Circulaire nr. Ci.RH.26/389.552 van 11.04.1988
CIRC 11.04.88/1
Bull. nr. 672, pag. 843
COMMISSIE
Commissie belast met de schatting van kunstwerken.
VRIJGESTELDE GIFTEN
Giften aan O.C.M.W.'s.
Giften aan musea (in geld).
Giften aan musea (kunstwerken).
INHOUDSOPGAVE Nrs. I. Inleiding 1 II. Wettekst 2 III. Giften in geld aan O.C.M.W.'s 3 IV. Giften in geld voor musea van bepaalde openbare instellingen 4 tot 6 V. Giften in de vorm van kunstwerken voor musea van bepaalde openbare instellingen A. In aanmerking komende musea 7 B. In aanmerking komende kunstwerken 8 en 9 C. Procedure 10 tot 16 D. Maximum 17 VI. Inwerkingtreding 18 Bijlage.Commissie belast met de schatting van kunstwerken.
VRIJGESTELDE GIFTEN
Giften aan O.C.M.W.'s.
Giften aan musea (in geld).
Giften aan musea (kunstwerken).
I. INLEIDING
1. Art. 1, 1°, 3°, 4° en 7°, W. 1.8.1985, houdende fiscale en andere bepalingen (V. 1785 - B. 642) heeft art. 71, WIB, gewijzigd m.b.t. de giften die natuurlijke personen van hun totaal belastbaar netto-inkomen kunnen aftrekken. In de eerste plaats schept het de mogelijkheid aan O.C.M.W.'s fiscaal aftrekbare giften in geld te doen, zonder verplichting voor de begiftigde instellingen die gelden voor hun musea te bestemmen (art. 71, § 1, 4°, c - nieuw - WIB).
Voorts wordt de mogelijkheid ingevoerd, naast giften in geld, onder bepaalde voorwaarden ook giften in de vorm van kunstwerken aan musea van bepaalde openbare instellingen te doen (art. 71, § 1, 10°, WIB).
Met uitzondering van giften in de vorm van kunstwerken, zijn de voormelde giften eveneens aftrekbaar ten name van aan de Ven.B of aan de BNV-ven. onderworpen belastingplichtigen (art. 7, W 1.8.1985 - art. 110, WIB).
| II. | WETTEKST (De gewijzigde of nieuwe bepalingen zijn in de rand aangestreept) |
| Art. | 71, WIB |
§ 1. Van de gezamenlijke netto-inkomsten van de verschillende in artikel 6 bedoelde categorieën worden afgetrokken, voor zover zij niet konden worden afgetrokken voor de vaststelling van die netto-inkomsten :
| 1° | tot 3° ... |
| 4° | de giften in geld : |
| a) | en b) ... |
| c) | aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de intercommunale centra voor maatschappelijk welzijn; |
| d) | tot i) ... |
| 5° | tot 9° ... |
| 10° | de giften aan de Rijksmusea en, op voorwaarde dat zij voor hun musea worden bestemd, de giften aan de Gemeenschappen, de provincies, de agglomeratie Brussel, de gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de intercommunale openbare centra voor maatschappelijk welzijn : |
| a) | hetzij in geld; |
| b) | hetzij in de vorm van kunstwerken waarvan de internationale faam door de Minister van Financiën wordt erkend op eensluidend advies van de bevoegde technische commissie bedoeld in de artikelen 7 tot 9 van het koninklijk besluit van 23 augustus 1933 dat betrekking heeft op de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 14 september 1934 en 24 december 1934, of van het bevoegde sectiecomité bedoeld in de artikelen 8 en 9 van het besluit van de Regent van 15 mei 1949 houdende organiek reglement der Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, volgens de aard van het kunstwerk; |
11° ...
§ 2 ...
Opdat een gift als bedoeld in § 1, 4°, 5° en 10°, voor aftrek in aanmerking kan komen, moet de begiftigde een kwijtschrift daarvoor afgeven en moet die gift een bedrag van tenminste duizend frank bereiken.
...
§§ 3 en 3bis ...
§ 3ter. De aftrek bedoeld in § 1, 10°, b, wordt aanvaard na akkoord van de Minister van Financiën, op eensluidend advies van een commissie waarvan de Koning de opdracht, de bevoegdheid, de samenstelling en de werking bepaalt en die, inzonderheid, advies verstrekt over de in aanmerking te nemen geldwaarde (Zie KB 24.8.1987 tot instelling van een commissie, onder meer belast met de schatting van kunstwerken voor de toepassing van sommige fiscale wetten (zie bijlage)).
De betrokken belastingplichtige kan, vooraleer hij de schenking doet, van de Minister van Financiën de in paragraaf 1, 10°, b, bedoelde erkenning en de in het eerste lid bedoelde aanvaarding verkrijgen.
§§ 4 en 5 ...
| Art. | 110, WIB |
Voor de vaststelling van het belastbare inkomen worden de krachtens dit Wetboek of krachtens bijzondere wettelijke bepalingen vrijgestelde inkomsten, met uitzondering van de in artikel 71, § 1, 10°, b, bedoelde giften, die begrepen zijn in de winsten van het belastbaar tijdperk, van bedoelde winsten afgetrokken.
III. GIFTEN IN GELD AAN O.C.M.W.'s
3. Art. 71, § 1, 4°, c, (nieuw), WIB, is derwijze gesteld dat voortaan alle giften in geld aan openbare centra voor maatschappelijk welzijn (O.C.M.W.'s) en aan intercommunale O.C.M.W.'s aftrekbaar zijn ongeacht de bestemming welke de O.C.M.W.'s aan die giften geven.
De vroegere voorwaarde dat giften in geld moesten bestemd zijn voor de musea van de O.C.M.W.'s bestaat derhalve niet meer.
IV. GIFTEN IN GELD VOOR MUSEA VAN BEPAALDE OPENBARE INSTELLINGEN
4. Met betrekking tot giften in geld aan de Rijksmusea en tot giften van dezelfde aard - op voorwaarde dat zij voor hun musea worden bestemd - aan de provincies, de agglomeratie Brussel, de gemeenten, de O.C.M.W.'s en de intercommunale O.C.M.W.'s, heeft art. 71, § 1, 10°, a, WIB, de aftrekbaarheid die voorheen bestond op grond van art. 71, § 1, 4°, c (oud), WIB, inhoudelijk niet gewijzigd.
5. Voortaan zijn evenwel ook giften in geld aan de Gemeenschappen, bestemd voor hun musea, aftrekbaar. De hier bedoelde Gemeenschappen zijn die waarvan sprake is in art. 3ter van de Grondwet, nl. de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap.
6. De vroegere bepaling betreffende de musea van federaties van gemeenten was doelloos geworden; zij is daarom in art. 71, § 1, 10°, WIB, niet meer opgenomen.
| V. | GIFTEN IN DE VORM VAN KUNSTWERKEN, VOOR MUSEA VAN BEPAALDE OPENBARE INSTELLINGEN |
A. In aanmerking komende musea.
7. De musea die in aanmerking komen voor het verkrijgen van aftrekbare giften in de vorm van kunstwerken zijn alleen die welke in de nrs. 4 en 5 vermeld zijn.
B. In aanmerking komende kunstwerken.
8. Onder kunstwerken worden inzonderheid schilderijen, beeldhouwwerken, tekeningen, prenten en wandtapijten verstaan.
9. De kunstwerken moeten en internationale faam hebben. Die internationale faam moet door de Minister van Financiën erkend zijn op eensluidend advies :
- ofwel van de bevoegde technische commissie bedoeld in de art. 7 tot 9, KB 23.8.1933 betreffende de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten (B.S. 14.10.1933) (Gewijzigd bij KB 14.9.1934 en 24.12.1934);
- ofwel, volgens de aard van het kunstwerk, van het ter zake bevoegde sectiecomité bedoeld in de art. 8 en 9, Besluit van de Regent van 15.5.1949 houdende organiek reglement van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis (BS 12.8.1949).
Het verkrijgen van het eensluidend advies van de bevoegde commissie of van het bevoegde sectiecomité m.b.t. de internationale faam van het kunstwerk is derhalve een substantiële voorwaarde voor de aftrekbaarheid van de gift.
C. Procedure.
10. Een belastingplichtige kan de aftrek van de geldwaarde van een kunstwerk, dat hij aan een daarvoor in aanmerking komende instelling wil schenken, slechts verkrijgen nadat de Minister van Financiën zich hiermede akkoord heeft verklaard. Deze laatste verleent zijn akkoord over de aanvaardbaarheid van het kunstwerk als aftrekbare gift op eensluidend advies van de door KB 24.8.1987 bij het Ministerie van Financiën ingestelde commissie, die onder meer belast is met de schatting van kunstwerken voor de toepassing van sommige fiscale wetten (Dezelfde commissie adviseert de Minister van Financiën ook i.v.m. de afgifte van kunstwerken ter betaling van successierechten (zie art. 83-3) Wetboek successierechten en KB 20.1.1987, BS 3.2.1987, blz. 1480)). Dat koninklijk besluit (zie bijlage) regelt de samenstelling, de bevoegdheid, de opdracht en de werking van die commissie, welke inzonderheid advies verstrekt over de voor het kunstwerk in aanmerking te nemen geldwaarde. De benoeming van de gewone en plaatsvervangende leden van de commissie is geregeld in het MB 2.10.1987 (BS 15.10.1987, blz. 15040).
11. De belastingplichtige die een kunstwerk wil schenken, kan aan de Minister van Financiën vragen dat de procedure voor de erkenning van de internationale faam van het kunstwerk en voor de aanvaarding van de aftrekbaarheid van de gift door de Minister, vooraf in haar geheel zou worden afgewikkeld.
12. In elk geval moet de belastingplichtige, om de aftrek van de geldwaarde van een of meer kunstwerken te verkrijgen, een schriftelijk verzoek indienen bij de Directeur-generaal van de Administratie der directe belastingen (directie II/6), Kruidtuinlaan 50, bus 32, 1010 Brussel.
Dat verzoek moet de volgende gegevens bevatten :
| 1°) | de omschrijving van het te schenken of geschonken kunstwerk met vermelding van de door de schenker voorgestelde geldwaarde ervan; |
| 2°) | het verzoek om erkenning van de internationale faam van het kunstwerk zomede de vraag dit laatste als aftrekbare gift in natura te aanvaarden; |
| 3°) | de benaming van de begiftigde openbare instelling en van diens museum waarvoor het kunstwerk, |
| 4°) | de verzekerde waarde van het kunstwerk, het polisnummer van het verzekeringscontract en de benaming van de verzekeringsinstelling. |
13. De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde geeft de belastingplichtige schriftelijk kennis van de ministeriële beslissing houdende het al of niet aanvaarden van het kunstwerk.
14. Wanneer het kunstwerk kan worden aanvaard, vermeldt de beslissing de door de Minister in aanmerking genomen geldwaarde; deze kan lager zijn dan die voorgesteld door de schenker.
15. In geval van gunstige ministeriële beslissing wordt deze door de schenker aan de begiftigde instelling medegedeeld; dan mag deze instelling een vrijstellingsattest aan de schenker uitreiken. Dat attest moet de datum en de referte van de ministeriële beslissing vermelden.
16. Het hoofdbestuur stuurt een kopie van de ministeriële beslissing aan de taxatiedienst van de schenker.
D. Maximum.
17. Het totale aftrekbare bedrag van de in een belastbaar tijdperk gedane giften, met inbegrip van de geldwaarde van de kunstwerken, is krachtens art. 71, § 2, 3de lid, WIB, beperkt tot 5 pct. van de gezamenlijk belastbare netto-inkomsten, doch mag in geen geval 10 miljoen frank overschrijden.
VI. INWERKINGTREDING
18. De hiervoor besproken wetsbepalingen zijn van toepassing met ingang van het aj. 1987.
BIJLAGE
24 augustus 1987. - Koninklijk besluit tot instelling van een commissie belast onder meer met de schatting van kunstwerken voor de toepassing van sommige fiscale wetten (Belgisch Staatsblad van 3 september 1987)
Artikel 1. § 1. De commissie, bedoeld in artikel 71, § 3ter, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en in artikel 83-3, tweede lid, van het Wetboek der successierechten, heeft haar zetel te Brussel, bij het Ministerie van Financiën.
§ 2. Die commissie van elf leden, door de Minister van Financiën benoemd voor de termijn die hij bepaalt, is samengesteld als volgt :
| 1° | zes ambtenaren : |
| a) | twee van de Administratie der directe belastingen, |
| b) | twee van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, |
| c) | twee van de Administratie van de begroting en de controle op de uitgaven, benoemd op de voordracht van de Minister van Begroting. |
Van die commissieleden moet er per administratie één van elke taalrol zijn;
| 2° | één lid voorgedragen door elke Minister van Onderwijs; |
| 3° | één lid voorgedragen door elk van de volgende Executieven : |
- de Vlaamse Executieve;
- de Franse Gemeenschapsexecutieve;
- de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap.
§ 3. Geen van de commissieleden mag lid zijn van de technische commissie of van het sectiecomité bedoeld in artikel 71, § 1, 10°, b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en in artikel 83-3, eerste lid, van het Wetboek der successierechten.
§ 4. De Minister van Financiën benoemt, volgens dezelfde procedure, een plaatsvervanger voor elk commissielid.
§ 5. De benoeming van de werkende en de plaatsvervangende leden van de commissie wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 2. § 1. De commissie wordt voor vergadering bijeengeroepen door de voorzitter.
Zij houdt op geldige wijze zitting zodra zes leden aanwezig zijn; zij brengt advies uit bij gewone meerderheid van stemmen; bij staking van stemmen, beslist de stem van de voorzitter.
De commissie stelt haar reglement van orde vast.
§ 2. De adviesaanvraag wordt bij de commissie ingediend door de directeur-generaal van de Administratie der directe belastingen wanneer het advies moet dienen voor de toepassing van het Wetboek van de inkomstenbelastingen of door de directeur-generaal van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen wanneer het advies moet dienen voor de toepassing van het Wetboek der successierechten.
De bevoegde directeur-generaal duidt, voor iedere zaak, de ambtenaar van zijn administratie aan die de commissie zal voorzitten en maakt hem alle stukken met betrekking tot die aanvraag over.
Art. 3. De commissie spreekt zich uit over de aanvaardbaarheid en de geldwaarde van de kunstwerken met het oog op de toepassing van artikel 71, § 1, 10°, b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen of van artikel 83-3, eerste lid, van het Wetboek der successierechten. Zij houdt onder meer rekening :
- met de toestand waarin de kunstwerken zich bevinden en met de kosten die hun restauratie of instandhouding zouden vergen;
- met de verklaringen en inlichtingen van, volgens het geval, de eigenaar of de erfgenamen, legatarissen en begiftigden; op hun verzoek of indien de commissie het zelf nodig acht, hoort zij die personen; zij kan hen verzoeken binnen een maand alle nuttige inlichtingen en bescheiden voor te leggen en haar op hun risico en kosten het kunstwerk in België te tonen;
- met de onderzoeksresultaten en met de inlichtingen, aangebracht of bevestigd door deskundigen, omtrent de marktwaarde van het kunstwerk en omtrent de kosten voor zijn instandhouding en eventuele restauratie, evenals met het advies omtrent de internationale faam van het kunstwerk verstrekt door de technische commissie of het sectiecomité bedoeld in artikel 1, § 4; zij kan daartoe deskundigen en de leden van die commissie of dat comité horen en hen met raadgevende stem tot haar vergaderingen toelaten.
Art. 4. Ten laatste zes maanden na de aanwijzing bedoeld in artikel 2, § 2, doet de voorzitter via de directeur-generaal van de administratie waartoe hij behoort het gemotiveerd advies van de commissie kennen aan de Minister van Financiën.
De notulen van de vergaderingen die aan de zaak zijn gewijd worden bij dat advies gevoegd.
Art. 5. De werkingskosten van de commissie zijn ten laste van de begroting van het Ministerie van Financiën;
Art. 6. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 7. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.
Bron: FisconetPlus
