Aanschrijving nr. 70 dd. 30.06.1972

Aanschrijving nr. 70 dd. 30.06.1972

Arbeid van uitzendkrachten

Deze aanschrijving bepaalt de regelen die inzake BTW van toepassing zijn op de arbeid van uitzendkrachten.

1. Wanneer een uitzendkracht tegenover een uitzendbureau verbonden is door een arbeidsovereenkomst voor bedienden of voor werklieden, heeft hij niet de hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van artikel 4 van het W.BTW en is er geen BTW opeisbaar op het loon dat zijn werkgever hem betaalt.

De dienst die door het uitzendbureau wordt verstrekt aan zijn afnemer is een terbeschikkingstelling van personeel. Deze dienst is bedoeld in artikel 18, § 1, 2°, van het W.BTW, en is in de regel onderworpen aan de belasting tegen het tarief van 21 pct. over de totale som die de afnemer moet betalen.

De administratie zal evenwel geen kritiek uitoefenen op de interpretatie waarbij de overeenkomst tussen het uitzendbureau en de afnemer voorgesteld wordt als een werkaannemingscontract bedoeld in artikel 18, § 1, 1°, van het W.BTW, in plaats van als een terbeschikkingstelling van personeel in de zin van artikel 18, § 1, 2°, van het W.BTW.

In deze interpretatie wordt de dienst die door het uitzendbureau aan de afnemer wordt verstrekt, over het totale bedrag dat deze moet betalen, belast tegen het tarief dat geldt volgens de aard van het door de uitzendkracht verrichte werk. Indien het door de uitzendkracht verrichte werk vrijgesteld is van de belasting bij toepassing van artikel 44 van het W.BTW, is geen enkele belasting opeisbaar over de som die de afnemer moet betalen. Het uitzendbureau heeft in die mate de hoedanigheid van belastingplichtige, maar zonder recht op aftrek.

2. Wanneer de uitzendkracht niet door een arbeidsovereenkomst voor bedienden of voor werklieden tegenover het uitzendbureau verbonden is, is het volgende onderscheid geboden:

a) wanneer de uitzendkracht op een geregelde wijze in het Wetboek bedoelde handelingen verricht die niet vrijgesteld zijn door artikel 44 van het Wetboek, heeft hij de hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van artikel 4 van het W.BTW, en moet hij in beginsel geregistreerd worden.

Aangezien de wetgeving met betrekking tot de maatschappelijke zekerheid der arbeiders evenwel verruimd werd tot de uitzendkrachten (z. het kon. besl. van 28 november 1969, Belgisch Staatsblad van 5 december 1969), zal de administratie niet eisen dat ze geregistreerd worden mits het uitzendbureau, voor de toepassing van de BTW, in zijn betrekkingen met de afnemer op dezelfde wijze handelt als wanneer het gaat om uitzendkrachten die tegenover hem verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst voor bedienden of voor werklieden (z. cijfer 1 hierboven).

b) Wanneer de uitzendkracht diensten verstrekt die vrijgesteld zijn door artikel 44 van het Wetboek, heeft hij de hoedanigheid van BTW- belastingplichtige maar zonder recht op aftrek en is de belasting niet opeisbaar op de vergoeding die hij voor zijn prestaties vraagt. Het uitzendbureau wordt dan beschouwd als lasthebber van de afnemer en de belasting, tegen het tarief van 21 pct., hoeft slechts berekend te worden op het commissieloon dat hem toekomt voor zijn tussenkomst, op voorwaarde dat de factuur die aan de afnemer wordt uitgereikt afzonderlijk melding maakt van het commissieloon en van de vergoeding die wordt gevraagd voor de prestaties van de uitzendkracht.