Aanschrijving nr. 12 dd. 10.10.1984
AANSCHRIJVING 84/012
Aanschrijving nr. 12 dd. 10.10.1984
Tarief
Verlaagd tarief
Tabel A
Rubriek XXXI
Rubriek XXXII
School
Rubriek XXXIII
Onroerend goed
Gebouw
Gehandicapte
Gebouw voor huisvesting van gehandicapten
Huisvesting van gehandicapten
Ondernemer
Werk in onroerende staat
Bejaarde
Leerling
Student
Rustoord
Internaat
Verblijfsinrichting
Vernieuwing
Onroerende verhuur
Sociale woning
Eindverbruiker
Herziening van de aftrek
Aftrek
Factuur
Appartement
Gemeenschappelijke delen van een appartement
Onderwerp van de aanschrijving.
1. Het Belgisch Staatsblad van 29 december 1983 heeft het koninklijk besluit van 23 december 1983 (1) gepubliceerd, tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven. De tekst van dit koninklijk besluit van 23 december 1983 is opgenomen in bijlage 1 bij de aanschrijving nr. 5 van 21 maart 1984.
(1) Z. Revue nr. 62, blz. 179.
2. Geïnspireerd door het verlangen de activiteit in de onroerende sector opnieuw op gang te brengen, verlaagt dit besluit, voor de periode van 1 januari 1984 tot 31 december 1985, van 17 tot 6 pct., het BTW-tarief van toepassing op onroerende handelingen en op de leveringen van nieuwe gebouwen, die betrekking hebben op woningen, hoofdzakelijk gebruikt of bestemd om te worden gebruikt als privé-woning en voor zover deze handelingen worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker. Deze tijdelijke bepaling verlengt aldus de regeling, welke overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 1 van 15 februari 1982 (2) (Belgisch Staatsblad van 20 februari 1982) reeds vanaf 1 maart 1982 van toepassing was voor de privé-woningen, voor een nieuwe periode van twee jaar, zonder de voorwaarden ervan te wijzigen.
(2) Z. Revue nr. 52, blz. 15.
3. Anderzijds breidt het koninklijk besluit van 23 december 1983, voor de periode van 1 januari 1984 tot 31 december 1985, het voordeel van het verlaagd tarief uit tot de onroerende handelingen met betrekking tot gebouwen gebruikt of bestemd om te worden gebruikt voor de huisvesting van bejaarden, gehandicapten, leerlingen en studenten en tot de levering onder het stelsel van de BTW van nieuwe woningen, gebruikt of bestemd om te worden gebruikt voor de huisvesting van deze personen, in:
1° verblijfsinrichting voor bejaarden in de zin van artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 juli 1966 op de rustoorden voor bejaarden;
2° instellingen welke, met een internaatstelsel, op duurzame wijze gehandicapten opnemen die een tegemoetkoming van het fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten genieten;
3° internaten die zijn toegevoegd aan scholen of universiteiten of die ervan afhangen.
4. Deze aanschrijving verstrekt toelichtingen over deze nieuwe tijdelijke bepaling waarvan de tekst is opgenomen in bijlage 1, waarnaar wordt verwezen.
Eerste hoofdstuk. Verlenging, voor twee jaar, van het verlaagd tarief van 6pct. voor privé-woningen.
Algemene draagwijdte van de verlenging.
5. Wanneer men de uitbreiding bedoeld in nr. 3 hierboven buiten beschouwing laat, wordt er door het koninklijk besluit van 23 december 1983 niets gewijzigd in vergelijking met het koninklijk besluit nr. 1 van 15 februari 1982. Het eerstgenoemde besluit verlengt eenvoudig de gunstregeling, welke reeds werd toegelicht in de aanschrijving nr. 7 van 10 maart 1982 (3), met twee jaar.
(3) Z. Revue nr. 53, blz. 247.
Als aanvulling op deze aanschrijving worden hier enkele verduidelijkingen verstrekt omtrent twee bijzondere punten, uiteengezet in de nrs. 6 tot 8 hierna.
Handelingen uitgevoerd aan de gemeenschappelijke delen van een appartementsgebouw.
6. De aanschrijving nr.7 van 10 maart 1982 preciseert, in nr. 33, dat indien onroerende handelingen, beoogd door het koninklijk besluit nr. 1 van 15 februari 1982 (Belgisch Staatsblad van 20 februari 1982), worden uitgevoerd aan de gemeenschappelijke delen van een appartementsgebouw (bijvoorbeeld, vervanging of onderhoud van een lift) en indien elke medeëigenaar in de kosten bijdraagt in functie van zijn onverdeeld deel in de gemeenschappelijke delen, het tarief van de belasting verschuldigd op ieders deel in de kosten, tijdens de periode van 1 maart 1982 tot 31 december 1983, afhangt van de bestemming die aan elk appartement wordt te beoordelen.
7. In dit opzicht werd de aandacht van de administratie gevestigd op de omslachtigheid van de taak van de syndicus die, telkens wanneer zich een belastbaar feit of een andere oorzaak van verschuldigdheid van de BTW voordoet, verplicht is de toestand van het gebouw appartement per appartement te beoordelen.
Ter vereenvoudiging aanvaardt de administratie derhalve, bij wijze van proef, dat de syndicus in dergelijk geval voortaan rekening houdt met de bestemming die aan elk appartement werd gegeven op de 1ste januari van het jaar waarin zich een belastbaar feit of een andere oorzaak van verschuldigdheid van de BTW voordoet.
Deze toegeving, die van toepassing is vanaf 1 januari 1984, kan evenwel niet uitgespeeld worden tegen de medeëigenaar die zou wensen dat er onmiddellijk rekening wordt gehouden met de wijziging van bestemming van zijn appartement, welke zich voordoet in de loop van het jaar.
Mede-aansprakelijkheid van de verkoper en de koper van een gebouw. Vermeldingen in de akte.
8. Wanneer, inzonderheid omwille van onjuiste aanwijzingen betreffende de bestemming van het gebouw, het tarief van 6 pct. verkeerdelijk werd toegepast door de verkoper van een nieuw gebouw, ontworpen als privé-woning, doch deze verkoper, aangezien hij niet bij machte was op objectieve wijze het tarief van de verschuldigde belasting te bepalen, aan de koper een attest heeft gevraagd op basis waarvan hij deze belasting heeft berekend, dan houdt de administratie met dit feit rekening en zal ze de aanvullende belasting bij voorrang ten laste van de koper invorderen(z. aanschr. 7/1982, nr. 65).
In zulke omstandigheden heeft de verkoper er uiteraard alle belang bij op de factuur, welke hij aan de koper uitreikt, melding te maken van het bestaan en van de inhoud van dit attest.
Aangezien de houding uitgedrukt in het eerste lid hierboven de mogelijkheid niet uitsluit dat de administratie zich nog kan verhalen op de verkoper, werd de vraag gesteld onder welke omstandigheden de verkoper van alle aansprakelijkheid zou kunnen worden ontslagen. In dit opzicht stemt de administratie ermee in, afgezien van het geval van samenspanning tussen verkoper en koper, om de aanvullende BTW alleen ten laste van de koper na te vorderen indien het verkochte goed een nieuw gebouw is ontworpen als privé-woning en indien de authentieke akte, welke de overdracht van dit gebouw vaststelt, uitdrukkelijk vermeldt dat dit is ontworpen en gerealiseerd in functie van zijn bestemming als privé- woning en zij bovendien een verklaring van de koper bevat waarin deze laatste bevestigt dat deze woning in hoofdzaak zal worden gebruikt als privé-woning en dat hij de hoedanigheid van eindverbruiker bezit in de zin van de bepaling in kwestie.
Hoofdstuk II.-Uitbreiding van het verlaagd tarief tot bepaalde instellingen met sociaal karakter.
9. Het koninklijk besluit van 23 december 1983 breidt, onder bepaalde voorwaarden, de toepassing van het verlaagd tarief uit tot verblijfsinrichtingen voor bejaarden en voor gehandicapten, alsook tot internaten die zijn toegevoegd aan scholen of universiteiten.
Hierna wordt onderzocht:
1° in een eerste afdeling, de algemene toepassingsvoorwaarden van het verlaagd tarief voor de beoogde inrichtingen;
2° in de drie volgende afdelingen, de bijzondere toepassingsvoorwaarden van het verlaagd tarief, respectievelijk voor de inrichtingen voor bejaarden, voor de inrichtingen voor gehandicapten en voor de internaten die zijn toegevoegd aan scholen of universiteiten.
Eerste afdeling. - Algemene toepassingsvoorwaarden van het verlaagd tarief voor de beoogde inrichtingen.
Geheel van algemene toepassingsvoorwaarden.
10. Opdat het verlaagd tarief van 6 pct. van toepassing zou zijn, dienen, onder voorbehoud van de specifieke voorwaarden uitgedrukt in de volgende afdelingen, tenminste de hiernavolgende algemene voorwaarden tezamen te zijn vervuld:
1° de verrichte handeling moet zijn: hetzij een onroerende handeling bedoeld in artikel 17bis van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969, hetzij studiewerk en toezicht behorende tot de geregelde werkzaamheid van architecten, landmeters en ingenieurs en dat verricht wordt ter uitvoering van een hierboven bedoeld onroerend werk, hetzij een levering van een nieuw gebouw in de zin van artikel 9, § 3, van het BTW-Wetboek;
2° de onder 1 omschreven handeling dient betrekking te hebben op woningen gebruikt of bestemd om te worden gebruikt voor de huisvesting van de beoogde personen;
3° de onder 1 bedoelde handeling dient, in principe, te worden verstrekt en gefactureerd aan de publiekrechtelijke of de privaatrechtelijke personen die de beoogde inrichtingen beheren;
4° de factuur die de handeling vaststelt moet de vermeldingen bevatten die de toepassing van het verlaagd tarief verrechtvaardigen;
5° het belastbaar feit of de oorzaak van verschuldigdheid van de belasting betreffende de handeling moet zich voordoen tussen 1 januari 1984 en 31 december 1985.
I. Aard van de bedoelde handelingen.
11. De beoogde handelingen zijn dezelfde als die welke in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het verlaagd tarief in de privé-woningbouwsector. Er wordt derhalve verwezen naar de toelichting die in dit verband wordt gegeven in de eerste afdeling van bovengenoemde aanschrijving nr. 7/1982.
12.Men mag niet uit het oog verliezen dat het verlaagd tarief niet van toepassing is op de eenvoudige leveringen van roerende goederen (materialen, apparaten, enz.) die onderworpen zijn aan hun eigen tarief (z. aanschr. 7/1982, nrs. 14, 15 en 17, er rekening met houdend dat sinds 1 januari 1983 het normale tarief van de BTW van 17 op 19 pct. werd gebracht).
II.Bestemming van woningen gebruikt of bestemd om te worden gebruikt voor de huisvesting van bejaarden, gehandicapten, leerlingen en studenten.
Onroerende verhuur en huisvesting.
13. In tegenstelling tot de eigenlijke onroerende verhuur is het verschaffen van huisvesting in de zin van artikel 18, § 1, 10 en 11, van het BTW-Wetboek een complexe overeenkomst ter uitvoering waarvan de exploitant, benevens het ter beschikking stellen van individuele of gemeenschappelijke lokalen, tevens aan de gasten verschillende diensten verschaft die deel uitmaken van het restaurant- en hotelwezen, alsook de specifieke zorgen die, inzonderheid voor de rusthuizen en de tehuizen voor gehandicapten, de bijzondere gezondheidstoestand van de kostgangers met zich meebrengt .
14. Overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 1 van 15 februari 1982, waarbij het verlaagd tarief in de privé-woningbouwsector werd ingesteld, konden de instellingen die logies verschaffen zich niet beroepen op het voordeel van dat verlaagd tarief, vermits ze omwille van deze beroepsactiviteit niet als eindverbruiker werden aangemerkt. Anderzijds mochten de instellingen die zich beperkten tot de gewone verhuur van woningen, zelfs indien gemeubeld maar zonder het verstrekken van andere diensten, genieten van het fiscaal voordeel. De nieuwe bepaling maakt een einde aan deze ongelijke behandeling door, onder bepaalde voorwaarden, de verblijfsinrichtingen voor bejaarden en gehandicapten en de internaten als eindverbruiker aan te merken.
Beoogde woningen.
15. Het tarief van 6 pct. mag slechts worden toegepast op de onroerende handelingen die betrekking hebben op woningen die worden of zullen worden gebruikt voor de huisvesting van de bedoelde personen.
16. Onder woningen verstaat men al de lokalen die bestemd zijn of bestemd worden voor de huisvesting van deze personen, om te voldoen aan de vereisten van hun verblijf en van hun gemeenschappelijk leven. Niet alleen de lokalen bestemd voor de eigenlijke huisvesting (appartementen, privé- of gemeenschappelijke kamers, slaapzalen, enz.) zijn bedoeld, doch ook de andere plaatsen die worden gebruikt door de beoogde personen (restaurants, lees- of recreatiezalen, salons met bar of T.V., studiezalen, bibliotheken of kapellen voorbehouden aan de kostgangers), alsmede de lokalen bestemd voor het personeel ten dienste van de huisvesting (monitors, toezichters, verplegers, dienstpersoneel) en de technische lokalen (keukens, wasplaatsen, ziekenzalen, kelders, opslagplaatsen, bergplaatsen, enz.).
Bestemming der onroerende handelingen voor de beoogde woningen.
17. Wanneer alle lokalen van het gebouw waarop de onroerende handeling betrekking heeft bestemd zijn voor de beoogde huisvesting, is, indien alle andere voorwaarden zijn vervuld, op het geheel van die handeling het tarief van 6 pct. van toepassing.
18. Wanneer het gebouw niet uitsluitend bestemd is voor de beoogde huisvesting en aldus lokalen omvat die worden gebruikt voor andere doeleinden (b.v. een gebouw dat naast een beschermde werkplaats tevens een home voor gehandicapten bevat, een onderwijsinstelling die tevens een internaat bevat, enz.), is het verlaagd tarief slechts van toepassing in de mate dat het gebouw voor de beoogde huisvesting wordt gebruikt.
In onderhavig geval kan bijgevolg het verlaagd tarief van toepassing zijn op het geheel van de handeling indien deze enkel betrekking heeft op de lokalen die uitsluitend worden gebruikt voor de huisvesting; het voordeel van dit tarief geldt daarentegen niet indien de handeling beperkt is tot de lokalen die op geen enkele wijze dienen voor de huisvesting (b.v. in een gebouw dat naast een verblijfsinrichting voor gehandicapten tevens een beschermde werkplaats omvat, worden de ramen vernieuwd van de lokalen die geheel bestemd zijn voor de beschermde werkplaats).
Wanneer de handeling evenwel betrekking heeft op het geheel van het gebouw bestemd voor gemeenschappelijk gebruik (b.v. vervanging van het dak van een schoolgebouw waarvan bepaalde verdiepingen enkel klaslokalen bevatten en de andere verdiepingen bestemd zijn voor studentenkamers) dient de prijs van deze handeling in principe te worden gesplitst zodat het verminderd tarief slechts wordt toegepast op dat gedeelte van de prijs dat overeenstemt met het gedeelte dat bestemd is voor de huisvesting; die verhouding dient te worden vastgesteld door de bouwheer onder controle van de administratie. Ten einde rekening te houden met de specifieke situaties eigen aan elk van de betrokken instellingen, worden in de nrs. 32, 34, 67 en 76, bijzondere richtlijnen verstrekt voor het bepalen van de beoogde huisvestingsbestemming.
III. Verstrekking van de beoogde handelingen aan personen welke de bedoelde instellingen beheren.
19. Voor zover alle andere voorwaarden vervuld zijn, is het verlaagd tarief in principe slechts van toepassing wanneer de onroerende handeling wordt verstrekt aan een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke persoon die een door de nieuwe wetgeving begunstigde verblijfsinrichting beheert.
20. Deze persoon dient in de regel eigenaar of huurder te zijn van het gebouw dienstig als verblijfsinrichting of dient, meer algemeen, een zakelijk recht (b.v. vruchtgebruik) of een recht van genot op dat gebouw te bezitten. Om distorsies te vermijden aanvaardt de administratie dat het voordeel van het verlaagd tarief eveneens kan gelden voor de persoon die, zonder exploitant te zijn van de inrichting, het zakelijk recht of het recht van genot dat hij bezit op het gebouw overdraagt, inzonderheid bij wijze van verhuur, aan de exploitant die de inrichting beheert.
21. Voor de toepassing van het verlaagd tarief is het dus niet noodzakelijk dat de persoon die de opdrachtgever van de handeling is tevens de hoedanigheid heeft van beheerder. Essentieel is dat de handeling rechtstreeks betrekking heeft op de exploitatie van de homes of internaten, onder de voorwaarden gesteld door de nieuwe wetgeving.
22. De exploitatievoorwaarden, waardoor de toepassing van het gunstregime wordt beperkt tot bepaalde verblijfsinrichtingen voor bejaarden of gehandicapten of tot bepaalde internaten, worden hierna gepreciseerd in de afdelingen II tot IV.
IV. Facturering van de beoogde handelingen.
23. Aangezien de toepassing van het verlaagd tarief ondergeschikt is aan een geheel van voorwaarden met betrekking tot de bijzondere bestemming van de uitgevoerde handeling, is het van belang dat de persoon die er de opdracht toe geeft, in staat is zijn recht op de gunstregeling aan te tonen tegenover zijn aannemer ten einde deze toe te laten met kennis van zaken de werkelijk op de handeling verschuldigde BTW te factureren en de belasting correct te voldoen.
24. Het is derhalve aangewezen dat de personen, die zich op het voordeel van het verlaagd tarief beroepen, tegenover hun aannemers schriftelijk bevestigen in welke hoedanigheid zij er recht op hebben en, in voorkomend geval, in welke mate (z. nr. 18). Wanneer de aannemers geen gegronde redenen hebben om te twijfelen aan de geldigheid van het hen overgelegde attest, zal de administratie hiermee rekening houden en bij voorrang de medecontractant aansprakelijk stellen indien een onregelmatigheid met betrekking tot de heffing van de belasting wordt vastgesteld.
25. De aannemers dienen, van hun kant, op basis van het ontvangen attest nauwkeurig de door hen verrichte handeling te omschrijven en de bestemming ervan duidelijk aan te duiden door formuleringen zoals : "Werken verricht aan lokalen voor huisvesting van home "X" of van internaat "Y"." Wanneer de werken slechts gedeeltelijk betrekking hebben op zulke lokalen dient de prijs op de factuur te worden gesplitst derwijze dat de maatstaf van heffing voor het verlaagd tarief duidelijk wordt weergegeven (vgl. aanschr. 7/1982, nrs. 57 tot 66).
V. Inwerkingtreding van de nieuwe bepaling per 1 januari 1984. Plaatsvinden van het belastbare feit en van de oorzaken van verschuldigheid van de belasting.
26. In de onderstelling dat de voorwaarden voor de toepassing ervan vervuld zijn, kan de beoogde handeling slechts onderworpen zijn aan het verlaagd tarief in de mate dat het belastbare feit of de oorzaken van verschuldigdheid van de belasting zich voordoen nà 31 december 1983 (z. voor werken in onroerende staat, aanschr. 7/1982, nrs. 69 tot 72, en voor de leveringen van nieuwe gebouwen, zelfde aanschr., nrs. 80 tot 83).
Voorbeeld. Een tehuis voor gehandicapten geeft in oktober 1983 opdracht tot uitvoering van werk in onroerende staat. Voorschotten werden betaald in oktober en in december 1983, terwijl het saldo van de prijs wordt voldaan in januari 1984, bij de voltooiing van het werk. De belasting is verschuldigd geworden in oktober en december 1983 tegen het tarief van 17 pct.; enkel de belasting verschuldigd over het saldo van de prijs in januari 1984 wordt geheven tegen het tarief van 6 pct.
Afdeling II.- Bijzondere toepassingsvoorwaarden. Verblijfsinrichtingen voor bejaarden in de zin van artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 juli 1966 op de rustoorden voor bejaarden (4).
(4) De wet van 12 juli 1966 op de rustoorden voor bejaarden, gewijzigd bijde wet van 10 mei 1967, werd wat de Franse Gemeenschap betreft, opgeheven sedert 15 juni 1984.Sedertdien wordt, wat deze Gemeenschap betreft, de situatie van de verblijfsinrichtingen voor bejaarden geregeld door het Decreet van 10 mei 1984 op de rustoorden. De tekst van dit decreet, welke mutatis mutandis de toepassing toelaat van deze aanschrijving, gaat hierbij in bijlage II.
Eerste onderafdeling. - Wettelijke omschrijving van de beoogde inrichtingen.
27. Krachtens artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 juli 1966 (Belgisch Staatsblad van 8 september 1966) op de rustoorden voor bejaarden, is deze wet van toepassing op alle verblijfsinrichtingen, beheerd door een publiekrechtelijke of door een privaatrechtelijke persoon, die onder de hoedanigheid van "rusthuis", "rustoord", " tehuis voor ouden van dagen" aan personen van 60 jaar of ouder, die er op duurzame wijze verblijven, huisvesting bieden, met gehele of gedeeltelijke huishoudelijke en gezinsverzorging. Daarenboven moeten de betrokken inrichtingen volgens de bewoordingen zelf van artikel 2, § 1, van dezelfde wet, waarvan de bepalingen onafscheidelijk verbonden zijn met deze van artikel 1, eerste lid, worden erkend door de bevoegde Minister bij wijze van aanvraag gericht aan deze laatste door de exploitant.
Er wordt opgemerkt dat de hier omschreven privaatrechtelijke inrichtingen dezelfde zijn als die welke genieten van de vrijstelling van de BTW, voorzien in artikel 44, § 2, 2, van het BTW-Wetboek, met dien verstande dat het sociaal karakter vereist door deze bepaling ambtshalve wordt geacht aanwezig te zijn van zodra de inrichtingen zijn erkend. Er bestaat dus een direct en noodzakelijk verband tussen de hoedanigheid van niet-belastingplichtige van de beoogde inrichtingen en de toepassing van het verlaagd tarief op onroerende werkzaamheden met betrekking tot de inrichting welke ze beheren. In dit opzicht wordt eraan herinnerd dat, gelet op de duur van de erkenningsprocedure, de administratie aanvaardt dat de inrichtingen waarover het gaat voorlopig aanspraak kunnen maken op de vrijstelling - en derhalve handelen als niet-belastingplichtigen - vanaf de indiening van de aanvraag tot erkenning (z. BTW-Handleiding, nr. 319, A). Het spreekt dan ook vanzelf dat de inrichting, welke geen gebruik wenst te maken van deze toegeving en die, voor de periode voorafgaand aan de erkenning, vraagt zich te laten registreren voor de BTW, geen aanspraak kan maken op het verlaagd tarief voor de onroerende handelingen met betrekking tot deze inrichting.
De publiekrechtelijke inrichtingen (O.C.M.W., enz.) zijn krachtens artikel 6 van het Wetboek geen BTW-belastingplichtigen en zijn voor de toepassing van het verlaagd tarief onderworpen aan dezelfde voorwaarden als de privaatrechtelijke inrichtingen.
Onderafdeling II. - Exploitatievoorwaarden. Opsomming der voorwaarden.
28. Om aanspraak te kunnen maken op het verlaagd tarief moet de inrichting de volgende voorwaarden tezamen vervullen:
1° de persoon die de inrichting beheert dient aan zijn kostgangers tegelijkertijd huisvesting en gehele of gedeeltelijke huishoudelijke en gezinsverzorging welke ze nodig hebben te bieden;
2° de kostgangers moeten 60 jaar zijn of ouder;
3° deze kostgangers dienen in de inrichting op duurzame wijze te verblijven;
4° de inrichting moet op haar verzoek erkend zijn door de bevoegde Minister.
Bestaan van een huisvestingscontract.
29. Krachtens de wet van 12 juli 1966 komen enkel die inrichtingen voor erkenning in aanmerking die, in uitvoering van een enkelvoudig of een samengesteld huisvestingscontract, aan hun kostgangers niet louter huisvesting bieden maar eveneens, geheel of gedeeltelijk, de voor hun verblijf vereiste huishoudelijke en gezinsverzorging. Zodra deze voorwaarde is vervuld, is het niet vereist dat deze inrichtingen aangeduid worden met de benaming "rusthuis", "rustoord" of "tehuis voor ouden van dagen" aangezien dergelijke benamingen op zichzelf niet beperkend zijn.
30. Er wordt aangestipt dat voor de eenvoudige terbeschikkingstelling van lokalen dienstig als privé-woning, zelfs gemeubeld, zonder verstrekking van andere diensten door de verhuurder, de wettige erkenning niet wordt verleend maar dat zij evenmin van de toepassing van het verlaagd tarief voor de onroerende handelingen verricht aan dergelijke woningen wordt uitgesloten. De persoon die een privé-woning verhuurt wordt inderdaad aangemerkt als eindverbruiker krachtens het algemeen principe dat aan de basis ligt van de gunstregeling (z. aanschr. 7/1982, nrs. 46 tot 48).
Huisvesting voor bejaarden.
31. Het sociaal doel van de inrichting en haar werkelijke bestaansreden dient de huisvesting van bejaarden, d.w.z. personen van 60 jaar of ouder, te zijn.
32. Daarnaast mag deze huisvesting betrekking hebben op het voor het tehuis vereiste kaderpersoneel en op de personen vereist voor de diensten die blijvend verzekerd dienen te zijn (gerant, verpleegsters, nachtpersoneel, enz.). De bejaarden buiten beschouwing gelaten, is het anderzijds niet uitgesloten dat enkele personen die niet behoren tot diegenen die hier worden beoogd uiterst bijkomstig en voorlopig in het tehuis verblijven; een dergelijke situatie is niet van die aard om het tehuis het voordeel van het verlaagd tarief te doen verliezen, zelfs niet in de mate van deze personen.
Bestendig en duurzaam karakter van het verblijf.
33. De inrichting moet fungeren als de eigen woning van de bejaarde, als zijn normale verblijfplaats, hetgeen een duurzaam verblijf in de inrichting veronderstelt. De inrichtingen voor korte verblijven, welke tijdelijk onderdak verschaffen aan bejaarden wier familie voorlopig voor hen niet kan zorgen of die herstellen van ziekte, zijn dus uitgesloten van het voordeel van de gunstregeling.
34. Het is nochtans toegelaten dat in, een tehuis waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het verstrekken van een duurzaam verblijf aan de kostgangers ervan, op bijkomstige wijze enkele personen tijdelijk verblijven, bijvoorbeeld om ze de mogelijkheid te geven hun aanpassingsvermogen met betrekking tot deze nieuwe leefwijze na te gaan.
Wettelijke erkenning van de inrichting.
35. De inrichting moet, op haar aanvraag, erkend worden door de Minister onder wie de Volksgezondheid ressorteert. Deze erkenning vereist in de eerste plaats dat aan de gestelde normen, inzonderheid die inzake de veiligheid, is voldaan. In dit opzicht voorziet het koninklijk besluit van 22 maart 1968 (Belgisch Staatsblad van 30 april 1968) betreffende de rechtspleging van erkenning en sluiting van de rustoorden voor bejaarden in de indiening van een aanvraag door de exploitant, zowel voor nieuwe gebouwen als voor uitbreidingen en het gebruik van gebouwen voorheen aangewend voor andere doeleinden.
36. Deze aanvraag mag in principe slechts verschillende maanden na de ingebruikneming worden ingediend en dient gestaafd te worden door bewijsstukken (plans van de lokalen, aantal bedden, verslagen van het brandweerkorps, enz.).
37. De erkenning wordt toegestaan of geweigerd afhankelijk van het resultaat van het onderzoek van de aanvraag; de weigering tot erkenning kan slechts voorlopig zijn, in welk geval de beslissing waaruit zij voortspruit de aard, en de belangrijkheid vermeldt van de werken nodig voor het toekennen van de erkenning.
Trouwens, zelfs wanneer de erkenning is toegekend, kan ze volgens een welbepaalde procedure voorlopig of definitief worden ingetrokken. In geval van een beslissing tot tijdelijke intrekking zal deze de duur van de intrekking, de voorwaarden waaronder ze zal worden opgeheven en het voorlopig statuut van de inrichting vermelden. De definitieve intrekking kan samengaan met een beslissing tot definitieve sluiting van de inrichting.
38. Deze onzekerheid, zowel inzake het verlenen van de erkenning als inzake het behoud ervan, stelt problemen op het stuk van de toepassing van het verlaagd tarief. Deze problemen worden hierna onderzocht in onderafdeling III.
Aanschrijving nr. 12 dd. 10.10.1984
Tarief
Verlaagd tarief
Tabel A
Rubriek XXXI
Rubriek XXXII
School
Rubriek XXXIII
Onroerend goed
Gebouw
Gehandicapte
Gebouw voor huisvesting van gehandicapten
Huisvesting van gehandicapten
Ondernemer
Werk in onroerende staat
Bejaarde
Leerling
Student
Rustoord
Internaat
Verblijfsinrichting
Vernieuwing
Onroerende verhuur
Sociale woning
Eindverbruiker
Herziening van de aftrek
Aftrek
Factuur
Appartement
Gemeenschappelijke delen van een appartement
Onderwerp van de aanschrijving.
1. Het Belgisch Staatsblad van 29 december 1983 heeft het koninklijk besluit van 23 december 1983 (1) gepubliceerd, tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven. De tekst van dit koninklijk besluit van 23 december 1983 is opgenomen in bijlage 1 bij de aanschrijving nr. 5 van 21 maart 1984.
(1) Z. Revue nr. 62, blz. 179.
2. Geïnspireerd door het verlangen de activiteit in de onroerende sector opnieuw op gang te brengen, verlaagt dit besluit, voor de periode van 1 januari 1984 tot 31 december 1985, van 17 tot 6 pct., het BTW-tarief van toepassing op onroerende handelingen en op de leveringen van nieuwe gebouwen, die betrekking hebben op woningen, hoofdzakelijk gebruikt of bestemd om te worden gebruikt als privé-woning en voor zover deze handelingen worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker. Deze tijdelijke bepaling verlengt aldus de regeling, welke overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 1 van 15 februari 1982 (2) (Belgisch Staatsblad van 20 februari 1982) reeds vanaf 1 maart 1982 van toepassing was voor de privé-woningen, voor een nieuwe periode van twee jaar, zonder de voorwaarden ervan te wijzigen.
(2) Z. Revue nr. 52, blz. 15.
3. Anderzijds breidt het koninklijk besluit van 23 december 1983, voor de periode van 1 januari 1984 tot 31 december 1985, het voordeel van het verlaagd tarief uit tot de onroerende handelingen met betrekking tot gebouwen gebruikt of bestemd om te worden gebruikt voor de huisvesting van bejaarden, gehandicapten, leerlingen en studenten en tot de levering onder het stelsel van de BTW van nieuwe woningen, gebruikt of bestemd om te worden gebruikt voor de huisvesting van deze personen, in:
1° verblijfsinrichting voor bejaarden in de zin van artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 juli 1966 op de rustoorden voor bejaarden;
2° instellingen welke, met een internaatstelsel, op duurzame wijze gehandicapten opnemen die een tegemoetkoming van het fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten genieten;
3° internaten die zijn toegevoegd aan scholen of universiteiten of die ervan afhangen.
4. Deze aanschrijving verstrekt toelichtingen over deze nieuwe tijdelijke bepaling waarvan de tekst is opgenomen in bijlage 1, waarnaar wordt verwezen.
Eerste hoofdstuk. Verlenging, voor twee jaar, van het verlaagd tarief van 6pct. voor privé-woningen.
Algemene draagwijdte van de verlenging.
5. Wanneer men de uitbreiding bedoeld in nr. 3 hierboven buiten beschouwing laat, wordt er door het koninklijk besluit van 23 december 1983 niets gewijzigd in vergelijking met het koninklijk besluit nr. 1 van 15 februari 1982. Het eerstgenoemde besluit verlengt eenvoudig de gunstregeling, welke reeds werd toegelicht in de aanschrijving nr. 7 van 10 maart 1982 (3), met twee jaar.
(3) Z. Revue nr. 53, blz. 247.
Als aanvulling op deze aanschrijving worden hier enkele verduidelijkingen verstrekt omtrent twee bijzondere punten, uiteengezet in de nrs. 6 tot 8 hierna.
Handelingen uitgevoerd aan de gemeenschappelijke delen van een appartementsgebouw.
6. De aanschrijving nr.7 van 10 maart 1982 preciseert, in nr. 33, dat indien onroerende handelingen, beoogd door het koninklijk besluit nr. 1 van 15 februari 1982 (Belgisch Staatsblad van 20 februari 1982), worden uitgevoerd aan de gemeenschappelijke delen van een appartementsgebouw (bijvoorbeeld, vervanging of onderhoud van een lift) en indien elke medeëigenaar in de kosten bijdraagt in functie van zijn onverdeeld deel in de gemeenschappelijke delen, het tarief van de belasting verschuldigd op ieders deel in de kosten, tijdens de periode van 1 maart 1982 tot 31 december 1983, afhangt van de bestemming die aan elk appartement wordt te beoordelen.
7. In dit opzicht werd de aandacht van de administratie gevestigd op de omslachtigheid van de taak van de syndicus die, telkens wanneer zich een belastbaar feit of een andere oorzaak van verschuldigdheid van de BTW voordoet, verplicht is de toestand van het gebouw appartement per appartement te beoordelen.
Ter vereenvoudiging aanvaardt de administratie derhalve, bij wijze van proef, dat de syndicus in dergelijk geval voortaan rekening houdt met de bestemming die aan elk appartement werd gegeven op de 1ste januari van het jaar waarin zich een belastbaar feit of een andere oorzaak van verschuldigdheid van de BTW voordoet.
Deze toegeving, die van toepassing is vanaf 1 januari 1984, kan evenwel niet uitgespeeld worden tegen de medeëigenaar die zou wensen dat er onmiddellijk rekening wordt gehouden met de wijziging van bestemming van zijn appartement, welke zich voordoet in de loop van het jaar.
Mede-aansprakelijkheid van de verkoper en de koper van een gebouw. Vermeldingen in de akte.
8. Wanneer, inzonderheid omwille van onjuiste aanwijzingen betreffende de bestemming van het gebouw, het tarief van 6 pct. verkeerdelijk werd toegepast door de verkoper van een nieuw gebouw, ontworpen als privé-woning, doch deze verkoper, aangezien hij niet bij machte was op objectieve wijze het tarief van de verschuldigde belasting te bepalen, aan de koper een attest heeft gevraagd op basis waarvan hij deze belasting heeft berekend, dan houdt de administratie met dit feit rekening en zal ze de aanvullende belasting bij voorrang ten laste van de koper invorderen(z. aanschr. 7/1982, nr. 65).
In zulke omstandigheden heeft de verkoper er uiteraard alle belang bij op de factuur, welke hij aan de koper uitreikt, melding te maken van het bestaan en van de inhoud van dit attest.
Aangezien de houding uitgedrukt in het eerste lid hierboven de mogelijkheid niet uitsluit dat de administratie zich nog kan verhalen op de verkoper, werd de vraag gesteld onder welke omstandigheden de verkoper van alle aansprakelijkheid zou kunnen worden ontslagen. In dit opzicht stemt de administratie ermee in, afgezien van het geval van samenspanning tussen verkoper en koper, om de aanvullende BTW alleen ten laste van de koper na te vorderen indien het verkochte goed een nieuw gebouw is ontworpen als privé-woning en indien de authentieke akte, welke de overdracht van dit gebouw vaststelt, uitdrukkelijk vermeldt dat dit is ontworpen en gerealiseerd in functie van zijn bestemming als privé- woning en zij bovendien een verklaring van de koper bevat waarin deze laatste bevestigt dat deze woning in hoofdzaak zal worden gebruikt als privé-woning en dat hij de hoedanigheid van eindverbruiker bezit in de zin van de bepaling in kwestie.
Hoofdstuk II.-Uitbreiding van het verlaagd tarief tot bepaalde instellingen met sociaal karakter.
9. Het koninklijk besluit van 23 december 1983 breidt, onder bepaalde voorwaarden, de toepassing van het verlaagd tarief uit tot verblijfsinrichtingen voor bejaarden en voor gehandicapten, alsook tot internaten die zijn toegevoegd aan scholen of universiteiten.
Hierna wordt onderzocht:
1° in een eerste afdeling, de algemene toepassingsvoorwaarden van het verlaagd tarief voor de beoogde inrichtingen;
2° in de drie volgende afdelingen, de bijzondere toepassingsvoorwaarden van het verlaagd tarief, respectievelijk voor de inrichtingen voor bejaarden, voor de inrichtingen voor gehandicapten en voor de internaten die zijn toegevoegd aan scholen of universiteiten.
Eerste afdeling. - Algemene toepassingsvoorwaarden van het verlaagd tarief voor de beoogde inrichtingen.
Geheel van algemene toepassingsvoorwaarden.
10. Opdat het verlaagd tarief van 6 pct. van toepassing zou zijn, dienen, onder voorbehoud van de specifieke voorwaarden uitgedrukt in de volgende afdelingen, tenminste de hiernavolgende algemene voorwaarden tezamen te zijn vervuld:
1° de verrichte handeling moet zijn: hetzij een onroerende handeling bedoeld in artikel 17bis van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969, hetzij studiewerk en toezicht behorende tot de geregelde werkzaamheid van architecten, landmeters en ingenieurs en dat verricht wordt ter uitvoering van een hierboven bedoeld onroerend werk, hetzij een levering van een nieuw gebouw in de zin van artikel 9, § 3, van het BTW-Wetboek;
2° de onder 1 omschreven handeling dient betrekking te hebben op woningen gebruikt of bestemd om te worden gebruikt voor de huisvesting van de beoogde personen;
3° de onder 1 bedoelde handeling dient, in principe, te worden verstrekt en gefactureerd aan de publiekrechtelijke of de privaatrechtelijke personen die de beoogde inrichtingen beheren;
4° de factuur die de handeling vaststelt moet de vermeldingen bevatten die de toepassing van het verlaagd tarief verrechtvaardigen;
5° het belastbaar feit of de oorzaak van verschuldigdheid van de belasting betreffende de handeling moet zich voordoen tussen 1 januari 1984 en 31 december 1985.
I. Aard van de bedoelde handelingen.
11. De beoogde handelingen zijn dezelfde als die welke in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het verlaagd tarief in de privé-woningbouwsector. Er wordt derhalve verwezen naar de toelichting die in dit verband wordt gegeven in de eerste afdeling van bovengenoemde aanschrijving nr. 7/1982.
12.Men mag niet uit het oog verliezen dat het verlaagd tarief niet van toepassing is op de eenvoudige leveringen van roerende goederen (materialen, apparaten, enz.) die onderworpen zijn aan hun eigen tarief (z. aanschr. 7/1982, nrs. 14, 15 en 17, er rekening met houdend dat sinds 1 januari 1983 het normale tarief van de BTW van 17 op 19 pct. werd gebracht).
II.Bestemming van woningen gebruikt of bestemd om te worden gebruikt voor de huisvesting van bejaarden, gehandicapten, leerlingen en studenten.
Onroerende verhuur en huisvesting.
13. In tegenstelling tot de eigenlijke onroerende verhuur is het verschaffen van huisvesting in de zin van artikel 18, § 1, 10 en 11, van het BTW-Wetboek een complexe overeenkomst ter uitvoering waarvan de exploitant, benevens het ter beschikking stellen van individuele of gemeenschappelijke lokalen, tevens aan de gasten verschillende diensten verschaft die deel uitmaken van het restaurant- en hotelwezen, alsook de specifieke zorgen die, inzonderheid voor de rusthuizen en de tehuizen voor gehandicapten, de bijzondere gezondheidstoestand van de kostgangers met zich meebrengt .
14. Overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 1 van 15 februari 1982, waarbij het verlaagd tarief in de privé-woningbouwsector werd ingesteld, konden de instellingen die logies verschaffen zich niet beroepen op het voordeel van dat verlaagd tarief, vermits ze omwille van deze beroepsactiviteit niet als eindverbruiker werden aangemerkt. Anderzijds mochten de instellingen die zich beperkten tot de gewone verhuur van woningen, zelfs indien gemeubeld maar zonder het verstrekken van andere diensten, genieten van het fiscaal voordeel. De nieuwe bepaling maakt een einde aan deze ongelijke behandeling door, onder bepaalde voorwaarden, de verblijfsinrichtingen voor bejaarden en gehandicapten en de internaten als eindverbruiker aan te merken.
Beoogde woningen.
15. Het tarief van 6 pct. mag slechts worden toegepast op de onroerende handelingen die betrekking hebben op woningen die worden of zullen worden gebruikt voor de huisvesting van de bedoelde personen.
16. Onder woningen verstaat men al de lokalen die bestemd zijn of bestemd worden voor de huisvesting van deze personen, om te voldoen aan de vereisten van hun verblijf en van hun gemeenschappelijk leven. Niet alleen de lokalen bestemd voor de eigenlijke huisvesting (appartementen, privé- of gemeenschappelijke kamers, slaapzalen, enz.) zijn bedoeld, doch ook de andere plaatsen die worden gebruikt door de beoogde personen (restaurants, lees- of recreatiezalen, salons met bar of T.V., studiezalen, bibliotheken of kapellen voorbehouden aan de kostgangers), alsmede de lokalen bestemd voor het personeel ten dienste van de huisvesting (monitors, toezichters, verplegers, dienstpersoneel) en de technische lokalen (keukens, wasplaatsen, ziekenzalen, kelders, opslagplaatsen, bergplaatsen, enz.).
Bestemming der onroerende handelingen voor de beoogde woningen.
17. Wanneer alle lokalen van het gebouw waarop de onroerende handeling betrekking heeft bestemd zijn voor de beoogde huisvesting, is, indien alle andere voorwaarden zijn vervuld, op het geheel van die handeling het tarief van 6 pct. van toepassing.
18. Wanneer het gebouw niet uitsluitend bestemd is voor de beoogde huisvesting en aldus lokalen omvat die worden gebruikt voor andere doeleinden (b.v. een gebouw dat naast een beschermde werkplaats tevens een home voor gehandicapten bevat, een onderwijsinstelling die tevens een internaat bevat, enz.), is het verlaagd tarief slechts van toepassing in de mate dat het gebouw voor de beoogde huisvesting wordt gebruikt.
In onderhavig geval kan bijgevolg het verlaagd tarief van toepassing zijn op het geheel van de handeling indien deze enkel betrekking heeft op de lokalen die uitsluitend worden gebruikt voor de huisvesting; het voordeel van dit tarief geldt daarentegen niet indien de handeling beperkt is tot de lokalen die op geen enkele wijze dienen voor de huisvesting (b.v. in een gebouw dat naast een verblijfsinrichting voor gehandicapten tevens een beschermde werkplaats omvat, worden de ramen vernieuwd van de lokalen die geheel bestemd zijn voor de beschermde werkplaats).
Wanneer de handeling evenwel betrekking heeft op het geheel van het gebouw bestemd voor gemeenschappelijk gebruik (b.v. vervanging van het dak van een schoolgebouw waarvan bepaalde verdiepingen enkel klaslokalen bevatten en de andere verdiepingen bestemd zijn voor studentenkamers) dient de prijs van deze handeling in principe te worden gesplitst zodat het verminderd tarief slechts wordt toegepast op dat gedeelte van de prijs dat overeenstemt met het gedeelte dat bestemd is voor de huisvesting; die verhouding dient te worden vastgesteld door de bouwheer onder controle van de administratie. Ten einde rekening te houden met de specifieke situaties eigen aan elk van de betrokken instellingen, worden in de nrs. 32, 34, 67 en 76, bijzondere richtlijnen verstrekt voor het bepalen van de beoogde huisvestingsbestemming.
III. Verstrekking van de beoogde handelingen aan personen welke de bedoelde instellingen beheren.
19. Voor zover alle andere voorwaarden vervuld zijn, is het verlaagd tarief in principe slechts van toepassing wanneer de onroerende handeling wordt verstrekt aan een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke persoon die een door de nieuwe wetgeving begunstigde verblijfsinrichting beheert.
20. Deze persoon dient in de regel eigenaar of huurder te zijn van het gebouw dienstig als verblijfsinrichting of dient, meer algemeen, een zakelijk recht (b.v. vruchtgebruik) of een recht van genot op dat gebouw te bezitten. Om distorsies te vermijden aanvaardt de administratie dat het voordeel van het verlaagd tarief eveneens kan gelden voor de persoon die, zonder exploitant te zijn van de inrichting, het zakelijk recht of het recht van genot dat hij bezit op het gebouw overdraagt, inzonderheid bij wijze van verhuur, aan de exploitant die de inrichting beheert.
21. Voor de toepassing van het verlaagd tarief is het dus niet noodzakelijk dat de persoon die de opdrachtgever van de handeling is tevens de hoedanigheid heeft van beheerder. Essentieel is dat de handeling rechtstreeks betrekking heeft op de exploitatie van de homes of internaten, onder de voorwaarden gesteld door de nieuwe wetgeving.
22. De exploitatievoorwaarden, waardoor de toepassing van het gunstregime wordt beperkt tot bepaalde verblijfsinrichtingen voor bejaarden of gehandicapten of tot bepaalde internaten, worden hierna gepreciseerd in de afdelingen II tot IV.
IV. Facturering van de beoogde handelingen.
23. Aangezien de toepassing van het verlaagd tarief ondergeschikt is aan een geheel van voorwaarden met betrekking tot de bijzondere bestemming van de uitgevoerde handeling, is het van belang dat de persoon die er de opdracht toe geeft, in staat is zijn recht op de gunstregeling aan te tonen tegenover zijn aannemer ten einde deze toe te laten met kennis van zaken de werkelijk op de handeling verschuldigde BTW te factureren en de belasting correct te voldoen.
24. Het is derhalve aangewezen dat de personen, die zich op het voordeel van het verlaagd tarief beroepen, tegenover hun aannemers schriftelijk bevestigen in welke hoedanigheid zij er recht op hebben en, in voorkomend geval, in welke mate (z. nr. 18). Wanneer de aannemers geen gegronde redenen hebben om te twijfelen aan de geldigheid van het hen overgelegde attest, zal de administratie hiermee rekening houden en bij voorrang de medecontractant aansprakelijk stellen indien een onregelmatigheid met betrekking tot de heffing van de belasting wordt vastgesteld.
25. De aannemers dienen, van hun kant, op basis van het ontvangen attest nauwkeurig de door hen verrichte handeling te omschrijven en de bestemming ervan duidelijk aan te duiden door formuleringen zoals : "Werken verricht aan lokalen voor huisvesting van home "X" of van internaat "Y"." Wanneer de werken slechts gedeeltelijk betrekking hebben op zulke lokalen dient de prijs op de factuur te worden gesplitst derwijze dat de maatstaf van heffing voor het verlaagd tarief duidelijk wordt weergegeven (vgl. aanschr. 7/1982, nrs. 57 tot 66).
V. Inwerkingtreding van de nieuwe bepaling per 1 januari 1984. Plaatsvinden van het belastbare feit en van de oorzaken van verschuldigheid van de belasting.
26. In de onderstelling dat de voorwaarden voor de toepassing ervan vervuld zijn, kan de beoogde handeling slechts onderworpen zijn aan het verlaagd tarief in de mate dat het belastbare feit of de oorzaken van verschuldigdheid van de belasting zich voordoen nà 31 december 1983 (z. voor werken in onroerende staat, aanschr. 7/1982, nrs. 69 tot 72, en voor de leveringen van nieuwe gebouwen, zelfde aanschr., nrs. 80 tot 83).
Voorbeeld. Een tehuis voor gehandicapten geeft in oktober 1983 opdracht tot uitvoering van werk in onroerende staat. Voorschotten werden betaald in oktober en in december 1983, terwijl het saldo van de prijs wordt voldaan in januari 1984, bij de voltooiing van het werk. De belasting is verschuldigd geworden in oktober en december 1983 tegen het tarief van 17 pct.; enkel de belasting verschuldigd over het saldo van de prijs in januari 1984 wordt geheven tegen het tarief van 6 pct.
Afdeling II.- Bijzondere toepassingsvoorwaarden. Verblijfsinrichtingen voor bejaarden in de zin van artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 juli 1966 op de rustoorden voor bejaarden (4).
(4) De wet van 12 juli 1966 op de rustoorden voor bejaarden, gewijzigd bijde wet van 10 mei 1967, werd wat de Franse Gemeenschap betreft, opgeheven sedert 15 juni 1984.Sedertdien wordt, wat deze Gemeenschap betreft, de situatie van de verblijfsinrichtingen voor bejaarden geregeld door het Decreet van 10 mei 1984 op de rustoorden. De tekst van dit decreet, welke mutatis mutandis de toepassing toelaat van deze aanschrijving, gaat hierbij in bijlage II.
Eerste onderafdeling. - Wettelijke omschrijving van de beoogde inrichtingen.
27. Krachtens artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 juli 1966 (Belgisch Staatsblad van 8 september 1966) op de rustoorden voor bejaarden, is deze wet van toepassing op alle verblijfsinrichtingen, beheerd door een publiekrechtelijke of door een privaatrechtelijke persoon, die onder de hoedanigheid van "rusthuis", "rustoord", " tehuis voor ouden van dagen" aan personen van 60 jaar of ouder, die er op duurzame wijze verblijven, huisvesting bieden, met gehele of gedeeltelijke huishoudelijke en gezinsverzorging. Daarenboven moeten de betrokken inrichtingen volgens de bewoordingen zelf van artikel 2, § 1, van dezelfde wet, waarvan de bepalingen onafscheidelijk verbonden zijn met deze van artikel 1, eerste lid, worden erkend door de bevoegde Minister bij wijze van aanvraag gericht aan deze laatste door de exploitant.
Er wordt opgemerkt dat de hier omschreven privaatrechtelijke inrichtingen dezelfde zijn als die welke genieten van de vrijstelling van de BTW, voorzien in artikel 44, § 2, 2, van het BTW-Wetboek, met dien verstande dat het sociaal karakter vereist door deze bepaling ambtshalve wordt geacht aanwezig te zijn van zodra de inrichtingen zijn erkend. Er bestaat dus een direct en noodzakelijk verband tussen de hoedanigheid van niet-belastingplichtige van de beoogde inrichtingen en de toepassing van het verlaagd tarief op onroerende werkzaamheden met betrekking tot de inrichting welke ze beheren. In dit opzicht wordt eraan herinnerd dat, gelet op de duur van de erkenningsprocedure, de administratie aanvaardt dat de inrichtingen waarover het gaat voorlopig aanspraak kunnen maken op de vrijstelling - en derhalve handelen als niet-belastingplichtigen - vanaf de indiening van de aanvraag tot erkenning (z. BTW-Handleiding, nr. 319, A). Het spreekt dan ook vanzelf dat de inrichting, welke geen gebruik wenst te maken van deze toegeving en die, voor de periode voorafgaand aan de erkenning, vraagt zich te laten registreren voor de BTW, geen aanspraak kan maken op het verlaagd tarief voor de onroerende handelingen met betrekking tot deze inrichting.
De publiekrechtelijke inrichtingen (O.C.M.W., enz.) zijn krachtens artikel 6 van het Wetboek geen BTW-belastingplichtigen en zijn voor de toepassing van het verlaagd tarief onderworpen aan dezelfde voorwaarden als de privaatrechtelijke inrichtingen.
Onderafdeling II. - Exploitatievoorwaarden. Opsomming der voorwaarden.
28. Om aanspraak te kunnen maken op het verlaagd tarief moet de inrichting de volgende voorwaarden tezamen vervullen:
1° de persoon die de inrichting beheert dient aan zijn kostgangers tegelijkertijd huisvesting en gehele of gedeeltelijke huishoudelijke en gezinsverzorging welke ze nodig hebben te bieden;
2° de kostgangers moeten 60 jaar zijn of ouder;
3° deze kostgangers dienen in de inrichting op duurzame wijze te verblijven;
4° de inrichting moet op haar verzoek erkend zijn door de bevoegde Minister.
Bestaan van een huisvestingscontract.
29. Krachtens de wet van 12 juli 1966 komen enkel die inrichtingen voor erkenning in aanmerking die, in uitvoering van een enkelvoudig of een samengesteld huisvestingscontract, aan hun kostgangers niet louter huisvesting bieden maar eveneens, geheel of gedeeltelijk, de voor hun verblijf vereiste huishoudelijke en gezinsverzorging. Zodra deze voorwaarde is vervuld, is het niet vereist dat deze inrichtingen aangeduid worden met de benaming "rusthuis", "rustoord" of "tehuis voor ouden van dagen" aangezien dergelijke benamingen op zichzelf niet beperkend zijn.
30. Er wordt aangestipt dat voor de eenvoudige terbeschikkingstelling van lokalen dienstig als privé-woning, zelfs gemeubeld, zonder verstrekking van andere diensten door de verhuurder, de wettige erkenning niet wordt verleend maar dat zij evenmin van de toepassing van het verlaagd tarief voor de onroerende handelingen verricht aan dergelijke woningen wordt uitgesloten. De persoon die een privé-woning verhuurt wordt inderdaad aangemerkt als eindverbruiker krachtens het algemeen principe dat aan de basis ligt van de gunstregeling (z. aanschr. 7/1982, nrs. 46 tot 48).
Huisvesting voor bejaarden.
31. Het sociaal doel van de inrichting en haar werkelijke bestaansreden dient de huisvesting van bejaarden, d.w.z. personen van 60 jaar of ouder, te zijn.
32. Daarnaast mag deze huisvesting betrekking hebben op het voor het tehuis vereiste kaderpersoneel en op de personen vereist voor de diensten die blijvend verzekerd dienen te zijn (gerant, verpleegsters, nachtpersoneel, enz.). De bejaarden buiten beschouwing gelaten, is het anderzijds niet uitgesloten dat enkele personen die niet behoren tot diegenen die hier worden beoogd uiterst bijkomstig en voorlopig in het tehuis verblijven; een dergelijke situatie is niet van die aard om het tehuis het voordeel van het verlaagd tarief te doen verliezen, zelfs niet in de mate van deze personen.
Bestendig en duurzaam karakter van het verblijf.
33. De inrichting moet fungeren als de eigen woning van de bejaarde, als zijn normale verblijfplaats, hetgeen een duurzaam verblijf in de inrichting veronderstelt. De inrichtingen voor korte verblijven, welke tijdelijk onderdak verschaffen aan bejaarden wier familie voorlopig voor hen niet kan zorgen of die herstellen van ziekte, zijn dus uitgesloten van het voordeel van de gunstregeling.
34. Het is nochtans toegelaten dat in, een tehuis waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het verstrekken van een duurzaam verblijf aan de kostgangers ervan, op bijkomstige wijze enkele personen tijdelijk verblijven, bijvoorbeeld om ze de mogelijkheid te geven hun aanpassingsvermogen met betrekking tot deze nieuwe leefwijze na te gaan.
Wettelijke erkenning van de inrichting.
35. De inrichting moet, op haar aanvraag, erkend worden door de Minister onder wie de Volksgezondheid ressorteert. Deze erkenning vereist in de eerste plaats dat aan de gestelde normen, inzonderheid die inzake de veiligheid, is voldaan. In dit opzicht voorziet het koninklijk besluit van 22 maart 1968 (Belgisch Staatsblad van 30 april 1968) betreffende de rechtspleging van erkenning en sluiting van de rustoorden voor bejaarden in de indiening van een aanvraag door de exploitant, zowel voor nieuwe gebouwen als voor uitbreidingen en het gebruik van gebouwen voorheen aangewend voor andere doeleinden.
36. Deze aanvraag mag in principe slechts verschillende maanden na de ingebruikneming worden ingediend en dient gestaafd te worden door bewijsstukken (plans van de lokalen, aantal bedden, verslagen van het brandweerkorps, enz.).
37. De erkenning wordt toegestaan of geweigerd afhankelijk van het resultaat van het onderzoek van de aanvraag; de weigering tot erkenning kan slechts voorlopig zijn, in welk geval de beslissing waaruit zij voortspruit de aard, en de belangrijkheid vermeldt van de werken nodig voor het toekennen van de erkenning.
Trouwens, zelfs wanneer de erkenning is toegekend, kan ze volgens een welbepaalde procedure voorlopig of definitief worden ingetrokken. In geval van een beslissing tot tijdelijke intrekking zal deze de duur van de intrekking, de voorwaarden waaronder ze zal worden opgeheven en het voorlopig statuut van de inrichting vermelden. De definitieve intrekking kan samengaan met een beslissing tot definitieve sluiting van de inrichting.
38. Deze onzekerheid, zowel inzake het verlenen van de erkenning als inzake het behoud ervan, stelt problemen op het stuk van de toepassing van het verlaagd tarief. Deze problemen worden hierna onderzocht in onderafdeling III.
Bron: FisconetPlus
