Circulaire 2019/C/85 over de belastingvrijstelling voor overdracht van erfpacht, recht van opstal of andere gelijkaardige onroerende rechten
Eerste commentaar op de wet van 22.04.2019 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wat de belastingvrijstelling voor de overdracht van erfpacht betreft.
onroerend inkomen ; overdracht onder bezwarende titel ; erfpacht ; opstal ; gelijkaardige onroerende rechten ; vrijstelling
FOD Financiën, 05.09.2019
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Personenbelasting
1. Wat verandert er?
1. De bedragen die worden verkregen bij de vestiging of de overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten zijn in principe belastbaar als onroerende inkomsten (1).
(1) Art. 7, § 1, 3° en art. 10, § 1, WIB 92.
2. In afwijking hiervan wordt onder bepaalde voorwaarden een vrijstelling ingevoerd voor de overdracht onder bewarende titel van een recht van erfpacht, van een recht van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten op:
- een grond waarop een gebouw is opgericht
- een bebouwd onroerend goed of
- een gebouw (2).
(2) Art. 2, W 22.04.2019 en art. 12, § 4, WIB 92.
3. De bedragen die worden verkregen bij de vestiging van een recht van erfpacht, van een recht van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten komen niet in aanmerking voor deze vrijstelling.
4. De vrijstelling geldt ook voor dergelijke in het buitenland gelegen onroerende goederen.
2. Voor wie?
5. De vrijstelling is van toepassing op de natuurlijke personen die een dergelijk recht onder de hierna vermelde voorwaarden overdragen en die onderworpen zijn aan de personenbelasting of aan de belasting van niet-inwoners, natuurlijke personen.
3. Onder welke voorwaarden?
6. De bedragen die worden verkregen bij de overdracht onder bezwarende titel van:
- een recht van erfpacht,
- een recht van opstal of
- gelijkaardige onroerende rechten
op een grond waarop een gebouw is opgericht, op een bebouwd onroerend goed of op een gebouw zijn vrijgesteld als onroerend inkomen indien:
a. het recht wordt overgedragen ten vroegste 5 jaar na de datum van de authentieke akte van vestiging of verkrijging van het recht.
Het speelt geen rol of het recht onder bezwarende titel werd verkregen. Het is voor deze vrijstelling niet vereist dat het om een eigen woning gaat. Het moet ook niet om een woning gaan: ook andere gebouwen komen in aanmerking voor de vrijstelling.
b. de woning de eigen woning is geweest van de belastingplichtige gedurende een ononderbroken periode van ten minste 12 maanden die de maand van de overdracht voorafgaat. Evenwel mag tussen de periode van ten minste 12 maanden en de maand van vervreemding van het recht nog een periode van maximaal 6 maanden liggen, gedurende dewelke de woning niet in gebruik mag zijn genomen.
c. het recht toebehoort aan:
- al dan niet ontvoogde minderjarigen als een gerechtelijke instantie daartoe machtiging heeft gegeven
- personen aan wie een bewindvoerder is toegevoegd krachtens een bijzondere machtiging van de vrederechter (3).
(3) Overeenkomstig het vierde deel, boek IV, hoofdstuk X van het Gerechtelijk Wetboek.
d. in geval van onteigeningen of overdrachten in der minne van onroerende goederen ten algemene nutte, wanneer de overdrachten kosteloos aan de registratieformaliteit zijn onderworpen (4).
(4) Overeenkomstig art. 161, Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.
4. Vanaf wanneer?
7. De vrijstelling is van toepassing vanaf aanslagjaar 2020.
5. Wetgeving?
- Artikelen 1 tot 3 van de wet van 22.04.2019 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wat de belastingvrijstelling voor de overdracht van erfpacht betreft (Belgisch Staatsblad van 29.04.2019)
- Artikel 12, § 4 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Interne ref.: 720.830
