Aanschrijving nr. 24 dd. 29.08.1978 betreffende zee- en binnenschepen

Punt 40 werd opgeheven door de aanschrijving E.T.100.967 d.d. 17.09.2001

De vrijstelling voorzien bij punt 11, c, van deze aanschrijving - jachten en plezierboten, werd opgeheven bij de Beslissing E.T.11.510 d.d. 30.09.1992

Deze aanschrijving werd deels gewijzigd door de Circulaire 2019/C/44 Addendum op de Btw-aanschrijving nr. 24 van 29.08.1978 - schepen voor de vaart op volle zee

Inhoudstafel

Onderwerp van de aanschrijving.

Eerste hoofdstuk. - Artikel 42, § 1, 1°, van het Wetboek.

Vrijgestelde vaartuigen.

Artikel 42, § 1, 1°, a, van het Wetboek.

Artikel 42, § 1, 1°, b, van het Wetboek.

Artikel 42, § 1, 1°, c, van het Wetboek.

Artikel 42, § 1, 1°, d, van het Wetboek.

Niet vrijgestelde vaartuigen.

Verandering van bestemming.

Voorwaarden van de vrijstelling.

Hoofdstuk II. - Artikel 42, § 1, 2°, van het Wetboek.

Vrijgestelde goederen.

Rechthebbenden op de vrijstelling.

Voorwaarden van de vrijstelling.

Hoofdstuk III. - Artikel 42, § 1, 3°, van het Wetboek.

Voorwaarden van de vrijstelling.

Hoofdstuk IV. - Artikel 42, § 1, 4°, van het Wetboek.

Goederen bestemd voor de bevoorrading.

Vaartuigen bedoeld in artikel 42, § 1, 4°, van het Wetboek.

Niet in artikel 42, § 1, 4°, van het Wetboek bedoelde vaartuigen.

Vrijgestelde leveringen en invoeren.

Voorwaarden van de vrijstelling.

Bewijs van het aan boord brengen van de goederen.

Hoofdstuk V. - Artikel 42, § 1, 5°, van het Wetboek.

Vrijgestelde diensten.

Niet vrijgestelde diensten.

Voorwaarden van de vrijstelling.

Bepalingen gemeen aan de hoofdstukken I tot V.

Onderwerp van de aanschrijving.

1. Artikel 22 van de wet van 27 december 1977 (Belgisch Staatsblad van 30 december 1977 (Z. revue nr. 33, blz. 16, z. aanschr. 3/1978) heeft, met ingang van 1 januari 1978, artikel 42 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde gewijzigd.

De vrijstellingen van de BTW met betrekking tot zee- en binnenschepen zijn thans opgenomen in artikel 42, § 1, van het Wetboek, dat luidt als volgt: "Van de belasting zijn vrijgesteld:

de levering en de invoer:

a) van zeeschepen bestemd voor passagiers- of goederenvervoer tegen betaling, voor de visserij of, meer algemeen, voor de uitoefening van enigerlei industriële of handelsactiviteit;

b) van reddingsboten en -schepen voor hulpverlening op zee;

c) van oorlogsschepen;

d) van binnenschepen bestemd voor de binnenlandse commerciële vaart;

de levering aan en de invoer door bouwers, eigenaars en gebruikers van in 1° bedoelde vaartuigen, van voorwerpen bestemd om in die vaartuigen te worden ingelijfd of om te dienen voor de exploitatie van die vaartuigen;

de diensten die tot voorwerp hebben de bouw, de verbouwing, de herstelling, het onderhoud, de verhuur of de bevrachting van in 1° bedoelde vaartuigen of in 2° bedoelde voorwerpen;

de levering aan en de invoer door eigenaars of gebruikers van in 1°, a, b en c, bedoelde vaartuigen, van goederen bestemd voor de bevoorrading van die vaartuigen. De vrijstelling is nochtans niet toepasselijk ter zake van de levering of de invoer van boordprovisie voor vaartuigen die gebruikt worden voor de kustvisserij, terwijl met betrekking tot oorlogsschepen de vrijstelling beperkt is tot de bevoorrading van de schepen die bedoeld zijn in de onderverdeling 89.01.A van het Tarief van invoerrechten en die het land verlaten met als bestemming een haven of een ankerplaats in het buitenland;

de andere diensten dan deze genoemd in 3°, die verricht worden voor de rechtstreekse behoeften van in 1°, a en b, bedoelde vaartuigen en hun lading, zoals het slepen, het loodsen, het meren, de reddings- en expertiseverrichtingen, het gebruik van de havens, de diensten als agent verleend door scheepsagenten aan rederijen, de diensten ten behoeve van de aan- en afvaart en het verblijf van de bedoelde vaartuigen in de havens, de diensten ten behoeve van passagiers en bemanning verleend voor rekening van rederijen.

De Koning bepaalt de toepassingsvoorwaarden van deze paragraaf."

Die toepassingsvoorwaarden werden vastgelegd in het koninklijk besluit nr. 6, van 27 december 1977 (Z. Revue nr. 33, blz. 76), met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van internationaal vervoer, zee- en binnenschepen en luchtvaartuigen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 31 december 1977, z. aanschr. 4/1978).

Artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit bepaalt met name dat aanspraak op de vrijstellingen van artikel 42, § 1, van het Wetboek, moet worden aangetoond aan de hand van stukken en bescheiden waarvan de aard en de vorm worden bepaald door of vanwege de Minister van Financiën.

2. Deze aanschrijving bepaalt de draagwijdte van en de voorwaarden waaraan de vrijstellingen voorzien door artikel 42, § 1, van het Wetboek onderworpen zijn.

Zij vervangt, voor de behandelde materie, de aanschrijving van 31 december 1970, nr. 110, en de Commentaar 431.

Eerste hoofdstuk. - Artikel 42, § 1, 1°, van het Wetboek.

3. De vrijstelling ingesteld bij artikel 42, § 1, 1°, van het Wetboek is gesteund op de aard en de bestemming van het verkochte of ingevoerde goed.

4. De verkoop van een onverdeeld deel in een zee- of binnenschip, bedoeld bij artikel 42, § 1, 1°, van het Wetboek, en de verkrijging van een dergelijk vaartuig door verdeling of door met verdeling gelijkgestelde overdracht, zijn van de belasting vrijgesteld.

Vrijgestelde vaartuigen.

Artikel 42, § 1, 1°, a, van het Wetboek.

5. De vaartuigen bedoeld bij artikel 42, § 1, 1°, a, van het Wetboek zijn de schepen en boten van alle types, al dan niet met mechanische aandrijving, die uitsluitend gebruikt worden of bestemd zijn voor een winstgevende handels- of industriële bedrijvigheid op zee.

Die winstgevende bedrijvigheden zijn hoofdzakelijk:

- het vervoer van personen of van goederen tegen betaling;

- het beroepshalve beoefenen van de visvangst (visvangst in volle zee of kustvisserij);

- het baggeren, loodsen, slepen en bebakenen op zee.

6. Zijn aldus bedoeld bij artikel 42, § 1, 1 °, a, van het Wetboek, passagiersschepen, vrachtschepen, koelboten voor het vervoer van goederen, tankerschepen (petroleumtankers, enz.), ferryboten, visserssloepen en andere vissersboten, vaartuigen speciaal ingericht om kabels te leggen, ijsbrekers, fabrieksschepen, loodsboten, bergingsvaartuigen voor het lichten van schepen, vaartuigen voor het vervoeren en het verankeren van boeien, sleepboten, duwboten en luchtkussenvaartuigen bestemd voor het verrichten van bezoldigd vervoer van personen of goederen.

7. De vrijstelling voorzien door artikel 42, § 1, 1°, a, van het Wetboek is eveneens toepasselijk op baggerschepen van alle soorten, op drijvende kranen (kranen op pontons), lichtschepen, pompboten en schepen uitgerust voor het verrichten van proefboringen in volle zee. De vrijstelling is in deze nochtans slechts toepasselijk voor zover de genoemde toestellen zich zelfstandig kunnen verplaatsen en geen deel uitmaken van een vaste inrichting op de wal.

Artikel 42, § 1, 1°, b, van het Wetboek.

8. De vrijstelling bedoeld in artikel 42, § 1, 1°, b, van het Wetboek betreft uitsluitend reddingsboten en -schepen voor hulpverlening op zee.

Er wordt aangenomen dat de vrijstelling ook toepasselijk is voor reddingsboten en -schepen voor hulpverlening die langs de kust gebruikt worden evenals voor de vaartuigen van de politiegebruikt langs de kust.

Artikel 42, § 1, 1°, c, van het Wetboek.

9. De vrijstelling bedoeld in artikel 42, § 1, 1°, c, van het Wetboek is beperkt tot de oorlogsschepen, dat wil zeggen tot de vaartuigen van de Belgische Zeemacht. De vaartuigen van de burgerlijke vloot van de Staat zijn uiteraard niet bedoeld in deze bepaling. Die vaartuigen kunnen slechts genieten van de vrijstellingen voorzien door artikel 42, § 1, 1 °, a of b, van het Wetboek in zover het gaat om vaartuigen die gebruikt worden voor één van de bestemmingen bedoeld in die bepalingen.

Artikel 42, § 1, 1°, d, van het Wetboek (*).

10. Inzake binnenvaart beperkt artikel 42, § 1, 1°, d, van het Wetboek de vrijstelling tot de vaartuigen bestemd voor de commerciële vaart, dat wil zeggen tot de vaartuigen die uitsluitend bezoldigd vervoer van personen of van goederen verrichten.

Niet vrijgestelde vaartuigen.

11. Zijn niet bedoeld in artikel 42, § I, 1 °, van het Wetboek en kunnen derhalve geen vrijstelling van BTW genieten, de leveringen en de invoeren van de volgende vaartuigen:

a) woonarken, drijvende wasplaatsen, kerkboten, schoolschepen en vaartuigen gebruikt voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek;

b) drijvende droogdokken (drijvende werkplaatsen), boorplatformen of exploitatieplatformen voor petroleumwinning (al dan niet drijvend of verankerd), diverse drijvende voorwerpen, over het algemeen vastgemaakt en in het bijzonder bestaand uit holle cylindervormige koffers gebruikt om noodbruggen te ondersteunen, drijvende vijvers, caissons, vaste of drijvende aanlegsteigers, meerboeien, boeien van alle soorten, bakens, vlotters, drijvende zweminrichtingen en vlotten van alle soorten;

c) jachten en plezierboten. Jachten en plezierboten echter, die worden gekocht of ingevoerd door personen wier beroepswerkzaamheid erin bestaat pleziervaarten te organiseren tegen betaling, en die uitsluitend voor die pleziervaarten worden gebruikt, moeten worden aangemerkt als vaartuigen bestemd voor de commerciële vaart; de levering en de invoer van dergelijke vaartuigen is vrijgesteld van de belasting krachtens artikel 42, § 1, 1 °, a of d, van het Wetboek;

d) vaartuigen van alle types gebruikt voor aktiviteiten te water met een sportief karakter (wedstrijden, jacht, sportvisserij, enz.), voor pleziertochten, voor kruisvaarten in andere omstandigheden dan bedoeld onder letter c hierboven, enz. Zijn met name begrepen onder deze rubriek en dus uitgesloten van de vrijstelling, de vaartuigen van het Bestuur voor de Lichamelijke Opvoeding, de Sport en het Openluchtleven (BLOSO);

e) de binnenschepen (voor riviervaart en andere) die niet worden gebruikt voor de commerciële vaart in de strikte betekenis (vervoer van goederen en van personen tegen betaling). Zijn met name hier bedoeld de baggerschepen (emmerbaggermolens, zandzuigers, enz.), de drijvende kranen, de pompboten en meer algemeen de boten voor industrieel gebruik op de binnenwateren (stromen, rivieren, kanalen, meren, enz.). De levering en de invoer van de in deze rubriek genoemde vaartuigen genieten dus niet de vrijstelling ingesteld bij artikel 42, § 1, 1°, d, van het Wetboek.

Verandering van bestemming.

12. De vrijstelling bedoeld in artikel 42, § 1, 1°, van het Wetboek is slechts toepasselijk op voorwaarde dat de vaartuigenaangewend worden voor de bestemmingen voorzien door die bepaling. Wanneer een nieuwe, niet door voornoemde bepaling van het Wetboek voorziene bestemming wordt gegeven aan een vaartuig - zelfs zonder dat er veranderingen aan het vaartuig worden aangebracht - dan is de vrijstelling niet meer toepasselijk.

Dat is met name het geval wanneer een vaartuig wordt geleverd aan of ingevoerd door een persoon die dat vaartuig bestemt voor andere doeleinden dan het verrichten van een winstgevende bedrijvigheid te water. Zo is de vrijstelling bijvoorbeeld niet toepasselijk wanneer een persoon een boot koopt om hem te gebruiken als woonschip, drijvende wasplaats, kerkschip of plezierboot.

Evenzo moet de toestand geregulariseerd worden, op grond van artikel 12, § 1, van het Wetboek, wanneer een vaartuig waarvoor de vrijstelling van artikel 42, § 1, 1 °, van het Wetboek werd toegepast, achteraf door dezelfde persoon wordt gebruikt voor een bestemming waarvoor de genoemde vrijstelling niet van toepassing is.

13. Kunnen evenmin gemeten van de vrijstelling bedoeld in artikel 42, § 1, 1°, van het Wetboek, de levering en de invoer van vaartuigen die bestemd zijn om gesloopt te worden (boten die averij hebben opgelopen, afgekeurde schepen, enz.).

Aangezien het Ministerie van Economische Zaken het slopen van zee- en binnenschepen afdoende controleert, kan worden aangenomen dat die vaartuigen beschouwd worden als schroot en afvallen van werken. Deze verkopen of invoeren kunnen dus geschieden zonder betaling van BTW onder de voorwaarden voorzien in de aanschrijving van 15 december 1970, nr. 88.

Wanneer een schip dat aan een sloper werd verkocht om te worden gesloopt, een andere bestemming krijgt dan de afbraak en bijvoorbeeld zou worden gebruikt als woonark of als kerkschip, dan is het in het vorig lid bedoelde stelsel niet toepasselijk en wordt de belasting eisbaar.

Voorwaarden van de vrijstelling.

14. Invoer. De geadresseerde van het zee- of binnenschip moet op het voor de BTW gebruikte invoerdocument dat hij moet indienen bij het douanekantoor alle elementen vermelden die noodzakelijk zijn om het ingevoerde vaartuig te identificeren (aard, afmetingen, tonnemaat, enz.) en tevens moet hij de bestemming van het vaartuig vermelden evenals de vrijstelling van de BTW met verwijzing naar artikel 42, § 1, 1°, a, b, c of d, naargelang het geval.

15. Levering hier te lande. De vrijstelling is afhankelijk van de afgifte aan de leverancier, van een bestelbon waarop vermeld zijn de beschrijving van het bestelde vaartuig (aard, afmetingen, tonnemaat, enz.), de bestemming die aan het vaartuig zal worden gegeven en de volgende formule: "Vrijstelling van de BTW. Artikel 42, § 1, 1°, a of b of c of d, van het Wetboek" (volgens het geval).

Indien de verrichting het voorwerp uitmaakt van een geschreven contract, geldt dit contract als bestelbon, op voorwaarde dat het de nodige gegevens bevat om de vrijstelling te rechtvaardigen.

De aan de koper uitgereikte factuur moet dezelfde gegevens bevatten en moet tevens verwijzen naar de bestelbon (of desgevallend naar het contract). Ook de formule in verband met de vrijstelling waarvan sprake hierboven moet op die factuur voorkomen.

NOOT (*) Rekening houdend met de 6de Richtlijn van de Europese Gemeenschappen, en met de Franse tekst van artikel 42, § 1, 1°, d, van het Wetboek, heeft deze bepaling in feite de volgende betekenis: "van schepen bestemd voor de commerciële binnenvaart".

Hoofdstuk II. - Artikel 42, § 1, 2°, van het Wetboek.

16. Artikel 42, § 1, 2°, van het Wetboek stelt van de belasting vrij de levering aan en de invoer door bouwers, eigenaars en gebruikers van in artikel 42, § 1, 1°, bedoelde vaartuigen, van voorwerpen bestemd om in die vaartuigen te worden ingelijfd of om te dienen voor de exploitatie van die vaartuigen.

Vrijgestelde goederen.

17. De vrijstelling ingesteld bij artikel 42, § 1, 2°, van het Wetboek betreft alle goederen die worden gebruikt in de constructie of de uitrusting van een vaartuig of die in een vaartuig worden ingelijfd ter gelegenheid van een herstelling of een onderhoudswerk.

Zijn inzonderheid vrijgesteld:

a) de delen en voorwerpen die worden gebruikt bij de bouw van zee- en binnenschepen en die uit hun aard slechts voor de bouw van dergelijke vaartuigen kunnen dienen, zoals de voorsteven, de achtersteven, de schouwen, de meerpalen, de patrijspoorten, de ankerkluizen, enz.;

b) de uitrustings- en optuigingsvoorwerpen; dit zijn de voorwerpen die behoren tot de uitrusting welke het vaartuig in staat stelt zich te verplaatsen en, meer in het algemeen, de taken te verrichten die het wegens zijn aard moet vervullen. Onder deze categorie zijn onder meer te rangschikken : schroeven, schroefassen, roeren, rolbruggen, luikdeksels, roosters, reservoirs, schuiven, ankers, enterhaken, kettingen, masten, zeilen, kabels, touwen, dekkleden, tenten, presenningdoek, spanschroeven, lantaarns, staken, losse loopplanken, kurkzakken, hoosvaten, stuwhout, sloepen; elektrische en mechanische toestellen - met inbegrip van hun losse stukken - zoals stoomketels, motoren, dynamo's, schakelaars, stuurmachines, hijskranen, windassen, kaapstanders, liften voor het hijsen van personen of van goederen, ankerlieren, katrollen, trommels, pompen, centrale verwarmingsinstallaties, toestellen voor het verdelen van water (badkuipen, gootstenen, kranen, enz.) en van elektriciteit (meetinstrumenten, schakelborden, enz.), radar-, radio-, telefoon-, ventilatie-, ontsmettings- en koeltoestellen, enz.; gereedschap, instrumenten, kaarten en boeken voor de zeevaart; veiligheids-, reddings- en signaaltoestellen (brandblusapparaten, reddingsboeien, vlaggebrieven, nationale vlaggen, .enz.);

c) de voorwerpen die gebruikt worden in de bouw van hetzee- of binnenschip zelf, maar die uit hun aard ook kunnen dienen tot een ander gebruik (trappen, deuren, vensters, ijzerwaren voor het bouwbedrijf, linoleum, enz.);

d) de voorwerpen die bij het gebruik hun identiteit en eigen karakter verliezen; in de praktijk zijn ze herkenbaar door het feit dat ze gewoonlijk per gewicht of op maat worden aangekocht (profielijzer, plaatijzer, buizen, isolerende stoffen, soldeer, nagels, bouten, klinknagels, vijzen, verf, elektrische kabel, kabelbanen, enz.);

e) het meubilair en de meubileringsvoorwerpen die deel uitmaken van de bestendige uitrusting van het vaartuig, onder voorbehoud van de uitzonderingen bedoeld onder nr. 20 hierna.

18. Containers. Wanneer de vaartuigen bedoeld in artikel 42, § 1, 1°, a en d, van het Wetboek speciaal ontworpen zijn voor het vervoer van goederen met containers, dan worden die containers aangemerkt als uitrustingsgoederen voor die vaartuigen en zijn ze aldus begrepen onder de goederen vrijgesteld op grond van artikel 42, § 1, 2°, van het Wetboek.

19. Niet vrijgestelde goederen. Buitenboordmotoren zijn niet vrijgesteld. Deze motoren zijn speciale toestellen, die dienen voor de voortstuwing van kleine vaartuigen, en die bestaan uit een motor, een as, een schroef en een roer, welke tezamen een geheel vormen.

20. De vrijstelling van de belasting, ingesteld bij artikel 42, § 1, 2°, van het Wetboek, is evenmin toepasselijk op de levering van radio- en televisietoestellen (ongeacht of die toestellen al dan niet op netstroom kunnen werken), en van de andere goederen opgesomd in tabel C, gehecht aan het koninklijk besluit nr. 20, aan boord van schepen voor de kustvisserij, reddingsboten en-schepen voor hulpverlening op zee, schepen van de politie aan de kust, oorlogsschepen of binnenschepen gebruikt voor de commerciële binnenvaart, noch op de invoer van dergelijke toestellen en goederen, door bouwers, eigenaars of gebruikers van genoemde vaartuigen.

Rechthebbenden op de vrijstelling.

21. De vrijstelling is beperkt tot de levering van goederen opgesomd onder de nrs. 17 en 18, aan bouwers, eigenaars of gebruikers van vaartuigen bedoeld in artikel 42, § 1, 1 °, van het Wetboek, en tot de invoer van dergelijke goederen door de voornoemde personen.

22. Artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit nr. 6 (z. nr. 1), bepaalt dat voor de toepassing van artikel 42, § 1, 2°, van het Wetboek, wordt aangemerkt als gebruiker van zee- en binnenschepen, iedere persoon die zee- of binnenschepen exploiteert of gebruikt voor passagiers- of goederenvervoer tegen betaling, voor visserij of, meer algemeen, voor de uitoefening van enigerlei industriële of handelsactiviteit.

23. Aangezien artikel 42, § 1, 3°, van het Wetboek vrijstelling verleent zowel voor de herstelling van in artikel 42, § 1, 1°, bedoelde schepen als voor de herstelling van in artikel 42, § 1, 2°, bedoelde goederen, wordt er aangenomen dat de levering aan en de invoer door herstellers van zee- en binnenschepen, van goederen bestemd voor de herstelling van in dit nummer bedoelde schepen en goederen, vrijgesteld zijn van de belasting op grond van artikel 42, § 1, 2°, van het Wetboek, op voorwaarde dat die herstellers deze werkzaamheid op een geregelde wijze uitoefenen, zelfs tegelijk met die van bouwer.

Doch de vrijstelling is niet toepasselijk op toevallige herstellers, dat wil zeggen op deze van wie de voornaamste werkzaamheid geen betrekking heeft op zee- en binnenschepen.

Voorwaarden van de vrijstelling.

24. Invoer. De personen bedoeld in de nrs. 21, 22 en 23 die goederen invoeren opgesomd onder de nrs. 17 en 18, moeten op het invoerdocument voor de BTW, in te dienen bij het douanekantoor, hun hoedanigheid (bouwer, eigenaar, gebruiker of hersteller), de preciese beschrijving zowel van de ingevoerde goederen als van het vaartuig waarvoor die goederen bestemd zijn, en de vrijstelling van de BTW vermelden, met verwijzing naar artikel 42, § 1, 2°, van het Wetboek.

25. Levering in het binnenland.De vrijstelling is afhankelijk van de afgifte aan de leverancier van een bestelbon waarop vermeld zijn de hoedanigheid van de verkrijger (bouwer, eigenaar, gebruiker of hersteller van zee- of binnenschepen), de preciesebeschrijving van de bestelde goederen en van het vaartuig waar die goederen voor bestemd zijn, en de volgende formule: "Vrijstelling van de BTW. Artikel 42, § 1, 2°, van het Wetboek".

De aan de koper uitgereikte factuur moet dezelfde gegevens bevatten als de bestelbon en moet tevens naar die bestelbon verwijzen. Ook de formule waarvan sprake onder vorig lid moet op de factuur voorkomen.

26. Het behoud van de vrijstelling is afhankelijk van het aan boord brengen of de inlijving van de goederen hetzij in het op de bestelbon of op het invoerdocument aangeduide vaartuig, hetzij in een ander gelijkaardig vaartuig.

Het aan boord brengen of de inlijving van de aangekochte of ingevoerde goederen moet worden aangetoond door boeken en bescheiden van de eigenaar, de gebruiker, de bouwer of de hersteller. Wat meer in het bijzonder de in nr. 17, letter e, bedoelde voorwerpen betreft, moet het aan boord brengen worden aangetoond door de inschrijving van het voorwerp in de boordinventaris van het vaartuig, uiterlijk één jaar na de verkrijging of de invoer.

Hoofdstuk III. - Artikel 42, § 1, 3°, van het Wetboek.

27. Artikel 42, § 1, 3°, van het Wetboek stelt van de belasting vrij de diensten die tot voorwerp hebben de bouw, de verbouwing, de herstelling, het onderhoud, de verhuur of de bevrachting van de vaartuigen bedoeld in artikel 42, § 1, 1°, van het Wetboek, of van de voorwerpen bedoeld in artikel 42, § 1, 2°, van het Wetboek.

28. De hier voorziene vrijstelling is gesteund op de aard en de bestemming van de betreffende diensten. Met andere woorden, deze diensten zijn vrijgesteld door artikel 42, § 1, 3°, van het Wetboek ongeacht de hoedanigheid van de dienstverrichter of van de opdrachtgever. Deze laatste kan de eigenaar of de gebruiker van een zee- of binnenschip zijn, hij kan de bouwer zijn of zelfs een hersteller die, eventueel in onderaanneming, belast zou zijn met een herstellingswerk, hij kan zelfs iedere andere persoon zijn. Zo blijft de vrijstelling van de belasting ook van toepassing wanneer een commissionair of om het even welke tussenpersoon, handelend in de omstandigheden voorzien in artikel 20, § 1, van het Wetboek, tussenkomt in diensten bedoeld in artikel 42, § 1, 3°, van het Wetboek.

De dienst moet overigens niet noodzakelijk verricht worden aan boord van een zee- of binnenschip. Hij mag ook verrichtworden in de werkplaats van de dienstverrichter (een herstellerbijvoorbeeld), voor zover - uiteraard - de dienst zelf bedoeld is in artikel 42, § 1, 3°, van het Wetboek.

29. De diensten vrijgesteld op grond van artikel 42, § 3, 1°, van het Wetboek, zijn de volgende:

a) de bouw van schepen bedoeld in artikel 42, § 1, 1°, van het Wetboek;

b) de verbouwing en de herstellingen van die schepen, dat wil zeggen de werken die noodzakelijk zijn voor het inrichten en het in goede staat brengen van die schepen (schilderwerk, loodgieterij, schrijnwerkerij, aanbrengen van thermische isolatie, aanleggen van elektriciteit, enz.);

c) de diensten die noodzakelijk zijn voor het in goede staathouden van diezelfde vaartuigen en van hun boordmaterieel (onderhoud, preventieve brandbestrijding, ontsmetting, verdelging van ratten, enz.);

d) de diensten van experten verricht in het kader van herstellingen en in het kader van het in goede staat brengen of houden van de voornoemde schepen en van hun uitrusting. Zijn hier bedoeld: veiligheidscontroles, onderzoek van de ruimen, technische controles, schade-expertises ingevolge een brand of een andere ramp;

e) de herstellings- en onderhoudswerken van de goederen die ingelijfd zijn in de voornoemde schepen of die dienen voor de exploitatie van die schepen, daaronder begrepen de herstellings- en onderhoudswerken aan de containers bedoeld onder nr. 18 hierboven;

f) de bevrachting en de verhuur van vaartuigen bedoeld in artikel 42, § 1, 1°, van het Wetboek en van de containers bedoeld onder nr. 18.

30. De gedeeltelijke vrijstelling van de belasting bepaald in artikel 27 van het koninklijk besluit nr. 7, van 27 december 1977 (Z. Revue nr. 33, blz. 79), met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de BTW (Belgisch Staatsblad van 31 december 1977), is niet van toepassing op zee- en binnenschepen bedoeld in artikel 42, § 1, 1°, van het Wetboek of op de voorwerpen bedoeld in artikel 42, § 1, 2°, van het Wetboek, wanneer die vaartuigen of voorwerpen wederingevoerd worden na in het buitenland een herstelling, een afstelling, een verbouwing, een montage of een assemblering te hebben ondergaan.

Voorwaarden van de vrijstelling.

31. De opdrachtgever overhandigt aan de dienstverrichter een bestelbon die een beschrijving bevat van de te verrichten dienst en van het vaartuig waarop die dienst betrekking heeft.

Wanneer de dienst betrekking heeft op een uitrustingsstuk, beschrijft de bestelbon de dienst die aan dat stuk moet worden verricht alsmede het vaartuig waarvan dat stuk deel uitmaakt. Tevens vermeldt de bestelbon: "Vrijstelling van de BTW. Artikel 42, § 1, 3°, van het Wetboek".

Dezelfde vermeldingen en beschrijvingen moeten voorkomen op de factuur die bovendien een verwijzing naar de bestelbon moet bevatten.

32. In het geval van wederinvoer, waarvan sprake onder nr. 30, moeten de personen bedoeld onder de nrs. 21, 22 en 23, op het invoerdocument voor de BTW, in te dienen bij het douanekantoor, volgende gegevens vermelden:

- hun hoedanigheid (bouwer, eigenaar, gebruiker of hersteller);--de preciese aanduiding van de wederingevoerde goederen, hetzij zee- of binnenschepen als bedoeld in artikel 42, § 1, 1°, van het Wetboek, hetzij voorwerpen als bedoeld in artikel 42, § 1, 2°, van het Wetboek;

- de formule: "Vrijstelling van de BTW. Artikel 42, § 1, 3°, van het Wetboek".

Hoofdstuk IV. - Artikel 42, § 1, 4°, van het Wetboek.

33. Artikel 42, § 1, 4°, van het Wetboek stelt van de belasting vrij de levering aan en de invoer door eigenaars of gebruikers van in artikel 42, § 1, 1 °, a, b en c, van het Wetboek bedoelde vaartuigen, van goederen bestemd voor de bevoorrading van die vaartuigen.

Terzake van de levering of de invoer van boordprovisie voor vaartuigen die gebruikt worden voor de kustvisserij, is de vrijstelling niet toepasselijk.

Met betrekking tot oorlogsschepen is de vrijstelling beperkt tot de bevoorrading van de schepen die bedoeld zijn in de onderverdeling 89.01.A van het Tarief van invoerrechten en die het land verlaten met als bestemming een haven of een ankerplaats in het buitenland.

34. Artikel 2, 2de lid, van het koninklijk besluit nr. 6, van 27 december 1977 (Z. Revue nr. 33 blz. 76.) (z. nr. 1), bepaalt dat de vrijstelling van artikel 42, § 1, 4°, van het Wetboek afhankelijk is van het bewijs dat de goederen bestemd voor de bevoorrading aan boord werden gebracht van de vaartuigen bedoeld in die bepaling, door de leverancier of op zijn order.

Goederen bestemd voor de bevoorrading.

35. Luidens artikel 4 van voornoemd koninklijk besluit nr. 6, worden voor de toepassing van artikel 42, § 1, 4°, van het Wetboek, als goederen bestemd voor de bevoorrading aangemerkt:

a) boordprovisie: de goederen die uitsluitend bestemd zijn voor verbruik aan boord door de leden van de bemanning en door de passagiers (voedingsmiddelen, dranken, enz.);

b) vaste, vloeibare en gasvormige brandstoffen en smeermiddelen: de goederen bestemd voor de voeding van de voortdrijvingsorganen en voor de werking van de andere machines en toestellen aan boord;

c) boordbenodigdheden: de verbruikbare goederen voor huishoudelijk gebruik aan boord, alsmede de verbruikbare goederen gebruikt voor het bewaren, het behandelen of het bereiden aan boord van de vervoerde goederen (voorbeeld þ het ijs en het zout voor het bewaren van vis).

De goederen voor huishoudelijk gebruik aan boord die aangemerkt worden als boordbenodigdheden zijn deze die geen duurzame meubileringsvoorwerpen zijn bedoeld in nr. 17, e, hierboven (voorbeelden: wegwerpcouverts, wegwerpborden).

Vaartuigen bedoeld in artikel 42, § 1, 4°, van het Wetboek.

36. Ten opzichte van de goederen bestemd voor de bevoorrading bedoeld in nr. 35 hierboven, is de vrijstelling bedoeld bij artikel 42, § 1, 4°, van het Wetboek toepasselijk wanneer die goederen bestemd zijn voor de schepen en boten waarop artikel 42, § 1, 1 °, a, van het Wetboek betrekking heeft.

De vrijstelling werd ook toegestaan voor de goederen bestemd voor schepen gebruikt voor de industriële kustvisserij, dat wil zeggen de vaartuigen die uitsluitend gebruikt worden door personen wier beroepswerkzaamheid de kustvisserij is. Het hier toegestane stelsel is dus niet toepasselijk op de goederen bestemd voor de bevoorrading van schepen aangewend voor de sportvisserij langs de kust.

37. De vrijstelling van artikel 42, § 1, 4°, van het Wetboek is toepasselijk wanneer het gaat om goederen bestemd voor de bevoorrading van reddingsboten en -schepen voor hulpverlening op zee.

De goederen bestemd voor de bevoorrading van reddingsboten langs de kust of van schepen van de zeevaartpolitie langs de kust genieten daarentegen niet de vrijstelling van artikel 42 § 1, 4°, van het Wetboek.

38. Ten aanzien van de oorlogsschepen bedoeld in artikel 42, § 1, 1°, c, van het Wetboek, is de vrijstelling voor goederen bestemd voor de bevoorrading slechts van toepassing in de gevallen waarbij die goederen aan boord worden gebracht van een oorlogsschip dat het land verlaat met als bestemming een haven of een ankerplaats in het buitenland.

Niet in artikel 42, § 1, 4°, van het Wetboek bedoelde vaartuigen.

39. De vrijstelling van artikel 42, § 1, 4°, van het Wetboek is niet van toepassing op de goederen bestemd voor de bevoorrading van binnenschepen aangewend voor de commerciële binnenvaart bedoeld in artikel 42, § 1, 1°, d, van het Wetboek (z. nr. 10 hierboven).

40. Gelet evenwel op het feit dat schepen voor riviervaart meestal internationaal vervoer verrichten, en gelet op de bijzondere belastingregeling toepasselijk op bepaalde schippers, wordt aangenomen dat de leveringen aan boord van binnenschepen, van aan accijns onderworpen goederen bestemd voor de voortbeweging van deze schepen (motorbrandstof, smeerolie), niet onderworpen zijn aan de belasting. Deze vrijstelling geldt evenwel slechts in de mate waarin de douane voor deze produkten vrijstelling van accijns verleent wegens uitvoer.

Vrijgestelde leveringen en invoeren.

41. De in dit hoofdstuk behandelde vrijstelling is slechts toepasselijk op goederen bestemd voor de bevoorrading of op sommige van die goederen, volgens het geval, voor zover ge-noemde goederen geleverd worden aan of ingevoerd worden door de eigenaars en de gebruikers van de betreffende vaartuigen.

De bouwers van schepen zijn niet bedoeld in artikel 42, § 1, 4°, van het Wetboek.

Voorwaarden van de vrijstelling.

42. Invoer. De eigenaar of de gebruiker van vaartuigen, geadresseerde van de goederen bestemd voor de bevoorrading, moet op het invoerdocument voor de BTW, dat hij moet indienen op het douanekantoor, zijn hoedanigheid van eigenaar of gebruiker aanduiden evenals een preciese beschrijving van de ingevoerde goederen en de aanduiding van het vaartuig aan boord waarvan de ingevoerde goederen zullen gebracht worden. Tevens moet hij op dat document volgende formule inschrijven: "Vrijstelling van de BTW. Artikel 42, § 1, 4°, van het Wetboek".

Wanneer het gaat om goederen bestemd voor de bevoorrading van oorlogsschepen die het land verlaten met als bestemming een haven of een ankerplaats in het buitenland, moet op het invoerdocument tevens die plaats van bestemming in het buitenland voorkomen.

43. Levering hier te lande. De verkrijger richt aan de verkoper een bestelbon die benevens zijn hoedanigheid (eigenaar ofgebruiker), tevens een beschrijving bevat van de bestelde goederen en van het vaartuig aan boord waarvan die bestelde goederen zullen geleverd en aan boord gebracht worden door de leverancier of op zijn order. Op die bestelbon moet ook de formule voorkomen: "Vrijstelling van de BTW. Artikel 42, § 1, 4°, van het Wetboek".

Wanneer het gaat om goederen bestemd voor de bevoorrading van oorlogsschepen die het land verlaten met als bestemming een haven of een ankerplaats in het buitenland, moet op de bestelbon tevens die plaats van bestemming in het buitenland voorkomen.De factuur die aan de verkrijger wordt uitgereikt bevat dezelfde elementen en moet daarenboven verwijzen naar de bestelbon.

Wanneer meerdere leveringen van goederen bestemd voor de bevoorrading plaatsvinden op grond van één enkele overeenkomst, kan die overeenkomst als bestelbon worden aangemerkt indien alle nodige gegevens erin voorkomen die bedoeld zijn onder de eerste en tweede alinea van dit nummer.

44. In geval van opeenvolgende verkopen van goederen bestemd voor de bevoorrading tussen verscheidene personen, is de vrijstelling slechts van toepassing vanaf die levering, waarbij de leverancier of de persoon die handelt op order van de leverancier, de goederen aan boord brengt van de bedoelde vaartuigen.

Voorbeeld.

A verkoopt brandstof aan B.

B verkoopt die brandstof door aan C.

C verkoopt ze aan D, eigenaar of gebruiker van een zeeschip bedoeld in artikel 42, § 1, 1°, a, van het Wetboek, en brengt de brandstof aan boord.

De verkoop door C aan D is vrijgesteld; de verkopen door A aan B en door B aan C zijn aan de belasting onderworpen.

2de veronderstelling.

Op order van C levert B de brandstof aan boord van het zeeschip. De verkopen door B aan C en door C aan D zijn vrijgesteld. De verkoop door A aan B is onderworpen aan de belasting.

3de veronderstelling.

C geeft aan B de opdracht om de brandstof te leveren aan boord van het zeeschip. B geeft die opdracht door aan A die aan boord van het zeeschip levert.

De verkopen door A aan B, door B aan C en door C aan D zijn vrijgesteld.

Bewijs van het aan boord brengen van de goederen.

45. Het bewijs van het aan boord brengen wordt geleverd door een attest uitgereikt door de commandant van het zeeschip of door de officier die met de boordhuishouding belast is.

Wanneer de vrijstelling van de BTW samengaat met de vrijstelling van invoerrecht of van accijns, wordt het aan boord brengen geldig aangetoond door het door de Administratie der douane en accijnzen behoorlijk geldig gemaakt stuk waarbij de vrijstelling van die rechten wordt aangetoond. Dat stuk kan ook als bestelbon voor de leverancier gelden, indien het op zijn naam is opgemaakt.

Hoofdstuk V. - Artikel 42, § 1, 5°, van het Wetboek.

46. Artikel 42, § 1, 5°, van het Wetboek stelt van de belasting vrij de andere diensten dan deze genoemd in artikel 42, § 1, 3°, van het Wetboek (z. Hoofdstuk 111), die verricht worden voor de rechtstreekse behoeften van de in artikel 42, § 1, 1°, a en b, van het Wetboek bedoelde vaartuigen en hun lading.

47. De hier genoemde vrijstelling is gesteund op de aard en de bestemming van de diensten. De vrijstelling is toepasselijk, wat ook hoedanigheid weze van de dienstverrichter of van de opdrachtgever, van zodra de diensten worden verricht voor de rechtstreekse behoeften van de betreffende vaartuigen of van hun lading. De opdrachtg ver kan de eigenaar of de gebruiker van het vaartuig zijn of zelfs een andere persoon. Zo blijft de vrijstelling toepasselijk wanneer een commissionair of om het even welke andere tussenpersoon, die handelt in de omstandigheden voorzien in artikel 20, § 1, van het Wetboek, tussenkomt in diensten bedoeld in artikel 42, § 1, 5°, van het Wetboek.

48. De vrijstelling van de belasting ingesteld bij artikel 42, § 1, 5°, van het Wetboek hangt nauw samen met de vrijstellingen van artikel 41, § 1, 5°, van het Wetboek en van artikel 42, § 1, 3° van het Wetboek.

Vrijgestelde diensten.

49. Artikel 42, § 1, 5°, van het Wetboek stelt twee reeksen van diensten vrij.

De eerste reeks betreft de diensten die worden verricht voor de rechtstreekse behoeften van de vaartuigen bedoeld in artikel 42, § 1, 1°, a en b, van het Wetboek.

De tweede reeks betreft de diensten die worden verricht voor de directe behoeften hetzij van passagiers of bemanningsleden van de voornoemde vaartuigen, hetzij van de door die schepen vervoerde goederen.

50. In de eerste reeks vindt men het geheel van diensten terug die gebonden zijn aan de exploitatie als vervoermiddelen van de in artikel 42, § 1, 1°, a en b, van het Wetboek bedoelde schepen.

Het gaat hoofdzakelijk om de diensten nodig voor de exploitatie van die schepen zowel tijdens de vaart op zee als bij de aankomst, tijdens het verblijf in of bij de afvaart van die schepen uit de havens, zoals:

a) het loodsen, het slepen, het duwen, het jagen, het meren en de verschillende daarmee verband houdende diensten, de redding, de expertise, het bewaken en het tegen brand en andere rampen beschermen van schepen;

b) het gebruik van havens en met name het gebruik van de kranen, de kaaien, de steigers, de meerpalen, de diensten verricht door sluiswachters en brugwachters, het gebruik van radarinstallaties;

c) de prestaties met intellectueel karakter die gewoonlijk aan reders worden verstrekt door scheepsagenten, door scheepsexpediteurs en door andere bemiddelaars in het maritiem transport zoals het vervullen van consulaire en administratieve formaliteiten en het overbrengen van berichten aan schepen door middel van telecommunicatie.

51. De tweede reeks van vrijgestelde diensten zijn deze verricht hetzij voor de rechtstreekse behoeften van passagiers en bemanningsleden van de in artikel 42, § 1, 1°, a en b, bedoelde schepen, hetzij voor de directe behoeften van de door die schepen vervoerde goederen.

Het gaat hier o.a. om de volgende diensten:

a) de noodzakelijke bijstand aan passagiers en bemanningsleden verleend voor rekening van de reders bij de uitvoering van het zeevervoer; die bijstand begrijpt onder meer het regelen van de reisformaliteiten, het verschaffen van logies, van maaltijden en dranken aan de passagiers, wanneer die diensten nodig zijn ingevolge het vervoercontract;

b) de diensten in verband met de door in artikel 42, § 1, 1°, a en b, van het Wetboek bedoelde schepen vervoerde goederen. Onafhankelijk van de in artikel 41, § 1, 5°, van het Wetboek opgesomde diensten, gaat het hier om de diensten die noodzakelijk zijn voor de behandeling, de bewaring en de beveiliging van de vervoerde goederen of voor de beveiliging van de omringende wateren met name om bezoedeling te voorkomen voor wat betreft het vervoer van koolstofhoudende vloeistoffen en andere goederen waarvan de behandeling speciale veiligheidsmaatregelen vereist.

Niet vrijgestelde diensten.

52. De vrijstelling van artikel 42, § 1, 5°, van het Wetboek is niet toepasselijk gemaakt op de diensten die in die bepaling zijn opgesomd, wanneer die diensten worden verricht hetzij voor oorlogsschepen en schepen voor riviervaart bedoeld in artikel 42, § 1, 1°, c en d, van het Wetboek, hetzij voor de lading van die schepen

Voorwaarden van de vrijstelling.

53. De opdrachtgever overhandigt aan de dienstverrichter een bestelbon die een beschrijving bevat van de te verrichten dienst en van het vaartuig waarop die dienst betrekking heeft, en waarop tevens uitdrukkelijk vermeld wordt dat de dienst noodzakelijk is voor de rechtstreekse behoeften van dat vaartuig. De bestelbon wordt op dezelfde wijze opgesteld wanneer het gaat om passagiers of bemanningsleden of om de lading van een schip maar in dat geval moet de bestelbon vermelden dat de dienst noodzakelijk is voor de rechtstreekse behoeften van de passagiers, de bemanningsleden of de vervoerde goederen. Op de bestelbon moet bovendien volgende formule voorkomen: "Vrijstelling van de BTW. Artikel 42, § 1, 5°, van het Wetboek".

Dezelfde vermeldingen en beschrijvingen moeten voorkomen op de factuur, die tevens naar de bestelbon moet verwijzen.

Bepalingen gemeen aan de hoofdstukken I tot V.

54. Verbintenis van de verkrijger of invoerder.

Door op de bestelbon of op het invoerdocument de bij artikel 42, § 1, van het Wetboek ingestelde vrijstelling in te roepen, gaat de verkrijger of de invoerder de verbintenis aan de gestelde voorwaarden na te leven en zelf de belasting te voldoen die verschuldigd is over de aankoop of de invoer, in geval de vrijstelling onrechtmatig mocht zijn toegekend.

Zo wordt de belasting bijvoorbeeld eisbaar wanneer het vereiste bewijs van het aan boord brengen van goederen niet genoegzaam geleverd wordt.

Benevens de belasting, is bovendien een geldboete gelijk aan het dubbel van de ontdoken belasting verschuldigd, op grond van artikel 70, § 1, van het Wetboek.

55. Betaling van voorschotten. Uitreiken van een factuur of contractuele verplichting tot betalingen voor de levering.

Het stelsel van vrijstellingen, ingesteld bij artikel 42, § 1, van het Wetboek blijft toepasselijk, binnen de perken en onder de voorwaarden uiteengezet in de hoofdstukken I tot V van deze aanschrijving, in de gevallen voorzien in de artikelen 17, § 1, en 22, § 2, van het Wetboek, dat wil zeggen telkens wanneer zich een oorzaak van verschuldigdheid van de belasting voordoet (betaling van een voorschot, bijvoorbeeld) vooraleer de levering of de dienstverrichting plaatsvindt waarvoor normaal de vrijstellingen van artikel 42, § 1, van het Wetboek kunnen toegepast worden

De bepalingen van nr. 54 zijn van toepassing wanneer in de gevallen waarvan sprake in het voorgaande lid, de levering van de goederen of de diensten niet in aanmerking zouden komen om van de vrijstellingen ingesteld bij artikel 42, § 1, van het boek te genieten.