Circulaire nr. 12/2004 (AFZ 14/2004 - E.E./L. 136) d.d. 21.09.2004

Wijziging W. Reg.
Private privak
Vrijstelling inbrengrecht
Art. 122 W. Reg.
Belastingen en taksen


In het Belgisch Staatsblad van 9 mei 2003 (Ed. 2) werd de wet van 22 april 2003 tot wijziging van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten met het oog op de inrichting van een nieuwe categorie van instellingen voor collectieve belegging, private privak genaamd, en houdende diverse fiscale bepalingen, bekendgemaakt.

Artikel 11 van deze wet stelt de inbreng in de private privak vrij van het evenredig inbrengrecht van 0,50 pct. (wijziging van artikel 122 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten).

Artikel 12 van deze wet voorzag dat de bepalingen van de wet slechts in werking treden op dezelfde datum als die van het koninklijk besluit dat er uitvoering zal aan geven. Dat koninklijk besluit moest worden genomen vóór 15 mei 2003. In het Belgisch Staatsblad van 12 juni 2003 werd het koninklijk besluit van 15 mei 2003 met betrekking tot de private privak en tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 april 1997 met betrekking tot de instellingen voor belegging in niet-genoteerde vennootschappen en in groeibedrijven, bekendgemaakt [De bekendmaking werd voorafgegaan door de mededeling: "(Dit koninklijk besluit vervangt dit verschenen in het Belgisch Staatsblad van 22 mei 2003, 2e editie, blzn. 28279 tot 28291)".]. Artikel 20 van dit koninklijk besluit bepaalt dat het besluit in werking treedt op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, dus op 12 juni 2003. De wet treedt bijgevolg op dezelfde datum in werking.

Deze commentaar bevat een korte toelichting op het wezen van de private privak, de vrijstelling van het inbrengrecht, de heffingsbasis voor de successierechten en de schenkingsrechten, de toepassing van de jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen, op de kredietinstellingen en op de verzekeringsondernemingen, de taks op de beursverrichtingen en de taks op de aflevering van effecten aan toonder.

In bijlage 1 gaat de wet en bijlage 2 bevat het koninklijk besluit. De gecoördineerde tekst van artikel 122 W. Reg. vindt U tenslotte in bijlage 3.

COMMENTAAR.
1. Doel van de wet.
De wetgever beoogde een passend wettelijk kader te creëren voor een beleggingsinstrument dat specifiek inspeelt op de noden van de privé-kapitaalmarkt. Er wordt een wettelijk kader gecreëerd voor een niet-beursgenoteerde particuliere vennootschap (de "private privak"), waardoor particuliere beleggers zullen worden aangemoedigd om te beleggen in risicodragend, niet-beursgenoteerd kapitaal, zonder dat zij verplicht zijn hiervoor zelf een vennootschap op te richten en voor onbepaalde tijd in te staan voor het beheer ervan [Parl. St., Kamer, zitting 2002-2003, 11 maart 2003, Doc 50 2349/001, toelichting bij het wetsvoorstel, p.4.].

Voor het succes van deze beleggingsinstelling is evenwel vereist dat de overheid hen een fiscaal neutrale behandeling garandeert. Bijgevolg mag de doorstroming van de beleggingsopbrengsten via de private privak niet resulteren in een belastingheffing die zwaarder uitvalt dan in het geval van een directe belegging waarbij geen gebruik wordt gemaakt van de private privak. De beleggingsinstelling zelf kan bijgevolg ook niet aan zwaardere belastingen en taksen onderworpen worden dan gelijkaardige beleggingsinstellingen.

2. Kenmerken van de private privak.
Het wettelijk kader voor de private privak kan enkel coherent ingevoerd worden door de aanpassing van de bepalingen van "Boek III. - De instellingen voor collectieve belegging" van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten (hierna genoemd "de financiële wet").

In artikel 105 van de financiële wet wordt in het eerste lid, 1°, een punt d) ingevoegd, waardoor een vierde categorie van Belgische beleggingsinstellingen wordt ingevoerd welke onderworpen zullen worden aan de bepalingen van boek III van de financiële wet:

"Art. 105. De bepalingen van dit boek gelden voor :

1° de hierna opgesomde Belgische instellingen met als doel de collectieve belegging van financieringsmiddelen :

a)

b)

c)

d)
… of

… of

… of

de beleggingsinstellingen die hun financieringsmiddelen in België of in het buitenland uitsluitend aantrekken bij particuliere beleggers die voor eigen rekening handelen, waarvan de effecten uitsluitend kunnen worden verworven door deze beleggers dan wel door andere beleggers in de door de Koning bepaalde omstandigheden, en die behoren tot de categorie bepaald in artikel 108, eerste lid, 4°." [Artikel 3 van de wet van 22 april 2003.].

2.1. "Particuliere beleggers".
Artikel 2, § 1, vierde lid van de financiële wet stelt dat de Koning bepaalt wat onder het begrip "particuliere beleggers" moet worden verstaan en tegen welke voorwaarden en op welke wijze financiële instrumenten van de private privak kunnen worden overgedragen [Artikel 2 van de wet van 22 april 2003.]. Bij voormeld koninklijk besluit van 15 mei 2003 werd uitvoering gegeven aan de wet van 22 april 2003. Artikel 2, 2°, van dit koninklijk besluit bepaalt dat voor de toepassing van het statuut van de private privak als particuliere beleggers moeten worden aangemerkt:

a) de beleggers die zich voor eigen rekening verbinden tot een inbreng of tegenprestatie van ten minste 250.000 EUR per belegger en in speciën [Bijgevolg wordt de inbreng in natura uitgesloten (zie ook: Verslag aan de Koning bij voormeld koninklijk besluit van 15 mei 2003, commentaar bij artikel 2, B.S., 12 juni 2003, p. 31704).].

De vennoot moet er zich toe verbinden dat bedrag in te brengen zonder dat hij het onmiddellijk moet volstorten. De volstortingsplicht volgt dus de normale regels van het vennootschapsrecht.

b) de private privak zelf alsmede de beheersvennootschap.

2.2. "Categorie bepaald in artikel 108, eerste lid, 4°".
Artikel 108, eerste lid, 4°, van de financiële wet, bepaalt het privaatrechtelijk statuut van de private privak: zij moet de vorm hebben van een vennootschap met een vast aantal rechten van deelneming, opgericht zijn voor een bepaalde duur met uitsluitend doel de collectieve belegging in de bij voormeld koninklijk besluit van 15 mei 2003 bepaalde financiële instrumenten die worden uitgegeven door niet-genoteerde vennootschappen [Artikel 4 van de wet van 22 april 2003.].

Wat onder "toegelaten financiële instrumenten" en "niet-genoteerde vennootschappen" moet worden verstaan is terug te vinden in artikel 2 van het koninklijk besluit van 15 mei 2003 (zie bijlage 2).

2.3. Privaatrechtelijk statuut van de private privak.
Het privaatrechtelijk statuut van de private privak wordt in het bijzonder geregeld door de artikelen 119decies en 119undecies van de financiële wet, welke de enige artikelen zijn van de nieuwe "afdeling V. - De private privak" van Boek III, Titel I, Hoofdstuk I, van de financiële wet [Artikel 5 van de wet van 22 april 2003.].

De essentiële privaatrechtelijke kenmerken van de private privak zijn:

  • zij kan enkel de vorm aannemen van een gewone commanditaire vennootschap, een commanditaire vennootschap op aandelen of een naamloze vennootschap;
  • zij wordt opgericht voor een maximale duur van 12 jaar (van rechtswege ontbinding);
  • zij wordt beheerd door een beheersvennootschap;
  • zij wordt ingeschreven op de lijst van de private privaks bij de FOD Financiën [Zie voor de voorwaarden van inschrijving en schrapping: "Hoofdstuk II. Inschrijving en toezicht", artikelen 5 en 6, van voormeld koninklijk besluit van 15 mei 2003.].
Het begrip "beheersvennootschap" wordt gedefinieerd in artikel 2, 5°, van het koninklijk besluit van 15 mei 2003: het betreft in se de "Belgische" verankering van de private privak zodat er voor de directe belastingen steeds een belastbare grondslag in België aanwezig zal zijn [Parl. St., Kamer, zitting 2002-2003, 31 maart 2003, Doc 50 2349/002, verslag bij het wetsvoorstel, p.12.].

Het tweede lid van artikel 119decies van de financiële wet stelt vervolgens duidelijk dat de private privak van bij haar oprichting geen andere werkzaamheden mag verrichten dan omschreven in artikel 105, eerste lid, 1°, d), en dat zij geen andere activa mag bezitten dan die welke noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van haar doel.

De private privak wordt opgericht voor een maximale termijn van 12 jaar. Na 12 jaar moet de private privak in liquidatie worden gesteld. Er rest evenwel nog een termijn van 2 jaar voor de liquidatie die niet impliceert dat de private privak voor die termijn van 2 jaar zijn statuut van private privak behoeft te verliezen. Behalve de mogelijkheid om de private privak in liquidatie te stellen zoals normaal is voorzien, resten nog andere mogelijkheden:

  • ofwel de vennootschap gewoon laten verder bestaan mits wijziging van de statuten (onbeperkte duur of bijkomende termijn). De vennootschap moet dan wel geschrapt worden van de lijst van private privaks bij de FOD Financiën;
  • ofwel kan de private privak omgezet worden naar een openbare, beursgenoteerde privak. De vennootschap wordt dan eveneens geschrapt van de lijst van private privaks bij de FOD Financiën [Parl. St., Kamer, zitting 2002-2003, 31 maart 2003, Doc 50 2349/002, verslag bij het wetsvoorstel, p.5.] . Het statuut van de openbare privak naar Belgisch recht wordt bepaald door het koninklijk besluit van 18 april 1997 met betrekking tot de instellingen voor collectieve belegging in niet-genoteerde vennootschappen en in groeibedrijven (B.S., 24 juni 1997).
Artikel 119undecies van de financiële wet bepaalt in welke mate het statuut van de private privak afwijkt van het gemeenrechtelijk statuut zoals dat is opgelegd door het Wetboek van Vennootschappen.

2.4. Inschrijving.
Artikel 136ter van de financiële wet bepaalt dat de private privak, alvorens haar werkzaamheden aan te vatten, bij de FOD Financiën moet worden ingeschreven op de lijst van de private privaks [Artikel 7 van de wet van 22 april 2003. Hetzelfde regime geldt voor de private vennootschap voor belegging in schuldvorderingen (V.B.S.): artikel 136bis van de financiële wet (onder verwijzing naar artikel 105, eerste lid, 1°, c), van de financiële wet). Beveks, Bevaks en de openbare V.B.S. worden daarentegen ingeschreven bij de Commissie voor het Bank- en Financiewezen (vanaf 1 januari 2004: Commissie voor het Bank-, Financie-, en Assurantiewezen).].

De artikelen 5 en 6 van voormeld koninklijk besluit van 15 mei 2003 leggen de inschrijvingsvoorwaarden vast. Zo bepaalt artikel 5 van dit koninklijk besluit dat deze aanvraag tot inschrijving onder meer dient vergezeld te zijn van een éénsluidend verklaard afschrift van de statuten van de vennootschap. Met andere woorden, de oprichtingsakte van de private privak zal eerst ter registratie moeten worden aangeboden alvorens de inschrijving bij de FOD Financiën kan worden aangevraagd. Artikel 6 stelt vervolgens dat de beleggingsvennootschap slechts wordt ingeschreven op de lijst van de private privaks indien aan de voorwaarden van artikel 5 wordt voldaan. De beleggingsvennootschap kan eveneens geschrapt worden van de lijst van de private privaks.

2.5. Fiscaal stelsel directe belastingen (verwijzing).
Artikel 143 van de financiële wet beoogt de private privak aan hetzelfde fiscale regime inzake directe belastingen te onderwerpen als de andere beleggingsvennootschappen (Bevek, Bevak, vennootschap voor belegging in schuldvorderingen) [Artikel 8 van de wet van 22 april 2003.].

3. De private privak en de indirecte belastingen.
Niettegenstaande de wet van 22 april 2003 slechts één bepaling bevat inzake indirecte belastingen, namelijk artikel 11 dat artikel 122 W. Reg. wijzigt (vrijstelling van het inbrengrecht), heeft de invoering van de private privak ook een invloed op de toepassing van nog drie andere indirecte belastingen die tot de federale bevoegdheid behoren.

De toepassing van navolgende indirecte belastingen op de private privak zal dan ook onder punt 3. worden toegelicht:

  • Het registratierecht op inbrengen in vennootschappen zoals bepaald in het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten;
  • De jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen, op de kredietinstellingen en op de verzekeringsondernemingen, zoals voorzien in het Wetboek der successierechten;
  • De taks op de beursverrichtingen, en
  • De taks op de titels aan toonder, beide geregeld in het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen.
Eveneens zal er kort worden ingegaan op de waardering van de private privak voor de heffingsbasis voor het schenkings- en het successierecht (gewestmaterie).

3.1. Vrijstelling van het inbrengrecht (art. 122, eerste lid, 4°, W. Reg.).
Artikel 11 van de wet van 22 april 2003 wijzigt artikel 122, eerste lid, 4°, W. Reg. waardoor voortaan, naast de inbreng gedaan aan de beleggingsvennootschappen met vast (Bevak) of met veranderlijk kapitaal (Bevek) en de vennootschap voor belegging in schuldvorderingen (V.B.S.), ook de inbreng gedaan aan de private privak wordt vrijgesteld van het inbrengrecht [Verwijzing naar de artikelen 114, 118, 119quinquies en 119decies van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten.]. Uit artikel 2, 2°, a), van voormeld koninklijk besluit van 15 mei 2003 volgt dat de inbreng uitsluitend kan gedaan worden in speciën. Inbreng in natura wordt bijgevolg uitgesloten [(Verslag aan de Koning bij voormeld koninklijk besluit van 15 mei 2003, commentaar bij artikel 2, B.S., 12 juni 2003, p. 31704).].

Vermits de vastgoedbevak [Koninklijk besluit van 10 april 1995 betreffende vastgoedbevaks.] en de "openbare" privak [Koninklijk besluit van 18 april 1997 met betrekking tot de instellingen voor belegging in niet-genoteerde vennootschappen en in groeibedrijven.] niets anders zijn dan beleggingsvennootschappen met vast kapitaal (Bevak) bedoeld in artikel 118 van de financiële wet, worden de inbrengen gedaan aan deze beleggingsvennootschappen eveneens vrijgesteld van het inbrengrecht [Administratieve beslissing van 2 juni 1995, nr. E.E./E.L. 1040 en Administratieve beslissing van 2 juli 1998, nr. E.E./E.L. 1040, Rep. RJ, R 122, nrs. 01.01 en 02.01.].

Net zoals voor de andere beleggingsvennootschappen is de vrijstelling volledig afhankelijk van het bijzondere statuut van de private privak. Zij geniet dan ook de vrijstelling op basis van haar doel en werkzaamheden. De inschrijving van de private privak bij de FOD Financiën op de lijst van de private privaks - wat de erkenning als private privak impliceert - vormt een bewijs dat de beleggingsvennootschap beantwoordt aan het door de wet vereiste bijzondere statuut.

Zoals reeds in punt 2.4. werd vermeld kan de beleggingsvennootschap de inschrijving als private privak bij de FOD Financiën enkel bekomen, indien een éénsluidend verklaard afschrift van de statuten van de beleggingsvennootschap bij de aanvraag wordt gevoegd: de inschrijving kan dus in principe niet worden bekomen vooraleer de oprichtingsakte wordt geregistreerd. Het algemeen vast recht wordt dan toegepast indien:

  • het doel van de beleggingsvennootschap beantwoordt aan het doel bepaald in artikel 105, eerste lid, 1°, d), van de financiële wet en
  • de vennootschapsvorm, de duurtijd (maximaal 12 jaar) en de maatschappelijke naam van de vennootschap duidelijk de bedoeling van de oprichters om een beleggingsvennootschap op te richten weergeeft (artikelen 108, eerste lid, 4°; 119decies en 119undecies van de financiële wet).
De akten houdende kapitaalsverhoging die na het verkrijgen van de inschrijving aan de registratieformaliteit worden onderworpen, worden geregistreerd tegen het algemeen vast recht.

3.2. Jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen, op de kredietinstellingen en op de verzekeringsondernemingen (Boek IIbis W. Succ.).
De wet van 22 april 2003 bevat geen enkele bepaling inzake de private privak in verband met deze jaarlijkse taks.

Artikel 161, 1°, W.Succ. onderwerpt de beleggingsinstellingen bedoeld in artikel 108, eerste lid, 1° en 2°, van de financiële wet, die geregeld zijn bij statuten, aan de taks [Beleggingsfondsen zijn geen vennootschappen en zijn dus nooit onderworpen aan de jaarlijkse taks.]. Worden bijgevolg onderworpen aan de taks:

  • de beleggingsvennootschappen met veranderlijk kapitaal (BEVEKS), en
  • de beleggingsvennootschappen met vast kapitaal (BEVAKS).
De vennootschap voor belegging in schuldvorderingen (V.B.S.) wordt niet onderworpen aan de taks. Uit de voorbereidende werken bij de wet van 22 juli 1993 houdende fiscale en financiële bepalingen ( B.S., 26 juli 1993) blijkt dat de oorspronkelijke verwijzing naar het volledige artikel 108 van de financiële wet in de bepaling houdende de invoering van artikel 161, 1°, W.Succ., vervangen werd door de verwijzing naar artikel 108, eerste lid, 1° en 2°, van de financiële wet [De toenmalige Minister van Financiën verklaarde dat het om een "materiële vergissing" ging.]. De VBS wordt vermeld in artikel 108, eerste lid, 3°, van de financiële wet.

De vastgoedbevaks en de openbare privaks zijn daarentegen - vermits het gaat om bevaks als bedoeld in artikel 108, eerste lid, 2°, van de financiële wet - wel onderworpen aan de taks [Administratieve beslissing van 28 mei 1998 (nr. E.E./E.L. 1102 en E.E./L. 27, Rep. RJ, S 161, nr. 02.01)].

Aangezien artikel 161 W. Succ. enkel verwijst naar de beleggingsvennootschappen bedoeld in artikel 108, eerste lid, 1° en 2°, van de financiële wet en de private privak de categorie van beleggingsinstellingen is die wordt bedoeld in artikel 108, eerste lid, 4°, van de financiële wet, valt de private privak niet binnen het toepassingsgebied van deze jaarlijkse taks.

3.3. Taks op de beursverrichtingen (Titel VIII WZGT.).
Ingevolge het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap van 15 juli 2004, valt de inschrijving op nieuwe effecten niet meer onder het toepassingsgebied van de taks op de beursverrichtingen. De programmawet van 27 december 2004 heeft de nodige aanpassingen in het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen aangebracht.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat:

  • ingevolge artikel 126^1, 1°, WZGT, de verrichtingen waarbij geen tussenpersoon van beroep optreedt worden vrijgesteld van de taks;
  • ingevolge artikel 126^1, 2°, WZGT, de verrichtingen voor eigen rekening gedaan door bemiddelaars, verzekeringsondernemingen, voorzorgsinstellingen, niet-inwoners en instellingen voor collectieve belegging eveneens worden vrijgesteld van de taks.
De mogelijkheid voor de particuliere of gewone belegger om - onder bepaalde voorwaarden - financiële instrumenten uitgegeven door de private privak onder levenden over te dragen aan andere dan particuliere beleggers, werd neergelegd in artikel 9, 3°, van voormeld koninklijk besluit van 15 mei 2003.

3.4. Taks op de aflevering van effecten aan toonder (Titel X WZGT.).
De financiële instrumenten die worden uitgegeven door de private privak moeten voor de duur van haar bestaan op naam blijven om de controle van haar statuut te vergemakkelijken (artikel 7 van voormeld koninklijk besluit van 15 mei 2003).

Dit impliceert dat er geen aandelen aan toonder kunnen worden uitgegeven noch dat de aandelen op naam kunnen worden omgezet in aandelen aan toonder. De taks op de aflevering van effecten aan toonder is bijgevolg niet van toepassing.

3.5. Waardering voor de successierechten (art. 19 W. Succ.).
Uit het besloten karakter van de private privak volgt dat het een beleggingsvennootschap is die haar financieringsmiddelen niet aantrekt bij het publiek. Met andere woorden, de private privak wordt niet genoteerd op de beurs. In de aangifte van nalatenschap dient de reële verkoopwaarde op datum van het overlijden te worden opgegeven overeenkomstig artikel 19 W. Succ., waarbij de (voorlopige) inventariswaarde op de dag van het overlijden een indicatie kan zijn voor de bepaling van de heffingsbasis.

3.6. Waardering voor de schenkingsrechten (art. 133, eerste lid, W. Reg.).
Gelet op het voorgaande is inzake schenkingsrechten artikel 133, eerste lid, W. Reg. van toepassing: het schenkingsrecht is verschuldigd op de verkoopwaarde van de geschonken goederen, zonder aftrek van lasten. Ook hier kan de (voorlopige) inventariswaarde op de dag van de schenking een indicatie zijn voor de bepaling van de heffingsbasis.

4. Inwerkingtreding.
Zoals reeds vermeld is de wet in werking getreden op 12 juni 2003.

NAMENS DE MINISTER :

De adjunct-administrateur-generaal
Paul NECKEBROECK.



BIJLAGE 1
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 9 mei 2003 (2de editie).
22 april 2003 - Wet tot wijziging van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten met het oog op de inrichting van een nieuwe categorie van instellingen voor collectieve belegging, private privak genaamd, en houdende diverse fiscale bepalingen.
ALBERT II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

HOOFDSTUK II. - De private privak
Art. 2. In artikel 2, van de wet van 4 december 1990 betreffende de financiële transacties en de financiële markten, vervangen bij de wet van 10 maart 1999, wordt aan de eerste paragraaf een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :

"Voor de toepassing van artikel 105, eerste lid, 1°, d), bepaalt de Koning :

1° wat onder particuliere beleggers moet worden verstaan;

2° onder welke voorwaarden en op welke wijze particuliere beleggers financiële instrumenten, uitgegeven door de beleggingsinstelling, kunnen overdragen.".

Art. 3. In artikel 105, van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° het eerste lid, 1°, vervangen bij de wet 12 december 1996 en gewijzigd bij de wet van 10 maart 1999, wordt vervangen door de volgende bepaling :

"1° de hierna opgesomde Belgische instellingen met als doel de collectieve belegging van financieringsmiddelen :

a) de beleggingsinstellingen die hun financieringsmiddelen in België of in het buitenland uit het publiek aantrekken en die behoren tot de categorieën bepaald in artikel 108, eerste lid, 1° of 2°; of

b) de beleggingsinstellingen die hun financieringsmiddelen in België of in het buitenland ten minste gedeeltelijk uit het publiek aantrekken en die behoren tot de categorie bepaald in artikel 108, eerste lid, 3°, of

c) de beleggingsinstellingen die hun financieringsmiddelen in België of in het buitenland uitsluitend aantrekken bij institutionele of professionele beleggers die voor eigen rekening handelen, waarvan de effecten uitsluitend door deze beleggers kunnen worden verworven en die behoren tot de categorie bepaald in artikel 108, eerste lid, 3°, of

d) de beleggingsinstellingen die hun financieringsmiddelen in België of in het buitenland uitsluitend aantrekken bij particuliere beleggers die voor eigen rekening handelen, waarvan de effecten uitsluitend kunnen worden verworven door deze beleggers dan wel door andere beleggers in de door de Koning bepaalde omstandigheden, en die behoren tot de categorie bepaald in artikel 108, eerste lid, 4°. ";

2° het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepaling :

"Zij worden voor de toepassing van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten "beleggingsinstellingen" genoemd.".

Art. 4. In artikel 108, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 5 augustus 1992 en gewijzigd bij de wet van 12 december 1996, worden in het eerste lid de volgende wijzigingen aangebracht :

1° het woord "drie" wordt vervangen door het woord "vier";

2° het lid wordt aangevuld met een 4°, luidende :

"4° de beleggingsinstellingen met een vast aantal rechten van deelneming die zijn geregeld bij statuten, opgericht voor een bepaalde duur en met als uitsluitend doel de collectieve belegging in toegelaten financiële instrumenten uitgegeven door niet-genoteerde vennootschappen.".

Art. 5. In boek III, titel I, hoofdstuk I, van dezelfde wet, worden een "Afdeling V. - De private privak" alsmede de artikelen 119decies en 119undecies ingevoegd, luidende :

"Art. 119decies. Onder beleggingsvennootschap met vast kapitaal zoals bedoeld in artikel 108, eerste lid, 4°, "private privak" genaamd, wordt verstaan, de beleggingsinstelling die is opgericht als gewone commanditaire vennootschap, als commanditaire vennootschap op aandelen of als naamloze vennootschap, voor een maximale duur van 12 jaar en die is ingeschreven op de lijst van de private privaks bedoeld in artikel 136ter, § 2.

Zij mag van bij haar oprichting geen andere werkzaamheden verrichten dan omschreven in artikel 105, eerste lid, 1°, d), en zij mag geen andere activa bezitten dan die welke noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van haar doel.

Wanneer zij is opgericht als naamloze vennootschap, wordt het dagelijks bestuur van de vennootschap opgedragen aan één beheersvennootschap die geen bestuurder is. Wanneer zij is opgericht als gewone commanditaire vennootschap of als commanditaire vennootschap op aandelen is deze beheersvennootschap de enige beherende vennoot. De Koning bepaalt wat onder beheersvennootschap moet worden verstaan.

Art. 119undecies. § 1. De private privak is onderworpen aan het Wetboek van vennootschappen voorzover daarvan niet wordt afgeweken door dit boek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

§ 2. In afwijking van artikel 78 van het Wetboek van vennootschappen moeten de maatschappelijke naam van de private privak en alle stukken die van haar uitgaan de woorden "private privak naar Belgisch recht" bevatten, of moeten deze woorden de onmiddellijk op de naam volgen.

§ 3. In afwijking van artikel 93, tweede lid, van het Wetboek van vennootschappen moet de private privak in alle gevallen een jaarrekening opstellen volgens de regels die de Koning heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 92, § 1, van dat wetboek.

§ 4. In afwijking van artikel 97 van het Wetboek van vennootschappen moet de private privak haar jaarrekening in alle gevallen neerleggen bij de Nationale Bank van België volgens de nadere regels die volgen uit de artikelen 98 en volgende van dat wetboek.

§ 5. In afwijking van artikel 141, 1° en 2°, van het Wetboek van vennootschappen moet de private privak de controle van haar jaarrekening zoals volgt uit de toepassing van artikel 142 van dat wetboek in alle gevallen opdragen aan een of meer commissarissen. In afwijking van artikel 144, eerste lid, 6°, van dat wetboek mag (mogen) deze commissaris (sen) die kennis heeft (hebben) gekregen van overtredingen van de statutaire bepalingen aangaande het statuut als beleggingsinstelling, in geen geval de melding van deze overtredingen, die bovendien omstandig moet zijn en met opgave van de overtreden bepalingen, uit

het verslag weglaten. In de gevallen bepaald door de Koning zendt (zenden) de commissaris(sen) een voor eensluidend verklaard afschrift van het verslag aan de Commissie voor het bank- en financiewezen.

§ 6. In afwijking van de artikelen 184, eerste lid, 187 en 193 van het Wetboek van vennootschappen wordt de wijze van vereffeningen van aanstelling van de vereffenaar (s) in alle gevallen statutair bepaald, mag de beleggingsvennootschap geen nieuwe beleggingen meer verrichten in niet-genoteerde vennootschappen na het proces-verbaal van de in vereffeningstelling en moeten in alle gevallen tijdens de vereffening jaarrekeningen worden opgemaakt volgens de regels die de Koning heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 92, § 1, van dat wetboek.".

Art. 6. In artikel 122 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "bedoeld in artikel 108, eerste lid, 1° en 2°, " ingevoegd tussen de woorden "De beleggingsinstellingen" en de woorden "moeten opteren";

2° een § 1ter wordt ingevoegd, luidende :

"§ 1ter. De beleggingsinstellingen bedoeld in artikel 108, eerste lid, 4°, beleggen in financiële instrumenten uitgegeven door niet-genoteerde vennootschappen volgens de definitie daaraan gegeven en volgens de voorwaarden en de nadere regels bepaald door de Koning.";

3° paragraaf 2 wordt aangevuld met de volgende leden :

"De beleggingsinstellingen bedoeld in § 1 ter, kunnen steeds bijkomend of tijdelijk :

1° termijnbeleggingen van maximaal 6 maanden of liquide middelen houden;

2° genoteerde effecten houden voorzover :

a) zij deze effecten reeds houden op het ogenblik van de aanvraag tot opname in de notering van een beurs of een andere georganiseerde en openbare markt voor effecten;

b) deze effecten worden verkregen door omruiling van niet-genoteerde effecten, met uitzondering van haar eigen effecten;

3° in het kader van indekkingsverrichtingen handelen in al dan niet genoteerde afgeleide financiële instrumenten op al dan niet genoteerde onderliggende materiële of financiële activa.

De Koning bepaalt wat onder "bijkomend of tijdelijk" dient te worden verstaan.".

Art. 7. In boek III, titel I, hoofdstuk II, afdeling VIl, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 12 december 1996, wordt een artikel 136ter ingevoegd, luidende :

"Art. 136ter. § 1. Met uitzondering van de artikelen 122, § 1ter en § 2, derde en vierde lid, 123, eerste lid en tweede lid, 3°, 126 en van onderhavige bepaling, zijn de bepalingen van Hoofdstuk II niet van toepassing op de beleggingsinstellingen bedoeld in artikel 105, eerste lid, 1°, d).

§ 2. De beleggingsinstellingen bedoeld in artikel 119decies moeten zich, alvorens zij hun werkzaamheden als private privak aanvatten, bij de FOD Financiën laten inschrijven op de lijst van de private privaks. De Koning bepaalt de inschrijvingsvoorwaarden. Elk document dat ter bevestiging van de inschrijving wordt afgegeven door de FOD Financiën en elk document dat met het oog op de uitvoering van de verrichtingen van de beleggingsinstelling naar de inschrijving verwijst, moet vermelden dat de inschrijving geen beoordeling inhoudt van de opportuniteit en de kwaliteit van de verrichtingen, evenmin als van de positie van de beleggingsinstelling.

§ 3. De FOD Financiën stelt, op basis van de gegevens die zij bij de inschrijving heeft ontvangen, informatie ter beschikking van het publiek betreffende de identiteit van de vennootschappen die zijn ingeschreven op of geschrapt van de lijst van de private privaks alsmede van hun beheersvennootschap.".

Art. 8. In artikel 143, van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° in § 1, gewijzigd bij de wetten van 5 augustus 1992, 28 december 1992, 16 april 1997 en 10 maart 1999, worden de woorden "in artikel 114, 118 en 119quinquies" vervangen door de woorden "in artikel 114, 118, 119quinquies en

119decies";

2° in § 2, gewijzigd bij de wet van 16 april 1997, worden de woorden "en van artikel 123 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992" ingevoegd tussen de woorden "hetzelfde Wetboek" en "niet van toepassing";

3° paragraaf 4, toegevoegd bij de wet van 16 april 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling :

"§ 4. Voor de toepassing van artikel 192, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt de voorwaarde verbonden aan de eventuele inkomsten van aandelen van in artikel 119decies bedoelde beleggingsvennootschappen geacht vervuld te zijn wanneer deze het geheel van hun activa beleggen in :

1° aandelen waarvan de eventuele inkomsten in aanmerking komen om krachtens de artikelen 202, § 1, en 203 van het voormelde Wetboek integraal van de winst te worden afgetrokken; of

2° aandelen van in artikel 119decies bedoelde beleggingsvennootschappen; of

3° bijkomende of tijdelijke beleggingen bedoeld in artikel 122, § 2, derde lid, 1°, voorzover deze beleggingen per kalenderdag niet meer dan 10 % overschrijden van het balanstotaal op de eerste dag van het belastbaar tijdperk, zoals blijkt uit de toepassing van de gemeenrechtelijke boekhoudregels, vermeerderd of verminderd met de tot die kalenderdag geboekte toenames of afnamen van gestort kapitaal, gerealiseerde meerwaarden of minderwaarden of uitgekeerde dividenden, en dit voor een periode die, per belastbaar tijdperk, ten minste gelijk is aan dat belastbaar tijdperk verminderd met zes maanden.";

4° paragraaf 5, toegevoegd bij de wet van 16 april 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling :

"§ 5. De §§ 1 en 2 zijn niet van toepassing voor het belastbaar tijdperk waarin een beleggingsvennootschap bedoeld in artikel 119decies de volgende bepalingen niet naleeft :

1° de in § 4 bedoelde bepaling;

2° een of meer statutaire regels die volgen uit het specifiek karakter van deze vennootschap als beleggingsinstelling.

Voor de toepassing van het eerste lid worden de onder het regime bedoeld in de §§ 1 en 2 voordien gevormde reserves beschouwd als :

1° belaste reserves in de mate dat de vennootschap bewijst dat zij voortkomen van gerealiseerde meerwaarden of ontvangen dividenden van beleggingen bedoeld in § 4, 1° en 2°;

2° vrijgestelde reserves voor het saldo en in zover het bedrag van die reserves op een of meer afzonderlijke rekeningen van het passief geboekt is en blijft en niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enige beloning of toekenning;

3° winst van dat belastbare tijdperk indien en in zover de voorwaarden van het 2°, niet langer worden nageleefd.

De reserves bedoeld in het tweede lid, 2°, worden bovendien beschouwd als winst van het belastbaar tijdperk waarin de vennootschappen bedoeld in artikel 119decies worden geschrapt van de lijst van de private privaks bedoeld in artikel 136ter, § 2, onverminderd de toepassing van artikel 210, § 1, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

De FOD Financiën kan de vennootschap schrappen van de lijst van de private privaks bedoeld in artikel 136ter, § 2, in de gevallen bepaald door de Koning of in geval van overtreding van statutaire regels bepaald door de Koning. De schrapping impliceert dat de vennootschap niet langer beschouwd wordt als een beleggingsvennootschap voor de toepassing van artikel 2, 5°, f), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. De FOD Financiën deelt de schrapping mee door middel van een aangetekende brief geadresseerd aan de zetel van de vennootschap. Een beroep tegen een beslissing tot schrapping is mogelijk volgens de gemeenrechtelijke procedure van beroep in administratieve zaken.

De overtredingen bedoeld in deze paragraaf kunnen vastgesteld worden met alle bewijsmiddelen bedoeld in artikel 340 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.";

5° een § 6 wordt ingevoegd, luidende :

"§ 6. Wat de toekenning betreft van het regime van de definitief belaste inkomsten aan dividenden afkomstig van door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen erkende vennootschappen met vast kapitaal voor belegging in niet-genoteerde aandelen, wordt de 90 % drempel van artikel 203, § 2, lid 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, geacht vervuld te zijn wanneer die beleggingsvennootschappen de netto-opbrengst hebben uitgekeerd met toepassing van artikel 57 van het koninklijk besluit van 18 april 1997 met betrekking tot de instellingen voor belegging in niet-genoteerde vennootschappen en in groeibedrijven en voorzover zij daartoe met toepassing van dit artikel verplicht waren.";

6° een § 7 wordt ingevoegd, luidende :

"§ 7. Artikel 203, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 is niet van toepassing op dividenden verdeeld door beleggingsvennootschappen als bedoeld in artikel 119decies, voorzover en in de mate dat de inkomsten voortkomen van gerealiseerde meerwaarden op beleggingen bedoeld in § 4, 1 ° en 2° of dividenden voortkomende van die beleggingen.";

7° een § 8 wordt ingevoegd, luidende :

"§ 8. Voor de toepassing van de §§ 4 en 7 worden beleggingsvennootschappen die in een lidstaat van de Europese Unie beantwoorden aan de kenmerken van een beleggingsinstelling zoals bedoeld in artikel 108, eerste lid, 4°, en waarvan de financiële instrumenten volgens de in die lidstaat overeenkomstige bepalingen met betrekking tot het openbaar beroep op het spaarwezen privaat worden aangehouden, gelijkgesteld met de beleggingsvennootschappen bedoeld in artikel 119decies.".

Art. 9. In artikel 150, § 2, eerste lid, van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° in het 3°, gewijzigd bij de wet van 12 december 1996, worden de woorden "136bis, § 2" vervangen door de woorden "136bis, § 2, 136ter, § 2";

2° een 4° wordt ingevoegd, luidende :

"4° zij die overdrachten van financiële instrumenten uitgegeven door beleggingsinstellingen hebben bewerkstelligd en hierbij de bepalingen van dit boek of de ter uitvoering ervan genomen besluiten, hebben miskend. "

HOOFDSTUK III. - Diverse bepalingen
Art. 10. In artikel 211, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij de wet van 6 augustus 1993, wordt de eerste paragraaf, derde lid, ingevoegd bij de wet van 21 december 1994 en vervangen bij de wet van 16 april 1997, aangevuld met de woorden "of een bij de FOD Financiën op de lijst van de private privaks ingeschreven vennootschap.".

Art. 11. In artikel 122, van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten, vervangen bij de wet van 14 april 1965, worden in het eerste lid, 4°, toegevoegd bij de wet van 4 december 1990 en gewijzigd bij de wet van 28 december 1992, de woorden "en 119quinquies" vervangen door de woorden ", 119quinquies en 119decies".

Art. 12. De bepalingen van deze wet treden in werking op dezelfde datum als die van het koninklijk besluit dat er uitvoering zal aan geven. Dat koninklijk besluit moet worden genomen vóór 15 mei 2003.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met s' Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 22 april 2003.

ALBERT

Van Koningswege :

De Minister van Financiën,
D. REYNDERS

Met 's Lands zegel gezegeld :

De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN



BIJLAGE 2
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 12 juni 2003.
15 mei 2003 - Koninklijk besluit met betrekking tot de private privak en tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 april 1997 met betrekking tot de instellingen voor belegging in niet-genoteerde vennootschappen en in groeibedrijven.
ALBERT II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op …

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
Artikel 1. Dit besluit regelt het statuut van de instellingen voor collectieve belegging, bedoeld in artikel 119decies van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten.

Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

1° de wet van 4 december 1990 : de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten;

2° particuliere beleggers :

a) personen die zich voor eigen rekening ertoe verbinden om in te schrijven op financiële instrumenten uitgegeven door de private privak of ze te verwerven mits een inbreng of tegenprestatie van ten minste 250.000,00 EUR per belegger en in speciën;

b) de private privak zelf alsmede de beheersvennootschap;

3° toegelaten financiële instrumenten :

a) aandelen en andere met aandelen gelijk te stellen waarden;

b) obligaties en andere schuldinstrumenten;

c) rechten van deelneming uitgegeven door andere beleggingsinstellingen voorzover zij, overeenkomstig hun beheersreglement of statuten, een beleggingsbeleid voeren dat nauw aansluit bij het statutair doel van de private privak en voorzover deze beleggingsinstellingen de nodige informatie verschaffen waaruit blijkt dat de beleggingen beantwoorden aan dit statutair beleggingsbeleid;

d) alle andere waarden waarmee de onder de litterae a) tot c) vermelde financiële instrumenten via inschrijving, aankoop of omruiling kunnen worden verworven;

4° niet-genoteerde vennootschappen : vennootschappen waarvan de aandelen niet zijn opgenomen in de notering van een georganiseerde en openbare markt voor effecten;

5° beheersvennootschap : een vennootschap naar Belgisch recht of een Belgisch bijkantoor van een vennootschap naar buitenlands recht die in de private privak optreedt als dagelijks bestuurder of als beherende vennoot, overeenkomstig artikel 119decies, derde lid, van de wet van 4 december 1990.

Art. 3. Voor de toepassing van dit besluit wordt de benaming "Comissie voor het Bank- en Financiewezen" vanaf 1 januari 2004 gelezen als "Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen".

Art. 4. Voor de toepassing van de artikelen 5, 1°, juncto 3, 1°, van het koninklijk besluit van 7 juli 1999 over het openbaar karakter van financiële verrichtingen, wordt een beheersvennootschap, in het kader van de toepassing van dit besluit, gelijkgesteld met een belegger die een tegenprestatie van ten minste 250.000,00 EUR levert.

HOOFDSTUK II. - Inschrijving en toezicht
Art. 5. Een private privak dient bij de FOD Financiën haar inschrijving aan te vragen met een ter post aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs. De aanvraag dient vergezeld te zijn van een éénsluidend verklaard afschrift van de statuten van de vennootschap alsmede van een éénsluidend verklaard afschrift van het uittreksel of van de mededeling in de Bijlage bij het Belgisch Staatsblad met de bekendmaking van de akten en gegevens waarvan de openbaarmaking is voorgeschreven door het Wetboek van vennootschappen. Haar statuten moeten aangeven :

1° dat zij de vorm heeft van een gewone commanditaire vennootschap, een commanditaire vennootschap op aandelen of een naamloze vennootschap naar Belgisch recht;

2° dat zij als uitsluitend doel heeft de collectieve belegging in toegelaten financiële instrumenten uitgegeven door niet-genoteerde vennootschappen;

3° dat zij is opgericht voor een bepaalde duur die 12 jaar niet overschrijdt;

4° de identificatie of de wijze van aanstelling van (de) commissaris(sen);

5° de identificatie van een beheersvennootschap wanneer de private privak de vorm van een naamloze vennootschap of een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen;

6° de identificatie bij statutaire aanstelling of de modaliteiten van benoeming en ontslag bij aanstelling bij latere akte van de beheersvennootschap als enige zaakvoerder wanneer de private privak de vorm van een gewone commanditaire vennootschap heeft aangenomen;

7° dat de vereffeningsverrichtingen moeten gebeuren binnen een bepaalde termijn die niet langer mag zijn dan 2 jaar en dat zij uitsluitend mogen slaan op de realisatie van de activa, de betaling van het passief, de verdeling van het saldo en het beheer van de lopende zaken van de vennootschap;

8° dat niemand in de algemene vergaderingen van aandeelhouders of vennoten over meer dan 16 % van de stemmen beschikt zonder onderscheid van het effect waarmee hij aan de stemming deelneemt;

9° dat met betrekking tot de financiële instrumenten die zij uitgeeft de volgende verplichtingen gelden :

a) de private privak zal een aanbod tot inschrijving of verkoop op haar financiële instrumenten enkel richten tot particuliere beleggers;

b) de private privak zal een aanbod tot inschrijving of verkoop op minstens 80 % van haar stemgerechtigde aandelen of deelnames enkel richten tot particuliere beleggers bedoeld in artikel 2, 2°, a), en in de mate dat deze laatsten bij deze verrichting, rekening houdend met de effecten die ze voordien reeds bezaten, minstens 4 % en maximaal 16 % van die aandelen of deelnames verwerven of erop inschrijven;

c) de aandeelhouders of vennoten met stemrecht, met uitzondering van de private privak zelf, voegen een ondertekende en gedagtekende verklaring bij de overeenkomst tot oprichting van de private privak waarin zij bevestigen dat zij geen familiale noch aanverwante banden met elkaar hebben, dat zij niet met elkaar verbonden zijn in de zin van artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen en dat zij er zich toe verbinden de beleggingsvennootschap in te lichten en binnen de zes maanden terug te treden als aandeelhouder of vennoot van de private privak als daar in de toekomst wijziging zou in komen;

d) elke nieuwe aandeelhouder of vennoot met stemrecht, met uitzondering van de private privak zelf en de directe en opeenvolgende erfgenamen van een in dit of het vorige littera bedoelde overleden aandeelhouder of vennoot, geeft een verklaring als bedoeld onder c) af ter zetel van de private privak uiterlijk op het eind van de maand die volgt op de maand waarin hij aandeelhouder of vennoot is geworden;

e) elke aandeelhouder of vennoot met stemrecht, met uitzondering van de private privak zelf, verbindt er zich toe de beleggingsvennootschap binnen de maand na de eerstvolgende algemene vergadering in te lichten en binnen de zes maanden terug te treden als aandeelhouder of vennoot, wanneer hij verbonden is in de zin van artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen met een vennootschap waarin de beleggingsvennootschap heeft belegd;

10° dat zij er zich toe verbindt de bepalingen van boek III van de wet van 4 december 1990, en die slaan op de in artikel 119decies van die wet, bedoelde instellingen voor collectieve belegging en alle gebeurlijke wijzigingen daarvan, alsmede de bepalingen van dit koninklijk besluit en alle gebeurlijke wijzigingen daarvan, na te leven.

Art. 6. § 1. De vennootschap wordt pas ingeschreven op de lijst van de private privaks zoals bedoeld in artikel 136ter, § 2, van de wet van 4 december 1990, als aan de voorwaarden van artikel 5 werd voldaan. De FOD Financiën kan de inschrijving niet weigeren zonder eerst de gebreken van het dossier aan de aanvrager gemeld te hebben en hem de kans gegeven te hebben het te vervolledigen. Ten laatste op het einde van de maand die volgt op de maand waarin de aanvraag tot inschrijving werd gedaan of waarin het dossier volledig is, bevestigt de FOD Financiën de inschrijving door middel van een aangetekende brief geadresseerd aan de zetel van de private privak.

§ 2. Met toepassing van artikel 119undecies, § 5, van de wet van 4 december 1990, zendt(zenden) de commissaris(sen) een voor eensluidend verklaard afschrift van zijn(hun) verslag aan de Commissie voor het Bank- en Financiewezen wanneer het melding maakt :

1° dat de private privak met inbreuk op de bepaling bedoeld in artikel 5, 9°, a), aanbiedingen tot inschrijving of verkoop heeft gericht aan andere dan particuliere beleggers;

2° dat overdrachten van financiële instrumenten uitgegeven door de private privak met inbreuk op de bepalingen bedoeld in artikel 9, 1° of 3°, zijn gebeurd;

3° dat de private privak met inbreuk op de bepaling bedoeld in artikel 10, § 1, derde lid, nagelaten heeft het privaat karakter van een verrichting afdoende te motiveren.

§ 3. Met toepassing van artikel 143, § 5, vierde lid, van de wet van 4 december 1990, schrapt de FOD Financiën de vennootschap van de lijst van de private privaks :

1° op verzoek van de private privak zelf;

2° op vraag van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen;

Zij kan de vennootschap tevens schrappen van de lijst van de private privaks :

1° wanneer na een herinnering middels aangetekende brief geadresseerd aan de zetel van de vennootschap en het verstrijken van de maand volgend op de maand waarin de herinnering werd verzonden, de vennootschap geen fiscale aangifte heeft gedaan of haar bijlagen bij de fiscale aangifte niet heeft vervolledigd met een voor eensluidend verklaard afschrift van het in artikel 119undecies, § 5, van de wet van 4 december 1990 bedoeld verslag;

2° wanneer na de inschrijving inbreuken worden vastgesteld op de bepalingen en verplichtingen opgenomen in artikel 5, 1° tot 9°, of de artikelen 7 tot 13.

De FOD Financiën stelt de Commissie voor het Bank- en Financiewezen in kennis van elke schrapping.

HOOFDSTUK III. - Financiële instrumenten uitgegeven door de private privak en hun overdracht
Art. 7. De financiële instrumenten uitgegeven door de private privak moeten voor de duur van de private privak op naam blijven.

Art. 8. De private privak mag slechts ten belope van 5 % van haar maatschappelijk kapitaal financiële instrumenten uitgeven die met toepassing van artikel 9, 1°, verworven kunnen worden.

Art. 9. De financiële instrumenten die zijn uitgegeven door de private privak kunnen worden verworven door andere dan particuliere beleggers in de volgende omstandigheden :

1° wanneer de beheersvennootschap ze middels een verrichting die geen openbaar karakter heeft en met toepassing van de artikelen 41 tot 47 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen of met toepassing van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal en in de winst van de vennootschappen, overdraagt aan personen die bezoldigingen ontvangen ten hare laste of die haar adviezen hebben geleverd inzake het beheer van de activa van de private privak voor een minimumbedrag van 100.000,00 EUR in één boekhoudjaar;

2° door erfopvolging;

3° wanneer een belegger, weze hij een particuliere of andere belegger, financiële instrumenten in zijn bezit onder levenden overdraagt aan een derde die zich niet verbindt tot een tegenprestatie van ten minste 250.000,00 EUR in speciën en :

a) de overdracht betreft het volledige pakket van financiële instrumenten in zijn bezit;

b) de verrichting heeft geen openbaar karakter in de zin van het koninklijk besluit van 7 juli 1999 over het openbaar karakter van financiële verrichtingen;

c) hij geeft een ondertekende en gedagtekende verklaring af ter zetel van de private privak waarin hij de verrichting beschrijft en er het privaat karakter van bevestigt.

Art. 10. § 1. De overdracht onder de levenden van financiële instrumenten uitgegeven door de private privak mag slechts worden ingeschreven in het register van de effecten op naam :

1° in de mate dat de private privak daarbij zelf haar verplichtingen bedoeld in artikel 5, 9°, a) en b), naleeft;

2° voorzover de cessionaris beantwoordt aan de kwalificatie van een particuliere belegger of dat hij de financiële instrumenten heeft verworven in omstandigheden als bedoeld in artikel 9.

3° in de mate dat, rekening houdend met eerdere inschrijvingen in zijn hoofde, de cessionaris daarbij niet meer dan 16 % van de stemgerechtigde aandelen of deelnames op zijn naam ingeschreven krijgt;

4° voorzover, rekening houdend met eerdere inschrijvingen in zijn hoofde, de cessionaris daarbij minstens 4 % van de stemgerechtigde aandelen of deelnames op zijn naam ingeschreven krijgt en dit zolang blijkens het register van de effecten op naam niet minstens 80 % van die aandelen of deelnames verdeeld zijn onder beleggers bedoeld in de artikelen 2, 2°, a), en 9, 2° en 3°, die er minstens 4 % van bezitten;

5° mits schriftelijk attest in minuut bewaard ten zetel van de private privak door :

a) de raad van bestuur bij de private privak die de vorm heeft aangenomen van een naamloze vennootschap;

b) de beherende vennoot bij de private privak die de vorm heeft aangenomen van een commanditaire vennootschap op aandelen of een gewone commanditaire vennootschap.

De attestering bevestigt de naleving van de voorwaarden van het vorige lid, 1° tot 4°.

De attestering moet gemotiveerd zijn door verwijzing naar afdoende schriftelijke bewijsstukken. Wat de adviezen inzake het beheer van de activa van de private privak betreft, moeten die slaan op een nauwkeurige omschrijving van de geleverde diensten, een voor éénsluidend verklaard afschrift van de factuur en een bewijs van opname in de rekeningen van de beheersvennootschap.

Wat het privaat karakter van de verrichting betreft slaan zij op de verklaring als bedoeld in artikel 9, 3°, c).

§ 2. Partijen bij een overeenkomst tot overdracht moeten hun overeenkomst afsluiten onder voorwaarden die er de integrale inschrijving overeenkomstig § 1, van mogelijk maken.

HOOFDSTUK IV. - Beleggingsbeleid
Art. 11. Met toepassing van artikel 126, § 3, van de wet van 4 december 1990, zijn uitzonderingen op de toepassing van de §§ 1 en 2 van dat artikel toegestaan :

1° voor een maximale duur van 2 jaar of voorzover zij niet resulteren uit een rechtstreeks of onrechtstreeks aandelenbezit van meer dan 50 % van de stemgerechtigde aandelen van de betrokken vennootschap;

2° voor één enkele dochtervennootschap die werd opgericht met het uitsluitende doel te beleggen in termijnbeleggingen of afgeleide financiële instrumenten of instrumenten bedoeld in artikel 2, 3°, b) en d) .

Art. 12. De private privak mag met betrekking tot haar activa geen transacties sluiten met andere instellingen voor collectieve belegging waaraan de beheersvennootschap diensten heeft geleverd.

Art. 13. Met toepassing van artikel 122, § 2, vierde lid, van de wet van 4 december 1990, dient onder "bijkomend of tijdelijk" verstaan te worden, het aanhouden van de in het derde lid van die paragraaf bedoelde termijnbeleggingen, liquide middelen, effecten of afgeleide financiële instrumenten voor een globaal bedrag van maximaal 30 % van het balanstotaal, zoals blijkt uit de toepassing van de gemeenrechtelijke boekhoudregels, of voor een maximale duur van 2 jaar.

Art. 14. Met uitzondering van de artikelen 11 en 12, zijn de artikelen van dit hoofdstuk niet van toepassing tijdens de vereffeningsperiode.

HOOFDSTUK V. - Fiscale bepalingen
Art. 15. In artikel 106, § 9, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden na de woorden "niet-genoteerde vennootschappen en in groeibedrijven", de woorden "of door een beleggingsvennootschap als bedoeld in artikel 119decies van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten"toegevoegd.

Art. 16. In artikel 116, eerste lid, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden de woorden "en 119quinquies" vervangen door de woorden ", 119quinquies en 119decies".

Art. 17. In artikel 118, § 2, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij artikel 11 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1993 en bij artikel 16, 4°, van het koninklijk besluit van 1 september 1995, worden de woorden "en 119quinquies" vervangen door de woorden ", 119quinquies en 119decies".

Art. 18. In artikel 119, § 1, 5°, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij artikel 12 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1993, worden de woorden "en 119quinquies" vervangen door de woorden ",119quinquies en 119decies".

HOOFDSTUK VI. - Wijzigingsbepaling
Art. 19. In artikel 4 van het koninklijk besluit van 18 april 1997 met betrekking tot de instellingen voor belegging in niet-genoteerde vennootschappen en in groeibedrijven wordt aan het eerste lid een ten vierde toegevoegd, dat luidt als volgt :

"4° de privak is niet ingeschreven op de lijst van de private privaks.".

HOOFDSTUK VII. - Inwerkingtreding
Art. 20. Dit besluit treedt in werking op de dag van zijn publicatie in het Belgisch Staatsblad .

Art. 21. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 15 mei 2003.

ALBERT

Van Koningswege :

De Minister van Financiën,
D. REYNDERS



BIJLAGE 3
Gecoördineerde tekst van artikel 122 W. Reg.
TITEL I. - REGISTRATIERECHT.
HOOFDSTUK IV. - Vaststelling van de rechten
Afdeling XI. - Burgerlijke en handelsvennootschappen

Art. 122
Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 120, wordt van het evenredig recht vrijgesteld de inbreng gedaan:

1° aan maatschappijen erkend hetzij door de Nationale Maatschappij voor de huisvesting, hetzij door de Nationale Landmaatschappij, hetzij door de Gewestelijke Maatschappijen opgericht in uitvoering van de wet van 28 december 1984 tot afschaffing of herstructurering van sommige instellingen van openbaar nut;

2° aan maatschappijen die uitsluitend tot doel hebben leningen te doen met het oog op het bouwen, het aankopen of het inrichten van volkswoningen, kleine landeigendommen of daarmede gelijkgestelde woningen, alsmede de uitrusting ervan met geschikt mobilair;

3° aan de coöperatieve vennootschappen Woningfonds van de bond der kroostrijke gezinnen van België, Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen, Woningfonds van de kroostrijke gezinnen van Wallonië en Woningfonds van de gezinnen van het Brusselse Gewest;

4° aan de beleggingsvennootschappen als bedoeld in de artikelen 114, 118, 119quinquies en 119decies van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten.

Het evenredig recht, zonder aftrek van het reeds geïnde algemeen vast recht, wordt echter opeisbaar wanneer de in het eerste lid, 4°, bedoelde beleggingsvennootschap de erkenning bepaald bij art. 120, § 2, van voornoemde wet van 4 december 1990 niet verkrijgt of verliest, al naar het geval, zulks vanaf de datum van de beslissing tot weigering of tot intrekking van de erkenning.