Aanschrijving nr. 59 dd. 06.10.1970

AANSCHRIJVING 70-059/2

Aanschrijving nr. 59 dd. 06.10.1970


Bijzondere regeling
Landbouwonderneming
Landbouwondernemer
Tuinder
Veeteelt
Fokken
Kweken
Groothandel
Kleinhandel
Aftrek
Recht op aftrek
Aankoopborderel
Facturering
Inkomend factuurboek
Ontvangstenboek
Dagboek van ontvangsten
Forfait
Keuze van belastingregeling
Inventaris
Voorraad
Wijziging van belastingregeling
Teruggaaf
Recht op teruggaaf
Inventaris van de voorraad
Herziening van de aftrek
Forfaitaire regeling
Normale regeling
Bedrijfsmiddel
Begrip landbouwondernemer
Gevogelte
Optie voor de forfaitaire regeling
Optie voor de normale regeling
Staat van nog bruikbare bedrijfsmiddelen
Voorwaarden voor de toepassing van de landbouwregeling


9. Landbouwondernemers die niet of slechts gedeeltelijk aan de bijzondere landbouwregeling zijn onderworpen.

Ofschoon zij bedoeld zijn bij de definitie gegeven in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22, zijn de volgende landbouwondernemers nietof slechts gedeeltelijk aan de bijzondere landbouwregeling onderworpen.

A. Landbouwondernemers waarop die regeling helemaal niet van toepassing is.

1° Landbouwondernemers die de vorm hebben aangenomen van een handelsvennootschap, ongeacht of het een personenvennootschap of een vennootschap op aandelen is.

Die landbouwondernemers zijn van de bijzondere regeling uitgesloten door artikel 57, § 2, 1, van het Wetboek. Ze zijn vanaf 1 januari 1971 aan de normale regeling onderworpen en dus, onder meer, ertoe gehouden facturen uit te reiken en periodieke maand- of kwartaalaangiften, naar gelang de grootte van hun omzet, in te dienen en de BTW bij de indiening van die aangiften te voldoen.

Volgens de memorie van toelichting bij het ontwerp van wet tot invoering van het Wetboek van de BTW (Parl. besch., Kamer van Volks., B.Z. 1968, nr. 88- 1, blz. 54), volgen de groeperingen die zich de gemeenschappelijke produktie van landbouwprodukten ten doel stellen nochtans de bijzondere landbouwregeling zelfs wanneer ze de vorm van een coöperatieve vennootschap hebben aangenomen, mits de werkzaamheid van hun leden zelf onder die regeling valt. Maar coöperaties voor inkoop en verkoop van landbouwprodukten zijn natuurlijk niet bedoeld in artikel 57 omdat ze geen producent zijn van de goederen waarin ze handel drijven.

2° Landbouwondernemers die nog een andere zelfstandige beroepswerkzaamheid uitoefenen ten aanzien waarvan zij reeds als BTW-belastingplichtigen aan de normale regeling zijn onderworpen.

Ook in dat geval zijn zij, krachtens artikel 57, § 2, 2, van het Wetboek, voor hun volledige beroepswerkzaamheid, inbegrepen die van landbouwer, aan de normale regeling van de BTW onderworpen, en zulks vanaf 1 januari 1971, zonder dat zij kunnen kiezen voor de toepassing van de bijzondere landbouwregeling voor hun werkzaamheid als landbouwer.

Dat is b.v. het geval wanneer een landbouwondernemer, al dan niet in samenhang met zijn landbouwonderneming, handel drijft in veevoeder, meststoffen of brandstoffen.

Dat is ook het geval wanneer een landbouwondernemer door hem voortgebrachte goederen verwerkingen doet ondergaan die normaal niet in een landbouwbedrijf worden verricht, zoals het bereiden van conserven, en wegens die werkzaamheid de hoedanigheid van handelaar bezit overeenkomstig artikel 2 van het Wetboek van Koophandel, gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 3 juli 1956 (z. memorie van toelichting bij het ontwerp van wet tot invoering van het Wetboek van de BTW, Parl. besch., Kamer van Volks., B.Z. 1968, nr. 88- 1, blz. 54; z. ook nr. 4, A, hiervoor).

Volgens de aangehaalde bepaling van artikel 57, § 2, 2, is er evenwel één uitzondering op de hier onder 2 gegeven regel : wanneer de landbouwondernemer voor de uitoefening van zijn andere werkzaamheid de BTW verschuldigd is over een omzet die overeenkomstig artikel 56, § 1, van het Wetboek berekend is volgens forfaitaire grondslagen. Zulks betekent dat hij in de uitoefening van die laatste werkzaamheid vooral (normaal minstens 75 pct.) handelt met particulieren, zonder een factuur te moeten uitreiken, en dat zijn omzet niet hoger is dan 5 miljoen frank. Voor de berekening van dat bedrag, dient geen rekening te worden gehouden met de handelingen die onder de bijzondere landbouwregeling vallen.

Voorbeeld.

Een landbouwer houdt tevens een slagerswinkel.

Zo hij voor zijn werkzaamheid als slager niet de forfaitaire regeling volgt die voor de slagers is uitgewerkt in uitvoering van artikel 56, § 1, van het Wet boek, is hij voor zijn volledige beroepswerkzaamheid, inbegrepen die van landbouwer, aan de gewone regeling onderworpen.

Zo hij daarentegen die regeling volgt, dan wordt hij volgens artikel 7, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 22, geacht twee onderscheiden sectoren te hebben, waarvan de ene overeenstemt met zijn werkzaamheid als landbouwondernemer, en de andere met zijn werkzaamheid als slager. Voor de verkopen die hij dan als landbouwondernemer in de eerste sector doet, is de bijzondere landbouwregeling van toepassing (voorbehoud gemaakt, eventueel, voor de handelingen bedoeld onder nr. 5 hiervoor; z. ook B hierna). Voor zijn verkopen als slager, in de tweede sector, moet hij de verplichtingen nakomen die voor de toepassing van de forfaitaire regeling van artikel 56, § 1, van het Wetboek zijn opgelegd.

In de onderstelling dat hij alzo in zijn slagerswinkel vlees verkoopt van dieren die hij heeft geteeld (varkens, kippen, konijnen, enz.), dan wordt hij geacht, volgens het reeds aangehaalde artikel 7, tweede lid, die dieren aan zich zelf te hebben geleverd voor de behoeften van zijn handel in zijn tweede sector. Gaat het b.v., om een varken dat hij heeft gemest, dan dient hij in het controleboek en in het boek voor inkomende facturen die hij als slager moet houden, de levering aan zich zelf van dat varken in te schrijven, aan de hand van een stuk dat die levering vaststelt en dat de onder B hierna opgesomde vermeldingen inhoudt, voor de prijs die hij zou hebben bekomen indien hij het varken levend zou hebben verkocht aan een slager, b.v. 5 000 F. Uitgaande van die prijs, dient hij dan het bedrag te bepalen dat volgens de forfaitaire regeling voor de slagers de prijs van het verkochte vlees vertegenwoordigt. Van de BTW die hij als slager-verkoper over dat bedrag verschuldigd is, zal hij 5 pct. (z. nr. 8) over 5 000 F, of 250 F, in aftrek mogen brengen als producent die onder de bijzondere landbouwregeling valt.

Opgemerkt dient te worden dat hij met betrekking tot die levering aan zich zelf het verschil tussen 6 pct. en 5 pct. niet in vak 14 van zijn kwartaalaangifte moet inschrijven.

B. Landbouwondernemers waarop de bijzondere landbouwregeling gedeeltelijk van toepassing is.

Landbouwondernemers die niet bedoeld zijn onder A en die handelingen verrichten welke zijn bedoeld in artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit nr. 22 (z. nr. 5), worden krachtens artikel 6 geacht hun werkzaamheid uit te oefenen in twee sectoren, waarvan de ene overeenstemt met hun werkzaamheid als landbouwondernemer en de andere met de werkzaamheid in de uitoefening waarvan zij de beoogde handelingen verrichten, en aan zich zelf in die tweede sector de goederen leveren die zij hebben voortgebracht en er gebruiken.

Voor die leveringen aan zich zelf moet de landbouwondernemer per aangiftetijdvak een stuk opmaken waarin hij vermeldt :

- de aard en de hoeveelheid van de geleverde goederen;

- de prijs die hij zou hebben verkregen indien hij die goederen in het groot had verkocht;

- een BTW berekend over die prijs tegen het tarief van 2 pct. indien het gaat om hout en tegen het tarief van 5 pct., 5,5 pct. of 6 pct., naargelang de levering plaatsvindt in 1971 en 1972, 1973 en 1974, of vanaf 1975, indien het gaat om andere goederen (z. nr. 8).

De handelingen verricht in de tweede sector geven recht op aftrek in de zin van de artikelen 45 tot 49 van het Wetboek. Zo mag de landbouwondernemer de BTW berekend op het hiervoor bedoeld stuk, in aftrek brengen in de periodieke aangifte die hij moet indienen. Om uit te maken of die aangifte om de maand of slechts per kwartaal moet worden opgemaakt, dient te worden nagegaan of de jaaromzet in de tweede sector, exclusief BTW, al of niet 5 miljoen frank overtreft, en moet in geen geval rekening worden gehouden met de handelingen waarvoor de bijzondere landbouwregeling blijft gelden (verg. A, 2, hiervoor).

Artikel 6 beoogt de volgende handelingen :

1° Verkopen op groothandelsmarkten

De landbouwondernemer moet voor die verkopen een factuur uitreiking uiterlijk de vijfde werkdag na de maand van verkoop, en daarin de BTW, en, eventueel, de egalisatiebelasting, in rekening brengen die volgens de aard van het verkochte goed is verschuldigd (b.v. 6 pct. voor fruit en groenten, 18 pct. voor bloemen).

Voor die verkopen moet hij daarenboven een maand- of kwartaalaangifte indienen. In die aangifte mag hij van de voor de verkopen verschuldigde BTW,5 pct. als BTW aftrekken.

Voorbeeld.

Verkoop van groenten op een groothandelsmarkt aan een huis van 100 000 F, in de maand maart 1971. Facturen uit te reiken aan de koper voor 100 000 F en 6 pct. of

Aangifte voor maart :

prijs vak 01 van de aangifte) : 100 000 F

verschuldigde BTW (vak 11) : 6 000 F

aftrekbare BTW (vak 21) :5 000 F (100.000 à 5 pct.).

Eventueel kan natuurlijk nog andere BTW voor aftrek in aanmerking komen, meer bepaald de BTW betaald voor specifieke uitgaven met betrekking tot de verkopen op de groothandelsmarkt.

Vak 14 dient niet te worden ingevuld

2° Verkopen op kleinhandelsmarkten, in een winkel, of als venter, van deur tot deur.

Die verkopen worden gedaan aan particulieren. Ze moeten dus niet worden gefactureerd maar de ontvangsten worden van dag tot dag ingeschreven in een ontvangstenboek (koninklijk besluit nr. 1, art. 12, 3).

In de maand- of kwartaalaangifte moeten de ontvangsten worden gesplitst in verkoopprijzen « exclusief BTW» en de BTW zelf.

Voorbeeld .

Totale kasontvangsten van de maand maart 1971 : 87 600 F.

87.600

Daarin is begrepen een BTW van -------- x 6 = 4 958 F

106

te vermelden in vak 11 van de BTW-aangifte.

De ontvangsten « exclusief BTW » belopen : 82 642 F, te vermelden in vak 01.

Benevens, eventueel, de BTW die drukt op specifieke uitgaven met betrekking tot de hier beoogde handel, mag van de verschuldigde BTW ten bedrage van 4 958 F afgetrokken worden, in het kader van de bijzondere landbouwregeling, 5 pct. berekend over de normale groothandelsprijs van de in het klein verkochte goederen. Zo die groothandelsprijs bij onderstelling 60 000 F beloopt, zal 60 000 F à 5 pct. = 3 000 F in vak 21 als aftrekbare BTW worden ingeschreven.

Vak 14 dient niet te worden ingevuld.

Het ontvangstenboek moet natuurlijk niet worden gehouden zo de landbouwondernemer als kleinhandelaar aan een regeling is onderen waarbij zijn omzet forfaitair wordt bepaald overeenkomstig Artikel 56, § 1, van het Wetboek. Dan moet hij handelen zoals hiervoren m.b.t. de slager werd uiteengezet (z. A, 2).

3° Verkopen van goederen die niet met het tarief van 6 pct. zijn belast.

Wanneer goederen die niet onderworpen zijn aan het tarief van 6 pct., aan een door de Minister van Landbouw erkende coöperatieve producentenveiling van landbouwprodukten worden verkocht, blijft de landbouwondernemer aan de bijzondere landbouwregeling onderworpen, b.v. voor verkopen van bloemen en sierplanten (z. nr.5, 3). Voor verkopen aan een dergelijke veiling, zal hij dus een aankoopborderel ontvangen, waarop afzonderlijk zullen zijn vermeld de verkoopprijs « exclusief BTW » en een BTW van 5 pct. die de BTW vertegenwoordigt welke hij voor de aankoop van zijn produktiemiddelen zal hebben betaald (z. nrs. 6, A, en 8).

Maar voor zijn verkopen van dergelijke produkten aan andere personen dan een erkende veiling, is de landbouwondernemer aan de gewone regeling, of, eventueel, aan een forfaitaire regeling van artikel 56, § 1, van het Wetboek, onderworpen. Zulks betekent dat hij :

a) voor zijn verkopen aan anderen dan particulieren, gehouden is tot de verplichtingen inzake facturering, periodieke aangifte en betaling van de BTW aan de Schatkist en in het bijzonder tot facturering van de egalisatiebelasting zo zijn klant een kleine detaillist is, die is onderworpen aan de regeling ingesteld bij artikel 56, § 2, van het Wetboek;

b) voor zijn verkopen aan particulieren, zelfs anders dan in een inrichting voor de verkoop in het klein of dan op een kleinhandelsmarkt, van dag tot dag de ontvangsten moet optekenen in een ontvangstenboek (voorbehoud gemaakt voor de toepassing van artikel 56, § 1), periodieke BTW-aangiften moet indienen en de BTW bij de indiening van die aangifte moet voldoen.

In beide gevallen zal de landbouwondernemer als BTW mogen aftrekken 5 pct. berekend over de prijs die hij zou bekomen indien hij zijn produkten in het groot verkoopt (vgl. voorbeelden onder 1 en 2 hiervoor).

4° Verrichten van diensten met betrekking tot goederen die niet zijn belast met het tarief van 6 pct.

Zo een landbouwondernemer in die hoedanigheid diensten verricht met betrekking tot goederen die niet zijn belast met het tarief van 6 pct., zoals de contractteelt van bloemen of sierplanten, dan is hij voor die diensten onderworpen aan de gewone regeling, zoals bepaald onder 3 hiervoor.

10. Verplichting tot kennisgeving bij wijziging in de BTW-regeling die voor een landbouwondernemer geldt.

De landbouwondernemer die voor zijn gehele werkzaamheid onderworpen is aan de bijzondere regeling ingesteld bij artikel 57, § 1, van het Wetboek, moet het BTW-controlekantoor waaronder hij ressorteert, binnen vijftien dagen, schriftelijk in kennis stellen van iedere wijziging waardoor hij geheel of gedeeltelijk onderworpen wordt aan de normale regeling van de belasting of aan de bijzondere regeling van artikel 56, § 1, van het Wetboek (kon. besl. nr. 22, art. 8).

Dat zal in het bijzonder het geval zijn wanneer een landbouwondernemer :

1° een andere werkzaamheid als belastingplichtige begint (winkelier, caféhouder, handelaar in meststoffen, enz.; z. nr. 9, A, 2);

2° op groot- of kleinhandelsmarkten begint te verkopen (z. nr. 9, B, 1 en 2).

Die kennisgeving is evenwel niet vereist wanneer een landbouwondernemer die op grond van artikel 2, § 2, reeds ertoe gehouden is een periodieke aangifte in te dienen, andere handelingen begint te verrichten die door diezelfde bepaling zijn bedoeld (b.v. een landbouwondernemer die reeds op een groothandelsmarkt verkoopt begint ook te verkopen op een kleinhandelsmarkt).

11. Keuze van de normale regeling van de BTW.

De landbouwondernemer kan, overeenkomstig artikel 57, § 4, van het Wetboek, kiezen voor de normale regeling van de belasting. Die optie moet door hem worden uitgeoefend door middel van een brief gericht aan het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert, en ze heeft uitwerking vanaf het verstrijken van de maand na die waarin de brief wordt verzonden (kon. besl. nr. 22, art. 9).

De landbouwondernemer die zijn werkzaamheid heeft aangevangen voor 1 januari 1971 en op dat tijdstip voldoet aan de voorwaarden die voor de toepassing van de bijzondere landbouwregeling zijn gesteld, zal aan die regeling zijn onderworpen, tenzij hij voor 1 december 1970, in de aangehaalde vorm, voor de normale regeling opteert ( kon. besl. nr. 22, art. 12) .

Voor 1 januari van het derde jaar na dat waarin de optie uitwerking geeft gehad, kan de landbouwondernemer niet opnieuw overgaan naar de bijzondere regeling. Zo hij die wijziging wenst, moet hij daarvan, voor 1 december, schriftelijk kennisgeven aan het BTW-controlekantoor.

Zo kan de landbouwondernemer die voor 1 december 1970 opteert voor de normale regeling, slechts ten vroegste op 1 januari 1974 overgaan naar de bijzondere regeling en mits hij voor 1 december 1973 daarvan schriftelijk kennis geeft.

12. Teruggaaf of herziening bij wijziging in de belastingregeling.

A. Teruggaaf.

Zo de landbouwondernemer niet langer onderworpen is aan de bijzondere landbouwregeling, hetzij op grond van artikel 57, § 2, van het Wetboek (z. nr. 9, A, hiervoor), hetzij ingevolge optie voor de gewone regeling (z. nr. 11), kan hij volgens artikel 10 van het koninklijk besluit nr. 22, teruggaaf verkrijgen van de BTW die te zijnen laste werd geheven bij de verkrijging :

1° van de andere goederen dan bedrijfsmiddelen, die nog niet werden vervreemd en van de diensten die nog niet werden gebruikt bij de wijziging in de belastingregeling;

2° van de bedrijfsmiddelen die bij de wijziging nog bestaan, voor zover die goederen nog bruikbaar zijn en het tijdvak van herziening van vijf jaar bepaald bij artikel 48, § 2, van het Wetboek, niet is verstreken.

De in 1° en 2° bedoelde goederen en diensten zijn immers belast met BTW die niet mag cumuleren met die welke bij de verkoop van de voortgebrachte goederen door de landbouwondernemer zal verschuldigd zijn.

De teruggaaf is afhankelijk van de indiening bij het BTW-controlekantoor waaronder de landbouwondernemer ressorteert, binnen drie maanden vanaf de wijziging in de belastingregeling, van een inventaris van de voorraad op het tijdstip van die wijziging en van een staat van de op dat tijdstip nog bruikbare bedrijfsmiddelen. Die stukken worden opgemaakt in drie exemplaren waarvan er twee bestemd zijn voor het controlekantoor; ze moeten op een gedetailleerde wijze de goederen en diensten vermelden die in aanmerking worden genomen voor het berekenen van de voor teruggaaf vatbare belasting, alsmede de datum waarop die goederen werden geleverd en die diensten werden verstrekt aan de landbouwondernemer, de maatstaf van heffing waarover ze met de BTW werden belast en het terug te geven bedrag.

De teruggaaf wordt slechts toegestaan in de mate waarin de landbouwondernemer de aftrek had kunnen verrichten bij toepassing van de artikelen 45 tot 49 en 100 van het Wetboek, indien hij op het tijdstip van de wijziging in de belastingregeling de hoedanigheid van belasting- plichtige had verkregen zoals bedoeld in artikel 49, 3, van het Wetboek.

De landbouwondernemer oefent zijn recht op teruggaaf uit bij het indienen van de aangifte met betrekking tot de handelingen van de laatste maand van het kalenderkwartaal na dat waarin de hiervoren bedoelde inventaris en staat bij het controlekantoor werden ingediend; bij wijziging in de belastingregeling in de loop van het jaar 1971 kan de teruggaaf echter slechts worden uitgeoefend bij het indienen van de aangifte met betrekking tot de handelingen van de maand maart 1972.

Voor de handelingen die in artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit nr. 22, zijn bedoeld, kan de landbouwondernemer de bij artikel 10 ingestelde teruggaaf niet bekomen : voor die handelingen kan hij immers een forfaitaire aftrek uitoefenen (z. nr. 9, B).

B. Herziening van aftrek.

De landbouwondernemer die aan de normale regeling is onderworpen die overgaat naar de bijzondere regeling ingesteld bij artikel 57, § 1, van het Wetboek, moet de door hem verrichte aftrek herzien van de belasting die te zijnen laste werd geheven bij de verkrijging :

1° van de andere goederen dan bedrijfsmiddelen, die nog niet werden vervreemd en van de diensten die nog niet werden gebruikt bij de wijziging in de belastingregeling;

2° van de voor herziening vatbare en nog bruikbare bedrijfsmiddelen die op dat tijdstip bestaan.

Die herziening dient plaats te vinden, hetzij krachtens artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 22, wanneer de landbouwondernemer ingevolge optie opnieuw naar de bijzondere landbouwregeling overgaat (z. nr. 11), hetzij krachtens de artikelen 5 en 10 van het koninklijk besluit nr. 3, zo de wijziging niet langer de toepassing van artikel 7, § 2, van het Wetboek tot gevolg heeft. De terugkeer naar de bijzondere landbouwregeling is overigens gelijkgesteld met het verlies van de hoedanigheid van belastingplichtige voor de toepassing van artikel 49, 3, van het Wetboek.

Maar geen herziening dient plaats te vinden m.b.t. BTW voldaan voor landbouwproduktiemiddelen wanneer de landbouwondernemer niet langer handelingen stelt die in artikel 2, § 2, van het besluit zijn bedoeld, aangezien hij die BTW als zodanig niet in aftrek heeft kunnen brengen.

13. Ontheffing van de voorraad per 31 december 1970.

In de mate waarin zij onderworpen zijn aan de bijzondere landbouwregeling, kunnen de landbouwondernemers de teruggaaf, bedoeld in artikel 99 van het Wetboek, niet bekomen van de met het zegel gelijkgestelde taksen die zullen begrepen zijn in hun voorraad per 31 december 1970 (kon. besl. nr. 21, art. 36, § 2). Maar die taksen zullen zij niettemin op een forfaitaire wijze recupereren, overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 22.

De hier bedoelde landbouwondernemers zijn die welke niet van de bijzondere landbouwregeling zijn uitgesloten krachtens artikel 57, § 2, van het Wetboek (z. hiervoor, nr. 9, 1 en 2), en meer bepaald de landbouwondernemers die onder de toepassing vallen van artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit nr. 22, aangezien zij voor hun werkzaamheid als producent krachtens artikel 6 onder die regeling blijven.

Zo een landbouwondernemer voor 1 januari 1972, voor zijn gehele werkzaamheid of voor en gedeelte ervan, overgaat van de bijzondere landbouwregeling naar de normale regeling van de belasting, of, eventueel, naar de forfaitaire regeling van artikel 56, § 1, van het Wetboek, heeft hij recht op een teruggaaf krachtens artikel 99 van het Wetboek in de mate waarin hij op het tijdstip van de wijziging in zijn belastingstelsel, goederen in voorraad heeft die hij heeft verkregen voor 1 januari 1971, en die hij bestemt voor de uitoefening van zijn aan de nieuwe regeling onderworpen werkzaamheid (kon. besl. nr. 21, art. 36, § 2). Het bedrag van de teruggaaf wordt dan berekend volgens de tarieven die zijn bepaald bij het koninklijk besluit nr. 21, van 20 juli 1970, en het wordt als aftrekbare belasting ingeschreven in de aangifte met betrekking tot de handelingen van de maand maart 1972 (kon. besl. nr. 21, art. 37, § 3).