Aanschrijving nr. 21 dd. 08.10.1999

AANSCHRIJVING 99/021

Aanschrijving nr. 21 dd. 08.10.1999


De Euro

INHOUDSTAFEL

§ 1. Onderwerp van de aanschrijving


§ 2. Wijzigingen aangebracht aan het BTW-Wetboek door de wet van 30 oktober 1998.

I.Aanpassing van de artikelen 27 en 34, § 4, van het BTW-Wetboek (art. 11 en 12 van de wet).

A.Gecoördineerde tekst op 1 januari 1999.
B.Toelichting.

II. Artikel 109 van het BTW-Wetboek (art. 14 van de wet).

A.Tekst
B.Toelichting

III.Wijziging van artikel 70, § 4, eerste lid, van het BTW-Wetboek (art. 13 van de wet).
§ 3. Wijzigingen van de koninklijke besluiten ter uitvoering van het BTW-Wetboek.

I.Wijzigingen aangebracht door het koninklijk besluit van 26 november 1998.

A.Koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.
1° Gecoördineerde tekst.
2° Toelichting.
B.Koninklijk besluit nr. 8 van 12 maart 1970 tot vaststelling van de wijze van de afronding van de verschuldigde, de aftrekbare of de voor teruggaaf vatbare belasting over de toegevoegde waarde.
C.Koninklijk besluit nr. 23 van 29 december 1992 tot regeling van de toepassingsmodaliteiten van artikel 53quinquies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
D.Koninklijk besluit nr. 24 van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.
1° Gecoördineerde tekst.
2° Toelichting.
E.Koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.
F.Koninklijk besluit nr. 42 van 29 december 1992 tot vaststelling van de toe te passen wisselkoers indien gegevens voor het bepalen van de maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde voor handelingen andere dan de invoeren van goederen, zijn uitgedrukt in een vreemde munteenheid.
G.Koninklijk besluit nr. 44 van 21 oktober 1993 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.
H.Koninklijk besluit nr. 50 van 29 december 1992 tot regeling van de toepassingsmodaliteiten van artikel 53sexies, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.

II.Wijzigingen aangebracht door het koninklijk besluit van 16 december 1998.
§ 4. Draagwijdte van artikel 109 van het BTW-Wetboek.


§ 5. De nieuwe periodieke BTW-aangifte.


1.Het gewone aangifteformulier.
a) Materiële voorstelling van het nieuwe formulier.
b) Omschrijving van de roosters.
c) Verkorte toelichting.
d) Vergelijking tussen de aangiften 1998 en de aangifte 1999.
e) Evaluatie van de logische samenhang van de ingedienden aangiften.
2.Het model van de geautomatiseerde aangifte.
3.Opmaken van de aangifte in euro.

§ 6. Andere personen dan belastingplichtigen gehouden tot het indienen van periodieke aangiften.


§ 7. Toepassing van de wisselkoersen en van de omrekeningskoersen.


A.Wijziging van het BTW-Wetboek.
B.Regels voor de omrekening van de euro naar de Belgische frank en vice versa.
C.Toe te passen regels voor de omrekenings- of wisselkoersen bij de inschrijving van een document in de boekhouding.
* * *
§ 1. Onderwerp van de aanschrijving.


1. Het Belgisch Staatsblad van 10 november 1998 heeft de wet gepubliceerd van 30 oktober 1998 betreffende de euro.

De tekst van die wet werd medegedeeld in de bijlage bij de aanschrijving nr. 10 van 4 december 1998.

De wijzigingen aangebracht aan de wetgeving inzake BTW werden opgenomen in de artikelen 11 tot 14 van genoemde wet die in werking zijn getreden op 1 januari 1999 (art. 2 van het KB van 18 november 1998 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de bepalingen van de wet van 30 oktober 1998 betreffende de euro, B.S. 28 november 1998).

2. Met het oog op de overgang naar de euro, heeft een koninklijk besluit van 26 november 1998 (B.S. 1 december 1998) wijzigingen aangebracht aan de koninklijke besluiten nrs. 1, 8, 23, 24, 41, 42, 44 en 50 inzake BTW.

Een koninklijk besluit van 16 december 1998 (B.S. 24 december 1998) wijzigt het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde en het koninklijk besluit nr. 50 van 29 december 1992 tot regeling van de toepassingsmodaliteiten van artikel 53sexies, § 1, van het BTW-Wetboek.

De overgang naar de euro ligt maar gedeeltelijk aan de basis van de ingediende wijzigingen bij dat koninklijk besluit van 16 december 1998 (z. infra nrs. 22 tot 26).

3. Deze aanschrijving heeft tot doel de wijzigingen toe te lichten die zijn aangebracht door de wet van 30 oktober 1998 en door de koninklijke besluiten van 26 november en 16 december 1998 aan de wetgeving inzake de belasting over de toegevoegde waarde, wegens de overgang naar de euro op 1 januari 1999.

4. De teksten van de Verordeningen (EG) van de Raad nr. 1103/97 van 17 juni 1997 over enkele bepalingen betreffende de invoering van de euro (PB EG, nr. L 162/1 van 16.06.1998) en nr. 974/98 van 3 mei 1998 over de invoering van de euro (PB EG, nr. L 139/1 van 11.05.1998) zijn respectievelijk opgenomen in de bijlage 1 en de bijlage 2 bij deze aanschrijving.

De eerste verordening heeft betrekking op de continuïteit van de overeenkomsten en andere rechtsinstrumenten alsook op de omrekeningskoersen die zullen moeten worden gebruikt voor elke omrekening tussen de euro en de munteenheden van de elf deelnemende Lidstaten. De tweede verordening betreft de vervanging van de munten van de deelnemende Lidstaten door de euro.

De tekst van de Verordening (EG) nr. 2866/98 van de Raad van 31 december 1998 (PB EG, nr. L 359/1 van 31.12.1998) over de omrekeningskoersen tussen de euro en de munteenheden van de Lidstaten die de euro aannemen, is eveneens bijgevoegd (bijlage 3).

§ 2. Wijzigingen aangebracht aan het BTW-Wetboek door de wet van 30 oktober 1998.

I. Aanpassing van de artikelen 27 en 34, § 4, van het BTW-Wetboek (art. 11 en 12 van de wet).


A. Gecoördineerde tekst op 1 januari 1999.


5. De artikelen 27 en 34, § 4, van het BTW-Wetboek worden als volgt gelezen sedert hun wijziging op 1 januari 1999.

Artikel 27:

"Indien gegevens voor het bepalen van de maatstaf van heffing zijn uitgedrukt in de munteenheid van een derde land of van een Lidstaat die de euro niet heeft aangenomen, bepaalt de Koning de toe te passen wisselkoers, rekening houdend met de ter zake door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering."

Artikel 34, § 4:

"Indien de gegevens voor het bepalen van de maatstaf van heffing zijn uitgedrukt in de munteenheid van een derde land of van een Lidstaat die de euro niet heeft aangenomen, wordt de wisselkoers vastgesteld overeenkomstig de door de Europese Gemeenschappen ter zake uitgevaardigde reglementering."


B. Toelichting.


6. Gedurende de overgangsperiode van de derde fase van de Economische en Monetaire Unie worden de nationale munteenheden (munteenheden van de deelnemende Lidstaten, zoals deze munteenheden op de dag vóór de aanvang van de derde fase van de Economische en Monetaire Unie gedefinieerd zijn; artikel 1, vijfde streepje, van het ontwerp van Verordening als bijlage bij de Resolutie van de Raad van 7 juli 1997 betreffende het juridisch kader voor de invoering van de euro) nog steeds gebruikt als monetaire niet-decimale uitdrukking van de euro en het chartaal geld bestaat uitsluitend in nationale munteenheid.

De nationale munteenheden van de andere Lidstaten moeten in Belgische frank worden omgezet rekening houdend met de Verordening (EG) nr. 1103/97 van de Raad van 17 juni 1997, over enkele bepalingen betreffende de invoering van de euro. Het betreft de toepassing van de omrekeningskoersen vastgelegd door de Raad overeenkomstig artikel 109 L, lid 4, eerste zin, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Bijgevolg heeft de toepassing van de wisselkoers vanaf 1 januari 1999 enkel nog betrekking op de munteenheden van derde landen alsook op de munteenheden van de Lidstaten die de gemeenschappelijke munteenheid niet hebben aangenomen.


II. Artikel 109 van het BTW-Wetboek (art. 14 van de wet).


A. Tekst.


7. Artikel 109, ingevoegd op 1 januari 1999 in het BTW-Wetboek, luidt als volgt:

"Artikel 109. § 1. De personen die gehouden zijn tot het indienen van aangiften en/of tot het mededelen van gegevens krachtens dit Wetboek of ter uitvoering ervan, kunnen, door middel van een keuze uitgeoefend overeenkomstig § 2 of § 3, de bedragen van de handelingen waarvoor de belasting wordt verschuldigd na 31 december 1998 uitdrukken in euro.

§ 2. De belastingplichtigen die gehouden zijn tot het indienen van de aangiften bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3°, oefenen de keuze waarvan sprake is in § 1 uit, wanneer ze voor de eerste maal een dergelijke aangifte indienen waarin de vermelde bedragen in euro zijn uitgedrukt. De keuze heeft uitwerking de eerste dag van het tijdvak waarop die aangifte betrekking heeft.

Voor de handelingen waarvoor de belasting opeisbaar wordt vanaf de datum van uitwerking van de keuze, is de belastingplichtige gehouden de bedragen die hij vermeldt in aangiften of mededeelt, overeenkomstig de verplichtingen bedoeld in dit Wetboek of ter uitvoering ervan, uit te drukken in euro.

Indien de verplichtingen tot het mededelen van gegevens bedoeld in de artikelen 53quinquies tot 53septies betrekking hebben op handelingen waarvoor de belasting opeisbaar is geworden vóór en na de datum van uitwerking van de keuze, dienen alle bedragen die de belastingplichtige moet mededelen, in afwijking van het vorige lid, in euro te worden uitge- drukt.

§ 3. De personen, andere dan die bedoeld in § 2, oefenen de keuze waarvan sprake is in § 1 uit, wanneer ze voor de eerste maal een aangifte indienen waarin bedragen worden uitgedrukt in euro of dergelijke bedragen mededelen. De keuze heeft uitwerking, naargelang van het geval, op de datum van indiening van de aangifte of van de mededeling van de bedragen. Alle aangegeven of medegedeelde bedragen moeten, vanaf de datum van uitwerking van de keuze, worden uitgedrukt in euro."


B. Toelichting.


8. Gedurende de overgangsperiode van de derde fase van de Economische en Monetaire Unie kunnen de personen die gehouden zijn tot het indienen van aangiften en/of het mededelen van gegevens, ervoor kiezen de bedragen van handelingen die onderworpen zijn aan de BTW en waarop die verplichtingen slaan, uit te drukken in euro. Paragraaf 1 bekrachtigt dit principe.

Anderzijds vereist de samenhang tussen de administratieve documenten, die moeten worden gehouden voor de toepassing van de BTW, dat de persoon die het bedrag van zijn handelingen, waarvoor de belasting opeisbaar wordt na 31 december 1998, wil uitdrukken in euro, een onherroepelijke keuze uitoefent.

Paragraaf 2 betreft de toestand van de belastingplichtige met recht op aftrek die gehouden is periodieke aangiften in te dienen (ook gewone belastingplichtige genoemd). De keuze om het bedrag van de handelingen uit te drukken in euro kan slechts worden uitgeoefend bij de indiening van een periodieke aangifte.

De belastingplichtige die ze heeft uitgeoefend is in de regel gehouden alle handelingen die hij aangeeft of mededeelt en waarvoor de belasting opeisbaar wordt vanaf de datum van uitwerking van de keuze, uit te drukken in euro.

Het derde lid van die paragraaf verduidelijkt niettemin dat, wanneer gegevens worden medegedeeld die betrekking hebben op handelingen waarvoor de belasting opeisbaar is geworden zowel vóór als na de datum van uitwerking van de keuze, alle bedragen van deze handelingen moeten worden uitgedrukt in euro, indien het gaat om verplichtingen bedoeld in de artikelen 53quinquies tot 53septies van het Wetboek. Dit is het geval in de omstandigheid bedoeld in artikel 53quinquies van het Wetboek, voor de bedragen die moeten voorkomen in de opgave van de handelingen die betrekking hebben op een burgerlijk jaar gedurende hetwelk een keuze uitwerking heeft ten gevolge van de indiening van een aangifte.

Paragraaf 3 beoogt de toestand van alle andere personen die gehouden zijn tot het indienen van aangiften of het mededelen van gegevens. De keuze kan worden uitgeoefend ter gelegenheid van elke aangifteverplichting of mededeling van gegevens waartoe deze personen zijn gehouden en ze geldt voor alle aangifteverplichtingen of verplichtingen inzake het mededelen van gegevens vervuld vanaf de datum van uitwerking.


9. Deze nieuwe bepaling wordt nader toegelicht in de nrs. 27 tot 29.


III. Wiiziging van artikel 70, § 4, eerste lid, van het BTW-Wetboek (art. 13 van de wet).

10. Artikel 70, § 4, eerste lid, van het BTW-Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 13 van de genoemde wet van 30 oktober 1998, voorziet dat een geldboete van duizend tot honderdduizend frank de overtredingen van artikel 109 van het BTW-Wetboek bestraft. Het bedrag van deze geldboete wordt vastgelegd in het koninklijk besluit nr. 44, genomen ter uitvoering van artikel 70, § 4, eerste lid, van het BTW-Wetboek.

§ 3. Wijzigingen van de koninklijke besluiten ter uitvoering van het BTW-Wetboek.

1. Wijzigingen aangebracht door het koninklijk besluit van 26 november 1998.

A. Koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.


1° Gecoördineerde tekst.


11. Hieronder vindt men de tekst, van toepassing op 1 januari 1999, van de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 1, zoals ze werden gewijzigd of ingevoegd door het koninklijk besluit van 26 november 1998.

Naast de wijzigingen in de tekst van het koninklijk besluit nr. 1, heeft het koninklijk besluit van 26 november 1998 eveneens het model van de bijzondere BTW-aangifte, opgenomen in de bijlage B bij het koninklijk besluit nr. 1, vervangen.

Artikel 5, § 1 (Zie aanschrijving nr. 4 van 12 maart 1999.):

"De in artikel 1 bedoelde factuur en het in artikel 2 bedoeld stuk dienen te vermelden:

(...)

8° per tarief, de vermelding van de maatstaf van heffing en de elementen waaruit hij is samengesteld, waarbij alle bedragen verplicht worden uitgedrukt in eenzelfde munteenheid, hetzij in Belgische frank, hetzij in euro;

9° de vermelding van de tarieven van de verschuldigde belasting, het bedrag van de verschuldigde belasting per tarief en het totaalbedrag van de verschuldigde belasting, uitgedrukt in dezelfde munteenheid als deze bedoeld in 8° hierboven, ofwel, wanneer de belasting overeenkomstig artikel 51, § 2, l° en 2°, van het Wetboek verschuldigd is door de medecontractant, de vermelding "Belasting te voldoen door de medecontractant - BTW-Wetboek, artikel 51, § 2" in de plaats van de vermelding van de tarieven en van de bedragen van de verschuldigde belasting;

9°bis wanneer bedragen vermeld op de factuur overeenkomstig 8° en 9° hierboven eveneens op de factuur voorkomen in de andere munteenheid bedoeld in 8° hierboven, de vermelding, al naargelang van het geval, "omrekening in euro louter ter informatie" of "omrekening in Belgische frank louter ter informatie".

De omrekening van elk bedrag moet, in dit geval, individueel en volgens de door de Verordening (EG) nr. 1103/97 van de Raad van 17 juni 1997 bepaalde regels worden verricht. Bovendien moeten minstens het bedrag van de maatstaf van heffing per tarief, het bedrag van de verschuldigde belasting per tarief en het totaalbedrag van de verschuldigde belasting worden omgerekend in de andere munteenheid;".

(...)

Artikel 15, § 3, g).

"De inschrijvingen in de in artikel 14, §§ 2, 5 en 6, bedoelde boeken moeten inzonderheid bestaan uit:

(...)

g) op het einde van elke aangifteperiode, per rooster van de aangifte, het totaalbedrag van de periode uitgedrukt in de munteenheid waarin, de in de artikelen 53, eerste lid, 3°, en 53ter, 1°, van het Wetboek bedoelde aangiften worden opgemaakt."

Artikel 15, § 4, 5de lid.

"Bovendien worden op het einde van elke aangifteperiode, per tarief, het totaalbedrag van de maatstaf van heffing en van de overeenkomstige belasting met betrekking tot de periode, uitgedrukt in dezelfde munteenheid waarin de in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek bedoelde aangiften worden opgemaakt, ingeschreven in het dagboek van ontvangsten;"


2° Toelichting.


12. De dubbele vermelding van de prijzen zal dikwijls samengaan met een facturering bevattende eenheidsprijzen uitgedrukt tegelijkertijd in Belgische frank en in euro. Om meer bepaald de problemen ingevolge die dubbele facturering op te lossen, beoogt de wijziging van artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 in de eerste plaats de belastingplichtigen toe te laten de elementen van de maatstaf van heffing van de leveringen van goederen en diensten die ze verrichten, uit te drukken ofwel in Belgische frank ofwel in euro en, vervolgens, de toepasselijke regels te verduidelijken indien de genoemde elementen zijn uitgedrukt tegelijkertijd in Belgische frank en in euro.

Teneinde de samenhang tussen de gegevens opgenomen in de boekhoudregisters en die in de periodieke en bijzondere aangiften te verzekeren, verplicht de wijziging van artikel 15 van hetzelfde besluit bovendien dat de bedragen in de registers van de belastingplichtige en de bedragen opgenomen in de aangiften worden uitgedrukt in dezelfde munteenheid.

Anderzijds is het gebruik van eenzelfde munteenheid verplicht voor de bedragen die voorkomen in het dagboek van ontvangsten van de belastingplichtige en de bedragen opgenomen in de periodieke aangifte die hij indient.

Tenslotte moest het model van de bijzondere BTW-aangifte, opgenomen in de bijlage B bij dat besluit, worden vervangen om reden van de mogelijkheid de bedragen te vermelden ofwel uitgedrukt in Belgische frank, ofwel uitgedrukt in euro.

B. Koninklijk besluit nr. 8 van 12 maart 1970 tot vaststelling van de wijze van afronding van de verschuldigde, de aftrekbare of de voor teruggaaf vatbare belasting over de toegevoegde waarde.

13. Wat betreft de wijze van afronding van de verschuldigde belasting, werd een nieuw lid ingevoegd in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 8 dat die wijze vastlegt, indien het bedrag van de belasting is uitgedrukt in euro. Artikel 2 van dat besluit werd overeenkomstig aangepast voor de af te trekken en terug te geven bedragen uitgedrukt in euro.

14. Hieronder vindt men de gecoördineerde tekst van de artikelen 1 en 2 van dat koninklijk besluit, van toepassing op 1 januari 1999.

"Artikel 1. Wanneer het bedrag van de verschuldigde belasting een fractie van een frank bevat, moet die fractie op de hogere of op de lagere frank worden afgerond naargelang ze al of niet 50 centiem bereikt.

Wanneer het bedrag van de verschuldigde belasting een fractie van een euro met meer dan twee decimalen bevat, moet die fractie op de hogere of op de lagere cent worden afgerond, naargelang de derde decimaal 5 bereikt of 5 niet bereikt.

Die afronding wordt verricht:

1° per stuk, telkens wanneer het bedrag van de belasting moet worden vermeld ofwel op een factuur of een ander stuk dat is opgemaakt ter uitvoering van het Wetboek, ofwel in één van de boeken bedoeld in artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde;

2° per vak naargelang van het geval in de artikelen 53, eerste lid, 3°, 53ter, 1°, en 53nonies, § 1, van het Wetboek bedoelde aangiften.

Om redenen van boekhoudorganisatie mag echter worden afgerond per goed of dienst, per tarief of anderszins, mits dat gebeurt conform het eerste lid of het tweede lid, naargelang van het geval.

Artikel 2. Moeten eveneens worden afgerond conform artikel 1, eerste of tweede lid, naargelang van het geval:

1° het resultaat van de berekening waarbij het gedeelte van de belasting wordt bepaald dat aftrekbaar is krachtens de artikelen 45 tot 49 van het Wetboek;


2° (opgeheven);


3° het bedrag van de voor teruggaaf vatbare belasting dat wordt vermeld ofwel op het verbeterend stuk bedoeld in artikel 4, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969, ofwel in de aanvraag om teruggaaf."

C. Koninklijk besluit nr. 23 van 29 december 1992 tot regeling van de toepassingsmodaliteiten van artikel 53quinquies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.

15. De belastingplichtigen zijn verplicht elk jaar aan de Administratie het totaal bedrag mede te delen van de goederen en/of diensten die zij hebben verstrekt aan andere belastingplichtigen evenals het totaal bedrag van de in rekening gebrachte belasting. Met het oog hierop werd de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 23 die het model vastlegt van de jaarlijkse opgave van belastingplichtige afnemers aan wie goederen en diensten werden geleverd vervangen door een nieuwe bijlage die de leveranciers toelaat bedragen te vermelden ofwel uitgedrukt in Belgische frank, ofwel bedragen uitgedrukt in euro.

D. Koninklijk besluit nr. 24 van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.


1° Gecoördineerde tekst.


16. Hieronder vindt men de tekst van toepassing op 1 januari 1999 van de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 24, zoals ze werden gewijzigd door het koninklijk besluit van 26 november 1998.

"Artikel 3. § 1. Voor de betaling moet de belastingplichtige hetzij de formulieren gebruiken die hem door de Administratie worden bezorgd, hetzij, bij gebrek aan een dergelijk gebruik, de gestructureerde mededeling vermelden die hem werd ter kennis gebracht door de Administratie.

Het model van het door de Administratie bezorgde formulier wordt bepaald door of vanwege de Minister van Financiën en moet beantwoorden aan het model voorgeschreven door de interbancaire overeenkomst met betrekking tot overschrijvings- of stortingsformulieren.

§ 2. De betaalformulieren bezorgd door de Administratie worden geïndividualiseerd door op elk ervan de naam van de belastingplichtige en het BTW-identificatienummer dat hem werd toegekend te vermelden.

"Artikel 5. § 1. De Administratie die bevoegd is voor de belasting over de toegevoegde waarde houdt voor iedere belastingplichtige die periodieke aangiften moet indienen, een rekening-courant bij waarin in Belgische frank worden opgenomen, naarmate van de boeking ervan:

(...)

§ 3. Alleen het BTW-identificatienummer dat voorkomt op het formulier dat werd bezorgd door de Administratie of in de gestructureerde mededeling ter kennis gebracht door de Administratie bepaalt, voor de betaling op de postrekening nr. 679-2003000-47, de belastingplichtige wiens rekening-courant moet worden gecrediteerd.

(...)".


2° Toelichting.


17. In het kader van de betaling van de belasting over de toegevoegde waarde die moet gebeuren binnen de termijn voorzien voor de indiening van de periodieke aangiften, is het noodzakelijk dat de belastingplichtige de formulieren gebruikt die de Administratie hem bezorgt of, bij gebrek aan een dergelijk gebruik, dat hij de gestructureerde mededeling vermeldt die hem werd ter kennis gebracht door de Administratie. Zelfs indien de belastingplichtige bedragen vermeldt in euro in zijn periodieke aangiften, blijft de rekening-courant, die door de Administratie wordt bijgehouden voor de inschrijving van de aangegeven bedragen en de gedane betalingen, gehouden in Belgische frank.

E. Koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.

18. De vergissingen in de omrekening in Belgische frank of in euro, elementen voor de vaststelling van de maatstaf van heffing, kunnen aanleiding geven tot het niet betalen van een gedeelte van de verschuldigde belasting. Het koninklijk besluit nr. 41 werd dientengevolge aangepast.

F. Koninklijk besluit nr. 42 van 29 december 1992 tot vaststelling van de toe te passen wisselkoers indien gegevens voor het bepalen van de maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde voor handelingen andere dan de invoeren van goederen, zijn uitgedrukt in een vreemde munteenheid.

19. Indien gegevens voor het bepalen van de maatstaf van heffing van de BTW, voor andere handelingen dan invoer van goederen, zijn uitgedrukt in de munteenheid van een derde land of van een Lidstaat die de euro niet heeft aangenomen, moet de toepasselijke wisselkoers tussen die munteenheid en de euro worden gepreciseerd.

Artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 42 werd derhalve vervangen door de volgende bepaling:

"Indien de gegevens voor het bepalen van de maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde voor een andere handeling dan een invoer van goederen in de munteenheid van een derde land of van een Lidstaat die de euro niet heeft aangenomen zijn uitgedrukt, is de toepasselijke wisselkoers voor de omrekening tussen deze munteenheid en de euro:

1° de laatste indicatiekoers van de euro die wordt gepubliceerd door de Europese Centrale Bank;

2° voor de deviezen waarvoor de Europese Centrale Bank geen indicatiekoers publiceert, de laatste indicatiekoers van de euro die wordt gepubliceerd door de Nationale Bank van België. "

G. Koninklijk besluit nr. 44 van 21 oktober 1993 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.

20. De wijzigingen hebben tot doel, enerzijds, het niet vermelden, op het ogenblik van de betaling door de belastingplichtige, van de gestructureerde mededeling ter kennis gebracht door de Administratie en, anderzijds, het niet respecteren van de uitgeoefende keuze de bedragen van de handelingen onderworpen aan de BTW aan te geven of mede te delen in euro, overeenkomstig artikel 109 van het BTW-Wetboek, te bestraffen.

H. Koninklijk besluit nr. 50 van 29 december 1992 tot regeling van de toepassingsmodaliteiten van artikel 53sexies, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.

21. De belastingplichtige die gehouden is bij de Administratie een opgave in te dienen van de intracommunautaire leveringen van goederen die hij heeft verricht, moet bedragen kunnen vermelden ofwel uitgedrukt in Belgische frank, ofwel uitgedrukt in euro.

De twee formulieren opgenomen in de bijlagen A en B bij het koninklijk besluit nr. 50 zijn bijgevolg vervangen door twee modellen van opgave die toelaten bedragen te vermelden ofwel in Belgische frank, ofwel in euro.

II. Wijzigingen aangebracht door het koninklijk besluit van 16 december 1998.

22. De wijziging aangebracht door artikel 2 van het koninklijk besluit van 16 december 1998 houdt geen verband met de overgang naar de euro.

23. De andere aanpassingen betreffen de invoering van een nieuw formulier van periodieke BTW-aangifte, gemotiveerd enerzijds door de overgang naar de euro en anderzijds door het in werking stellen van de scanning van de aangiften.

Door deze nieuwe aangifte heeft de belastingplichtige de keuze om zijn gegevens aan de Administratie mee te delen ofwel in Belgische frank, ofwel in euro. De ene zijde van de aangifte is voor gegevens in Belgische frank, de keerzijde voor gegevens in euro.

Het nieuwe aangifteformulier is samengesteld uit de aangifte zelf en een omschrijving van de te gebruiken roosters. Het document is op een zodanige wijze ontworpen dat het reeds voldoet aan de algemene eisen van een scanningsprocedure.

24. Rekening houdend met de wijziging aangebracht door artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 december 1998, luidt artikel 18, § 3, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1 sinds 1 januari 1999 als volgt:

"De personen gehouden tot het indienen van de in de §§ 1 en 2 bedoelde aangiften moeten gebruik maken van de formulieren die hen door de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen worden verstrekt en waarvan het model voorkomt op de bijlage A bij dit besluit wat betreft de aangifte bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek en op de bijlage B wat betreft de aangifte bedoeld in artikel 53ter, 1°, van het Wetboek. De omschrijving van de roosters van de aangifte waarvan het model voorkomt in de genoemde bijlage A, maakt het voorwerp uit van bijlage Abis bij dit besluit."

Artikel 18, § 3, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1 diende te worden aangevuld zodat het document "Omschrijving van de roosters" wel degelijk deel uitmaakt van het besluit om de aangifte te verduidelijken, zonder dat het een integrerend deel uitmaakt van de aangifte. Zo niet zou bij de indiening van een aangifte er volgens de letter van het besluit worden vereist dat eveneens het document "Omschrijving van de roosters" zou worden ingediend, wat niet de bedoeling is.

25. Uit wat voorafgaat volgt dat het koninklijk besluit nr. 1 voortaan een bijlage A bevat bestaande uit de periodieke BTW-aangifte evenals een bijlage Abis bestaande uit de omschrijving van de roosters.

26. Artikel 5 heft artikel 10 op van het koninklijk besluit nr. 50 van 29 december 1992. Inderdaad, dat artikel bepaalde dat de belastingplichtige in zijn periodieke aangifte moet aanduiden of hij voor de verstreken aangifteperiode al dan niet gehouden is tot het indienen van de intracommunautaire opgave voor de handelingen bedoeld in artikel 53sexies van het Wetboek. Aangezien deze vermelding niet meer voorkomt op het nieuwe aangifteformulier diende deze bepaling te worden opgeheven.


§ 4. Draagwijdte van artikel 109 van het BTW-Wetboek.


27. In het perspectief de mogelijkheid te bieden om aan de BTW onderworpen handelingen aan te geven en mede te delen in euro, voegt artikel 14 van de wet van 30 oktober 1998 in het BTW-Wetboek een artikel 109 in.

Overeenkomstig deze nieuwe bepaling, kunnen de personen die gehouden zijn tot het indienen van aangiften en/of het mededelen van inlichtingen gedurende de overgangsperiode van de derde fase van de Economische en Monetaire Unie, door een keuze, de bedragen van de aan de BTW onderworpen handelingen uitdrukken in euro.

De bedragen vermeld in het Wetboek en de koninklijke en ministeriële besluiten inzake BTW, blijven uitgedrukt in Belgische frank gedurende de overgangsperiode.

In de mate van het mogelijke zullen de inlichtingen inzake drempels, schalen en tarieven worden uitgedrukt in EUR. De omrekening in EUR gebeurt door de bedragen in BEF te delen door de omrekeningskoers van 40,3399. Het resultaat wordt afgerond naar de hogere cent als het 0,5 cent bereikt en naar de lagere cent als het 0,5 cent niet bereikt.

28. Tenslotte wordt een omrekeningsformule bij de formulieren gevoegd die moeten worden ingevuld voor de toepassing van de BTW. Die formule deelt de regel mee voor de omrekening van een bedrag in BEF naar een bedrag in EUR. Voor wat betreft de omrekening van een bedrag in EUR naar een bedrag in BEF, verduidelijkt ze dat deze omre- kening gebeurt door het bedrag in EUR te vermenigvuldigen met de omrekeningskoers van 40,3399. Het resultaat moet worden afgerond naar de hogere of lagere frank, afhankelijk van het feit of de 50 centiemen al dan niet worden bereikt.

29. Het hieronder volgende schema illustreert de verschillende situaties inzake het gebruik van de Belgische frank en van de euro. ------------------------------------------------------------------------- BEF VERPLICHT voor: * aangifte december 1998 of 4de kwartaal 1998 * IC-opgave 4de kwartaal 1998 * jaarlijkse nationale opgave 1998 => documenten in te dienen in 1999 HANDELINGEN WAARVOOR DE BELASTING OPEISBAAR WORDT NA 31.12.1998 EN VOOR 1.1.2002 BEF VERPLICHT: BIJ GEBREK AAN HET UITOEFENEN VAN DE KEUZE VOORZIEN IN ARTIKEL 109 VAN HET BTW-WETBOEK EUR MOGELIJK: VOOR ALLE VERPLICHTINGEN INZAKE DE HANDELINGEN WAARVOOR DE BELASTING OPEISBAAR WORDT NA 31.12.1998 EN VOOR 1.1.2002 INDIEN : => KEUZE => ONHERROEPELIJKE KEUZE EUR VERPLICHT: VOOR DE HANDELINGEN WAARVOOR DE BELASTING OPEISBAAR WORDT NA 31.12.2001 AANGIFTE VAN JANUARI 2002: EUR VERPLICHT AANGIFTE VAN HET 1ste KWARTAAL 2002: EUR VERPLICHT EUR VERPLICHT: TEN AANZIEN VAN: * INDIENERS PERIODIEKE BTW-AANGIFTEN DIE DE KEUZE HEBBEN UITGEOEFEND Voor alle verplichtingen inzake de handelingen waarvoor de belasting opeisbaar wordt vanaf de uitwerkingsdatum van de keuze * DE ANDERE PERSONEN DIE DE KEUZE HEBBEN UITGEOEFEND Voor alle verplichtingen die worden vervuld vanaf de uitwerkingsdatum van de keuze * INDIENERS PERIODIEKE BTW-AANGIFTEN * * KEUZE : indiening van BTW-aangifte voor de eerste maal in EUR * Geen andere wettelijke voorwaarden daaraan verbonden, b.v. inzake: - boekhouding (EUR of BEF) - betaling BTW-schuld - declaratieve verplichtingen inzake andere belastingen * Uitwerkingsdatum keuze: eerste dag van het betrokken aangiftetijdvak VOORBEELD * BP - MAANDAANGEVER: KEUZE: aangifte december 1999 UITWERKING: 1 december 1999 * BP - KWARTAALAANGEVER : KEUZE: aangifte 2de kwartaal 2000 UITWERKING: 1 april 2000 * GEVOLGEN VAN DE KEUZE * VOORBEELD * BP-maandaangever: datum uitwerking 1 december 1999 * EUR VERPLICHT voor: - BTW-aangiften voor handelingen vanaf 1 december 1999 - IC-opgave (vanaf) 4de kwartaal 1999 (2 maanden BEF / 1 maand EUR) - jaarlijkse opgave (vanaf) 1999 (11 maanden BEF / 1 maand EUR) = > WERKELIJKE DATUM VAN INDIENING SPEELT GEEN ROL ------------------------------------------------------------------------- § 5. De nieuwe periodieke BTW-aangifte.

30. Er werd een nieuwe periodieke BTW-aangifte opgemaakt die toelaat de bedragen zowel in Belgische frank als in euro uit te drukken, met de bedoeling het principe van een enig formulier te handhaven.

De munteenheid die gebruikt wordt om de nieuwe periodieke aangifte op te maken hangt niet af van de munteenheid die gebruikt wordt om de boekhouding te voeren.

Sinds 1 januari 1999 heeft elke belastingplichtige de mogelijkheid om:

  • zijn boekhouding in BEF te voeren en zijn aangifte in BEF op te maken;
  • zijn boekhouding in BEF te voeren en zijn aangifte in EUR op te maken;
  • zijn boekhouding in EUR te voeren en zijn aangifte in EUR op te maken;
  • zijn boekhouding in EUR te voeren en zijn aangifte in BEF op te maken;
  • zijn boekhouding in BEF en in EUR te voeren en zijn aangifte in BEF op te maken;
  • zijn boekhouding in BEF en in EUR te voeren en zijn aangifte in EUR op te maken.
In de gevallen bedoeld onder het 2de, 4de, 5de en 6de streepje, moeten de totale bedragen, die moeten worden ingeschreven in elk rooster van de aangifte, zoals ze voortvloeien uit de boekhouding, voor hun geheel of gedeeltelijk naargelang van het geval, worden omgerekend voor het opstellen van de aangifte, op basis van de omrekeningskoers van 40,3399, volgens de regels uiteengezet in punt 27 supra.


1. Het gewone aangifteformulier.

31. De afdruk van het nieuwe gewone aangifteformulier (kopie verkrijgbaar op aanvraag) heeft niet de originele kleuren. De kant bestemd voor de vermeldingen in Belgische frank is rood/wit gekleurd, terwijl de kant die bestemd is voor de vermeldingen in euro oranje/wit is.

a) Materiële voorstelling van het nieuwe formulier.

32. Het nieuwe formulier is uitgevoerd in A4-formaat en is langs beide zijden bedrukt: één zijde is bestemd om in Belgische frank (BEF) te worden ingevuld, de andere zijde in euro (EUR). Uiteraard kan slechts één van de twee zijden van de aangifte worden ingevuld.

Dat formulier gaat vergezeld van:

  • een omschrijving van de gebruikte roosters in het nieuwe aangifteformulier dat, op 1 januari 1999, de bijlage Abis uitmaakt bij het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde;
  • een verkorte toelichting die voor de belastingplichtigen een meer gedetailleerde omschrijving van de gebruikte roosters omvat, evenals een tabel die bestemd is om op een eenvoudige wijze de eindafrekening van de bedragen te betalen aan de Staat of verschuldigd door de Staat te berekenen.
Die twee documenten in bijlage worden in minimum één exemplaar aan de belastingplichtigen verstrekt bij de jaarlijkse zending van aangifte- formulieren.

33. Bovendien bestaat het door de Administratie verstrekte aangifte- formulier niet meer uit het eigenlijke aangifteformulier en een formulier bedrukt met de vermelding "Door de aangever te bewaren kopie". De belastingplichtige moet de BTW-aangifte opstellen in twee exemplaren waarvan hij er één zelf bewaart.

b) Omschrijving van de roosters.

34. Zoals reeds gezegd onder a, gaat het nieuwe aangifteformulier die de bijlage A uitmaakt van het koninklijk besluit nr. 1, vergezeld van een omschrijving van de roosters, die de nieuwe bijlage Abis uitmaakt van hetzelfde koninklijk besluit.

De tekst van deze bijlage Abis volgt hieronder.

OMSCHRIJVING VAN DE ROOSTERS

KADER I: ALGEMENE INLICHTINGEN

Volgende inlichtingen dienen te worden verstrekt:

  • het aangiftetijdvak (naargelang van het geval: kwartaal/jaar, maand/jaar);
  • aanvraag om terugbetaling: plaats een kruis in het vak om terugbetaling te vragen van het bedrag verschuldigd door de Staat na het indienen van de aangifte (z. koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, artikel 8, § 2);
  • identificatie-etiketten: plaats een kruis in het vak om identificatie-etiketten te bestellen;
  • betaalformulieren : plaats een kruis in het vak om betaalformulieren te bestellen;
  • het BTW-identificatienummer (in voorkomend geval, voorafgegaan door de letters BE) van de persoon die de gegevens vermeld in de aangifte heeft opgesteld.
KADER II : UITGAANDE HANDELINGEN

A. Handelingen onderworpen aan een bijzondere regeling

Rooster [00]:

bedrag van de handelingen verricht in België en onderworpen aan een bijzondere regeling die zowel de aangever als zijn medecontractant vrijstellen van de betaling van de belasting.

B. Handelingen waarvoor de BTW verschuldigd is door de aangever

Roosters [01], [02] en [03]:

maatstaf van heffing van de handelingen verricht in België waarvoor de belasting verschuldigd is door de aangever overeenkomstig artikel 51, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek.

Rooster [01]: handelingen onderworpen aan het tarief van 6 pct.
Rooster [02]: handelingen onderworpen aan het tarief van 12 pct.
Rooster [03]: handelingen onderworpen aan het tarief van 21 pct.

C. Handelingen waarvoor de BTW verschuldigd is door de medecontractant

Rooster [45]:

maatstaf van heffing van de handelingen verricht in België waarvoor de belasting verschuldigd is door de medecontractant van de aangever overeenkomstig:

  • artikel 51, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek;
  • artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde;
  • een algemene of bijzondere administratieve vergunning.
D. Vrijgestelde handelingen of in het buitenland verrichte handelingen

Rooster [46]: maatstaf van heffing

  • van de leveringen van goederen verricht in België en vrijgesteld van de belasting overeenkomstig artikel 39bis van het BTW-Wetboek;
  • van de leveringen van goederen, bedoeld in artikel 25quinquies, § 3, laatste lid, van het BTW-Wetboek, verricht in de Lidstaat van aankomst van de verzending of van het vervoer van de goederen.
Rooster [47]: maatstaf van heffing:

  • van de handelingen verricht in België en vrijgesteld van de belasting overeenkomstig de artikelen 39 tot 42 van het BTW-Wetboek, met uitzondering van artikel 39bis van het BTW-Wetboek;
  • van de handelingen verricht in België en vrijgesteld van de belasting overeenkomstig artikel 44 van het BTW-Wetboek waarvoor in hoofde van de aangever een recht op aftrek van de belasting bestaat overeenkomstig artikel 45, § 1, 4° en 5°, van het BTW-Wetboek;
  • van de handelingen verricht in het buitenland.
E. Verbeteringen

Rooster [48]:

bedrag van de uitgereikte creditnota's en de negatieve verbeteringen met betrekking tot de handelingen ingeschreven in rooster [46].

Rooster [49]:

bedrag (BTW niet inbegrepen) van de uitgereikte creditnota's en de negatieve verbeteringen met betrekking tot de andere handelingen van kader II.

KADER III: INKOMENDE HANDELINGEN

A. Totaalbedrag

Rooster [81]:

bedrag (aftrekbare BTW niet inbegrepen) van de aankopen van handelsgoederen, grond- en hulpstoffen.

Rooster [82]:

bedrag (aftrekbare BTW niet inbegrepen) van de aankopen van diverse goederen en diensten.

Rooster [83]:

bedrag (aftrekbare BTW niet inbegrepen) van de aankopen van bedrijfsmiddelen.

B. Verbeteringen

Rooster [84]:

bedrag van de ontvangen creditnota's en de negatieve verbeteringen met betrekking tot de handelingen ingeschreven in rooster [86].

Rooster [85]:

bedrag (BTW niet inbegrepen) van de ontvangen creditnota's en negatieve verbeteringen met betrekking tot de andere inkomende handelingen.

C. Gegevens betreffende sommige handelingen

Rooster [86]: maatstaf van heffing:

  • van de intracommunautaire verwervingen van goederen waarvoor de belasting verschuldigd is door de aangever overeenkomstig artikel 51, § 1, 2°, van het BTW-Wetboek;
  • van de intracommunautaire verwervingen van goederen verricht onder de voorwaarden van artikel 25quinquies, § 3, laatste lid, van het BTW-Wetboek;
  • van de leveringen van goederen bedoeld in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 3°, van het BTW-Wetboek, waarvoor de belasting verschuldigd is door de aangever overeenkomstig artikel 51, § 2, 2°, van het BTW-Wetboek.
Rooster [87]:

maatstaf van heffing van de inkomende handelingen verricht in België waarvoor de belasting verschuldigd is door de aangever overeenkomstig:

  • artikel 51, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek;
  • artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde;
  • artikel 5, § 3, van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde;
  • artikel 5, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 22 van 15 september 1970 met betrekking tot de bijzondere regeling voor landbouwondernemers inzake belasting over de toegevoegde waarde;
  • artikel 5, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 31 van 29 december 1992 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen;
  • een algemene of bijzondere administratieve vergunning.
KADER IV: VERSCHULDIGDE BELASTING

Rooster [54]:

bedrag van de verschuldigde belasting op de handelingen vermeld in de roosters [01], [02] en [03].

Rooster [55]:

bedrag van de verschuldigde belasting op de handelingen vermeld in rooster [86].

Rooster [56]:

bedrag van de verschuldigde belasting op de handelingen vermeld in rooster [87], met uitzondering van de handelingen waarvoor de belasting wordt vermeld in rooster [57].

Rooster [57]:

bedrag van de verschuldigde belasting op invoeren uit niet Lidstaten van de Europese Unie, met verlegging van de heffing naar het binnenland (z. artikel 5, § 3, van het bovenvermeld koninklijk besluit nr. 7).

Rooster [61]:

diverse BTW-herzieningen in het voordeel van de Staat (ontoereikende heffingen vastgesteld door de aangever, herzieningen van de aftrek, regularisaties ingevolge administratieve beslissingen).

Rooster [63]:

bedrag van de terug te storten belasting ingevolge ontvangen creditnota's.

Rooster [65]:

niet in te vullen.

Rooster [XX]:

totaal van de roosters [54] + [55] + [56] + [57] +[61] + [63] + [65].

KADER V: AFTREKBARE BELASTING

Rooster [59]:

bedrag van de aftrekbare belasting overeenkomstig artikel 45 van het BTW-Wetboek en het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde.

Rooster [62]:

diverse BTW-herzieningen in het voordeel van de aangever (belasting waarvan de aangever teruggave kan verkrijgen, herzieningen van de aftrek, regularisaties ingevolge administratieve beslissingen).

Rooster [64]:

bedrag van de te recupereren belasting ingevolge uitgereikte creditnota's.

Rooster [66]:

niet in te vullen.

Rooster [YY]:

totaal van de roosters [59] + [62] + [64] + [66].

KADER VI: SALDO

Rooster [71]:

bedrag van de aan de Staat verschuldigde belasting: rooster [XX] - rooster [YY].

Rooster [72]:

bedrag van de sommen verschuldigd door de Staat: rooster [YY] - rooster [XX].

Slechts één van de twee roosters kan worden ingevuld.

KADER VII: VOORSCHOT

Rooster [91]:

bedrag van het voorschot op de belasting verschuldigd voor de handelingen van de maand december, bepaald overeenkomstig artikel 19, § 3, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde. Slechts eventueel in te vullen in de maandaangifte met betrekking tot de handelingen van de maand december.

KADER VIII: DATUM EN HANDTEKENING(EN)

Dateren en de aangifte ondertekenen.

Indien de ondertekenaar(s) optreedt(optreden) als gevolmachtigde of indien de belastingplichtige een rechtspersoon is, moeten de naam en de hoedanigheid van de ondertekenaar(s) vermeld worden."


c) Verkorte toelichting.


35. Naast de omschrijving van de roosters die bijlage Abis uitmaakt van het koninklijk besluit nr. 1, wordt aan de belastingplichtigen ook een document toegestuurd die een meer gedetailleerde toelichting bevat van de inhoud van de roosters van de nieuwe aangifte en een model van de eindafrekening. Deze toelichting alsook de tabel die moet worden gebruikt voor de eindafrekening worden hieronder weergegeven.

VERKORTE TOELICHTING - OMSCHRIJVING VAN DE ROOSTERS

Belangrijke opmerking:

De belastingplichtige die gehouden is tot het indienen van periodieke BTW-aangiften, mag zijn aangifte ofwel in Belgische frank (BEF), ofwel in euro's (EUR) invullen. Bijgevolg mag SLECHTS EEN ZIJDE VAN DE AANGIFTE WORDEN INGEVULD.

Vanaf het moment dat de belastingplichtige een aangifte in EUR heeft ingediend, moeten alle latere declaratieve verplichtingen en/of mededelingen van inlichtingen op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde worden ingevuld in deze munteenheid (z. BTW-Wetboek, art. 109).

De in EUR aangegeven bedragen worden steeds vermeld met twee decimalen. In voorkomend geval moet men in de twee vakken na de komma "00" vermelden.

KADER I: ALGEMENE INLICHTINGEN

Volgende inlichtingen dienen te worden verstrekt:

  • Het aangiftetijdvak (naargelang van het geval: kwartaal/jaar, maand/jaar). De vakken moeten in Arabische cijfers worden ingevuld.
Voorbeelden:

1) Aangifte met betrekking tot de handelingen van het 2de kwartaal 1999: HANDELINGEN VAN HET +---+ +-----------+ ¦ 2 ¦ kwartaal ¦ 1¦ 9¦ 9¦ 9¦ +---+ +-----------+ 2) Aangifte met betrekking tot de handelingen van de maand mei 1999: HANDELINGEN VAN DE +-----+ +-----------+ ¦ 0¦ 5¦ maand ¦ 1¦ 9¦ 9¦ 9¦ +-----+ +-----------+
  • Aanvraag om terugbetaling: Plaats een kruis in het vak om terugbetaling te vragen van het bedrag verschuldigd door de Staat na het indienen van de aangifte. Voor de maandindieners die niet genieten van het stelsel van de maandelijkse teruggaaf, mag dit vak enkel worden aangekruist in de aangiften met betrekking tot de maanden maart, juni, september en december.
  • Identificatie-etiketten: Plaats een kruis in het vak om identificatie-etiketten te bestellen.
  • Betaalformulieren: Plaats een kruis in het vak om betaalformulieren te bestellen.
  • Het BTW-identificatienummer (in voorkomend geval, voorafgegaan door de letters BE) van de persoon die de gegevens vermeld in de aangifte heeft opgesteld.
Kader II: UITGAANDE HANDELINGEN


A. Handelingen onderworpen aan een bijzondere regeling


Rooster [00]:

Bedrag van de handelingen verricht in België en onderworpen aan een bijzondere regeling die zowel de aangever als zijn medecontractant vrijstellen van de betaling van de belasting (tabaksfabrikaten, kranten, tijdschriften, recuperatieproducten, ...).

Voor wat de toepassing van de winstmargeregeling (art. 58, § 4, van het BTW-Wetboek) betreft, vermeldt het rooster [00], voor statistische doeleinden, het bedrag van de verkochte goederen gewaardeerd tegen aanschaffingsprijs. Deze vermelding gebeurt:

  • ofwel in elke aangifte, wanneer de belastingplichtige de maatstaf van heffing per levering bepaalt;
  • ofwel één maal per jaar, in de laatste aangifte van het jaar, wanneer de belastingplichtige de maatstaf van heffing per aangifteperiode bepaalt.
B. Handelingen waarvoor de BTW verschuldigd is door de aangever

Roosters [01], [02] en [03]:

Maatstaf van heffing van de handelingen verricht in België waarvoor de belasting verschuldigd is door de aangever.

Rooster [01]: Handelingen onderworpen aan het tarief van 6 pct.

Rooster [02]: Handelingen onderworpen aan het tarief van 12 Pct.

Rooster [03]: Handelingen onderworpen aan het tarief van 21 pct.

C. Handelingen waarvoor de BTW verschuldigd is door de medecontractant

Rooster [45]:

Maatstaf van heffing van de handelingen verricht in België waarvoor de belasting verschuldigd is door de medecontractant van de aangever.

Het betreft:

  • de dienstverrichtingen waarvoor de belasting verschuldigd is door de ontvanger van de dienst op grond van artikel 51, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek;
  • de werken in onroerende staat of gelijkgestelde handelingen (art. 20, KB nr. 1);
  • de handelingen waarvoor de belasting verschuldigd is door de medecontractant krachtens een algemene of bijzondere administratieve vergunning (onder meer aanschrijving 27/1975).
D. Vrijgestelde handelingen of in het buitenland verrichte handelingen

Rooster [46]:

Maatstaf van heffing van de intracommunautaire leveringen van goederen en gelijkgestelde handelingen (overbrengingen).

Rooster [47]:

Maatstaf van heffing van de uitvoer naar niet Lidstaten van de Europese Unie, van andere vrijgestelde handelingen en van de handelingen verricht in het buitenland.

E. Verbeteringen

Rooster [48]:

Bedrag van de uitgereikte creditnota's en de negatieve verbeteringen met betrekking tot de handelingen ingeschreven in rooster [46].

Rooster [49]:

Bedrag (BTW niet inbegrepen) van de uitgereikte creditnota's en de negatieve verbeteringen met betrekking tot de andere handelingen van kader II.

Kader III: INKOMENDE HANDELINGEN

A. Totaalbedrag

Rooster [81]:

Bedrag (aftrekbare BTW niet inbegrepen) van de aankopen van handelsgoederen, grond- en hulpstoffen.

Rooster [82]:

Bedrag (aftrekbare BTW niet inbegrepen) van de aankopen van diverse goederen en diensten.

Rooster [83]:

Bedrag (aftrekbare BTW niet inbegrepen) van de aankopen van bedrijfsmiddelen.

B. Verbeteringen

Rooster [84]:

Bedrag van de ontvangen creditnota's en de negatieve verbeteringen met betrekking tot de handelingen ingeschreven in rooster [86].

Rooster [85]:

Bedrag (BTW niet inbegrepen) van de ontvangen creditnota's en negatieve verbeteringen met betrekking tot de andere inkomende handelingen.

C. Gegevens betreffende sommige handelingen

Rooster [86]:

Maatstaf van heffing van de intracommunautaire verwervingen van goederen en gelijkgestelde handelingen verricht in België. De over deze handelingen verschuldigde belasting moet worden ingeschreven in rooster [55].

Rooster [87]:

Maatstaf van heffing van de andere inkomende handelingen verricht in België waarvoor de belasting verschuldigd is door de aangever.

Het betreft:

  • de dienstverrichtingen waarvoor de belasting verschuldigd is door de ontvanger van de dienst op grond van artikel 51, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek;
  • de werken in onroerende staat of gelijkgestelde handelingen (art. 20, K.B. nr. 1);
  • de invoer van goederen afkomstig van niet Lidstaten van de Europese Unie, met verlegging van de heffing naar het binnenland (art. 5, § 3, KB nr. 7);
  • de handelingen verricht door een belastingplichtige onderworpen aan de bijzondere landbouwregeling, waarvoor de aangever schuldenaar is tegenover de Staat van het verschil tussen de belasting berekend tegen het tarief dat voor die handeling geldt en het bedrag van de forfaitaire compensatie dat hij aan de landbouwondernemer betaalt (art. 5, eerste lid, KB nr. 22);
  • de handelingen verricht door een niet in België gevestigde belastingplichtige die hier geen aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen (art. 5, KB nr. 31);
  • de leveringen van goederen met installatie of montage door of voor rekening van een niet in België gevestigde leverancier, waarvoor de aanschrijving nr. 4/1979 van toepassing is;
  • de handelingen waarvoor de belasting verschuldigd is door de aangever krachtens een algemene of bijzondere administratieve vergunning (onder meer aanschrijving 27/1975).
De verschuldigde belasting met betrekking tot bovenstaande handelingen moet worden vermeld in het rooster [56], evenwel met uitzondering van de belasting verschuldigd op de invoer van goederen afkomstig van niet Lidstaten van de Europese Unie met verlegging van de heffing naar het binnenland. Deze belasting wordt in het rooster [57] vermeld.

Kader IV: VERSCHULDIGDE BELASTING

Rooster [54]:

Bedrag van de verschuldigde belasting op de handelingen vermeld in de roosters [01], [02] en [03].

Rooster [55]:

Bedrag van de verschuldigde belasting op de handelingen vermeld in het rooster [86].

Rooster [56]:

Bedrag van de verschuldigde belasting op de handelingen vermeld in het rooster [87], met uitzondering van de handelingen waarvoor de belasting wordt vermeld in het rooster [57].

Rooster [57]:

Bedrag van de verschuldigde belasting op invoeren uit niet Lidstaten van de Europese Unie, met verlegging van de heffing naar het binnenland.

Rooster [61]:

Diverse BTW-herzieningen in het voordeel van de Staat (ontoereikende heffingen vastgesteld door de aangever, herzieningen van de aftrek, regularisaties ingevolge administratieve beslissingen).

Rooster [63]:

Bedrag van de terug te storten belasting ingevolge ontvangen creditnota's (t.t.z. de belasting die op de ontvangen creditnota's is vermeld).

Rooster [65]:

Niet in te vullen.

Rooster [XX]:

Totaal van de roosters [54] + [55] + [56] + [57] + [61] + [63] (+ [65])

Kader V: AFTREKBARE BELASTING

Rooster [59]:

Bedrag van de aftrekbare belasting met betrekking tot de inkomende handelingen (art. 45 van het BTW-Wetboek).

Rooster [62]:

Diverse BTW-herzieningen in het voordeel van de aangever (belasting waarvan de aangever teruggave kan verkrijgen, herzieningen van de aftrek, regularisaties ingevolge administratieve beslissingen).

Rooster [64]:

Bedrag van de te recupereren belasting ingevolge uitgereikte creditnota's (t.t.z. de belasting die op de uitgereikte creditnota's is vermeld).

Rooster [66]:

Niet in te vullen.

Rooster [YY]:

Totaal van de roosters [59] + [62] + [64] (+ [66])

Kader VI: SALDO

Rooster [71]:

Bedrag van de aan de Staat verschuldigde belasting: rooster [XX] - rooster [YY]

Rooster [72]:

Bedrag van de sommen verschuldigd door de Staat: rooster [YY] - rooster [XX]

Slechts één van de twee roosters kan worden ingevuld.

Kader VII: VOORSCHOT

Rooster [91]:

Bedrag van het voorschot op de belasting verschuldigd voor de handelingen van de maand december, dat overeenstemt met het bedrag van de belasting dat effectief verschuldigd is voor de handelingen verricht van de 1ste tot en met de 20ste december (art. 19, § 3, 2de lid, van het KB nr. 1). Slechts eventueel in te vullen in de maandaangifte met betrekking tot de handelingen van de maand december.

Kader VIII: DATUM EN HANDTEKENING(EN)

Dateren en de aangifte ondertekenen.

Indien de ondertekenaar(s) optre(e)d(t)(en) als gevolmachtigde of indien de belastingplichtige een rechtspersoon is, moeten de naam en de hoedanigheid van de ondertekenaar(s) vermeld worden.

EINDAFREKENING

36. De eindafrekening van de bedragen te betalen aan de Staat of verschuldigd door de Staat, kan aan de hand van de volgende tabel worden uitgerekend. + -----------------------------+ ¦ Aan de Staat ¦ Door de Staat¦ ¦ te betalen ¦ verschuldigde¦ ¦ bedragen ¦ bedragen ¦ ¦ (kol. 1) ¦ (kol. 2) ¦ +---------------------------------------+--------------+--------------¦ ¦ A. Saldo van de aangifteperiode ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ (overdracht van kader VI) ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ Aan de Staat verschuldigde belasting ¦ ¦ ¦ ¦ [71] ¦ ............ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ of ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ Door de Staat verschuldigd bedrag ¦ ¦ ¦ ¦ [72] ¦ ¦ ............ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ B. Betreft enkel de maandaangifte ¦ ¦ ¦ ¦ met betrekking tot de handelingen ¦ ¦ ¦ ¦ van de maand december, in te ¦ ¦ ¦ ¦ dienen in januari ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ Bedrag van het voorschot met ¦ ¦ ¦ ¦ betrekking tot de handelingen van de ¦ ¦ ¦ ¦ maand december, dat effectief werd ¦ ¦ ¦ ¦ betaald. ¦ ¦ ............ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ C. Enkel voor kwartaalaangevers ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ Betaalde voorschotten voor de ¦ ¦ ¦ ¦ aangifteperiode ¦ ¦ ............ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ D. Saldo van de vorige ¦ ¦ ¦ ¦ aangifteperioden ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ Nog aan de Staat te betalen bedrag ¦ ............ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ of ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ Nog door de Staat verschuldigd bedrag ¦ ¦ ............ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦--------------+--------------¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ TOTALEN ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ Links: letters A + D ¦ ............ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ Rechts: letters A + (B of C) + D ¦ ¦ ............ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ - ¦ - ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ KLEINSTE TOTALEN ¦ ............ ¦ ............ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ (af te trekken van het grootste) ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦--------------+--------------¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ E. EINDRESULTAAT ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ Aan de Staat te betalen bedrag ¦ ............ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ (totaal kol. 1 min totaal kol. 2) ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ of ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ Door de Staat verschuldigd bedrag ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ (totaal kol. 2 min totaal kol. 1) ¦ ¦............. ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦(eventueel, ¦ ¦ ¦ ¦aanvraag om ¦ ¦ ¦ ¦terugbetaling ¦ ¦ ¦ ¦- z. kader I) ¦ +---------------------------------------------------------------------+
d) Vergelijking tussen de aangifte 1998 en de aangifte 1999.


Inhoud van het nieuwe formulier.

37. De aangebrachte wijzigingen inzake de inhoud van de nieuwe periodieke BTW-aangifte tegenover het vorige formulier nr. 625, bestaan hoofdzakelijk uit:

a) het invoegen van een rooster "boekhouder", bestemd voor het vernielden van het BTW-identificatienummer van de persoon die de gegevens vermeld in de aangifte heeft opgesteld;

b) het invoegen van het rooster [91], dat de vroegere bijlage bij de BTW-aangifte met betrekking tot de handelingen van de maand december voor de maandaangevers, vervangt;


c) de beperkte inhoud van de roosters [46] en [86].


Het rooster [46] geeft enkel de maatstaven van heffing weer van:

  • de leveringen van goederen die plaatsvinden in België en vrijgesteld zijn van de belasting op grond van artikel 39bis van het BTW-Wetboek (de intracommunautaire leveringen van goederen en de daarmee gelijkgestelde handelingen);
  • evenals de leveringen van goederen bedoeld in artikel 25quinquies, § 3, laatste lid, van het BTW-Wetboek, verricht in de Lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen (het betreft de aangiften van de tussenpersoon B in de vereenvoudigde regeling driehoeksverkeer ABC).
Het rooster [86] geeft op zijn beurt enkel de maatstaven van heffing weer van:

  • de intracommunautaire verwervingen van goederen (en de daarmee gelijkgestelde handelingen) waarvoor de belasting verschuldigd is door de aangever op grond van artikel 51, § 1, 2°, van het BTW-Wetboek;
  • de intracommunautaire verwervingen van goederen verricht onder de voorwaarden van artikel 25quinquies, § 3, laatste lid, van het BTW- Wetboek (betreft de aangiften van de tussenpersoon B in de vereenvoudigde regeling driehoeksverkeer ABC);
  • evenals de leveringen van goederen bedoeld in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 3°, van het BTW-Wetboek, waarvoor de belasting verschuldigd is door de aangever op grond van artikel 51, § 2, 2°, van het BTW- Wetboek (betreft de aangiften van de uiteindelijke afnemer C in de vereenvoudigde regeling driehoeksverkeer ABC).
Deze aanpassing maakt een betere afstemming mogelijk tussen, enerzijds, de periodieke BTW-aangifte en, anderzijds, de gegevens verstrekt in het kader van de intracommunautaire opgave en deze die de andere Lidstaten mededelen op basis van de samenvattende opgaven van de intracommunautaire handelingen ingediend door de in deze Lidstaten geïdentificeerde belastingplichtigen;

d) de toevoeging van twee "reserve" roosters [65] en [66]. Deze dienen momenteel niet te worden ingevuld;

e) het invoegen van twee roosters [XX] en [YY] die respectievelijk de totaal verschuldigde en de totaal aftrekbare belasting vermelden;

f) de afschaffing van het rooster [88], waarvan de gegevens worden ingelijfd bij het rooster [87], teneinde het aantal bijkomende roosters ten opzichte van het aantal roosters in het huidige aangifteformulier te beperken.

Het rooster [87] vermeldt bijgevolg de maatstaf van heffing van alle inkomende handelingen verricht in België waarvoor de belasting verschuldigd is door de aangever, met uitzondering van de handelingen vermeld in het rooster [86] (z. c) hierboven). Het rooster [87] vermeldt derhalve onder meer de maatstaf van heffing van de leveringen van goederen die vanuit een andere Lidstaat of een derde land naar België worden verzonden en die hier door of voor rekening van de niet in België gevestigde leverancier worden gemonteerd of geïnstalleerd en waarvoor de aangever overeenkomstig de regeling van de aanschrijving nr. 4 van 14 februari 1979 de belasting voldoet in de plaats van zijn leverancier;

g) de afschaffing van diverse elementen die niet onontbeerlijk zijn voor de Administratie (detail van de roosters [61] en [62], eindafrekening, verklaring met betrekking tot de indiening van de intracommunautaire kwartaalopgave, enz.) met het oog op de voorstelling van het nieuwe formulier op een A4-formaat.

38. De hieronder volgende vergelijkingstabel duidt de aangebrachte wijzigingen aan.

Aangifte 1998 ¦Aangifte 1999: wijzigingen in vergelijking met ¦de aangifte 1998 -------------------------------------------------------------------------- Aanduiding van het tijdvak¦Het jaartal moet worden genoteerd in vier van de aangifte ¦cijfers --------------------------+----------------------------------------------- Aanbrengen van het ¦ - identificatie-etiket ¦ --------------------------+----------------------------------------------- Wijzigingen aan de ¦aangifte tot wijziging van een registratie identiteit of het adres ¦(formulier nr. 604 B) in te dienen --------------------------+----------------------------------------------- Bestelling van ¦ - identificatie-etiketten en¦ van betaalformulieren ¦ --------------------------+----------------------------------------------- Aanvraag om terugbetaling ¦Aanvraag om terugbetaling door een eenvoudig door een handtekening ¦kruis --------------------------+----------------------------------------------- - ¦Vermelding van het BTW-identificatienummer van ¦de persoon die de gegevens vermeld in de ¦aangifte heeft opgesteld --------------------------+----------------------------------------------- Kader voorbehouden voor ¦Idem alsmede vermelding van het controletotaal. de administratie: codering¦Opm.: eventueel op te heffen in het kader van van de aangifte ¦de scanning. --------------------------+----------------------------------------------- Rooster [00] ¦Voor wat de toepassing van het stelsel bedoeld ¦in artikel 58, § 4, van het BTW-Wetboek ¦betreft, wordt de vermelding van het ¦totaalbedrag van de gedane aankopen in het ¦kader van het bovenvermelde stelsel vervangen ¦door de vermelding van het bedrag van de ¦verkochte goederen, in het kader van het ¦bovenvermelde stelsel, gewaardeerd tegen ¦aanschaffingsprijs. --------------------------+----------------------------------------------- Roosters [01], [02], ¦ - en [03] en [45] ¦ --------------------------+----------------------------------------------- Rooster [46] ¦Bevat enkel de intracommunautaire leveringen ¦van goederen en gelijkgestelde handelingen --------------------------+----------------------------------------------- Rooster [47] ¦Bevat, naast de inhoud van het vroegere rooster ¦[47], het bedrag van de leveringen met ¦installatie of montage in een andere Lidstaat, ¦evenals de verkopen op afstand verricht in een ¦andere Lidstaat --------------------------+----------------------------------------------- Roosters [48] en [49] ¦Aanpassing aan de nieuwe inhoud van het ¦rooster [46] --------------------------+----------------------------------------------- Roosters [54], [55], [56], ¦ - [57] en [59] ¦ --------------------------+----------------------------------------------- Roosters [61], [62], [63] ¦Het detail van de roosters [61] en [62] en [64] ¦komt niet meer voor op de periodieke aangifte, ¦maar moet door de aangever worden opgemaakt en ¦ter beschikking van de Administratie worden ¦gehouden. --------------------------+----------------------------------------------- - ¦Roosters [65] en [66] ("reserveroosters", ¦dienen momenteel niet te worden ingevuld) --------------------------+----------------------------------------------- Berekening van de totaal ¦Deze totalen worden vermeld in 2 nieuwe verschuldigde belasting en¦roosters: rooster [XX] en rooster [YY] van de totaal aftrekbare ¦ belasting ¦ --------------------------+----------------------------------------------- Rooster [71] en [72] ¦ - --------------------------+----------------------------------------------- Roosters [81], [82] en [83]¦ - --------------------------+----------------------------------------------- Rooster [86] ¦Bevat enkel de intracommunautaire verwervingen ¦van goederen en de daarmee gelijkgestelde ¦handelingen --------------------------+----------------------------------------------- Rooster [87] en [88] ¦Samenvoegen in één enkel rooster ¦[87]. Dit rooster bevat bijgevolg de maatstaf ¦van heffing van alle inkomende handelingen die ¦plaatsvinden in België en waarvoor de ¦belasting verschuldigd is door de aangever, met ¦uitzondering van de intracommunautaire ¦verwervingenvan goederen en de daarmee ¦gelijkgestelde handelingen --------------------------+----------------------------------------------- Roosters [84] en [85] ¦Aanpassing aan de nieuwe inhoud van het ¦rooster [86] --------------------------+----------------------------------------------- Kader voorbehouden voor de¦zie supra Administratie: ¦ conroletotaal ¦ --------------------------+----------------------------------------------- Eindafrekening ¦Komt niet meer voor op de periodieke aangifte, ¦maar wordt hernomen in de verkorte toelichting ¦bijgevoegd bij de aangifte als instrument ¦bestemd om de aangever de verschuldigde sommen ¦aan of door de Staat te helpen bepalen --------------------------+----------------------------------------------- Verklaring van indiening ¦Opgeheven van de intracommunautaire ¦ kwartaalopgave ¦ --------------------------+----------------------------------------------- Verklaring van betaling ¦Opgeheven --------------------------+----------------------------------------------- Bijlage bij de aangifte ¦Rooster [91] wordt opgenomen in de periodieke van december ¦aangifte. Het detail van dit rooster (bedrag ¦van de verschuldigde en aftrekbare belasting ¦voor de periode van 1 tot en met 20 december) ¦komt niet meer voor op de periodieke aangifte, ¦maar moet door de aangever worden opgemaakt en ¦ter beschikking van de Administratie worden ¦gehouden --------------------------+----------------------------------------------- Datum en handtekening(en) ¦ --------------------------------------------------------------------------
e) Evaluatie van de logische samenhang van de ingediende aangiften.

39. De controles verricht met het oog op het nazicht van de logische samenhang van de onderscheiden roosters van de ingediende aangiften werden aangepast aan de inhoud van de nieuwe aangifte. De lijst volgt hieronder.

Logische controles van de periodieke BTW-aangifte

De controles verricht met het oog op het nazicht van de logische samenhang van de onderscheiden roosters van de ingediende aangiften zijn de volgende:

1° Bepaalde roosters werden in principe ten onrechte (niet) ingevuld.

  • Controle nr. 1: rooster [01] en/of rooster [02] en/of rooster [03] -> rooster [54]
d.i. Als een bedrag wordt vermeld in het (de) rooster(s) [01] en/of [02] en/of [03], dan moet in het rooster [54] eveneens een bedrag worden vermeld.

  • Controle nr. 2: rooster [54] -> rooster [01] en/of rooster [02] en/of rooster [03]
d.i. Als een bedrag wordt vermeld in het rooster [54], dan moet in het (de) rooster(s) [01] en/of [02] en/of [03] eveneens een bedrag worden vermeld.

  • Controle nr. 3: rooster [86] -> rooster [55]
d.i. Als een bedrag wordt vermeld in het rooster [86], dan moet in het rooster [55] eveneens een bedrag worden vermeld.

Deze controle gaat niet op wanneer het bedrag vermeld in het rooster [86] enkel betrekking heeft op:

  • intracommunautaire verwervingen van goederen en daarmee gelijkgestelde handelingen die van de BTW zijn vrijgesteld;
  • intracommunautaire verwervingen van goederen onder de voorwaarden van artikel 25quinquies, § 3, derde lid, van het BTW-Wetboek (betreft de aangiften van de tussenpersoon B in de vereenvoudigde regeling driehoeksverkeer ABC).
  • Controle nr. 4: rooster [87] -> rooster [56] en/of rooster [57]
d.i. Als een bedrag wordt vermeld in het rooster [87], dan moet in het (de) rooster(s) [56] en/of [57] eveneens een bedrag worden vermeld.

  • Controle nr. 5: Er wordt een bedrag vermeld in het rooster [65] en/of het rooster [66]
Controle nr. 6: Er wordt een bedrag vermeld in het rooster [91] van een andere aangifte dan de maandaangifte met betrekking tot de handelingen van de maand december.

2° Er bestaat een wanverhouding tussen de bedragen ingevuld als verschuldigde of te recupereren BTW en de bedragen ingevuld als omzet of aankopen.

  • Controle nr. 7: rooster [01] x 6 % + rooster [02] x 12 % + rooster [03] x 21 % = rooster [54]
Deze controle wordt verricht met een veiligheidsmarge van 2.500 BEF (61,97 EUR)

  • Controle nr. 8: rooster [55] = (rooster [84] + rooster [86]) x 21%
Deze controle wordt verricht met een veiligheidsmarge van 2.500 BEF (61,97 EUR). Wanneer het bedrag vermeld in rooster [86] echter rekening houdt met creditnota's ontvangen tijdens een periode die voorafgaat aan het betrokken aangiftetijdvak, kan het zijn dat de controle niet opgaat.

  • Controle nr. 9: rooster [56] = (rooster [85] + rooster [87]) x 21%
Deze controle wordt verricht met een veiligheidsmarge van 2.500 BEF (61,97 EUR). Wanneer het bedrag vermeldt in rooster [87] echter rekening houdt met creditnota's ontvangen tijdens een periode die voorafgaat aan het betrokken aangiftetijdvak, kan het zijn dat de controle niet opgaat.

  • Controle nr. 10: rooster [57] = (rooster [85] + rooster [87]) x 21 %
Deze controle wordt verricht met een veiligheidsmarge van 2.500 BEF (61,97 EUR). Wanneer het bedrag vermeld in rooster [87] echter rekening houdt met creditnota's ontvangen tijdens een periode die voorafgaat aan het betrokken aangiftetijdvak, kan het zijn dat de controle niet opgaat.

  • Controle nr. 11: rooster [59] = (rooster [81] + rooster [82] +rooster [83] + rooster [84] + rooster [85])
Het kan zijn dat deze controle niet opgaat wanneer de maatstaf van heffing met betrekking tot inkomende handelingen reeds geheel of gedeeltelijk in voorgaande aangiften werd opgenomen (bv. invoeren van goederen, leasingovereenkomsten, enz.).

  • Controle nr. 12: rooster [63] = rooster [85] x 21 %
Deze controle wordt verricht met een veiligheidsmarge van 2.500 BEF (61,97 EUR). Wanneer bepaalde ontvangen creditnota's uitsluitend betrekking hebben op het bedrag van de BTW (bv. vergissing in BTW-tarief) kan het zijn dat de controle niet opgaat.

  • Controle nr. 13: rooster [64] = rooster [49] x 21 %
Deze controle wordt verricht met een veiligheidsmarge van 2.500 BEF (61,97 EUR). Wanneer bepaalde uitgereikte creditnota's uitsluitend betrekking hebben op het bedrag van de BTW (bv. vergissing in BTW-tarief) kan het zijn dat de controle niet opgaat.

  • Controle nr. 14: (rooster [55] + rooster [56] + rooster [57]) = (rooster [84] + rooster [85] + rooster [86] + rooster [87]) x 21 %
Deze controle wordt verricht met een veiligheidsmarge van 2.500 BEF (61,97 EUR). Wanneer het bedrag vermeld in het (de) rooster(s) [86] en/of [87] rekening houdt met creditnota's ontvangen tijdens een periode die voorafgaat aan het betrokken aangiftetijdvak, kan het zijn dat de controle niet opgaat.

2. Het model van de geautomatiseerde aangifte.

40. De geautomatiseerde BTW-aangifte werd eveneens gewijzigd vanaf 1 januari 1999.

Voor de handelingen waarvoor de BTW opeisbaar wordt na 31 december 1998, is het gebruik van aangifteformulieren verplicht, die ofwel overeenstemmen met het model van de geautomatiseerde BTW-aangifte in Belgische frank (geen uitoefening van de keuze de euro te gebruiken), ofwel met het model van de geautomatiseerde BTW-aangifte in euro (uitoefening van de keuze de euro te gebruiken), die hieronder zijn afgebeeld en die, in principe, geldig zijn gedurende één jaar, dat wil zeggen voor de aangiften met betrekking tot de handelingen waarvoor de BTW opeisbaar wordt in 1999. (Model verkrijgbaar op aanvraag).

3. Opmaken van de aangifte in euro.

41. De genummerde roosters op het aangifteformulier, die werden onderverdeeld in vakken, zijn bestemd voor het invullen van de te verstrekken gegevens. De daarin te vermelden cijfers moeten goed gevormd en perfect leesbaar zijn.

De in te vullen bedragen van de aangifte in euro hebben steeds twee decimalen. De roosters bestemd voor het invullen van de aan te geven bedragen zijn daarom voorzien van een komma en twee vakken voor de decimalen.

De bedragen moeten worden ingevuld door gebruik te maken van één vak voor elk cijfer, met het cijfer van de eenheden in het blanco vak vóór de komma, het cijfer van de tientallen in het voorgaande vak, enz. De twee vakken na de komma moeten altijd worden ingevuld. Wanneer het in te vullen bedrag een geheel getal is (geen euro-centen), dan moet men in de vakken na de komma "00" vermelden. Men mag geen enkel vak tussen twee cijfers openlaten, noch voor het aanduiden van een tussenruimte, noch voor het inschrijven van een punt of een ander teken. Voorbeeld van een juiste inschrijving (rooster 01) + -------------------------------------------+ +-------+ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ 7 ¦ 0 ¦ 1 ¦ 5 ¦ 6 ¦ 0 ¦, ¦ 2 ¦ 8 ¦ EUR 01 +-------------------------------------------+ +-------+ De roosters die de belastingplichtige niet gebruikt moeten blanco blijven. Ze mogen niet worden doorstreept of opgevuld met nullen of enige andere vermelding zoals "nihil" dragen. De zijde van het BTW-aangifteformulier bestemd om te worden ingevuld in Belgische frank blijft eveneens blanco. Deze zijde wordt niet doorstreept en evenmin wordt er de vermelding "nihil" op aangebracht.

§ 6. Andere personen dan belastingplichtigen gehouden tot het indienen van periodieke aangiften.

42. De andere personen dan de belastingplichtigen gehouden tot het indienen van periodieke aangiften oefenen de keuze de euro te gebruiken uit:

  • ofwel wanneer ze, voor de eerste maal, een aangifte indienen waarin bedragen zijn uitgedrukt in euro;
  • ofwel wanneer ze, voor de eerste maal, bedragen mededelen in euro omwille van een verplichting voorzien in het BTW-Wetboek of ter uitvoering ervan.
De betrokken personen zijn in hoofdzaak:

  • de vrijgestelde belastingplichtigen (advocaten, notarissen, onderwijsinstellingen, ziekenhuizen, rusthuizen voor bejaarden, ... );
  • de belastingplichtigen die genieten van de vrijstellingsregeling van de belasting (kleine ondernemingen waarvan de jaaromzet 225.000 Belgische frank niet overschrijdt);
  • de landbouwondernemers onderworpen aan de forfaitaire regeling;
  • de niet belastingplichtige rechtspersonen (openbare besturen, holdingmaatschappijen, ... );
  • de toevallige belastingplichtigen (verkoper van een nieuw gebouw met toepassing van de BTW, verkoper van een nieuw vervoermiddel dat vervoerd of verstuurd wordt van België naar een andere Lidstaat van de Europese Unie).
43. De keuze wordt uitgeoefend op het ogenblik van de indiening van de aangifte waarin, voor de eerste maal, de bedragen zijn vermeld in euro of op het ogenblik van de eerste mededeling van dergelijke bedragen.

De aldus uitgeoefende keuze heeft uitwerking op de datum van naleving van de verplichting. De aangiften en mededelingen die gedaan worden vanaf die datum mogen nog enkel bedragen in euro vermelden.

44. Voorbeeld.

Een landbouwer onderworpen aan de forfaitaire regeling heeft, in de loop van het eerste kwartaal 2000, intracommunautaire verwervingen verricht van goederen andere dan nieuwe vervoermiddelen en accijnsproducten voor een bedrag hoger dan 450.000 Belgische frank.

De landbouwer dient een bijzondere aangifte in waarin, uitgedrukt in euro, het bedrag van de aangekochte goederen wordt vermeld.

Eerste geval.

De bijzondere aangifte wordt ingediend op 17 april 2000, hetzij binnen de termijn die verstrijkt op 20 april 2000.

De landbouwer verkiest de euro te gebruiken om zijn verplichtingen te vervullen en de datum van uitwerking van die keuze is 17 april 2000.

In de veronderstelling dat de landbouwer zijn jaarlijkse opgave van belastingplichtige afnemers betreffende 1999 indient bij het verstrijken van de voorziene termijn, hetzij op 31 maart 2000, mag de opgave slechts bedragen in Belgische frank vermelden.

In de veronderstelling dat de landbouwer zijn jaarlijkse opgave van belastingplichtige afnemers betreffende 1999 indient op 3 mei 2000, hetzij na de datum van uitwerking van de keuze die hij heeft uitgeoefend, mag de opgave slechts bedragen in euro vermelden.

Tweede geval.

De bijzondere aangifte wordt ingediend op 11 mei 2000, hetzij na de indieningstermijn.

In de twee hierboven gestelde veronderstellingen, indiening op 31 maart 2000 of op 3 mei 2000, mag de jaarlijkse opgave van 1999 slechts bedragen in Belgische frank vermelden.

In de veronderstelling dat de jaarlijkse opgave van 1999 wordt ingediend op 20 mei 2000, hetzij na de datum van uitwerking van de keuze, mag ze slechts bedragen in euro vermelden.

45. Het hieronder volgende schema stelt de situatie voor van de persoon die niet gehouden is tot het indienen van periodieke aangiften, die de keuze maakt om de bedragen van de handelingen die onderworpen zijn aan de BTW uit te drukken in euro en de gevolgen van die keuze. ------------------------------------------------------------------------- ANDERE PERSONEN DAN INDIENERS PERIODIEKE BTW-AANGIFTEN * KEUZE: het naleven van een verplichting voor de eerste maal in EUR * Eveneens geen andere wettelijke voorwaarden daaraan verbonden * Uitwerkingsdatum keuze: datum van naleving van de verplichting (= WERKELIJKE DATUM VAN INDIENING) Voorbeeld. Forfaitaire landbouwer (LA) * KEUZE: bijzondere BTW-aangifte 1ste kwartaal 2000 ingediend op: 1) 17 april 2000 2) 15 mei 2000 (laattijdige indiening) * UITWERKING: 1) 17 april 2000 2) 15 mei 2000 * EUR VERPLICHT voor: alle verplichtingen nageleefd vanaf 17 april 2000 (1) of 15 mei 2000 (2) m.b.t. een periode die ten vroegste aanvangt op 1 januari 1999 => jaarlijkse opgave m.b.t. het jaar 1999 a) ingediend op 31 maart 2000: in BEF b) ingediend op 31 mei 2000 (laattijdige indiening) : in EUR -------------------------------------------------------------------------
§7. Toepassing van de wisselkoersen en van de omrekeningskoersen.
A.Wijziging van het BTW-Wetboek.
46. Gedurende de overgangsperiode van de derde fase van de Economische en Monetaire Unie, worden de nationale munteenheden [munteenheden van de deelnemende Lidstaten, zoals deze munteenheden op de dag vóór de aanvang van de derde fase van de Economische en Monetaire Unie gedefinieerd zijn] (artikel 1, vijfde streepje, van de Verordening (EG) nr. 974/98 over de invoering van de euro) nog steeds gebruikt als monetaire, niet-decimale uitdrukking van de euro en het chartaal geld bestaat uitsluitend in nationale munteenheid.

De nationale munteenheden van de andere deelnemende Lidstaten moeten in Belgische frank worden omgezet rekening houdend met de Verordening (EG) nr. 1103/97 van de Raad van 17juni 1997, over enkele bepalingen betreffende de invoering van de euro. Het betreft de toepassing van de omrekeningskoersen vastgelegd door de Raad overeenkomstig artikel 109 L, lid 4, eerste zin, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Bijgevolg heeft de toepassing van de wisselkoers vanaf 1 januari 1999 enkel nog betrekking op de munteenheden van derde landen alsook op de munteenheden van de Lidstaten die de gemeenschappelijke munteenheid niet hebben aangenomen.

De artikelen 27 en 34, § 4, van het BTW-Wetboek die de vaststelling van de maatstaf van heffing van de BTW regelen indien de gegevens die ze samenstellen zijn uitgedrukt in een vreemde munteenheid, werden dientengevolge gewijzigd.

B. Regels voor de omrekening van de euro naar de Belgische frank en vice versa.

47. De bedragen uitgedrukt in euro die voor het opmaken van de periodieke aangifte naar Belgische frank moeten worden omgerekend, of vice versa, de bedragen uitgedrukt in Belgische frank die voor het opmaken van de aangifte naar euro moeten worden omgerekend, worden omgerekend op grond van de omrekeningskoers die op 1 januari 1999 onherroepelijk werd vastgesteld.

De omrekeningskoers vastgesteld op 1 januari 1999, drukt de te- genwaarde in Belgische frank van één euro uit. Hij bestaat uit zes kenmerkende cijfers, twee cijfers vóór de komma en vier cijfers erna (1 EUR = 40,3399 BEF).

48. Bij de omrekeningen mag de op 1 januari 1999 vastgestelde omrekeningskoers niet worden afgerond of verkort. De onherroepelijk vastgestelde omrekeningskoers moet zowel worden gebruikt voor de omrekeningen tussen de euro en de Belgische frank als voor de omrekeningen tussen de Belgische frank en de euro. Het is daarbij verboden gebruik te maken van de inverse koers berekend op basis van de omrekeningskoers.

49. Een bedrag in euro wordt omgerekend naar een bedrag in Belgische frank door het bedrag in euro te vermenigvuldigen met 40,3399. Het resultaat wordt afgerond naar de hogere of lagere frank naargelang het getal na de komma groter of gelijk is aan 50 centiemen enerzijds, of kleiner is dan 50 centiemen anderzijds.

Voorbeelden

30,99 EUR x 40,3399 = 1.250,1335 BEF afgerond op 1. 250 BEF
25,66 EUR x 40,3399 = 1.035,1218 BEF afgerond op 1. 035 BEF

50. Een bedrag in Belgische frank wordt omgerekend naar een bedrag in euro door het bedrag in Belgische frank te delen door 40,3399. Het resultaat wordt afgerond op de dichtstbijzijnde hogere of lagere cent (2de decimaal), naargelang het derde cijfer na de komma groter of gelijk is aan 5 enerzijds of kleiner is dan 5 anderzijds.

Voorbeelden

1.250 BEF: 40,3399 = 30,9866 EUR afgerond op 30,99 EUR
1.035 BEF: 40,3399 = 25,6569 EUR afgerond op 25,66 EUR

C. Toe te passen regels voor de omrekenings- of wisselkoersen bij de inschrijving van een document in de boekhouding.

51. De belastingplichtige die zijn boekhouding in euro voert kan er een document in moeten opnemen, uitgedrukt in:

1° Belgische frank (b.v.: factuur met betrekking tot een aankoop van goederen in België, uitgedrukt in BEF). Bij de opname ervan in de boekhouding moet het gefactureerde bedrag worden gedeeld door de op 1 januari 1999 vastgestelde omrekeningskoers tussen de euro en de Belgische frank om het bedrag in EUR te bekomen dat moet worden ingeschreven in de boekhouding, waarbij het resultaat wordt afgerond op de hogere cent, als het 0,5 cent bereikt of overtreft, of op de lagere cent als het 0,5 cent niet bereikt;

2° de munteenheid van een Lidstaat die de euro heeft aangenomen (b.v. : factuur met betrekking tot een intracommunautaire verwerving van goederen, uitgedrukt in FRF). Bij de opname ervan in de boekhouding moet het gefactureerde bedrag worden gedeeld door de op 1 januari 1999 vastgestelde omrekeningskoers tussen de euro en de Franse frank, waarbij het verkregen resultaat wordt afgerond zoals onder 1° hierboven;

3° de munteenheid van een Lidstaat die de euro niet heeft aangenomen of van een derde land (b.v.: factuur met betrekking tot een intracommunautaire verwerving van goederen, uitgedrukt in GBP). Bij de opname ervan in de boekhouding moet het gefactureerde bedrag worden omgerekend op basis van de regels vastgelegd in artikel 27 van het BTW-Wetboek en het koninklijk besluit nr. 42 van 29 december 1992, zoals gewijzigd op 1 januari 1999.

Voorbeeld.

De overeengekomen prijs is 30.000 GBP en, bij veronderstelling,
volgens de laatste indicatieve koers gepubliceerd door de Europese
Centrale Bank, 1 EUR = 0,705733 GBP.
Het bedrag in EUR dat moet worden ingeschreven in de boekhouding
is 30.000 GBP: 0,705733 = 42.508,99 EUR.

52. De belastingplichtige die zijn boekhouding in Belgische frank voert kan er een document in moeten opnemen, uitgedrukt in:

1° euro (b.v.: factuur met betrekking tot aankopen van goederen in België, uitgedrukt in EUR). Bij de opname ervan in de boekhouding moet het gefactureerde bedrag, worden vermenigvuldigd met de op 1 januari 1999 vastgestelde omrekeningskoers tussen de euro en de Belgische frank en het resultaat wordt afgerond op de hogere frank als het 0,50 BEF bereikt of overtreft, of op de lagere frank als het geen 0,50 BEF bereikt;

2° de munteenheid van een Lidstaat die de euro heeft aangenomen (b.v.: factuur met betrekking tot een intracommunautaire verwerving van goederen, uitgedrukt in FRF). Bij de opname ervan in de boekhouding moet het gefactureerde bedrag eerst worden gedeeld door de op 1 januari vastgestelde omrekeningskoers tussen de euro en de Franse frank; het resultaat dat niet mag worden afgerond op minder dan drie decimalen wordt vervolgens vermenigvuldigd met de op 1 januari 1999 vastgestelde omrekeningskoers tussen de euro en de Belgische frank, waarbij het resultaat wordt afgerond zoals onder 1° hierboven. Geen enkele andere berekeningswijze mag worden toegepast, tenzij ze dezelfde resultaten oplevert.

Voorbeeld.

1.000 FRF: 6,55957 = 152,44902 EUR afgerond op 152,449 EUR
152,449 EUR x 40,3399 = 6.149,7774 BEF afgerond op 6.150 BEF

3° de munteenheid van een Lidstaat die de euro niet heeft aangenomen of van een derde land (b.v.: factuur met betrekking tot een intracommunautaire verwerving van goederen, uitgedrukt in GBP). Bij de opname ervan in de boekhouding moet het gefactureerde bedrag worden omgerekend op basis van de regels vastgelegd in artikel 27 van het BTW-Wetboek en het koninklijk besluit nr. 42 van 29 december 1992, zoals gewijzigd op 1 januari 1999.

Voorbeeld.

De overeengekomen prijs is 10.822 GBP.
Bij veronderstelling, 1 EUR = 0,705733 GBP, volgens de laatste
indicatieve koers gepubliceerd door de Europese Centrale Bank.
De op 1 januari 1999 vastgestelde omrekeningskoers tussen de euro
en de Belgische frank is 40,3399.
Het bedrag in BEF dat moet worden ingeschreven in de boekhouding
wordt als volgt berekend :
10. 822 GBP: 0,705733 = 15.334,411 EUR
15.334,411 EUR x 40,3399 = 618.588,61 BEF
afgerond op 618.589 BEF.

Namens de Minister:
De Directeur-generaal van de A.O.I.F.,
J.-C. TILLIET
BIJLAGE 1

VERORDENING (EG) NR. 1103/97 VAN DE RAAD van 17 juni 1997 over enkele bepalingen betreffende de invoering van de euro

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 235,

Gezien het voorstel van de Commissie (PB nr. C 369 van 7.12.1996, blz. 8.),

Gezien het advies van het Europees Parlement (PB nr. C 380 van 16.12.1996, blz. 49.),

Gezien het advies van het Europees Monetair Instituut (Advies uitgebracht op 29 november 1996.),

(1) Overwegende dat de Europese Raad op zijn bijeenkomst van 15 en 16 december 1995 te Madrid bevestigd heeft dat de derde fase van de Economische en Monetaire Unie op 1 januari 1999 begint, zoals bepaald in artikel 109 J, lid 4, van het Verdrag; dat de lidstaten die overeenkomstig het Verdrag de euro als gemeenschappelijke munteenheid invoeren, voor de toepassing van deze verordening als "deelnemende lidstaten" zullen worden aangeduid;

(2) Overwegende dat op de bijeenkomst van de Europese Raad in Madrid is besloten dat de term "ecu", die in het Verdrag gebruikt wordt om te verwijzen naar de Europese munteenheid, een generieke term is; dat de regeringen van de 15 lidstaten overeengekomen zijn dat dit besluit de erkende en definitieve interpretatie van de toepasselijke Verdragsbepalingen vormt; dat is besloten om de Europese munteenheid de naam "euro" te geven; dat de euro als munteenheid van de deelnemende lidstaten wordt verdeeld in honderd ondereenheden, met de naam "cent"; dat de Europese Raad voorts geoordeeld heeft dat de gemeenschappelijke munt in alle officiële talen van de Gemeenschap dezelfde naam moet hebben, rekening houdend met het bestaan van verschillende alfabetten;

(3) Overwegende dat, zodra de deelnemende lidstaten bekend zijn, op basis van artikel 109 L, lid 4, derde zin, van het Verdrag een verordening van de Raad betreffende de invoering van de euro zal worden aangenomen om het rechtskader voor de euro tot stand te brengen; dat de Raad op de aanvangsdatum van de derde fase overeenkomstig artikel 109 L, lid 4, eerste zin, van het Verdrag de onherroepelijk vastgestelde omrekeningskoersen aanneemt;

(4) Overwegende dat het in het kader van de werking van de gemeenschappelijke markt en met het oog op de overgang naar één munteenheid noodzakelijk is de burgers en het bedrijfsleven in alle lidstaten ruimschoots vóór het ingaan van de derde fase rechtszekerheid te verschaffen over een aantal bepalingen betreffende de invoering van de euro; dat deze rechtszekerheid, mits in een vroeg stadium aanwezig, het de burgers en het bedrijfsleven mogelijk maakt om hun voorbereidingen onder goede omstandigheden te laten verlopen;

(5) Overwegende dat artikel 109 L, lid 4, derde zin, van het Verdrag, waarbij de Raad de mogelijkheid krijgt met eenparigheid van stemmen van de deelnemende lidstaten de overige maatregelen die nodig zijn voor de spoedige invoering van de enige munteenheid te nemen, pas als rechtsgrondslag kan dienen, zodra overeenkomstig artikel 109 J, lid 4, van het Verdrag, bevestigd is welke lidstaten voldoen aan de nodige voorwaarden voor de aanneming van één munt; dat derhalve artikel 235 als rechtsgrondslag moet worden gebruikt voor de bepalingen ten aanzien waarvan dringend behoefte bestaat aan rechtszekerheid; dat derhalve de onderhavige verordening en de verordening over de invoering van de euro tezamen het rechtskader voor de euro vormen, waarvan de beginselen zijn vastgesteld door de Europese Raad van Madrid; dat de invoering van de euro gevolgen heeft voor de dagelijkse verrichtingen van de gehele bevolking van de deelnemende lidstaten; dat nog andere maatregelen dan die welke zijn vastgesteld in deze verordening en in de verordening die aangenomen wordt uit hoofde van artikel 109 L, lid 4, derde zin, van het Verdrag, bezien moeten worden teneinde met name voor de consument een evenwichtige overgang te waarborgen;

(6) Overwegende dat de ecu als bedoeld in artikel 109 G van het Verdrag en gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 3320/94 van de Raad van 22 december 1994 betreffende de codificatie van de bestaande communautaire wetgeving inzake de definitie van de ecu na de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de Europese Unie (PB nr. L 350 van 31.12.1994, blz. 27) met ingang van 1 januari 1999 niet langer zal worden gedefinieerd als een mand van samenstellende valuta's en dat de euro een volwaardige munteenheid op zich wordt; dat het besluit van de Raad over de vaststelling van de omrekeningskoersen op zich geen wijziging teweegbrengt in de externe waarde van de ecu; dat dit betekent dat één ecu in de samenstelling van mand van samenstellende valuta's één euro wordt; dat derhalve Verordening (EG) nr. 3320/94 overbodig is en moet worden ingetrokken; dat inzake verwijzingen naar de ecu in rechtsinstrumenten het vermoeden geldt dat de partijen zijn overeengekomen te verwijzen naar de ecu als bedoeld in artikel 109 G van het Verdrag en gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 3320/94; dat een dergelijk vermoeden in het licht van de intenties van de partijen weerlegbaar moet zijn;

(7) Overwegende dat als algemeen aanvaard rechtsbeginsel geldt dat de invoering van een nieuwe munteenheid de continuïteit van contracten en andere rechtsinstrumenten niet aantast; dat het beginsel van de contractvrijheid moet worden geëerbiedigd; dat het beginsel van continuïteit verenigbaar moet zijn met hetgeen de partijen overeengekomen kunnen zijn in verband met de invoering van de euro; dat het om de rechtszekerheid en duidelijkheid te vergroten, dienstig is expliciet te bevestigen dat het beginsel van de continuïteit van contracten en andere rechtsinstrumenten, van toepassing is ten aanzien van de voormalige nationale munteenheden en de euro en ten aanzien van de ecu als bedoeld in artikel 109 G van het Verdrag en gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 3320/94, en de euro; dat dit inzonderheid betekent dat in het geval van vastrentende instrumenten de invoering van de euro geen wijziging brengt in de door de debiteur verschuldigde nominale rente; dat de bepalingen over de continuïteit alleen als zij zo spoedig mogelijk in werking treden, kunnen beantwoorden aan het doel de economische subjecten, met name de consument, rechtszekerheid en doorzichtigheid te verschaffen;

(8) Overwegende dat de invoering van de euro voor elke deelnemende lidstaat een wijziging van de monetaire wetgeving betekent; dat de erkenning van de monetaire wetgeving van een staat een universeel aanvaard beginsel is; dat de uitdrukkelijke bevestiging van het continuïteitsbeginsel moet leiden tot de erkenning van de continuïteit van contracten en andere rechtsinstrumenten in de rechtsgebieden van derde landen;

(9) Overwegende dat onder het begrip "contract", dat voor de definitie van rechtsinstrumenten gebruikt wordt, alle soorten contracten verstaan moeten worden, ongeacht de wijze waarop zij zijn gesloten;

(10) Overwegende dat de Raad, wanneer hij besluit overeenkomstig artikel 109 L, lid 4, eerste zin, van het Verdrag, de omrekeningskoersen van de euro bepaalt tegenover de nationale munteenheid van elke deelnemende lidstaat; dat deze omrekeningskoersen moeten worden gebruikt voor het omrekenen van de euro naar de nationale munteenheden en vice versa, alsmede voor het omrekenen van de ene naar de andere nationale munteenheid; dat voor omrekeningen tussen nationale munteenheden onderling een vast algoritme het resultaat moet bepalen; dat het gebruik van inverse koersen koersafrondingen zou impliceren en significante onnauwkeurigheden tot gevolg kan hebben, met name wanneer het grote bedragen betreft;

(11) Overwegende dat de invoering van de euro het afronden van geldbedragen vereist; dat het in het kader van de werking van de gemeenschappelijke markt in een vroeg stadium bepalen van afrondingsregels nodig is om een tijdige voorbereiding en soepele overgang naar de Economische en Monetaire Unie mogelijk te maken; dat deze regels geen gevolgen hebben voor afrondingsmethoden, afrondingsovereenkomsten of nationale bepalingen inzake afronding die bij tussenberekeningen een hogere nauwkeurigheid opleveren;

(12) Overwegende dat, om een hoge graad van nauwkeurigheid bij omrekeningen te bereiken, de omrekeningskoersen in zes significante cijfers moeten worden vastgesteld; dat een in zes significante cijfers bepaalde koers inhoudt dat de koers een getal van zes cijfers is, te rekenen vanaf de linkerzijde en te beginnen bij het eerste cijfer dat niet gelijk is aan nul,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • "rechtsinstrumenten": wettelijke en reglementaire bepalingen, bestuursakten, rechterlijke uitspraken, contracten, eenzijdige rechtsakten, betaalmiddelen anders dan bankbiljetten en muntstukken, alsmede andere instrumenten die rechtsgevolgen hebben;
  • "deelnemende Lidstaten": de Lidstaten die overeenkomstig het Verdrag de gemeenschappelijke munteenheid aannemen;
  • "omrekeningskoersen": de onherroepelijk vastgestelde omrekeningskoersen die de Raad aanneemt overeenkomstig artikel 109 L, lid 4, eerste zin, van het Verdrag;
  • "nationale munteenheden": de munteenheden van de deelnemende Lidstaten, zoals deze munteenheden op de dag vóór de aanvraag van de derde fase van de Economische en Monetaire Unie gedefinieerd zijn;
  • "euro-eenheid": de gemeenschappelijke munteenheid zoals gedefinieerd in de verordening over de invoering van de euro, die in werking treedt op de dag van de aanvang van de derde fase van de Economische en Monetaire Unie.
Artikel 2

1. Verwijzingen in rechtsinstrumenten naar de ecu als bedoeld in artikel 109 G van het Verdrag en gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 3320/94 worden vervangen door verwijzingen naar de euro, tegen een koers van één euro voor één ecu. Wordt in rechtsinstrumenten naar de ecu verwezen zonder genoemde definitie, dan geldt het in het licht van de intenties van de partijen weerlegbare vermoeden dat er wordt verwezen naar de ecu als bedoeld in artikel 109 G van het Verdrag en gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 3320/94.

2. Verordening (EG) nr. 3320/94 wordt ingetrokken.

3. Dit artikel is overeenkomstig het besluit uit hoofde van artikel 109 J, lid 4, van het Verdrag, met ingang van 1 januari 1999 van toepassing.

Artikel 3

De invoering van de euro heeft niet ten gevolge dat wijziging wordt gebracht in enige bepaling in een rechtsinstrument of dat een partij wordt ontslagen of ontheven van de uitvoering van enig rechtsinstrument, en geeft een partij niet het recht een rechtsinstrument eenzijdig te wijzigen of te beëindigen. Partijen mogen bij overeenkomst afwijken van deze bepaling.

Artikel 4

1. De omrekeningskoersen worden vastgesteld als één euro, uitgedrukt in de afzonderlijke nationale munteenheden van de deelnemende Lidstaten. Deze koersen worden vastgesteld in zes significante cijfers.

2. Bij omrekeningen worden de omrekeningskoersen niet afgerond of verkort.

3. De omrekeningskoersen worden gebruikt voor omrekening van de euro-eenheid naar de nationale munteenheden en vice versa. Inverse koersen, die van de omrekeningskoersen zijn afgeleid, mogen niet worden gebruikt.

4. Geldbedragen die van de ene in de andere nationale munteenheid moeten worden omgerekend, moeten eerst worden omgerekend in een geldbedrag in euro, dat op niet minder dan drie decimalen wordt afgerond en vervolgens wordt omgerekend in de andere nationale munteenheid. Alternatieve berekeningsmethoden mogen niet gebruikt worden, tenzij zij tot dezelfde resultaten leiden.

Artikel 5

Te betalen of te boeken geldbedragen die na omrekening in de euro-eenheid volgens artikel 4 afgerond worden, moeten naar boven of naar beneden worden afgerond op de dichtsbijzijnde cent. Te betalen of te boeken geldbedragen die in een nationale munteenheid worden omgerekend, moeten naar boven of naar beneden worden afgerond op de dichtstbijzijnde ondereenheid of, indien die niet bestaat, op de dichtstbijzijnde eenheid, of naar de nationale wetgeving of het nationaal gebruik op een veelvoud of fractie van de ondereenheid of eenheid van de nationale munt. Als toepassing van de omrekeningskoers tot een resultaat leidt dat precies de helft van een (onder)eenheid is, wordt het bedrag naar boven afgerond.

Artikel 6

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 17 juni 1997.

Voor de Raad
De Voorzitter
A. JORRITSMA-LEBBINK
BIJLAGE 2

VERORDENING (EG) NR. 974/98 VAN DE RAAD van 3 mei 1998 over de invoering van de euro

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 109 L, lid 4, derde zin,

Gezien het voorstel van de Commissie (PB C 369 van 7.12.1996, blz. 10)

Gezien het advies van het Europees Monetair Instituut (PB C 205 van 5.7.1997, blz. 18)

Gezien het advies van het Europees Parlement (PB C 380 van 16.12.1996, blz. 50)

(1) Overwegende dat in deze verordening monetaire wetsbepalingen van de Lidstaten die de euro hebben ingevoerd, worden vastgesteld; dat bepalingen over de continuïteit van contracten, over het in rechtsinstrumenten vervangen van verwijzingen naar de ecu door verwijzingen naar de euro en over afronding reeds zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1103/97 van de Raad van 17 juni 1997 over enkele bepalingen betreffende de invoering van de euro (PB L 162 van 19.6.1997, blz 1) dat de invoering van de euro gevolgen heeft voor de dagelijkse verrichtingen van de gehele bevolking van de deelnemende Lidstaten; dat nog andere maatregelen dan die welke zijn vastgesteld in deze verordening en in Verordening (EG) nr. 1103/97 bestudeerd moeten worden teneinde met name voor de consument een evenwichtige overgang te waarborgen;

(2) Overwegende dat op de bijeenkomst van de Europese Raad op 15 en 16 december 1995 in Madrid is besloten dat de term "ecu", die in het Verdrag gebruikt wordt om te verwijzen naar de Europese munteenheid, een generieke term is; dat de regeringen van de 15 Lidstaten overeengekomen zijn dat dit besluit de erkende en definitieve interpretatie van de toepasselijke Verdragsbepalingen vormt; dat is besloten om de Europese munteenheid de naam "euro" te geven; dat de euro als munteenheid van de deelnemende Lidstaten is verdeeld in honderd ondereenheden, met de naam "cent"; dat de definitie van de naam "cent" niet betekent dat in de Lidstaten algemeen gangbare varianten van deze naam niet mogen worden gebruikt; dat de Europese Raad voorts geoordeeld heeft dat de gemeenschappelijke munt in alle officiële talen van de Europese Unie dezelfde naam moet hebben, rekening houdend met het bestaan van verschillende alfabetten;

(3) Overwegende dat de Raad overeenkomstig artikel 109 L, lid 4, derde zin, van het Verdrag naast het vaststellen van de omrekeningskoersen ook de overige maatregelen neemt die nodig zijn voor de spoedige invoering van de euro;

(4) Overwegende dat, als een Lidstaat overeenkomstig artikel 109 K, lid 2, van het Verdrag een deelnemende Lidstaat wordt, de Raad overeenkomstig artikel 109 L, lid 5, van het Verdrag de overige maatregelen neemt die nodig zijn voor de spoedige invoering van de euro als enige munteenheid in de betrokken Lidstaat;

(5) Overwegende dat de Raad overeenkomstig artikel 109 L, lid 4, eerste zin, van het Verdrag op de aanvangsdatum van de derde fase de omrekeningskoersen aanneemt die voor de munteenheden van de deelnemende Lidstaten onherroepelijk worden vastgesteld en waartegen deze munteenheden worden vervangen door de euro;

(6) Overwegende dat, aangezien er voor de euro-eenheid ten opzichte van de nationale munteenheden en voor de nationale munteenheden ten opzichte van elkaar geen valutarisico meer aanwezig is, wettelijke bepalingen dienovereenkomstig moeten worden uitgelegd;

(7) Overwegende dat onder het begrip "contract", dat voor de definitie van rechtsinstrumenten gebruikt wordt, alle soorten contracten verstaan moeten worden, ongeacht de wijze waarop ze gesloten zijn;

(8) Overwegende dat ter voorbereiding van een soepele overgang op de euro een overgangsperiode tussen de vervanging van de munteenheden van de deelnemende Lidstaten door de euro en het in omloop brengen van eurobankbiljetten en -muntstukken noodzakelijk is; dat in deze periode de nationale munteenheden worden gedefinieerd als ondereenheden van de euro; dat daardoor een juridische equivalentie tussen de euro-eenheid en de nationale munteenheden tot stand wordt gebracht;

(9) Overwegende dat overeenkomstig artikel 109 G van het Verdrag en Verordening (EG) nr. 1103/97 de euro met ingang van 1 januari 1999 de ecu vervangt als rekeneenheid van de Instellingen van de Europese Gemeenschappen; dat de euro tevens de rekeneenheid van de Europese Centrale Bank (ECB) en van de centrale banken van de deelnemende Lidstaten moet worden; dat overeenkomstig de conclusies van Madrid het monetaire beleid door het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) in de euro moet worden uitgevoerd; dat dit niet belet dat de nationale centrale banken tijdens de overgangsperiode hun boekhouding in de nationale munteenheid kunnen voeren, met name voor hun personeel en voor de overheid;

(10) Overwegende dat elke deelnemende Lidstaat tijdens de overgangsperiode het onbeperkte gebruik van de euro-eenheid op zijn grondgebied kan toestaan;

(11) Overwegende dat tijdens de overgangsperiode contracten, nationale wetten en andere rechtsinstrumenten rechtsgeldig kunnen worden opgesteld in de euro-eenheid of in de nationale munteenheid; dat gedurende deze periode niets in deze verordening afbreuk mag doen aan de geldigheid van verwijzingen in rechtsinstrumenten naar een nationale munteenheid;

(12) Overwegende dat tenzij anders overeengekomen de economische subjecten de muntaanduiding in een rechtsinstrument moeten respecteren bij het uitvoeren van alle handelingen die krachtens dat rechtsinstrument moeten worden verricht;

(13) Overwegende dat de euro en de nationale munteenheden eenheden van dezelfde valuta zijn; dat ervoor moet worden gezorgd dat betalingen binnen een deelnemende Lidstaat door creditering van een rekening ofwel in de euro-eenheid, ofwel in de respectieve nationale munt moeten kunnen plaatsvinden; dat de bepalingen inzake betalingen door creditering van een rekening ook moeten gelden voor grensoverschrijdende betalingen die uitgedrukt zijn in de euro-eenheid of in de nationale munteenheid van de rekening van de crediteur; dat het tevens nodig is om te zorgen voor het soepel functioneren van de betalingssystemen door de invoering van bepalingen betreffende de betaling op rekeningen door middel van betalingsinstrumenten die via dergelijke systemen verwerkt worden in plaats van door de invoering van bepalingen betreffende de creditering van een rekening door middel van betalingsinstrumenten die via dergelijke systemen gecrediteerd zijn; dat de bepalingen inzake betalingen door creditering van een rekening niet impliceren dat financiële bemiddelaars worden verplicht om andere betalingsfaciliteiten of in een bepaalde euro-eenheid luidende producten, beschikbaar te stellen; dat de bepalingen inzake betalingen door creditering van een rekening financiële bemiddelaars niet verhinderen om tijdens de overgangsperiode de invoering te coördineren van in euro's luidende betalingsfaciliteiten die gebaseerd zijn op een gemeenschappelijke technische infrastructuur;

(14) Overwegende dat overeenkomstig de conclusies die de Europese Raad tijdens zijn bijeenkomst in Madrid heeft vastgesteld, de deelnemende Lidstaten vanaf 1 januari 1999 nieuwe verhandelbare overheidsschuld zullen uitgeven in de euro-eenheid; dat het wenselijk is emittenten van schuld in staat te stellen de muntaanduiding van uitstaande schuld in de euro-eenheid te wijzigen; dat de regels voor het wijzigen van de muntaanduiding van zodanige aard dienen te zijn dat zij ook in het rechtsgebied van derde landen kunnen worden toegepast; dat emittenten de muntaanduiding van uitstaande schuld moeten kunnen wijzigen indien de schuld luidt in de nationale munteenheid van een Lidstaat die de muntaanduiding van de schuld van de overheidsbesturen ten dele of volledig heeft gewijzigd; dat deze regels geen betrekking hebben op het treffen van aanvullende maatregelen tot wijziging van de voor uitstaande schuld geldende voorwaarden, waarbij onder meer het nominale bedrag van uitstaande schuld zou worden veranderd, welke aangelegenheden onderworpen zijn aan het geldende nationale recht; dat het wenselijk is de Lidstaten in staat te stellen passende maatregelen te nemen om de rekeneenheid voor werkingsprocedures van georganiseerde markten te kunnen wijzigen;

(15) Overwegende dat verder optreden op Gemeenschapsniveau noodzakelijk kan zijn ter verduidelijking van de gevolgen van de invoering van de euro voor de toepassing van de bestaande communautaire voorschriften, met name voor wat betreft verrekening, compensatie of methoden met vergelijkbare gevolgen;

(16) Overwegende dat een verplichting om de euro-eenheid te gebruiken uitsluitend op basis van communautaire wetgeving kan worden opgelegd; dat de deelnemende Lidstaten het gebruik van de euro-eenheid in transacties met de overheidssector mogen toestaan; dat, overeenkomstig het door de Europese Raad van Madrid aangenomen referentiescenario, de communautaire wetgeving tot vaststelling van het tijdschema voor de veralgemening van het gebruik van de euro-eenheid, individuele Lidstaten een zekere marge kan toestaan;

(17) Overwegende dat de Raad, overeenkomstig artikel 105 A van het Verdrag, maatregelen kan nemen om de nominale waarden en technische specificaties van alle muntstukken te harmoniseren;

(18) Overwegende dat bankbiljetten en muntstukken adequaat moeten worden beschermd tegen vervalsing;

(19) Overwegende dat bankbiljetten en muntstukken die in de nationale munteenheden luiden, uiterlijk zes maanden na het einde van de overgangsperiode hun hoedanigheid van wettig betaalmiddel verliezen; dat beperkingen inzake betalingen in bankbiljetten en munten, die de Lidstaten om openbare redenen hebben getroffen, niet onverenigbaar zijn met de status van wettig betaalmiddel van eurobankbiljetten en -munten, mits er andere rechtsgeldige middelen beschikbaar zijn voor het verevenen van financiële schulden;

(20) Overwegende dat vanaf het einde van de overgangsperiode verwijzingen in rechtsinstrumenten die aan het einde van de overgangsperiode bestaan, moeten worden gelezen als verwijzingen naar de euro-eenheid, overeenkomstig de desbetreffende omrekeningskoersen; dat het, om dit te bewerkstelligen, derhalve niet nodig is de muntaanduiding in bestaande rechtsinstrumenten materieel te wijzigen; dat de afrondingsregels die in Verordening (EG) nr. 1103/97 zijn vastgelegd, ook van toepassing zijn op omrekeningen die aan het einde van of na de overgangsperiode moeten worden uitgevoerd; dat het ter wille van de duidelijkheid wenselijk kan zijn de muntaanduiding te wijzigen zodra dit dienstig is;

(21) Overwegende dat punt 2 van protocol nr. 11 betreffende enkele bepalingen met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland onder andere stipuleert dat punt 5 van dat protocol van toepassing zal zijn indien het Verenigd Koninkrijk de Raad ervan in kennis stelt dat het niet voornemens is naar de derde fase over te gaan; dat het Verenigd Koninkrijk de Raad er op 30 oktober 1997 van in kennis heeft gesteld niet voornemens te zijn om naar de derde fase over te gaan; dat punt 5 onder andere bepaalt dat artikel 109 L, lid 4, van het Verdrag niet van toepassing is op het Verenigd Koninkrijk;

(22) Overwegende dat Denemarken, met verwijzing naar punt 1 van protocol nr. 12 betreffende enkele bepalingen inzake Denemarken, er de Raad in de context van het besluit van Edinburgh van 12 december 1992 van in kennis heeft gesteld niet te zullen deelnemen aan de derde fase; overwegende derhalve dat, overeenkomstig punt 2 van dat protocol, alle artikelen en bepalingen van het Verdrag en de statuten van het ESCB die betrekking hebben op een derogatie, op Denemarken van toepassing zijn;

(23) Overwegende dat de ene munt overeenkomstig artikel 109 L, lid 4, van het Verdrag uitsluitend wordt ingevoerd in de Lidstaten waarvoor geen derogatie geldt;

(24) Overwegende dat deze verordening derhalve van toepassing is krachtens artikel 189 van het Verdrag, onder voorbehoud van de protocollen nr. 11 en nr. 12 en van artikel 109 K, lid 1,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

DEEL I

DEFINITIES

Artikel 1

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • "deelnemende Lidstaten": België, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Finland;
  • "rechtsinstrumenten": wettelijke en reglementaire bepalingen, bestuursakten, rechterlijke uitspraken, contracten, eenzijdige rechtsakten, betaalmiddelen anders dan bankbiljetten en muntstukken, alsmede andere instrumenten die rechtsgevolgen hebben;
  • "omrekeningskoers": de onherroepelijk vastgestelde omrekeningskoers die door de Raad overeenkomstig artikel 109 L, lid 4, eerste zin, van het Verdrag voor de munteenheid van elke deelnemende Lidstaat wordt aangenomen;
  • "euro-eenheid": de munteenheid als bedoeld in artikel 2, tweede zin;
  • "nationale munteenheden": de munteenheden van de deelnemende Lidstaten, zoals deze munteenheden op de dag vóór de aanvang van de derde fase van de Economische en Monetaire Unie gedefinieerd zijn;
  • "overgangsperiode": de periode die ingaat op 1 januari 1999 en eindigt op 31 december 2001;
  • "wijziging van de muntaanduiding": het wijzigen van de munteenheid waarin het bedrag van een uitstaande schuld luidt van een nationale munteenheid in de euro-eenheid als omschreven in artikel 2, waarbij deze handeling evenwel niet leidt tot wijziging van enige andere schuldvoorwaarde, welke aangelegenheden aan het geldende nationale recht is onderworpen.
DEEL II

VERVANGING VAN DE MUNTEENHEDEN VAN DE DEELNEMENDE LIDSTATEN DOOR DE EURO

Artikel 2

Met ingang van 1 januari 1999 is de euro de munteenheid van de deelnemende Lidstaten. De rekeneenheid is één euro. Eén euro is verdeeld in honderd cent.

Artikel 3

De munteenheid van elke deelnemende Lidstaat wordt tegen de omrekeningskoers vervangen door de euro.

Artikel 4

De euro is de rekeneenheid van de Europese Centrale Bank (ECB) en van de centrale banken van de deelnemende Lidstaten.

DEEL III

OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 5

De artikelen 6 tot en met 9 zijn tijdens de overgangsperiode van toepassing.

Artikel 6

1. De euro wordt ook, overeenkomstig de omrekeningskoersen, onderverdeeld in de nationale munteenheden. Onderverdelingen van de nationale munteenheden blijven gehandhaafd. Onder voorbehoud van de bepalingen van deze verordening blijft de monetaire wetgeving van de deelnemende Lidstaten van toepassing.

2. Als in een rechtsinstrument wordt verwezen naar de nationale munteenheid, is deze verwijzing geldig als ware het een verwijzing naar de euro-eenheid overeenkomstig de omrekeningskoersen.

Artikel 7

De vervanging van de munteenheid van elke deelnemende Lidstaat door de euro heeft als zodanig niet tot gevolg dat de muntaanduiding in rechtsinstrumenten die op de dag van de vervanging bestaan, wordt gewijzigd.

Artikel 8

1. Handelingen die moeten worden verricht op grond van rechtsinstrumenten waarin het gebruik van een nationale munteenheid bepaald is of die in een nationale munteenheid luiden, moeten in deze nationale munteenheid verricht worden. Handelingen die worden verricht op grond van rechtsinstrumenten waarin het gebruik van de euro-eenheid is bepaald of die in euro-eenheden luiden, moeten in deze munteenheid worden verricht.

2. Partijen mogen bij overeenkomst afwijken van het bepaalde in lid 1.

3. Niettegenstaande de bepalingen van lid 1 mag elk bedrag dat in de euro-eenheid of in de nationale munteenheid van een deelnemende Lidstaat luidt en dat in deze Lidstaat betaald kan worden door creditering van de rekening van de crediteur, door de debiteur in de euro-eenheid of in de betrokken nationale munteenheid betaald worden. Het bedrag wordt op de rekening van de crediteur bijgeschreven in de munteenheid waarin de rekening luidt, waarbij de eventuele omrekening wordt uitgevoerd tegen de omrekeningskoersen.

4. Niettegenstaande de bepalingen van lid 1 mag elke deelnemende Lidstaat de maatregelen nemen die noodzakelijk zijn om:

  • de muntaanduiding van uitstaande schuld die is uitgegeven door de overheidsbesturen van die Lidstaat, zoals omschreven in het Europees stelsel van economische rekeningen, luidende in de nationale munteenheid van die lidstaat en uitgegeven volgens zijn nationale recht, te wijzigen in de euro-eenheid. Indien een Lidstaat een dergelijke maatregel heeft genomen, mogen emittenten de muntaanduiding van in de nationale munteenheid luidende schuld wijzigen in de euro-eenheid, tenzij wijziging van de munteenheid uitdrukkelijk in de voorwaarden van het contract is uitgesloten; deze bepaling is van toepassing op schuld van de overheidsbesturen van een Lidstaat alsmede op obligaties en andere vormen van in effecten belichaamde schuld die op de kapitaalmarkt verhandelbaar zijn, evenals op geldmarktinstrumenten, uitgegeven door andere debiteuren;
  • het mogelijk te maken om de rekeneenheden voor de werkingsprocedures te wijzigen van de nationale munteenheid in de euro-eenheid voor:
a) markten voor de geregelde verhandeling, verrekening en vereffening van alle instrumenten genoemd in deel B van de bijlage van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (*), en van goederen;

[(*) PB L 141 van 11.6.1993, blz. 27. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 95/26/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 168 van 18.7.1995, blz. 7)].

b) stelsels voor de geregelde uitwisseling, clearing en afrekening van betalingen.

5. Andere bepalingen dan die van lid 4, welke het gebruik van de euro-eenheid opleggen, mogen door de deelnemende Lidstaten alleen worden vastgesteld volgens een tijdschema dat in communautaire wetgeving bepaald is.

6. Nationale wettelijke bepalingen van de deelnemende Lidstaten die verrekening, compensatie of methoden met vergelijkbare gevolgen toestaan of opleggen, zijn van toepassing op monetaire verplichtingen, ongeacht de munteenheid waarin deze luiden, indien die munteenheid de euro-eenheid of een nationale munteenheid is; daarbij wordt de eventuele omrekening uitgevoerd tegen de omrekeningskoersen.

Artikel 9

Bankbiljetten en muntstukken die in een nationale munteenheid luiden, behouden vanaf de laatste dag vóór de inwerkingtreding van deze verordening binnen hun territoriale grenzen hun hoedanigheid van wettig betaalmiddel.

DEEL IV

EUROBANKBILJETTEN EN -MUNTSTUKKEN

Artikel 10

Vanaf 1 januari 2002 brengen de ECB en de centrale banken van de deelnemende lidstaten in euro luidende bankbiljetten in omloop. Onverminderd artikel 15 zijn deze in euro luidende bankbiljetten de enige bankbiljetten die in alle betrokken Lidstaten de hoedanigheid van wettig betaalmiddel hebben.

Artikel 11

Vanaf 1 januari 2002 geven de deelnemende Lidstaten in euro of in cent luidende muntstukken uit, waarvan de nominale waarden en technische specificaties voldoen aan hetgeen de Raad overeenkomstig artikel 105 A, lid 2, tweede zin, van het Verdrag kan bepalen. Onverminderd artikel 15 zijn deze muntstukken de enige muntstukken die in alle betrokken Lidstaten de hoedanigheid van wettig betaalmiddel hebben. Behalve de uitgevende autoriteit en personen die specifiek in de nationale wetgeving van de uitgevende lidstaat zijn aangewezen, is geen enkele partij verplicht voor één betaling meer dan vijftig muntstukken te aanvaarden.

Artikel 12

De deelnemende Lidstaten zorgen voor adequate bestraffing van vervalsing en namaak van eurobankbiljetten en -muntstukken.

DEEL V

SLOTBEPALINGEN

Artikel 13

De artikelen 14 tot en met 16 zijn vanaf het einde van de overgangsperiode van toepassing.

Artikel 14

Verwijzingen naar de nationale munteenheden in rechtsinstrumenten die aan het einde van de overgangsperiode bestaan, worden gelezen als verwijzingen naar de euro-eenheid, overeenkomstig de respectieve omrekeningskoersen. De in Verordening (EG) nr. 1103/97 vastgestelde afrondingsregels zijn van toepassing.

Artikel 15

1. Bankbiljetten en muntstukken die in een nationale munteenheid als bedoeld in artikel 6, lid 1, luiden, blijven tot uiterlijk zes maanden na het einde van de overgangsperiode binnen hun territoriale grenzen wettig betaalmiddel; de periode kan door nationale wetgeving worden bekort.

2. Elke deelnemende Lidstaat mag gedurende een periode van maximaal zes maanden na het einde van de overgangsperiode regels vaststellen voor het gebruik van bankbiljetten en munten die luiden in de nationale munteenheid als bedoeld in artikel 6, lid 1, en alle maatregelen nemen die nodig zijn om het uit de omloop nemen daarvan te vergemakkelijken.

Artikel 16

Overeenkomstig de wetten en gebruiken van de deelnemende Lidstaten blijven de uitgevers van bankbiljetten en muntstukken de eerder door hen uitgegeven bankbiljetten en muntstukken aanvaarden, ter omwisseling in euro tegen de omrekeningskoers.

DEEL VI

INWERKINGTREDING

Artikel 17

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1999.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lidstaat, overeenkomstig het Verdrag, en onder voorbehoud van de protocollen nr. 11 en nr. 12 en van artikel 109 K, lid 1.

Gedaan te Brussel, 3 mei 1998.

Voor de Raad
De Voorzitter
G. BROWN
BIJLAGE 3

VERORDENING (EG) Nr. 2866/98 VAN DE RAAD van 31 december 1998 over de omrekeningskoersen tussen de euro en de munteenheden van de lidstaten die de euro aannemen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 109 L, lid 4, eerste zin,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (PB C 412 van 31.12.1998, blz. 1),

(1) Overwegende dat overeenkomstig artikel 109 J, lid 4, van het Verdrag de derde fase van de Economische en Monetaire Unie begint op 1 januari 1999; dat de Raad, in de samenstelling van staatshoofden en regeringsleiders, op 3 mei 1998 heeft bevestigd dat België, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Finland voldoen aan de nodige voorwaarden voor de aanneming van één munt op 1 januari 1999; (Beschikking 98/317/EG van de Raad van 3 mei 1998 overeenkomstig artikel 109 J, lid 4, van het Verdrag (PB L 139 van 11.5.1998, blz. 30).

(2) Overwegende dat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 974/98 van de Raad van 3 mei 1998 over de invoering van de euro (PB L 139 van 11.5.1998, blz. 1), de euro met ingang van 1 januari 1999 de munteenheid is van de lidstaten die de eenheidsmunt aannemen; dat de invoering van de euro de vaststelling vereist van de omrekeningskoersen waartegen de nationale munteenheden door de euro zullen worden vervangen en waartegen de euro in de nationale munteenheden zal worden onderverdeeld; dat de omrekeningskoersen in artikel 1 de omrekeningskoersen zijn, bedoeld in artikel 1, derde streepje, van Verordening (EG) nr. 974/98;

(3) Overwegende dat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1103/97 van de Raad van 17 juni 1997 over enkele bepalingen betreffende de invoering van de euro (PB L 162 van 19.6.1997, blz. 1), verwijzingen in rechtsinstrumenten naar de ecu worden vervangen door verwijzingen naar de euro, tegen een koers van één euro voor één ecu; dat in artikel 109 L, lid 4, tweede zin, van het Verdrag is bepaald dat de aanneming van de omrekeningskoersen op zich geen wijziging in de externe waarde van de ecu meebrengt; dat dit wordt gewaarborgd door de wisselkoersen voor de ecu van de munteenheden van de lidstaten die de euro aannemen, zoals deze koersen op 31 december 1998 volgens de gebruikelijke procedure voor de berekening van de dagelijkse officiële ecu-koersen door de Commissie zullen worden berekend, als de omrekeningskoersen vast te stellen;

(4) Overwegende dat de ministers van de lidstaten die overgaan op de euro als eenheidsmunt, de presidenten van de centrale banken van deze lidstaten, de Commissie en het Europees Monetair Instituut/de Europese Centrale Bank twee communiqués, gedateerd 3 mei 1998 (PB C 160 van 27.5.1998, blz. 1) en 26 september 1998, hebben uitgegeven betreffende de vaststelling en aanneming van de onherroepelijke omrekeningskoersen voor de euro;

(5) Overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1103/97 wordt bepaald dat de omrekeningskoersen worden vastgesteld als één euro, uitgedrukt in de afzonderlijke nationale munteenheden van de lidstaten die de euro aannemen; dat, om een hoge graad van nauwkeurigheid te bereiken, deze koersen in zes significante cijfers zullen worden vastgesteld en noch inverse koersen zullen worden vastgesteld, noch bilaterale koersen tussen de munteenheden van de lidstaten die de euro aannemen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De onherroepelijk vastgestelde omrekeningskoersen tussen de euro en de munteenheden van de lidstaten die de euro aannemen, zijn:

1 euro
= 40,3399 Belgische frank
= 1,95583 Duitse mark
= 166,386 Spaanse peseta
= 6,55957 Franse frank
= 0,787564 Ierse pond
= 1.936,27 Italiaanse lire
= 40,3399 Luxemburgse frank
= 2,20371 Nederlandse gulden
= 13,7603 Oostenrijkse schilling
= 200,482 Portugese escudo
= 5,94573 Finse mark

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1999.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 31 december 1998.

Voor de Raad
De Voorzitter
R. EDLINGER