16.10.2014 - Omzendbrief D.I. 537.0 - D.D. 008.608

Federale Overheidsdienst FINANCIEN

DOUANE en ACCIJNZEN

DOUANEPROCEDURES

ALTERNATIEVE BEWIJZEN IN HET KADER VAN ECS

---------------------------

VEREENVOUDIGDE PROCEDURE VOOR AEOC OF AEOF

D.I. 537.0

D.D. 008.608

Brussel, 16 oktober 2014.

  1. In het kader van ECS is gebleken dat talrijke alternatieve bewijzen neergelegd moeten worden bij het kantoor van uitvoer overeenkomstig artikel 796 quinquies van het CTW.
  1. Deze omzendbrief heeft als doel om het voorleggen van de alternatieve bewijzen te vereenvoudigen voor bedrijven die een belangrijk aantal uitvoerbewegingen hebben waarvan de uitgang niet is bevestigd in ECS. Hierbij zal, onder bepaalde voorwaarden, toepassing kunnen worden gemaakt van een EXCEL-lijst die beantwoordt aan de voorschriften van de hierna vermelde § 6.

  1. Om het werk van de bevestiging van de uitgang door alternatieve bewijzen te beperken, kan deze omzendbrief van toepassing zijn in de volgende voorafgaande voorwaarden :

- de uitvoerder of douane-expediteur moet in België gevestigd zijn;

- de uitvoerder of douane-expediteur moet het statuut van

AEOC of AEOF hebben;

- de uitvoerder of douane-expediteur moet een vergunning archivering hebben;

- de gehele procedure moet plaatsvinden in België (kantoor van uitvoer in België en kantoor van uitgang in België) dus uit- sluitend in het kader van de directe uitvoer;

- deze procedure kan enkel van toepassing zijn voor bedrijven die minstens 20 ontbrekende bevestigingen van uitgang hebben en dit in één enkele keer voorgelegd;

- de aangifte bevindt zich in een status “goederen vrijgegeven”;

en

- de aangifte werd geldig gemaakt op het principieel bevoegd kantoor van uitvoer.

  1. De aanvraag kan zonder voorafgaande vergunning worden ingediend voor zover de voorwaarden van vorengenoemd punt 3 zijn vervuld.
  1. De schriftelijke aanvraag wordt ingediend bij het hulpkantoor van uitvoer in België binnen een termijn van 60 dagen, te rekenen vanaf de datum van aanvaarding van de uitvoeraangifte.
  1. Deze aanvraag wordt ondersteund door een EXCEL-bestand die de verschillende MRN’s opneemt waarvan de uitgang niet is bevestigd, alsmede de datum van de MRN, en het land van bestemming en voor zeevaart, naam van schip en datum van vertrek. De alternatieve bewijzen moeten niet worden voorgelegd bij deze aanvraag (de firma geniet immers van een vergunning archivering).
  1. Het hulpkantoor selecteert, steekproefsgewijze en/of op basis van een risicoanalyse, 5 % van de MRN’s. Het hulpkantoor verricht in eerste instantie een controle op de correcte toepassing van het principieel bevoegd kantoor. Indien dit conform is vraagt zij aan de firma de alternatieve bewijzen die betrekking hebben op deze geselecteerde uitvoeren. Het hulpkantoor deelt deze selectie mee aan de firma op basis van de MRN’s. Indien blijkt dat artikel 161, lid 5 van het CBW niet correct is toegepast is paragraaf 11 van toepassing en wordt de vereenvoudigde procedure afgebroken.
  1. De firma is gehouden om, binnen een termijn van 30 dagen, te rekenen vanaf de aanvraag van het hulpkantoor, de alternatieve bewijzen voor te leggen, alsook het EAD voor de geselecteerde aangiften. Indien de firma deze documenten niet voorlegt binnen de voormelde termijn, vervalt de vereenvoudigde procedure en dient het geheel van de alternatieve bewijzen die het onderwerp uitmaken van de bij de oorspronkelijke aanvraag gevoegde globale lijst van MRN’s voorgelegd te worden.
  1. Wanneer het hulpkantoor in het bezit is van de in § 8 bedoelde elementen, onderzoekt zij deze en hun kwaliteit om als alternatieve bewijzen te dienen.

  1. Indien alle alternatieve bewijzen die betrekking hebben op de geselecteerde zendingen het mogelijk maken om de ECS- beweging aan te zuiveren, worden alle ECS-bewegingen van de bij de aanvraag voorgelegde globale lijst op de gebruikelijke wijze aangezuiverd. Deze vereenvoudiging wordt uiteraard toegekend omwille van het feit dat de betrokken uitvoerder/douane-expediteur de hoedanigheid van AEOC of AEOF bezit en dat hij derhalve een bevoorrecht statuut geniet. Indien het hulpkantoor vaststelt dat een uitvoerder uitzonderlijk veel gebruik maakt van deze vereenvoudigde procedure is het nuttig dit te signaleren aan de betrokken AEO-cel.
  2. Indien één enkele zending van de geselecteerde ECS niet het onderwerp uitmaakt van voldoende alternatieve bewijzen, wordt de vereenvoudigde procedure afgebroken en dient het geheel van de alternatieve bewijzen die het onderwerp uitmaken van de bij de oorspronkelijke aanvraag gevoegde globale lijst van MRN’s voor- gelegd te worden.

In dat geval wordt een mededeling gericht aan de bevoegde AEO-cel : “Onjuiste toepassing van de vereenvoudigde procedure voorzien door de omzendbrief van 16 oktober 2014, nr. D.D. 008.608 (D.I. 537.0)”.

  1. De gewestelijke directeurs kunnen bijkomende maatregelen nemen ter aanvulling van deze omzendbrief die de principes vastlegt.
  1. Onderhavige omzendbrief ontslaat de AEOC of AEOF gecertificeerde ondernemingen niet van de nauwgezette toepassing van de bepalingen van de omzendbrief nr. D.D. 277.560 van 25 juli 2007 (D.I. 537.02) betreffende het export controle systeem (ECS).

*

* *

  1. De omzendbrief van 4 november 2013, nr. D.D. 000.873 wordt ingetrokken.

*

* *

Voor de Administrateur-generaal van de douane en accijnzen : De Adviseur-Directeur - Diensthoofd,

S. KERKHOF