondent), worden als bewijsstukken aanvaard die welke bij de aanschaffing werden uitgereikt, ongeacht of de effecten waarover het gaat al dan niet bij die tussenpersoon in openbare bewaring zijn gegeven.

22. Die stukken (aankoop- of inschrijvingsborderellen, enz.) zullen de volgende vermeldingen bevatten :



de naam en het volledige adres van de koper van de effecten;
het aantal en de identificatie van de aangeschafte effecten;
de aanschaffingsdatum en -prijs van de effecten.
23. Het bezit van de effecten op het einde van het belastbare tijdperk waarvoor de aftrek wordt verricht, kan eventueel worden aangetoond aan de hand van het bewijsstuk van de inning van de inkomsten die tijdens het jaar na de aanschaffing betaalbaar zijn gesteld. Benevens het geïnde bedrag vermeldt dat bewijsstuk de naam en het volledige adres van de verkrijger van de inkomsten, alsmede het aantal en de identificatie van de effecten waarop de inkomsten betrekking hebben. Voor de in open bewaring gegeven effecten kan de door de bewaarnemer uitgereikte opgave ook als bewijs gelden, rekening houdend met de datum waarop ze is opgemaakt.

C. Aanschaffing zonder bemiddeling van een financiële tussenpersoon

24. De door de vennootschap-werkgeefster uitgereikte bewijsstukken dienen de sub 22, 1° tot 3°, bedoelde vermeldingen te bevatten en voor echt zijn verklaard door een persoon die de vennootschap kan binden.

25. Het bewijs van het bezit van de effecten op het einde van het belastbare tijdperk waarvoor de aftrek wordt verricht, kan eventueel worden geleverd :

  • op de in nr. 23 gestelde wijze (zie ook nr. 28);
  • door vermelding welke op deze stukken wordt aangebracht door een persoon die de vennootschap, welke de aandelen of deelbewijzen heeft uitgegeven, kan binden.
26. Indien het gaat om aandelen of deelbewijzen op naam, dan kunnen de bewijsstukken, volgens het geval, bestaan in een uittreksel uit het register van de aandelen op naam of van het register der vennoten, aangevuld met de betalingsbewijzen.

IX. VOORWAARDE GESTELD VOOR HET BEHOUD VAN DE AFTREK VOOR DE VOLGENDE
JAREN

A. Algemeen

27. De aftrek wordt slechts behouden indien de effecten waarvoor hij werd verleend, gedurende een termijn van 5 jaar te rekenen vanaf de datum van aanschaffing (= datum van afbetaling) in het bezit van de belastingplichtige zijn gebleven. Deze laatste moet het bewijs van het behoud van de effecten leveren tot staving van zijn aangifte van de 5 aanslagjaren die volgen op dat waarvoor de aftrek werd toegestaan.

B. Aard van het te leveren bewijs

28. Dat bewijs kan o.m. worden geleverd door middel van bescheiden uitgaande van de financiële tussenpersoon waarbij die effecten in bewaring werden gegeven of door voorlegging van de bewijsstukken van inning van de inkomsten ervan.

Het mag eveneens door andere middelen van gemeen recht worden geleverd, met uitzondering van de eed en de vermoedens.

29. Wat de vennootschappen betreft die hun eigen financiële dienst waarnemen, mogen de attesten die ze aan hun werknemers uitreiken op dezelfde wijze worden opgesteld als die welke door de financiële tussenpersonen worden gebruikt.

C. Bijzonder geval

30. In geval van echtscheiding, zowel door onderlinge toestemming als op grond van bepaalde feiten, behoort het de echtgenoot die zich de effecten van de vennootschap-werkgeefster ziet toekennen, het behoud ervan gedurende en minste 5 jaar aan te tonen.

Nochtans, wanneer die effecten geheel of gedeeltelijk worden toegewezen aan de echtgenoot die op het ogenblik van hun aankoop niet in de vennootschap was tewerkgesteld, moet worden beschouwd dat er vervroegde overdracht van het voormelde geheel of gedeelte van de effecten plaatsheeft en dient er op de hierna vermelde wijze te worden gehandeld.

X. GEHELE OF GEDEELTELIJKE VERVROEGDE OVERDRACHT VAN EFFECTEN

31. In geval van gehele of gedeeltelijke vervroegde overdracht van effecten waarvoor de aftrek is toegestaan, wordt het afgetrokken bedrag pro rata temporis als een inkomen belast voor het jaar van de overdracht. De belastbare inkomsten van dat jaar omvatten dan, krachtens art. 67, 9°, WIB, als gezamenlijk belastbare inkomsten, zoveel maal 1/60e van de aanschaffingsprijs van de overgedragen effecten als er nog volle maanden lopen blijven tussen de datum van overdracht en de einddatum van de termijn van 5 jaar (termijn te rekenen vanaf de datum van de aanschaffing - zie nr. 27).

32. Voor de berekening van het belastbare bedrag van die inkomsten, mag de aanschaffingsprijs redelijkerwijze worden beperkt tot het bedrag van de werkelijk toegestane aftrek.

33. Is de overdracht evenwel te wijten aan het overlijden van de belastingplichtige of aan een geval van overmacht, dan wordt de vroeger verleende aftrek niet teruggenomen.

De belastingplichtige die overmacht inroept, moet, benevens het werkelijk voorkomen van een dergelijk geval, het oorzakelijk verband bewijzen tussen deze buitengewone omstandigheid en het niet langer bezitten van de effecten. Te dien opzichte wordt verwezen naar het bepaalde sub 43/66 tot 68, Com.IB.

De evenredige terugname van de vroeger verleende aftrek moet BV geschieden bij schenking, zelfs als ze gedaan wordt aan een erfgerechtigde in rechte lijn, of bij verkoop ingevolge verandering van werkgever.

34. De wet voorziet in geen enkele mogelijkheid om de belastingheffing te ontgaan door wederbelegging na vervreemding van de effecten, zelfs niet bij verandering van werkgever.

XI. INWERKINGTREDING

35. De bepalingen van art. 71, § 1, 8°, § 2, laatste lid, en § 3bis, WIB, zijn van toepassing met ingang van het aj. 1985; die van art. 67, 9°, WIB, welke betrekking hebben op de taxatie bij vervroegde overdracht van de effecten, kunnen ten vroegste vanaf het aj. 1986 uitwerking hebben.

XII. ONVERENIGBAARHEID

36. Art. 54, § 3, W 28.12.1983, bepaalt dat de in art. 71, § 1, 8°, WIB, bedoelde aftrek niet kan worden samengevoegd met die waarin art. 4, KB nr. 15 voorziet (zie nr. 2) en die van toepassing is vanaf aj. 1983 tot en met aj. 1986.