Circulaire nr. Ci.RH.241/475.185 van 09.01.1998
CIRC 09.01.98/1
Bull. nr. 779, pag. 246
BEROEPSINKOMEN.
Parlementslid.
Parlementslid.
Commentaar op de W 7.4.1995 betreffende het fiscaal statuut van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, de Gemeenschaps- en Gewestraden en het Europees Parlement.
Aan al de ambtenaren van de niveaus 1, 2+ en 2.
INHOUDSTAFEL Nr I. WETTEKSTEN................................................ 1 II. ALGEMEEN.................................................. 2 III. INKOMSTEN VAN PARLEMENTAIRE MANDATARISSEN................. 3 IV. BEROEPSKOSTEN A. Algemeen............................................... 7 B. Partijbijdragen........................................ 9 V. CONTROLECENTRUM........................................... 11 I. WETTEKSTEN
W 7.4.1995(BS 16.6.1995 - V 2408 - Bull. 752)
Art. 1
1. Artikel 27, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt aangevuld met een 5°, luidend als volgt:
"5° de vergoeding van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, de Raden en het Europees Parlement, alsmede de vergoedingen voor de uitoefening van bijzondere functies in die vergaderingen, met uitzondering van de terugbetaling door de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, de Raden en het Europees Parlement van gedane kosten.
Art. 2
Artikel 53 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een 17°, luidend als volgt:
"17° de bijdragen die door de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, de Raden en het Europees Parlement aan hun partij of aan een van de geledingen ervan worden gestort."
Art. 3
Artikel 297 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een tweede lid, luidend als volgt:
"Voor de bij artikel 27, 5°, bedoelde personen is één enkel, bij koninklijk besluit te bepalen, controlecentrum met de ontvangst en het onderzoek van de aangifte belast."
Art. 4
Deze wet treedt in werking op 1 januari 1996.
KB 6.7.1997(BS 19.7.1997 - V 2513 - Bull. 774)
Art. 1
In hoofdstuk III van het KB/WIB 92 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
| 1° | het opschrift van afdeling I wordt door het volgende opschrift vervangen: |
"Aangiften (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 297, tweede lid, en 300, § 1)";
| 2° | onmiddellijk na het opschrift van afdeling I, wordt een artikel 125bis ingevoegd luidend als volgt: |
"Art. 125bis. Het controlecentrum Brussel 4 is belast met het onderzoek van de aangifte in de personenbelasting van de personen vermeld in artikel 27, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992."
Art. 2
Artikel 1 is van toepassing op de aangiften met betrekking tot het aanslagjaar 1997 en de volgende aanslagjaren.
Art. 3
...
II. ALGEMEEN
2. De W 7.4.1995 betreffende het fiscaal statuut van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, de Gemeenschaps- en Gewestraden en het Europees Parlement heeft een nieuw fiscaal statuut voor de parlementaire mandatarissen ingevoerd dat tot doel heeft de vergoedingen voor parlementsleden vanaf 1.1.1996 (d.i. in de regel met ingang van het aj. 1997) aan de gemeenrechtelijke belastingregeling te onderwerpen.
Deze circulaire bespreekt dit nieuwe fiscaal statuut.
III. INKOMSTEN VAN PARLEMENTAIRE MANDATARISSEN
3. Om elke betwisting nopens de aard van de vergoedingen van parlementaire mandatarissen te vermijden, bepaalt art. 27, 2de lid, 5°, WIB 92, nu uitdrukkelijk dat die vergoedingen baten zijn in de zin van art. 23, § 1, 2°, WIB 92.
Op dat vlak verandert er in feite niets daar die vergoedingen voorheen ook reeds als baten werden aangemerkt (cf. nr 23/167, Com.IB 92).
4. Art. 27, 2de lid, 5°, WIB 92, verduidelijkt wel welke mandatarissen worden beoogd.
Het gaat nl. om de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, de Raden en het Europees Parlement.
5. Bovendien stelt diezelfde bepaling dat ook de vergoedingen voor de uitoefening van bijzondere functies in die vergaderingen als baten moeten worden aangemerkt. Dit betekent dus dat ook de vergoedingen van de voorzitters van de Kamer, de Senaat en de Raden, evenals die van de leden van het Bureau en het College van de Quaestoren baten zijn. Hetzelfde geldt voor de vergoedingen van de fractievoorzitters in de Raden, alsook voor de vergoedingen die in de toekomst eventueel aan rapporteurs of commissievoorzitters (die geen lid van het bureau zijn) worden toegekend (Doc. 1695/5, Kamer, gewone zitting 1994-1995, blz. 9).
6. Tenslotte stelt art, 27, 2de lid, 5°, WIB 92, in fine nog uitdrukkelijk dat de terugbetaling door de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, de Raden en het Europees Parlement van gedane kosten niet als baten worden aangemerkt.
IV. BEROEPSKOSTEN
A. Algemeen
7. Het bijzonder kostenforfait van 50 % waarvan sprake is in de nrs 51/53 en 54, Com.IB 92, wordt opgeheven.
Parlementaire mandatarissen kunnen met ingang van het aj. 1997, zoals de andere in art. 27, WIB 92, bedoelde belastingplichtigen, opteren, ofwel voor de toepassing van de in art. 51, 2de lid, 4°, WIB 92, vermelde forfaitaire beroepskosten, ofwel voor de aftrek van hun werkelijke beroepskosten.
8. Wat de aftrek van de werkelijke beroepskosten betreft, heeft de Minister in het verslag namens de Commissie voor het Reglement (Doc. 1333/2, Senaat, zitting 1994-1995, blz. 5) verduidelijkt dat de kosten die het parlementslid in rekening brengt, geen betrekking mogen hebben op de uitgaven die reeds gedekt zijn door de forfaits die de Assemblée toekent als terugbetaling van gedane kosten.
B. Partijbijdragen
9. Vóór de invoering van het nieuwe fiscaal statuut van de parlementaire mandatarissen waren de sommen die zij verplicht aan hun partij afstonden onder bepaalde voorwaarden als beroepskosten aftrekbaar (zie nr 51/55, Com.IB 92).
10. Art. 2, W 7.4.1995, rangschikt die bijdragen thans uitdrukkelijk onder de niet aftrekbare kosten en dit door de invoeging van een 17° in art. 53, WIB 92.
De bijdragen die door de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, de Raden en het Europees Parlement aan hun partij of aan één van de geledingen ervan worden gestort, kunnen met ingang van het aj. 1997 bijgevolg NIET meer als beroepskosten worden afgetrokken.
V. CONTROLECENTRUM
11. Ingevolge art. 3, W 7.4.1995, wordt art. 297, WIB 92, aangevuld met een 2de lid waardoor één enkel, bij KB te bepalen, controlecentrum met de ontvangst en het onderzoek van de aangiften van de parlementaire mandatarissen wordt belast.
Dit KB (KB 6.7.1997 tot uitvoering van art. 297, 2de lid, WIB 92, BS 19.7.1997 - V 2513 - Bull. 774) voegt in het KB/WIB 92 een art. 125bis in waarbij het onderzoek van de aangifte in de PB van de in art. 27, 2de lid, 5°, WIB 92, vermelde personen aan het speciaal belastingcentrum (In feite is dat de nieuwe benaming van het controlecentrum Brussel 4) wordt toevertrouwd.
NAMENS DE MINISTER:De Directeur-generaal,
J.-C. TILLIET.
Bron: FisconetPlus
