Circulaire nr. 3-5 d.d. 17.01.2002
Vlaamse registratierechten
Registratierecht op de overdrachten ten bezwarende titel van onroerende goederen
Meeneembaarheid
Decreet van het Vlaams Parlement tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten
Registratierecht op de overdrachten ten bezwarende titel van onroerende goederen
Meeneembaarheid
Decreet van het Vlaams Parlement tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten
AFZ/2001/1131 - Dos. 279
Het Vlaams Parlement heeft op 16 januari 2002 in plenaire vergadering het decreet tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten gestemd.
Bij deze eerste circulaire wordt een commentaar verstrekt bij de artikelen 5, 7, 8 en 9 van dat decreet, waarvan de tekst werd medegedeeld in de bijlage bij circulaire nr. 3-2/2002. De overige artikelen van het decreet maken het onderwerp uit van andere circulaires (nrs. 3-3/2002 en 3-4/2002).
Artikel 5 van het decreet voegt in het W.Reg. (nieuwe artikelen 61/3 tot 61/5) een systeem van meeneembaarheid van voorheen betaalde registratierechten in onder de vorm van een verrekening. Artikel 7 van het decreet schrijft in het W.Reg. een nieuw artikel 212bis in voor de gevallen waarin de meeneembaarheid technisch enkel kan geschieden onder de vorm van een teruggave. Artikel 8 van het decreet voorziet in een artikel (nieuw artikel 212ter W.Reg.) waarbij de cumulatie van het voordeel van teruggave op grond van artikel 212 W.Reg. met dat van de teruggave op grond van het nieuwe artikel 212bis W.Reg. wordt uitgesloten. Artikel 9 van het decreet tenslotte voorziet in een "vangnet" (artikel 212quater) voor het geval de meeneembaarheid niet kon worden of niet werd ingeroepen op het moment daarvoor bepaald in de nieuwe artikelen 61/4 of 212bis.
Bijlage 1 bevat de tekst van de nieuwe artikelen 61/3 tot 61/5, en 212bis tot 212quater W.Reg.
COMMENTAAR
Inhoudsopgave
Afdeling 1.- Inleiding.
1. Oorspronkelijk opzet en afzwakking.
Afdeling 2.- Vormen van meeneembaarheid.
2.1. Meeneembaarheid onder de vorm van verrekening of onder de vorm van een teruggave - primaire wijzen van meeneembaarheid.2.2. Meeneembaarheid op secundaire wijze bepaald in artikel 212quater.
Afdeling 3.- Begrippen.
3.1. Verrichting - Elementen van een verrichting.3.2. Keten van verrichtingen.3.3. Wettelijk aandeel.3.4. Verschuldigde rechten - effectief betaalde rechten.3.5. Excedenten.
Afdeling 4.- Berekeningsregels.
4.1. Principieel meeneembaar bedrag - limieten van het meeneembaar bedrag.4.2. Eventuele correctie van het principieel meeneembaar bedrag naar onderen toe.4.2.1. Limietregels-verrekening.4.2.2. Limietregels - teruggave.4.3. Eventuele correctie van het principieel meeneembaar bedrag naar boven toe - eventuele gehele of gedeeltelijke aanwending van excedenten ingevolge vorige verrichtingen.
Afdeling 5.- Illustratie van de berekening van het meeneembaar bedrag aan de hand van voorbeelden.
Afdeling 6.- Voorwaarden voor de primaire wijzen van meeneembaarheid - sancties bij niet vervulling.
Onderafdeling 1.- Voorwaarden voor de meeneembaarheid onder de vorm van verrekening.1. Grondvoorwaarden.2. Vormvoorwaarden - vermeldingen te doen op straffe van verlies van het voordeel van onmiddellijke meeneembaarheid.3. Voorwaarde te vervullen voor het behoud van het bekomen voordeel.
Onderafdeling 2.- Voorwaarden voor de meeneembaarheid onder de vorm van teruggave.
1. Grondvoorwaarden.2. Vormvoorwaarden.- Vermeldingen te doen om de teruggave onmiddellijk te kunnen vragen naar aanleiding van de heffing van de evenredige rechten op V1.3. Voorwaarde te vervullen voor het behoud van de bekomen teruggave.Onderafdeling 3.- Sancties bij het niet vervullen of naleven van de grond- of vormvoorwaarden en van de voorwaarde voor het behoud van het bekomen voordeel. Sanctie bij onjuiste vermeldingen.1. Niet vervullen van de grondvoorwaarden.2. Niet vervullen van de vormvoorwaarden - sanctie bij onjuiste vermeldingen.
Afdeling 7.- Cumulatie van 212" book="CATCH_ALL">212bis uitgesloten.
Afdeling 8.- Artikel 212quater - Het vangnet - Secundaire wijze waarop voorheen betaalde registratierechten kunnen worden meegenomen.
Afdeling 9.- Inwerkingtreding.
***
Afdeling 1.- Inleiding
1. Oorspronkelijk opzet en afzwakking.
Uit de memorie van toelichting blijkt dat het oorspronkelijk opzet van de Vlaamse Regering met de invoering van de regel van de meeneembaarheid als volgt kan worden samengevat: voor de woningen die men achtereenvolgend aankoopt en waarnaar men zijn hoofdverblijfplaats telkens overbrengt, zal men uiteindelijk niet meer registratierechten moeten betalen dan de rechten die overeenkomstig de gewone regels verschuldigd zijn op de woning uit de reeks van aankopen die de hoogste belastingopbrengst genereert.
Om budgettaire redenen werd het meeneembaar bedrag aan registratierechten naar aanleiding van de aankoop van een nieuwe hoofdverblijfplaats echter geplafonneerd op een bedrag van 12.500 EUR. Dat plafond is een absoluut maximum. Er kan ingevolge een nieuwe aankoop nooit meer worden meegenomen, ook al zouden meerdere kopers een verrichting realiseren die recht geeft in hoofde van ieder van hen op het meenemen van voorheen betaalde registratierechten.
Door die plafonnering van het meeneembaar bedrag wordt het oorspronkelijk opzet niet gerealiseerd. Dit neemt niet weg dat de cumulatieve kost van de registratierechten bij de aankoop van achtereenvolgende woningen-hoofdverblijfplaatsen in sommige gevallen aanzienlijk wordt verminderd.
Afdeling 2.- Vormen van meeneembaarheid.
2.1. Meeneembaarheid onder de vorm van verrekening of onder de vorm van een teruggave - primaire wijzen van meeneembaarheid.
Gelet op het principe vervat in artikel 5 van het W.Reg. is de meeneembaarheid van het mutatierecht technisch-juridisch georganiseerd op twee onderscheiden manieren: enerzijds onder de vorm van een verrekening en anderzijds onder de vorm van een teruggave.
De meeneembaarheid onder de vorm van een verrekening is geregeld in de nieuwe artikelen 61/3 tot 61/5 van het W.Reg.
De meeneembaarheid onder de vorm van een teruggave is geregeld in het nieuw artikel 212bis.
Deze twee vormen zijn de primaire wijzen waarop voorheen betaalde registratierechten kunnen worden meegenomen.
2.2. Meeneembaarheid op secundaire wijze bepaald in artikel 212quater.
Bij de behandeling van het ontwerp van decreet in de commissie financiën van het Vlaams Parlement werd bij amendement aan de primaire wijzen van meeneembaarheid nog een secundaire wijze toegevoegd: het "vangnet" bepaald in het nieuwe artikel 212quater. Bij dat artikel wordt het mogelijk gemaakt het voordeel van meeneembaarheid alsnog te vragen onder de vorm van een meer klassiek teruggaveverzoek, wanneer men de meeneembaarheid onder een primaire vorm niet heeft gevraagd of bekomen bij de daarvoor voorziene gelegenheid. Hierop wordt later teruggekomen.
Afdeling 3.- Begrippen
Vooraleer de regels voor de berekening van het meeneembaar bedrag aan voorheen betaalde registratierechten uiteen te zetten en die te illustreren aan de hand van enkele voorbeelden, moeten voor een goed begrip van het stelsel van de meeneembaarheid een aantal begrippen verduidelijkt worden.
3.1. Verrichting - Elementen van een verrichting
Een verrichting is:
-
ofwel een opeenvolging van de aankoop (aangeduid met de letter-cijfercombinatie A1) van een eerste woning-hoofdverblijfplaats, de verkoop (aangeduid met de letter-cijfercombinatie V1) van diezelfde eerste woning-hoofdverblijfplaats en de aankoop van de nieuwe woning-hoofdverblijfplaats (aangeduid met de letter-cijfercombinatie A2):schematisch geeft dit type verrichting de volgende voorstelling:A1 - V1 - A2
Over dit type van verrichting wordt gehandeld in het eerste lid van het nieuwe artikel 61/3; een dergelijke verrichting kan op primaire wijze alleen aanleiding geven tot meeneembaarheid onder de vorm van een verrekening -
ofwel een opeenvolging van de aankoop (aangeduid met de letter-cijfercombinatie A1) van een eerste woning-hoofdverblijfplaats, de aankoop van de nieuwe woning-hoofdverblijfplaats (aangeduid met de letter-cijfercombinatie A2) en de verkoop van de eerste, vroegere, woning-hoofdverblijfplaats (aangeduid met de letter-cijfercombinatie V1)schematisch geeft dit type van verrichting de volgende voorstelling:A1 - A2 - V1
Over dit type van verrichting wordt gehandeld in het eerste lid van het nieuwe artikel 212bis; een dergelijke verrichting kan onder primaire vorm alleen aanleiding geven tot meeneembaarheid onder de vorm van een teruggave
Een element van een verrichting is een aankoop of een verkoop van een woning-hoofdverblijfplaats. Elke verrichting bestaat steeds uit drie elementen: twee aankoopelementen en één verkoopelement.
3.2. Een keten van verrichtingen is een aaneenschakeling van verrichtingen.
Het begrip "keten van verrichtingen" is belangrijk in de context van de toepassing van het vierde lid van artikel 61/3 en van het vierde lid van artikel 212bis.
Op theoretisch vlak kan men een aantal types van ketens van verrichtingen onderscheiden. Op praktisch vlak heeft dat onderscheid niet veel belang. Hierna wordt toch een typering gegeven om de veelheid aan situaties te illustreren waarbinnen de "meeneembaarheid" zich kan voordoen.
- een homogene keten van verrichtingen is een aaneenschakeling van verrichtingen die ofwel allemaal aanleiding (kunnen) geven tot een verrekening ofwel allemaal aanleiding (kunnen) geven tot een teruggave
Voorbeeld 1
A1 V1 A2 V2A3
verrichting 1 (verrekening) verrichting 2 (verrekening) Voorbeeld 2
verrichting 1 (teruggave)
A1 A2 V1 A3 V2
verrichting 2 (teruggave)
- een gemengde keten van verrichtingen is een aaneenschakeling van verrichtingen die voor sommige ervan (kunnen) leiden tot een verrekening, en voor de overige tot een teruggave
Voorbeeld 1
verrichting 1 (teruggave)
A1 A2 V1 V2 A3
verrichting 2 (verrekening)Voorbeeld 2
verrichting 1 (verrekening)
A1 V1 A2 A3 V2
verrichting 2 (teruggave)Het hoeft geen betoog dat men aldus zeer lange ketens kan bouwen.Vb. A1 - A2 - V1 - V2 - A3 - A4 - V3 -V4 - A5 - A6 - V5 -...waarbij:1ste verrichting = A1-A2-V1 (teruggave)2de verrichting = A2-V2-A3 (verrekening)3de verrichting = A3-A4-V3 (teruggave)4de verrichting = A4-V4-A5 (verrekening)5de verrichting = A5-A6-V5 (teruggave)....
Op praktisch vlak is van belang dat wanneer men met een gemengde keten te maken heeft, het steeds de laatste verrichting in de keten is die bepaalt welk artikel moet worden toegepast. Is de laatste verrichting van het type A(n)-V(n)-A(n+1) dan kan enkel artikel 61/3 toepassing vinden; is de laatste verrichting van het type A(n)-A(n+1)-V(n) dan kan enkel artikel 212bis toepassing vinden.
In het voorbeeld hiervoor kan naar aanleiding van V5 alleen de toepassing van artikel 212bis gevraagd worden.
3.3. Wettelijk aandeel.
Wat principieel kan worden "meegenomen" bij het realiseren van een verrichting - ongeacht of die verrichting van het type A1-V1-A2 of A1-A2-V1 is - is het "wettelijk aandeel" van de natuurlijke persoon in de rechten die verschuldigd waren op A1. In geval van een verrichting van het type-verrekening, kan dat wettelijk aandeel - binnen bepaalde grenzen - in mindering gebracht van het wettelijk aandeel van dezelfde natuurlijke persoon in de rechten verschuldigd op A2; in geval van een verrichting van het type-teruggave, kan dat wettelijk aandeel - binnen bepaalde grenzen - teruggegeven worden naar aanleiding van V1.
Onder "wettelijk aandeel" dient te worden verstaan de bijdrage van de natuurlijke persoon in de registratierechten, waartoe hij krachtens de beginselen van het burgerlijk recht gehouden is of zou zijn indien hij en zijn medekopers geen bijzondere - dit is een van het gemeen recht afwijkende - overeenkomst hebben gesloten omtrent de verdeling van die kosten van de aankoop.
Vb. Het beding "alle kosten inbegrepen" heeft geen invloed op het wettelijk aandeel van de kopers.
Vermits krachtens het gemeen recht de kosten van de koop, ten laste komen van de kopers, ieder naar verhouding van zijn aandeel, stemt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon als bedoeld in de artikelen 61/3 en 212bis, dus overeen met de fractie die hij in eigendom verkregen heeft in het aangekochte goed. Is die fractie niet uitdrukkelijk bepaald en zijn er meerdere kopers, dan moet artikel 577-2, § 2 van het Burgerlijk Wetboek worden toegepast: de onverdeelde aandelen worden vermoed gelijk te zijn.
[(1) behoudens afwijkend beding waarmee, in voorkomend geval, hier echter geen rekening wordt gehouden]
3.4. Verschuldigde rechten - effectief betaalde rechten.
Bij de bepaling van het principieel meeneembaar bedrag zijn enkel relevant: de rechten "die overeenkomstig de artikelen 44, 53, 2° of 57 verschuldigd waren" op het eerste aankoopelement in de verrichting. Hiermee wordt bedoeld de rechten die overeenkomstig de gewone regels verschuldigd waren, d.w.z. met voorbijzien van een eventuele verrekening (of teruggave) ingevolge vorige verrichtingen. Onder de gewone regels is voortaan ook de toepassing van het nieuwe artikel 46bis begrepen (abattement - zie circulaire 3-4/2002). Het begrip "verschuldigde rechten" mag dus niet verward worden met de effectief betaalde rechten.
Het begrip "verschuldigde rechten" omvat eventueel de evenredige rechten betaald vóór de registratie van de authentieke akte (vb. bij de registratie van de compromis), alsook de bijrechten die na de registratie van de aankoopakte betreffende A1 werden gevestigd ingevolge een tekortschatting, een prijsbewimpeling, het verlies van het verlaagd recht genoten bij de aankoop van een bescheiden woning, ...
Van de andere kant moeten de rechten die na de registratie van de aankoopakte betreffende A1 werden teruggegeven op een andere grond dan de meeneembaarheid, uiteraard in mindering worden gebracht van de bij die registratie geheven rechten. Men kan geen tweemaal teruggave krijgen van dezelfde rechten.
Voorbeeld 1. De aankoop van A1 wordt geregistreerd met toepassing van het gewone tarief en niet met toepassing van het verlaagd tarief voor bescheiden woningen omdat de koper op dat ogenblik nog eigenaar is van een andere woning. In de aankoopakte betreffende A1 heeft de koper de verkoop van die andere woning in het vooruitzicht gesteld. Na die verkoop die kort na de aankoop van A1 geschiedt, toont de koper het causaal verband tussen beide aan, zodat hij bij toepassing van de door de administratie aangenomen verzachting inzake de uitsluitingsregel voor bescheiden woningen, teruggave vraagt en bekomt van 5%. Indien A1 later het eerste aankoopelement in een verrichting wordt, moet bij de bepaling van het principieel meeneembaar bedrag rekening gehouden worden met die teruggave.Voorbeeld 2. Onderstel een verrichting-verrekening (A1-V1-A2) waarbij naar aanleiding van V1 teruggave werd bekomen op grond van artikel 212 W.Reg. In dat geval is (2) het principieel meeneembaar bedrag gelijk aan het verschil tussen de rechten geheven bij de registratie van A1 en de op grond van artikel 212 teruggegeven rechten.[(2) Dit is niet het geval wanneer het gaat om een verrichting-teruggave (A1-A2-V1) omdat artikel 212ter de belastingplichtige in dat geval verplicht een keuze te maken tussen het voordeel van de meeneembaarheid en het voordeel van de teruggave op grond van artikel 212.]
3.5. Excedent(en)
Het zal vaak voorkomen dat bij het realiseren van een verrichting niet alle principieel meeneembare rechten ook effectief kunnen worden aangewend omwille van de toepassing van de limietregels die verder zullen besproken worden. Wat aldus bij een verrichting niet kan worden aangewend, wordt in deze circulaire "excedent" genoemd. Het stelsel van de meeneembaarheid laat toe - binnen bepaalde grenzen - excedenten bij latere verrichtingen aan te wenden. Het principe van de meeneembaarheid van excedenten ligt besloten in het vierde lid van artikel 61/3 en in het vierde lid van artikel 212bis, naargelang de aard van de nieuwe verrichting.
Er kunnen maar excedenten ontstaan bij verrichtingen waarbij het voordeel van de meeneembaarheid effectief werd genoten. Dat blijkt onmiskenbaar uit de tekst van de in vorige alinea genoemde leden. Excedenten ontstaan immers maar als er daadwerkelijk recht op meeneembaarheid is en dat recht afgetopt wordt door de toepassing van een limietregel (zie verder - berekeningsregels). Er is maar recht op meeneembaarheid voor aankopen van de nieuwe hoofdverblijfplaats A2 (verrekening) of wederverkopen van de vorige hoofdverblijfplaats V1 (teruggave) die gerealiseerd worden onder toepassing van de nieuwe regels (zie circulaire 3-2/ 2002 voor de inwerkingtreding van de bepalingen inzake de primaire vormen van meeneembaarheid).
Het zal dus nog enige tijd duren vooraleer zich in de praktijk de eerste gevallen zullen voordoen waarbij het meeneembare bedrag beïnvloed wordt door het bestaan van een of meer excedenten uit vorige verrichtingen.
Afdeling 4.- Berekeningsregels
4.1. Principieel meeneembaar bedrag - Limieten van het meeneembaar bedrag.
De rechten die overeenkomstig de gewone regels verschuldigd waren op het eerste aankoopelement in de verrichting vormen dus het principieel meeneembaar bedrag.
Dit principieel meeneembaar bedrag is in voorkomend geval te corrigeren:
a) naar onderen toe, ingevolge de limietregels vervat in artikel 61/3, derde en vijfde lid en artikel 212bis, derde en vijfde lid;
b) naar boven toe, bij toepassing van de excedentregels vervat in de artikelen 61/3, vierde lid en 212bis vierde lid (voor het begrip excedent: zie hiervoor).
4.2. Eventuele correctie van het principieel meeneembaar bedrag naar onderen toe.
4.2.1. Limietregels-verrekening
Eerste limietregel-verrekening
Artikel 61/3, derde lid, bepaalt dat de verrekening overeenkomstig de bepalingen van dit artikel in geen geval grond oplevert voor een teruggave. Dit betekent dat het principieel meeneembaar bedrag moet herleid worden tot het bedrag van de op het laatste aankoopelement overeenkomstig de gewone regels verschuldigde rechten, indien het dat bedrag te boven gaat.
Voorbeeld 1. Onderstel een verrichting-verrekening (A1-V1-A2) waarbij op de aankoopelementen de volgende rechten volgens de gewone regels verschuldigd zijn:op A1 : 7.500 EURop A2 : 5.000 EURHet principieel meeneembaar bedrag bedraagt 7.500 EUR. Bij toepassing van de eerste limietregel-verrekening moet dat bedrag echter herleid worden tot 5.000 EUR. Het overschot (of excedent) van 2.500 EUR kan bij deze verrichting niet teruggegeven worden. In voorkomend geval zal het wel nog bij een latere verrichting kunnen aangewend worden bij toepassing van de excedentregels (zie hiervoor punt 3.5).Heffing op de akte: het algemeen vast recht van 25 EUR (art. 167 W.Reg.).
Tweede limietregel-verrekening:
Eerste component
artikel 61/3, vijfde lid bepaalt dat het te verrekenen bedrag nooit meer kan bedragen dan 12.500 EUR Dit betekent dat het principieel meeneembaar bedrag moet herleid worden tot 12.500 EUR, indien het dat bedrag te boven gaat.
Voorbeeld 2. Onderstel een verrichting-verrekening (A1-V1-A2) waarbij slechts één koper bij de aankoopelementen betrokken is en op de aankoopelementen de volgende rechten verschuldigd zijn volgens de gewone regels:op A1 : 14.000 EURop A2 : 18.500 EURHet principieel meeneembaar bedrag bedraagt hier 14.000 EUR. Bij toepassing van de eerste component van de tweede limietregel-verrekening moet dit bedrag echter herleid worden tot 12.500 EUR. Het overschot (of excedent) van 1.500 EUR kan bij deze verrichting niet verrekend worden. Het kan meegenomen worden en bij een latere verrichting aangewend worden.
Tweede component
De tweede limietregel-verrekening bevat echter nog een tweede component: artikel 61/3, vijfde lid, bepaalt verder dat dit maximum te verrekenen bedrag wordt bepaald in verhouding tot de fractie die de natuurlijke persoon bekomt in het nieuw aangekochte goed. Dit betekent dat wanneer er meerdere aankopers zijn bij A2 (laatste aankoopelement), het maximum te verrekenen bedrag van 12.500 EUR over de verschillende kopers moet verdeeld worden à rato van hun wettelijk aandeel in A2. Hierdoor zal in bepaalde gevallen het maximum verrekenbare bedrag lager uitvallen dan 12.500 EUR.
Voorbeeld. 3. Hernemen we het vorige voorbeeld met dien verstande dat A1 en A2 allebei werden aangekocht door X en Y, natuurlijke personen, telkens elk voor de helft.Bij A2 worden dus twee verrichtingen gerealiseerd: één in hoofde van X en één in hoofde van Y.Het principieel meeneembaar bedrag in hoofde van X bedraagt dan 14.000 EUR x 1/2 (wettelijk aandeel van X in A1 bij toepassing van artikel 61/3, eerste lid) = 7.000 EUR. Ingevolge de tweede component van de hier besproken limietregel kan er door X echter maximaal een bedrag van 12.500 EUR x 1/2 (wettelijk aandeel van X in A2) = 6.250 EUR worden verrekend. Er ontstaat bij deze verrichting dus in hoofde van X een excedent van 750 EUR, dat hij kan meenemen en eventueel nog bij een latere verrichting aanwenden.In hoofde van Y geldt hetzelfde.In dit geval is het netto-resultaat van beide verrichtingen samengenomen, hetzelfde als in het voorbeeld 2Quid echter indien A1 alleen door X werd aangekocht en A2 elk voor de helft door X en Y samen. Bij A2 wordt dan slechts één verrichting gerealiseerd, met name door X. In hoofde van Y is hier geen sprake van enige verrekeningsmogelijkheid.Het principieel meeneembaar bedrag in hoofde van X bedraagt dan 14.000 EUR. Ingevolge de tweede component van de hier besproken limietregel kan er door X echter maximaal 12.500 EUR x 1/2 (wettelijk aandeel van X in A2) = 6.250 EUR worden verrekend. Er ontstaat bij deze verrichting dus in hoofde van X een excedent van 14.000 EUR - 6.250 EUR = 7.750 EUR, dat hij kan meenemen en bij een latere verrichting eventueel nog aanwenden.
4.2.2. Limietregels-teruggave
Eerste limietregel-teruggave:
Artikel 212bis, derde lid bepaalt dat de teruggave overeenkomstig dit artikel in geen geval meer kan bedragen dan het bedrag van het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de rechten geheven op de nieuwe aankoop. Deze regel vormt de spiegel van de eerste limietregel-verrekening
Voorbeeld 4. Onderstel een verrichting-teruggave (A1-A2-V1) waarbij slechts één koper bij de aankoopelementen betrokken is en waarbij op de aankoopelementen de volgende rechten volgens de gewone regels verschuldigd zijn:op A1 : 7.500 EURop A2 : 5.000 EURBij V1 bedraagt het principieel meeneembaar bedrag 7.500 EUR. Bij toepassing van de eerste limietregel-teruggave moet dit bedrag echter herleid worden tot 5.000 EUR, zijnde de rechten geheven op het laatste aankoopelement (nieuwe aankoop A2). Het excedent van 2.500 EUR kan worden meegenomen en eventueel nog bij een latere verrichtingen worden aangewend.
Tweede limietregel-teruggave.
Eerste component
Artikel 212bis, vijfde lid, bepaalt dat het terug te geven bedrag per verrichting niet meer mag bedragen dan 12.500 EUR. Dit betekent dat het principieel meeneembaar bedrag moet herleid worden tot 12.500 EUR, indien het dat bedrag te boven gaat.
Vb 5. Onderstel een verrichting-teruggave (A1-A2-V1) waarbij slechts één koper bij de aankoopelementen betrokken is en waarbij op de aankoopelementen de volgende rechten volgens de gewone regels verschuldigd zijn:op A1 : 14.000 EURop A2 : 18.500 EURHet principieel meeneembaar bedrag bij V1 bedraagt hier 14.000 EUR. De eerste component van de tweede limietregel beperkt dit bedrag voor deze verrichting echter tot 12.500 EUR. Het excedent of het overschot van 1.500 EUR kan bij deze verrichting niet teruggegeven worden. Het kan worden meegenomen en eventueel bij een latere verrichting worden aangewend.
Tweede component
De tweede limietregel-teruggave bevat echter nog een tweede component: artikel 212bis, vijfde lid, bepaalt verder dat dit maximum terug te geven bedrag wordt bepaald in verhouding tot de fractie die de natuurlijke persoon bekomt in het nieuw aangekochte goed. Deze tweede component vormt de spiegel van de tweede component in de tweede limietregel-verrekening, zodat de uitleg die hoger bij laatstbedoelde component werd gegeven, ook hier geldt.
Voorbeeld 6. Onderstel een verrichting-teruggave (A1-A2-V1) waarbij A1 werd aangekocht door X voor 4/10 en door Y voor 6/10, en A2 werd aangekocht door X voor 6/10 en door Y voor 4/10.Op de aankoopelementen werden de volgende rechten overeenkomstig de gewone regels geheven:
- op A1: 18.500 EUR
- op A2: 14.000 EUR
Bij V1 realiseren zowel X als Y een verrichting die in hoofde van elk van hen recht geeft op een meeneembaarheid onder de vorm van een teruggave.1) Meeneembaarheid in hoofde van X
- Het principieel meeneembaar bedrag is 18.500 EUR x 4/10 = 7.400 EUR.
- Toetsing van dit bedrag aan de eerste limietregel-teruggave
Max.: 14.000 EUR x 6/10 = 8.400 EUR.Dit maximum is dus niet overschreden
- Toetsing van dit bedrag aan de 2de component van de tweede limietregel-teruggave
Max. 12.500 EUR x 6/10 = 7.500 EUR.Dit maximum is evenmin overschreden.X kan dus teruggave vragen van 7.400 EUR. Er is geen excedent.2) Meeneembaarheid in hoofde van Y
- Het principieel meeneembaar bedrag is 18.500 EUR x 6/10 = 11.100 EUR.
- Toetsing van dit bedrag aan de eerste limietregel-teruggave
Max.: 14.000 EUR x 4/10 = 5.600 EUR.Dit maximum is dus overschreden
- Toetsing van dit bedrag aan de 2de component van de tweede limietregel-teruggave
Max. 12.500 EUR x 4/10 = 5.000 EUR.Dit maximum is ook overschreden.Y kan dus teruggave vragen van 5.000 EUR. Er is in hoofde van Y een excedent van 11.100 EUR - 5.000 EUR = 6.100 EUR. Dit excedent kan bij deze verrichting niet worden teruggegeven. Het kan worden meegenomen en eventueel bij een latere verrichting worden aangewend.X en Y genieten dus samengenomen van een teruggave van 7.400 EUR + 5.000 EUR = 12.400 EUR ( het absolute maximum van 12.500 EUR dat kan meegenomen worden naar aanleiding van V1).
4.3 Eventuele correctie van het principieel meeneembaar bedrag naar boven toe - eventuele gehele of gedeeltelijke aanwending van excedenten ingevolge vorige verrichtingen (artikel 61/3, vierde lid en artikel 212bis, vierde lid W.Reg.).
Er kan maar sprake zijn van de aanwending van excedenten uit vorige verrichtingen, wanneer het principieel meeneembaar bedrag bij de nieuwe verrichting kleiner is dan het maximum bedrag dat bij toepassing van de hiervoor uiteengezette limietregels kan worden meegenomen bij die verrichting.
De mogelijkheid van het aanwenden van een excedent betekent niet dat het maximum verrekenbaar of teruggeefbaar bedrag mag worden overschreden. In voorkomend geval zal aldus een excedent helemaal niet of maar gedeeltelijk kunnen worden aangewend bij de nieuwe verrichting. Het bij de nieuwe verrichting niet-aangewende gedeelte van het excedent, kan verder worden meegenomen en eventueel bij latere verrichtingen worden aangewend.
Afdeling 5.- Illustratie van de berekening van het meeneembaar bedrag aan de hand van voorbeelden
De wijze waarop het meeneembaar bedrag wordt berekend kan het best worden toegelicht aan de hand van enkele voorbeelden.
Onmiddellijk na de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen inzake meeneembaarheid zullen de kantoren enkel kunnen te maken krijgen met enkelvoudige verrichtingen (eerste voorbeeldenreeks) en nog niet geconfronteerd worden met ketens van verrichtingen (tweede voorbeeldenreeks).
1. - eerste voorbeeldenreeks: verrichtingen -
1.1. verrichting die recht geeft op verrekening
Voorbeeld 1. X, natuurlijke persoon, realiseert de volgende verrichtingA1
In 2003 koopt hij zijn eerste woning-hoofdverblijfplaats te Antwerpen.Heffingsgrondslag overeenkomstig artikelen 45 en 46:75.000 EUR.X geniet bij die aankoop het verlaagd recht voor een bescheiden woning. Het tarief voor het registratierecht bedraagt dus 5%.Bovendien vraagt en krijgt X de toepassing van het abattement bepaald in art. 46bis (zie circulaire 3-4/2002).Bij de registratie van de aankoopakte wordt er dus geheven:(75.000 EUR - 12.500 EUR) x 5% = 3.125 EURV1
In 2007 verkoopt hij die woningA2
In 2008 koopt hij een nieuwe woning te Gent die hij tot zijn nieuwe hoofdverblijfplaats bestemt. Heffingsgrondslag overeen-komstig artikelen 45 en 46: 140.000 EUR. Die woning komt niet in aanmerking voor het klein beschrijf. Het registratierecht bedraagt dus 10%. Bij de aanbieding ter registratie van de authentieke akte vraagt X toepassing van artikel 61/3. Hij voldoet aan alle grond- en vormvoorwaarden. Overeenkomstig de gewone regels is X op A2 14.000 EUR aan rechten verschuldigd.* Bepaling van het meeneembaar bedrag.1. Het principieel meeneembaar bedrag is 3.125 EUR (wettelijk aandeel van X - hier 1/1 - in de rechten verschuldigd overeenkomstig de gewone regels op A1)2. Toetsing van het principieel meeneembaar bedrag aan de limietregels-verrekening:2.1. eerste limietregel-verrekening:Maximum: 14.000 EUR (wettelijk aandeel van X - hier 1/1 - in de rechten verschuldigd overeenkomstig de gewone regels op A2).Het maximum is niet overschreden.2.2. tweede limietregel-verrekening2.2.a. eerste componentMaximum: 12.500 EURHet maximum is niet overschreden2.2.b. tweede componentniet relevant: er is maar één aankoper betrokken bij A2.Het principieel meeneembaar bedrag is dus in dit geval ook het effectief verrekenbaar bedrag.* Op A2 verschuldigde rechten na verrekening:14.000 EUR - 3.125 EUR = 10.875 EURX zal dus over de twee aankopen hebben betaald 3.125 EUR + 10.875 EUR = 14.000 EUR, zijnde het equivalent van de rechten die overeenkomstig de gewone regels zouden verschuldigd geweest zijn op de aankoop (A2) die volgens die regels het hoogste recht opbrengt.Opmerking: In de circulaire 3-4/2002 werd vermeld dat bij een aankoop waarbij een verrichting-verrekening wordt gerealiseerd de koper of kopers in voorkomend geval een keuze zullen moeten maken tussen het voordeel van de meeneembaarheid en het voordeel van het abattement. In bepaalde gevallen kan dat laatste voordeliger zijn.Vb. X, natuurlijke persoon, realiseert de volgende verrichting:A1
In 1970 heeft hij een bouwgrond aangekocht te Leuven voor 80.000 BEF. Er werd daarop door de ontvanger een meerwaarde gevestigd van 20.000 BEF. X heeft op die bouwgrond een bescheiden woning gebouwd en heeft van het klein beschrijf genoten voor de bouwgrond. Hij heeft dus als rechten betaald: (80.000 BEF + 20.000 BEF) x 6% = 6.000 BEF. Mathematische omgerekend naar euro geeft dit 148,74 EUR. Hij heeft daar tot bij de verkoop ervan zijn hoofdverblijfplaats gehad.V1
In 2001 heeft hij zijn woning-hoofdverblijfplaats verkocht.A2
In 2002, koopt hij in Denderleeuw een nieuwe woning-hoofdverblijfplaats voor 150.000 EUR (overeengekomen waarde = verkoopwaarde). De woning komt niet in aanmerking voor het klein beschrijf. Het tarief bedraagt dus 10%. Op het moment van de nieuwe aankoop voldoet hij aan de voorwaarden om te genieten van de vermindering van de heffingsgrondslag overeenkomstig artikel 46bis. X heeft de keuze tussen het voordeel van de vermindering van de heffingsgrondslag en het "meenemen" van de in 1970 betaalde rechten op de bouwgrond.Hij moet dus een keuze (3) tussen beide maken, wil hij één van die voordelen genieten. Cumulatie van beide voordelen is immers uitgesloten. Hier heeft hij duidelijk belang bij het kiezen van het voordeel van de vermindering van de heffingsgrondslag:[(3) Die keuze moet duidelijk blijken op het moment dat de evenredige rechten op de overeenkomst worden geheven.]- voordeel vermindering heffingsgrondslag* rechten te betalen op A2:(150.000 - 12.500) x 10% = 13.750 EUR* som van de rechten betaald op A1 en A2:148,74 EUR + 13.750 EUR = 13.898,74 EUR- voordeel ingevolge meeneembaarheid:* rechten te betalen op A2:(150.000 x 10%) - 148,74 = 14.851,26 EUR* som van de rechten betaald op A1 en A2148,74 EUR + 14.851,26 EUR = 15.000 EUR
1.2. verrichting die recht geeft op teruggave
Voorbeeld 2. X, natuurlijke persoon realiseert de volgende verrichtingA1
X en zijn echtgenoot Y kopen in 2002 te Zottegem elk voor de helft hun gezinswoning-hoofdverblijfplaats aan voor de prijs van 212.500 EUR (overeengekomen waarde = verkoopwaarde). Het tarief is 10%. Zij genieten het voordeel van de vermindering van de heffingsgrondslag. Verschuldigd op A1 is dus een registratierecht van (212.500 - 12.500) x 10% = 20.000 EUR. Het wettelijk aandeel van X in de aldus betaalde registratierechten bedraagt 10.000 EUR.A2
Gelet op de nakende echtscheiding, koopt X in Brakel in 2006 een klein appartement waarnaar hij zijn hoofdverblijfplaats wil overbrengen na de verkoop van de gezinswoning. De prijs bedraagt 42.500 EUR (overeengekomen waarde = verkoopwaarde). Hij betaalt hierop als rechten: 42.500 EUR x 10% = 4.250 EUR. De echtscheiding wordt datzelfde jaar nog uitgesproken en X brengt zijn hoofdverblijfplaats over naar A2 dadelijk na de verkoop van A1 waarvan hierna sprake.Opmerking: X zou hier bij toepassing van art. 46bis kunnen kiezen voor het abattement op de heffingsgrondslag, omdat hij bij A2 geen eigenaar is voor de geheelheid van een woning - hij is maar voor de helft eigenaar van A1 - hij heeft er echter geen belang bij omdat het voordeel verbonden aan de teruggave groter is dan het voordeel verbonden aan het abattement.V1
In 2007 verkopen X en Y, in het kader van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap, A1 aan een derde Z. X betrekt zijn appartement dat hem voortaan tot hoofdverblijfplaats dient.Wat kan X, gesteld dat hij alle voorwaarden vervult, meenemen onder de vorm van een teruggave naar aanleiding van de registratie met toepassing van het evenredig recht van de verkoopovereenkomst betreffende V1?* Bepaling van het meeneembaar bedrag.1. Het principieel meeneembaar bedrag is 10.000 EUR (wettelijk aandeel van X - hier 1/2 - in de rechten verschuldigd overeenkomstig de gewone regels op A1)2. Toetsing van het principieel meeneembaar bedrag aan de limietregels-teruggave:2.1. eerste limietregel-teruggave:Maximum: 4.250 EUR (wettelijk aandeel van X - hier 1/1 - in de rechten verschuldigd overeenkomstig de gewone regels op A2).Dit maximum is overschreden.2.2. tweede limietregel-teruggave2.2.a. eerste componentMaximum: 12.500 EURDit maximum is niet overschreden2.2.b. tweede component niet relevant: er is maar één aankoper betrokken bij A2.Het principieel meeneembaar bedrag wordt hier dus bij toepassing van de eerste limietregel-teruggave herleid tot een teruggave van 4.250 EUR.* Het excedent dat hierbij ontstaat (10.000 EUR - 4.250 EUR = 5.750 EUR) kan evenwel nog in aanmerking komen voor verrekening of teruggave bij een of meer volgende verrichtingen bij toepassing van de excedentenregels (vierde lid van artikel 61bis en het vierde lid van artikel 212bis).Opmerking: Quid indien in het voorbeeld X en Y hun gezinswoning-hoofdverblijfplaats niet hadden verkocht aan Z, maar toebedeeld aan Y. In dat geval heeft X geen recht op een teruggave. Artikel 212bis eist immers een zuivere (en eenvoudige) verkoop van de vorige hoofdverblijfplaats (zie verder). Rechtshandelingen die onder het registratierecht op de verdelingen vallen voldoen niet aan die voorwaarde.
2. - tweede voorbeeldenreeks: ketens van verrichtingen -
2.1. - homogene ketens van verrichtingen -
2.1.1. homogene keten van verrichtingen die recht geeft op verrekening
Voorbeeld 3. Onderstel de volgende keten van verrichtingenA1
In 1995 kocht X, dan nog vrijgezel, een woning in Damme die hij als hoofdverblijfplaats gebruikte voor de prijs van omgerekend 120.000 EUR (overeengekomen waarde = verkoopwaarde). Hij genoot niet van het klein beschrijf. Als rechten heeft hij omgerekend betaald 15.000 EUR.V1
In 2002 verkoopt X zijn woning-hoofdverblijfplaats, omdat hij trouwplannen heeft en met zijn toekomstige echtgenote uitkijkt naar een ruimere woning-hoofdverblijfplaats.A2
In 2003 kopen X en zijn echtgenote Y in St. Martens Latem elk voor de helft een woning-hoofdverblijfplaats voor de prijs 300.000 EUR (overeengekomen waarde = verkoopwaarde). Het tarief is 10%. X en Y moeten kiezen tussen vermindering van de heffingsgrondslag en de meeneembaarheid in hoofde van X uit hoofde van A1 (cf. artikel 46bis, tweede lid). Aangenomen wordt dat ze kiezen voor de meeneembaarheid. De heffingsgrondslag is dus 300.000 EUR. Op deze aankoop zullen de volgende rechten worden geheven: (300.000 EUR x 10%) - 6.250 EUR (verrekening in hoofde van X: principieel meeneembare rechten ingevolge A1 zijnde 15.000 EUR, echter bij toepassing van de 2de component van de 2de limietregel herleid tot 6.250 EUR) = 23.750 EUR.Ingevolge deze verrichting-verrekening ontstaat er in hoofde van X een excedent van 15.000 EUR - 6.250 EUR = 8.750 EUR.V2
In 2012 scheiden X en Y uit de echt en verkopen A2A3
In 2013 koopt X alleen een nieuwe woning-hoofdverblijfplaats in Damme voor de prijs van 160.000 EUR (overeengekomen waarde = verkoopwaarde). Hij geniet daarbij niet van het verminderd recht voor een bescheiden woning. Opnieuw moet X kiezen tussen het voordeel van het abattement op de heffingsgrondslag en het voordeel voortvloeiend uit de meeneembaarheid. Hij heeft duidelijk het meeste belang bij de meeneembaarheid. Aangenomen dat hij kiest voor de meeneembaarheid zal hij op deze aankoop dus dienen te betalen aan rechten na verrekening:(160.000 x 10%) - 12.500 = 3.500 EUR.Het wettelijk aandeel van X in de rechten die overeenkomstig artikel 44 verschuldigd waren op A2 bedraagt 30.000 EUR x 1/2 = 15.000 EUR. Dat bedrag overschrijdt reeds het maximum mee te nemen bedrag van 12.500 EUR bij toepassing van de eerste component van de tweede limietregel-verrekening, zodat het in casu geen zin heeft nog naar eerdere verrichtingen te kijken om uit te maken of er bij toepassing van artikel 61/3, vierde lid, nog een excedent kan aangewend worden.Opmerking: Bij een aankoop door twee of meer personen, moet men de verrichtingen beschouwen in hoofde van elk van de betrokkenen afzonderlijk. Meerdere verrichtingen of meerdere ketens van verrichtingen kunnen aldus samenlopen bij een aankoop. Per aankoop kan er echter door alle personen die een verrichting realiseren samen niet meer dan 12.500 EUR worden meegenomen.Voorbeeld:Onderstel in het voorgaande voorbeeld:
- dat vóór het huwelijk niet alleen X (in Damme) maar ook Y ( in Gent) een eigen woning-hoofdverblijfplaats had (door Y betaalde rechten in 1997: omgerekend 4.500 EUR);
- dat Y kort vóór het huwelijk, net zoals X gedaan heeft met zijn eerste woning-hoofdverblijfplaats, die woning heeft verkocht;
- dat X en Y in 2012 niet uit de echt scheiden maar hun eerste gezinswoning-hoofdverblijfplaats in St. Martens Latem verkopen om zich een gezinswoning-hoofdverblijfplaats in Knokke-Heist te kunnen veroorloven;
- dat X en Y in 2013 hun nieuwe gezinswoning-hoofdverblijfplaats in Knokke-Heist aankopen (elk voor de helft). Heffingsgrondslag: 400.000 EUR. X en Y kiezen voor de meeneembaarheid, niet voor het abattement op de heffingsgrondslag. Het tarief van het mutatierecht bedraagt 10%.
De overige gegevens van het vorige voorbeeld blijven onveranderd.Bij de aankoop van de eerste gezinswoning-hoofdverblijfplaats X-Y (in St. Martens Latem) lopen twee verrichtingen samen:* Verrichting in hoofde van X: A1(X) - V1(X)-A2(X)
- verschuldigde rechten bij toepassing gewone regels: 15.000 EUR
meeneembare rechten:principieel meeneembare rechten 15.000 EUR echter te herleiden tot 6.250 EUR bij toepassing van de 2de component van de tweede limietregel-verrekening.- verrekening: 15.000 - 6.250 = 8.750 EUR
In hoofde van X ontstaat er ingevolge deze verrekening een excedent van 8.750 EUR* Verrichting in hoofde van Y: A1(Y)-V1(Y)-A2(Y)
- verschuldigde rechten bij toepassing gewone regels: 15.000 EUR
meeneembare rechten:principieel meeneembare rechten 4.500 EUR, niet te herleiden vermits geen van de limietregels is overschreden- verrekening: 15.000 - 4.500 = 10.500 EUR
In hoofde van Y ontstaat er ingevolge deze verrekening geen excedent.Samen geeft dit als te heffen rechten na verrekening: 8.750 EUR + 10.500 EUR = 19.250 EURBij de aankoop van de tweede gezinswoning-hoofdverblijfplaats X-Y (in Knokke-Heist) lopen twee ketens van verrichtingen samen:* Keten van verrichtingen in hoofde van X:A1(X)-V1(X)-A2(X)-V2(X)-A3(X)
- verschuldigde rechten bij toepassing gewone regels: 20.000 EUR
meeneembare rechten:principieel meeneembare rechten 15.000 EUR echter te herleiden tot 6.250 EUR bij toepassing van de 2de component van de tweede limietregel-verrekening.Uiteraard kan X zijn excedent niet aanwenden.In hoofde van X ontstaat er een nieuw excedent van 8.750 EUR.- verrekening: 20.000 EUR - 6.250 EUR = 13.750 EUR.
* Keten van verrichtingen in hoofde van Y:A1(Y)-V1(Y)-A2(Y)-V2(Y)-A3(Y)
- verschuldigde rechten bij toepassing gewone regels: 20.000 EUR
meeneembare rechten:principieel meeneembare rechten 15.000 EUR echter te herleiden tot 6.250 EUR bij toepassing van de 2de component van de tweede limietregel-verrekening.In hoofde van Y ontstaat er bij deze verrichting een excedent van 8.750 EUR.- verrekening: 20.000 EUR - 6.250 EUR = 13.750 EUR
Na verrekening wordt er dus op A3 geheven: 13.750 EUR + 13.750 EUR = 27.500 EUR
2.1.2. homogene keten van verrichtingen die recht geeft op teruggave
Voorbeeld 4. X, natuurlijke persoon, realiseert de volgende keten van verrichtingenA1
1995. - X koopt zijn eerste woning-hoofdverblijfplaats in Roeselare voor de prijs (overeengekomen waarde = verkoopwaarde) van 3.430.000 BEF of omgerekend 85.027,48 EUR. Hij betaalt hierop 205.800 BEF of omgerekend 5.101,65 EUR aan rechten (tarief 6%). X is handelsreiziger voor een firma. Op dat ogenblik staat hij in voor het klantenbezoek in de provincie West-Vlaanderen.A2
2001. - X wordt door zijn firma overgeplaatst naar de sector Limburg. Omdat die overplaatsing permanent lijkt, besluit X onmiddellijk een woning te kopen in de buurt van Hasselt, en zijn hoofdverblijfplaats naar die nieuwe woning over te brengen. Hij stelt tezelfdertijd zijn woning te Roeselare te koop. Kostprijs van de woning te Hasselt (overeengekomen waarde = verkoopwaarde): 3.250.000 BEF of omgerekend 80.565,40 EUR.X heeft in de geregistreerde akte betreffende de aankoop van zijn nieuwe woning de nodige vermeldingen opgenomen om na de verkoop van zijn woning te Roeselare teruggave te kunnen krijgen van hetgeen hij boven het verlaagd recht moet betalen bij de huidige aankoop (cf. administratieve tolerantie inzake de uitsluitingsregel in het stelsel van het verlaagd recht voor bescheiden woningen, wanneer de belastingplichtige het causaal verband aantoont tussen de aankoop van de nieuwe woning en de verkoop van de reeds bezeten woning).Bij de registratie van de aankoop werd er geheven: 3.250.000 BEF x 12,5 % = 406.250 BEF of omgerekend 10.070,67 EUR.V1
2002.- X verkoopt zijn woning te Roeselare.Hij vraagt en bekomt teruggave van hetgeen hij boven het verlaagd recht heeft betaald bij A2. Terug te geven bedrag:211.250 BEF of omgerekend 5.236,75 EURKan hij ook beroep doen op het voordeel van de meeneembaarheid onder de vorm van teruggave? Vermits artikel 212bis in werking is getreden op 1 januari 2002, heeft de oorzaak van het recht op teruggave zich in casu voorgedaan na die inwerkingtreding, zodat X de toepassing van artikel 212bis kan vragen in de verkoopakte.Het principieel teruggeefbaar bedrag is 5.101,65 EUR. Ingevolge de eerste limietregel-teruggave moet dat bedrag herleid worden tot 4.833,92 EUR. X is immers uiteindelijk op A2 geen 12,50% maar door de teruggave bij toepassing van de administratieve tolerantie slechts 6% aan registratierechten verschuldigd. De verrichting doet in hoofde van X dus een excedent ontstaan van 5.101,65 EUR - 4.833,92 EUR = 267,73 EUR.A3
2005.- X wordt door zijn firma opnieuw overgeplaatst naar de sector West-Vlaanderen. X vindt een geschikte woning in Diksmuide, waar hij zijn nieuwe hoofdverblijfplaats vestigt. Prijs: 100.000 EUR (overeengekomen waarde = verkoopwaarde). Op het moment van de nieuwe aankoop heeft X zijn woning te Hasselt al te koop gesteld, maar nog niet verkocht. X heeft in de geregistreerde akte betreffende de aankoop van zijn nieuwe woning de nodige vermeldingen opgenomen om na de verkoop van zijn woning te Hasselt teruggave te kunnen krijgen van hetgeen hij boven het verlaagd recht voor bescheiden woningen moet betalen bij de huidige aankoop (zelfde scenario als bij A2).X betaalt bij de registratie van A3 100.000 EUR x 10% = 10.000 EURV2
2005.- Later op het jaar vindt X een koper voor zijn vorige woning te Hasselt.Hij vraagt en bekomt teruggave van hetgeen hij boven het verlaagd recht heeft betaald bij A3. Terug te geven bedrag:5.000 EURBij toepassing van artikel 212bis kan X, aangenomen dat alle voorwaarden voor recht op meeneembaarheid vervuld zijn op grond van dat artikel bovendien teruggave bekomen van:* gewoon meeneembaar bedrag:
principieel meeneembaar bedrag: 4.833,92 EURuiteindelijk verschuldigde rechten op A2 =oorspronkelijk verschuldigde rechten (10.070,67 EUR) verminderd met de bekomen teruggave voor bescheiden woning bij toepassing van de administratieve tolerantie (5.236,75 EUR)- toetsing van dit bedrag aan de limietregels
max. eerste limietregel-teruggave: 5.000 EURDit maximum is niet overschreden max. tweede limietregel-teruggave, eerste com-ponent: 12.500 EUR.Dit maximum is evenmin overschredenHet principieel meeneembaar bedrag kan dus worden teruggegeven.* gedeeltelijke aanwending van het excedent uit de verrichting A1-A2-V1Vermits het laagste limietmaximum (5.000 EUR) niet is bereikt kan er nog 5.000 EUR - 4833,92 EUR = 166,08 EUR worden teruggegeven uit het excedent van 267,73 EUR dat ontstaan is uit de verrichting A1-V1-A2. Van dat excedent rest er dus nog na de teruggave 101,65 EUR dat eventueel bij een volgende verrichting nog zal kunnen worden aangewend.X kan ingevolge de keten van verrichtingen A1-A2-V1-A3-V2 meenemen onder de vorm van teruggave naar aanleiding van V2:5.000 EUR als volgt samengesteld4.833,92 EUR op grond van de verrichting A2-A3-V2;166,08 EUR op grond van het excedent uit de vorige verrichting A1-A2-V1
2.2. - gemengde keten van verrichtingen -
2.2.1. gemengde keten van verrichtingen die recht geeft op verrekening
Voorbeeld 5. Onderstel de in de hiernavolgende tabel opgenomen keten van verrichtingen, waarbij alle aan- en verkopen gedaan worden door dezelfde persoon en waarbij bij elke verrichting aan de voorwaarden voor verrekening of teruggave, naargelang het geval, is voldaan.Kolom 1 bevat de elementen van de verrichtingen;Kolom 2 bevat de heffingsgrondslag in EUR;Kolom 3 bevat het toepasselijk tarief;Kolom 4 bevat de heffing in EUR volgens de gewone regels;Kolom 5 bevat het te verrekenen bedrag in EUR;Kolom 6 bevat het geheven bedrag in EUR na eventuele verrekening, zonder rekening te houden met artikel 167 W.Reg;Kolom 7 bevat het terug te geven bedrag in EUR;Kolom 8 bevat het resterend excedent in EUR.
1 2 3 4 5 6 7 8 A1 100.000 5% 5.000 - 5.000 - - V1- - - - - - - A2 185.000 10% 18.500 5.000 13.500 - - V2- - - - - - - A3 150.000 5% 7.500 7.500 0 - 11.000 A4 250.000 10% 25.000 - 25.000 - - V3- - - - - 7.500+ 5.000
12.500 - 5.000
6.000 A5 185.000 10% 18.500 - 18.500 - - V4- - - - - 12.500 12.500 V5- - - - - - - A6 300.000 10% 30.000 12.500 17.500 - 6.000Vermits bij alle aankopen steeds maar een persoon betrokken is, is het maximum meeneembaar bedrag bij toepassing van de tweede limietregels (tweede limietregel-verrekening en tweede limietregel-teruggave) steeds 12.500 EUR. Met andere woorden, de tweede component van die limietregels is bij geen van de verrichtingen relevant.Ontleding:* 1ste verrichting: A1-V1-A2 (verrekening).
- p.m.b. (principieel meeneembaar bedrag) : 5.000 EUR
- toetsing van dat bedrag aan de limietregels
1ste limietregel-verrekening:max.: 18.500 EUR - niet overschreden 2de limietregel-verrekeningmax.: 12.500 EUR - niet overschreden
- het p.m.b. kan volledig worden verrekend
Op A2 wordt er na verrekening dus geheven:18.500 EUR - 5.000 EUR = 13.500 EUR* 2de verrichting: A2-V2-A3 (verrekening).
- p.m.b. : 18.500 EUR
- toetsing van dat bedrag aan de limietregels
1ste limietregel-verrekening:max.: 7.500 EUR - overschreden 2de limietregel-verrekeningmax.: 12.500 EUR - overschreden
- het p.m.b. wordt dus herleid tot 7.500 EUR
Er ontstaat aldus bij deze verrichting een excedent van:18.500 EUR - 7.500 EUR = 11.000 EUROp A3 wordt er na verrekening dus geheven:7.500 EUR - 7.500 EUR = 0 EUR.Bij toepassing van artikel 167 W.Reg. wordt dat echter het minimum van 25 EUR* 3de verrichting: A3-A4-V3 (teruggave).
- p.m.b. : 7.500 EUR
- toetsing van dat bedrag aan de limietregels
1ste limietregel-teruggave:max.: 25.000 EUR - niet overschreden 2de limietregel teruggavemax.: 12.500 EUR - niet overschreden
- het p.m.b. kan volledig worden teruggegeven.
- Bij toepassing van het 4de lid van artikel 212bis kan er bovendien nog 5.000 EUR worden teruggegeven uit het excedent van 11.000 EUR dat ontstaan is bij de vorige verrichting. Het rest-excedent van 6.000 EUR kan verder worden meegenomen en bij latere verrichtingen nog eventueel worden aangewend.
Ingevolge V3 kan er dus teruggegeven worden:7.500 EUR + 5.000 EUR = 12.500 EUR* 4de verrichting: A4-A5-V4 (teruggave).
- p.m.b. : 25.000 EUR
- toetsing van dat bedrag aan de limietregels
1ste limietregel-teruggave:max.: 18.500 EUR - overschreden 2de limietregel-teruggavemax.: 12.500 EUR - overschreden
- het p.m.b. wordt dus herleid tot 12.500 EUR
- naast het rest-excedent van 6.000 EUR (zie 3de verrichting) ontstaat er bij deze verrichting een nieuw excedent van 12.500 EUR.
* 5de verrichting: A5-V5-A6 (verrekening).
- p.m.b. : 18.500 EUR
- toetsing van dat bedrag aan de limietregels
1ste limietregel-verrekening:max.: 30.000 EUR - niet overschreden 2de limietregel-verrekeningmax.: 12.500 EUR - overschreden
- het p.m.b. wordt dus herleid tot 12.500 EUR
- Uiteraard kan er bij deze verrichting niets uit de nog bestaande excedenten uit de vorige verrichtingen worden aangewend.
- Er ontstaat bij deze verrichting bovendien een nieuw excedent van: 18.500 EUR - 12.500 EUR = 6.000 EUR
Op A6 wordt er na verrekening dus geheven:30.000 EUR - 12.500 EUR = 17.500 EURDoor het stelsel van de meeneembaarheid heeft de natuurlijke persoon over alle aankopen samen uiteindelijk (na alle verrekeningen en teruggaven) betaald: 54.500 EUR (4). Zonder meeneembaarheid zou hij hebben betaald (5): 104.500 EUR. Het stelsel van de meeneembaarheid levert hier dus een voordeel op van 50.000 EUR (6).[(4) Rekening houdend met de toepassing van artikel 167 W.Reg bij de tweede verrichting wordt dat 54.525 EUR.(5) In de veronderstelling dat hij bj geen van de verkopen het voordeel van artikel 212 kon inroepen.(6) Rekening houdend met de toepassing van artikel 167 W.Reg. bij de tweede verrichting wordt dat 49.575 EUR.]In een dergelijk geval waarbij de excedenten niet of niet volledig bij latere verrichtingen konden meegenomen worden, moet op het einde van de keten het recht op het aankoopelement dat het hoogste recht heeft gegenereerd volgens de gewone regels (A6 - 30.000 EUR) gelijk zijn aan de som van de effectief betaalde rechten (kolom 6) verminderd met de som van het totaal van de teruggegeven rechten (kolom 7) en het totaal van de resterende excedenten (kolom 8). M.a.w. de volgende vergelijking moet opgaan:30.000 EUR = 79.500 EUR - (25.000 EUR + 24.500 EUR).
2.2.2. gemengde keten van verrichtingen die recht geeft op teruggave.
Vb 6. Onderstel de in de hiernavolgende tabel opgenomen keten van verrichtingen, waarbij alle aan- en verkopen gedaan worden door dezelfde natuurlijke persoon en waarbij bij elke verrichting aan de voorwaarden voor verrekening of teruggave, naargelang het geval, is voldaan.Kolom 1 bevat de elementen van de verrichtingen;Kolom 2 bevat de heffingsgrondslag in EUR;Kolom 3 bevat het toepasselijk tarief;Kolom 4 bevat de heffing in EUR volgens de gewone regels;Kolom 5 bevat het te verrekenen bedrag in EUR;Kolom 6 bevat het geheven bedrag in EUR na eventuele verrekening, zonder rekening te houden met artikel 167 W.Reg.;Kolom 7 bevat het terug te geven bedrag in EUR;Kolom 8 bevat het resterend excedent in EUR.
1 2 3 4 5 6 7 8 A1 85.000 5% 4.250 - 4.250 - - A2 95.000 5% 4.750 - 4.750 - - V1 - - - - - 4.250 - V2 - - - - - - - A3 115.000 5% 5.750 4.750 1.000 - - A4 90.000 5% 4.500 - 4.500 - - V3 - - - - - 4.500 1.250 V4 - - - - - - - A5 110.000 5% 5.500 4.500+ 1.000
5.500 0 - - 1.000250 A6 120.000 5% 6.000 - 6.000 - - V5 - - - - - 5.500+ 250 =5.750 - 2500Voorafgaande opmerking: alle aankopen geschieden tegen het verlaagd recht voor bescheiden woningen, in voorkomend geval (A2, A4 en A6) bij toepassing van de administratieve verzachting op de uitsluitingsregel vervat in artikel 54, derde lid W.Reg. (vgl. voorbeeld 4).Vermits bij elke aankoop steeds maar één persoon betrokken is, is het maximum meeneembaar bedrag bij toepassing van de tweede limietregels steeds 12.500 EUR. M.a.w. de tweede component van die limietregels is bij geen van die verrichtingen relevant.Ontleding:* 1ste verrichting: A1-A2-V1 (teruggave).
- p.m.b. : 4.250 EUR
- toetsing van dat bedrag aan de limietregels
1ste limietregel-teruggave:max.: 4.750 EUR - niet overschreden 2de limietregel teruggavemax.: 12.500 EUR - niet overschreden
- het p.m.b. kan volledig worden teruggegeven
Naar aanleiding van V1 kan er dus 4.250 EUR worden teruggegeven.* 2de verrichting: A2-V2-A3 (verrekening).
- p.m.b. : 4.750 EUR
- toetsing van dat bedrag aan de limietregels
1ste limietregel-verrekening:max.: 5.750 EUR - niet overschreden 2de limietregel-verrekeningmax.: 12.500 EUR - niet overschreden
- het p.m.b. kan volledig worden verrekend
Op A3 wordt er na verrekening dus geheven:5.750 EUR - 4.750 EUR = 1.000 EUR* 3de verrichting: A3-A4-V3 (teruggave).
- p.m.b. : 5.750 EUR
- toetsing van dat bedrag aan de limietregels
1ste limietregel-teruggave:max.: 4.500 EUR - overschreden 2de limietregel teruggavemax.: 12.500 EUR - niet overschreden
- het p.m.b. wordt dus herleid tot 4.500 EUR
er ontstaat bij deze verrichting een excedent van5.750 EUR - 4.500 EUR = 1.250 EURNaar aanleiding van V3 kan er dus 4.500 EUR worden teruggegeven.* 4de verrichting: A4-V4-A5 (verrekening).
- p.m.b. : 4.500 EUR
- toetsing van dat bedrag aan de limietregels
1ste limietregel-verrekening:max.: 5.500 EUR - niet overschreden 2de limietregel-verrekeningmax.: 12.500 EUR - niet overschreden
- het p.m.b. kan volledig worden verrekend
- bij toepassing van het vierde lid van artikel 61/3, kan er bovendien nog 1.000 EUR worden verrekend uit het bij de vorige verrichting ontstane excedent van 1.250 EUR
- van het excedent van 1.250 EUR rest er dus nog 250 EUR, bedrag dat verder kan worden meegenomen en later eventueel nog aangewend.
Op A5 wordt er na verrekening dus geheven:5.500 EUR - 5.500 EUR = 0 EUR.Bij toepassing van artikel 167 W.Reg. wordt dat echter het minimum van 25 EUR.* 5de verrichting: A5-A6-V5 (teruggave).
- p.m.b. : 5.500 EUR
- toetsing van dat bedrag aan de limietregels
1ste limietregel-teruggave:max.: 6.000 EUR - niet overschreden 2de limietregel teruggavemax.: 12.500 EUR - niet overschreden
- het p.m.b. kan dus volledig worden teruggegeven
- bij toepassing van het vierde lid van artikel 212bis kan bovendien nog het rest-excedent van 250 EUR (zie 4de verrichting) worden teruggegeven
Naar aanleiding van V5 kan er dus worden teruggegeven:5.500 EUR + 250 EUR = 5.750 EURDoor het stelsel van de meeneembaarheid heeft de natuurlijke persoon over alle aankopen samen uiteindelijk (na alle verrekeningen en teruggaven) betaald: 6.000 EUR (7). Zonder meeneembaarheid zou hij hebben betaald (8): 30.750 EUR. Het stelsel van de meeneembaarheid levert hier dus een voordeel op van 24.750 EUR (9).[(7) Rekening houdend met de toepassing van artikel 167 WReg. bij de vierde verrichting wordt dat 6.025 EUR.(8) In de veronderstelling dat hij bij geen van de verkopers het voordeel van artikel 212 kon inroepen;(9) Rekening houdend met de toepassing van artikel 167 W.Reg. bij de vierde verrichting wordt dat 24.725 EUR.]]Vermits in dit voorbeeld het excedent volledig werd meegenomen bij latere verrichtingen, moet op het einde van de keten het recht op het aankoopelement dat het hoogste recht heeft gegenereerd volgens de gewone regels (A6 - 6.000 EUR) gelijk zijn aan de som van de effectief betaalde rechten (kolom 6) verminderd met het totaal van de teruggegeven rechten (kolom 7). M.a.w. de volgende vergelijking moet opgaan:6.000 EUR = 20.500 EUR - (14.500 EUR + 0).
Afdeling 6.- Voorwaarden voor de primaire wijzen van meeneembaarheid - sancties bij niet vervulling
Onderafdeling 1.- Voorwaarden voor de meeneembaarheid onder de vorm van verrekening
1. grondvoorwaarden
De grondvoorwaarden zijn vervat in artikel 61/3, 1ste en 2de lid.
a) grondvoorwaarden die verband houden met de persoon van de aanvrager van het voordeel
1.1. Alleen natuurlijke personen kunnen het voordeel van de meeneembaarheid genieten.
1. Een rechtspersoon kan dus nooit genieten van de meeneembaarheid van het mutatierecht. Opgelet, artikel 61/3 sluit de meeneembaarheid niet uit in hoofde van een natuurlijke persoon wanneer hij A2 samen met een rechtspersoon aankoopt (in onverdeeldheid dus), mits natuurlijk aan alle voorwaarden voldaan wordt en dus inzonderheid aan de verplichting om in A2 zijn hoofdverblijfplaats te vestigen.
2. Artikel 61/3, eerste lid spreekt van een "aankoop (A2) … door een natuurlijke persoon". Deze formulering impliceert niet dat de meeneembaarheid zou zijn uitgesloten wanneer de aankoop door meerdere natuurlijke personen geschiedt (vb. twee echtgenoten). Ze heeft alleen als bedoeling aan te geven dat wanneer de aankoop door meerdere personen geschiedt, de meeneembaarheid voor elkeen afzonderlijk moet beoordeeld worden. De meeneembaarheid is dus geconcipieerd als een individueel recht. De begrenzing van het meeneembaar bedrag tot 12.500 EUR geldt echter per aankoop. Indien er meerdere aankopers zijn moet dit maximum onder hen verdeeld worden overeenkomstig hun wettelijk aandeel in de nieuwe aankoop (cf. tweede component van de tweede limietregel-verrekening).
1.2. De elementen in de verrichting moeten de hoofdverblijfplaats van de aanvrager(s) betreffen. De aanvrager moet de nieuwe aankoop van het onroerend goed dat zijn nieuwe hoofdverblijfplaats zal worden realiseren binnen een strikt bepaalde termijn na de verkoop van de vorige hoofdverblijfplaats.
3. De meeneembaarheid is door de Vlaamse decreetgever geconcipieerd als een fiscale aanmoediging bij de verandering van hoofdverblijfplaats. Deze notie is dus van cruciaal belang. Dit komt zowel tot uiting in de tekst van het decreet als in de memorie van toelichting waarin wordt gesteld: "Opdat het fiscaal voordeel zou kunnen genoten worden is vereist dat de vroegere hoofdverblijfplaats wordt verkocht en dat de nieuw aangekochte woning effectief als hoofdverblijfplaats wordt aangewend.".
4. Het begrip "hoofdverblijfplaats" is niet in de nieuwe bepalingen van het Wetboek gedefinieerd. In de memorie van toelichting wordt daarover het volgende gezegd: "Met het begrip "hoofdverblijfplaats" heeft de indiener (lees: de Vlaamse Regering) die woning voor ogen die door de belastingplichtige effectief en voornamelijk wordt bewoond. De hoofdverblijfplaats is een feitelijk gegeven dat niet noodzakelijk overeenstemt met de administratieve toestand.".
5. In dit verband dient er te worden opgemerkt dat sinds de Wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en het K.B. van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister de effectieve woonplaats en de hoofdverblijfplaats in principe overeenstemmen.
Overeenkomstig artikel 1 van voornoemde Wet van 19 juli 1991 worden personen slechts ingeschreven in de bevolkingsregisters van een gemeente wanneer zij hun hoofdverbijfplaats in de gemeente gevestigd hebben.
Overeenkomstig artikel 3 van deze wet wordt onder hoofdverblijfplaats verstaan "de plaats waar de leden van een huishouden dat uit verscheidene personen is samengesteld gewoonlijk leven, of de plaats waar een alleenstaande gewoonlijk leeft ". Krachtens artikel 16 van het K.B. van 16 juli 1992 is de bepaling van de hoofdverblijfplaats gebaseerd op een feitelijke situatie, dit wil zeggen de vaststelling van een effectief verblijf in een gemeente gedurende het grootste deel van het jaar.
Het feit dat iemand is ingeschreven in de bevolkingsregisters op een bepaalde plaats is bijgevolg, alhoewel geen afdoend, alleszins een belangrijk criterium om te beoordelen of hij daar zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd.
6. Zowel in het geval van verrekening als in het geval van teruggave moet diegene die zich op het fiscaal voordeel beroept dus de intentie hebben om in het nieuw aangekochte goed zijn hoofdverblijfplaats te vestigen. Hij moet die intentie bovendien in de realiteit brengen.
De reden waarom de belastingplichtige van hoofdverblijfplaats verandert doet in principe niets ter zake en moet dan ook niet worden opgegeven door de natuurlijke persoon. Het is enkel in het geval van ernstig vermoeden van afwending van het voordeel (vb. snel opeenvolgende aan- en verkopen zonder aanneembare redenen, zodat het vermoeden rijst dat de natuurlijke persoon het systeem van de meeneembaarheid afwendt voor een handel in woningen) dat de administratie gerechtigd is te vragen naar de beweegredenen bij de opeenvolgende veranderingen.
7. De Vlaamse decreetgever heeft een strikte termijn bepaald waarbinnen de verkoop van de vorige hoofdverblijfplaats (V1) gevolgd moet worden door de aankoop van het onroerend goed dat als nieuwe hoofdverblijfplaats (A2) wordt bestemd. De nieuwe aankoop (A2) moet vaste datum hebben gekregen binnen twee jaar te rekenen van de datum van de authentieke akte betreffende V1. Voor de wijzen waarop "vaste datum" wordt verkregen, wordt verwezen naar artikel 1328 van het Burgerlijk Wetboek. Voor wat de inhoud van het begrip "authentieke akte" aangaat wordt er verwezen naar de inhoud die eraan is gegeven voor de toepassing van artikel 212 in de aanschrijving nr. 6/1993. Overeenkomstig de algemene beginselen voor de berekening van de termijnen is de datum van de authentieke akte betreffende V1 niet in de termijn begrepen. De termijn kan niet verlengd worden, zelfs niet in geval A2 door overmacht niet binnen de gestelde termijn kon aangekocht worden. De termijn wordt evenmin verlengd tot de eerstvolgende werkdag indien de laatste dag van de termijn valt op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag. De sanctie van het niet-tijdig aankopen van A2 bestaat erin dat het voordeel van de meeneembaarheid definitief verloren gaat.
1.3. De natuurlijke persoon moet zijn nieuwe hoofdverblijfplaats binnen een strikt bepaalde termijn vestigen op de plaats van het nieuw aangekochte onroerend goed (A2).
8. In geval A2 een reeds bestaande woning betreft, is die termijn twee jaar te rekenen van de authentieke akte betreffende A2; in geval A2 een bouwgrond betreft is die termijn drie jaar, eveneens te rekenen van de authentieke akte betreffende A2. Wanneer A2 een gebouwd onroerend goed betreft dat door de verkrijger tot bewoning wordt bestemd maar op het ogenblik van A2 nog niet als dusdanig kan worden aangewend, kan, naargelang van de omstandigheden, dat gebouwd onroerend goed gelijk gesteld worden met een bouwgrond, inzonderheid voor wat de termijn aangaat waarbinnen de verkrijger er zijn hoofdverblijfplaats moet vestigen. Wat onder het vorig nummer is gezegd inzake het begrip "authentieke akte" en inzake de berekening van de termijn en de onmogelijkheid van verlenging ervan, geldt hier mutatis mutandis ook. Indien het niet-tijdig vestigen van de hoofdverblijfplaats op de plaats van A2 echter te wijten is aan overmacht, wordt de boete bepaald in artikel 61/5 niet opeisbaar. De bijrechten zullen echter wel verschuldigd zijn.
De toegestane termijn van twee jaar voor het overbrengen van de hoofdverblijfplaats naar A2 - in geval A2 een bestaande woning is - is bedoeld om de verkrijger toe te laten de renovatie- of verbouwingswerken die hij nodig of nuttig acht uit te voeren, of om een door de vorige eigenaar afgesloten (tegenstelbaar) huurcontract te voleindigen binnen die periode. De toegestane termijn van drie jaar in geval van een bouwgrond of van een gebouwd onroerend goed dat zonder grondige verbouwingswerken niet voor bewoning kan gebruikt worden, is uiteraard bedoeld om op A2 een nieuwe woning te bouwen respectievelijk het gebouwd onroerend goed op A2 om te bouwen tot een voor bewoning geschikt gebouw.
Het is duidelijk dat in de periode tussen V1 en het vestigen van zijn hoofdverblijfplaats in A2 - periode die indien A2 vaste datum heeft gekregen door het verlijden van de authentieke akte (normale geval) (10) maximaal vier (A2 = woning) of vijf (A2 = bouwgrond) jaar kan bedragen - de aanvrager van de meeneembaarheid zijn hoofdverblijfplaats ergens anders kan gehad hebben. Het woord "voorheen" in de laatste zinsnede van het eerste lid van artikel 61/3, mag dus niet geïnterpreteerd worden als "onmiddellijk voorafgaand". Het geeft alleen aan dat op het ogenblik van de verkoop van A1 (op het ogenblik van V1 dus) de betreffende woning tot hoofdverblijfplaats van de aanvrager van de verrekening moest dienen.
[(10) Indien A2 vaste datum heeft gekregen op een andere wijze, kan die periode langer zijn omdat de termijn voor vestiging van de hoofdverblijfplaats gerekend wordt vanaf de authentieke akte betreffende A2.]
Opmerking. De aanvrager moet dus niet onmiddellijk van bij de aankoop van A1 zijn hoofdverblijfplaats aldaar gevestigd hebben. Hij kan die woning bijvoorbeeld eerst een aantal jaren verhuurd hebben en pas nadien er zijn hoofdverblijfplaats gevestigd hebben. Op het ogenblik van de verkoop (V1) ervan moet hij er wel reeds voldoende lang wonen opdat op dat moment de woning als zijn hoofdverblijfplaats zou kunnen beschouwd worden.
Wanneer de handelingen (aankopen, verkoop, vestigingen van hoofdverblijfplaats) die de natuurlijke persoon moet doen op een tijdslijn worden uitgezet, dan komt men tot het hiernavolgende schema.
De in dat schema voorgestelde situatie is de volgende:
- precies vier jaar na de aankoop van A1 wordt de authentieke akte betreffende de verkoop ervan verleden (V1);
- het tijdstip waarop A2 vaste datum krijgt door het verlijden van de desbetreffende authentieke akte dateert van precies één jaar later.
Vergelijk dit schema met het schema onder puntje 26 betreffende de meeneembaarheid-teruggave
b) grondvoorwaarden die de elementen in de verrichting of keten van verrichtingen betreffen.
1.4. Alle onroerende goederen waarop de elementen van de verrichting betrekking hebben, moeten in het Vlaams Gewest gelegen zijn.
9. Zodra één van de twee bij de verrichting betrokken onroerende goederen niet in het Vlaamse Gewest is gelegen, kan er geen sprake zijn van verrekening. A2 moet uiteraard in het Vlaamse Gewest gelegen zijn, zoniet kunnen de regels van het "Vlaams" registratierecht en inzonderheid de regels inzake meeneembaarheid geen toepassing vinden. A1 (en bijgevolg ook V1) moet in het Vlaamse Gewest gelegen zijn bij toepassing van het tweede lid van artikel 61/3.
1.5. Het verkoopelement (V1) in de verrichting (A1-V1-A2) moet betrekking hebben op een woning-hoofdverblijfplaats.
10. De verrekening is uitgesloten wanneer V1 een bouwgrond betreft. Die uitsluiting volgt uit de vereiste dat V1 moet gediend hebben tot hoofdverblijfplaats.
11. Opmerking. De aankoopelementen (A1 en A2) kunnen wel een bouwgrond of een gebouwd onroerend goed dat tot woning kan worden omgebouwd betreffen. Op A1 moet de koper dan wel een woning hebben gebouwd of het gebouwd onroerend goed hebben omgevormd tot een woning die hem tot bij V1 tot hoofdverblijfplaats heeft gediend. Dit laatste (gediend hebben tot bij V1 als hoofdverblijfplaats) moet naar redelijkheid beoordeeld worden. Indien A2 een bouwgrond of een tot woning om te bouwen onroerend goed betreft, zal uiteraard voor behoud van het voordeel dienen voldaan te zijn aan de vereiste van vestiging van de hoofdverblijfplaats in de erop gebouwde woning binnen de drie jaar van de datum van de authentieke akte van aankoop.
1.6. Het tweede aankoopelement in de verrichting (A2) moet verkregen zijn bij een zuivere aankoop. De vorige hoofdverblijfplaats (A1) moet vervreemd zijn bij een zuivere verkoop (V1).
12. In de nieuwe artikelen 61/3 en 212bis worden de termen "zuivere (en eenvoudige) aankoop" en "zuivere (en eenvoudige) verkoop" gebruikt in verband met A2 en V1. Met het adjectief "zuivere" (11) heeft de Vlaamse decreetgever willen aangeven dat het aankoopelement A2 en het verkoopelement V1 noodzakelijk moeten zijn verkregen respectievelijk vervreemd bij een contract van koop in de enge zin. Voldoen dus niet aan die vereiste de verkrijgingen of vervreemdingen van onroerende goederen die juridisch te kwalificeren zijn als een ruil, een afstand van onverdeelde rechten bedoeld in artikel 113, of nog als contracten waarop de artikelen 129 of 130 van toepassing zijn, hoewel dergelijke overdrachten ook aan het verkooprecht onderworpen zijn (12).
[(11) Voor de betekenis van het adjectief "eenvoudige" zie punt 1.8.
(12) Vgl. administratieve interpretatie van het woord "verkopingen" in de artikelen 53en 57 W.Reg met betrekking tot de toekenning van het verlaagd recht voor bescheiden woningen. Deze interpretatie kan dus niet mutatis mutandis worden ingeroepen in het kader van de meeneembaarheid (hetzelfde geldt in het kader van het abattement - zie circulaire 3-4/2002).]
13. Opmerking. Het eerste aankoopelement (A1) moet niet bij een zuivere aankoop zijn verkregen. Opdat een aankoop als een beginelement van een verrichting of een keten van verrichtingen zou kunnen dienen, volstaat het dat de natuurlijke persoon bij de verwerving ervan het gewone mutatierecht (vroeger 12,50% ; voortaan 10%) of het verlaagd mutatierecht voor bescheiden woningen (vroeger 6% ; voortaan 5%) heeft betaald. Wanneer de natuurlijke persoon bij de verkrijging enkel het verdelingsrecht heeft betaald, dan kan de betreffende woning of bouwgrond niet het beginelement uitmaken van een verrichting of van een keten van verrichtingen.
Vb. X ruilt in 2004 een woning te Boom die hij verkregen heeft uit een nalatenschap, voor een woning te Riemst. De woning te Boom levert het hoogste recht op. Hij vestigt in de woning te Riemst zijn hoofdverblijfplaats. Vermits X naar aanleiding van de ruil wettelijk geacht wordt de helft van het verschuldigd registratierecht van 10% of 5%, naargelang van het geval, te hebben betaald, kan hij dat aandeel in die rechten meenemen wanneer hij later de woning te Riemst verkoopt en een nieuwe woning koopt om er zijn hoofdverblijfplaats naar over te brengen. Dat het registratierecht geheven werd op de verkoopwaarde van de woning te Boom, doet niets ter zake.
1.7. De verkrijgingen en vervreemdingen van onroerende goederen met toepassing van het verdelingsrecht komen niet in aanmerking als elementen in verrichtingen.
1.8. V1 moet een eenvoudige verkoop zijn en A2 moet een eenvoudige aankoop zijn.
14. Met eenvoudige verkoop/aankoop wordt bedoeld dat de eigendoms-overdrachten onvoorwaardelijk moeten zijn (cf. artikel 1584 van het Burgerlijk Wetboek). Bedoeling is dat de vervreemding respectievelijk de verkrijging van de woningen een definitief karakter heeft. Of aan die vereiste voldaan is, moet beoordeeld worden aan de hand van het definitieve contract zoals vastgesteld in de authentieke akte of in de aan het evenredig recht geregistreerde onderhandse akte of verklaring overeenkomstig artikel 31 W.Reg.
2. vormvoorwaarden - vermeldingen te doen op straffe van verlies van het voordeel van onmiddellijke meeneembaarheid onder de vorm van verrekening
15. De vormvoorwaarden zijn opgenomen in artikel 61/4. Ze zijn ten getale van drie.
16. Oorspronkelijk was het de bedoeling van de Vlaamse regering, indiener van het ontwerp van decreet, dat aan alle vormvoorwaarden moest voldaan zijn in of onderaan op de authentieke akte van de nieuwe aankoop (zie eerste lid van artikel 61/4). De Koninklijke Federatie van de Notarissen wees er in een hoorzitting in de bevoegde commissie van het Vlaams Parlement op dat dit strenge voorschrift praktische moeilijkheden kon opleveren. De Vlaamse regering heeft daarom via leden van de meerderheid een amendement (13) ingediend waardoor ook aan de vormvoorschriften kan voldaan worden door middel van een separaat verzoekschrift dat alle nodige vermeldingen bevat en dat door de natuurlijke persoon wordt ondertekend. Dat separaat verzoekschrift moet gevoegd worden bij het document (authentieke akte, compromis, verklaring bedoeld in artikel 31 W.Reg.) dat tot de heffing van het evenredig recht op A2 aanleiding geeft (zie tweede lid van artikel 61/4).
[(13) zie Vlaams Parlement, Stuk 963 (2001-2002) - Nr. 2 van januari 2002, amendement nr. 5 - zie ook hetzelfde document amendement nr. 21 waarbij dezelfde mogelijkheid werd ingeschreven in artikel 212bis.]
Gelet op die mogelijkheid om de nodige vermeldingen te doen in een afzonderlijk verzoekschrift, aanvaardt de administratie dat de vermeldingen die bij letterlijke interpretatie van het eerste lid van artikel 61/4 verplicht moeten gedaan worden in het corpus van de akte (uitdrukkelijke vraag om toepassing van artikel 61/3, vermelding van de relevante registratierelazen) ook kunnen gedaan worden onderaan op de akte. Als alle nodige vermeldingen voorkomen onderaan op de authentieke akte kunnen ze beschouwd worden als een afzonderlijk verzoekschrift als bedoeld in het tweede lid van artikel 61/4.
2.1. Vormvoorwaarde 1: de toepassing van artikel 61/3 moet uitdrukkelijk gevraagd worden.
17. Het spreekt voor zich dat indien die uitdrukkelijke vraag ontbreekt maar uit de authentieke akte, de vermeldingen onderaan op die akte of uit het separaat verzoekschrift voor het overige blijkt dat één of meerdere van de aankopers de meeneembaarheid wensen in te roepen (voorkomen van de vermeldingen bedoeld in het 2° en 3° van het eerste lid van artikel 61/4) de ontvanger de aandacht van de notaris zal vestigen op het ontbreken van de uitdrukkelijke vraag, teneinde de notaris toe te laten dit recht te zetten en aldus het verval van de onmiddellijke meeneembaarheid te vermijden. Idem dito wanneer de aanvraag op grond van het ontbreken van een ander element zou moeten afgewezen worden. Indien echter geen enkel element in de akte erop duidt dat de belastingplichtige wenst beroep te doen op de meeneembaarheid, dan wordt de akte die het evenredig recht op A2 opeisbaar maakt onmiddellijk geregistreerd volgens de gewone regels. De meeneembaarheid zal dan zelfs achteraf niet meer kunnen bekomen worden op grond van artikel 212quater, omdat volgens dat artikel om op het vangnet beroep te kunnen doen minstens de vermeldingen voorgeschreven bij artikel 61/4, eerste lid, 3°, moeten gedaan zijn.
2.2. Vormvoorwaarde 2: alle gegevens moeten voorhanden zijn om de ontvanger toe te laten de verrekening onmiddellijk te doen.
18. De meeneembaarheid onder de vorm van verrekening brengt een onmiddellijke vermindering van de normaal verschuldigde rechten mee. In dat opzicht vertoont de meeneembaarheid onder de vorm van verrekening een duidelijk voordeel ten opzichte van die onder de vorm van teruggave (primaire en secundaire wijze): de verrekenbare rechten moeten niet geprefinancierd worden. Om die onmiddellijke vermindering mogelijk te maken moet de authentieke akte betreffende A2, de onderaan op die akte gestelde vermeldingen of het separaat verzoekschrift gevoegd bij de akte of het geschrift dat het evenredig recht opeisbaar maakt, dan ook alle daartoe nodige berekeningselementen bevatten.
Concreet houdt dit in dat moeten worden vermeld:
- in geval de meeneembaarheid alleen wordt ingeroepen op grond van de huidige verrichting (artikel 61/3, eerste lid) :
- een afschrift van het registratierelaas aangebracht op de authentieke akte A1, wat meteen vermelding inhoudt van de op A1 geheven rechten. In de volgende gevallen zal het registratierelaas echter moeten aangevuld worden met bijkomende vermeldingen:
1° werd er een meerwaarde gevestigd dan zal het registratierelaas worden aangevuld met een vermelding van de betaalde bijrechten (die evenzeer meeneembaar zijn);2° werden er rechten op A1 teruggegeven op grond van een andere teruggavebepaling dan die inzake meeneembaarheid, dan moet daarvan uiteraard ook melding worden gemaakt (zij verminderen het meeneembaar bedrag);
- het wettelijk aandeel van degene die de meeneembaarheid vraagt in die rechten.
- in geval de meeneembaarheid wordt ingeroepen voor de huidige verrichting en voor nog meeneembare excedenten uit vorige verrichtingen (artikel 61/3, eerste lid en vierde lid)
- mutatis mutandis dezelfde gegevens maar dan voor de volledige keten van de in aanmerking te nemen verrichtingen.
19. Wanneer de akte of het geschrift dat tot de heffing van het evenredig registratierecht aanleiding geeft (authentieke akte, compromis of verklaring bij toepassing van artikel 31 W.Reg.) ter registratie wordt aangeboden, heeft de ontvanger niet tot taak de vorige verrichtingen van de aanvrager te onderzoeken om na te gaan of er eventueel nog andere meeneembare excedenten uit vroegere verrichtingen zijn die niet in de akte of het bijgevoegd separaat verzoekschrift zijn vermeld. Het is de zaak van de aanvrager van het voordeel om de in aanmerking te nemen keten in of onderaan op de authentieke akte of in het separaat verzoekschrift volledig te beschrijven. De ontvanger kan enkel rekening houden met de keten van verrichtingen zoals die in het aangeboden document wordt beschreven. Bij een gebeurlijke vergetelheid van een of meer excedenten kan de natuurlijke persoon enkel nog een aanvullende teruggave bekomen onder de voorwaarden van artikel 212quater.
2.3. Vormvoorwaarde 3 : verklaring dat de verkochte woning (A1) de aanvrager tot hoofdverblijfplaats heeft gediend op het ogenblik van V1 en dat de nieuw aangekochte woning (A2) hem tot nieuwe hoofdverblijfplaats zal dienen binnen de gestelde termijnen.
20. Deze vormvoorwaarde behoeft, gelet op wat reeds eerder in deze circulaire daaromtrent is gezegd, geen verdere toelichting meer.
2.4. Meerdere personen vragen de meeneembaarheid
21. Indien meer dan één persoon op de meeneembaarheid een beroep wenst te doen, moet voor elk van hen afzonderlijk de vereiste vermeldingen worden gedaan.
3. voorwaarde te vervullen voor het behoud van het bekomen voordeel.
22. Om het bekomen voordeel te behouden moet de aanvrager effectief binnen de gestelde termijnen zijn hoofdverblijfplaats vestigen in A2. Het is dus niet voldoende dat hij binnen de gestelde termijnen zijn inschrijving bekomt in het bevolkingsregister of het vreemdelingen-register van de gemeente waar A2 gelegen is. Hij moet er effectief en voornamelijk wonen en dit voor een voldoende lange periode. De bewijslast dat aan deze voorwaarde voldaan is, ligt in geval van geschil daarover bij de belastingplichtige.
Onderafdeling 2.- Voorwaarden voor de meeneembaarheid onder de vorm van teruggave.
23. Mutatis mutandis zijn de voorwaarden dezelfde als voor de meeneembaarheid onder de vorm van verrekening. Ze worden hierna opgesomd met verwijzing naar de corresponderende randnummers in onderafdeling 1. Er wordt alleen nadere toelichting gegeven wanneer dat nodig is ingevolge de specificiteit van de meeneembaarheid-teruggave ten opzichte van de meeneembaarheid-verrekening.
1. grondvoorwaarden
De grondvoorwaarden zijn opgenomen in artikel 212bis, eerste en tweede lid W.Reg.
a) grondvoorwaarden die verband houden met de persoon van de aanvrager van het voordeel
1.1. Alleen natuurlijke personen kunnen het voordeel van de meeneembaarheid genieten - zie randnrs. 1 en 2.
1.2. De elementen in de verrichting moeten de hoofdverblijfplaats van de aanvrager(s) betreffen. De aanvrager moet de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats diende, verkopen binnen een strikt bepaalde termijn na de aankoop van het onroerend goed dat zijn nieuwe hoofdverblijfplaats zal worden.- zie randnrs. 3 tot 6.
24. De verkoop van de vorige woning-hoofdverblijfplaats (A1) moet vaste datum hebben gekregen binnen twee jaar - indien het nieuw aangekochte onroerend goed (A2) een woning is - of binnen drie jaar - indien het nieuw aangekochte onroerend goed (A2) een bouwgrond is - na de datum van de authentieke akte van nieuwe aankoop.
1.3. De natuurlijke persoon moet zijn nieuwe hoofdverblijfplaats binnen een strikt bepaalde termijn vestigen op de plaats van het nieuw aangekochte goed (A2) - zie randnr. 8.
25. Merk op dat bij de meeneembaarheid-teruggave de periode waarbinnen de wederverkoop van A1 vaste datum moet hebben gekregen, samenvalt met de periode waarbinnen de hoofdverblijfplaats moet gevestigd worden op de plaats van A2 (vergelijk met de derde alinea onder randnr. 8).
26. Het tijdlijnschema ziet er bij de meeneembaarheid-teruggave uit zoals weergegeven in de volgende figuur. In dat schema wordt verondersteld dat de authentieke akte betreffende A2 dateert van 4 jaar na de aankoop van A1. V1 heeft vaste datum gekregen precies één jaar na de authentieke akte van A2
Het tijdlijnschema ziet er dus enigszins anders uit dan dat voor de meeneembaarheid-verrekening (vgl. met schema op blz.36).
b) grondvoorwaarden die de elementen in de verrichting of keten van verrichtingen betreffen.
1.4. Alle onroerende goederen waarop de elementen van de verrichting betrekking hebben, moeten in het Vlaams Gewest gelegen zijn - zie randnr. 9.
1.5. Het verkoopelement (V1) in de verrichting (A1-A2-V1) moet betrekking hebben op een woning - zie randnrs. 10 en 11.
1.6. Het tweede aankoopelement in de verrichting (A2) moet verkregen zijn bij een zuivere aankoop. De vervreemding van de vorige hoofdverblijfplaats (V1) moet gedaan zijn bij een zuivere verkoop - zie randnrs 12 en 13.
1.7. De verkrijgingen en vervreemdingen van onroerende goederen met toepassing van het verdelingsrecht komen niet in aanmerking als elementen in verrichtingen.
1.8. A2 moet een eenvoudige aankoop en V1 moet een eenvoudige verkoop zijn - zie randnr. 14.
2. vormvoorwaarden - vermeldingen te doen om de teruggave onmiddellijk te kunnen vragen naar aanleiding van de heffing van de evenredige rechten op V1.
27. De vormvoorwaarden inzake de meeneembaarheid onder de vorm van teruggave zijn opgenomen in het zesde en zevende lid van artikel 212bis. Ook hier geldt de opmerking dat indien meer dan één persoon op de meeneembaarheid beroep kan doen, de vereiste vermeldingen moeten gedaan worden voor elk van hen afzonderlijk.
28. Zoals bij de meeneembaarheid onder de vorm van verrekening kan bij de meeneembaarheid onder de vorm van teruggave (primaire wijze) aan de vormvoorwaarden worden voldaan door de vereiste vermeldingen te doen hetzij in of onderaan op de authentieke akte van wederverkoop of in een separaat verzoekschrift gevoegd bij de akte of het geschrift (authentieke akte, compromis of verklaring bedoeld in artikel 31 W.Reg.) dat het evenredig recht op V1 opeisbaar maakt.
29. De vormvoorwaarden zijn mutatis mutandis dezelfde als bij de meeneembaarheid onder de vorm van verrekening:
2.1. Vormvoorwaarde 1 : de toepassing van artikel 212bis moet uitdrukkelijk gevraagd worden - zie randnr. 17.
30. Overeenkomstig artikel 212bis, zesde lid, 1°, moet het verzoek tot teruggave gedaan worden onderaan de authentieke akte van verkoop en ondertekend worden door de natuurlijke persoon en de instrumenterende openbare ambtenaar.
2.2. Vormvoorwaarde 2: alle gegevens moeten voorhanden zijn om de ontvanger toe te laten het teruggeefbaar bedrag vast te stellen en de teruggave te doen - zie randnrs. 18 en 19.
31. Bij een eenvoudige verrichting-teruggave moet uiteraard zowel betreffende A1 als betreffende A2 het registratierelaas en het wettelijk aandeel worden vermeld. In geval van een keten-teruggave moeten bovendien alle nodige gegevens betreffende de voorgaande verrichtingen worden vermeld.
32. Om de teruggave te vergemakkelijken doet de verzoeker best opgave van het rekeningnummer waarop het terug te geven bedrag kan gestort worden.
2.3. Vormvoorwaarde 3 : Verklaring dat de verkochte woning (A1) de aanvrager tot hoofdverblijfplaats heeft gediend ten tijde van de nieuwe aankoop (A2) en dat hij zijn hoofdverblijfplaats naar het nieuw aangekochte goed (A2) heeft overgebracht of zal overbrengen binnen de gestelde termijnen.
33. Uiteraard kan bij een verrichting-teruggave op het moment van V1 de nieuw aangekochte woning (A2) al in gebruik zijn als nieuwe hoofdverblijfplaats van de aanvrager van het voordeel.
3. voorwaarde te vervullen voor het behoud van de bekomen teruggave.
34. zie randnr 22.
Onderafdeling 3. Sancties bij het niet vervullen of naleven van de grond- of vormvoorwaarden en van de voorwaarde voor het behoud van het bekomen voordeel. Sanctie bij onjuiste vermeldingen.
1. niet vervullen van de grondvoorwaarden
35. Het niet vervullen van de grondvoorwaarden wordt uiteraard gesanctioneerd door de niet-toekenning van het aangevraagde voordeel van de meeneembaarheid. In principe is er geen andere sanctie (geen boete dus), tenzij het een grondvoorwaarde betreft die zijn vertaling vindt in een vormvoorwaarde en de aanvrager daaromtrent een onjuiste vermelding heeft gedaan.
36. In geval pas na de registratie van de akte blijkt dat een grondvoorwaarde niet is vervuld terwijl de heffing is geschied met toekenning van het voordeel van de meeneembaarheid, dan zal naargelang het geval het aanvullend recht moeten ingevorderd worden of het teruggegeven bedrag moeten teruggevorderd worden, uiteraard rekening houdend met de toepasselijke verjaringsregels. In voorkomend geval zal ook een boete ten bedrage van het bij te vorderen of terug te vorderen bedrag verschuldigd zijn (zie verder onder randnr. 39)
2. niet vervullen van de vormvoorwaarden - sanctie bij onjuiste vermeldingen
37. Wanneer de ontvanger vaststelt dat één van de vormvoorwaarden voor de meeneembaarheid onder de vorm van verrekening (zie artikel 61/4, eerste en tweede lid) niet is vervuld op het ogenblik van de aanbieding ter registratie van de akte of het geschrift dat aanleiding geeft tot de heffing van het evenredig recht, moet de akte of het geschrift volgens het voorschrift neergelegd in artikel 61/4, tweede lid, geregistreerd worden volgens de gewone regels (14). Die strenge vereiste is ingegeven door het feit dat de verrekening onmiddellijk dient te gebeuren. In voorkomend geval zal de ontvanger echter de aandacht van de aanbieder ter registratie vestigen op het ontbrekende element (zie randnr. 17) om hem toe te laten de nodige correcties te doen vóór de registratie van de akte of het geschrift.
[(14) Het derde lid van artikel 61/4 stelt dat de "authentieke akte" van de nieuwe aankoop dan zonder toepassing van artikel 61/3 wordt geregistreerd. Dit moet zijn "de akte of het geschrift dat het evenredig recht opeisbaar maakt". Het 2de lid van artikel 61/4 werd bij amendement ingevoegd. De Vlaamse decreetgever heeft vergeten naar aanleiding daarvan het oorspronkelijk tweede lid (dat nu het derde lid vormt), dienovereenkomstig aan te passen.]
38. Bij de meeneembaarheid onder de vorm van een teruggave (artikel 212bis) is er geen uitdrukkelijke equivalent van het strenge voorschrift van artikel 61/4, 3de lid voorzien. Gelet op het vangnet dat geboden wordt door artikel 212quater, mag er vanuit gegaan worden dat dezelfde gestrengheid in het kader van de primaire wijze van meeneembaarheid onder de vorm van teruggave moet toegepast worden als bij de meeneembaarheid onder de vorm van verrekening.
De ontvanger zal er in ieder geval op wijzen dat indien de nodige correcties niet worden gedaan vóór de registratie, de belanghebbenden achteraf maar de meeneembaarheid op secundaire wijze zullen kunnen vragen op voorwaarde dat in de akte of het geschrift dat aanleiding geeft tot de heffing van het evenredig recht minstens - naargelang het geval - de vermeldingen voorgeschreven bij artikel 61/4, eerste lid, 3° of artikel 212bis, zesde lid, 3° voorkomen (zie verder - vangnet - artikel 212quater, tweede lid).
39. Artikel 61/5, eerste lid, bestraft de onjuistheid in de vermeldingen voorgeschreven bij artikel 61/4 met een boete, maar alleen wanneer de onjuistheid aanleiding heeft gegeven tot een grotere meeneembaarheid dan wanneer de vermelding wel correct was geweest. De boete is gelijk aan het verschil tussen het gewone recht op A2 en het bij A2 geïnde recht. Uiteraard dienen dan ook de bijrechten te worden betaald.
Er is sprake van onjuistheid in de vermeldingen wanneer:
- een afschrift van een registratierelaas niet overeenstemt met het origineel, inzonderheid wat de betaalde rechten betreft (15);
- een onjuist wettelijk aandeel in de rechten wordt vermeld;
- wanneer de verkochte woning de aanvrager niet tot hoofdverblijfplaats diende ten tijde van de verkoop;
- wanneer de aanvrager zijn hoofdverblijfplaats niet binnen de gestelde termijn gevestigd heeft op de plaats van het nieuw aangekochte goed.
[(15) Wanneer op een aankoopelement een meerwaarde werd gevestigd, moet de notaris het registratierelaas aanvullen met een vermelding van het geheven bijrecht en dus niet het registratierelaas aanpassen door de bijrechten bij de onmiddellijk op de akte geheven rechten te voegen. Werden de in het registratierelaas vermelde rechten gedeeltelijk teruggegeven op een andere grond dan de meeneembaarheid, dan moet daarvan ook melding worden gemaakt ( zie randnr. 18).]
De boete wordt berekend rekening houdend met de oorspronkelijke heffingsgrondslag waarop de verrekening is gebeurd.
Het tweede lid van artikel 61/5 bepaalt dat de boete evenwel niet verschuldigd is wanneer de aanvrager door overmacht zijn hoofdverblijfplaats niet binnen de gestelde termijn heeft kunnen vestigen op de plaats van het nieuw aangekochte goed. Het bijrecht blijft dan evenwel verschuldigd.
40. De sanctiebepaling in artikel 212bis, achtste lid is een afspiegeling van de sanctiebepaling in artikel 61/5. Hetgeen gezegd wordt onder randnr. 39 moet dus mutatis mutandis geacht worden ook in het kader van de onderhavige sanctiebepaling van toepassing te zijn.
Afdeling 7.- Cumulatie van artikel 212 en artikel 212bis uitgesloten
41. Het nieuwe artikel 212ter sluit uitdrukkelijk de mogelijkheid uit van cumulatie van het voordeel verbonden aan de toepassing van artikel 212 (wederverkoop binnen de twee jaar) met dat verbonden aan de toepassing van artikel 212bis. De belanghebbenden zullen dus in voorkomend geval een keuze moeten maken. Het hoeft geen betoog dat die cumulatie ook uitgesloten is wanneer het voordeel van artikel 212bis op secundaire wijze - via artikel 212quater dus - wordt gevraagd.
Afdeling 8.- Artikel 212quater - Het vangnet - Secundaire wijze waarop voorheen betaalde registratierechten kunnen worden meegenomen.
42. Het nieuwe artikel 212quater is het gevolg van een amendement (16). De verantwoording van dat amendement luidt: "Deze wijziging heeft tot doel een vangnet te voorzien voor het geval om een of andere reden de meeneembaarheid niet kan ingeroepen worden op het moment van de aanbieding van de akte van wederaankoop of -verkoop ter registratie. Het zou moeilijk te verantwoorden zijn ten opzichte van de belastingplichtige mocht hij het voordeel van de meeneembaarheid definitief mislopen omwille van het niet-tijdig kunnen vervullen van vormvoorwaarden. Daarom wordt voorzien dat er na bedoelde aanbieding nog teruggave kan bekomen worden mits alle voorwaarden daartoe vervuld worden binnen de zes maanden na de akte van wederaankoop of -verkoop. In de akte wordt dan wel reeds de intentie geuit dat hij zal voldoen aan zijn verplichtingen inzake de vestiging van zijn hoofdverblijfplaats.".
[(16) zie Vlaams Parlement, Stuk 923 (2001-2001) - Nr. 2 van 8 januari 2002. Amendement nr. 23]
43. Op primaire wijze wordt het voordeel van de meeneembaarheid gevraagd naar aanleiding van de aanbieding ter registratie van het document dat aanleiding geeft tot de heffing van de evenredige rechten op hetzij:
- de aankoop van de nieuwe woning-hoofdverblijfplaats (of bouwgrond voor een dergelijke woning) in geval van meeneembaarheid onder de vorm van verrekening;
- de verkoop van de vorige woning-hoofdverblijfplaats in geval van meeneembaarheid onder de vorm van teruggave.
Bedoeld document kan zijn de authentieke akte, de compromis of een verklaring bij toepassing van artikel 31 W.Reg.
Er kunnen zich omstandigheden voordoen waardoor het voor de belastingplichtige moeilijk is om op het ogenblik van de registratie reeds aan alle vormvoorwaarden te kunnen voldoen.
Welke die omstandigheden ook zijn, hij kan na de registratie van het hiervoor bedoeld document nog altijd het beoogde voordeel bekomen door teruggave van de meeneembare rechten te vragen op de "klassieke" manier. Dit wil zeggen door middel van een met redenen omklede aanvraag genotificeerd bij ter post aangetekend schrijven aan de ontvanger die het evenredig recht op A2 heeft geheven of aan de gewestelijke directeur (cf. artikel 2172 W.Reg.) (17). Dit geldt zowel voor een verrichting van het type verrekening als voor een verrichting van het type teruggave.
[(17) De teruggave kan ook onmiddellijk voor de fiscale rechtbank gevraagd worden. De vordering moet dan wel ingesteld worden binnen de zes maanden.]
44. De wijze waarop de teruggave op grond van artikel 212quater moet gevraagd worden mag dan klassiek zijn, dat artikel vertoont ook twee bijzonderheden waarbij wordt afgeweken van de gewone regels inzake teruggaven:
1° de vordering tot teruggave verjaart na zes maanden te rekenen van de datum van de registratie van A2 of V1 (naargelang het type van verrichting) met toepassing van het evenredig recht (18). Hierbij wordt dus afgeweken van artikel 215 W.Reg.
[(18) Wordt de verjaring gestuit door de aanvraag, dan wordt de hierdoor ontstane situatie beheerst door het bepaalde in het tweede lid van artikel 217/2 W.Reg.]
2° de teruggave kan maar gevorderd worden indien het document dat betreffende A2 (verrichting van het type verrekening) of V1 (verrichting van het type teruggave) aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht, naar gelang het geval de vermeldingen bevat voorgeschreven door artikel 61/4, eerste lid, 3° of door artikel 212bis, zesde lid, 3°. Hiermee heeft de Vlaamse decreetgever de teruggave bij toepassing van artikel 212quater afhankelijk gesteld van de vereiste dat diegene die de secundaire wijze van meeneembaarheid inroept reeds bij het realiseren van de verrichting de intentie moet hebben gehad om zijn hoofdverblijfplaats naar het nieuw aangekochte goed over te brengen.
45. Uiteraard moet het verzoek tot teruggave alle elementen bevatten die moeten toelaten het meeneembaar bedrag vast te stellen (cf. vereiste vermeldingen krachtens het laatste lid van artikel 212quater) en de teruggave te doen.
Afdeling 9. - Inwerkingtreding
46. zie hiervoor circulaire 3-2/2002.
NAMENS DE MINISTER
De adjunct-administrateur-generaal van de belastingen,
Jean-Marc DELPORTE
----------
BIJLAGE 1
Tekst van de nieuwe artikelen 61/3 tot 61/5 en 212bis tot 212quater W.Reg. zoals ze in het Vlaamse Gewest gelden met ingang van 1 januari 2002
Artikel 61/3
In geval van zuivere en eenvoudige aankoop van een tot bewoning aangewend of bestemd onroerend goed door een natuurlijke persoon om er zijn hoofdverblijfplaats te vestigen, wordt zijn wettelijk aandeel in de rechten die overeenkomstig de artikelen 44, 53, 2°, of 57 verschuldigd waren op de aankoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, verrekend met zijn wettelijk aandeel in de rechten verschuldigd op de nieuwe aankoop, mits de nieuwe aankoop vaste datum heeft gekregen binnen twee jaar te rekenen van de datum van de authentieke akte van de zuivere en eenvoudige wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend.
Van de verrekening overeenkomstig de bepalingen van dit artikel zijn uitgesloten de rechten betaald voor de verkrijging van een onroerend goed dat niet in het Vlaamse Gewest is gelegen.
De verrekening overeenkomstig de bepalingen van dit artikel levert in geen geval grond voor een teruggave op.
In geval een verrichting als bedoeld in het eerste lid is voorafgegaan door een of meer zulke verrichtingen en/of door een of meer verrichtingen als bedoeld in het eerste lid van artikel 212bis, worden, in voorkomend geval, de bij die voorgaande verrichtingen ingevolge de toepassing van het derde of het vijfde lid van dit artikel nog niet verrekende rechten en/of de ingevolge de toepassing van het derde of het vijfde lid van artikel 212bis nog niet teruggegeven rechten, gevoegd bij het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de overeenkomstig de artikelen 44, 53, 2° of 57 verschuldigde rechten op de voorlaatste aankoop, om het verrekenbaar bedrag bij de laatste aankoop te bepalen.
Het te verrekenen bedrag, bekomen met toepassing van het eerste of van het vierde lid kan nooit meer bedragen dan 12.500 euro. Dit maximum te verrekenen bedrag wordt bepaald in verhouding tot de fractie die de natuurlijke persoon bekomt in het nieuw aangekochte goed.
Artikel 61/4
Aan de in artikel 61/3 bepaalde verrekening zijn de volgende voorwaarden verbonden:
1° de toepassing van artikel 61/3 wordt uitdrukkelijk gevraagd in de authentieke akte van de nieuwe aankoop;
2° de authentieke akte van de nieuwe aankoop bevat een afschrift van het registratierelaas dat is aangebracht op de authentieke akte van aankoop van de verkochte woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de rechten geheven op die vorige aankoop;
Indien de verrekening wordt gevraagd met toepassing van het vierde lid van artikel 61/3 dan moet die akte bovendien de afschriften bevatten van de relazen aangebracht op de akten betreffende de in aanmerking te nemen voorafgaande verrichtingen en bij ieder relaas het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de verrekende of teruggegeven rechten vermelden.
3° in de authentieke akte van de nieuwe aankoop of in een ondertekende en waar en oprecht verklaarde vermelding onderaan op de akte, vermeldt de natuurlijke persoon uitdrukkelijk:
a) dat de verkochte woning hem tot hoofdverblijfplaats diende ten tijde van de verkoop;
b) dat hij zijn hoofdverblijfplaats op de plaats van het nieuw aangekochte goed zal vestigen:
- binnen twee jaar na de datum van de authentieke akte van aankoop, indien het een woning betreft;
- binnen drie jaar na dezelfde datum, indien het een bouwgrond betreft.
Aan de voorwaarden van het eerste lid wordt ook geacht voldaan te zijn als het verzoek en de vermeldingen het voorwerp uitmaken van een door de natuurlijke persoon ondertekend verzoek, dat het ter registratie aangeboden en tot de heffing van het evenredig registratierecht aanleiding gevend document, vergezelt.
Indien een van de voorwaarden bepaald in het eerste lid niet is vervuld, wordt de authentieke akte van de nieuwe aankoop geregistreerd zonder toepassing van artikel 61/3.
Artikel 61/5
In geval van onjuistheid of niet-nakoming van de vermeldingen voorgeschreven bij artikel 61/4, is de natuurlijke persoon gehouden tot betaling van het verschil tussen het gewone recht en het geïnde recht, alsook van een boete ten bedrage van dat verschil.
De boete is evenwel niet verschuldigd wanneer de niet-nakoming van de verbintenis die wordt opgelegd door artikel 61/4, eerste lid, 3°, b, het gevolg is van overmacht.
Artikel 212bis
In geval van zuivere en eenvoudige verkoop door een natuurlijke persoon van een als zijn hoofdverblijfplaats aangewende woning, na de zuivere en eenvoudige aankoop van een onroerend goed dat hij als nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt, wordt zijn wettelijk aandeel in de rechten die overeenkomstig de artikelen 44, 53, 2° of 57 verschuldigd waren op de aankoop van de verkochte woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, teruggegeven mits de verkoop vaste datum heeft gekregen binnen twee jaar, of drie jaar in geval van aankoop van een bouwgrond, te rekenen van de datum van de authentieke akte van de nieuwe aankoop.
Van de teruggave overeenkomstig de bepalingen van dit artikel zijn uitgesloten de rechten betaald voor de verkrijging van een onroerend goed dat niet in het Vlaamse Gewest is gelegen.
De teruggave overeenkomstig de bepalingen van dit artikel kan in geen geval meer bedragen dan het bedrag van het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de rechten geheven op de nieuwe aankoop.
In geval een verrichting als bedoeld in het eerste lid is voorafgegaan door een of meer zulke verrichtingen en/of door een of meer verrichtingen als bedoeld in het eerste lid van artikel 61/3, worden, in voorkomend geval, de bij die voorgaande verrichtingen ingevolge de toepassing van het derde of het vijfde lid van dit artikel nog niet teruggegeven rechten en/of de ingevolge de toepassing van het derde of het vijfde lid van artikel 61/3 nog niet verrekende rechten, gevoegd bij het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de overeenkomstig de artikelen 44, 53, 2° of 57 verschuldigde rechten op de voorlaatste aankoop, om het teruggeefbaar bedrag bij de wederverkoop ervan te bepalen.
Het terug te geven bedrag, bekomen met toepassing van het eerste of het vierde lid kan nooit meer bedragen dan 12.500 euro. Dit maximum terug te geven bedrag wordt bepaald in verhouding tot de fractie die de natuurlijke persoon bekomt in het nieuw aangekochte goed.
Aan de teruggave zijn de volgende voorwaarden verbonden:
1° het verzoek tot teruggave, ondertekend door de natuurlijke persoon en de instrumenterende notaris, wordt gedaan onderaan de authentieke akte van de verkoop;
2° de authentieke akte van de verkoop bevat:
a) een afschrift van het registratierelaas dat is aangebracht op de authentieke akte van aankoop van de verkochte woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de rechten geheven op die aankoop;
b) een afschrift van het registratierelaas dat is aangebracht op de authentieke akte van aankoop van de nieuwe hoofdverblijfplaats en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de rechten geheven op die aankoop;
Indien de teruggave wordt gevraagd met toepassing van het vierde lid van dit artikel dan moet die akte bovendien de afschriften bevatten van de relazen aangebracht op de akten betreffende de in aanmerking te nemen voorafgaande verrichtingen en bij ieder relaas het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de verrekende of teruggegeven rechten vermelden.
3° in de authentieke akte van wederverkoop of in een ondertekende en waar en oprecht verklaarde vermelding onderaan de akte, verklaart de natuurlijke persoon uitdrukkelijk:
a) dat de wederverkochte woning hem tot hoofdverblijfplaats diende ten tijde van de nieuwe aankoop;
b) dat hij zijn hoofdverblijfplaats op de plaats van het nieuw aangekochte goed heeft gevestigd of zal vestigen:
- binnen twee jaar na de datum van de authentieke akte van aankoop, indien het een woning betreft;
- binnen drie jaar na dezelfde datum, indien het een bouwgrond betreft.
Aan de voorwaarden van het zesde lid wordt ook geacht voldaan te zijn als het verzoek en de vermeldingen het voorwerp uitmaken van een door de natuurlijke persoon ondertekend verzoek tot teruggave dat het ter registratie aangeboden en tot de heffing van het evenredig registratierecht aanleiding gevend document vergezelt.
In geval van onjuistheid of niet-nakoming van de vermeldingen voorgeschreven bij het zesde lid, is de natuurlijke persoon gehouden tot betaling van de onrechtmatig teruggegeven rechten en van een boete gelijk aan die rechten. De boete is evenwel niet verschuldigd indien de niet-nakoming van de verplichting opgelegd door het zesde lid, 3°, b, het gevolg is van overmacht.
Het verzoek tot teruggave heeft dezelfde gevolgen als het met redenen omkleed verzoek ingevolge artikel 217². Het verzoek vermeldt in voorkomend geval het rekeningnummer waarop het bedrag van de terug te geven rechten kan worden gestort.
Artikel 212ter
De teruggaven bepaald in de 212" book="CATCH_ALL">212bis mogen niet gecumuleerd worden.
Artikel 212quater
In geval het voordeel van de meeneembaarheid van voorheen betaalde registratierechten als bedoeld in de artikelen 61/3 en 212bis niet werd gevraagd of niet werd bekomen naar aanleiding van de registratie van de akte van aankoop of van verkoop, kunnen de meeneembare rechten nog worden teruggegeven op een verzoek in te dienen overeenkomstig de bepalingen van artikel 217² binnen zes maanden te rekenen van de datum van de registratie van die akte.
In de akte van aankoop of verkoop dient de natuurlijke persoon die van deze teruggave gebruik wenst te maken de vermeldingen op te nemen voorgeschreven bij, naargelang van het geval, artikel 61/4, eerste lid, 3° of artikel 212bis, zesde lid, 3°.
Het verzoek tot teruggave bevat, naargelang van het geval, de vermeldingen voorgeschreven bij 2° van het eerste lid van artikel 61/4 of bij 2° van het zesde lid van artikel 212bis. Het verzoek vermeldt in voorkomend geval ook het rekeningnummer waarop het bedrag van de terug te geven rechten kan worden gestort."."
Bron: FisconetPlus
