Circulaire nr. Ci.RH.241/580.919 (AOIF 6/2007) van 14.02.2007

CIRC 14.02.07/1
LEVENSVERZEKERING
Kapitalen en afkoopwaarden

PERSONENBELASTING
Belastingschuldige
Pensioen

SPAARVERZEKERING
Kapitalen en afkoopwaarden
Aan alle ambtenaren.

I. INLEIDING
1. Deze circulaire heeft tot doel het gewijzigde standpunt van de administratie mee te delen voor wat betreft het bepalen van de belastingplichtige die belastbaar is op de kapitalen die naar aanleiding van het overlijden van de verzekerde worden vereffend ter uitvoering van een individuele levensverzekering of van een pensioenspaarverzekering die dient voor het waarborgen van een hypothecaire lening die voor een woning werd aangegaan en waarvan de premies tot enigerlei belastingaftrek of belastingvermindering aanleiding hebben gegeven.

II. HISTORIEK
2. De kapitalen en afkoopwaarden die voortkomen van een individuele levensverzekering of van een pensioenspaarverzekering waarvan de premies in hoofde van de verzekeringsnemer tot enigerlei belastingaftrek of belastingvermindering aanleiding hebben gegeven, zijn krachtens artikel 34 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) belastbaar als pensioen ongeacht de schuldenaar, de verkrijger of de benaming ervan.
3. In het antwoord op de parlementaire vraag nr. 304 van 5.9.1997 gesteld door Senator ANCIAUX (Senaat, Bulletin Vragen en Antwoorden nr. 1-79 van 11.8.1998, blz. 4163) en op de mondelinge vraag nr. A653 van 14.1.2003 gesteld door Volksvertegenwoordiger VANDEURZEN (Kamer, CRABV 50, nr. 940 van 14.1.2003, blz. 3-4) heeft de minister het standpunt van de administratie meegedeeld. Dat houdt in dat het kapitaal dat voortkomt uit een individuele levensverzekering die dient voor het waarborgen of wedersamenstellen van een hypothecaire lening die voor een woning werd aangegaan, uitsluitend belastbaar is in hoofde van de begunstigde, ongeacht of deze al dan niet erfgenaam is van de overleden verzekeringnemer.
4. Met het vonnis van 3 mei 2004 oordeelt de rechtbank van eerste aanleg te Brugge echter dat uit artikel 34, WIB 92 volgt dat de wetgever met "de verkrijger" bedoelt dat enkel diegenen die effectief voordeel halen uit de overeenkomsten of contracten ter uitvoering waarvan de verzekeringspremies werden betaald, als belastingplichtigen kunnen worden aangeduid, waarbij van geen belang is of die persoon wel of niet in de overeenkomsten of contracten zijn vermeld.
In het arrest van 10 september 2004 oordeelt het Hof van beroep te Luik dat het voordeel en het effect van de zogenaamde schuldsaldoverzekering duidelijk is : het kapitaal dat voorkomt van de levensverzekering wordt verplicht en rechtstreeks aangewend voor de terugbetaling van het leningscontract, en dit ongeacht de oorspronkelijk aangeduide begunstigde, zodat de verkrijger in dit geval niet de moeder van de overledene is maar wel de nalatenschap waarvoor op die wijze een schuld direct en automatisch is aangezuiverd.
In het antwoord op de parlementaire vraag nr. 1240 van 20.4.2006 gesteld door Volksvertegenwoordiger VANDEURZEN bevestigt de minister dat de administratie heeft beslist om geen voorziening in cassatie in te stellen tegen voormeld arrest (Kamer, Bulletin Vragen en Antwoorden 51, nr. 120 van 8.5.2006, blz. 23283 en 23284).

III. NIEUW STANDPUNT
5. De administratie stemt dus in met het standpunt van voormelde rechtbanken.
Het gedeelte van de kapitalen dat wordt vereffend ter uitvoering van individuele levensverzekeringscontracten of pensioenspaarverzekeringscontracten waarvan de premies bij de verzekeringsnemer tot enigerlei belastingaftrek of belastingvermindering aanleiding hebben gegeven en dat dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening die voor een woning werd aangegaan, is dus niet langer belastbaar bij de in het contract vermelde begunstigde die naar aanleiding van die vereffening geen enkel rechtstreeks of onrechtstreeks voordeel heeft verkregen.

Dezelfde regel geldt voor dergelijke kapitalen die overeenkomstig artikel 169, WIB 92 in een lijfrente worden omgezet tegen de in artikel 73, KB/WIB 92 vermelde percenten.

IV. INWERKINGTREDING
6. Deze richtlijnen zijn, voor wat aanslagjaar 2005 en vorige betreft, onmiddellijk van toepassing in eender welk stadium van de procedure, ook wat de hangende en de toekomstige geschillen betreft.
7. Deze circulaire kan niet worden beschouwd als een nieuw gegeven in de zin van artikel 376, § 2, WIB 92, aangezien deze circulaire zich slechts bij een bepaalde jurisprudentie aansluit.

V. DOORGEVOERDE WETSWIJZIGINGEN
8. De begunstigingsclausule die aan de basis lag van voormelde problematiek was opgenomen in de artikelen 145^4, 2°, b, en 145^9, eerste lid, 2°, b, WIB 92. Die bepalingen werden respectievelijk vervangen ingevolge de artikelen 173 en 174 van de wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen (Belgisch Staatsblad 30 december 2005, 2e editie - bijlage) en dit vanaf aanslagjaar 2006 (zie artikel 190, tweede lid, van voormelde wet).
9. Deze wijzigingen houden in dat, vanaf aanslagjaar 2006, de begunstigden van een individueel gesloten levensverzekeringscontract of van een spaarverzekeringscontract dat dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening die voor een woning werd aangegaan, diegene zijn die ingevolge het overlijden van de verzekerde de volle eigendom of het vruchtgebruik van die woning verwerven.
Op die manier wordt vermeden dat iemand wordt belast ter uitvoering van een levensverzekeringscontract, terwijl hij daaruit geen enkel voordeel heeft behaald.
10. Artikel 189 van voormelde wet (zie bijlage) bevat een overgangsperiode waardoor tot 31 december 2008 de tijd wordt geboden om de bestaande contracten aan de nieuwe begunstigingsclausule aan te passen.
Voor de vereffeningen die tot 31.12.2008 worden verricht, moet voor het bepalen van de belastingschuldige evenwel reeds met de nieuwe reglementering rekening worden gehouden, onverminderd het feit dat het contract nog niet formeel is aangepast.

Dit impliceert dat de vereffeningen van dergelijke contracten vanaf aanslagjaar 2006 belastbaar zijn bij de personen die ingevolge het overlijden van de verzekerde de volle eigendom of het vruchtgebruik van de woning (waarvoor de hypothecaire lening werd aangegaan) erven.


Voor de administrateur Kleine en
Middelgrote Ondernemingen :
De Directeur,
S. QUINTENS
BIJLAGE
FEDERALE OVERHEIDSDIENST
KANSELARIJ VAN DE EERSTE MINISTER
N. 2005 - 3701
[C - 2005/21183]
27 DECEMBER 2005. - Wet houdende diverse bepalingen (1)
(…)
TITEL XV. - Financiën
(…)
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen aan het Wetboek
van de inkomstenbelastingen 1992
(…)
Art. 173. Artikel 145^4, 2°, b, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, wordt vervangen als volgt :
"b) bij overlijden :
  • wanneer het levensverzekeringscontract dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening die voor een woning is aangegaan, ten gunste van de personen die ingevolge het overlijden van de verzekerde de volle eigendom of het vruchtgebruik van die woning verwerven;
  • in alle andere gevallen, ten gunste van de echtgenoot of van bloedverwanten tot de tweede graad van de belastingplichtige:".
Art. 174. Artikel 145^9, eerste lid, 2°, b, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, wordt vervangen als volgt :
"b) bij overlijden :
  • wanneer het spaarverzekeringscontract dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening die voor een woning is aangegaan, ten gunste van de personen die ingevolge het overlijden van de verzekerde de volle eigendom of het vruchtgebruik van die woning verwerven;
  • in alle andere gevallen, ten gunste van de echtgenoot of van bloedverwanten tot de tweede graad van de belastingplichtige:".
(…)

HOOFDSTUK VII. - Overgangsbepalingen
Art. 189. Tot 31 december van het derde jaar volgend op het jaar waarin deze wet is bekendgemaakt, worden bijdragen en premies die zijn betaald in uitvoering van contracten die niet voldoen aan de nieuwe begunstigingsclausule bedoeld in de artikelen 145^4 en 145^9 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zoals ze zijn gewijzigd bij de artikelen 173 en 174, toch in aanmerking genomen voor de aldaar bedoelde belastingvermindering.
Indien gedurende die periode van drie jaar uitbetalingen aan begunstigden worden verricht, moeten de nieuwe regels worden in aanmerking genomen voor het bepalen van de persoon die de belasting verschuldigd is, onverminderd het feit dat het contract niet formeel is aangepast.

HOOFDSTUK VIII. - Inwerkingtreding

Art. 190. Artikel 160 heeft uitwerking met ingang van 9 maart 2005.
De hoofdstukken II en VII treden in werking vanaf aanslagjaar 2006 met uitzondering van de volgende artikelen :
1° de artikelen 162, 165 en 176 die van toepassing zijn op lijfrenten en pensioenen, aanvullende pensioenen, renten, kapitalen, spaartegoeden en afkoopwaarden uitgekeerd vanaf 1 januari 2006;
2° de artikelen 164 en 177 tot 179 die van toepassing zijn op de premies en bijdragen die vanaf 1 januari 2006 worden betaald;
3° de artikelen 169, 2°, 171 en 172 die van toepassing zijn vanaf 1 januari 2005;
artikel 180 dat uitwerking heeft vanaf 1 januari 2004.
Artikel 182 treedt in werking vanaf 1 januari 2006.
Artikel 183 heeft uitwerking vanaf dezelfde datum als artikel 413 van de programmawet van 27 december 2004.
Artikel 184, A, heeft uitwerking vanaf aanslagjaar 2004.
Artikel 184, B, heeft uitwerking vanaf aanslagjaar 2005.