Circulaire nr. 16/2009 d.d. 30.09.2009

(Circulaire AFZ Nr. 13/2009)

Brussels Hoofdstedelijk Gewest – Successierechten – Bijzondere tijdelijke regels voor de waardering van openbare effecten en van bepaalde financiële instrumenten en aandelen, in geval van devaluatie ervan kort na het overlijden

Federale Overheidsdienst FINANCIEN

Administratie van Fiscale Zaken

4de dienst - 3de directie

Patrimoniumdocumentatie

Kadaster, Registratie en Domeinen

Dienst VI

2 bijlagen

In het Belgisch Staatsblad van 10.04.2009, 2de editie, werd de ordonnantie van 19 maart 2009 "tot wijziging van het Wetboek van successierechten om de erfgenaam van in waarde gedaalde beurseffecten te beschermen" bekendgemaakt.

Artikel 2 van deze ordonnantie brengt twee wijzigingen aan in het eerste lid (1) van artikel 21, Br.W.Succ.:

  • de bepaling onder rubriek III van het bedoelde lid – die betrekking heeft op de waardering van openbare effecten volgens de prijscourant – wordt aangevuld teneinde de keuze van de te bezigen prijscourant uit te breiden;

  • in dat lid wordt tevens een nieuw onderdeel III/bis ingevoegd dat waar-deringsregels vastlegt voor financiële instrumenten ("in de zin van artikel 2, 1°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten") en aandelen ("in de zin van artikel 60bis, § 4").

----------

(1) De tekst van de ordonnantie spreekt van "artikel 21, eerste lid", maar vermits de tekst van dat artikel na de wijziging ervan in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (anders dan in het Waalse Gewest) nog altijd maar slechts één lid telt, had men moeten spreken van "artikel 21, enig lid". Gelet op het voorlopig karakter van de nieuwe bepalingen blijven we in deze circulaire bij de in de ordonnantie gebruikte terminologie. Als de Brusselse ordonnantiegever zou besluiten de maatregelen te verlengen, zal hij van deze puur legistieke problematiek op de hoogte worden gebracht.

Artikel 4 regelt de inwerkingtreding van de ordonnantie en bepaalt een mogelijkheid van teruggave in geval de rechten reeds betaald werden op een aangifte ingediend vóór de inwerkingtreding van de nieuwe maatregelen.

Deze ordonnantie is in werking getreden op 10.04.2009.

Deze circulaire bevat een eerste commentaar bij de nieuwe bepalingen. De tekst van de ordonnantie gaat in bijlage 1. Bijlage 2 bevat de gecoördineerde tekst van het gewijzigde artikel 21, Br.W.Succ.

Commentaar

1. Wijzigingen van het artikel 21 van het Br.W.Succ..

1.1. Wijziging van artikel 21, eerste lid, III, Br.W.Succ.

De wijzigingen aan artikel 21, Br.W.Succ. betreffen de nalatenschappen die openvallen tussen 01.05.2008 en 31.12.2009. Hoewel het vooralsnog gaat om maatregelen met een tijdelijke karakter – en die als zodanig beter niet waren opgenomen in het Wetboek – wordt in artikel 3 van de ordonnantie niettemin aangekondigd dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering vóór 31.12.2009 de maatregelen bedoeld in het eerste lid, III, laatste alinea, en III/bis zal evalueren. Aan het Brussels Hoofdstedelijk Parlement zal vervolgens een evaluatieverslag worden bezorgd.

Artikel 21, Br.W.Succ. werd aangepast om bij de waardering van bepaalde financiële activa rekening te kunnen houden met een eventuele waardevermindering ervan na het overlijden.

Voorheen was dat al in zekere mate mogelijk omdat voor de in de prijscourant genoteerde openbare effecten de rechtverkrijgenden reeds de keus hadden tussen de prijscourant die bekendgemaakt wordt binnen de maand die volgt op de maand van het overlijden of één van de twee daaropvolgende prijscouranten (art. 21, eerste lid, III, Br.W.Succ.).

De rechtverkrijgenden hebben voor overlijdens vanaf 01.05.2008 – in voorkomend geval dus retroactief – de keuze tussen de prijscourant die werd bekendgemaakt binnen de maand die volgt op de maand van het overlijden of één van de vier daaropvolgende prijscouranten.

Opgemerkt wordt dat de keuze voor de prijscourant die bekendgemaakt wordt in de loop van de vijfde maand volgend op de maand waarin het overlijden plaatsvond, vrijwel steeds een laattijdige indiening van de aangifte van nalatenschap impliceert.

Hierbij moet men ermee rekening houden dat:

  1. 1°) de Brusselse regelgever niet bevoegd was om de termijn voor het indienen van de aangifte van nalatenschap te wijzigen – deze is dus onveranderd gebleven – vermits dergelijke wijziging betrekking heeft op de procedureregels die een federale aangelegenheid zijn zolang de Federale Overheid instaat voor de dienst van de belasting (2);

  2. 2°) dat er om die reden evenmin maatregelen op het vlak van de boete voor het laattijdig indienen van de aangifte konden worden genomen zodat het, in voorkomend geval, aan de belanghebbenden toekomt om een verlenging van de aangiftetermijn te vragen, waarbij eraan wordt herinnerd dat dergelijke verlenging geen invloed heeft op de betalingstermijn en op het verschuldigd worden van de moratoire intresten; wanneer de aangifte goederen bevat bedoeld in artikel 21, 1ste lid, III of III/bis, Br.W.Succ., zal de boete wegens laattijdige indiening systematisch worden kwijtgescholden tot beloop van twee maanden laattijdigheid.

----------

(2) Zie artikel 5, § 3, lid 1 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten.

1.2. Invoeging van een III/bis in artikel 21, eerste lid, Br.W.Succ.

Artikel 21, eerste lid, werd bovendien vervolledigd door invoeging van een nieuw III/bis. Deze bepaling heeft betrekking op financiële instrumenten ("in de zin van artikel 2, 1°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten") en aandelen ("in de zin van artikel 60bis, § 4") die niet vallen onder de toepassing van II en III van datzelfde lid en laat toe dat hun belastbare waarde bepaald wordt volgens de koerswaarde of, bij gebreke van koerswaarde (bijvoorbeeld wegens schorsing, schrapping, enz.), volgens een door de aangever te ramen verkoopwaarde van het goed, ofwel op de dag van het overlijden ofwel, bij wijze van uitzondering op het algemeen principe, op de laatste dag van de 2e, 3e, 4e of 5e maand volgend op de maand van het overlijden. Naar analogie met de keuze van de prijscourant, mag slechts één van die data gekozen worden; die moet dan in aanmerking worden genomen voor de waardering van al de nagelaten waarden bedoeld in III/bis.

Wat moet begrepen worden onder financiële instrumenten en aandelen in de zin van artikel 2, 1°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, werd uitvoerig toegelicht onder randnummers 45 en 45bis van de circulaire nr. 2/2006 van 08.02.2006.

2. Teruggave

De nieuwe waarderingsregels zijn van toepassing op de nalatenschappen die openvallen tussen 01.05.2008 en 31.12.2009. De Brusselse regelgever heeft daarom een mogelijkheid tot teruggave bepaald ten voordele van de erfgenamen, legatarissen of begiftigden die reeds vóór de inwerkingtreding van de ordonnantiie de aangifte van nalatenschap hebben ingediend. Deze kunnen de bijzondere wijze van waardering gebruiken om de oorspronkelijk aangegeven waarden alsnog te herzien. De teruggave wordt toegekend indien een nieuwe aangifte in de zin van artikel 37, Br.W.Succ. wordt ingediend. Het bedrag van de teruggave is vanzelfsprekend gelijk aan het verschil tussen de successierechten verschuldigd volgens de oorspronkelijke aangifte en die welke verschuldigd zijn volgens de nieuwe aangifte.

De datum van het overlijden èn de datum van inlevering van de aangifte zijn dus bepalend om te oordelen of er een mogelijkheid tot terugbetaling is. Deze maatregel werd niet opgenomen in het Br.W.Succ.

3. Inwerkingtreding

De ordonnantie is in werking getreden op 10.04.2009.

Bijlage 1

Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 10 april 2009

MINISTERIE VAN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

19 MAART 2009. - Ordonnantie tot wijziging van het Wetboek van successierechten om de erfgenaam van in waarde gedaalde beurseffecten te beschermen

Artikel 1. Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.

Art. 2. In artikel 21 van het Wetboek van Successierechten, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

a) het eerste lid (3), III, wordt met het volgende lid aangevuld :

----------

(3) lees: "enig lid"

«Wanneer het overlijden heeft plaatsgevonden tussen 1 mei 2008 en 31 december 2009, kunnen de belanghebbenden ook de prijscourant gebruiken die bekendgemaakt is in de vierde of de vijfde maand na het overlijden, op voorwaarde dat ze hun keuze in de aangifte vermelden. Slechts één prijscourant mag worden gekozen; die is toepasselijk op al de nagelaten waarden.»;

b) in het eerste lid, wordt een III/bis ingevoegd, luidend:

«III/bis. Voor de financiële instrumenten, in de zin van artikel 2, 1°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, of de aandelen in de zin van artikel 60bis, § 4, die niet bedoeld worden in II en III, wanneer het overlijden plaatsgevonden heeft tussen 1 mei 2008 en 31 december 2009, volgens de koerswaarde van het goed of, bij gebreke van koerswaarde, volgens een door de aangever te ramen verkoopwaarde van het goed, ofwel op de dag van het overlijden ofwel op de laatste dag van de tweede, derde, vierde of vijfde maand volgend op de maand van het overlijden, op voorwaarde dat de belanghebbenden hun keuze vermelden in de aangifte.

Slechts één datum mag gekozen worden; die is toepasselijk op al de nagelaten waarden bedoeld in dit III/bis.»

Art. 3. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering zal vóór 31 december 2009 een evaluatie maken van de maatregelen bedoeld in het eerste lid, III, laatste lid, en III/bis. Vervolgens zal het Brussels Hoofdstedelijk Parlement een evaluatieverslag worden bezorgd.

Art. 4. Deze ordonnantie treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

De erfgenamen, legatarissen of begiftigden die van de erfenis reeds aangifte gedaan hebben vóór de inwerkingtreding van deze ordonnantie, zijn gemachtigd om de specifieke evaluatiewijzen te gebruiken bepaald in artikel 2 en de oorspronkelijk aangegeven waarden te herzien. Zij moeten daartoe een nieuwe aangifte doen in de zin van artikel 37 van het Wetboek van Successierechten. De wijziging van de oorspronkelijk aangegeven waarden wordt beschouwd als een wijziging van de samenstelling van de erfenis, in de zin van artikel 135, 4°, van het Wetboek van Successierechten, dat van de toepassing is op het te hoge recht dat is betaald tussen de aangifte van de erfenis en de nieuwe aangifte, waarbij gebruikgemaakt wordt van het artikel 2 van deze ordonnantie.

Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 19 maart 2009.

De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing, Huisvesting, Openbare Netheid en Ontwikkelingssamenwerking,
Ch. PICQUE

De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting, Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen,
G. VANHENGEL

De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Tewerkstelling, Economie, Wetenschappelijk Onderzoek, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,
B. CEREXHE

De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Mobiliteit en Openbare Werken,
P. SMET

De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu, Energie en Waterbeleid,
Mevr. E. HUYTEBROECK

Bijlage 2

Gecoördineerde tekst van artikel 21, Br.W.Succ.

In afwijking van artikel 19, wordt de belastbare waarde der tot de nalatenschap behorende goederen als volgt vastgesteld:

I. Voor de in het buitenland gelegen onroerende goederen, indien de verkoopwaarde niet blijkt uit akten en bescheiden, door twintig- of dertigmaal de jaarlijkse opbrengst der goederen of den prijs der lopende huurcelen, zonder aftrekking van de lasten aan den huurder of aan den pachter opgelegd, naar gelang het gaat om bebouwde eigendommen of onbebouwde eigendommen; in geen geval, mag de belastbare waarde lager zijn dan deze die tot grondslag gediend heeft voor de heffing van de belasting in het buitenland.

II. Voor het kapitaal en de interesten vervallen of verkregen van de schuldvorderingen, door het nominaal bedrag van dit kapitaal en van deze interesten, onder voorbehoud voor de aangevers de schuldvordering op haar verkoopwaarde te schatten, in geval van onvermogen van de schuldenaar of van het bestaan van alle andere oorzaak van waardevermindering.

III. Voor de openbare effecten, volgens de prijscourant die op last van de regering wordt uitgegeven, voor zooveel de noteringen van de prijscourant beantwoorden aan een koers genoteerd gedurende de maand waarvoor zij opgemaakt werd.

De te bezigen prijscourant is deze welke werd bekendgemaakt binnen de maand die volgt op de maand van het overlijden. Evenwel, kunnen de belanghebbenden zich beroepen op een van de twee daaropvolgende prijscouranten, op voorwaarde hun keus in hun aangifte aan te duiden.

Slechts één prijscourant mag gekozen worden; deze is toepasselijk op al de nagelaten waarden.

Wanneer het overlijden heeft plaatsgevonden tussen 1 mei 2008 en 31 december 2009, kunnen de belanghebbenden ook de prijscourant gebruiken die bekendgemaakt is in de vierde of de vijfde maand na het overlijden, op voorwaarde dat ze hun keuze in de aangifte vermelden. Slechts één prijscourant mag worden gekozen; die is toepasselijk op al de nagelaten waarden.

III/bis. Voor de financiële instrumenten, in de zin van artikel 2, 1º, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, of de aandelen in de zin van artikel 60bis, § 4, die niet bedoeld worden in II en III, wanneer het overlijden plaatsgevonden heeft tussen 1 mei 2008 en 31 december 2009, volgens de koerswaarde van het goed of, bij gebreke van koerswaarde, volgens een door de aangever te ramen verkoopwaarde van het goed, ofwel op de dag van het overlijden ofwel op de laatste dag van de tweede, derde, vierde of vijfde maand volgend op de maand van het overlijden, op voorwaarde dat de belanghebbenden hun keuze vermelden in de aangifte.

Slechts één datum mag gekozen worden; die is toepasselijk op al de nagelaten waarde bedoeld in dit III/bis.

IV. Voor de altijddurende of voor een onbepaalde tijd gevestigde erfpachten, grondrenten en andere prestatiën, evenals voor de al dan niet gehypothekeerde altijddurende renten, door twintigmaal de rente of de jaarlijkse prestatie, onder voorbehoud voor de aangevers de rente of prestatie op haar verkoopwaarde te begroten, in geval van onvermogen van de schuldenaar of van het bestaan van alle andere oorzaak van waarde vermindering.

V. Voor de op het hoofd van een derde gevestigde lijfrenten en andere levenslange uitkeringen, door de vermenigvuldiging van het jaarlijks bedrag der uitkering met het getal:

  • 18, indien hij, op wiens hoofd de rente is gevestigd, 20 jaren oud is of minder;

  • 17, indien hij, op wiens hoofd de rente is gevestigd, boven de 20 tot 30 jaren oud is;

  • 16, indien hij, op wiens hoofd de rente is gevestigd, boven de 30 tot 40 jaren oud is;

  • 14, indien hij, op wiens hoofd de rente is gevestigd, boven de 40 tot 50 jaren oud is;

  • 13, indien hij, op wiens hoofd de rente is gevestigd, boven de 50 tot 55 jaren oud is;

  • 11, indien hij, op wiens hoofd de rente is gevestigd, boven de 55 tot 60 jaren oud is;

  • 9,5, indien hij, op wiens hoofd de rente is gevestigd, boven de 60 tot 65 jaren oud is;

  • 8, indien hij, op wiens hoofd de rente is gevestigd, boven de 65 tot 70 jaren oud is;

  • 6, indien hij, op wiens hoofd de rente is gevestigd, boven de 70 tot 75 jaren oud is;

  • 4, indien hij, op wiens hoofd de rente is gevestigd, boven de 75 tot 80 jaren oud is;

  • 2, indien hij, op wiens hoofd de rente is gevestigd boven de 80 jaren oud is.

VI. Voor het op het hoofd van een derde gevestigde vruchtgebruik, door de jaarlijkse opbrengst van de goederen, berekend tegen 4 t. h. van de waarde van den vollen eigendom, vermenigvuldigd met het onder nummer V aangeduide cijfer.

VII. Voor de voor een beperkten tijd gevestigde renten of prestatiën, door de som die door de kapitalisatie van de renten of prestatiën ad 4 t. h. op den datum van het overlijden wordt vertegenwoordigd, onder dit voorbehoud dat het bedrag van de kapitalisatie, al naar het geval, de belastbare waarde, zoals die in nummers IV en V wordt bepaald, niet te boven gaat.

Dezelfde regel is van toepassing wanneer het gaat over een voor beperkte tijd gevestigd vruchtgebruik, met dien verstande dat dan de opbrengst van de goederen zoals in nummer VI wordt gezegd tot grondslag van de kapitalisatie wordt genomen.

VIII. Voor den bloten eigendom, door de waarde van de volle eigendom onder aftrek van de waarde van het vruchtgebruik berekend naar de voorschriften van dit artikel en van artikel 22.

Geen aftrek heeft plaats wanneer het vruchtgebruik bij toepassing van artikel 67 vrij is van het recht van successie en van overgang bij overlijden.

Interne ref.: AFZ: Dossier nr. 436 / Kad., reg. en domeinen: Dossier nr. E.E./L. 190B