Aanschrijving nr. 8 dd. 12.09.1986
AANSCHRIJVING 86/008
Aanschrijving nr. 8 dd. 12.09.1986
Correctionele straf
Fiscaal misdrijf
Fiscale boete
Vervolging
Klacht bij het parket
Strafrechtelijke vervolging
Interest
Misdaad
Procureur des Konings
Vermindering van de boete
Het Belgisch Staatsblad van 20 augustus 1986 heeft de wet van 4 augustus 1986 (1) houdende fiscale bepalingen bekendgemaakt. De bepalingen van deze wet met betrekking tot de BTW, de met het zegel gelijkgestelde taksen, de registratie-, hypotheek- en griffierechten, de successierechten en de zegelrechten, waarvan de tekst in bijlage gaat, worden hierna kort besproken.
(1) Z. Revue nr. 73, blz. 247.
I. Wijzigingen gemeenschappelijk aan het BTW-Wetboek, het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, het Wetboek der successierechten en het Wetboek der zegelrechten.
1 Een aantal bepalingen van de wet behelzen een mildering van de correctionele straffen voor fiscale misdrijven.
Deze bepalingen zijn vervat:
- in de artikelen 67 tot 70 (wijziging van de artikelen 73, 73bis, 73quater en 73quinquies van het BTW-Wetboek);
- in de artikelen 77 tot 80 (wijziging van de artikelen 207, 207bis, 207quater en 207quinquies van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen);
- in de artikelen 83 tot 86 (wijziging van de artikelen 206, 206bis, 207bis en 207ter van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten);
- in de artikelen 90 tot 93 (wijziging van de artikelen 133, 133bis, 133quater en 133quinquies van het Wetboek der successierechten);
- en in de artikelen 98 tot 101 (wijziging van de artikelen 66, 66bis, 67quater en 67quinquies van het Wetboek der zegelrechten).
Deze bepalingen zijn in werking getreden op 20 augustus 1986.
2 Andere bepalingen wijzigen de procedure van strafrechtelijke vervolging van fiscale misdrijven. De innovaties kunnen als volgt worden samengevat:
a) het openbaar ministerie kan geen vervolgingen instellen wanneer hij kennis heeft gekregen van de feiten ten gevolge van een klacht of aangifte van een ambtenaar die daartoe niet de machtiging heeft gekregen overeenkomstig artikel 29, 2de lid, van het Wetboek van Strafvordering (z. punt c hierna). Tenzij de procureur des Konings met de feiten bekend is gemaakt ingevolge een klacht die is ingediend of een aangifte die is gedaan door de daartoe gemachtigde ambtenaren, moet hij, indien hij een vervolging wil instellen, het advies van de bevoegde gewestelijke directeur vragen. De procureur des Konings voegt het feitenmateriaal waarover hij beschikt bij zijn verzoek om advies; de gewestelijke directeur dient binnen vier maanden na de ontvangst van het aan hem gerichte verzoek hierop te antwoorden;
b) de ambtenaren van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen en van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie mogen, op straffe van nietigheid van de akte van rechtspleging, slechts als getuige worden gehoord.
Deze bepalingen zijn vervat:
- in de artikelen 71 en 72 (wijziging van artikel 74 van het BTW-Wetboek en invoering van een artikel 74bis);
- in de artikelen 81 en 82 (wijziging van artikel 207nonies van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen en invoering van een artikel 207decies);
- in de artikelen 87 en 88 (wijziging van artikel 207septies van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en invoering van een artikel 207octies); - in de artikelen 94 en 95 (wijziging van artikel 133nonies van het Wetboek der successierechten en invoering van een artikel 133decies)
- en in de artikelen 102 en 103 (wijziging van artikel 67nonies van het Wetboek der zegelrechten en invoeging van een artikel 67decies);
c) de machtiging waarvan sprake sub a) is vervat in artikel 107; dit artikel voegt een nieuw lid toe aan artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering (1). Luidens deze nieuwe bepaling mogen de ambtenaren van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen de feiten die naar luid van de belastingwetten en de ter uitvoering ervan genomen besluiten strafrechtelijk kunnen worden vervolgd slechts ter kennis brengen van de procureur des Konings mits zij daartoe gemachtigd zijn door de bevoegde gewestelijke directeur. Dezelfde feiten kunnen door de ambtenaren van de Administratie der bijzondere belastinginspectie niet zonder machtiging van de directeur-generaal van die administratie ter kennis van de procureur des Konings worden gebracht.
(1) De huidige tekst van dit artikel luidt als volgt: "iedere gestelde overheid, ieder openbaar officier of ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of van een wanbedrijf, is verplicht daarvan dadelijk bericht te geven aan de procureur des Konings bij de rechtbankbinnen wier rechtsgebied die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd of de verdachte zou kunnen worden gevonden, en aan die magistraat alle desbetreffendeinlichtingen, processen-verbaal en akten te doen toekomen".
Deze bepalingen treden in werking op 1 februari 1987.
3 De wet bevat ook nog bepalingen waarbij de Koning wordt gemachtigd om de barema's voor de vermindering van de evenredige fiscale boeten bij koninklijk besluit vast te leggen.
Deze bepalingen zijn vervat:
- in artikel 73 (aanvulling van artikel 84 van het BTW-Wetboek met een nieuw lid);
- in artikel 75 (aanvulling van artikel 2024 van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen met een nieuw lid);
- in artikel 89 (aanvulling van artikel 219 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten met een nieuw lid);
- in artikel 96 (aanvulling van artikel 141 van het Wetboek der successierechten met een nieuw lid)
- en in artikel 104 (aanvulling van artikel 74 van het Wetboek der zegelrechten met een nieuw lid).
- Deze bepalingen treden in werking op 1 februari 1987.
De tekst van de koninklijke besluiten die ter uitvoering van deze artikelen zullen worden genomen alsmede een commentaar, zullen het voorwerp uitmaken van afzonderlijke aanschrijvingen.
4 Tenslotte bepaalt artikel 109 van de wet dat, telkens wanneer aan de belastingplichtige een bericht wordt gezonden, waarbij hem een administratieve boete wordt opgelegd, dit bericht de volgende gegevens dient te begrijpen:
a) de feiten die de overtreding opleveren;
b) de verwijzing naar de toegepaste wets- of verordeningsteksten;
c) de motieven die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen.
Deze bepaling is in werking getreden op 20 augustus 1986.
II. Wijzigingen gemeenschappelijk aan het BTW-Wetboek, het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen en het Wetboek der successierechten.
Een aantal bepalingen van de wet machtigen de bevoegde gewestelijke directeur om, in bijzondere gevallen en onder de door hem bepaalde voorwaarden, gehele of gedeeltelijke vrijstelling van interesten te verlenen.
Deze bepalingen zijn vervat:
- in artikel 74 (invoeging van een artikel 84bis in het BTW- Wetboek);
- in artikel 76 (invoeging van een artikel 204/4bis in het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen)
- en in artikel 97 (invoeging van een artikel 141bis in het Wetboek der successierechten).
Deze bepalingen zijn in werking getreden op 20 augustus 1986. Zij gelden zowel voor de interesten vervallen op die datum als op deze die nog zullen vervallen.
III.Wijzigingen aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.
Artikel 46 van de wet brengt de termijn bepaald in artikel 212, 1ste lid, van dat wetboek van twee jaar op vijf jaar.
Dat artikel is in werking getreden op 30 augustus 1986. Het aldus gewijzigde artikel 212 is van toepassing op alle, bij authentieke akten, vastgestelde wederverkopen vanaf die datum. Deze aanpassing vereist geen bijkomende commentaar; ter zake wordt mutatis mutandis verwezen naar de aanschrijving nr. 11 van 12 september 1985.
IV. Wijzigingen aan het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
Artikel 45 van de wet wijzigt artikel 91 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde door:
1 het tarief van de interesten bepaald in de §§ 1, 2 en 3 van dat artikel te verminderen van 1 pct. tot 0,8 pct. per kalendermaand;
2 de Koning te machtigen om in de toekomst het tarief van die interesten aan te passen wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is.
Dit artikel treedt in werking op 1 oktober 1986.
Het tarief dat bij de wet van 24 december 1976 (1) met betrekking tot de budgettaire voorstellen 1976-1977, gepubliceerd in het Belgisch Staatsbladvan 28 december 1976, van 0,6 pct. tot 1 pct. werd gebracht (z. aanschr. 1/1977), wordt dus van 1 pct. tot 0,8 pct. verminderd voor de maandelijkse interest die van rechtswege verschuldigd is:
- wegens niet-tijdige betaling van de belasting, verschuldigd door belastingplichtigen die gehouden zijn tot het indienen van periodieke aangiften, met inbegrip van de niet-tijdig verrichte herzieningen door die belastingplichtigen (z. aanschr. 115/1972 (2), §§ 38 en 39), evenals wegens niet-tijdige betaling van de bij invoer verschuldigde belasting (z. art. 91, § 1, 1); - wegens niet-tijdige betaling van de belasting, verschuldigd door toevallige belastingplichtigen, bedoeld in artikel 8, §§ 2 en 3, van het Wetboek, ten gevolge van de gehele of gedeeltelijke vervreemding onder bezwarende titel van een nieuw gebouw als bedoeld in artikel 9, § 3, van het Wetboek (z. art. 91, § 1, 2, en art. 2 van het kon. besl. nr. 14 van 3 juni 1970);
- of het supplement van de belasting dat gevorderd wordt wanneer de in artikel 59, § 2, van het Wetboek bedoelde procedure uitwijst dat de belasting werd voldaan over een maatstaf die lager is dan de normale waarde van een gebouw of van werk in onroerende staat met betrekking tot een op te richten gebouw (z. art. 91, § 2, en kon. besl. nr. 15 van 3 juni 1970);
- door de Staat over het belastingkrediet dat op het einde van een kalenderjaar bestaat in het voordeel van een belastingplichtige die in België is gevestigd, hier te lande een vaste inrichting heeft of die, overeenkomstig artikel 55 van het Wetboek, hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen, en dat niet werd terugbetaald op 31 maart van het volgende jaar wanneer de belastingplichtige er uitdrukkelijk om heeft verzocht (z. art. 91, § 3; z. ook art. 76, eerste lid, van hetzelfde wetboek). De nieuwe bepalingen brengen geen enkele wijziging teweeg aan de wijze waarop de intrest wordt berekend; die wordt per maand berekend, waarbij ieder begonnen tijdvak van een maand voor een gehele maand wordt gerekend.
(1) Z. Revue nr. 28, blz. 6) (2) Z. Revue nr. 11, blz. 158.
Het nieuwe percentage van 0,8 pct. moet bijgevolg worden toegepast vanaf de eerste periode van een maand die aanvangt na 30 september 1986. Ten aanzien van de voor 1 oktober 1986 verlopen of begonnen maandelijkse periode blijft de interest verschuldigd tegen het oude tarief van 1 pct.
Wat de moratoire interest betreft waarvan sprake in artikel 91, § 4, van het BTW-Wetboek wordt er aan herinnerd dat de wettelijke rentevoet in burgerlijke zaken vanaf 1 augustus 1986 tot 8 pct. werd verminderd (z. aanschr. 5/1986)
Aanschrijving nr. 8 dd. 12.09.1986
Correctionele straf
Fiscaal misdrijf
Fiscale boete
Vervolging
Klacht bij het parket
Strafrechtelijke vervolging
Interest
Misdaad
Procureur des Konings
Vermindering van de boete
Het Belgisch Staatsblad van 20 augustus 1986 heeft de wet van 4 augustus 1986 (1) houdende fiscale bepalingen bekendgemaakt. De bepalingen van deze wet met betrekking tot de BTW, de met het zegel gelijkgestelde taksen, de registratie-, hypotheek- en griffierechten, de successierechten en de zegelrechten, waarvan de tekst in bijlage gaat, worden hierna kort besproken.
(1) Z. Revue nr. 73, blz. 247.
I. Wijzigingen gemeenschappelijk aan het BTW-Wetboek, het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, het Wetboek der successierechten en het Wetboek der zegelrechten.
1 Een aantal bepalingen van de wet behelzen een mildering van de correctionele straffen voor fiscale misdrijven.
Deze bepalingen zijn vervat:
- in de artikelen 67 tot 70 (wijziging van de artikelen 73, 73bis, 73quater en 73quinquies van het BTW-Wetboek);
- in de artikelen 77 tot 80 (wijziging van de artikelen 207, 207bis, 207quater en 207quinquies van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen);
- in de artikelen 83 tot 86 (wijziging van de artikelen 206, 206bis, 207bis en 207ter van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten);
- in de artikelen 90 tot 93 (wijziging van de artikelen 133, 133bis, 133quater en 133quinquies van het Wetboek der successierechten);
- en in de artikelen 98 tot 101 (wijziging van de artikelen 66, 66bis, 67quater en 67quinquies van het Wetboek der zegelrechten).
Deze bepalingen zijn in werking getreden op 20 augustus 1986.
2 Andere bepalingen wijzigen de procedure van strafrechtelijke vervolging van fiscale misdrijven. De innovaties kunnen als volgt worden samengevat:
a) het openbaar ministerie kan geen vervolgingen instellen wanneer hij kennis heeft gekregen van de feiten ten gevolge van een klacht of aangifte van een ambtenaar die daartoe niet de machtiging heeft gekregen overeenkomstig artikel 29, 2de lid, van het Wetboek van Strafvordering (z. punt c hierna). Tenzij de procureur des Konings met de feiten bekend is gemaakt ingevolge een klacht die is ingediend of een aangifte die is gedaan door de daartoe gemachtigde ambtenaren, moet hij, indien hij een vervolging wil instellen, het advies van de bevoegde gewestelijke directeur vragen. De procureur des Konings voegt het feitenmateriaal waarover hij beschikt bij zijn verzoek om advies; de gewestelijke directeur dient binnen vier maanden na de ontvangst van het aan hem gerichte verzoek hierop te antwoorden;
b) de ambtenaren van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen en van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie mogen, op straffe van nietigheid van de akte van rechtspleging, slechts als getuige worden gehoord.
Deze bepalingen zijn vervat:
- in de artikelen 71 en 72 (wijziging van artikel 74 van het BTW-Wetboek en invoering van een artikel 74bis);
- in de artikelen 81 en 82 (wijziging van artikel 207nonies van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen en invoering van een artikel 207decies);
- in de artikelen 87 en 88 (wijziging van artikel 207septies van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en invoering van een artikel 207octies); - in de artikelen 94 en 95 (wijziging van artikel 133nonies van het Wetboek der successierechten en invoering van een artikel 133decies)
- en in de artikelen 102 en 103 (wijziging van artikel 67nonies van het Wetboek der zegelrechten en invoeging van een artikel 67decies);
c) de machtiging waarvan sprake sub a) is vervat in artikel 107; dit artikel voegt een nieuw lid toe aan artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering (1). Luidens deze nieuwe bepaling mogen de ambtenaren van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen de feiten die naar luid van de belastingwetten en de ter uitvoering ervan genomen besluiten strafrechtelijk kunnen worden vervolgd slechts ter kennis brengen van de procureur des Konings mits zij daartoe gemachtigd zijn door de bevoegde gewestelijke directeur. Dezelfde feiten kunnen door de ambtenaren van de Administratie der bijzondere belastinginspectie niet zonder machtiging van de directeur-generaal van die administratie ter kennis van de procureur des Konings worden gebracht.
(1) De huidige tekst van dit artikel luidt als volgt: "iedere gestelde overheid, ieder openbaar officier of ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of van een wanbedrijf, is verplicht daarvan dadelijk bericht te geven aan de procureur des Konings bij de rechtbankbinnen wier rechtsgebied die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd of de verdachte zou kunnen worden gevonden, en aan die magistraat alle desbetreffendeinlichtingen, processen-verbaal en akten te doen toekomen".
Deze bepalingen treden in werking op 1 februari 1987.
3 De wet bevat ook nog bepalingen waarbij de Koning wordt gemachtigd om de barema's voor de vermindering van de evenredige fiscale boeten bij koninklijk besluit vast te leggen.
Deze bepalingen zijn vervat:
- in artikel 73 (aanvulling van artikel 84 van het BTW-Wetboek met een nieuw lid);
- in artikel 75 (aanvulling van artikel 2024 van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen met een nieuw lid);
- in artikel 89 (aanvulling van artikel 219 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten met een nieuw lid);
- in artikel 96 (aanvulling van artikel 141 van het Wetboek der successierechten met een nieuw lid)
- en in artikel 104 (aanvulling van artikel 74 van het Wetboek der zegelrechten met een nieuw lid).
- Deze bepalingen treden in werking op 1 februari 1987.
De tekst van de koninklijke besluiten die ter uitvoering van deze artikelen zullen worden genomen alsmede een commentaar, zullen het voorwerp uitmaken van afzonderlijke aanschrijvingen.
4 Tenslotte bepaalt artikel 109 van de wet dat, telkens wanneer aan de belastingplichtige een bericht wordt gezonden, waarbij hem een administratieve boete wordt opgelegd, dit bericht de volgende gegevens dient te begrijpen:
a) de feiten die de overtreding opleveren;
b) de verwijzing naar de toegepaste wets- of verordeningsteksten;
c) de motieven die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen.
Deze bepaling is in werking getreden op 20 augustus 1986.
II. Wijzigingen gemeenschappelijk aan het BTW-Wetboek, het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen en het Wetboek der successierechten.
Een aantal bepalingen van de wet machtigen de bevoegde gewestelijke directeur om, in bijzondere gevallen en onder de door hem bepaalde voorwaarden, gehele of gedeeltelijke vrijstelling van interesten te verlenen.
Deze bepalingen zijn vervat:
- in artikel 74 (invoeging van een artikel 84bis in het BTW- Wetboek);
- in artikel 76 (invoeging van een artikel 204/4bis in het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen)
- en in artikel 97 (invoeging van een artikel 141bis in het Wetboek der successierechten).
Deze bepalingen zijn in werking getreden op 20 augustus 1986. Zij gelden zowel voor de interesten vervallen op die datum als op deze die nog zullen vervallen.
III.Wijzigingen aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.
Artikel 46 van de wet brengt de termijn bepaald in artikel 212, 1ste lid, van dat wetboek van twee jaar op vijf jaar.
Dat artikel is in werking getreden op 30 augustus 1986. Het aldus gewijzigde artikel 212 is van toepassing op alle, bij authentieke akten, vastgestelde wederverkopen vanaf die datum. Deze aanpassing vereist geen bijkomende commentaar; ter zake wordt mutatis mutandis verwezen naar de aanschrijving nr. 11 van 12 september 1985.
IV. Wijzigingen aan het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
Artikel 45 van de wet wijzigt artikel 91 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde door:
1 het tarief van de interesten bepaald in de §§ 1, 2 en 3 van dat artikel te verminderen van 1 pct. tot 0,8 pct. per kalendermaand;
2 de Koning te machtigen om in de toekomst het tarief van die interesten aan te passen wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is.
Dit artikel treedt in werking op 1 oktober 1986.
Het tarief dat bij de wet van 24 december 1976 (1) met betrekking tot de budgettaire voorstellen 1976-1977, gepubliceerd in het Belgisch Staatsbladvan 28 december 1976, van 0,6 pct. tot 1 pct. werd gebracht (z. aanschr. 1/1977), wordt dus van 1 pct. tot 0,8 pct. verminderd voor de maandelijkse interest die van rechtswege verschuldigd is:
- wegens niet-tijdige betaling van de belasting, verschuldigd door belastingplichtigen die gehouden zijn tot het indienen van periodieke aangiften, met inbegrip van de niet-tijdig verrichte herzieningen door die belastingplichtigen (z. aanschr. 115/1972 (2), §§ 38 en 39), evenals wegens niet-tijdige betaling van de bij invoer verschuldigde belasting (z. art. 91, § 1, 1); - wegens niet-tijdige betaling van de belasting, verschuldigd door toevallige belastingplichtigen, bedoeld in artikel 8, §§ 2 en 3, van het Wetboek, ten gevolge van de gehele of gedeeltelijke vervreemding onder bezwarende titel van een nieuw gebouw als bedoeld in artikel 9, § 3, van het Wetboek (z. art. 91, § 1, 2, en art. 2 van het kon. besl. nr. 14 van 3 juni 1970);
- of het supplement van de belasting dat gevorderd wordt wanneer de in artikel 59, § 2, van het Wetboek bedoelde procedure uitwijst dat de belasting werd voldaan over een maatstaf die lager is dan de normale waarde van een gebouw of van werk in onroerende staat met betrekking tot een op te richten gebouw (z. art. 91, § 2, en kon. besl. nr. 15 van 3 juni 1970);
- door de Staat over het belastingkrediet dat op het einde van een kalenderjaar bestaat in het voordeel van een belastingplichtige die in België is gevestigd, hier te lande een vaste inrichting heeft of die, overeenkomstig artikel 55 van het Wetboek, hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen, en dat niet werd terugbetaald op 31 maart van het volgende jaar wanneer de belastingplichtige er uitdrukkelijk om heeft verzocht (z. art. 91, § 3; z. ook art. 76, eerste lid, van hetzelfde wetboek). De nieuwe bepalingen brengen geen enkele wijziging teweeg aan de wijze waarop de intrest wordt berekend; die wordt per maand berekend, waarbij ieder begonnen tijdvak van een maand voor een gehele maand wordt gerekend.
(1) Z. Revue nr. 28, blz. 6) (2) Z. Revue nr. 11, blz. 158.
Het nieuwe percentage van 0,8 pct. moet bijgevolg worden toegepast vanaf de eerste periode van een maand die aanvangt na 30 september 1986. Ten aanzien van de voor 1 oktober 1986 verlopen of begonnen maandelijkse periode blijft de interest verschuldigd tegen het oude tarief van 1 pct.
Wat de moratoire interest betreft waarvan sprake in artikel 91, § 4, van het BTW-Wetboek wordt er aan herinnerd dat de wettelijke rentevoet in burgerlijke zaken vanaf 1 augustus 1986 tot 8 pct. werd verminderd (z. aanschr. 5/1986)
Bron: FisconetPlus
