Circulaire 2020/C/154 betreffende de Bindende Tariefinlichtingen (BTI)

Bindende Tariefinlichting, BTI; BTI-beschikking; geharmoniseerd systeem; gecombineerde nomenclatuur; tariefindeling; douanebeschikking.

FOD Financiën, 15.12.2020

Algemene administratie der Douane en Accijnzen

Inhoudstafel

Afkortingen

1. De Bindende Tariefinlichting

1.1. Algemeen

1.1.1. Definitie

1.1.2. Toepasselijke wetgeving

1.1.3. Taal van de BTI

1.1.4. Geldigheidsduur

1.1.5. Verplicht gebruik

1.1.6. European Trader Portal

1.2. Voordelen

1.2.1. Vlottere douaneprocedures

1.2.2. Rechtszekerheid

1.2.3. Vertrouwensrelatie met douaneautoriteit

1.2.4. Kosteloos

1.3. Plicht van douaneautoriteiten om inlichtingen te verstrekken

2. BTI-aanvraag

2.1. Wie?

2.1.1. Aanvrager

2.1.2. Douanevertegenwoordiger

2.1.3. Plicht om informatie te verstrekken

2.2. Hoe?

2.3. Vakken van de BTI-aanvraag

2.3.1. Vak 1 (verplicht en vertrouwelijk)

2.3.2. Vak 2

2.3.3. Vak 3

2.3.4. Vak 4 (verplicht)

2.3.5. Vak 5 (verplicht)

2.3.6. Vak 6 (verplicht)

2.3.7. Vak 7 (verplicht)

2.3.8. Vak 8

2.3.9. Vak 9 (verplicht)

2.3.10. Vak 10 (vertrouwelijk)

2.3.11. Vak 11

2.3.12. Vak 12 (verplicht)

2.3.13. Vak 13 (verplicht)

2.3.14. Vak 14 (verplicht)

2.3.15. Vak 15 (verplicht)

2.3.16. Vak 16

2.4. Aanvaarding BTI-aanvraag

2.5. Status van de aanvraag

3. BTI-beschikking

3.1. Opstellen BTI-beschikking

3.1.1. Omschrijving van de goederen

3.1.2. Motiveren van de indeling

3.1.3. Vertrouwelijkheid

3.1.4. Trefwoorden

3.2. Termijnen voor afgifte

3.2.1. Normale termijn

3.2.2. Verlenging

3.2.3. Schorsing

3.3. Einde van BTI-beschikkingen

3.3.1. Einde geldigheidstermijn

3.3.2. Nietigheid

3.3.3. Verlies van geldigheid

A. Wijziging van de nomenclatuur

B. Indelingsverordening

3.3.4. Intrekken BTI-beschikkingen

A. Nieuwe GN-toelichtingen

B. Arrest Hof van Justitie

C. WDO bronnen: GS-toelichtingen, indelingsbesluiten of adviezen

D. Andere specifieke gevallen

E. Commissie beveelt intrekking

F. Bilateraal contact andere lidstaten

G. Beoordelingsfout of voortschrijdend inzicht

H. Administratieve fout

I. Ongeldig EORI-nummer

4. Verlengd gebruik

4.1. Voorwaarden

4.1.1. Bindende contracten

4.1.2. Aanvraag

4.1.3. Douaneautoriteit oorspronkelijke afgifte

4.1.4. Verlies geldigheid of intrekking door volgende maatregelen

A. Indelingsverordening van de Commissie

B. Algemene intrekking BTI-beschikkingen

C. Intrekking door GN-toelichtingen

D. Arrest Hof van Justitie

E. GS-bronnen

4.1.5. Hoeveelheden

4.2. Niet in aanmerking voor verlengd gebruik

4.2.1. Nietig verklaarde BTI-beschikkingen

4.2.2. Veranderingen in nomenclaturen

4.2.3. Ingetrokken wegens administratieve fout

4.2.4. Besluit van de Commissie tot intrekking

4.3. Afgifte

5. Recht om gehoord te worden (RVV)

5.1. Toepassing RVV

5.1.1. Geen afgifte van BTI-beschikking

5.1.2. Nietigverklaring BTI-beschikking

5.1.3. Intrekking ten gevolge van een fout in de indeling

5.1.4. Soortgelijke goederen: Arresten van het Hof van Justitie en indelingsverordeningen van de Commissie

5.1.5. Nieuwe interpretatie toelichtingen GN, indelingsbesluiten, indelingsadviezen of wijzigingen in de toelichtingen op de nomenclatuur van het GS

5.1.6. Niet toegekende periode van verlengd gebruik

5.2. Geen toepassing RVV

5.2.1. Indeling onder andere goederencode dan degene die de aanvrager op de BTI-aanvraag heeft aangegeven

5.2.2. Intrekking ten gevolge van een administratieve fout

5.2.3. Identieke goederen: arresten HvJ/indelingsverordeningen

5.2.4. Wijziging in de nomenclaturen

5.2.5. Aanvullende informatie

5.2.6. Commissie verplicht intrekking BTI-beschikkingen

5.2.7. Ongeldig EORI-nummer

6. Administratief beroep

6.1. Beslissingen vatbaar voor administratief beroep

6.2. Geen schorsende werking

7. Bijlage: overzicht voortijdig einde van een BTI-beschikking

Afkortingen

1. De Bindende Tariefinlichting

1.1. Algemeen

1.1.1. Definitie

Een Bindende Tariefinlichting (BTI) is een beschikking waarin de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen (AAD) de goederencode bepaalt die van toepassing is op de goederen waarvoor er een aanvraag is gebeurd. Deze BTI heeft rechtsgeldigheid binnen de hele Europese Unie. Enerzijds is de houder van de BTI-beschikking verplicht om deze beschikking te gebruiken voor alle aangiftes voor goederen waarop deze beschikking betrekking heeft. Anderzijds zijn alle douaneautoriteiten van de EU gebonden door een BTI-beschikking. Zij moeten de goederencode van de BTI-beschikking aanvaarden, ook al hebben ze deze niet zelf afgegeven.

1.1.2. Toepasselijke wetgeving

De toepasselijke wetgeving op BTI-beschikkingen is terug te vinden in het Douanewetboek van de Unie (DWU), de Gedelegeerde Verordening op het DWU (GV) en de Uitvoeringsverordening op het DWU (UV).

Op nationaal vlak is de Algemene Wet inzake Douane en Accijnzen (AWDA) van toepassing.

Ten slotte werd er gesteund op de ‘administratieve leidraad inzake het proces betreffende bindende tariefinlichtingen’ van de Europese Commissie.

1.1.3. Taal van de BTI

De BTI-aanvraag gebeurt in de landstaal van het taalgebied waarin de aanvrager of douanevertegenwoordiger gevestigd is. De vestigingsplaats is de locatie waar de hoofdboekhouding van de aanvrager of douanevertegenwoordiger wordt gehouden. De BTI-beschikking wordt afgegeven in de landstaal waarin de aanvraag gebeurd is.

Als de aanvrager of douanevertegenwoordiger niet in België is gevestigd, mag men vrij kiezen welke landstaal er gebruikt wordt. Dit is respectievelijk Nederlands, Frans en het Duits.

Het is mogelijk om bijlagen bij de BTI-beschikkingen aan te leveren in een andere taal (bv. Engels), indien de dossierbehandelaar hiermee akkoord gaat.

1.1.4. Geldigheidsduur

Een BTI-beschikking is geldig voor een periode van drie jaar te rekenen vanaf de dag dat deze BTI-beschikking gepubliceerd wordt in het European Trader Portal (ETP), en dus van kracht wordt.

1.1.5. Verplicht gebruik

De houder van een geldige BTI-beschikking is verplicht om deze te gebruiken voor alle douaneaangiftes die betrekking hebben op de goederen waarvoor de BTI-beschikking is uitgegeven.

In vak 44 van de aangifte wordt de TARIC-certificaatcode (C626) ingevuld, gevolgd door het identificatienummer van de BTI-beschikking.

1.1.6. European Trader Portal

Vanaf 1 oktober 2019 wordt de gehele BTI-procedure elektronisch georganiseerd via het ETP. Voor de meest recente stand van zaken over hoe men zich kan aanmelden en BTI-aanvragen kan indienen op het ETP, wordt er verwezen naar de TARBEL-website. Deze informatie is terug te vinden onder het tabblad ‘nomenclatuur’.

1.2. Voordelen

1.2.1. Vlottere douaneprocedures

Als men over een BTI-beschikt dan zal er bij aangiftes voor goederen waarvoor de BTI-beschikking is afgegeven is, geen discussie zijn omtrent de toe te passen goederencode. De BTI-beschikking is bindend voor de douaneautoriteit. Dit kan dus zorgen voor vlottere douaneprocedures.

1.2.2. Rechtszekerheid

Met een geldige BTI-beschikking heeft men de rechtszekerheid dat de goederencode op de BTI-beschikking van toepassing is op de goederen die het voorwerp uitmaakten van een BTI-aanvraag.

1.2.3. Vertrouwensrelatie met douaneautoriteit

Een BTI-beschikking komt tot stand in een vertrouwensrelatie tussen de douaneautoriteit en de aanvrager. De douaneautoriteit zal nooit aan derden meedelen dat er een BTI-aanvraag werd ingediend.

De BTI-beschikking zelf is ook anoniem. Het zal voor derden via de publieke databank onmogelijk zijn om te achterhalen wie de houder is van een BTI-beschikking. Het is mogelijk om op de BTI-aanvraag bepaalde gegevens in te vullen als vertrouwelijke informatie, deze informatie zal niet gepubliceerd worden in de publieke databank.

1.2.4. Kosteloos

Het aanvragen van een BTI-beschikking is kosteloos. Indien er echter een labo-analyse nodig is voor de afgifte van de BTI-beschikking, kunnen de kosten verbonden aan deze analyse verhaald worden op de aanvrager.

1.3. Plicht van douaneautoriteiten om inlichtingen te verstrekken

Binnen de AAD is de Dienst Tarief bevoegd voor de afgifte van BTI-beschikking en voor de interpretatie van de toepasselijke wetgeving. Deze dienst kan steeds gecontacteerd worden voor, tijdens en na de BTI-aanvraag (da.lex.tariff@minfin.fed.be).

2. BTI-aanvraag

Om een BTI-beschikking te verkrijgen, dient er eerst een correcte BTI-aanvraag te worden ingediend via het ETP.

2.1. Wie?

De BTI-aanvraag kan ingediend worden door de aanvrager zelf of door gebruik te maken van een douanevertegenwoordiger die deze BTI-aanvraag zal indienen in naam van de aanvrager. In beide gevallen moeten deze personen in het bezit zijn van een geldig EORI-nummer.

2.1.1. Aanvrager

Om een BTI-beschikking te verkrijgen, dient de aanvrager geregistreerd te zijn bij een douaneautoriteit van de EU. Deze douaneautoriteit geeft een EORI-nummer af, dat dient als identificatienummer binnen het douanegebied. Om een BTI-beschikking aan te vragen is het dus niet vereist om in de EU gevestigd te zijn.

Als de aanvrager gevestigd is in de EU, dan dient hij zijn BTI-aanvraag in te dienen bij de douaneautoriteit van de lidstaat waar hij gevestigd is of in de lidstaat waarin hij de BTI-beschikking zal gebruiken. Men moet dus in het bezit zijn van een Belgisch EORI-nummer of het voornemen hebben om de BTI-beschikking te gebruiken in België.

De aanvrager die buiten het grondgebied van de EU is gevestigd kan kiezen om de BTI-aanvraag in te dienen bij de douaneautoriteit van de lidstaat waar hij geregistreerd is of deze indienen bij de douaneautoriteit van de lidstaat waar hij de BTI-beschikking zal gebruiken.

2.1.2. Douanevertegenwoordiger

De aanvrager kan gebruik maken van een douanevertegenwoordiger.

De eerste mogelijkheid is de directe douanevertegenwoordiging, waarbij de douanevertegenwoordiger de BTI-aanvraag indient in naam van de aanvrager. De BTI-beschikking wordt afgegeven op naam van de aanvrager/vertegenwoordigde en dus niet op naam van de douanevertegenwoordiger.

De tweede mogelijkheid is de indirecte vertegenwoordiging, waarbij de douanevertegenwoordiger optreedt in eigen naam, maar voor rekening van de aanvrager. De BTI-beschikking wordt afgegeven op de naam van de douanevertegenwoordiger. Er zijn echter enkele nadelen verbonden aan deze procedure. Enerzijds is de indirecte douanevertegenwoordiger persoonlijk gebonden aan de later afgegeven BTI-beschikking. Hij zal deze BTI-beschikking dus altijd op het enig document moeten vermelden, zelfs indien hij optreedt als douanevertegenwoordiger voor een andere vertegenwoordigde. Anderzijds is de vertegenwoordigde verplicht om zich altijd tot de indirecte vertegenwoordiger te wenden, indien hij gebruik wil maken van de BTI-beschikking.

2.1.3. Plicht om informatie te verstrekken

De douaneautoriteit kan gedurende de volledige BTI-aanvraagprocedure aan de aanvrager of douanevertegenwoordiger aanvullende informatie opvragen. De aanvrager of douanevertegenwoordiger is gehouden om deze inlichtingen te verstrekken. Als dit niet of foutief gebeurt dan wordt de BTI-beschikking niet afgegeven.

2.2. Hoe?

De BTI-aanvraag gebeurt elektronisch via het ETP. De handleiding en de meest recente informatie over het ETP, wordt gepubliceerd op de TARBEL-site onder het tabblad ‘nomenclatuur’.

2.3. Vakken van de BTI-aanvraag

Op het formulier van de BTI-aanvraag moeten er in totaal 16 vakken worden ingevuld door de aanvrager of de directe douanevertegenwoordiger. Deze vakken worden in deze sectie besproken.

2.3.1. Vak 1 (verplicht en vertrouwelijk)

In vak 1 worden de gegevens van de aanvrager van de BTI-aanvraag ingevuld. Het ETP kan aan de hand van het EORI-nummer de resterende gegevens aanvullen. Via de gegevens in vak 1 wordt de houder van de BTI-beschikking geïdentificeerd.

2.3.2. Vak 2

In vak 2 moet "de plaats waar de hoofdboekhouding voor douanedoeleinden wordt bijgehouden of toegankelijk is" worden ingevuld. Als de hoofdboekhouding zich in een ander land plaatsvindt dan in het land waar de aanvrager is gevestigd (vak 1), moet dit vak worden ingevuld.

2.3.3. Vak 3

De gegevens van de douanevertegenwoordiger dienen ingevuld te worden in vak 3 wanneer er een directe douanevertegenwoordiging plaatsvindt voor de BTI-aanvraag. Het ETP kan aan de hand van het EORI-nummer de resterende gegevens aanvullen.

2.3.4. Vak 4 (verplicht)

Vak 4 wordt ingevuld met de gegevens van "de contactpersoon verantwoordelijk voor de aanvraag". De douaneautoriteit gebruikt de gegevens om direct contact op te nemen met de aanvrager of de douanevertegenwoordiger.

2.3.5. Vak 5 (verplicht)

Indien men een vernieuwing wil van een bestaande of afgelopen BTI-beschikking, wordt vak 5 ingevuld. Als de houder van een BTI-beschikking merkt dat de geldigheidsperiode van zijn BTI-beschikking bijna afloopt of al is afgelopen, dan kan hij een BTI-aanvraag indienen om deze BTI te vernieuwen. De geldigheidsperiode van een bestaande of afgelopen BTI-beschikking wordt immers niet verlengd.

Via vak 5 kunnen de douaneautoriteiten steunen op de motivatie van de oude BTI-beschikking, maar dit impliceert niet dat dezelfde goederencode zal worden toegepast in de nieuwe beschikking. Als de geldigheidsperiode van een BTI-beschikking waarvoor een vernieuwing wordt gevraagd al is afgelopen, is er geen specifieke tijdsbepaling om de nieuwe BTI-aanvraag in te dienen. Als de BTI-beschikking waarvoor een vernieuwing wordt aangevraagd nog geldig is, kan er slechts een BTI-aanvraag voor vernieuwing worden ingediend 30 dagen voor de afloop van de geldigheidsperiode van de bestaande BTI-beschikking.

2.3.6. Vak 6 (verplicht)

In vak 6 wordt aangeduid voor welke douaneregeling de BTI-beschikking gebruikt zal worden. De keuzes zijn: in het vrij verkeer brengen, bijzondere regelingen, uitvoer of eerdere BTI-aanvragen. De bijzondere regeling moet verder gespecificeerd worden.

2.3.7. Vak 7 (verplicht)

In vak 7 wordt aangeduid in welke nomenclatuur de goederen moeten worden ingedeeld. Het is niet mogelijk om een BTI-beschikking aan te vragen voor een GS-goederencode (6 cijfers).

2.3.8. Vak 8

Er is de mogelijkheid om in vak 8 een goederencode in te vullen. De douaneautoriteit is op geen enkele manier gebonden door deze voorgestelde code, ze kan altijd een BTI-beschikking afgeven onder een andere goederencode.

2.3.9. Vak 9 (verplicht)

Het is verplicht om in vak 9 een gedetailleerde omschrijving te geven van de goederen waarop de BTI-aanvraag betrekking heeft. Via de omschrijving moet het mogelijk zijn voor de douaneautoriteiten om de goederen te identificeren, zodat de goederen onder de juiste goederencode worden ingedeeld. Het puur citeren van de tekst van de nomenclatuur is niet toegestaan. De omschrijving omvat ook de functie of het gebruik van de goederen, de samenstelling en kenmerken van de goederen … Het wordt sterk aangeraden om een zo volledig mogelijke omschrijving te geven van de goederen. Zo kan er sneller en exacter een goederencode bepaald worden door de douaneautoriteit.

Het is niet mogelijk om één BTI-aanvraag in te dienen voor niet soortgelijke goederen. BTI-aanvragen hebben betrekking op één goed. Goederen die soortgelijke eigenschappen hebben kunnen als één soort goed worden aanvaard, op voorwaarde dat eventuele verschillen irrelevant zijn voor hun tariefindeling (bv. terracotta bloempotten van verschillende afmetingen, verschillen in kleur). Goederen waarvan de verschillende producteigenschappen leiden tot een indeling onder een andere goederencode, worden niet aanzien als soortgelijke goederen. Het arrest C-199-09 van het Hof van Justitie bevestigt deze redenering.

2.3.10. Vak 10 (vertrouwelijk)

Het is mogelijk om in vak 10 vertrouwelijke informatie mee te delen aan de douaneautoriteit. Het kan hier gaan om: de handelsnaam van het product, modelnummers, formules Deze informatie zal enkel beschikbaar zijn voor de Europese douaneautoriteiten en zal dus nooit zichtbaar zijn op de publieke EBTI-databank.

Informatie die echter noodzakelijk is om de goederencode te bepalen, zal nooit als vertrouwelijk informatie aangenomen worden.

2.3.11. Vak 11

Het is mogelijk om in vak 11 bijlagen te voegen aan de BTI-aanvraag. Hier geldt weer de regel dat de douaneautoriteit de BTI-aanvraag sneller en exacter kan behandelen als er meer informatie voorhanden is (bv. foto's, flyers, technische fiches …). Deze bijlagen mogen in een andere taal dan de gebruikte landstaal bij de BIT-beschikking worden gevoegd, mits toestemming van de dossierbeheerder.

2.3.12. Vak 12 (verplicht)

In vak 12 dient de toekomstige begunstigde van de BTI-aanvraag te vermelden of er al BTI-aanvragen of BTI-beschikkingen zijn voor identieke of soortgelijke goederen. Voor identieke goederen is het verboden om meerdere BTI-aanvragen of BTI-beschikkingen te hebben in één of meerdere lidstaten. Dit wordt ‘BTI shopping’ genoemd, dit is de illegale praktijk waarbij er BTI-aanvragen worden ingediend in verschillende lidstaten voor dezelfde goederen.

2.3.13. Vak 13 (verplicht)

Als er BTI-beschikkingen zijn afgegeven aan andere houders voor identieke of soortgelijke goederen dan moet dit worden vermeld in vak 13. Het is mogelijk om hiervoor de publieke EBTI-databank te consulteren.

2.3.14. Vak 14 (verplicht)

Als er hangende juridische of bestuursrechtelijke procedures met betrekking tot de tariefindeling in de EU zijn, dient dit in vak 14 te worden vermeld. Ook als er een uitgesproken gerechtelijke beslissing van een rechtscollege van de Europese Unie inzake de tariefindeling met betrekking tot de goederen omschreven in vak 9 is, dient vak 14 ingevuld te worden.

2.3.15. Vak 15 (verplicht)

In vak 15 vult het ETP automatisch de datum en authenticatie in.

2.3.16. Vak 16

In vak 16 is er de mogelijkheid om aanvullende informatie op te geven. Gegevens die niet toebehoorden tot de voorgaande besproken vakken, kunnen hier ingevuld worden.

2.4. Aanvaarding BTI-aanvraag

De douaneautoriteit heeft een termijn van dertig dagen om de BTI-aanvraag te aanvaarden. De volgende aspecten van de BTI-aanvraag worden gecontroleerd:

- de ontvankelijkheid;

- het al dan niet respecteren van de taalwetgeving;

- BTI-shopping (zie punt 2.3.12.).

Vóór het aanvaarden van de BTI-aanvraag heeft de douaneautoriteit het recht om nog aanvullende vragen stellen aan de aanvrager. De aanvrager beschikt over een termijn van ten hoogste 30 dagen om deze gegevens te verstrekken. De BTI-aanvraag wordt niet aanvaard als de gegevens niet versterkt worden of indien de aangebrachte gegevens geen antwoord geven op de aanvullende vragen.

2.5. Status van de aanvraag

Via het ETP bepaalt de douaneautoriteit de status van de BTI-aanvraag. Dit gebeurt aan de hand van de statuscodes die hieronder worden uiteengezet. De fase waarin een BTI-aanvraag zich bevindt is dus altijd raadpleegbaar.

3. BTI-beschikking

3.1. Opstellen BTI-beschikking

De douaneautoriteit stelt de BTI-beschikking op en publiceert deze. In dit deel wordt nader toegelicht hoe de douaneautoriteit hierbij tewerk gaat.

3.1.1. Omschrijving van de goederen

De douaneautoriteit geeft een duidelijke omschrijving voor de goederen waarvoor er een BTI-beschikking wordt afgegeven.

3.1.2. Motiveren van de indeling

De douaneautoriteit motiveert waarom het product van de BTI-aanvraag onder een bepaalde goederencode wordt ingedeeld. Deze motivering steunt altijd op de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur. Daarnaast wordt er ook rekening gehouden met de aantekeningen op de afdelingen en hoofdstukken, de GS- en GN-toelichtingen, indelingsbronnen van de WDO en de EU, arresten van het Hof van Justitie… Al deze bronnen, buiten de GS-toelichtingen, zijn raadpleegbaar op de TARBEL-site onder het tabblad nomenclatuur.

De motivering maakt het mogelijk om na te gaan hoe en waarom de douaneautoriteit een bepaalde goederencode heeft vastgesteld.

3.1.3. Vertrouwelijkheid

De vakken die als vertrouwelijk aangegeven zijn op de BTI-aangifte blijven ook vertrouwelijk op de uiteindelijke BTI-beschikking. Deze worden dus niet weergegeven in de publieke EBTI-database.

3.1.4. Trefwoorden

De douaneautoriteit identificeert minimum vijf trefwoorden die betrekking hebben op de goederen van de BTI-beschikking. Het is mogelijk om in de EBTI-database BTI's te zoeken via deze trefwoorden.

3.2. Termijnen voor afgifte

3.2.1. Normale termijn

Vanaf de datum van de aanvaarding van de BTI-aanvraag, beschikt de douaneautoriteit over 120 kalenderdagen om de BTI-beschikking af te geven. De Belgische douaneautoriteit streeft naar een kortere afleveringstermijn.

Als de douaneautoriteit de BTI-beschikking niet binnen de termijn van 120 dagen afgeven, dan moet de aangever voor het verstrijken van deze termijn hiervan in kennis worden gesteld.

3.2.2. Verlenging

Het is mogelijk dat de termijn van 120 dagen verlengd wordt. Volgende oorzaken zorgen voor een verlenging van de normale termijn:

- Laboratoriumanalyses voor de betrokken goederen: de afgiftetermijn wordt verlengd totdat de resultaten van deze laboratoriumanalyses zijn bekomen.

- De douaneautoriteit vraagt aanvullende informatie op via het ETP: de aanvrager krijgt een termijn van ten hoogste 30 dagen om de vereiste informatie te verstrekken

- Andere redenen voor verlenging: de afgiftetermijn wordt verlengd voor een termijn van ten hoogste 30 dagen.

3.2.3. Schorsing

In bepaalde gevallen komt de correctheid en uniformiteit van de goederenindeling binnen de EU in het gedrang. Zo is het mogelijk dat douaneautoriteiten van verschillende lidstaten dezelfde goederen indelen onder verschillende goederencodes.

In zulke gevallen stelt de Commissie een kennisgeving tot schorsing op waarin het de lidstaten verbiedt om een BTI-beschikking af te geven voor deze specifieke goederen. De termijn van de initiële schorsing bedraagt niet meer dan tien maanden en deze mag in uitzonderlijke omstandigheden met ten hoogste vijf maanden verlengd worden. De normale beschikkingstermijn van de lopende BTI-aanvragen wordt geschorst totdat de Commissie deze schorsing intrekt of op het moment dat deze schorsing afloopt.

Een schorsing wordt ingetrokken wanneer het probleem dat aan de grond lag van de schorsing is opgelost.

3.3. Einde van BTI-beschikkingen

Hieronder worden de vier gevallen besproken die een einde maken aan een BTI-beschikking.

3.3.1. Einde geldigheidstermijn

Periode drie jaar - Een BTI-beschikking is slechts geldig voor een periode van drie jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding. De BTI-beschikking wordt automatisch ongeldig wanneer de termijn eindigt.

3.3.2. Nietigheid

Nietigheid –Een BTI-beschikking wordt nietig verklaard wanneer zij op grond van onjuiste of onvolledige gegevens, die door de aanvrager werden verstrekt, werd afgegeven. De aanvrager moet dus onjuiste en/of onvolledige gegevens aan de douaneautoriteit hebben verstrekt en de douaneautoriteit steunde op deze gegevens om de BTI-beschikking af te geven. Aangezien deze gegevens niet overeenstemmen met de daadwerkelijke gegevens, moet deze BTI-beschikking nietig worden verklaard. De nietigheid is een sanctie die misbruik bij de totstandkoming van een BTI-beschikking tegengaat.

Ex tunc De nietigheid van de BTI-beschikking gaat in op de datum waarop de oorspronkelijke BTI-beschikking van kracht werd. Er wordt dus geacht dat de BTI-beschikking nooit bestaan heeft. De houder van de nietige BTI-beschikking kan dan ook geen toepassing vragen van de BTI-beschikking voor transacties in het verleden die steunden op de BTI-beschikking. Het is dus mogelijk dat er een navordering gebeurd van niet-geïnde douanerechten door de douaneautoriteiten met ingang van de datum waarop de nietigverklaring van kracht werd.

Kennisgeving De houder van de BTI-beschikking wordt via het ETP in kennis gebracht van de nietigheid.

RVV – Aan de houder van de BTI-beschikking wordt een RVV toegestaan.

Administratief beroep –Na het afsluiten van het RVV heeft de houder recht op een administratief beroep tegen de nietigverklaring van de BTI-beschikking.

3.3.3. Verlies van geldigheid

Verandering in geldend recht – Een BTI-beschikking verliest haar geldigheid wanneer zij niet meer in overeenstemming is met het geldend recht. Dit is het geval indien de nomenclatuur gewijzigd wordt of indien er een indelingsverordening wordt aangenomen.

Ex nunc vanaf inwerkingtreding – De douaneautoriteit informeert de houder dat zijn BTI-beschikking niet meer geldig is. De BTI-beschikking verliest haar geldigheid vanaf de datum van inwerkingtreding van de wijzigingen van de nomenclatuur of vanaf de datum van de inwerkingtreding van de indelingsverordeningen (20e dag te rekenen vanaf de publicatie van de indelingsverordening).

A. Wijziging van de nomenclatuur

Artikel 34, lid 1 a) DWU Een wijziging van de nomenclatuur heeft tot gevolg dat de BTI-beschikking niet meer conform het geldige recht is. Als voorbeeld kan men hier denken aan een schrapping van een tariefpost. De datum dat een BTI-beschikking haar geldigheid verliest is de datum van de publicatie van de wijzigingen in de nomenclatuur.

RVV en administratief beroep –Er is geen RVV of administratief beroep van toepassing.

B. Indelingsverordening

Artikel 34, lid 1 b) DWU De publicatie van een indelingsverordening zorgt ervoor dat de BTI-beschikking niet meer conform het geldende recht is en bijgevolg haar geldigheid verliest. Een indelingsverordening is een direct toepasbare rechtsbron van de EU waarin er voor een specifiek product een goederencode wordt bepaald. Indelingsverordeningen worden opgemaakt om de uniformiteit van de goederenindeling binnen de Europese Unie te verzekeren.

Identieke goederen –Als de indelingsverordening een goed indeelt dat identiek is aan het product waarvoor een BTI-beschikking is afgegeven, dan wordt deze BTI-beschikking ingetrokken. De inwerkingtreding van een indelingsverordening zorgt ervoor dat de afgegeven BTI-beschikkingen niet meer in overeenstemming met het geldende recht zijn. Er is geen RVV of administratief beroep van toepassing.

Soortgelijke goederen – Een indelingsverordening kan een product indelen dat soortgelijk is aan het product in een BTI-beschikking. Hier worden de goederen niet specifiek beoogd door de indelingsverordening, het is slechts door de interpretatie van deze nieuwe indelingsverordening dat er geargumenteerd kan worden dat de goederencode in de BTI-beschikking niet meer van toepassing is.Er is een RVV of administratief beroep van toepassing. De BTI-beschikking wordt ongeldig nadat het RVV is afgesloten en dus op de dag dat de douaneautoriteit aan de houder de ongeldigmaking meedeelt.

3.3.4. Intrekken BTI-beschikkingen

Artikel 27 DWU verwijst naar de nietigverklaring van gunstige (BTI-) beschikkingen.

Intrekkingen Dit deel behandelt de verschillende gronden waarop de douaneautoriteiten BTI-beschikkingen kunnen intrekken. Een intrekking gebeurt omdat er een nieuwe interpretatie van de wetgeving die toepasbaar is op een BTI-beschikking is ingetreden. Of er is een administratieve fout begaan door de douaneautoriteit waardoor de BTI-beschikking dient ingetrokken te worden.

Kennisgeving – In alle gevallen wordt de houder in kennis gesteld van de intrekking van zijn BTI-beschikking.

A. Nieuwe GN-toelichtingen

Nieuwe interpretatie –De publicatie van een nieuwe GN-toelichting zorgt voor een nieuwe interpretatie van de nomenclatuur. Dit heeft als gevolg dat de BTI-beschikking moet worden ingetrokken (artikel 34, lid 7, a), i) DWU). De nieuwe GN-toelichting zorgt ervoor dat de vermelde goederencode op de BTI-beschikking niet meer geldig is.

Datum intrekking De intrekking op basis van een wijziging van een GN-toelichting gaat in op de dag van de publicatie van deze toelichting.

RVV en administratief beroep –De houder van een BTI-beschikking beschikt over de mogelijkheid om een RVV en een administratief beroep in te stellen tegen deze beslissing.

B. Arrest Hof van Justitie

Nieuwe interpretatie –De publicatie van een Arrest van het Hof van Justitie zorgt ervoor dat de nomenclatuur anders geïnterpreteerd wordt. Door deze nieuwe interpretatie wordt de BTI-beschikking ingetrokken (artikel 34, lid 7, a) DWU).

Identieke goederen Er wordt geen RVV of administratief beroep toegekend voor goederen uit een BTI-beschikking die identiek zijn aan de goederen uit het Arrest.

Soortgelijke goederen – Voor goederen uit het arrest die soortgelijk zijn aan degene die zijn vermeld in de BTI-beschikking is er wel een RVV en administratief beroep van toepassing. Hier worden de goederen niet specifiek beoogd door het Arrest, het is slechts door de interpretatie van dit nieuw Arrest dat er geargumenteerd kan worden dat de goederencode in de BTI-beschikking niet meer van toepassing is.

Intrekking op dag publicatie arrest –De datum van de intrekking is de datum van de publicatie van het arrest in het publicatieblad van de Europese Unie.

C. WDO bronnen: GS-toelichtingen, indelingsbesluiten of adviezen

Nieuwe interpretatie De publicatie van nieuwe GS-toelichtingen, indelingsbesluiten of indelingsadviezen door de WDO zorgen ervoor dat de nomenclatuur een nieuwe interpretatie krijgt. Door deze nieuwe interpretatie kan het zijn dat bepaalde BTI-beschikkingen niet meer in overeenstemming zijn met de geldende nomenclatuur, deze moeten overeenkomstig artikel 34, lid 7, a), iii) DWU worden ingetrokken. De houder van een BTI-beschikking heeft recht op een RVV en een administratief beroep.

Intrekking op dag publicatie De intrekking op basis van een wijziging van een GS-toelichtingen, indelingsbesluiten of indelingsadviezen gaat in op de dag van de publicatie van deze toelichting.

D. Andere specifieke gevallen

Gedelegeerde handeling Artikel 34, lid 7, b) DWU geeft aan dat douaneautoriteiten een BTI-beschikking kunnen intrekken in ‘andere specifieke gevallen’. Hier wordt verwezen naar artikel 36 DWU. De Commissie kan een gedelegeerde handeling vaststellen om dit begrip ‘andere specifieke gevallen’ in te vullen.

E. Commissie beveelt intrekking

Verplichte intrekking De Commissie kan een besluit uitvaardigen waarin het lidstaten verzoekt om specifieke BTI-beschikkingen in te trekken. Dit om de correctheid en de uniformiteit van de tariefindeling binnen de EU te waarborgen. De lidstaten zijn verplicht de vermelde BTI-beschikkingen in te trekken. Er is geen RVV of administratief beroep van toepassing.

Datum kennisgeving – De datum waarop de intrekking van de beschikking van kracht wordt, is de datum waarop de aanvrager het intrekkingsbesluit ontvangt op het ETP.

F. Bilateraal contact andere lidstaten

Nieuw inzicht De Belgische douaneautoriteit heeft nauwe contacten met de douaneautoriteiten van de andere lidstaten. Als het uit deze bilaterale contacten duidelijk wordt dat België een BTI-beschikking heeft afgegeven onder een foute goederencode, dan wordt deze BTI-beschikking ingetrokken (artikel 23, lid 3 DWU, artikel 28 DWU en artikel 34, lid 5 DWU). De houder van de BTI-beschikking heeft recht op een RVV en een administratief beroep.

Datum intrekking De datum waarop deze BTI-beschikking is ingetrokken, is de datum waarop de houder van de BTI-beschikking het intrekkingsbesluit ontvangt op het ETP.

G. Beoordelingsfout of voortschrijdend inzicht

Arrest Timmermans – Via het Timmermans arrest (C-133/02 en C-134/02) van het HvJ hebben douaneautoriteiten meer ruimte om een BTI-beschikking in te trekken. het HvJ oordeelde dat: " Wanneer de douaneautoriteiten bij nader onderzoek tot de bevinding komen dat die uitlegging onjuist is, als gevolg van een beoordelingsfout of van voortschrijdend inzicht over de indeling, hebben zij het recht om te beslissen dat aan een van de voorwaarden voor verstrekking van de BTI niet meer wordt voldaan, en die BTI in te trekken teneinde de tariefindeling van de betrokken goederen te wijzigen."

Beoordelingsfout – Indien de douaneautoriteit van mening is dat een BTI onjuist is als gevolg van een beoordelingsfout, dan kan ze de BTI intrekken. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat er geen rekening werd gehouden met bepaalde indelingsbronnen.

Voortschrijdend inzicht De douaneautoriteit kan BTI-beschikkingen intrekken als ze een voortschrijdend inzicht heeft verkregen over de goederenindeling. Het gaat hier over een inzicht dat de douaneautoriteit nog niet had op het moment dat ze de BTI-beschikking aflevert. Een voorbeeld zijn de conclusies die door het Customs Code Committee (CCC) worden aangenomen. In deze conclusies wordt er voor een bepaald goed bepaald welke goederencode van toepassing is.

Verankerd in wetgeving In artikel 23, lid 3 en artikel 28 DWU wordt het arrest Timmermans bevestigd door de Europese wetgever. Deze artikelen geven dus de juridische basis om BTI-beschikkingen in te trekken als er een verschillende interpretatiewijze over de goederenindeling van kracht wordt.

RVV en administratief beroep – De houder van de BTI-beschikking heeft recht op een RVV en de mogelijkheid om een administratief beroep in te stellen.

Datum intrekking – De datum waarop de intrekking van de beschikking van kracht wordt is de datum waarop de houder via het ETP het intrekkingsbesluit ontvangt.

H. Administratieve fout

Administratieve fout – Een administratieve fout is een fout die geen invloed heeft op de indeling van de goederen. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om een fout in de naam of het adres van de houder, een spellingsfout in de beschrijving....

Nieuwe BTI – De douaneautoriteit kan een nieuwe BTI-beschikking afgeven zonder dat de aanvrager een nieuwe BTI-aanvraag moet indienen. De nieuwe BTI-beschikking is geldig vanaf of voor de datum waarop de bestaande BTI-beschikking is ingetrokken. Er wordt geen RVV of administratief beroep toegekend.

I. Ongeldig EORI-nummer

Een BTI-beschikking is altijd gekoppeld aan een EORI-nummer van de houder. Als dit EORI-nummer ongeldig wordt, dan wordt de BTI-beschikking automatisch ongeldig gemaakt door het ETP (artikel 28, 1), a) DWU). Zonder een geldig EORI-nummer kan er geen gebruik worden gemaakt van de BTI-beschikking. Er is geen RVV of administratief beroep van toepassing omdat de houder zelf verantwoordelijk is voor de geldigheid van zijn EORI-nummer.

4. Verlengd gebruik

Tegemoetkoming Een periode van verlengd gebruik is een periode waarin de houder van een BTI-beschikking die haar geldigheid heeft verloren of die werd ingetrokken, deze beschikking toch nog voor een specifieke periode kan gebruiken. De houder van het verlengd gebruik kan dit in de gehele EU gebruiken. Een verlengd gebruik wordt toegekend om het nadeel dat de houders ondervinden van de ongeldigmaking of intrekking van hun BTI-beschikkingen enigszins op te vangen. Het is immers niet door hun toedoen dat ze de BTI-beschikking niet meer kunnen gebruiken.

4.1. Voorwaarden

Vijf voorwaarden Er moet voldaan worden aan volgende voorwaarden om aanspraak te maken op een periode van verlengd gebruik.

4.1.1. Bindende contracten

Afgesloten De houder van de BTI-beschikking moet bindende contracten zijn aangegaan op basis van deze beschikking. Deze contracten zijn afgesloten voor de datum dat de BTI-beschikking zijn geldigheid heeft verloren of werd ingetrokken.

4.1.2. Aanvraag

Termijn – De periode van verlengd verbruik moet binnen een termijn van 30 dagen vanaf de datum dat de BTI-beschikking ongeldig is gemaakt worden aangevraagd via het ETP.

Intrekking Als een BTI-beschikking wordt ingetrokken, dan gaat de termijn van 30 dagen voor de aanvraag voor een periode van verlengd gebruik in vanaf de datum dat de houder het besluit tot intrekking ontvangt of wordt geacht te hebben ontvangen. Dit is de publicatie op het ETP.

Inhoud – Bij de aanvraag moeten de contracten worden gevoegd. Daarnaast worden de hoeveelheden vermeld die het voorwerp zijn van de periode van verlengd gebruik. Ook worden de lidstaat of lidstaten vermeld, waarin de goederen onder de periode van verlengd gebruik zullen worden ingevoerd.

4.1.3. Douaneautoriteit oorspronkelijke afgifte

Douaneautoriteit De aanvraag moet gebeuren bij de douaneautoriteit van de lidstaat die de oorspronkelijke BTI-beschikking heeft afgegeven.

4.1.4. Verlies geldigheid of intrekking door volgende maatregelen

Een verlengd gebruik kan enkel worden aangevraagd als de BTI-beschikking door de volgende maatregelen is ingetrokken of ongeldig gemaakt. Deze staan opgesomd in artikel 34, lid 9 DWU.

A. Indelingsverordening van de Commissie

Artikel 34, lid 1, b) Als de Commissie een indelingsverordening zoals in artikel 57, lid 4 DWU vaststelt die de bestaande BTI-beschikking ongeldig maakt, kan er een periode van verlengd gebruik worden aangevraagd.

B. Algemene intrekking BTI-beschikkingen

Artikel 34, lid 5 – Indien een BTI-beschikking wordt ingetrokken door een voortschrijdend inzicht of een beoordelingsfout van de douaneautoriteit, kan er een periode van verlengd gebruik worden aangevraagd.

C. Intrekking door GN-toelichtingen

Artikel 34, lid 7, a), i) – Een intrekking van een BTI-beschikking op basis van een onverenigbaarheid met de interpretatie van de GN-toelichtingen is een grond om een periode van verlengd gebruik aan te vragen.

D. Arrest Hof van Justitie

Artikel 34, lid 7, a), ii) – Als een BTI-beschikking werd ingetrokken omdat de interpretatie niet verenigbaar was met een arrest van het Hof van Justitie, dan kan men een periode van verlengd gebruik aanvragen.

E. GS-bronnen

Artikel 34, lid 7, a), iii) – Een intrekking op basis van een onverenigbaarheid met de interpretatie van de GS-toelichtingen of indelingsbesluiten is een grond om een periode van verlengd gebruik aan te vragen.

4.1.5. Hoeveelheden

Specifiek Als een periode van verlengd gebruik wordt toegekend, moeten de hoeveelheden waarvoor de periode van verlengd gebruik zal worden toegepast duidelijk gedefinieerd worden.

4.2. Niet in aanmerking voor verlengd gebruik

Een periode van verlengd gebruik is slechts mogelijk in de gevallen genoemd in bovenstaande titel. Volgende gronden zijn echter uitdrukkelijk uitgesloten om aanspraak te krijgen op een periode voor verlengd gebruik:

4.2.1. Nietig verklaarde BTI-beschikkingen

Geen toepassing – Een BTI-beschikking die is nietig verklaard kan nooit een grond zijn om een periode van verlengd gebruik aan te vragen. Het is niet mogelijk om een periode voor verlengd gebruik te verkrijgen voor een beschikking die nooit heeft bestaan.

4.2.2. Veranderingen in nomenclaturen

Nieuwe wetgeving Het is mogelijk dat de nomenclaturen (GS en GN) veranderen, en dat zo de BTI-beschikkingen hun geldigheid verliezen. Deze veranderingen in de nomenclatuur worden twee maanden voor hun inwerkingtreding aangekondigd. De houders van BTI-beschikkingen hebben dus voldoende tijd om nieuwe BTI-beschikkingen aan te vragen die in overeenstemming zijn met het geldend recht.

4.2.3. Ingetrokken wegens administratieve fout

Geen toepassing Als de douaneautoriteit een BTI intrekt wegens een administratieve fout is er geen periode voor verlengd gebruik mogelijk.

4.2.4. Besluit van de Commissie tot intrekking

Geen toepassing Als de Commissie via een besluit oordeelt dat een BTI-beschikking moet worden ingetrokken, kan er geen periode van verlengd gebruik worden toegekend.

4.3. Afgifte

Termijn afgifte Als alle gegevens verstrekt zijn, beslist de douaneautoriteit binnen de 30 dagen of ze een periode van verlengd verbruik toekent.

5. Recht om gehoord te worden (RVV)

Artikel 33 lid 1 verwijst naar BTI-beschikkingen.

RVV –Voorafgaand aan het treffen van een ongunstige beschikking krijgt de persoon tot wie deze beschikking wordt gericht de mogelijkheid om zijn standpunt mede te delen. Dit wordt het "recht om gehoord te worden" (RVV) genoemd.

Termijn –Het RVV moet door de belanghebbende worden uitgeoefend binnen een termijn van 30 kalenderdagen volgend op de datum dat men de uitnodiging tot RVV ontvangt via het ETP.

Aanvullend standpunt –De douaneautoriteit mag de beschikking maar nemen als de 30 dagen verstreken zijn of indien men antwoord gekregen heeft van de betrokkene. Voor de betrokkene is het echter mogelijk om binnen de 30 dagen periode meer dan eenmaal zijn standpunt kenbaar te maken. De betrokkene kan de eerste maal zijn summier standpunt bekend maken aan de douaneadministratie en daarbij uitdrukkelijk vermelden dat hij binnen de termijn van dertig dagen nog aanvullend zijn standpunt kenbaar zal maken. De douaneadministratie mag in dit geval slechts een beschikking nemen als de termijn van 30 dagen is afgelopen of indien het laatste aanvullend standpunt kenbaar is gemaakt.

Afstand –Als de belanghebbende niet antwoordt binnen de termijn van 30 dagen, dan wordt geacht dat hij afstand heeft gedaan van zijn RVV. De belanghebbende kan ook aan de douaneautoriteit meedelen dat hij geen beroep wil doen op zijn RVV. De douaneautoriteit zal vervolgens de beschikking treffen. In de beschikking wordt vermeld dat de belanghebbende de kans had om zijn argumenten aan te brengen, maar geen beroep wou doen op zijn RVV.

Wijze –Als de belanghebbende gebruikt maakt van zijn RVV, dan doet hij dit elektronisch via het ETP. Bij het treffen van de uiteindelijke beschikking moet vermeld worden dat de belanghebbende gebruik heeft gemaakt van zijn RVV én er moet in de beschikking rekening gehouden worden met de aangehaalde argumenten van de belanghebbende. De beschikking moet onmiddellijk worden getroffen nadat het standpunt van de belanghebbende werd ontvangen.

Wijziging beschikking –Het is mogelijk dat de aangebrachte argumenten van de belanghebbende ervoor zorgen dat een eerder ongunstig standpunt wordt omgevormd naar een gunstige beschikking. Het is dus mogelijk dat de douaneautoriteit zijn standpunt herziet, en dat er zo toch een gunstige beschikking voor de belanghebbende wordt afgegeven.

Ongunstige beschikking –Als de aangehaalde argumenten het standpunt van de douaneautoriteit niet verandert, dan moet de douaneautoriteit in zijn beschikking uitdrukkelijk motiveren waarom er geen of slechts gedeeltelijk rekening werd gehouden met deze argumenten. De douaneautoriteit kan vervolgens de beschikking aannemen.

5.1. Toepassing RVV

In de volgende gevallen moet de douaneautoriteit een RVV toekennen aan de belanghebbende in het kader van BTI-beschikkingen.

5.1.1. Geen afgifte van BTI-beschikking

Weigering afgifte Als de douaneautoriteit weigert om een BTI-beschikking af te geven (bijvoorbeeld nadat BTI-shopping is vastgesteld), moet er een RVV worden toegekend.

5.1.2. Nietigverklaring BTI-beschikking

Nietigverklaring –Een BTI-beschikking wordt nietig verklaard als zij op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de aanvrager is afgegeven (artikel 34, lid 4 DWU). De verantwoordelijkheid voor het verstrekken van alle relevante gegevens over de goederen ligt bij de persoon die de BTI-aanvraag indient. De houder van de BTI-beschikking moet zijn RVV kunnen uitoefenen voordat de beschikking nietig wordt verklaard.

5.1.3. Intrekking ten gevolge van een fout in de indeling

Het kan voorkomen dat de douaneautoriteit een fout bij de indeling begaan heeft. Er zijn meerdere gevallen waardoor deze fout aan het licht kan komen, er valt te denken aan: een beoordelingsfout of voortschrijdend inzicht over de indeling door de douaneautoriteit, overleg met andere lidstaten, conclusies van het Comité douanewetboek…

In deze gevallen gaat de douaneautoriteit de BTI-beschikking intrekken. Deze intrekking heeft nadelige gevolgen voor de belanghebbende, daarom wordt het RVV toegekend.

5.1.4. Soortgelijke goederen: Arresten van het Hof van Justitie en indelingsverordeningen van de Commissie

Een Arrest van het Hof van Justitie of een indelingsverordening van de Commissie kunnen de goederencode van de producten in deze arresten en verordeningen wijzigen.

Het is echter ook mogelijk dat deze arresten of verordeningen de goederencode voor soortgelijke goederen wijzigen. De interpretatie van de nomenclatuur verandert. Als BTI-beschikkingen in deze gevallen worden ongeldig gemaakt of worden ingetrokken, dient er altijd eerst een RVV te worden toegekend aan de houder van de BTI-beschikking.

5.1.5. Nieuwe interpretatie toelichtingen GN, indelingsbesluiten, indelingsadviezen of wijzigingen in de toelichtingen op de nomenclatuur van het GS

Gewijzigde interpretatie – De toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur zijn juridisch niet bindend, maar zijn een belangrijk hulpmiddel voor de indeling van de goederen. Hetzelfde geldt voor indelingsbesluiten, indelingsadviezen en wijzigingen in de toelichtingen op de nomenclatuur van het geharmoniseerd systeem. Deze niet bindende bronnen kunnen gewijzigd worden. Als dit gebeurt, is er een nieuwe interpretatie voor de goederenindeling. Bijgevolg is het dus mogelijk dat bepaalde goederencodes in BTI-beschikkingen niet meer stroken met deze nieuwe interpretatie.

RVV-intrekking op datum publicatie Een RVV wordt toegekend aan de houder van de BTI-beschikking, als de douaneautoriteit van plan is om deze beschikking in te trekken omdat deze bronnen zijn gewijzigd.

5.1.6. Niet toegekende periode van verlengd gebruik

Weigering verlengd gebruik –Onder bepaalde voorwaarden kan de houder van een BTI-beschikking die niet langer geldig is of ingetrokken gebruik maken van een periode van verlengd gebruik. De douaneautoriteit kan deze periode van verlengd gebruik echter weigeren. Voor het nemen van deze beslissing moet de douaneautoriteit een RVV toekennen aan de houder.

5.2. Geen toepassing RVV

In de volgende situaties heeft de betrokkene uitdrukkelijk geen recht op een RVV.

5.2.1. Indeling onder andere goederencode dan degene die de aanvrager op de BTI-aanvraag heeft aangegeven

De persoon die een BTI-aanvraag indient, kan vrijblijvend een goederencode invullen. Als de douaneautoriteit de goederen onder een andere goederencode indelen dan deze aangegeven goederencode, dan heeft de houder van de BTI-beschikking geen recht om gehoord te worden. Er wordt immers geen nadelige beslissing voor de betrokkene genomen.

De betrokkene kan wel nog altijd een administratief beroep instellen tegen de BTI-beschikking.

5.2.2. Intrekking ten gevolge van een administratieve fout

Het kan voorkomen dat de douaneautoriteit een administratieve fout begaan heeft bij het afgeven van een BTI-beschikking. Deze fout heeft geen weerslag op de tariefindeling van de goederen. Daarom wordt er geen RVV toegekend.

5.2.3. Identieke goederen: arresten HvJ/indelingsverordeningen

Een Arrest van het Hof van justitie of een indelingsverordening van de Commissie kunnen de goederencode van de producten in deze arresten en verordeningen wijzigen. Alle BTI-beschikkingen waarop het arrest of de indelingsverordening betrekking heeft voor identieke goederen worden ingetrokken.

De douaneautoriteit stelt hier geen beschikking vast, ze passen het rechtelijk bevel of de wet toe. De houders van BTI-beschikkingen die zijn afgegeven voor de goederen waarop het arrest of de verordening betrekking heeft, hebben geen recht op een RVV.

5.2.4. Wijziging in de nomenclaturen

Als BTI-beschikkingen ongeldig worden gemaakt door een wijziging in de nomenclatuur, heeft de houder van de BTI-beschikking geen recht op een RVV.

5.2.5. Aanvullende informatie

De aanvrager van een BTI-beschikking is verplicht om aanvullende informatie aan te geven wanneer de douaneautoriteit hiernaar vraagt. Als de aanvrager in gebreke blijft om dit te doen, wordt er geen BTI-beschikking afgeleverd. Tegen deze beslissing heeft de aanvrager geen RVV, het is immers door zijn eigen toedoen dat de douaneautoriteit geen beschikking kon opstellen.

5.2.6. Commissie verplicht intrekking BTI-beschikkingen

De Commissie kan lidstaten via een uitvoeringsverordening verplichten om een BTI-beschikking in te trekken. De BTI-beschikkingen die moeten ingetrokken worden zijn gespecificeerd in de uitvoeringsverordening. De douaneautoriteit moet het besluit uitvoeren en kunnen dus niet zelfstandig bepalen welke BTI-beschikkingen ingetrokken moeten worden. Er wordt geen RVV toegestaan.

5.2.7. Ongeldig EORI-nummer

Als een BTI-beschikking wordt ingetrokken omdat het EORI-nummer ongeldig is, wordt er geen RVV toegestaan.

6. Administratief beroep

6.1. Beslissingen vatbaar voor administratief beroep

Een BTI-beschikking is een beschikking zoals in artikel 211 AWDA. Het is een beslissing van de AAD die rechtsgevolgen meebrengt en de betrokkene rechtstreeks en individueel raakt. Het nemen van BTI-beschikkingen is een fiscale taak die aan de AAD is toevertrouwd op basis van Europese wetgeving (DWU).

Tegen deze beschikking kan op basis van hoofdstuk XXIII van de algemene wet inzake douane en accijnzen binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de bovenaan deze beschikking vermelde datum van verzending administratief beroep worden ingesteld. Dit moet gebeuren door middel van een gemotiveerd bezwaarschrift dat bij ter post aangetekende brief moet worden verzonden.

Het bezwaarschrift moet worden gericht aan:

De heer Adviseur-generaal - Departementshoofd bevoegd over de administratie geschillen

North Galaxy (A12)

Koning Albert II laan 33, bus 375

1030 Brussel

6.2. Geen schorsende werking

Wanneer er een administratief beroep aanhangig gemaakt wordt tegen een BTI-beschikking, dan blijft deze BTI-beschikking geldig. Het administratief beroep heeft geen schorsende werking.

7. Bijlage: overzicht voortijdig einde van een BTI-beschikking