Circulaire nr. Ci.RH.81/548.628 (AOIF 21/2002) dd. 29.07.2002
Bull. nr. 830, pag. 2650-2656
ADMINISTRATIEVE BRIEFWISSELING
Bericht van wijziging
Kennisgeving van aanslag van ambtswege
Kennisgeving van beslissing tot taxatie
ADMINISTRATIEVE SANCTIE
Administratieve boete
Belastingverhoging
BESTUURSHANDELING
Motivering van de bestuurshandelingen
Openbaarheid van bestuur
BETREKKINGEN MET HET PUBLIEK
Administratieve briefwisseling
Houding van de aanslagambtenaar
Hulp aan belastingplichtigen
BEWIJSMIDDEL VAN DE ADMINISTRATIE
Taxatie bij vergelijking
Taxatie volgens feitelijke vermoedens
Taxatie volgens tekenen en indiciën
ONDERZOEKSRECHT VAN DE ADMINISTRATIE
Oproeping van de belastingplichtige
Verificatie ter plaatse
Vraag om inlichtingen
Richtlijnen i.v.m. de relatie tussen de belastingplichtige en de taxatieambtenaar.
Aan al de diensten van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit en van de Administratie der directe belastingen (sector taxatie).
1. Een hoge fiscale druk en de complexe wetgeving wekken vaak weerstand op bij de belastingplichtigen. Enerzijds moet de administratie kordaat optreden tegenover belastingplichtigen die zich aan hun fiscale verplichtingen trachten te onttrekken, anderzijds is het onontbeerlijk een vertrouwensrelatie tussen de fiscus en de belastingplichtigen te bewerkstelligen.
2. De in onderhavige circulaire onder de nrs. 4 tot 15 aangehaalde bepalingen zijn deze voorzien inzake inkomstenbelastingen.
HOUDING VAN DE TAXATIEAMBTENAAR
3. Bij elk contact, ook telefonisch, met een belastingplichtige is de houding van de taxatieambtenaar ten overstaan van die belastingplichtige heel belangrijk. Iedere vergissing, iedere tekortkoming op dit gebied kan niet alleen nadelig zijn voor de ambtenaar maar ook voor de administratie in haar geheel. Elke ambtenaar moet er in alle omstandigheden op letten beleefd en hoffelijk te blijven en mag nooit de menselijke en psychologische aspecten van de relaties uit het oog verliezen. Anders handelen kan slechts tegenwerking en reactie vanwege de belastingplichtige uitlokken, wat de taak van de administratie nog moeilijker en delicater maakt. Dit sluit echter niet uit dat er strenger moet worden opgetreden in de gevallen waarin zulks is verantwoord.
DE ONDERZOEKS- EN CONTROLE RECHTEN
4. Er moet steeds een weloverwogen gebruik worden gemaakt van de aan de administratie toegekende onderzoeks- en controlerechten.
Een fiscale controle kan alleen maar correct en sereen verlopen indien bepaalde basisregels in acht worden genomen. Aldus moet :
De selectie van een dossier voor onderzoek en de aard van dit onderzoek moeten op objectieve en pertinente criteria gebaseerd zijn.
De tijd die aan het onderzoek wordt besteed mag niet langer dan noodzakelijk zijn. Het moet in elk geval beëindigd worden zodra wordt vastgesteld dat de selectie niet was verantwoord of dat het aangevatte onderzoek toelaat te besluiten dat de belastingplichtige op voldoende wijze aan zijn fiscale verplichtingen heeft voldaan.
De te ondernemen stappen moet steeds in functie van de omstandigheden worden bepaald. Het past voorrang te geven, naargelang het geval, aan de uitnodiging van de belastingplichtige op kantoor, aan een vraag om inlichtingen of aan een bezoek ter plaatse. Buitensporige stappen moeten worden geweerd. Er moet eveneens worden vermeden aan de belastingplichtige elementen te vragen die bij de diensten van de administratie kunnen worden verkregen.
De onderzoekingen bij derden vormen een onmisbaar controlemiddel dat wordt gebruikt in situaties waarin het gerechtvaardigd is.
PROCEDUREREGELS
6. In het streven naar betere betrekkingen tussen de belastingplichtigen en de administratie is het essentieel dat de procedureregels strikt worden nageleefd. Met betrekking tot de belangrijke aspecten ervan, met name de bewijslast, de motivering en het tegensprekelijk karakter van de bepaling van de belastbare grondslag worden hierna een aantal regels herinnerd.
7. Een regelmatig opgestelde en ingediende aangifte is geloofwaardig tot het tegenbewijs. De bewijskracht ervan berust op een vermoeden van juistheid. Om van de aangifte van de belastingplichtige te mogen afwijken moet de administratie de aangegeven inkomsten en andere gegevens "onjuist bevinden". De bewijslast rust hierbij in principe op de administratie. Dat betekent dat de administratie de inkomsten en de andere gegevens die zij in de plaats stelt van die welke door de belastingplichtige zijn aangegeven, moet bepalen door gebruik te maken van de haar door de wet ter beschikking gestelde bewijsmiddelen.
8. Het beroep op feitelijk vermoedens vereist dat de feiten of elementen die als grondslag dienen voor het feitelijk vermoeden, bekend en zeker moeten zijn en op wettelijke wijze zijn aangetoond. Een vermoeden (zelfs wettelijk gevestigd) kan nooit het bekende feit of element zijn waarop een nieuw vermoeden zou kunnen worden gesteund.
De ambtenaar die feitelijke vermoedens aanvoert, moet uit de bekende en vaststaande feiten waarover hij beschikt het onbekend feit dat hij wil aantonen, afleiden. Die redenering moet logisch zijn en mag geen aanleiding geven tot tegenspraak.
9. In geval van raming van de belastbare grondslag volgens tekenen en indiciën, mag niet uit het oog worden verloren dat, alhoewel het mogelijk is van de belastingplichtige alle inlichtingen te vorderen met het oog op het onderzoek van zijn belastingtoestand, het aan de taxatieambtenaar behoort, zonder de belastingplichtige daarbij te betrekken, deze tekenen en indiciën op te sommen die de onontbeerlijke grondslag vormen van een dergelijke aanslag, met dien verstande evenwel dat de medewerking van de belastingplichtige bij de vaststelling van zijn "indiciaire toestand" dikwijls toelaat tot een objectievere en juistere berekening te komen.
10. De raming van de inkomsten via vergelijking vereist de afwezigheid van bewijskrachtige bescheiden (voorafgaand aan de taxatie vast te stellen en niet in de latere fase van het administratief of gerechtelijk geschil), het aantal (tenminste 3) en de soortgelijkheid van de vergelijkingspunten evenals het normaal karakter van de winst of baten van de soortgelijke belastingplichtigen.
11. De aandacht wordt gevestigd op de substantiële verplichting vervat in de artikelen 346, 1e lid, en 351, 2e lid, WIB 92, tot voorafgaande notificatie aan de belastingplichtige, en dit ongeacht het bedrag van de gewijzigde of in aanmerking te nemen inkomsten of ongeacht het belang van de andere gegevens. De niet-naleving van deze elementaire procedureregels kan de nietigheid van de gevestigde aanslag met zich brengen. Met betrekking tot het bericht van wijziging, de kennisgeving van een aanslag van ambtswege en de kennisgeving van beslissing tot taxatie wordt nogmaals de aandacht gevestigd, niet alleen op het belang van de te respecteren wettelijke termijnen en de motivatieplicht ten einde de eventuele nietigheid van de gevestigde aanslagen te vermijden, maar ook en vooral uit hoofde van het belang van de motivering in het kader van de betere "dialoog" met de belastingplichtige en het voorkomen van overdreven en arbitraire taxaties en van onnodige administratieve en/of gerechtelijke beroepen.
SANCTIES
12. Een eenvoudige informatie betreffende de geschonden verplichting (weze het een eenvoudige herinnering) kan - indien de inbreuk het toelaat - het later gedrag van de belastingplichtige soms meer ten gunste beïnvloeden dan de toepassing van een sanctie.
Daarentegen zijn er de inbreuken waarbij de billijkheid wil dat ze effectief worden bestraft, om te voorkomen dat de belastingplichtige die de inbreuk begaan heeft uit de door hem veroorzaakte situatie een onwettelijk voordeel zou bekomen of dat er een onterecht gevoel van straffeloosheid zou ontstaan.
13. In elk geval moet de toepassing van sancties gezien worden in het kader van een politiek die rekening houdt met de mate van medewerking van de belastingplichtige bij de regularisatie van zijn fiscale toestand.
14. Wat de motivering van de administratieve sancties betreft wordt er aan herinnerd dat artikel 109, W 4.8.1986 houdende fiscale bepalingen (V 1852) bepaalt dat telkens wanneer een belastingadministratie aan een belastingplichtige een bericht zendt, waarbij hem een administratieve boete wordt opgelegd, dit bericht de feiten die de overtreding opleveren en de verwijzing naar de toegepaste wet- of verordeningsteksten vermeldt en de motieven opgeeft die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen.
Anderzijds, stellen de bepalingen die de toepassing van de W 29.7.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen op het vlak van de vestiging van de belastingen becommentariëren, dat bij de toepassing van belastingverhogingen, de belastingplichtige in alle gevallen, moet worden ingelicht over de desbetreffende wettelijke bepaling en, met redenen omkleed, over de toepasselijke belastingverhogingen (vermelden van de aard, de ernst en de rang van de overtreding). De inlichting moet worden verstrekt in het bericht van wijziging of de kennisgeving van aanslag van ambtswege, of, bij gebreke daarvan, bij gewone brief.
Er wordt genoteerd dat in het arrest nr. 48/2001 van 18.4.2001, het Arbitragehof stelt dat : "geïnterpreteerd in die zin dat het niet geldt voor de belastingverhogingen bedoeld in art. 444, WIB 92, schendt het art. 109 van de W 4.8.1986 houdende fiscale bepalingen de art. 10 en 11 van de Grondwet".
De hiervoor herinnerde bepalingen stemmen dus overeen met de interpretatie van het voormeld art. 109, W 4.8.1986 conform de art. 10 en 11 van de Grondwet en moeten nauwgezet worden nageleefd.
EINDBEMERKING
15. Bij de uitvoering van haar taak als openbare dienst - de vestiging van de wettelijke verschuldigde belasting - wordt er van de administratie verwacht, meer nog dan in het verleden, dat de belastingplichtige bij de vervulling van zijn fiscale verplichtingen wordt bijgestaan. Zij zal hierbij oog hebben voor een klantvriendelijke en kordate aanpak.
De administratie verwacht van iedereen die tussenkomt in de toepassing van de bepalingen die de vestiging van de belasting regelen, ongeacht zijn niveau van verantwoordelijkheid, dat er gehandeld wordt in de geest van de hiervoor aangehaalde overwegingen.
Voor de Directeur-generaal :
De Auditeur-generaal,
J.-M. PREVOST.
ADMINISTRATIEVE BRIEFWISSELING
Bericht van wijziging
Kennisgeving van aanslag van ambtswege
Kennisgeving van beslissing tot taxatie
ADMINISTRATIEVE SANCTIE
Administratieve boete
Belastingverhoging
BESTUURSHANDELING
Motivering van de bestuurshandelingen
Openbaarheid van bestuur
BETREKKINGEN MET HET PUBLIEK
Administratieve briefwisseling
Houding van de aanslagambtenaar
Hulp aan belastingplichtigen
BEWIJSMIDDEL VAN DE ADMINISTRATIE
Taxatie bij vergelijking
Taxatie volgens feitelijke vermoedens
Taxatie volgens tekenen en indiciën
ONDERZOEKSRECHT VAN DE ADMINISTRATIE
Oproeping van de belastingplichtige
Verificatie ter plaatse
Vraag om inlichtingen
Richtlijnen i.v.m. de relatie tussen de belastingplichtige en de taxatieambtenaar.
Aan al de diensten van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit en van de Administratie der directe belastingen (sector taxatie).
1. Een hoge fiscale druk en de complexe wetgeving wekken vaak weerstand op bij de belastingplichtigen. Enerzijds moet de administratie kordaat optreden tegenover belastingplichtigen die zich aan hun fiscale verplichtingen trachten te onttrekken, anderzijds is het onontbeerlijk een vertrouwensrelatie tussen de fiscus en de belastingplichtigen te bewerkstelligen.
2. De in onderhavige circulaire onder de nrs. 4 tot 15 aangehaalde bepalingen zijn deze voorzien inzake inkomstenbelastingen.
HOUDING VAN DE TAXATIEAMBTENAAR
3. Bij elk contact, ook telefonisch, met een belastingplichtige is de houding van de taxatieambtenaar ten overstaan van die belastingplichtige heel belangrijk. Iedere vergissing, iedere tekortkoming op dit gebied kan niet alleen nadelig zijn voor de ambtenaar maar ook voor de administratie in haar geheel. Elke ambtenaar moet er in alle omstandigheden op letten beleefd en hoffelijk te blijven en mag nooit de menselijke en psychologische aspecten van de relaties uit het oog verliezen. Anders handelen kan slechts tegenwerking en reactie vanwege de belastingplichtige uitlokken, wat de taak van de administratie nog moeilijker en delicater maakt. Dit sluit echter niet uit dat er strenger moet worden opgetreden in de gevallen waarin zulks is verantwoord.
DE ONDERZOEKS- EN CONTROLE RECHTEN
4. Er moet steeds een weloverwogen gebruik worden gemaakt van de aan de administratie toegekende onderzoeks- en controlerechten.
Een fiscale controle kan alleen maar correct en sereen verlopen indien bepaalde basisregels in acht worden genomen. Aldus moet :
- er duidelijke en nauwkeurige informatie aan de belastingplichtige worden verstrekt. In dit kader wordt ook een correcte naleving van de W 11.4.1994 betreffende de openbaarheid van bestuur (zie circ. 9.1.1998, Ci.RH.835/502.739) benadrukt;
- de controle van het fiscaal dossier onpartijdig gebeuren. De onderzoekingen moeten worden verricht met onderscheidingsvermogen, objectiviteit en gematigdheid en dit binnen het vastgelegd wettelijk kader.
- de controle aan het nagestreefde doel beantwoorden en mag ze geen overdreven last voor de belastingplichtige bij de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid betekenen.
De selectie van een dossier voor onderzoek en de aard van dit onderzoek moeten op objectieve en pertinente criteria gebaseerd zijn.
De tijd die aan het onderzoek wordt besteed mag niet langer dan noodzakelijk zijn. Het moet in elk geval beëindigd worden zodra wordt vastgesteld dat de selectie niet was verantwoord of dat het aangevatte onderzoek toelaat te besluiten dat de belastingplichtige op voldoende wijze aan zijn fiscale verplichtingen heeft voldaan.
De te ondernemen stappen moet steeds in functie van de omstandigheden worden bepaald. Het past voorrang te geven, naargelang het geval, aan de uitnodiging van de belastingplichtige op kantoor, aan een vraag om inlichtingen of aan een bezoek ter plaatse. Buitensporige stappen moeten worden geweerd. Er moet eveneens worden vermeden aan de belastingplichtige elementen te vragen die bij de diensten van de administratie kunnen worden verkregen.
De onderzoekingen bij derden vormen een onmisbaar controlemiddel dat wordt gebruikt in situaties waarin het gerechtvaardigd is.
PROCEDUREREGELS
6. In het streven naar betere betrekkingen tussen de belastingplichtigen en de administratie is het essentieel dat de procedureregels strikt worden nageleefd. Met betrekking tot de belangrijke aspecten ervan, met name de bewijslast, de motivering en het tegensprekelijk karakter van de bepaling van de belastbare grondslag worden hierna een aantal regels herinnerd.
7. Een regelmatig opgestelde en ingediende aangifte is geloofwaardig tot het tegenbewijs. De bewijskracht ervan berust op een vermoeden van juistheid. Om van de aangifte van de belastingplichtige te mogen afwijken moet de administratie de aangegeven inkomsten en andere gegevens "onjuist bevinden". De bewijslast rust hierbij in principe op de administratie. Dat betekent dat de administratie de inkomsten en de andere gegevens die zij in de plaats stelt van die welke door de belastingplichtige zijn aangegeven, moet bepalen door gebruik te maken van de haar door de wet ter beschikking gestelde bewijsmiddelen.
8. Het beroep op feitelijk vermoedens vereist dat de feiten of elementen die als grondslag dienen voor het feitelijk vermoeden, bekend en zeker moeten zijn en op wettelijke wijze zijn aangetoond. Een vermoeden (zelfs wettelijk gevestigd) kan nooit het bekende feit of element zijn waarop een nieuw vermoeden zou kunnen worden gesteund.
De ambtenaar die feitelijke vermoedens aanvoert, moet uit de bekende en vaststaande feiten waarover hij beschikt het onbekend feit dat hij wil aantonen, afleiden. Die redenering moet logisch zijn en mag geen aanleiding geven tot tegenspraak.
9. In geval van raming van de belastbare grondslag volgens tekenen en indiciën, mag niet uit het oog worden verloren dat, alhoewel het mogelijk is van de belastingplichtige alle inlichtingen te vorderen met het oog op het onderzoek van zijn belastingtoestand, het aan de taxatieambtenaar behoort, zonder de belastingplichtige daarbij te betrekken, deze tekenen en indiciën op te sommen die de onontbeerlijke grondslag vormen van een dergelijke aanslag, met dien verstande evenwel dat de medewerking van de belastingplichtige bij de vaststelling van zijn "indiciaire toestand" dikwijls toelaat tot een objectievere en juistere berekening te komen.
10. De raming van de inkomsten via vergelijking vereist de afwezigheid van bewijskrachtige bescheiden (voorafgaand aan de taxatie vast te stellen en niet in de latere fase van het administratief of gerechtelijk geschil), het aantal (tenminste 3) en de soortgelijkheid van de vergelijkingspunten evenals het normaal karakter van de winst of baten van de soortgelijke belastingplichtigen.
11. De aandacht wordt gevestigd op de substantiële verplichting vervat in de artikelen 346, 1e lid, en 351, 2e lid, WIB 92, tot voorafgaande notificatie aan de belastingplichtige, en dit ongeacht het bedrag van de gewijzigde of in aanmerking te nemen inkomsten of ongeacht het belang van de andere gegevens. De niet-naleving van deze elementaire procedureregels kan de nietigheid van de gevestigde aanslag met zich brengen. Met betrekking tot het bericht van wijziging, de kennisgeving van een aanslag van ambtswege en de kennisgeving van beslissing tot taxatie wordt nogmaals de aandacht gevestigd, niet alleen op het belang van de te respecteren wettelijke termijnen en de motivatieplicht ten einde de eventuele nietigheid van de gevestigde aanslagen te vermijden, maar ook en vooral uit hoofde van het belang van de motivering in het kader van de betere "dialoog" met de belastingplichtige en het voorkomen van overdreven en arbitraire taxaties en van onnodige administratieve en/of gerechtelijke beroepen.
SANCTIES
12. Een eenvoudige informatie betreffende de geschonden verplichting (weze het een eenvoudige herinnering) kan - indien de inbreuk het toelaat - het later gedrag van de belastingplichtige soms meer ten gunste beïnvloeden dan de toepassing van een sanctie.
Daarentegen zijn er de inbreuken waarbij de billijkheid wil dat ze effectief worden bestraft, om te voorkomen dat de belastingplichtige die de inbreuk begaan heeft uit de door hem veroorzaakte situatie een onwettelijk voordeel zou bekomen of dat er een onterecht gevoel van straffeloosheid zou ontstaan.
13. In elk geval moet de toepassing van sancties gezien worden in het kader van een politiek die rekening houdt met de mate van medewerking van de belastingplichtige bij de regularisatie van zijn fiscale toestand.
14. Wat de motivering van de administratieve sancties betreft wordt er aan herinnerd dat artikel 109, W 4.8.1986 houdende fiscale bepalingen (V 1852) bepaalt dat telkens wanneer een belastingadministratie aan een belastingplichtige een bericht zendt, waarbij hem een administratieve boete wordt opgelegd, dit bericht de feiten die de overtreding opleveren en de verwijzing naar de toegepaste wet- of verordeningsteksten vermeldt en de motieven opgeeft die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen.
Anderzijds, stellen de bepalingen die de toepassing van de W 29.7.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen op het vlak van de vestiging van de belastingen becommentariëren, dat bij de toepassing van belastingverhogingen, de belastingplichtige in alle gevallen, moet worden ingelicht over de desbetreffende wettelijke bepaling en, met redenen omkleed, over de toepasselijke belastingverhogingen (vermelden van de aard, de ernst en de rang van de overtreding). De inlichting moet worden verstrekt in het bericht van wijziging of de kennisgeving van aanslag van ambtswege, of, bij gebreke daarvan, bij gewone brief.
Er wordt genoteerd dat in het arrest nr. 48/2001 van 18.4.2001, het Arbitragehof stelt dat : "geïnterpreteerd in die zin dat het niet geldt voor de belastingverhogingen bedoeld in art. 444, WIB 92, schendt het art. 109 van de W 4.8.1986 houdende fiscale bepalingen de art. 10 en 11 van de Grondwet".
De hiervoor herinnerde bepalingen stemmen dus overeen met de interpretatie van het voormeld art. 109, W 4.8.1986 conform de art. 10 en 11 van de Grondwet en moeten nauwgezet worden nageleefd.
EINDBEMERKING
15. Bij de uitvoering van haar taak als openbare dienst - de vestiging van de wettelijke verschuldigde belasting - wordt er van de administratie verwacht, meer nog dan in het verleden, dat de belastingplichtige bij de vervulling van zijn fiscale verplichtingen wordt bijgestaan. Zij zal hierbij oog hebben voor een klantvriendelijke en kordate aanpak.
De administratie verwacht van iedereen die tussenkomt in de toepassing van de bepalingen die de vestiging van de belasting regelen, ongeacht zijn niveau van verantwoordelijkheid, dat er gehandeld wordt in de geest van de hiervoor aangehaalde overwegingen.
Voor de Directeur-generaal :
De Auditeur-generaal,
J.-M. PREVOST.
Bron: FisconetPlus
