Circulaire 2020/C/6 aangaande de gunstige tariefbehandelingen

Bijzondere bestemming; vergunning; douanetoezicht; overdracht van rechten en plichten; TORO; verkeer van goederen; equivalente goederen; administratie; aanzuiveringsafrekening; zuivering van de regeling; certificaat van vrijgave; overdrager; overnemer; inschrijvingsbewijs; gunstige tariefbehandeling in verband met de aard van de goederen.

FOD Financiën, 08.01.2020

Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen

Departement Wetgeving – Tarief

De huidige versie van de circulaire werd aangepast op 16.11.2023.

De aanpassingen hebben betrekking op:

- Paragrafen 33 en 35: Verduidelijking van de begrippen ‘terugwerkende kracht’ en ‘buitengewone omstandigheden’ naar aanleiding van een opmerking tijdens de TOR-inspectie van de Europese Commissie.

Aanpassingen

Datum

Aangepaste §§

Aangepaste bijlagen

Vorige versie

S2

16/11/2023

33, 35

Vorige versie

S1

12/04/2023

§§ 9, 9bis, 10 11, 16, 35, 51, 56, 60, 61,62

Fiches 0101, 0102-1, 0102-2, 0102-3, 0103, 0104, 0202, 0406, 0714, 1003, 1006, 2009, 8714, Deel III - V

13, 15 en 16

Vorige versie

INHOUDSOPGAVE

DEEL I: DE REGELING BIJZONDERE BESTEMMING

I. Basisregels – Inleidende bepalingen

I.1. Voorwoord

I.2. Wettelijke basis

I.3. Definities

I.4. Hoe kan je in Tarbel de goederen herkennen die in aanmerking komen om te genieten van de regeling bijzondere bestemming?

I.5. Niet-tenuitvoerlegging van de maatregelen inzake de regeling bijzondere bestemming

II. De vergunning bijzondere bestemming

II.1. Algemeen

II.2. Operatoren betrokken bij een vergunningsaanvraag

II.3. Voorwaarden

II.3.1. Vestiging in het douanegebied van de Unie

II.3.2. Waarborgen voor het goede gebruik van de regeling

II.3.3. Zekerheidstelling

II.3.4. Douanetoezicht

II.3.5. Verbintenis

II.4. Aanvraag van de vergunning

II.5. De bevoegde douaneautoriteit

II.6. Vergunning op basis van een douaneaangifte

II.7. Termijn voor de beschikking op een aanvraag voor een vergunning

II.7.1. Aanvraag van een Belgische vergunning

II.7.2. Vergunningsaanvraag met betrekking tot meerdere Lidstaten

II.7.2.1. Termijn voor de beschikking

II.7.2.2. Raadplegingsprocedure tussen Lidstaten

II.8. Inwerkingtreding van de vergunning

II.8.1. Op datum van afgifte

II.8.2. Terugwerkende kracht

II.9. Geldigheidsduur

II.10. Aanvraag tot hernieuwing of wijziging van de vergunning

II.11. Ongunstige beschikking

II.12. Nietigverklaring van de vergunning

II.13. Intrekking van de vergunning

II.14. Schorsing van de vergunning

II.15. Verstrijken van de geldigheid van een vergunning

II.16. Overgangsmaatregelen voor de vergunningen afgeleverd voor 1 mei 2016

III. Opbrengst

IV. Administratie

V. Plaatsing onder de regeling

VI. Douanetoezicht

VII. Aanzuivering van de regeling

VII.1. Aanzuiveringswijzen

VII.2. Aanzuiveringstermijn

VII.3. Aanzuiveringsafrekening

VII.3.1. Indiening

VII.3.2. Inhoud van de aanzuiveringsafrekening

VII.3.3. Globalisatie van de aanzuiveringsafrekeningen

VII.3.4. Aanzuivering van de aangiftes

VIII. Resten en afval

IX. Equivalente goederen

X. Gezamenlijke opslag van producten van de hoofdstukken 27 en 29

XI. Overdracht van rechten en plichten (afgekort “TORO”: transfer of rights and obligations)

XI.1. Algemeen

XI.2. Inleidende begrippen

XI.3. Proces van overdracht van rechten en plichten: algemene informatie

XI.3.1. Voorstelling van het proces

XI.3.2. Welke douaneautoriteit is bevoegd voor het verlenen van een vergunning TORO?

XI.3.3. Hebben de douaneautoriteiten het recht om te bepalen of er een TORO kan worden toegepast of niet?

XI.3.4. Werkt een TORO in omgekeerde richting?

XI.3.5. Is een TORO mogelijk na een andere TORO?

XI.3.6. Kunnen equivalente goederen gebruikt worden bij TORO?

XI.3.7. Bestaat er een alternatief voor TORO?

XI.3.8. Welke rechten en plichten van de vergunninghouder bijzondere bestemming kunnen worden overgedragen onder TORO?

XI.3.9. Inlichtingen die moeten worden verstrekt bij elke overdracht

XI.3.10. Wie moet de aanzuiveringsafrekening indienen?

XI.3.11. Is een overlegprocedure nodig wanneer meer dan één lidstaat betrokken is bij het proces van de TORO?

XI.4. Procedure 1: overdracht door een vergunninghouder bijzondere bestemming - die eveneens een TORO-vergunning bezit - aan een overnemer zonder vergunning

XI.4.1. Vergunningen

XI.4.2. Aanzuiveringsafrekening

XI.4.3. Zekerheid

XI.4.4. Voorafgaande raadpleging van de lidstaten betrokken bij de TORO.

XI.5. Procedure 2: overdracht door een vergunninghouder BB - die ook een TORO-vergunning bezit - aan een overnemer met een TORO-vergunning.

XI.5.1. Vergunningen

XI.5.2. Aanzuiveringsafrekening

XI.5.3. Zekerheid

XI.5.4. Verantwoordelijkheden

XI.5.5. Voorafgaande raadpleging van de lidstaten betrokken bij de TORO

XI.5.6. Opbrengstpercentage

XII. Verkeer van goederen tussen verschillende plaatsen in het douanegebied van de Unie

XII.1. Omstandigheden van het verkeer van de goederen

XII.2. Te vervullen douaneformaliteiten

XII.3.1. Verkeer van goederen onder de regeling bijzondere bestemming, zonder douaneformaliteiten: een multinational heeft meerdere filialen in verschillende lidstaten:

XII.3.2. Verkeer van goederen onder de regeling bijzondere bestemming (BB), zonder douaneformaliteiten, gecombineerd met TORO

XII.3.3. Verkeer onder de regeling bijzondere bestemming met of zonder douaneformaliteiten – geen enkele verbonden firma in verschillende lidstaten

XIII. Bewaren van de documenten

DEEL II: FICHES MET BETREKKING TOT DE REGELING BIJZONDERE BESTEMMING

Fiche 0101

Fiche 0102-1

Fiche 0102-2

Fiche 0102-3

Fiche 0103

Fiche 0104

Fiche 0202

Fiche 0206

Fiche 0406

Fiche 0714

Fiche 1003

Fiche 1005

S1 Fiche 1006

Fiche 1605

Fiche 2009

Fiche 8714

Fiche 8802-1

Fiche 8802-2

Fiche 8900

DEEL III: GUNSTIGE TARIEFBEHANDELING IN VERBAND MET DE AARD VAN DE GOEDEREN

I. INLEIDING

II. PRODUCTEN ONGESCHIKT VOOR CONSUMPTIE

III. ZAAIGOED

IV. BUILGAAS, NIET GECONFECTIONEERD

V. DRUIVEN VOOR TAFELGEBRUIK, TABAK EN NITRAAT

DEEL IV: TIJDELIJKE SCHORSING VAN DE AUTONOME RECHTEN VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK DOUANETARIEF VOOR BEPAALDE GOEDEREN VAN DE SOORT DIE WORDT AANGEBRACHT AAN OF WORDT GEBRUIKT IN LUCHTVAARTUIGEN

I. INLEIDING

II. WETTELIJKE BASIS

III. VOORWAARDEN VOOR DE TOEKENNING VAN DE SCHORSING

III.1. Goederen

III.2. Certificaten

III.3. Douaneaangifte

III.4. Vermoeden van fraude

SLOTBEPALINGEN

Bijlage 1

Bijlage 2

Bijlage 3

Bijlage 4

Bijlage 5

Bijlage 6

Bijlage 7

Bijlage 8

Bijlage 9

Bijlage 10

Bijlage 11

Bijlage 12

Bijlage 13

Bijlage 14

Bijlage 15

Bijlage 16

DEEL I: DE REGELING BIJZONDERE BESTEMMING

I. Basisregels – Inleidende bepalingen

I.1. Voorwoord

1. De regeling bijzondere bestemming staat toe om niet-unie goederen in het vrije verkeer te brengen aan een verminderd recht of een nulrecht voor zover deze goederen bestemd zijn of gebruikt worden voor specifieke doeleinden die voorzien zijn in het gemeenschappelijk douanetarief. Het gaat doorgaans om montages/installaties, be- en verwerkingsprocessen.

Van zodra de goederen in het vrije verkeer gebracht worden, worden ze onder douanetoezicht geplaatst. Op deze wijze kan verzekerd worden dat de plichten van de regeling vervuld worden, met name dat de werkzaamheden/handelingen waarbij de bijzondere bestemming wordt verkregen, beëindigd zijn binnen de voorgeschreven termijnen.

Indien de bijzondere bestemming niet bereikt is binnen de vastgestelde termijnen of de voorwaarden van de regeling niet nageleefd zijn, moeten de invoerrechten voldaan worden aan het volle tarief dat voorzien is voor dezelfde goederen die niet genieten van de regeling.

De vermindering of vrijstelling van de rechten is enkel van toepassing op de douanerechten. Ze is niet van toepassing op de BTW, de accijnzen of de antidumpingrechten of compenserende rechten.

2. De bijzondere bestemming maakt het mogelijk om werkzaamheden van bepaalde economische bedrijfstakken van de Europese Unie te lanceren of te ondersteunen door aan de bedrijven toe te staan dat bepaalde goederen aan een nulrecht of verminderd douanerecht in het vrije verkeer gebracht worden. De geviseerde goederen zijn deze die zich in de Unie bevinden of er geproduceerd worden in onvoldoende hoeveelheid om te voldoen aan de noden van de industrie van de Unie.

De bedrijfstakken die betrokken zijn in deze procedure zijn de volgende:

de bouw en het onderhoud van schepen en boor- en productieplatforms;

de burgerluchtvaart;

de verwerking van verse producten (fruit, vis);

de verwerking van oliën voor andere doeleinden dan de productie van producten voor menselijke consumptie;

de auto-industrie;

de micro-elektronica, enz.

Verschillende regelgevingen definiëren de goederen die in aanmerking komen om te genieten van de regeling bijzondere bestemming:

verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, en zijn jaarlijkse updates;

de verordeningen betreffende de opening en het beheer van autonome tariefcontingenten van de Unie of houdende schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor bepaalde landbouw- en industrieproducten;

bepaalde verordeningen die tariefpreferenties instellen voor bepaalde derde landen onder de vorm van schorsingen of tariefcontingenten;

bepaalde specifieke verordeningen (luchtvaart, visserijproducten, enz.).

Dit heeft als gevolg dat de toekenning van de vrijstelling of vermindering van rechten in het kader van de regeling meteen verbonden kan worden hetzij aan de nomenclatuur, hetzij aan een tariefschorsing van autonome rechten, aan een autonoom tariefcontingent, dan wel aan tariefpreferenties.

3. Bij de inwerkingtreding van het Douanewetboek van de Unie is de bijzondere bestemming een volwaardige bijzondere regeling geworden, die verbonden is aan het specifiek gebruik van een goed in het douanegebied van de Unie.

Dit houdt in dat de bijzondere bestemming voortaan moet voldoen aan bepaalde aanvullende voorwaarden die van toepassing zijn op alle bijzondere regelingen, met name het stellen van een zekerheid en het opmaken van een aanzuiveringsafrekening. Het gebruik van equivalente goederen en van nieuwe bepalingen inzake de overdracht van rechten en plichten vloeien eveneens voort uit de toepassing van de nieuwe maatregelen van het Douanewetboek van de Unie.

4. De regeling bijzondere bestemming wordt in het gemeenschappelijk douanetarief ook aangewend voor doeleinden van zuiver douanetoezicht met betrekking tot zeer specifieke gevallen - vrij zeldzaam - waarop landbouwmaatregelen of antidumpingmaatregelen niet van toepassing zijn. Dit heeft als doel de ontwijking van maatregelen die van toepassing zijn op andere tariefpostonderverdelingen te vermijden. In zulke gevallen wordt de regeling bijzondere bestemming enkel gebruikt om het douanetoezicht uit te voeren op specifieke producten, die onder tarifaire onderverdelingen vallen waarop bijvoorbeeld geen antidumpingrecht van toepassing is, maar waarop misbruik vermeden moet worden.

I.2. Wettelijke basis

5. De wetgeving inzake bijzondere bestemming vindt zijn grondslag in de volgende wettelijke bepalingen:

Het Douanewetboek van de Unie (verkort DWU): Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie: artikels 199, 210, 211, 214, 215, 218, 219, 223, 241 en 254 (zie uittreksels in bijlage 1);

Gedelegeerde Verordening van het DWU (verkort DA (Delegated Act)): Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europese Parlement en van de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie: artikels 161 t/m 164, 169, 171 t/m 175, 177bis, 178, 179, 239, 251 en bijlage 71-06 (zie uittreksels in bijlage 2);

Uitvoeringsverordening van het DWU (verkort IA (Implementing Act)): Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie: artikels 260 t/m 268 (zie uittreksels in bijlage 3);

Gedelegeerde overgangsverordening (verkort TDA (Transitional delegated Act)): Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 van de Commissie van 17 december 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europese Parlement en van de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie: artikel 22 en bijlage 12 (zie uittreksels in bijlage 4).

I.3. Definities

6. Voor de toepassing van het deel I van deze circulaire gelden volgende definities

Vergunning: een gunstige beschikking in de zin van artikel 5, 39) en 22 DWU.

Vergunning met betrekking tot meer dan één lidstaat: een vergunning heeft betrekking op meer dan één lidstaat wanneer ze is afgeleverd voor één vergunninghouder met vestigingen in meerdere lidstaten waar de goederen de voorgeschreven bestemming krijgen, of voor een vergunninghouder die de invoeraangiftes indient in een andere lidstaat dan diegene waar hij gevestigd is, of wanneer de vergunning de overdracht aan overnemers gevestigd in andere lidstaten omvat (TORO: zie hoofdstuk XI).

Kantoor van plaatsing: het douanekantoor dat is vermeld in de vergunning voor een bijzondere regeling zoals bedoeld in artikel 211, lid 1, van het wetboek, en dat gemachtigd is om goederen voor een bijzondere regeling vrij te geven.

Controlekantoor van de douane: in het geval van andere bijzondere regelingen dan douanevervoer zoals bedoeld in titel VII van het wetboek, het in de vergunning vermelde douanekantoor dat toeziet op de bijzondere regeling in kwestie. Het controlekantoor is bevoegd om het douanetoezicht op de regeling uit te voeren.

Resten en afval:

a) goederen of producten die zijn ingedeeld als resten en afval in overeenstemming met de gecombineerde nomenclatuur, of
b) in de context van bijzondere bestemming of actieve veredeling, goederen of producten die bij een veredelingshandeling zijn ontstaan, geen of slechts geringe economische waarde hebben en niet kunnen worden gebruikt zonder verdere verwerking.

Beschikking: elke beslissing welke verband houdt met de douanewetgeving die door een douaneautoriteit over een bepaald geval wordt genomen en die voor de betrokken persoon of betrokken personen rechtsgevolgen heeft.

Aanzuiveringstermijn: de termijn waarbinnen goederen die onder een bijzondere regeling zijn geplaatst, met uitzondering van douanevervoer, of veredelingsproducten onder een volgende douaneregeling moeten worden geplaatst, moeten worden vernietigd, uit het douanegebied van de Unie moeten worden gebracht of de voorgeschreven bijzondere bestemming moeten krijgen.

Administratie: alle noodzakelijke gegevens en technische bijzonderheden, op welke drager dan ook, aan de hand waarvan de douaneautoriteiten toezicht op de handelingen kunnen houden en deze kunnen controleren.

Equivalente goederen: Uniegoederen die - in de plaats van de goederen geplaatst onder een bijzondere regeling - opgeslagen, gebruikt of verwerkt worden.

Bedrag aan niet geïnde rechten: het verschil tussen, enerzijds het bedrag van de bij invoer te heffen rechten dat voortvloeit uit de toepassing van de bedoelde gunstige tariefregeling en anderzijds het bedrag van de bij invoer te heffen rechten dat verschuldigd zou zijn indien van deze regeling geen gebruik zou zijn gemaakt.

De datum die in aanmerking genomen dient te worden voor de vaststelling van het bedrag van de niet geheven rechten, is die waarop de aangifte van de goederen voor het vrije verkeer wordt aanvaard.

Bestemmingspost: de tariefpost of tariefpostonderverdeling die een gunstige tariefbehandeling voorziet op basis van een bijzondere bestemming van de goederen.

Tariefpost: de eerste vier cijfers van de GS-code van een product.

Douaneregeling: een van de onderstaande regelingen waaronder goederen overeenkomstig het wetboek kunnen worden geplaatst:

a) in het vrije verkeer brengen;

b) bijzondere regelingen;

c) uitvoer.

Douanetoezicht: de activiteiten die door de douaneautoriteiten in het algemeen worden ontplooid teneinde te zorgen voor de naleving van de douanewetgeving en, in voorkomend geval, van de andere bepalingen die op goederen onder douanetoezicht van toepassing zijn.

Houder van de vergunning: de begunstigde van de afgeleverde vergunning. Enkel de houder van de vergunning heeft rechten en plichten zoals aangegeven in de vergunning die afgeleverd is conform artikel 211 van het DWU.

Houder van de regeling:

a) de persoon die de douaneaangifte doet, of voor wiens rekening die aangifte wordt gedaan; dit is bijgevolg de persoon die de goederen onder de regeling plaatst; of

b) de persoon aan wie de uit een douaneregeling voortvloeiende rechten en plichten zijn overgedragen.

TORO: Overdracht van rechten en plichten (=Transfert of rights and obligations) conform artikel 218 DWU.

I.4. Hoe kan je in Tarbel de goederen herkennen die in aanmerking komen om te genieten van de regeling bijzondere bestemming?

7. De goederen die kunnen genieten van de regeling bijzondere bestemming zijn in Tarbel individueel aangegeven op niveau van de Taric-code (goederencode van 10 cijfers). Zij zijn herkenbaar aan:

de termen “bestemd voor”, “bestemd voor de productie van”, “bestemd om te worden gemonteerd”… in de omschrijving van de tariefpost of postonderverdeling, en/of

een voetnoot (EU001, EU003 of EU004 afhankelijk van het geval) in de kolom “voetnoten”, in het deel “tarifaire maatregelen” van het scherm “maatregelen”, die aangeeft dat: “De vrijstelling of de vermindering van douanerechten wordt afhankelijk gesteld van de voorwaarden vastgesteld bij de op dit gebied geldende communautaire bepalingen, met het oog op het douanetoezicht op de bestemming van deze goederen [zie artikel 254 van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 269 van 10/10/2013, blz. 1)]” , dan wel

de voetnoot TN100: “Indeling onder deze onderverdeling is onderworpen aan de voorwaarden en bepalingen, vastgesteld bij de op dit gebied geldende bepalingen van de Europese Unie [zie artikel 254 van Verordening (EU) nr. 952/2013]”.

Er moet echter worden opgemerkt dat de woorden “bestemd voor” niet noodzakelijkerwijs gekoppeld zijn aan de regeling ‘bijzondere bestemming’ noch betekent hun afwezigheid dat de regeling niet kan worden toegepast. Als één van de bovenstaande voetnoten niet voorzien is in Tarbel is de regeling bijzondere bestemming niet van toepassing.

8. Het kan ook voorvallen dat de regeling bijzondere bestemming niet automatisch opgenomen is in het gemeenschappelijk douanetarief door de Europese Commissie voor bepaalde tarifaire onderverdelingen. In die gevallen geeft een nationale maatregel “bijzondere bestemmingen” in Tarbel de specifieke maatregelen aan die toegepast moeten worden.

De maatregelen die op de goederen van deze tarifaire onderverdelingen van toepassing zijn, worden in detail besproken in de fiches in het deel II van deze circulaire, met name fiches 0101, 0102-1, 0103 en 0104.

I.5. Niet-tenuitvoerlegging van de maatregelen inzake de regeling bijzondere bestemming

9. S1 Wanneer een onderverdeling van de nomenclatuur een bijzondere bestemming aangeeft, kan deze onderverdeling alleen worden gebruikt om de betrokken goederen in te delen indien zij overeenstemmen met de omschrijving van de onderverdeling en indien de importeur van de goederen over een vergunning voor het gebruik van de regeling beschikt (zie punt II hieronder). Is aan deze twee voorwaarden niet voldaan, dan moeten de goederen worden ingedeeld onder de dichtstbijzijnde tariefonderverdeling, vaak de post "Andere".

Voorbeeld: Taric-code 1501 1010 00: Reuzel, bestemd voor ander industrieel gebruik dan voor de vervaardiging van producten voor menselijke consumptie

De omschrijving van de onderverdeling duidt op een bijzondere bestemming, hetgeen in Tarbel wordt bevestigd door de volgende invoertariefmaatregelen:

De voorwaarden voor het gebruik van het verlaagde invoerrecht van 0% in het kader van de regeling bijzondere bestemming zijn derhalve de volgende:

bij het in het vrije verkeer brengen moet een vergunning voor het gebruik van de regeling bijzondere bestemming worden overgelegd; en

de goederen moeten voldoen aan de volledige omschrijving van de onderverdeling: de goederen moeten worden erkend als reuzel en strikt bestemd zijn voor het gebruik dat in de omschrijving van de goederen is vermeld, dat wil zeggen voor andere industriële doeleinden dan de vervaardiging van producten voor menselijke consumptie.

Indien niet aan alle voorwaarden is voldaan, kan de regeling bijzondere bestemming niet worden toegepast en kunnen de goederen niet worden ingedeeld onder post 1501 1010 00.

Indien enkel niet is voldaan aan de voorwaarde van een vergunning tot gebruik van de regeling bijzondere bestemming, kunnen de goederen ook niet worden ingedeeld onder post 1501 1010 00 en moeten zij worden ingedeeld onder de dichtstbijzijnde post "Andere", in dit geval 1501 1090 00 "Andere" met een invoerrecht van EUR 17,2/100 kg:

9bis. “Goederen met een bijzondere bestemming waarvoor het uit hoofde van deze bijzondere bestemming geldende douanerecht niet lager is dan het douanerecht dat van toepassing is indien met de bijzondere bestemming geen rekening wordt gehouden, worden ingedeeld onder de onderverdeling die in deze bijzondere bestemming voorziet, zonder dat de bepalingen van artikel 254 DWU worden toegepast” (Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief: Bijlage I– Eerste deel – Titel I – Algemene regels: C. Algemene bepalingen die zowel op de nomenclatuur als op het douanerecht betrekking hebben: 4. Gunstige tariefbehandeling voor bepaalde goederen uit hoofde van een bijzondere bestemming).

Dit betekent dat de bepalingen van de regeling bijzondere bestemming niet hoeven te worden toegepast (aanvraag en indiening van een vergunning, aanvraag van de regeling, douanetoezicht, enz.) indien het recht (invoerrecht of een ander recht, zoals bijvoorbeeld een antidumpingrecht) dat in het kader van de regeling bijzondere bestemming van toepassing is, hoger is dan of gelijk is aan het recht dat zonder toepassing van de regeling bijzondere bestemming van toepassing is. Bovendien kunnen de goederen ingedeeld blijven onder de onderverdeling waarin de regeling bijzondere bestemming voorziet.

Om dit te illustreren kunnen we het voorbeeld van punt 9 hierboven nemen, in de veronderstelling dat het invoerrecht “erga omnes” voor de post "Andere" 1501 1090 00 0% bedraagt. De in te voeren goederen, reuzel voor ander industrieel gebruik dan voor de vervaardiging van producten voor menselijke consumptie, kunnen worden ingedeeld onder onderverdeling 1501 1010 00 die voorziet in een bijzondere bestemming, mits zij voldoen aan de omschrijving van de onderverdeling. Aangezien het recht uit hoofde van de bijzondere bestemming eveneens 0% bedraagt, is het niet verplicht de bepalingen van de regeling bijzondere bestemming toe te passen.

II. De vergunning bijzondere bestemming

II.1. Algemeen

DWU, art. 211 § 1a)

10. Om beroep te kunnen doen op de regeling bijzondere bestemming dient er een vergunning afgeleverd te worden. De gebruiksvoorwaarden van de regeling worden opgesomd in de vergunning.

Een vergunning voor het gebruik van de regeling bijzondere bestemming is een gunstige beschikking zoals vermeld in artikel 22 en artikel 5, punt 39) van het DWU. De algemene bepalingen inzake de aanvraag en aflevering van een vergunning, toegelicht in S1 “Circulaire 2022/C/123 betreffende het nemen en het beheer van een beschikking inzake de toepassing van de douanewetgeving, zijn volledig van toepassing voor de regeling bijzondere bestemming. Bijgevolg worden in de huidige circulaire enkel de specifieke bepalingen of degene die meer uitleg vereisen, hernomen.

II.2. Operatoren betrokken bij een vergunningsaanvraag

11. De operator die goederen wenst in te voeren en te plaatsen onder de regeling bijzondere bestemming en ze vervolgens (al dan niet) hun voorgeschreven bestemming wenst te geven en/of zijn rechten en plichten met betrekking tot de goederen geplaatst onder de regeling wenst over te dragen, dient verplicht houder te zijn van een vergunning bijzondere bestemming.

S1 De operator die daarentegen door middel van zijn veredelingsactiviteiten enkel de voorgeschreven bestemming wil geven aan goederen die reeds onder de regeling bijzondere bestemming geplaatst zijn (zonder ze in te voeren of zelf onder de regeling te plaatsen), dient geen houder te zijn van een vergunning bijzondere bestemming. Hij kan de goederen verwerken onder dekking van de vergunning bijzondere bestemming van de importeur/houder van de vergunning bijzondere bestemming of gebruik maken van een van de twee TORO-procedures (zie hoofdstuk XI), zodat hij houder wordt van de regeling ten aanzien van de goederen geplaatst onder de regeling, en hun de voorziene bijzondere bestemming kan geven of ze op zijn beurt aan een andere operator/verwerker overdragen. Voorbeeld: Operator Y is importeur en houder van een vergunning bijzondere bestemming om motoronderdelen in te voeren en onder de regeling bijzondere bestemming te plaatsen (de bijzondere bestemming is bijvoorbeeld de reparatie van een motor). Operator X is een onderneming die gespecialiseerd is in de reparatie van motoren. Hij laat motoronderdelen invoeren via operator Y. Operator X hoeft niet over een vergunning bijzondere bestemming te beschikken (aangezien hij de goederen niet invoert of onder de regeling plaatst).

Indien beide partijen een overeenkomst hebben gesloten waarbij X de onderdelen een bijzondere bestemming geeft onder dekking van de vergunning bijzondere bestemming van operator Y, hoeft X niet over een vergunning te beschikken, mits hij in de vergunning bijzondere bestemming van Y bij naam als verwerker wordt genoemd.

Indien X daarentegen de rechten en plichten van de regeling met betrekking tot de te verwerken onderdelen wenst over te nemen, moet hij ofwel houder zijn van een TORO-vergunning (procedure 2) ofwel gemachtigd zijn om de TORO-procedure (procedure 1) te gebruiken in het kader van de TORO-vergunning (overdrager) van importeur Y.

Evenzo dient de operator die zelf uitsluitend handelt als commerciële tussenpersoon tussen een invoerder en een verwerker, en die noch goederen invoert noch ze hun voorgeschreven bestemming geeft, geen houder te zijn van een vergunning bijzondere bestemming.

II.3. Voorwaarden

DWU, art. 211, §§ 3 et 4

DA, art. 161 en 239

12. De vergunning bijzondere bestemming wordt uitsluitend verleend aan personen die alle volgende voorwaarden vervullen:

II.3.1. Vestiging in het douanegebied van de Unie

13. Een vergunning bijzondere bestemming kan enkel toegekend worden aan een persoon die gevestigd is in het douanegebied van de Unie.

Volgens artikel 5 (31) van het DWU gaat het om een “in het douanegebied van de Unie gevestigd persoon”:

a) indien het een natuurlijk persoon betreft, eenieder die in het douanegebied van de Unie zijn normale verblijfplaats heeft;

b) indien het een rechtspersoon of een vereniging van personen betreft, elke persoon die zijn statutaire zetel, zijn hoofdbestuur of een vaste inrichting heeft in het douanegebied van de Unie. Een vaste inrichting zijnde “een vaste vestiging voor bedrijfsuitoefening waar de nodige menselijke en technische hulpbronnen permanent voorhanden zijn en waarmee de douanetransacties van een persoon volledig of gedeeltelijk worden uitgevoerd.”

14. In afwijking van het principe van vestiging in het douanegebied van de Unie kunnen de douaneautoriteiten in incidentele gevallen, wanneer zij zulks gerechtvaardigd achten, een vergunning voor de regeling bijzondere bestemming verlenen aan personen die buiten het douanegebied van de Unie gevestigd zijn.

Deze afwijking is van toepassing zowel op vergunningsaanvragen die ingediend worden via het geschikte formulier (zie punt II.4), als op de vergunningsaanvragen die plaatsvinden via de voorlegging van de douaneaangifte (zie punt II.6)

De volgende voorbeelden uit het document “SPECIAL PROCEDURES – Title VIIUCC/Guidance for MSs andTrade” van de Europese Commissie met betrekking tot de bijzondere regelingen illustreren en verduidelijken het toepassingsgebied van het incidentele en gerechtvaardigde karakter van een aanvraag ingediend door een operator gevestigd buiten het douanegebied van de Unie.

Voorbeeld 1: Een luchtvaartmaatschappij die gevestigd is buiten het douanegebied van de Unie dient een aanvraag in voor een vergunning bijzondere bestemming om goederen te kunnen invoeren bestemd voor de herstelling van burgerluchtvaartuigen en hun onderdelen.

In deze situatie is de toepassing van de bijzondere bestemming niet incidenteel. Daarom zal de aanvrager gevestigd moeten zijn in het douanegebied van de Unie. Bijgevolg moet de aanvraag in dit geval geweigerd worden.

Voorbeeld 2: Een fysiek persoon, die gevestigd is in een derde land en zijn persoonlijk vliegtuig gebruikt, dient een aanvraag in voor een vergunning bijzondere bestemming zodat er een vervangingsmotor ingevoerd kan worden onder de regeling bijzondere bestemming.

In dit geval zou de vergunning toegekend moeten worden.

II.3.2. Waarborgen voor het goede gebruik van de regeling

15. De aanvrager moet de nodige waarborgen bieden voor het goede gebruik van de regeling. Een geautoriseerde marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen (AEOC) wordt geacht aan deze voorwaarde te voldoen. Dit voor zover bij het verlenen van zijn vergunning AEOC rekening is gehouden met relevante activiteiten voor de betreffende bijzondere regeling, tenzij de douane over informatie beschikt die het tegengestelde aantoont en waarbij geen andere verificatie nodig is.

16. Bij de personen andere dan geautoriseerde marktdeelnemers voor douane-vereenvoudigingen die beroep doen op de regeling bijzondere bestemming dient de douane de voorafgaande administratie te raadplegen zodat ze hun activiteiten op het vlak van douane en fiscaliteit kan controleren. De criteria van artikel 39 a), b) en d) DWU S1 in verband met de toekenning van de status van geautoriseerde marktdeelnemer.kunnen in aanmerking worden genomen om deze voorwaarde te onderzoeken.

Indien de houder van beschikking minder dan drie jaar gevestigd is, kan de handhaving van deze voorwaarde nagekeken worden in het eerste jaar na het verlenen van de beschikking (artikel 23 §5 DWU).

II.3.3. Zekerheidstelling

17. Voor het verkrijgen van een vergunning, dient de aanvrager van de vergunning bijzondere bestemming een zekerheid te stellen om de douaneschuld of andere belastingen te dekken die kunnen ontstaan voor de goederen geplaatst onder de regeling. Deze douaneschuld kan ontstaan doordat de goederen onttrokken werden aan het douanetoezicht of ten gevolge van het niet naleven van de maatregelen die voortvloeien uit de regeling.

Verschillende vormen van zekerheidstelling kunnen aanvaard worden door de douaneautoriteiten; bovendien kan de aanvrager van de vergunning kiezen tussen een doorlopende zekerheid of een individuele borgstelling, zelfs indien de vergunning meerdere plaatsingsverrichtingen van goederen onder de regeling dekt.

Het referentienummer van de zekerheid moet ten laatste op het ogenblik van de indiening van douaneaangifte voor plaatsing onder de regeling bezorgd worden, anders zal de aangifte niet aanvaard worden.

Wanneer het stellen van een zekerheid vereist is conform de bepalingen van de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven, kan de vrijgave pas verleend worden nadat de zekerheid gesteld werd. De vrijgave is bijgevolg het laatste ogenblik waarop de zekerheid gesteld kan worden (artikel 195, §1, 3de alinea DWU).

18. Wanneer voor slechts één plaatsingsverrichting (één douaneaangifte) beroep gedaan wordt op de regeling bijzondere bestemming kan een individuele borg gesteld worden. Deze zekerheid moet voor 100 % gesteld worden: een vermindering of een vrijstelling kan niet gevraagd wordt zelfs indien de aanvrager de status geautoriseerde marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen heeft.

Een doorlopende zekerheid kan gebruikt worden in het geval van een eenmalige transactie, voor zover bij de bepaling en de opvolging van het referentiebedrag, de douane rekening houdt met het bedrag dat overeenstemt met de eenmalige transactie die door deze zekerheid gedekt wordt.

Het referentiebedrag van de zekerheid moet bepaald worden op die wijze dat het bedrag aan invoerrechten (en eventueel andere belastingen zoals BTW en accijnzen), dat mogelijk opeisbaar is voor de goederen die zich op een gegeven ogenblik onder de regeling bevinden, gedekt is.

II.3.4. Douanetoezicht

19. Een efficiënt douanetoezicht moet verzekerd kunnen worden. De controlediensten kunnen douanetoezicht uitoefenen zonder administratieve maatregelen te hoeven nemen die niet in verhouding staan tot de betrokken economische behoeften. Indien er bijzondere administratieve maatregelen genomen moeten worden, dienen deze afgewogen te worden ten aanzien van het belang van de economische behoefte van de activiteiten van de aanvrager. Zo kan er bijvoorbeeld extra personeel of materiaal noodzakelijk zijn om een efficiënt toezicht uit te oefenen. In elk geval dient men de economische behoefte niet te verwarren met het financieel voordeel waarvan de aanvrager zou genieten door het gebruik van de regeling.

Daarnaast kan de douane, met het oog op de onnodige administratieve stappen die ze zal moeten ondernemen, weigeren om een vergunning af te leveren indien een marktdeelnemer een vergunningsaanvraag indient zonder de reële economische noodzaak aan te tonen (contracten, structuur die de betrokken verwerking toelaat…), maar enkel om er eventueel van te kunnen genieten

II.3.5. Verbintenis

20. Er wordt vergunning verleend voor het gebruik van de regeling bijzondere bestemming op voorwaarde dat de vergunninghouder zich ertoe verbindt aan een van de twee volgende verplichtingen te voldoen:

a) de goederen te gebruiken voor de doeleinden die zijn vastgesteld voor de toepassing van de vrijstelling of het verlaagde recht;

b) de onder a) bedoelde verplichting over te dragen aan een andere persoon onder de door de douaneautoriteiten vastgestelde voorwaarden.

De houder van de vergunning zal bijgevolg verplicht zijn de goederen, geplaatst onder de regeling, te gebruiken voor de bestemming voorzien en beschreven in zijn vergunning. Indien hij de goederen niet gebruikt voor de voorgeschreven bestemming moet hij als houder van de regeling de rechten en plichten die verband houden met de goederen geplaatst onder de regeling overdragen aan een andere persoon (zie hoofdstuk XI Overdracht van rechten en plichten).

II.4. Aanvraag van de vergunning

TDA, art. 22 en bijlage 12

21. Tot de datum van de uitrol van “het DWU-systeem Douanebeschikkingen”, worden vergunningsaanvragen, wanneer deze niet gebaseerd zijn op een douaneaangifte, ingediend met behulp van het formulier in bijlage 12 van de TDA-verordening (bijlage 4).

De vergunning wordt afgeleverd met behulp van dit formulier in bijlage 12 van de TDA-verordening.

In België zijn deze formulieren al aangepast om alle aanvullende vereiste gegevens conform bijlage A van de DA-verordening te voorzien. Het aanvraagformulier kan gedownload worden van de internetwebsite van Douane en Accijnzen.

22. Het aanvraagformulier moet correct en volledig ingevuld zijn. Zo nodig dient het te verwijzen naar de bijgevoegde bijlagen. Een verklarende nota is toegevoegd aan het formulier en levert belangrijke informatie over het invullen van het formulier. Hetingevulde formulier met zijn bijlagen moet de douaneautoriteiten toelaten een besluit te nemen met betrekking tot de aanvraag.

Het aanvraagformulier moet gedateerd en gehandtekend worden door de aanvrager van de vergunning of door de persoon die bevoegd is de aanvrager in rechte te vertegenwoordigen.

Volgende bijlagen dienen toegevoegd te worden aan de aanvraag:

in voorkomend geval, bijlage I die de gegevens herneemt van de mogelijke verwerkers alsook de gegevens met betrekking tot de handelingen die ze zullen uitvoeren;

een kopie van de bijlage uit het Belgisch Staatsblad die aangeeft dat de ondertekende aangesteld is om de onderneming in rechte te vertegenwoordigen of de volmacht afgeleverd door een persoon die aangesteld is om de onderneming in rechte te vertegenwoordigen (bijlage II); en

de verbintenis voorzien in artikel 239 DA, gedateerd en gehandtekend (zie punt II.3.5. hierboven).

II.5. De bevoegde douaneautoriteit

DWU, art. 22 §1, 3dealinea

DA, art. 12 en 162 §1

23. De bevoegde douaneautoriteit waarbij de aanvraag van de vergunning ingediend moet worden is diegene die bevoegd is om zich uit te spreken over de aanvraag.

Deze bevoegde douaneautoriteit is diegene van de plaats:

waar de hoofdadministratie voor douanedoeleinden van de aanvrager zich bevindt of waar deze toegankelijk is, en

waar op zijn minst een deel van de activiteiten die onder de beschikking moeten vallen, zal worden uitgevoerd.

Wanneer het niet mogelijk is de bevoegde douaneautoriteit te bepalen op basis van deze twee cumulatieve voorwaarden, is de bevoegde douaneautoriteit de autoriteit van de plaats waar de administratie en de documenten van de aanvrager aan de hand waarvan de douaneautoriteit een beschikking kan afleveren (hoofdboekhouding voor douanedoeleinden), zich bevinden of waar deze toegankelijk zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de plaats waar de activiteiten van de aanvrager uitgevoerd worden verschilt van de plaats waar de boekhouding gehouden wordt.

24. Wanneer de aanvrager buiten het douanegebied van de Unie gevestigd is, is de bevoegde douaneautoriteit, de autoriteit van de plaats waar de goederen het eerst zullen worden gebruikt.

25. Overigens dient er een onderscheid gemaakt te worden indien het toepassingsgebied van de vergunning zich zal beperken tot België dan wel betrekking zal hebben op meerdere Lidstaten van de EU.

In het geval van een Belgische vergunning zullen de goederen in België onder de regeling geplaatst worden en krijgen ze hun voorgeschreven bestemming in België. De aanvraag moet ingediend worden bij het regionale team bevoegd voor de vergunningen van de Administratie Operaties van de AADA.

Indien de vergunning betrekking heeft op meerdere Lidstaten worden de invoerformaliteiten en de plaatsing van goederen onder de regeling en/of de handelingen die toelaten deze voor de voorgeschreven bestemming te gebruiken, uitgevoerd in één of meerdere Lidstaten, andere dan België. De aanvraag moet ingediend worden bij het team bevoegd voor de vergunningen van de centrale component van de Administratie Operaties van de AADA.

Voorbeeld 1: Een operator voert zijn boekhouding voor douanedoeleinden in Gent en oefent de verwerkingsactiviteiten van de goederen uit in zijn gebouwen in Gent. Hij wil goederen invoeren en plaatsen onder de regeling bijzondere bestemming via het hulpkantoor van Antwerpen. Hij moet zijn vergunningsaanvraag indienen bij het regionale team bevoegd voor de vergunningen in Gent.

Voorbeeld 2: Een operator voert zijn boekhouding voor douanedoeleinden in Gent. Hij wil goederen invoeren en plaatsen onder de regeling bijzondere bestemming via het hulpkantoor van Antwerpen. De goederen zullen hun bijzondere bestemming krijgen via één van zijn onderaannemers die gevestigd is in Luik en die zal handelen onder dekking van zijn vergunning. Hij moet zijn vergunningsaanvraag indienen bij het regionale team bevoegd voor de vergunningen in Gent.

Voorbeeld 3: Een operator voert zijn boekhouding voor douanedoeleinden in Antwerpen. Hij wil goederen invoeren en plaatsen onder de regeling bijzondere bestemming via het douanekantoor van Rotterdam. De goederen zullen vervolgens overgedragen worden naar één van de fabrieken van de operator in Nederland alsook naar enkele klanten die eveneens in Nederland gevestigd zijn om daar hun voorgeschreven bestemming te krijgen. Hij moet zijn vergunningsaanvraag indienen bij het team bevoegd voor de vergunningen van de centrale component van de Administratie Operaties van de AADA.

II.6. Vergunning op basis van een douaneaangifte

DA, art. 163, §1 b) en §2

IA, art. 262

26. In het geval van een éénmalige beweging (die leidt tot één enkele douaneaangifte en die bijgevolg geen deel uitmaakt van een reeks opeenvolgende invoeren), kan een vergunningsaanvraag ingediend worden door middel van de douaneaangifte voor plaatsing onder de regeling bijzondere bestemming

Deze procedure kan enkel in bepaalde omstandigheden gebruikt worden, bijvoorbeeld door toevallige operatoren die slechts een beperkt aantal invoerbewegingen per jaar uitvoeren en op voorwaarde dat:

de aanvrager voornemens is de goederen integraal de voorgeschreven bijzondere bestemming te geven - dit betekent dat een latere overdracht van rechten en plichten niet toegelaten is -; en

de aanvraag aangevuld is met de aanvullende gegevenselementen voorzien in bijlage A DA, namelijk de gegevens van het aanvraagformulier voor de vergunning beschreven in punt II.4.

De douaneaangifte voor plaatsing onder de regeling fungeert als vergunningsaanvraag en de vergunning wordt verleend door vrijgave van de goederen.

27. Deze procedure is evenwel niet van toepassing in volgende gevallen:

a) de vereenvoudigde aangifte;

b) de gecentraliseerde vrijmaking;

c) de inschrijving in de administratie van de aangever;

d) wanneer bij de vergunning meer dan één lidstaat is betrokken;

e) wanneer een aanvraag wordt gedaan voor het gebruik van equivalente goederen;

f) wanneer een vergunning met terugwerkende kracht overeenkomstig artikel 211, lid 2, van het wetboek wordt aangevraagd.

Net zoals voor een vergunningsaanvraag die ingediend wordt volgens het formulier beschreven in punt II.4. hierboven is de uitzondering op het principe dat de aanvrager gevestigd moet zijn in het douanegebied van de Unie eveneens van toepassing op de aanvragen die ingediend worden op basis van een douaneaangifte.

28.Deze procedure heeft niet als doel de normale afleveringsprocedure van een vergunning te vergemakkelijken, noch de laattijdige indiening van de vergunningsaanvragen van de operatoren te voorkomen. De gevallen die mogelijk opgelost kunnen worden op deze wijze zijn unieke situaties zoals bijvoorbeeld de invoer van fokdieren van zuiver ras of de invoer van burgerluchtvaartuigen die in de EU ingevoerd worden vóór hun inschrijving in een register van burgerluchtvaart.

Voorbeeld: een particulier voert een motoronderdeel van een vliegtuig in om zijn privévliegtuig te herstellen. De vergunningsaanvraag voor het gebruik van de vergunning bijzondere bestemming kan ingediend worden op basis van de douaneaangifte.

II.7. Termijn voor de beschikking op een aanvraag voor een vergunning

II.7.1. Aanvraag van een Belgische vergunning

DWU, art. 22 §3

DA, art. 171 §1

29. Wanneer een aanvraag voor een vergunning slechts betrekking heeft op België, wordt onverwijld op die aanvraag beschikt, en uiterlijk binnen 30 dagen na de datum van aanvaarding van de aanvraag.

De aanvaardingsdatum is het startpunt van de termijn van 30 dagen binnen dewelke de douane de inhoud van de aanvraag dient te onderzoeken en een beschikking moet nemen. De “Circulaire 2017/C/90 betreffende het nemen van een beschikking naar aanleiding van een aanvraag” zet in detail de aanvaardingsfase van de aanvraag uiteen.

Indien de douaneautoriteiten deze termijn van 30 dagen niet kunnen naleven, stellen zij de aanvrager daarvan in kennis vóór het verstrijken van die termijn, met opgave van de redenen en van de nieuwe termijn die zij nodig achten om een beschikking af te leveren. Tenzij anders bepaald, is die nieuwe termijn niet langer dan 30 dagen.

II.7.2. Vergunningsaanvraag met betrekking tot meerdere Lidstaten

IA, art. 14, 260 en 261

II.7.2.1. Termijn voor de beschikking

30. Wanneer een aanvraag voor een vergunning betrekking heeft op meerdere Lidstaten, wordt de vergunning afgeleverd uiterlijk binnen de 120 dagen na de datum van aanvaarding van de aanvraag.

Indien de douaneautoriteiten de termijn voor het verlenen van een beschikking niet kunnen naleven, stellen zij de aanvrager daarvan in kennis vóór het verstrijken van die termijn, met opgave van de redenen en van de nieuwe termijn die zij nodig achten om een beschikking af te geven. Tenzij anders bepaald, is die nieuwe termijn niet langer dan 30 dagen.

II.7.2.2. Raadplegingsprocedure tussen Lidstaten

31. Geen enkele vergunning waarbij meer dan één lidstaat is betrokken kan worden afgegeven zonder voorafgaande overeenstemming van de betrokken douaneautoriteiten. De ontwerpvergunning moet dus onderworpen worden aan de voorafgaande toestemming van de douaneautoriteiten van de betrokken Lidstaten voor de aflevering van deze vergunning.

De beschikkingsbevoegde douaneautoriteit zendt daarom de aanvraag en de ontwerpvergunning uiterlijk 30 dagen na de datum van aanvaarding van de aanvraag aan de douaneautoriteiten van de betrokken Lidstaten. De betrokken douaneautoriteiten delen hun eventuele bezwaren of hun instemming mee binnen 30 dagen na de datum waarop de ontwerpvergunning is meegedeeld. Eventuele bezwaren moeten naar behoren worden gemotiveerd.

De vastgestelde raadplegingstermijn van 30 dagen kan op vraag van de beschikkingsbevoegde douaneautoriteiten worden verlengd naar aanleiding van de te verrichten onderzoeken, of wanneer de aanvrager, ten gevolge van de onderzoeken, aanpassingen dient uit te voeren.

Wanneer er binnen deze termijn bezwaren worden geuit en er binnen 60 dagen na de datum waarop de ontwerpvergunning is meegedeeld geen overeenstemming is bereikt, wordt de vergunning niet verleend ten aanzien van die elementen waarop de bezwaren betrekking hadden.

Indien de andere betrokken douaneautoriteiten binnen 30 dagen na de datum waarop de ontwerpvergunning is meegedeeld, geen bezwaren hebben geuit, worden zij geacht hun instemming te hebben gegeven.

32. Deze raadpleging tussen Lidstaten is evenwel niet vereist indien:

de vergunning vernieuwd is;

de vergunning gering gewijzigd is;

de vergunning geannuleerd is;

de vergunning geschorst is;

de vergunning ingetrokken is;

de enige activiteit waarbij verschillende Lidstaten betrokken zijn, is het verkeer van de goederen.

Het is bijgevolg aangewezen om de betrokken autoriteiten van de andere Lidstaten in kennis te stellen indien één van deze situaties zicht voordoet en hen een kopie van de vergunning ter beschikking te stellen.

II.8. Inwerkingtreding van de vergunning

DWU, art. 22 §4 en 211 §2

DA, art. 14 en 172

II.8.1. Op datum van afgifte

33. Voor een vergunningsaanvraag op basis van de douaneaangifte voor het vrije verkeer (zie punt II.6), wordt de vergunning afgeleverd door middel van de vrijgave van de goederen die aangegeven zijn voor de voorgeschreven bestemming.

In de andere gevallen – Belgische vergunningen en vergunningen met betrekking tot meer dan één lidstaat – wordt de vergunning S2, in het algemeen,  van kracht op de datum dat de aanvrager deze ontvangt of wordt geacht deze te hebben ontvangen, of op de datum die vermeld staat in de vergunning.

Daarom is het raadzaam de vergunningsaanvraag tijdig in te dienen, met andere woorden door rekening te houden met de termijnen voor de beschikking vermeld in punt II.7 hierboven.

Aangezien de aangiftes voor het vrije verkeer onder de regeling bijzondere bestemming aanvaard worden door PLDA en dat het vergunningsnummer verplicht vermeld moet worden na de code “N990” in vak 44, kan een ‘tijdelijke’ vergunning niet afgeleverd worden op de dag van de aanvraag.

II.8.2. Terugwerkende kracht

34. Een vergunning heeft terugwerkende kracht indien de geldigheidsperiode begint vóór de datum waarop deze is verleend.

De douaneautoriteiten kunnen een vergunning met terugwerkende kracht verlenen indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) er is een bewezen economische behoefte;

b) de aanvraag houdt geen verband met een poging tot bedrog;

c) de aanvrager heeft op basis van de boekhouding of bescheiden aangetoond dat:

aan alle vereisten van de regeling is voldaan;

de goederen, waar nodig, voor de betrokken periode kunnen worden geïdentificeerd;

de regeling kan worden gecontroleerd aan de hand van de boekhouding of bescheiden;

d) alle formaliteiten om de situatie van de goederen te regulariseren kunnen worden vervuld, zo nodig inclusief de ongeldigmaking van de betrokken douaneaangifte;

e) aan de aanvrager is geen vergunning met terugwerkende kracht verleend in de afgelopen drie jaar voor de datum waarop de aanvraag is aanvaard;

f) indien een aanvraag betrekking heeft op een vernieuwing van een vergunning voor dezelfde soort activiteiten en goederen, wordt de aanvraag ingediend binnen drie jaar na het verstrijken van de oorspronkelijke vergunning.

Punt e) hierboven betekent dat een vergunning bijzondere bestemming niet opnieuw met terugwerkende kracht toegestaan mag worden indien er al een vergunning voor de regeling bijzondere bestemming met terugwerkende kracht werd uitgereikt in de voorbije drie jaar. Indien echter dezelfde persoon een vergunning passieve veredeling met terugwerkende kracht zou aanvragen, zou deze wel toegekend mogen worden.

Punt e) is enkel van toepassing op de vergunningen uitgereikt na 1 mei 2016 overeenkomstig de nieuwe bepalingen van het DWU. De periode van 3 jaar omvat niet de vergunningen met terugwerkende kracht uitgereikt vóór 1 mei 2016.

35. Conform artikel 172 DA zijn er verschillende gevallen van terugwerkende kracht mogelijk. De zes bovengenoemde voorwaarden dienen wel nog steeds in acht genomen en gerespecteerd worden:

Wanneer de douaneautoriteiten met terugwerkende kracht een vergunning verlenen, is de vergunning ten vroegste van kracht op de datum van aanvaarding van de aanvraag. De terugwerkende kracht moet verzocht worden in de aanvraag. De goederen die in het vrije verkeer gebracht worden tussen de datum van indiening van de aanvraag (datum van inwerkingtreding van de vergunning) en de datum van aflevering van de vergunning zullen aangegeven moeten worden onder een tariefpost of postonderverdeling die niet gedekt is door de regeling bijzondere bestemming. De douanerechten dienen bijgevolg volledig geïnd te worden.

De aanvrager moet kunnen aantonen dat zijn boekhouding toelaat om enerzijds de goederen te identificeren die in het vrije verkeer gebracht worden en anderzijds te bewijzen dat de regeling bijzondere bestemming correct gevolgd werd.

Bij de aflevering van de vergunning zullen deze aangiftes geannuleerd en vervangen worden door nieuwe aangiftes voor het vrije verkeer verbonden aan de bijzondere bestemming zodat de geïnde douanerechten terugbetaald kunnen worden.

S2 In buitengewone omstandigheden kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat de vergunning ten vroegste één jaar, en in het geval van goederen die onder bijlage 71-02 vallen (voornamelijk gevoelige landbouwgoederen) ten vroegste drie maanden, vóór de aanvaardingsdatum van de aanvraag ingaat.

Om te bepalen of de door de operator aangevraagde retroactiviteit op basis van buitengewone omstandigheden aanvaardbaar is, moet worden nagegaan of situaties die buitengewoon, onvermijdelijk en/of onverwacht zijn ertoe hebben geleid dat de vergunning niet eerder kon worden aangevraagd.

Het verzoek om terugwerkende kracht vanwege buitengewone omstandigheden moet voldoende gemotiveerd zijn door de aanvrager en moet geval per geval worden beoordeeld door de dienst die de audit uitvoert en die de terugwerkende kracht zal toekennen of weigeren.

Voorbeelden:

  • Een ongemotiveerd verzoek, een intern communicatieprobleem binnen het bedrijf of de onachtzaamheid van een operator om een vergunning tijdig aan te vragen, kan niet worden beschouwd als buitengewone omstandigheden.
  • Een wijziging in de Europese regelgeving die toelaat dat met terugwerkende kracht gebruik gemaakt kan worden van de regeling voor nieuwe categorieën van producten, kan aanvaard worden als een buitengewone omstandigheid.
  • Het feit dat de geldigheid van een beschikking betreffende een bindende tariefinlichting als gevolg van een wijziging van de gecombineerde nomenclatuur voortijdig is verstreken, het feit dat de douaneautoriteiten niet hebben gereageerd op invoer met een onjuiste code of het feit dat de goederen zijn gebruikt voor een van het antidumpingrecht vrijgesteld doel, kunnen niet worden omschreven als “uitzonderlijke omstandigheden” (Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 juli 2020 in zaak C-391/19).
  • Een bedrijf met een vergunning bijzondere bestemming gaat failliet. De vergunning wordt ingetrokken. Enkele maanden later wordt een nieuw bedrijf opgestart, maar de vergunning bijzondere bestemming wordt niet onmiddellijk aangevraagd. Het faillissement kan niet worden ingeroepen als een uitzonderlijke omstandigheid op grond waarvan de vergunning met terugwerkende kracht kan worden aangevraagd tot één jaar voor de datum van aanvaarding van de vergunningaanvraag.

Ook in dit geval dient de aanvrager te kunnen bewijzen dat regeling bijzondere bestemming correct gevolgd werd en dat zijn boekhouding het toelaat de betrokken goederen te identificeren. S2

Als een vergunning die betrekking heeft op dezelfde soort activiteiten en goederen vernieuwd wordt, kan deze met terugwerkende kracht worden verleend vanaf de datum waarop de oorspronkelijke vergunning is verstreken. In dit geval is de terugwerkende kracht beperkt tot drie jaar aangezien de hernieuwingsaanvraag binnen de drie jaar na de afloop van de initiële vergunning voorgelegd moet worden.

36. Om de vergunningsaanvraag met terugwerkende kracht te kunnen beoordelen, is het niet noodzakelijk dat de goederen waarop de aanvraag betrekking heeft nog beschikbaar zijn op het moment dat de vergunningsaanvraag is aanvaard. De aanvrager dient evenwel de gegeven bestemming aan de goederen te kunnen aantonen aan de hand van zijn administratie.

Om te vermijden dat er bepaalde economische activiteiten niet uitgevoerd kunnen worden omdat de vergunning niet meer geldig is, is het aangewezen in de vergunning te vermelden dat de houder de hernieuwing minstens drie maand voor de einddatum van de vergunning dient aan te vragen.

Tot slot kan de onachtzaamheid van de aanvrager of diens vertegenwoordiger geen aanleiding geven tot een vergunningsaanvraag met terugwerkende kracht in het geval dat één van dezen het nagelaten heeft de regels van de procedure voor uitreiking van een vergunning te volgen terwijl deze persoon ervan op de hoogte was of zich al in gelijkaardige situatie heeft bevonden en zich dus bewust moest zijn van de reglementaire bepalingen die gelden voor het verkrijgen van deze vergunning.

Om te bepalen of het gaat om een onachtzaamheid dient er rekening gehouden te worden met onder meer de complexiteit van de bepalingen, de professionele ervaring en de zorgvuldigheid van de operator.

II.9. Geldigheidsduur

DA, art. 173

37.De geldigheidsduur van de vergunningen bijzondere bestemming mag niet meer bedragen dan vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de vergunning van kracht wordt. Voor de goederen vermeld in bijlage 71-02 IA (voornamelijk gevoelige landbouwgoederen) mag de geldigheidsduur niet meer bedragen dan drie jaar.

De geldigheidsduur moet bepaald worden in functie van de voorziene economische activiteit (contracten, verwachtingen van de onderneming, enz.). Ze mag in geen geval de vermelde maximumtermijn overschrijden.

De maximumtermijn mag niet systematisch toegekend worden indien deze termijn in het licht van de economische activiteit van de aanvrager niet noodzakelijk is. Wanneer de economische activiteit verdergezet wordt na verloop van de voorziene termijnen is het mogelijk een eenvoudige verlenging van de geldigheidsduur te vragen. Deze mag evenwel de maximumtermijn van vijf jaar niet overschrijden (zie punt II.10 hierna).

Wanneer de maximale geldigheidsduur van de aangifte verstreken is, dient de houder een nieuwe vergunning aan te vragen.

Deze geldigheidstermijnen van drie of vijf jaar zijn echter niet van toepassing op de vergunningen die verleend worden op basis van de vrijgave van de goederen geplaatst onder de regeling. Voor deze vergunningen, die gebaseerd zijn op éénmalige transacties (één enkele douaneaangifte), is de geldigheidsduur beperkt tot een theoretische seconde. Deze vergunningen kunnen enkel gebruikt worden voor die ene douaneaangifte in kwestie.

II.10. Aanvraag tot hernieuwing of wijziging van de vergunning

DWU, art. 28 §1

DA, art. 164

38. De vernieuwing of wijziging van een bestaande vergunning is toegestaan mits schriftelijke verzoek van de betrokkene en dit zonder dat de volledige aanvraagprocedure gevolgd moet worden.

De hernieuwing van een vergunning houdt in dat enkel de geldigheidsduur verschillend is van de voorgaande vergunning; alle informatie, voorwaarden en verwijzingen naar de douanebepalingen blijven dezelfde.

De houder dient steeds de douaneautoriteiten in kennis te stellen van elke wijziging die optreedt in zijn economische activiteiten nadat de vergunning werd afgeleverd en die gevolgen zou kunnen hebben op het functioneren van de regeling en op het douanetoezicht op de goederen geplaatst onder de regeling.

Het kan gaan om de adreswijziging van één van zijn onderaannemers (verwerkers), het toevoegen van een type goederen onder de regeling, een toename of vermindering van de hoeveelheid goederen die geplaatst zullen worden onder de regeling, elke wijziging inzake het voeren van de administratie…

II.11. Ongunstige beschikking

DWU, art. 22 §6

39. Voordat een voor de aanvrager ongunstige beschikking wordt verleend, delen de douaneautoriteiten hem mee op welke gronden zij voornemens zijn hun beschikking te baseren. Dit kan bijvoorbeeld zijn wanneer de aanvrager het goede verloop van de handelingen niet kan verzekeren of wanneer het opzetten van de maatregelen voor het douanetoezicht niet in verhouding zijn met de economische behoefte van de aanvrager. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken binnen de dertig kalenderdagen.

De circulaire “Voorafgaande kennisgeving van een ongunstige beschikking – recht om te worden gehoord/Recht van administratief beroep – Dwangbevel” D.C. 248.132 (D.I. 800.50) legt in detail het recht om te worden gehoord uit alsook de regels die gevolgd moeten worden in het kader van ongunstige beschikkingen.

Het recht om gehoord te worden is eveneens van toepassing in alle gevallen waar de douane voornemens is een ongunstige beschikking te nemen die aanleiding geeft tot nietigverklaring, intrekking of schorsing van de vergunningen met betrekking tot de regeling bijzondere bestemming.

II.12. Nietigverklaring van de vergunning

DWU, art. 27

40. Een uitgereikte vergunning bijzondere bestemming kan nietig verklaard worden indien aan al de volgende drie voorwaarden is voldaan:

de beschikking is gegeven op grond van onjuiste of onvolledige gegevens;

de houder van de beschikking wist of had redelijkerwijze moeten weten dat de gegevens onjuist of onvolledig waren;

indien de gegevens juist en volledig waren geweest, zou de beschikking anders hebben geluid.

De nietigverklaring wordt van kracht op de datum waarop de oorspronkelijke beschikking van kracht werd, tenzij in de beschikking tot nietigverklaring anders is bepaald.

Dit heeft als gevolg dat alle verrichtingen die aangegeven zijn onder de regeling bijzondere bestemming geannuleerd moeten worden vanaf de datum van inwerkingtreding van de nietig verklaarde vergunning (of een andere datum). Er ontstaat bij deze bijgevolg een douaneschuld.

II.13. Intrekking van de vergunning

DWU, art. 28

41. De vergunning wordt ingetrokken of zo nodig gewijzigd wanneer de houder zijn verplichtingen niet meer naleeft, niet meer aan de voorwaarden voldoet of niet meer de nodige garanties biedt die nodig geacht worden.

De vergunning moet met name ingetrokken worden:

in geval van afsluiting van het faillissement, in geval van verschoonbaarheid of beëindiging van de activiteiten;

wanneer de houder, een curator, een bewindvoerder… hiervoor een formeel verzoek indient;

wanneer de geldigheidsduur verstreken is; of

wanneer ze voor minstens een jaar niet meer gebruikt is.

De beschikking tot intrekking wordt van kracht op de datum waarop de houder van de vergunning deze ontvangt of wordt geacht deze te hebben ontvangen.

Dit betekent dat de goederen die zich nog onder de regeling bijzondere bestemming bevinden op de datum dat de intrekking in werking treedt, de voorgeschreven bijzondere bestemming nog kunnen ontvangen binnen de aanzuiveringstermijn, behalve indien de voorwaarden van de vergunning niet meer voldaan zijn door de houder.

In uitzonderlijke gevallen en voor zover de rechtmatige belangen van de houder van de beschikking dit vereisen, kunnen de douaneautoriteiten evenwel de datum waarop de intrekking van kracht wordt, later, doch binnen een jaar, doen ingaan. Die datum wordt vermeld in de beschikking tot intrekking. Dit geldt eveneens voor de wijziging van de vergunning.

Deze extra termijn (respijtperiode) mag de uiterste datum van de geldigheidsduur van de in te trekken vergunning niet overschrijden, noch meer dan een jaar in beslag nemen te tellen van de dag volgend op de datum waarop de beschikking tot intrekking ontvangen is door de houder van de vergunning.

II.14. Schorsing van de vergunning

DWU, art. 23 §4

DA, art. 16 t/m 18

42. De bevoegde douaneautoriteit kan overgaan tot schorsing van de beschikking in plaats van nietigverklaring, intrekking of wijziging. De gevolgen van de vergunning zijn bijgevolg geschorst – de vergunning kan niet meer gebruikt worden – totdat de douane een gunstige of ongunstige beslissing heeft genomen.

De schorsing kan plaatsvinden wanneer:

de douaneautoriteit die de vergunning heeft afgeleverd, van oordeel is dat er voldoende redenen zijn om de beschikking nietig te verklaren, in te trekken of te wijzigen, maar zij nog niet over alle nodige elementen voor die nietigverklaring, intrekking of wijziging beschikt. In dit geval komt de door de bevoegde douaneautoriteit bepaalde duur van de schorsing overeen met de termijn die die douaneautoriteit nodig heeft om vast te stellen of aan de voorwaarden voor nietigverklaring, intrekking of wijziging is voldaan. Die termijn mag niet meer dan 30 dagen bedragen.
Indien de houder van de vergunning, de persoon die aan het hoofd staat van het bedrijf dat houder is van de desbetreffende vergunning of de persoon verantwoordelijk voor de douanezaken in het bedrijf dat houder is van de vergunning, echter verdacht wordt van ernstige of herhaaldelijke overtredingen op de fiscale of douanewetgeving of misdrijven die verbonden zijn aan diens economische activiteit, wordt de vergunning geschorst de tijd die nodig is om de feiten te onderzoeken.

de betrokken douaneautoriteit van oordeel is dat de voorwaarden voor de vergunning niet zijn vervuld of dat de houder van de beschikking de verplichtingen uit hoofde van die beschikking niet nakomt, en het passend is dat de houder van de beschikking de tijd krijgt om maatregelen te treffen ter waarborging van de naleving van de voorwaarden of van de verplichtingen;

de houder van de vergunning om de schorsing verzoekt omdat hij tijdelijk niet in staat is aan de voorwaarden voor de beschikking te voldoen of de verplichtingen uit hoofde van die beschikking na te komen.

In de twee laatste gevallen stelt de houder de douane in kennis van de tijd die nodig is om aan de verplichtingen van de regeling te voldoen en van de maatregelen die hij zal nemen om te waarborgen dat de voorwaarden of de verplichtingen zullen worden nageleefd. De duur van de schorsing kan in voorkomend geval verder worden verlengd op verzoek van de houder van de beschikking. De duur van de schorsing kan door de douane verder worden verlengd met niet meer dan 30 dagen om na te gaan of deze maatregelen de naleving van de voorwaarden of van de verplichtingen waarborgen.

Wanneer de douane, na haar onderzoek, voornemens is die beschikking nietig te verklaren, in te trekken of te wijzigen wordt de duur van de schorsing verlengd totdat de beschikking tot nietigverklaring, intrekking of wijziging van kracht wordt.

43. Een schorsing van een vergunning eindigt bij het verstrijken van de duur van de schorsing, tenzij vóór het verstrijken van die duur zich een van de volgende situaties voordoet:

a) de schorsing wordt herroepen omdat er geen redenen zijn om de beschikking nietig te verklaren, in te trekken of te wijzigen; in dat geval eindigt de schorsing op de datum van herroeping;

b) de schorsing wordt herroepen omdat de houder van de beschikking, ten genoegen van de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit, de nodige maatregelen heeft genomen om de naleving van de voorwaarden voor de beschikking of van de verplichtingen uit hoofde van die beschikking te waarborgen: de schorsing eindigt op de datum van herroeping;

c) de geschorste beschikking wordt nietig verklaard, ingetrokken of gewijzigd. De schorsing eindigt op de datum van nietigverklaring, intrekking of wijziging.

II.15. Verstrijken van de geldigheid van een vergunning

44. Het verstrijken van de geldigheid van een vergunning heeft geen gevolgen op de goederen die zich onder de regeling op basis van deze vergunning bevonden voordat ze vervallen is.

Deze goederen zullen de voorgeschreven bijzondere bestemming moeten volgen binnen de aanzuiveringstermijn voorzien in de vergunning. In voorkomend geval zijn de douanerechten verschuldigd.

Wanneer de geldigheidsduur van de vergunning verstreken is, moet de houder een nieuwe vergunning aanvragen.

II.16. Overgangsmaatregelen voor de vergunningen afgeleverd voor 1 mei 2016

DA, art. 251

45. De vergunningen verleend op basis van het Communautair douanewetboek en van het Communautair toepassingswetboek vóór 1 mei 2016, blijven geldig en hun gebruik is zonder wijziging toegestaan. Vanaf 1 mei 2016 zijn het echter de bepalingen van het DWU en zijn bijhorende akten die gevolgd moeten worden om de activiteiten en formaliteiten te vervullen die toegestaan zijn in het kader van deze vergunningen.

Het gebruik van de vergunningen geldig op 1 mei 2016 is toegestaan zelfs indien er geen zekerheid gesteld is; er is geen verplichting tot stellen van een zekerheid.

Deze vergunningen blijven geldig tot het verstrijken van hun geldigheidsduur of tot 1 mei 2019, indien deze datum eerder valt. Alle vergunningen die gebruik maken van de regeling bijzondere bestemming zullen bijgevolg ten laatst op 1 mei 2019 herbeoordeeld moeten worden.

Elke aanvraag tot hernieuwing van deze ‘oude’ vergunningen moet verworpen worden. Aangezien het DWU en zijn bijhorende akten erg verschillend zijn van de bepalingen van het oude Communautair douanewetboek en het Communautair toepassingswetboek, kan een ‘oude vergunning’ niet hernieuwd worden. De betrokken persoon – de houder van de vervallen oude vergunning – moet bijgevolg een nieuwe vergunningsaanvraag indienen, tenzij de douane sowieso al overgegaan is tot haar herziening.

III. Opbrengst

DWU, art. 5 (38), 254 §5

46. De opbrengst is de hoeveelheid of het percentage veredelingsproducten verkregen bij de veredeling van een bepaalde hoeveelheid onder een veredelingsregeling geplaatste goederen.

Voor vele producten geplaatst onder de regeling wordt de bijzondere bestemming gebruikt om defecte onderdelen te vervangen of voor een zeer specifiek gebruik, zonder veredeling, maar wel voor montage of als toepassing in de bouw van bijvoorbeeld luchtvaarttuigen of fietsen. In dat geval kan men stellen dat de opbrengst 100 % is.

Wanneer een “vergunninghouder bijzondere bestemming” zijn goederen enkel onder de douaneregeling plaatst en zijn rechten en plichten met betrekking tot de goederen overdraagt zonder hun de bijzondere bestemming te geven, dient het opbrengstpercentage niet bepaald te worden.

Voor andere goederen vereist de vergunning bijzondere bestemming dat er een opbrengstpercentage vastgesteld wordt met het oog op de veredeling van de goederen geplaatst onder de regeling.

Tenzij in specifieke Uniewetgeving een opbrengst is bepaald, stellen de douaneautoriteiten hetzij de opbrengst of de gemiddelde opbrengst van de veredeling vast, hetzij, in voorkomend geval, de wijze waarop deze opbrengst wordt bepaald. Deze opbrengst moet verplicht in de vergunning of in een van diens bijlagen opgenomen zijn. Ze moet nauwkeurig vastgesteld zijn door zich te baseren op de veredelingsprocessen die in detail uitgelegd zijn in de vergunningsaanvraag. Tevens is ze opgesteld in functie van de werkelijke omstandigheden waarin dit veredelingsproces plaatsvindt of zal plaatsvinden. Indien nodig kan het advies van het labo gevraagd worden.

Deze opbrengst dient niet noodzakelijk in percentages uitgedrukt te worden; ze mag bijvoorbeeld uitgedrukt worden in aantal potten, dozen geproduceerd per kilo vis of kreeftenvlees geplaatst onder de regeling en verwerkt.

Indien de douane tijdens het gebruik van de regeling vaststelt dat de vastgestelde opbrengst in de vergunning niet overeenstemt met werkelijk uitgevoerde handelingen of met de aanvraag van de houder van de vergunning, kan de vergunning aangepast worden om rekening te houden met de werkelijk vastgestelde opbrengst (zie punt II.10 over de wijziging van de vergunning). In dit geval kan de douane eveneens het advies vragen van het labo om het werkelijke opbrengstpercentage te bevestigen.

IV. Administratie

DWU, art. 214

DA, art. 178

47. De administratie bestaat uit alle noodzakelijke gegevens en technische bijzonderheden, op welke drager dan ook, aan de hand waarvan de douaneautoriteiten toezicht en controle op de uitgevoerde handelingen kunnen uitvoeren in het kader van de vergunning, meer bepaald wat betreft de identificatie van de goederen geplaatst onder deze regeling, hun douanestatus en hun bewegingen.

De houder van de vergunning bijzondere bestemming dient een administratie te voeren volgens de door de douaneautoriteiten goedgekeurde vorm. Dit betekent dat de goedkeuring van de administratie door de douane een bijkomende voorwaarde vormt voor de aflevering van de vergunning. Elke verandering in dit type administratie, na het afleveren van de vergunning, moet aan de douaneautoriteiten gecommuniceerd worden.

De administratie moet ook gevoerd worden door de houder van de regeling, dus niet alleen door de persoon die de douaneaangifte indient of in wiens naam de aangifte wordt ingediend (=houder van de vergunning bijzondere bestemming), maar ook de persoon, al dan niet houder van een vergunning TORO (zie hoofdstuk XI over de overdracht van rechten en plichten) aan wie de rechten en plichten met betrekking tot de regeling bijzondere bestemming zijn overgedragen.

Een geautoriseerd marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen (AEOC) wordt geacht aan deze verplichtingen inzake administratie te voldoen voor zover zijn administratie, die goedgekeurd werd in het kader van vereenvoudigingen, voldoet aan de vereisten van de regeling bijzondere bestemming.

Deze administratie geeft een adequaat beeld over:

de binnenkomst van de goederen onder de regeling bijzondere bestemmingen,

het gebruik/de veredeling van de betrokken goederen,

alle mogelijke bewegingen van de goederen (overdracht onder de regeling, verkoop, uitvoer, vernietiging…)

en wordt aanzien als betrouwbaar.

48. De administratie bevat volgende elementen:

de verwijzing naar de vergunning die vereist is om de goederen onder de bijzondere bestemming te plaatsen;

het MRN (Movement Reference Number) of een ander nummer of een andere code ter identificatie van de douaneaangifte waarmee de goederen onder de bijzondere regeling geplaatst zijn;

de gegevens aan de hand waarvan andere douanedocumenten dan douaneaangiften ondubbelzinnig kunnen worden geïdentificeerd, evenals alle andere documenten die van belang zijn voor het plaatsen van goederen onder de regeling bijzondere bestemming en alle andere documenten die van belang zijn voor de aanzuivering van de desbetreffende regeling;

de bijzonderheden over merktekens, nummers, aantal en soort van de colli, de hoeveelheid en de gebruikelijke handelsomschrijving of technische beschrijving van de goederen en, eventueel, de op de containers aangebrachte merktekens aan de hand waarvan de goederen kunnen worden geïdentificeerd;

de plaats van de goederen en informatie over iedere overbrenging (bijvoorbeeld goederen die zijn opgeslagen op een andere plaats dan de plaats van verwerking of goederen die zich bij de in de vergunning vermelde verwerker bevinden);

de douanestatus van de goederen;

de gegevens met betrekking tot de bijzondere bestemming: de Taric-code van de goederen, hun waarde, de datum van ontvangst van de goederen door de operator;

het opbrengstpercentage of eventueel de wijze om dit te berekenen;

de gegevens aan de hand waarvan het douanetoezicht en controles op het gebruik van equivalente goederen kunnen worden uitgeoefend indien deze uitdrukkelijk vermeld zijn in de vergunning (omschrijving van de goederen, hoeveelheid, leverancier, factuur, enz.);

wanneer een gescheiden boekhouding moet worden gevoerd, informatie over het soort goederen, de douanestatus en, in voorkomend geval, de oorsprong van de goederen;

de gegevens van een eventuele overdracht van rechten en plichten: Taric-code en hoeveelheid van overgedragen of ontvangen goederen, datum van de overdracht of ontvangst, naam, adres en in voorkomend geval het vergunningsnummer van de TORO-vergunning van de overdrager of overnemer;

wanneer de administratie geen deel uitmaakt van de hoofdboekhouding voor douanedoeleinden, een verwijzing naar die hoofdboekhouding voor douanedoeleinden;

aanvullende informatie voor bijzondere gevallen, op verzoek van de douaneautoriteiten om gerechtvaardigde redenen.

De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat sommige gegevens hierboven niet moeten worden verstrekt wanneer dit geen nadelige invloed heeft op het douanetoezicht en de controle op het gebruik van de regeling.

Elke tekortkoming bij het bijhouden van deze administratie kan aanleiding geven tot de herbeoordeling van de betrokken vergunning en eventueel tot diens intrekking en de inning van de rechten die op het spel staan.

V. Plaatsing onder de regeling

DWU, art. 170 §1 en 254

IA, art. 263

49. De plaatsing onder de regeling bijzondere bestemming gebeurt aan de hand van een douaneaangifte. Bij het plaatsen van de goederen onder de regeling bijzondere bestemming door middel van een douaneaangifte, wordt de vergunninghouder ook de houder van de regeling aangezien hij rechten en plichten heeft zoals bepaald in zijn vergunning. Derhalve zijn de vergunninghouder en de houder van de regeling dezelfde persoon.

Daarom heeft enkel de vergunninghouder bijzondere bestemming het recht om de goederen aan te geven voor de regeling. De vergunninghouder mag vertegenwoordigd worden, maar enkel via directe vertegenwoordiging.

50. De plaatsing onder de regeling staat gelijk aan het in het vrije verkeer brengen. De goederen krijgen de status Uniegoederen, maar blijven wel onder douanetoezicht zolang de bestemming die voorgeschreven is in de vergunning, niet bereikt is.

De aangifte tot plaatsing onder de regeling dient altijd ingediend te worden bij het douanekantoor (of -kantoren) van plaatsing welke vermeld staat in de vergunning.

In uitzonderlijke gevallen kan de bevoegde douaneautoriteit toestaan dat de douaneaangifte ingediend wordt bij een douanekantoor van plaatsing dat niet vermeld is in de vergunning. In dat geval stelt de bevoegde douaneautoriteit het controlekantoor van de douane hiervan onmiddellijk in kennis.

51. Totdat de nationale invoersystemen opgewaardeerd zijn S1 ten aanzien van de gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aangiften van de nieuwe bijlage B DA , dienen de douaneaangiftes met het oog op plaatsing van de goederen onder de regeling bijzondere bestemming, naast de gebruikelijke vermeldingen voor het in het vrije verkeer brengen, nog steeds ingevuld te worden op volgende wijze:

vak 36 (preferenties) (twee laatste cijfers van de driecijferige code):

15: in geval van tariefschorsing met bijzondere bestemming; of

23: in geval van tariefcontingent met bijzondere bestemming; of

40: in geval van bijzondere bestemming als gevolg van het gemeenschappelijk douanetarief.

vak 44: het referentienummer van de vergunning bijzondere bestemming moet vermeld worden na één van volgende codes:

“N990”: EUS – Vergunning voor het gebruik van de regeling bijzondere bestemming (Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446, bijlage A, kolom 8c);

“D019”: Vergunning voor het gebruik van een economische douaneregeling / voor het gebruik van een bijzondere bestemming in het kader van een antidumpingmaatregel of antisubsidiemaatregel (Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446, bijlage A, kolom 8c));

“C990”: Vergunning bijzondere bestemming voor schepen en boor- en werkeilanden (Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446, bijlage A, kolom 8c).

Wanneer de nationale invoersystemen geüpgraded zullen zijn, zal de regeling bijzondere bestemming aangeduid moeten worden door middel van de vermelding van de code “44” in vak 37 (1) (regeling) van het Enig Document.

Wanneer de vergunning gevraagd wordt op basis van de douaneaangifte, zal de code “00100” (Aanvullende informatie “vereenvoudigde vergunning”) vermeld moeten worden in gegevenselement 2/2 (aanvullende informatie).

VI. Douanetoezicht

DWU, art. 254 §§ 2 t/m 4

52. Aangezien de regeling bijzondere bestemming een regeling is bij dewelke de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, wordt onder douanetoezicht verstaan dat alle maatregelen genomen worden om te verzekeren dat de goederen de voorziene bijzondere bestemming krijgen volgens de voorwaarden voorgeschreven in de vergunning. Deze maatregelen strekken zich niet uit tot bewarende maatregelen zoals entrepot, verzegeling, enz.

Normaal gezien blijven de goederen onder douanetoezicht en zijn ze onderworpen aan invoerrechten tot hun eerste toewijzing aan de voorgeschreven bijzondere bestemming. De toewijzing aan de voorgeschreven bijzondere bestemming beëindigt de regeling bijzondere bestemming. Op dat ogenblik kan er geen douaneschuld meer ontstaan. De vergunninghouder kan dan de goederen naar believen gebruiken. Zo kan hij ze, bijvoorbeeld, verkopen of overdagen aan een andere marktdeelnemer of ze zelfs uitvoeren.

De vergunning zal op duidelijke en nauwkeurige wijze vermelden wanneer de goederen verondersteld zijn hun bijzondere bestemming te hebben gekregen.

Dit ogenblik laat toe om vast te stellen wanneer het douanetoezicht beëindigd wordt; in het geval dat de bijzondere bestemming is gevolgd bij het eerste gebruik, kan het toezicht stoppen bij de eerste ingebruikname.

53. Indien goederen geschikt zijn voor herhaald gebruik én de douaneautoriteiten douanetoezicht nodig achten ter voorkoming van misbruik, kan dit toezicht voor een termijn van niet langer dan twee jaar na de datum van eerste gebruik worden voortgezet. Dit wordt geval per geval bekeken. Gedurende deze periode van verlenging van het douanetoezicht kunnen er invoerrechten en een douaneschuld overeenkomstig artikel 77 van het DWU ontstaan, indien blijkt dat de goederen geplaatst onder de regeling, voor andere doeleinden worden gebruikt. De houder van de desbetreffende vergunning voor het gebruik van de regeling bijzondere bestemmingen kan schuldenaar worden.

Na de maximumtermijn van twee jaar na het eerste gebruik, stopt het douanetoezicht en kan er geen enkele douaneschuld meer ontstaan ten aanzien van de goederen, ongeacht het gebruik nadien.

In het belang van de rechtszekerheid dient in de betrokken vergunning duidelijk te worden vermeld wanneer het douanetoezicht eindigt. Dit is niet vereist als de goederen niet geschikt zijn voor herhaaldelijk gebruik en het einde van het douanetoezicht duidelijk uit de bekomen verwerking blijkt.

54. Voorbeelden van gevallen waarbij verondersteld kan worden dat de goederen voor de eerste keer toegewezen zijn aan de voorgeschreven bijzondere bestemming:

goederen bestemd voor bepaalde soorten luchtvaarttuigen, met het oog op hun constructie, hun onderhoud, hun veredeling of hun uitrusting: bij de overdracht van het luchtvaarttuig aan een derde partij of wanneer het opnieuw ter beschikking gesteld wordt aan de eigenaar na onderhoud, herstelling of veredeling,

vliegtuigen voor de burgerluchtvaart, zodra deze in de voor dat doel aangewezen openbare registers zijn geregistreerd,

onderdelen van voertuigen voor assemblage - wanneer het voertuig na de assemblage aan een andere persoon is overgedragen,

goederen die bestemd zijn voor de bouw, de herstelling, het onderhoud, het ombouwen of de uitrusting van bepaalde categorieën vaartuigen of voor boor- of productieplatforms - wanneer het vaartuig of platform aan een derde partij wordt overgedragen of na het onderhoud, de reparatie of de ombouw opnieuw ter beschikking wordt gesteld van zijn eigenaar.

55. In bepaalde specifieke gevallen wanneer de goederen zich in een productiefase bevinden waarin economisch gezien alleen de voorgeschreven bijzondere bestemming mogelijk is, gezien alleen de voorgeschreven bijzondere bestemming mogelijk is, kunnen de douaneautoriteiten in de vergunning de voorwaarden vaststellen waaronder de voorziene bestemming geacht wordt bereikt te zijn terwijl de volledige verwerking niet beëindigd is.

Buiten de gevallen waarbij het douanetoezicht eindigt wanneer de goederen gebruikt worden voor de voorziene doeleinden in de vergunning, eindigt het toezicht tevens in volgende gevallen waarbij de regeling wordt aangezuiverd op een andere wijze dan de toewijzing aan de voorziene bijzondere bestemming (zie ook punt VII):

de goederen verlaten het douanegebied van de Unie,

de goederen zijn vernietigd of afgestaan aan de staat,

de goederen zijn gebruikt voor andere doeleinden dan die welke zijn vastgesteld in de vergunning; in dit geval dienen de invoerrechten geïnd te worden.

VII. Aanzuivering van de regeling

VII.1. Aanzuiveringswijzen

DWU, art. 199 en 215

IA, art. 249 §1 en 267 §§ 3 en 5

56. In tegenstelling tot andere bijzondere regelingen, is het toewijzen van goederen, die geplaatst zijn onder de regeling bijzondere bestemming, aan een andere bijzondere regeling, geen aanzuivering van de regeling. S1 Zoals uiteengezet in punt 50 bevinden goederen die onder de regeling bijzondere bestemming zijn geplaatst zich immers al in het vrije verkeer, welke een douaneregeling is die niet aangezuiverd kan worden. Zij blijven echter onder douanetoezicht zolang de in de vergunning voorgeschreven bestemming niet is bereikt. De regeling bijzondere bestemming kan op verschillende manieren aangezuiverd worden:

  1. Over het algemeen zijn de goederen geplaatst onder de regeling bijzondere bestemming bestemd om hun voorziene bestemming te volgen. De regeling is bijgevolg aangezuiverd wanneer de goederen volledig toegewezen zijn aan deze bestemming. De toewijzing van de goederen aan de voorgeschreven bestemming moet plaatsvinden in het douanegebied van de Unie aangezien een toewijzing die uitgevoerd wordt buiten de EU een uitvoer van de goederen zou vereisen.
  2. De uitvoer (of fysieke uitgang) van goederen die niet toegewezen zijn aan de bijzondere bestemming zuivert de regeling. Deze uitvoer dient toegestaan te worden door de douane overeenkomstig artikel 124 §1, punt i) van het DWU. In dit geval vervalt de douaneschuld en dient er geen enkel invoerrecht meer geïnd te worden.

Deze aanzuiveringsmethode mag niet regelmatig gebruikt worden. Ze moet uitzonderlijk blijven. Vanuit economisch standpunt is het af te raden de goederen onder de regeling bijzondere bestemming te plaatsen wanneer overwogen wordt om de specifieke verwerking buiten de EU uit te voeren. De goederen kunnen bijvoorbeeld onder de regeling douane-entrepot geplaatst worden of in tijdelijke opslag blijven en vervolgens wederuitgevoerd worden om verwerkt te worden.

Artikel 179 §1 DA laat de overbrenging van de goederen naar het douanekantoor van uitgang toe zonder andere formaliteiten dan de inschrijving van dit transport in de administratie (zie hoofdstuk IV).

Een douaneaangifte voor uitvoer moet voorgelegd worden conform artikel 269 §3 van het DWU, en de goederen bevinden zich niet onder de regeling uitvoer; de goederen zijn wel onderworpen aan de bepalingen die van toepassing zouden zijn geweest als de goederen onder de regeling uitvoer waren geplaatst, maar blijven onder de regeling bijzondere bestemming totdat hun uitgang uit het douanegebied van de Unie bevestigd is.

  1. De afstand aan de Staat van goederen geplaatst onder de regeling zuivert eveneens de regeling. Conform artikel 199 DWU, kunnen de goederen afgestaan worden door de houder van de regeling of in voorkomend geval door de houder van de goederen, op voorwaarde dat een voorafgaande toestemming van de douane werd ontvangen.

De douaneautoriteiten kunnen een verzoek om goederen aan de staat af te staan weigeren wanneer:

de goederen niet verkocht kunnen worden in het douanegebied van de Unie of de kosten voor deze verkoop onevenredig zouden zijn ten opzichte van de waarde van de goederen;

de goederen vernietigd moeten worden.

Wanneer de goederen afgestaan worden aan de douane verliezen ze hun douanestatus van Uniegoederen.

  1. De vernietiging van goederen geplaatst onder de regeling, zuivert ook de regeling. Wanneer ze vernietigd worden tijdens de aanzuiveringstermijn, wordt het douanetoezicht beëindigd en ontstaat er geen douaneschuld.

Deze aanzuiveringsmethode moet gevraagd worden aan de douaneautoriteiten en dient het gevolg te zijn van een omstandigheid of een probleem die de operator verhindert de goederen toe te schrijven aan hun voorziene bestemming (zie voorbeeld in punt VIII. Resten en afval).

VII.2. Aanzuiveringstermijn

DA, art. 174

57. De aanzuivering van de regeling gebeurt binnen een bepaalde termijn die vastgelegd is in de vergunning. Het is de termijn die noodzakelijk is om alle handelingen uit te voeren of de goederen te gebruiken op de wijze die voorzien is in de vergunning. Deze wordt bepaald in samenspraak met de operator en is uitgedrukt in maanden. De termijn gaat van start op het ogenblik dat de goederen onder de regeling zijn geplaatst via de douaneaangifte.

Deze termijn dient niet verward te worden met de geldigheidsduur van de vergunning. Wanneer een vergunning vervallen is, kunnen de goederen die geplaatst werden onder de regeling gedurende de geldigheidsperiode van de vergunning, hun voorgeschreven bestemming nog volgen met inachtneming van de aanzuiveringstermijn.

Op verzoek van de houder van de regeling kan de aanzuiveringstermijn die is bepaald in vergunning, door de douaneautoriteiten worden verlengd, zelfs nadat de oorspronkelijk vastgestelde termijn is verstreken.

VII.3. Aanzuiveringsafrekening

DA, art. 175 en bijlage 71-06

IA, art. 265

VII.3.1. Indiening

58. De vergunninghouder moet een aanzuiveringsafrekening indienen wanneer de goederen die geplaatst zijn onder de regeling, hun voorgeschreven bestemming bereikt hebben. Deze aanzuiveringsafrekening moet voorgelegd worden aan het controlekantoor binnen de 30 dagen na het verstrijken van de aanzuiveringstermijn die betrekking heeft op de betrokken goederen.

Op verzoek van de vergunninghouder kunnen de douaneautoriteiten de genoemde termijn tot 60 dagen verlengen. In uitzonderlijke gevallen kunnen de douaneautoriteiten de termijn verlengen zelfs wanneer deze verstreken is.

Het controlekantoor kan evenwel ontheffing verlenen van de verplichting om de aanzuiveringsafrekening voor te leggen wanneer het dat overbodig acht.

In elk geval dienen de voorleggingstermijnen (30 of 60 dagen) of de ontheffing van voorlegging van de aanzuiveringsafrekening op gepaste wijze vermeld te worden in de vergunning.

Geen enkele aanzuiveringsafrekening is vereist voor de vergunningen die tot stand komen door middel van een douaneaangifte.

Het controlekantoor gaat zonder uitstel over tot de controle van de aanzuiveringsafrekening.

VII.3.2. Inhoud van de aanzuiveringsafrekening

59. De aanzuiveringsafrekening dient volgende gegevens te bevatten:

a) het referentienummer van de vergunning;

b) de hoeveelheid van elk soort goederen die onder de bijzondere regeling zijn geplaatst waarvoor aanzuivering wordt gevraagd;

c) de Taric-code van de goederen die onder de bijzondere regeling zijn geplaatst;

d) de invoerrechten (%) die van toepassing zijn op de goederen die onder de bijzondere regeling zijn geplaatst en, in voorkomend geval, de douanewaarde;

e) de verwijzingen naar de douaneaangiften waarmee de goederen onder de bijzondere regeling zijn geplaatst;

f) de soort en de hoeveelheid en de Taric-code van de veredelingsproducten of de onder de regeling geplaatste goederen, de bestemming die werd gegeven en de verwijzing naar elk mogelijk document betreffende de aanzuivering van de regeling (bijvoorbeeld de uitvoeraangifte, het formulier “Overdracht rechten en plichten – Bijzondere bestemming”, enz.);

g) het opbrengstpercentage;

h) de aanzuiveringstermijnen.

VII.3.3. Globalisatie van de aanzuiveringsafrekeningen

60. De bepalingen betreffende de globalisatie van aanzuiveringsafrekeningen vermeld in artikel 257 §2 2de alinea van het DWU die van toepassing zijn op de regeling actieve veredeling zijn van toepassing op de regeling bijzondere bestemming. Dit werd beslist door de Europese Commissie in hun document “SPECIAL PROCEDURES –Title VII UCC/Guidance for MSs andTrade” met betrekking tot de bijzondere regelingen.

Dit houdt in dat alle plaatsingen van goederen onder de regeling, voor dewelke de aanzuiveringsafrekening voorgelegd moet worden in de loop van een kalendermaand, kwartaal of halfjaar, gedekt kunnen worden door één enkele aanzuiveringsafrekening die voorgelegd moet worden aan het controlekantoor van de douane de laatste dag van de betrokken maand of van het betrokken kwartaal of halfjaar.

Bijvoorbeeld: goederen worden geplaatst onder de regeling bijzondere bestemming op 8 juli 2019, 12 juli 2019 en 22 juli 2019. De vergunning vermeldt een aanzuiveringstermijn van één maand en de aanzuiveringsafrekening kan geglobaliseerd worden. In dit geval S1 verstrijkt de aanzuiveringstermijn op respectievelijk 8 augustus 2019, 12 augustus 2019 en 22 augustus 2019. De globale aanzuiveringsafrekening dient voorgelegd te worden op de laatste dag van de maand september 2019 als het om een maandelijkse globalisatie gaat of op de laatste dag van de maand december 2019 als het om een driemaandelijkse globalisatie gaat.

Toch kan de douane, net zoals vermeld in punt VII.3.1., ontheffing verlenen van de verplichting om de aanzuiveringsafrekening voor te leggen wanneer het dat overbodig acht.

VII.3.4. Aanzuivering van de aangiftes

IA, art. 264 §§ 1 t/m 4

61. Wanneer goederen onder een bijzondere regeling zijn geplaatst door middel van twee of meer douaneaangiften maar op grond van dezelfde vergunning, S1 moet ervan worden uitgegaan dat de toekenning ervan aan de voorgeschreven bijzondere bestemming (of de uitvoer uit het douanegebied van de EU of de vernietiging van de goederen), de regeling zuivert voor de goederen in kwestie die met de oudste douaneaangifte onder de regeling zijn geplaatst.

De toepassing van dit systeem mag niet tot ongerechtvaardigde voordelen op het gebied van de rechten bij invoer leiden.

Dit systeem impliceert echter dat de goederen die onder de regeling geplaatst zijn dezelfde Taric-code, dezelfde handelskwaliteit, dezelfde technische kenmerken en dezelfde oorsprong/herkomst hebben.

In afwijking van dit systeem van aanzuivering op basis van de oudste aangiftes, kan de vergunninghouder of de houder van de regeling verzoeken dat de aanzuivering geschiedt ten aanzien van specifieke onder de regeling geplaatste goederen (specifieke douaneaangiften). Deze afwijking dient opgenomen te zijn in de vergunning bijzondere bestemming.

VIII. Resten en afval

DWU, art. 254 §§ 6 en 7

IA, art. 264 § 5

62. Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen twee soorten resten en afval in functie van hun herkomst:

Ze zijn ontstaan tijdens het be- of verwerkingsproces die de goederen de bijzondere bestemming geeft zoals voorzien in de vergunning. Het kunnen ook verliezen zijn als gevolg van natuurlijke oorzaken. Dit afval wordt geacht de bijzondere bestemming te hebben gevolgd.

Voorbeeld uit het document “SPECIAL PROCEDURES –Title VIIUCC/Guidance for MSs andTrade” met betrekking tot de bijzondere regelingen:

Een vergunninghouder bijzondere bestemming voert vis in aan een verminderd douanerecht of nulrecht om deze te kunnen verwerken in bereidingen. Tijdens het verwerkingsproces komen er graten, schubben en vinnen naar boven. Ze worden beschouwd als resten en afval toegewezen aan de voorgeschreven bestemming.

De economische operator kan er dus vrij over beschikken (verwerking in lijm, of in voedsel voor dieren bijvoorbeeld).

Ze zijn ontstaan uit de vernietiging van onder de regeling bijzondere bestemming geplaatste goederen. Zoals aangehaald in punt VII.1, 4), kan de operator, als gevolg van bijzondere omstandigheden, soms verplicht zijn de goederen te vernietigen die zich bevinden onder de regeling bijzondere bestemming aangezien het onmogelijk is ze toe te wijzen aan de voorgeschreven bestemming.

Indien er resten en afval ontstaan uit deze vernietiging, verliezen ze de status van Uniegoederen. Ze worden geacht onder de regeling douane-entrepot te zijn geplaatst zonder voorlegging van een nieuwe douaneaangifte. De houder van de regeling bijzondere bestemming dient vanaf dan een administratie bij te houden voor het douane-entrepot, maar dient niet over een vergunning voor de regeling douane-entrepot te beschikken.

Deze resten en afval kunnen wederuitgevoerd worden, geplaatst worden onder de regeling actieve veredeling of in het vrije verkeer gebracht worden met betaling van rechten bij invoer. De vernietiging vereist geen douanevergunning, maar moet wel goedgekeurd worden door de douane.

Voorbeeld uit het document “SPECIAL PROCEDURES –Title VIIUCC/Guidance for MSs andTrade” met betrekking tot de bijzondere regelingen:

Een economische operator voert aluminiumbladen in, in het kader van Verordening 3050/95 S1 houdende tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op een aantal producten welke bestemd zijn om te worden gebruikt voor de bouw, het onderhoud en de reparatie van luchtvaartuigen). Een vergunning bijzondere bestemming is noodzakelijk om deze goederen toe te wijzen aan de bouw, het onderhoud en de herstelling van luchtvaarttuigen. Wanneer de economische operator de goederen ontvangt, stelt hij vast dat aluminiumbladen gebreken vertonen. Hij mag ze niet overdragen aan zijn klant noch ze gebruiken of verkopen aan een andere houder bijzondere bestemming. Hij vernietigt ze en er ontstaat aluminiumvijlsel. Dit wordt aanzien als resten en afval die hun status van Uniegoederen verloren hebben en geacht worden onder de regeling douane-entrepot te zijn geplaatst. Ze worden niet toegewezen aan de voorgeschreven bijzondere bestemming en er kan een douaneschuld ontstaan.

Bij algehele vernietiging of onherroepelijk verlies van onder de bijzondere regeling geplaatste en andere goederen die zich op dezelfde plek bevinden, kunnen de douaneautoriteiten bewijsstukken van de houder van de regeling aanvaarden waaruit blijkt hoeveel onder de regeling geplaatste goederen zijn vernietigd of verloren gegaan.

Wanneer de houder van de regeling geen bewijs over kan leggen dat aanvaardbaar is voor de douaneautoriteiten, wordt de hoeveelheid goederen die is vernietigd of verloren is gegaan, vastgesteld door vergelijking met de hoeveelheid onder de regeling geplaatste goederen van dezelfde soort ten tijde van de vernietiging of het verlies.

IX. Equivalente goederen

DWU, art. 223

DA, art. 169 §§1 en 2 IA, art. 268

63. Met de komst van het DWU is de mogelijkheid voor het gebruik van equivalente goederen voortaan toegestaan voor de regeling bijzondere bestemming.

Het principe van equivalente goederen is Uniegoederen te gebruiken in plaats van de goederen die onder de regeling zijn geplaatst.

Het gebruik van equivalente goederen kan toegestaan worden door de douane indien:

de economische operator het vraagt; het niet-systematische gebruik van equivalente goederen mag geen reden zijn om de vergunningsaanvraag te weigeren;

de goede werking van de regeling met name wat het douanetoezicht betreft, is verzekerd; dit betekent dat de administratie toelaat dat het gebruik van equivalente goederen goed gevolgd kan worden en het douanetoezicht dat hier uit voortvloeit, geen aanleiding kan geven tot onevenredige administratieve bepalingen; en

de equivalente goederen onder dezelfde achtcijfercode van de gecombineerde nomenclatuur zijn ingedeeld en dezelfde handelskwaliteit en technische kenmerken hebben als de goederen die zij vervangen.

Het gebruik van equivalente goederen wordt niet toegestaan in de volgende gevallen:

wanneer de goederen geplaatst onder de bijzondere regeling onderworpen zouden zijn aan een voorlopig of definitief antidumpingrecht, een compenserend recht, een vrijwaringsmaatregel of een aanvullend recht dat voortvloeit uit een schorsing van concessies;

wanneer de goederen genetisch gewijzigd zijn of elementen bevatten die een genetische wijziging hebben ondergaan.

64. Geen enkele formaliteit is vereist voor de plaatsing van de equivalente goederen onder de regeling.

Equivalente goederen kunnen samen met andere Unie- of niet-Uniegoederen worden opgeslagen. In dergelijke gevallen kunnen de douaneautoriteiten specifieke methoden vaststellen om de equivalente goederen te identificeren om ze van andere Uniegoederen of niet-Uniegoederen te onderscheiden.

Wanneer de identificatie onmogelijk is of slechts tegen buitensporige kosten mogelijk zou zijn, wordt in de boekhouding onderscheid gemaakt naar het soort goederen, de douanestatus en de oorsprong van de goederen.

Het douanetoezicht voor de goederen die zich onder de regeling bijzondere bestemming bevinden, eindigt – en de regeling is bijgevolg aangezuiverd –wanneer ze vervangen zijn door equivalente goederen en deze laatste:

gebruikt zijn voor de doeleinden voorzien in de vergunning;

uitgevoerd, vernietigd of afgestaan zijn aan de Staat;

gebruikt zijn voor andere doeleinden dan diegene voorzien in de vergunning en de verschuldigde invoerrechten geïnd zijn.

Aangezien de equivalente goederen Uniegoederen zijn die niet onder de regeling bijzondere bestemming geplaatst geweest werden, is geen enkel recht of verplichting die voortvloeit uit de vergunning bijzondere bestemming van toepassing op deze goederen. Bijgevolg kan geen enkel recht of plicht overgedragen worden met betrekking tot deze goederen.

X. Gezamenlijke opslag van producten van de hoofdstukken 27 en 29

DA, art. 177 bis

65. De gezamenlijke opslag van mengsels van de producten onder douanetoezicht van de bijzondere bestemming vallende onder de hoofdstukken 27 en 29 van de gecombineerde nomenclatuur of de opslag van dergelijke producten met ruwe aardolie vallende onder GN-code 2709 00 zijn toegelaten indien ze dezelfde GN-code, dezelfde handelskwaliteit en technische en fysieke kenmerken hebben.

De vergunning bijzondere bestemming stelt de middelen en methoden vast voor de identificatie van en het douanetoezicht op de gezamenlijke opslag.

66. Wanneer de genoemde producten niet voldoen aan de voorwaarden vastgesteld in punt 65 hiervoor, is gezamenlijke opslag slechts toegestaan wanneer het volledige mengsel bestemd is om een van de bewerkingen bedoeld in aanvullende aantekening 5 bij hoofdstuk 27 van de gecombineerde nomenclatuur te ondergaan (zie bijlage 5).

XI. Overdracht van rechten en plichten (afgekort “TORO”: transfer of rights and obligations)

DWU, art. 218

IA, art. 266

XI.1. Algemeen

67. De rechten en plichten van de houder van de regeling bijzondere bestemming betreffende goederen die onder de regeling zijn geplaatst, kunnen volledig of gedeeltelijk worden overgedragen aan een andere persoon die voldoet aan de voorwaarden van de betrokken regeling.

De bevoegde douaneautoriteit beslist of een overdracht van deze rechten en plichten kan plaatsvinden. Indien een dergelijke overdracht kan plaatsvinden, stelt de bevoegde douaneautoriteit de voorwaarden vast waaronder de overdracht is toegestaan.

De overdracht van rechten en plichten doet geen beroep op een nieuwe douanevergunning voor de regeling bijzondere bestemming. Bovendien is er voor deze overdracht geen nieuwe douaneaangifte noodzakelijk voor dezelfde regeling.

XI.2. Inleidende begrippen

68. De rechten van de houder van de regeling die kunnen worden overgedragen zijn:

het recht op het gebruik van de goederen;

het recht op het verplaatsen van de goederen;

het recht om met toestemming van de douaneautoriteiten de goederen uit te voeren en om van het tenietgaan van de douaneschuld te genieten (art. 124 §1 DWU).

69. De plichten van de houder van de regeling die kunnen worden overgedragen zijn:

de verplichting de goederen hun voorziene bestemming te geven binnen de gestelde aanzuiveringsperiode;

de verplichting tot het houden van geschriften;

de verplichting om de goederen voor douanetoezicht beschikbaar te stellen;

de verplichting tot het betalen van de invoerrechten bij het ontstaan van de douaneschuld door niet-naleving (art. 79 DWU).

XI.3. Proces van overdracht van rechten en plichten: algemene informatie

XI.3.1. Voorstelling van het proces

70. Bij het afleveren van een vergunning bijzondere bestemming krijgt de vergunninghouder een aantal rechten, maar dit betekent eveneens dat bepaalde plichten moeten worden nageleefd.

Bij de regeling bijzondere bestemming blijft de houder van de vergunning nog steeds de houder van de regeling voor de goederen die hij onder die regeling heeft geplaatst, zolang hij zijn rechten en plichten niet aan een andere persoon heeft overdragen.

Het kan inderdaad gebeuren dat de houder van de vergunning de voorziene bestemming niet wenst te geven aan de goederen, hetzij omdat hij gewoon een invoerder of een commerciële tussenpersoon is, hetzij omdat hij niet over de mogelijkheid beschikt voor het uitvoeren van de vereiste bewerkingen of omwille van contractuele verplichtingen.

In dat geval mag de houder van de vergunning de rechten en plichten met betrekking tot de goederen aan een ander persoon overdragen. In tegenstelling tot hetgeen voorzien was bij het communautair douanewetboek, kan er sinds 1 mei 2016 maar één vergunninghouder bijzondere bestemming zijn bij gebruik van de TORO. De persoon/onderneming die de goederen onder de regeling bijzondere bestemming plaatst en daarna hetzij hen de voorgeschreven bestemming geeft hetzij zijn rechten en plichten overdraagt, moet verplicht vergunninghouder bijzondere bestemming zijn. De vergunninghouder (overdrager) kan zijn rechten en plichten overdragen aan een overnemer die bijgevolg houder van de regeling wordt. TORO eist dus niet dat de overnemer over een vergunning bijzondere bestemming beschikt.

71. Een van de nieuwigheden ingevoerd door het document “SPECIAL PROCEDURES –Title VII UCC/Guidance for MSs andTrade” met betrekking tot de bijzondere regelingen is dat de vergunninghouder bijzondere bestemming eveneens over een vergunning voor overdracht moet beschikken wanneer hij wenst gebruik te maken van TORO. Deze TORO-vergunning kan samen met de vergunning bijzondere bestemming worden verleend en de gunstige beslissing voor de TORO kan een integraal onderdeel zijn van de vergunning bijzondere bestemming (artikel 22 DWU en 266 IA DWU), ofwel afzonderlijk en/of later in een aparte vergunning afgegeven.

Er zijn voortaan twee procedures van TORO mogelijk; die worden beschreven onder de punten XI.4. en XI.5. hierna:

procedure 1: overdracht door een vergunninghouder BB - die ook een TORO-vergunning bezit - aan een overnemer zonder vergunning.

procedure 2: overdracht door een vergunninghouder BB - die ook een TORO-vergunning bezit - aan een overnemer met een TORO-vergunning

XI.3.2. Welke douaneautoriteit is bevoegd voor het verlenen van een vergunning TORO?

72. Een verzoek voor een TORO-vergunning moet worden ingediend bij dezelfde douaneautoriteiten die de vergunning voor de regeling bijzondere bestemming afleveren.

Indien een overnemer wenst gebruik maken van de procedure TORO, zijn de douanediensten die verantwoordelijk zijn over de plaats waar de hoofdboekhouding van de aanvrager wordt bijgehouden en waar minstens een gedeelte van de handelingen waarop de vergunning betrekking heeft, zal worden uitgevoerd, bevoegd om deze machtiging te verlenen.

XI.3.3. Hebben de douaneautoriteiten het recht om te bepalen of er een TORO kan worden toegepast of niet?

73. In principe kunnen de douaneautoriteiten niet systematisch een verzoek voor een TORO weigeren. Er moet niet enkel een economische motivatie bestaan, maar elk verzoek dient op zijn juiste waarde te worden beoordeeld.

XI.3.4. Werkt een TORO in omgekeerde richting?

74. Dit is het geval waarbij een verwerker de toelating vraagt en verkrijgt voor een overdracht aan een overnemer. Zodra de verwerking door de overnemer voltooid is, kunnen de goederen dus terug worden overgedragen aan de oorspronkelijke vergunninghouder van de regeling bijzondere bestemming, zodat die over de verwerkte goederen beschikt en in staat is om de uiteindelijke bestemming aan de goederen te geven.

XI.3.5. Is een TORO mogelijk na een andere TORO?

75. Een vergunninghouder die de goederen niet kan verwerken, kan die overdragen aan een derde partij onder TORO, en wanneer deze partij - om welke reden dan ook – die goederen niet kan verwerken, dan is een nieuwe TORO aan een andere overnemer mogelijk.

XI.3.6. Kunnen equivalente goederen gebruikt worden bij TORO?

76. Neen, enkel de goederen die onder de regeling bijzondere bestemming werden geplaatst, mogen worden overgedragen.

XI.3.7. Bestaat er een alternatief voor TORO?

77. Een alternatief voor de overdracht van rechten en plichten in het kader van de regeling bijzondere bestemming bij handelaren die goederen invoeren om ze verder te verkopen aan hun klanten, bestaat erin ofwel om de goederen in tijdelijke opslag te behouden, ofwel die eerst onder de regeling douane-entrepot en in een later stadium onder de regeling bijzondere bestemming te plaatsen.

XI.3.8. Welke rechten en plichten van de vergunninghouder bijzondere bestemming kunnen worden overgedragen onder TORO?

78. Er is sprake van gedeeltelijke of volledige TORO van de rechten en plichten genoemd in punten 68 en 69 wanneer die gedeeltelijk of volledig werden overgedragen aan de overnemer.

In de TORO-vergunning moet expliciet worden vermeld welke rechten en plichten worden overgebracht aan de overnemer.

Rechten en plichten hebben altijd betrekking op goederen die onder de bijzondere regeling zijn geplaatst. “Persoonsgebonden” rechten en plichten zoals AEO-status of “het bieden van de nodige waarborgen voor het goed gebruik van de regeling” kunnen niet worden overgedragen.

XI.3.9. Inlichtingen die moeten worden verstrekt bij elke overdracht

79. De vóór 1 mei 2016 afgegeven controle-exemplaren T5 die werden gebruikt voor de overdrachten van rechten en plichten onder de regeling bijzondere bestemming, mogen na die datum verder worden gebruikt.

Sinds 1 mei 2016 mogen geen controle-exemplaren T5 meer worden gebruikt om TORO-procedure te starten.

80. Voortaan dient de volgende informatie te worden verstrekt bij elke overdracht van rechten en plichten die betrekking heeft op de welbepaalde goederen (bij de al dan niet fysieke overdracht van de goederen):

a) De overdrager dient de overnemer in te lichten over de overgedragen goederen door het verstrekken van de volgende gegevens, onder andere op de handelsdocumenten of op het bijgevoegde formulier “Overdracht rechten en plichten – Bijzondere bestemming” (zie bijlage 6):

EORI-nummer of naam en adres van overnemer en overdrager;

nummer van de vergunning bijzondere bestemming met vermelding “TORO bijzondere bestemming”;

colli en omschrijving van de goederen;

merken en nummers van de colli/goederen;

Taric-code;

brutogewicht;

nettogewicht;

MRN-nummer van de aangifte voor plaatsing onder de regeling bijzondere bestemming;

aanvullende eenheden;

b) controledienst van de douane en indien nodig alle andere douanediensten bevoegd voor het toezicht.De overdrager deelt aan de overnemer de datum mee waarop de regeling moet aangezuiverd zijn;

c) De overdrager en overnemer vermelden de datum en het uur van overdracht in hun geschriften;

d) Indien het formulier uit bijlage 6 wordt gebruikt, is de lay-out niet bindend, maar dienen de nummers van de vakken en de relevante meldingen te worden gerespecteerd.

81. Dit formulier “Overdracht rechten en plichten – Bijzondere bestemming” kan enkel worden gebruikt als de bevoegde douaneautoriteiten toestemming hebben gegeven voor het gebruik van de TORO overeenkomstig artikel 266 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447.

Dit is het formulier dat gebruikt moet worden in geval van een volledige TORO.

Dit document moet elektronisch en in drievoud worden opgesteld.

De overnemer moet de eerste kopie sturen naar de overdrager en de tweede kopie naar de controledienst van de douane waaronder hij ressorteert na het invullen van vak 20. Hij bewaart de derde kopie voor een periode van minstens drie jaar vanaf de datum waarop de TORO plaatsgevonden heeft.

Indien de controledienst van de douane van oordeel is dat er geen kopie van het document noodzakelijk is voor het douanetoezicht, kunnen slechts twee kopieën worden gebruikt.

XI.3.10. Wie moet de aanzuiveringsafrekening indienen?

82. Na de TORO dient de houder van de regeling bijzondere bestemming de aanzuiveringsafrekening voor te leggen. Afhankelijk van het geval dient hij de informatie met betrekking tot de aanzuivering van de regeling (procedure 1), of tot de TORO (procedure 2) te verstrekken. Indien hij vrijgesteld is van de verplichting om de aanzuiveringsafrekening voor te leggen, dient deze informatie zich in zijn administratie te bevinden.

XI.3.11. Is een overlegprocedure nodig wanneer meer dan één lidstaat betrokken is bij het proces van de TORO?

83. Ja, de lidstaat waar de overnemer is gevestigd moet kunnen nagaan of de goederen enkel volgens de specifieke bestemming worden gebruikt en de rechten bij invoer innen bij niet-naleving van de betrokken verplichtingen van de regeling.

Met betrekking tot de werkwijze voor de raadpleging van de andere lidstaten, moet artikel 260 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 mutatis mutandis worden toegepast (punten 31 en 32).

Er dient te worden opgemerkt dat bij gebruik van procedure 2 de raadpleging vervangen mag worden door een kennisgeving.

XI.4. Procedure 1: overdracht door een vergunninghouder bijzondere bestemming - die eveneens een TORO-vergunning bezit - aan een overnemer zonder vergunning

84. Deze procedure kan worden gebruikt voor een volledige of gedeeltelijke overdracht van rechten en plichten.

XI.4.1. Vergunningen

85. De houder van de vergunning bijzondere bestemming (de overdrager) moet voorafgaand aan de eerste TORO beschikken over een vergunning TORO. In deze TORO-vergunning dienen de overnemer(s) te worden opgenomen aan wie de rechten en plichten zullen worden overgedragen, eveneens bij opeenvolgende overdrachten.

De overnemer heeft geen vergunning TORO, maar door de overdracht van rechten en plichten wordt hij de houder van de regeling en dient hij bijgevolg de plichten te respecteren die aan hem worden overgedragen.

Wanneer de overdrager een verzoek voor een TORO indient, moet de douane niet alleen nagaan of de voorwaarden van de TORO zullen kunnen worden nageleefd door de overdrager, maar is het ook hun verantwoordelijkheid om te bevestigen dat de overnemer in staat zal zijn om te voldoen aan de rechten en plichten die hem worden overgedragen, zelfs indien er hem geen enkele vergunning is afgeleverd. Daartoe dient een audit - die vergelijkbaar is met die welke is uitgevoerd voor de afgifte van een TORO-vergunning - uitgevoerd te worden bij de overnemer.

XI.4.2. Aanzuiveringsafrekening

86. Het is de vergunninghouder van de regeling bijzondere bestemming die in de aanzuiveringsafrekening de desbetreffende informatie over de aanzuivering van de regeling verstrekt aan de douane. In veel gevallen is het uitwisselen van vertrouwelijke informatie tussen de overnemer - soms een latere overnemer - en de vergunninghouder van de regeling bijzondere bestemming noodzakelijk.

De overnemer dient niet aan de douane maar wel aan de overdrager informatie te verstrekken over de aanzuivering. De periode waarin deze informatie moet worden verstrekt, is door de bevoegde douaneautoriteiten bepaald, rekening houdend dat de aanzuiveringsafrekening bij de controledienst van de douane moet worden ingediend binnen 30 dagen na het verstrijken van de aanzuiveringstermijn.

XI.4.3. Zekerheid

87. Zowel bij een gedeeltelijke of volledige overdracht, kan de overnemer een zekerheid stellen. Dit moet worden vastgesteld in onderling overleg tussen de overdrager en de overnemer en wordt goedgekeurd door de douaneautoriteiten (art. 266 IA).

Indien de overnemer een zekerheid stelt, kan die worden gebruikt in het geval wanneer een douaneschuld ontstaat.

Indien de overnemer geen zekerheid stelt, moet de door de vergunninghouder gestelde zekerheid worden behouden. In de TORO-vergunning moet worden aangegeven welke zekerheid in aanmerking wordt genomen.

Rekening houdend dat de aanzuiveringsafrekening door de vergunninghouder en niet door de overnemer moet worden ingediend is het raadzaam om de zekerheid van de vergunninghouder te behouden.

XI.4.4. Voorafgaande raadpleging van de lidstaten betrokken bij de TORO.

88. Wanneer één of meerdere lidstaten betrokken zijn bij de overdrachtsprocedure, dienen deze verplicht geraadpleegd te worden voordat de vergunning TORO wordt afgeleverd. Deze raadpleging laat de douaneautoriteiten van deze lidstaten toe na te gaan of de toekomstige overnemers beantwoorden aan de voorwaarden van de regeling, waarvan ze houders zullen worden.

XI.5. Procedure 2: overdracht door een vergunninghouder BB - die ook een TORO-vergunning bezit - aan een overnemer met een TORO-vergunning.

89. Deze procedure kan enkel worden gebruikt bij een volledige overdracht van rechten en plichten.

In bijlage 6 wordt een praktisch voorbeeld van deze procedure uitgewerkt.

XI.5.1. Vergunningen

90. De vergunninghouder van de regeling bijzondere bestemming (de overdrager) moet vóór de eerste TORO, in het bezit zijn van een vergunning TORO. Voordat hij zijn vergunningsaanvraag voor een TORO indient, is de overdrager verplicht om na te kijken of de potentiële overnemer reeds in het bezit is van een vergunning TORO of ten minste al een aanvraag lopende is. Bovendien moet de vergunning vermelden dat de goederen onder de regeling bijzondere bestemming slechts geleverd mogen worden aan de overnemer(s) die vermeld is/zijn in de vergunning.

Deze vergunning kan deel uitmaken van zijn vergunning bijzondere bestemming, wat betekent dat de positieve beslissing inzake de TORO kan worden opgenomen in de vergunning bijzondere bestemming. In België wordt geopteerd om de vergunning TORO niet op te nemen in de vergunning bijzondere bestemming. Een BB-vergunninghouder die de goederen wil overdragen met een TORO moet bijgevolg ook steeds over een aparte TORO-vergunning beschikken.

Op eenzelfde wijze dient de overnemer over een vergunning TORO te beschikken alvorens een overdracht van rechten en plichten plaats kan vinden.

XI.5.2. Aanzuiveringsafrekening

91. In zijn aanzuiveringsafrekening dient de vergunninghouder van de regeling bijzondere bestemming informatie te verstrekken over de volledige TORO, of wanneer de aanzuiveringsafrekening niet vereist is dit als dusdanig te vermelden in zijn geschriften. De informatie met betrekking tot de werkelijke aanzuivering van de regeling dient hij dus niet mede te delen aan de douane. Het uitwisselen van vertrouwelijke commerciële informatie tussen de overnemer (s) en de vergunninghouder van de regeling kan hiermee worden vermeden.

De overnemer dient informatie te verstrekken over de aanzuivering van de regeling of een latere TORO aan de controledienst van de douane waaronder hij ressorteert. Deze informatie moet verstrekt worden binnen 30 dagen na het verstrijken van de aanzuiveringstermijn.

XI.5.3. Zekerheid

92. Bij procedure 2 dient de overnemer een zekerheid te stellen; dit geldt ook in het geval van opeenvolgende TORO.

XI.5.4. Verantwoordelijkheden

93. De verantwoordelijkheid van de overdrager met betrekking tot de goederen die het voorwerp van de overdracht uitmaken, wordt beëindigd op het tijdstip van de overdracht, op basis van de betrokken voorwaarden. Dit betekent dat de overnemer de houder van de regeling wordt. Na de overdracht heeft de vergunninghouder bijzondere bestemming bijgevolg geen rechten of plichten meer met betrekking tot de goederen die onder de regeling bijzondere bestemming onder dekking van zijn vergunning werden geplaatst.

De plichten die worden overgedragen aan de overnemer bevatten die om de regeling aan te zuiveren binnen de gestelde termijn. Informatie over de aanzuivering of een andere TORO moet door de overnemer worden ingediend bij de controledienst van de douane waaronder hij ressorteert.

XI.5.5. Voorafgaande raadpleging van de lidstaten betrokken bij de TORO

94. Een voorafgaande raadpleging van de lidstaten waar de overnemers gevestigd zijn, moet niet plaatsvinden. In plaats van deze raadpleging, moet de lidstaat die de vergunning TORO van de overdrager aflevert, alle betrokken lidstaten in kennis stellen voordat de TORO plaats kan vinden. Dit gebeurt via een kennisgeving van de vergunning TORO die de namen en EORI-nummers van de overdrager en overnemers, alsook het nummer van de TORO-vergunning van de overdrager en de overnemer(s) bevat die betrokken zijn bij de TORO.

Bij opeenvolgende TORO wordt de overnemer op zijn beurt overdrager in de overdrachtsketen. Daarom moet hij als overdrager de afgifte vragen van een vergunning TORO. Het is de taak van de lidstaat die de vergunning TORO aan de nieuwe overdrager aflevert om de douaneautoriteiten van de lidstaten waar de volgende overnemers gevestigd zijn, in kennis te stellen van deze vergunning TORO.

XI.5.6. Opbrengstpercentage

95. Indien de vergunning bijzondere bestemming in een opbrengstpercentage voorziet, kan dit percentage worden bijgestuurd in de vergunning TORO om te beantwoorden aan de werkelijke voorwaarden waarin de verwerking of geplande verwerking plaatsvindt (artikel 255 §2 DWU).

XII. Verkeer van goederen tussen verschillende plaatsen in het douanegebied van de Unie

DWU, art. 219

DA, art. 179 §1

96. De goederen geplaatst onder de regeling bijzondere bestemming kunnen vervoerd worden tussen verschillende plaatsen binnen het douanegebied zonder formaliteiten buiten degene die voorzien zijn in artikel 178, paragraaf 1, punt e) DA.

XII.1. Omstandigheden van het verkeer van de goederen

97. Het verkeer van goederen dat hier bedoeld wordt, is de fysieke overbrenging van goederen, geplaatst onder de regeling bijzondere bestemming, tussen verschillende plaatsen in het douanegebied van de EU. Het verkeer van goederen kan gepaard gaan met een overdracht van rechten en plichten, maar wanneer er een TORO is, is deze niet noodzakelijkerwijs verbonden aan een fysieke verplaatsing van goederen tussen de overdrager en de overnemer.

Het algemene doel van artikel 219 DWU is om zoveel mogelijk het gebruik van de regeling extern douanevervoer te beperken.

Het verkeer van goederen kan plaatsvinden onder de volgende omstandigheden:

vanaf het douanekantoor waar de goederen onder de bijzondere regeling zijn geplaatst tot aan de faciliteiten van opslag of verwerking van de verwerker vermeld in de vergunning;

bij een overdracht van rechten en plichten;

wanneer de goederen worden verzonden door de vergunninghouder van de regeling bijzondere bestemming aan een verwerker onder dekking van de vergunning van de houder;

bij het verkeer van goederen tot aan het douanekantoor van uitgang (zie ook punt VII.1.).

XII.2. Te vervullen douaneformaliteiten

98. Zoals bepaald in artikel 179 §1 DA, kan het verkeer van goederen die onder de regeling bijzondere bestemming werden geplaatst gebeuren zonder andere douaneformaliteiten dan de plaats van de goederen te vermelden in de administratie alsook informatie over iedere verplaatsing ervan mede te delen. XII.3. Gevallen van verkeer van goederen onder de regeling bijzondere bestemming.

XII.3.1. Verkeer van goederen onder de regeling bijzondere bestemming, zonder douaneformaliteiten: een multinational heeft meerdere filialen in verschillende lidstaten:

XII.3.2. Verkeer van goederen onder de regeling bijzondere bestemming (BB), zonder douaneformaliteiten, gecombineerd met TORO

XII.3.3. Verkeer onder de regeling bijzondere bestemming met of zonder douaneformaliteiten – geen enkele verbonden firma in verschillende lidstaten

XIII. Bewaren van de documenten

DWU, art. 51

99. De betrokken persoon dient, met het oog op een douanecontrole, de bescheiden en gegevens met betrekking tot de douaneformaliteiten, gedurende ten minste drie jaren te bewaren op een wijze die toegankelijk en aanvaardbaar is voor de douaneautoriteiten.

Voor goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht vrij van rechten dan wel met een verlaagd invoerrecht op grond van hun bijzondere bestemming, begint deze termijn aan het einde van het jaar waarin het douanetoezicht op de goederen is opgeheven.

DEEL II: FICHES MET BETREKKING TOT DE REGELING BIJZONDERE BESTEMMING

Dit deel herneemt via fiches bepaalde producten waarvoor specifieke maatregelen van toepassing zijn in het kader van de bijzondere bestemming.

Voor bepaalde producten zijn de maatregelen van de regeling bijzondere bestemming ontwikkeld op nationaal vlak aangezien de Europese Commissie geen enkele communautaire maatregel heeft voorzien in het gemeenschappelijk douanetarief.

Voor andere producten legt de fiche eenvoudigweg uit hoe de verschillende bestaande maatregelen verbonden aan de bijzondere bestemming, eventueel in combinatie met andere maatregelen zoals tariefcontingenten of antidumping-/compenserende rechten, geïnterpreteerd moeten worden.

De titel van elke fiche is de 4 eerste cijfers van de goederencode van het betrokken product. Als voor meerdere producten, met andere maatregelen, de goederencode bestaat uit dezelfde 4 eerste cijfers, wordt de nummering aangevuld met een 5de cijfer om de fiches van elkaar te onderscheiden.

Fiche 0101

Goederen: Paarden, fokdieren van zuiver ras

Taric-code van de goederen: 0101 2100 00

Wettelijke basis:

Verordening (EU) 2016/1012 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de zoötechnische en genealogische voorwaarden voor het fokken van, de handel in en de binnenkomst in de Unie van raszuivere fokdieren, hybride fokvarkens en levende producten daarvan en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 652/2014, de Richtlijnen 89/608/EEG en 90/425/EEG van de Raad en tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van dierfokkerij („Fokkerijverordening”) (P.B. nr. L171 van 29/06/2016);

Gedelegeerde verordening (EU) 2017/1940 van de Commissie van 13 juli 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1012 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de inhoud en vorm van zoötechnische certificaten die worden afgegeven voor raszuivere fokpaarden en -ezels, vervat in een uniek, levenslang geldig identificatiedocument voor paardachtigen (P.B. nr. L 275 van 25/10/2017);

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/262 van de Commissie van 17 februari 2015 tot vaststelling van voorschriften overeenkomstig de Richtlijnen 90/427/EEG en 2009/156/EG van de Raad met betrekking tot de methoden voor de identificatie van paardachtigen (verordening paardenpaspoort) (P.B. nr. L 59 van 03/03/2015).

Toe te passen maatregelen:

De fokpaarden van zuiver ras mogen enkel onder Taric-code 0101 2100 00, waarvoor het gemeenschappelijk douanetarief een nulrecht bij invoer voorziet, ingedeeld worden en in het vrije verkeer gebracht worden indien de drie volgende voorwaarden nageleefd worden:

  1. De dieren gaan vergezeld van een zoötechnisch certificaat afgeleverd door

een instantie in een derde land dat vermeld staat op de lijst die terug te vinden is op de website van de Europese Commissie op volgend adres: https://ec.europa.eu/food/animals/zootechnics/non-eu_countries_en, of

een fokorgaan (een fokkersvereniging, fokkerij-organisatie, privéonderneming, opfokbedrijf of officiële dienst in een derde land die daar toestemming heeft verkregen voor het fokken met het oog op het binnenbrengen van fokdieren in de Unie) van het derde land van oorsprong van de paardachtige.

Het gebruikte certificaat moet conform zijn aan het modelformulier hieronder. Aangezien dit modelformulier slechts vanaf 1 november 2018 van toepassing is (overeenkomstig artikel 69 van Verordening (EU) 2016/1012), zullen in de aanvangsfase van deze regeling de voorgelegde certificaten nooit conform zijn aan dit modelformulier.

De volgende certificaten, afgeleverd onder de oude procedure, mogen nog aanvaard worden:

een certificaat van oorsprong zoals opgenomen in sectie V van de bijlage van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/162, of

een eigen stamboekdocument van het fokorgaan (verschillend van het EU-certificaat van oorsprong of het zoötechnisch certificaat).

Het gebruikte certificaat moet aangepast of vervangen kunnen worden door de erkende stamboekvereniging waarbij het paard zal worden ingeschreven door een certificaat conform aan het modelformulier hieronder. Dit certificaat zal deel uitmaken van het uniek, levenslang geldig identificatiedocument voor raszuivere fokpaarden.

In geval van twijfel over de echtheid van een voorgelegd certificaat kunnen de controlerende diensten een kopie van het certificaat opsturen naar de dienst Wetgeving Tarief (da.lex.tariff@minfin.fed.be). Deze dienst zal het onderwerpen voor advies aan de bevoegde diensten van de Gewesten (Vlaams Gewest, Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Waals Gewest).

  1. Naast de gebruikelijke gegevens dient het vak 31 van de douaneaangifte voor het vrije verkeer het ras, het geslacht en de geboortedatum van de dieren te vermelden.
  2. De dieren gaan vergezeld van een document waaruit blijkt dat zij in een door stamboekvereniging bijgehouden stamboek zullen worden ingeschreven.

Er is geen enkele Europese verplichting die voorschrijft dat er een aanvullende controle moet plaatsvinden na een bepaalde periode. De regeling bijzondere bestemming is overigens niet vereist. Desalniettemin dient de derde voorwaarde nageleefd te worden om de paarden te kunnen indelen onder de post van de fokpaarden van zuiver ras.

Daarom zijn volgende maatregelen op nationaal niveau ingevoerd:

Aangezien de paarden die bestemd zijn om binnen de 10 dagen na invoer geslacht te worden, niet geïdentificeerd of geregistreerd moeten worden en dat er een significant verschil is in invoerrechten ten aanzien van de post ‘andere’ van GN-code 0101 29, dient er een zekerheid gesteld te worden die gelijk is aan het invoerrecht van 11,5% dat geldt voor de paarden, andere dan de fokdieren van zuiver ras.

Om te bewijzen dat het paard ingeschreven zal worden in een stamboek, dient de invoerder of de aangever het document ‘Verklaring – Raszuivere fokpaarden’ (zie formulier hieronder), in twee exemplaren (die kopieën kunnen zijn), waarvan hij de 4 eerste kolommen invult, voor te leggen aan het douanekantoor van invoer. Dit document moet in vak 44 van de douaneaangifte vermeld worden naast de certificaatcode C075. Het eerste exemplaar wordt niet teruggegeven aan de invoerder en wordt bewaard op het douanekantoor van invoer met een kopie van de douaneaangifte.

Het tweede exemplaar wordt op het kantoor van invoer voorgelegd van zodra de kolom 5 naar behoren ingevuld en ondertekend is door een stamboekvereniging. De zekerheid wordt vrijgegeven wanneer het tweede formulier ingevuld terugbezorgd wordt aan het douanekantoor van invoer en conform wordt bevonden aan de vereiste voorwaarden. De twee exemplaren van de ‘Verklaring – Raszuivere fokpaarden’ worden bewaard op het douanekantoor.

De lijst van stamboekverenigingen kan geraadpleegd worden op het volgende webadres: S1 Information submitted by EU countries, Norway and Switzerland (europa.eu)Wanneer ten laatste drie maanden na de aangifte voor het vrije verkeer het tweede exemplaar van het document ‘Verklaring – Raszuivere fokpaarden’, behoorlijk ondertekend door een stamboekvereniging, niet voorgelegd werd, wordt de zekerheid ingehouden ter inning van de invoerrechten.

Verklaring – Raszuivere fokpaarden

Ondergetekende Naam: ………………………………………………………………………..

Adres: ………………………………………………………………………..

Nr. en datum van de douaneaangifte bij invoer: …………………………………………………………………

Verbindt er zich toe de paarden, waarvan de identificatiegegevens hierna volgen, te laten inschrijven in een stamboek:

S1 Modelformulier zoötechnisch certificaat

Fiche 0102-1

Goederen: Fokrunderen van zuiver ras

Taric-code van de goederen:

Wettelijke basis:

Verordening (EU) 2016/1012 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de zoötechnische en genealogische voorwaarden voor het fokken van, de handel in en de binnenkomst in de Unie van raszuivere fokdieren, hybride fokvarkens en levende producten daarvan en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 652/2014, de Richtlijnen 89/608/EEG en 90/425/EEG van de Raad en tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van dierfokkerij („Fokkerijverordening”) (P.B. nr. L 171 van 29/06/2016);

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/717 van de Commissie van 10 april 2017 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2016/1012 van het Europees Parlement en de Raad wat de modelformulieren voor zoötechnische certificaten voor fokdieren en levende producten daarvan betreft (P.B. nr. L 109 van 26/04/2017);

Verordening (EG) nr. 133/2008 van de Commissie van 14 februari 2008 betreffende de invoer van raszuivere fokrunderen uit derde landen en de toekenning van uitvoerrestituties voor deze dieren (P.B. nr. L 41 van 15/02/2008).

Toe te passen maatregelen:

De fokrunderen van zuiver ras mogen enkel onder de Taric-posten ‘fokdieren van zuiver ras’, waarvoor het gemeenschappelijk douanetarief een nulrecht bij invoer voorziet, ingedeeld worden en in het vrije verkeer gebracht worden indien al de volgende voorwaarden nageleefd worden:

  1. Bij het in het vrije verkeer brengen moet de invoerder aan de douaneautoriteiten volgende stukken voorleggen:

Het zoötechnisch certificaat waarvan de dieren vergezeld gaan, afgeleverd door:

een instantie in een derde land dat vermeld staat op de lijst die terug te vinden is op de website van de Europese Commissie op volgend adres: https://ec.europa.eu/food/animals/zootechnics/non-eu_countries_en, of

een fokorgaan (een fokkersvereniging, fokkerij-organisatie, privéonderneming, opfokbedrijf of officiële dienst in een derde land die daar toestemming heeft verkregen voor het fokken met het oog op het binnenbrengen van fokdieren in de Unie) van het derde land van oorsprong van het dier.

Het gebruikte certificaat moet conform zijn aan het model hieronder.

In geval van twijfel over de echtheid van een voorgelegd certificaat kunnen de controlerende diensten een kopie van het certificaat opsturen naar de dienst Wetgeving Tarief (da.lex.tariff@minfin.fed.be). Deze dienst zal het onderwerpen voor advies aan de bevoegde diensten van de Gewesten (Vlaams Gewest, Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Waals Gewest)

het gezondheidscertificaat voor raszuivere fokrunderen, ook genoemd “het certificaat van invoer BOV-X” (= veterinair certificaat voor als landbouwhuisdier gehouden fok- en/of gebruiksrunderen) of een gewaarmerkte kopie van dit certificaat;

een document waaruit blijkt dat de dieren in een door een stamboekvereniging bijgehouden stamboek zullen worden ingeschreven; en

een schriftelijke verklaring volgens welke het betrokken dier, behoudens overmacht, niet binnen 24 maanden na de dag van invoer zal worden geslacht.

  1. Met het oog op de controle van de inschrijving in het stamboek dient de invoerder het document ‘Verklaring – Raszuiver fokrund’ (zie formulier hieronder), in twee exemplaren (die kopieën kunnen zijn), waarvan hij de 4 eerste kolommen invult, voor te leggen aan het kantoor van invoer. Dit document moet in vak 44 van de douaneaangifte vermeld worden naast de certificaatcode C075. Het eerste exemplaar wordt niet teruggegeven aan de invoerder en wordt bewaard op het douanekantoor van invoer met een kopie van de douaneaangifte.

Het tweede exemplaar wordt op het kantoor van invoer voorgelegd van zodra de 5de kolom ingevuld en ondertekend is door een stamboekvereniging.

De lijst van deze stamboekverenigingen kan geraadpleegd worden op het volgende webadres: S1 Information submitted by EU countries, Norway and Switzerland (europa.eu)

In deze lijst worden buffels aanzien als ‘runderen’.

Wanneer het tweede exemplaar conform is bevonden en aanvaard werd door de douane, worden de twee exemplaren van de ‘Verklaring – Raszuiver fokrund’ bewaard op het douanekantoor.

  1. Met het oog op de controle van de termijn van 24 maanden, binnen dewelke het rund niet geslacht mag worden, dient de invoerder in het bezit te zijn van een vergunning bijzondere bestemming. Het adres van het bedrijf moet aangegeven staan op de vergunningsaanvraag. De overdracht van een dier kan plaatsvinden zonder douaneformaliteiten en zonder vergunning TORO; de invoerder blijft echter wel verantwoordelijk voor de aanzuivering van de regeling tot 24 maanden na het in het vrije verkeer brengen.

Daarenboven moet op de douaneaangifte voor het vrije verkeer, in vak 31, naast de gebruikelijke gegevens, het ras, het geslacht en de geboortedatum van het dier vermeld staan.

  1. Er moet opgemerkt worden dat de vrouwelijke runderen enkel aanzien worden als fokdieren van zuiver ras indien ze niet ouder zijn dan zes jaar.
  2. Aangezien er een significant verschil is ten aanzien van de invoerrechten van de Taric-post ‘andere dan fokdieren van zuiver ras’, dient er een zekerheid gesteld te worden. Deze zekerheid bedraagt 10 % + 93,1 EUR/100 kg, het invoerrecht dat van toepassing is op rundvee, andere dan de fokdieren van zuiver ras. Deze borg maakt deel uit van de voorwaarden voor het afleveren van een vergunning bijzondere bestemming.
  3. a) Indien uiterlijk drie maanden na de aangifte voor het vrije verkeer, het tweede exemplaar van het document ‘Verklaring – Raszuiver fokrund’, behoorlijk ingevuld en ondertekend door een stamboekvereniging, niet werd voorgelegd op het kantoor van invoer, kan het dier niet aangegeven worden onder de post ’fokdier van zuiver ras’ en dienen de invoerrechten betaald te worden; de zekerheid wordt dan definitief ingehouden. De regeling bijzondere bestemming voor de betrokken dieren vermeld in de aangifte voor het vrije verkeer is bijgevolg aangezuiverd.

b) Indien het tweede exemplaar van het document ‘Verklaring – Raszuiver fokrund’ binnen de termijn voorgelegd wordt en conform is, mag de zekerheid enkel vrijgegeven worden indien de invoerder uiterlijk aan het einde van de 27ste maand na het in het vrije verkeer brengen het bewijs aanbrengt dat het dier (de dieren):

niet geslacht werd(en) voor het verstrijken van de voorziene termijn van 24 maanden: het bewijs kan geleverd worden door een fokkersvereniging;

of

voor het verstrijken van deze termijn geslacht werd(en) om gezondheidsredenen of gestorven is (zijn) als gevolg van een ziekte of een ongeval; in dit geval kan de invoerder van het dier of de aangever bewijzen dat het dier dood is aan de hand van een document opgesteld door een vernietigingsbedrijf.

c) Als aan het einde van de 27ste maand na het in het vrije verkeer brengen, één van de twee bewijzen aangegeven onder punt b) hierboven niet vertoond kan worden, wordt de zekerheid definitief ingehouden om de niet-geïnde invoerrechten te dekken.

S1 Modelformulier zoötechnisch certificaat

Verklaring – Raszuiver fokrund

Ondergetekende Naam: …………………………………………………………………………..

Adres: ..…………………………………………………………………………

Nr. en datum van de douaneaangifte bij invoer: …………………………………………………………………

Verbindt zich ertoe de runderen, waarvan de identificatiegegevens volgen,

te laten inschrijven in een stamboek, en

behoudens overmacht, niet binnen 24 maanden na de dag van invoer te laten slachten.

Fiche 0102-2

Goederen: Jonge mannelijke runderen met een gewicht van niet meer dan 300 kg, bestemd om te worden gemest

Taric-code van de goederen:

0102 2910 10 (met een gewicht van niet meer dan 80 kg);
0102 2929 10 (met een gewicht van meer dan 80 kg doch niet meer dan 160 kg);
0102 2949 10 (met een gewicht van meer dan 160 kg doch niet meer dan 300 kg).

Wettelijke basis:

□S1Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1988 van de Commissie van 11 november 2020 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013 en (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het beheer van invoertariefcontingenten volgens het beginsel “wie het eerst komt, het eerst maalt” (P.B. nr. L 422 van 14/12/2020).

Toe te passen maatregelen:

Elk jaar wordt er een tariefcontingent (09.0113) geopend tijdens de periode van 1 juli tot en met 30 juni van het volgende jaar voor de invoer van 24.070 jonge mannelijke runderen die vallen onder bovenstaande Taric-codes en bestemd zijn om in de Unie te worden gemest.

Dit contingent wordt beheerd volgens het principe “eerst komt, eerst maalt” (zie Circulaire 2021/C/109 over tariefcontingenten “eerst komt, eerst maalt” van 15/12/2021 (D.I. 625)). Het geeft recht op een vermindering van douanerechten “erga omnes”.

De vermindering van de invoerrechten in het kader van het gebruik van dit tariefcontingent is gekoppeld aan de toepassing van de regeling bijzondere bestemming. Volgende voorwaarden dienen in acht genomen te worden:

  1. De dieren moeten gedurende ten minste 120 dagen worden gemest in de lidstaat waar zij zijn ingevoerd, te rekenen vanaf de dag van invoer. Er mag geen overdracht van rechten en plichten plaatsvinden naar een in een andere lidstaat gevestigde operator.
  2. In zijn aanvraag tot het bekomen van de vergunning bijzondere bestemming of ten laatste in de maand die volgt op die waarin de dieren in het vrije verkeer zijn gebracht, moet de invoerder de productie-eenheden aanwijzen waarin de dieren zullen gemest worden.
  3. Om te garanderen dat de verplichte mestperiode wordt nageleefd en de niet-geïnde rechten bij niet-naleving van de verplichting toch kunnen worden geïnd, moet een zekerheid worden gesteld in het kader van de vergunning bijzondere bestemming. Deze zekerheid is vastgesteld volgens onderstaande tabel:
  1. De zekerheid wordt slechts vrijgegeven indien aan de douane het bewijs wordt geleverd dat de jonge mannelijke runderen:

In de aangegeven bedrijven (zie punt 2) gemest zijn;

Niet binnen 120 dagen na de dag van invoer zijn geslacht; het bewijs kan bijvoorbeeld geleverd worden door een erkende fokkersvereniging of een kopie zijn van het bedrijfsregister of paspoort van het dier;

of

Binnen deze periode om gezondheidsredenen zijn geslacht of als gevolg van een ziekte of ongeval zijn gestorven. In dit geval kan de aangever bewijzen dat het dier dood is door een document afgeleverd door het vernietigingsbedrijf voor te leggen of een kopie van het bedrijfsregister waaruit blijkt dat het dier als dood werd opgegeven. Indien nodig kan het bewijs opgevraagd worden bij een erkende fokkersvereniging.

  1. Ieder ingevoerd dier kan geïdentificeerd worden door:

Oormerken;

Gecomputeriseerde gegevensbestanden;

Dierpaspoorten;

Individuele registers op elk bedrijf.

Fiche 0102-3

Goederen: Stieren, koeien en vaarzen, niet bestemd voor de slacht, van bepaalde bergrassen.

Taric-code van de goederen:

Wettelijke basis: S1 Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1988 van de Commissie van 11 november 2020 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013 en (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het beheer van invoertariefcontingenten volgens het beginsel “wie het eerst komt, het eerst maalt” (P.B. nr. L 422 van 14/12/2020).

Toe te passen maatregelen:

Twee tariefcontingenten worden elk jaar geopend tijdens de periode van 1 juli tot en met 30 juni van het volgende jaar voor de invoer van stieren, koeien en vaarzen, andere dan diegene die bestemd zijn voor de slacht, die vallen onder bovenstaande Taric-codes.

Het contingent 09.0114 wordt geopend voor de invoer van koeien en vaarzen van volgende bergrassen: het grijze, het bruine, het gele en het gevlekte Simmentalerras en het Pinzgauerras.

Het contingent 09.0115 wordt geopend voor de invoer van stieren, koeien en vaarzen van het gevlekte Simmentalerras en van het Schwyzer- en Freiburgerras.

Deze twee contingenten worden beheerd volgens het principe “eerst komt, eerst maalt” (zie Circulaire 2021/C/109 over tariefcontingenten “eerst komt, eerst maalt” van 15/12/2021 (D.I. 625)). Ze geven recht op een vermindering van douanerechten “erga omnes”.

De vermindering van de invoerrechten in het kader van het gebruik van deze tariefcontingenten is gekoppeld aan de toepassing van de regeling bijzondere bestemming. Volgende voorwaarden dienen in acht genomen te worden:

  1. De dieren zijn niet bestemd voor de slacht: ze mogen niet geslacht worden gedurende de termijn van 4 maanden te tellen vanaf de datum van aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer.
  2. Om in aanmerking te komen voor het invoertariefcontingent met volgnummer 09.0115, moeten de volgende documenten worden voorgelegd:

voor stieren: een afstammingsbewijs; dit certificaat moet in vak 44 van de douaneaangifte vermeld worden onder code ‘C027’;

voor koeien en vaarzen: een afstammingsbewijs of een bewijs van inschrijving in het rundveestamboek, waaruit blijkt dat de dieren raszuiver zijn. Deze certificaten moeten in vak 44 van de douaneaangifte vermeld worden, respectievelijk onder code ‘C027’ of ‘C026’.

Indien deze certificaten niet worden voorgelegd bij het in het vrije verkeer brengen, mag het voordeel van het tariefcontingent niet toegekend worden. De douanerechten ‘erga omnes’ dienen dan te worden toegepast.

  1. Om te garanderen dat de verplichting tot het niet-slachten van de dieren (punt 1) wordt nageleefd en de niet-geïnde rechten bij niet-naleving van de verplichting toch kunnen worden geïnd, moet bij de bevoegde douaneautoriteiten een zekerheid worden gesteld. Deze zekerheid is gelijk aan het verschil tussen de douanerechten ‘erga omnes’ en de vastgestelde rechten in het kader van het tariefcontingent die gelden op de datum waarop de betrokken dieren in het vrije verkeer worden gebracht. Deze zekerheid maakt deel uit van de voorwaarden voor de aflevering van een vergunning bijzondere bestemming.
  2. De zekerheid wordt vrijgegeven zodra aan de douanediensten die belast zijn met het opvolgen van de regeling bijzondere bestemming het bewijs geleverd is dat de dieren:

niet zijn geslacht binnen vier maanden na de datum waarop zij in het vrije verkeer zijn gebracht; het bewijs kan bijvoorbeeld geleverd worden door een erkende fokkersvereniging of een kopie zijn van het bedrijfsregister of paspoort van het dier;

of

binnen die periode wegens overmacht of om gezondheidsredenen zijn geslacht dan wel als gevolg van een ziekte of een ongeval zijn gestorven. In dit geval kan de aangever bewijzen dat het dier dood is door een document afgeleverd door het vernietigingsbedrijf voor te leggen of een kopie van het bedrijfsregister waaruit blijkt dat het dier als dood werd opgegeven. Indien nodig kan het bewijs opgevraagd worden bij een erkende fokkersvereniging.

  1. Ieder ingevoerd dier kan geïdentificeerd worden door:

Oormerken;

Gecomputeriseerde gegevensbestanden;

Dierpaspoorten;

Individuele registers op elk bedrijf.

Fiche 0103

Goederen: Levende varkens, fokdieren van zuiver ras

Taric-code van de goederen: 0103 1000 00

Wettelijke basis:

Verordening (EU) 2016/1012 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de zoötechnische en genealogische voorwaarden voor het fokken van, de handel in en de binnenkomst in de Unie van raszuivere fokdieren, hybride fokvarkens en levende producten daarvan en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 652/2014, de Richtlijnen 89/608/EEG en 90/425/EEG van de Raad en tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van dierfokkerij („Fokkerijverordening”) (P.B. nr. L 171 van 29/06/2016);

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/717 van de Commissie van 10 april 2017 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2016/1012 van het Europees Parlement en de Raad wat de modelformulieren voor zoötechnische certificaten voor fokdieren en levende producten daarvan betreft (P.B. nr. L 109 van 26/04/2017).

Toe te passen maatregelen:

De fokvarkens van zuiver ras mogen enkel ingedeeld worden en in het vrije verkeer gebracht worden onder Taric-code 0103 1000 00 (*), voor dewelke het gemeenschappelijk douanetarief een nulrecht bij invoer voorziet, indien al de volgende voorwaarden nageleefd worden:

De dieren gaan vergezeld van een zoötechnisch certificaat afgeleverd door:

een instantie in een derde land dat vermeld staat op de lijst die terug te vinden is op de website van de Europese Commissie op volgend adres: https://ec.europa.eu/food/animals/zootechnics/non-eu_countries_en, of

een fokorgaan (een fokkersvereniging, fokkerij-organisatie, privéonderneming, opfokbedrijf of officiële dienst die in een derde land toestemming heeft verkregen voor de binnenkomst in de Unie van fokdieren voor het fokken) van het derde land van oorsprong van het dier.

Het gebruikte certificaat moet conform zijn aan het model hieronder.

In geval van twijfel over de echtheid van een voorgelegd certificaat kunnen de controlerende diensten een kopie van het certificaat opsturen naar de dienst Wetgeving Tarief (da.lex.tariff@minfin.fed.be). Deze dienst zal het onderwerpen voor advies aan de bevoegde diensten van de Gewesten (Vlaams Gewest, Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Waals Gewest).

Naast de gebruikelijke gegevens dient op de douaneaangifte voor het vrije verkeer (in vak 31) het ras, het geslacht en de geboortedatum van de dieren vermeld te worden.

De dieren gaan vergezeld van een document waaruit blijkt dat zij in een door een stamboekvereniging bijgehouden stamboek zullen worden ingeschreven of in een door een fokkerijgroepering bijgehouden fokregister zullen worden geregistreerd.

Er is geen enkele Europese verplichting die voorschrijft dat er een aanvullende controle moet plaatsvinden na een bepaalde periode. De regeling bijzondere bestemming is overigens niet vereist. Desalniettemin dient de laatstgenoemde voorwaarde nageleefd te worden om de varkens te kunnen indelen onder de post van de fokvarkens van zuiver ras.

Daarom zijn volgende maatregelen op nationaal niveau ingevoerd:

  1. Aangezien er een significant verschil is in invoerrechten ten aanzien van de Taric-post ‘andere’ van GN-code 0103 91, dient er een zekerheid gesteld te worden die gelijk is aan de heffing van een specifiek recht van 41,2 EUR/100 kg dat geldt voor de varkens, andere dan de fokdieren van zuiver ras.
  2. Om te bewijzen dat het dier ingeschreven zal worden in een stamboek of geregistreerd zal worden in een fokregister, dient de invoerder of de aangever het document ‘Verklaring - raszuivere fokvarkens’ (zie formulier hieronder), in twee exemplaren (die kopieën kunnen zijn) waarvan hij de 4 eerste kolommen invult, voor te leggen aan het douanekantoor van invoer. Dit document moet in vak 44 van de douaneaangifte vermeld worden naast de certificaatcode C075. Het eerste exemplaar wordt niet teruggegeven aan de invoerder.

Het tweede exemplaar wordt op het kantoor van invoer voorgelegd van zodra kolom 5 naar behoren ingevuld en ondertekend is door een stamboekvereniging of fokkerijgroepering. De zekerheid wordt vrijgegeven wanneer het tweede formulier ingevuld terugbezorgd wordt aan het douanekantoor van invoer en conform wordt bevonden aan de vereiste voorwaarden. De lijst van stamboekvereniging of fokkerijgroepering kan geraadpleegd worden op het volgende webadres: S1 Information submitted by EU countries, Norway and Switzerland (europa.eu) .

Wanneer ten laatste drie maanden na de aangifte voor het vrije verkeer het tweede exemplaar van het document ‘Raszuivere fokvarkens – verklaring’ behoorlijk ondertekend door een stamboekvereniging niet voorgelegd werd, wordt de zekerheid ingehouden ter inning van de invoerrechten.

---------------------------------------------------

(*) De hybride fokvarkens zijn niet toegestaan onder deze tariefpostonderverdeling.

S1Modelformulier zoötechnisch certificaat

Verklaring – raszuivere fokvarkens

Ondergetekende Naam: …………………………………………………………………………

Adres: …………………………………………………………………………

Nr. en datum van de douaneaangifte bij invoer: …………………………………………………………………

Verbindt zich ertoe de varkens, waarvan de identificatiegegevens volgen, te laten inschrijven in een stamboek of te laten opnemen in een fokregister.

Fiche 0104

Goederen: Levende schapen en geiten, fokdieren van zuiver ras

Taric-code van de goederen:

0104 1010 00: schapen

0104 2010 00: geiten

Wettelijke basis:

Verordening (EU) 2016/1012 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de zoötechnische en genealogische voorwaarden voor het fokken van, de handel in en de binnenkomst in de Unie van raszuivere fokdieren, hybride fokvarkens en levende producten daarvan en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 652/2014, de Richtlijnen 89/608/EEG en 90/425/EEG van de Raad en tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van dierfokkerij („Fokkerijverordening”) (P.B. nr. L 171 van 29/06/2016);

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/717 van de Commissie van 10 april 2017 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2016/1012 van het Europees Parlement en de Raad wat de modelformulieren voor zoötechnische certificaten voor fokdieren en levende producten daarvan betreft (P.B. nr. L 109 van 26/04/2017);

Verordening (EG) nr. 874/96 van de Commissie van 14 mei 1996 inzake de invoer van raszuivere fokschapen en -geiten uit derde landen (P.B. nr. L 118 van 15/05/1996).

Toe te passen maatregelen:

De fokschapen en fokgeiten van zuiver ras mogen enkel onder Taric-posten ‘fokdieren van zuiver ras’, waarvoor het gemeenschappelijk douanetarief een nulrecht bij invoer voorziet, ingedeeld worden en in het vrije verkeer gebracht worden indien al de volgende voorwaarden nageleefd worden:

  1. De invoerder moet volgende documenten voorleggen aan de douaneautoriteiten:

een zoötechnisch certificaat waarvan de dieren vergezeld gaan, afgeleverd door

een instantie in een derde land dat vermeld staat op de lijst die terug te vinden is op de website van de Europese Commissie op volgend adres: https://ec.europa.eu/food/animals/zootechnics/non-eu_countries_en, of

een fokorgaan (een fokkersvereniging, fokkerij-organisatie, privéonderneming, fokbedrijf of officiële dienst in een derde land die daar toestemming heeft verkregen voor het fokken met het oog op het binnenbrengen van fokdieren in de Unie) van het derde land van oorsprong van de het dier.

Het gebruikte certificaat moet conform zijn aan het model hieronder.

In geval van twijfel over de echtheid van een voorgelegd certificaat kunnen de controlerende diensten een kopie van het certificaat opsturen naar de dienst Wetgeving Tarief (da.lex.tariff@minfin.fed.be). Deze dienst zal het onderwerpen voor advies aan de bevoegde diensten van de Gewesten (Vlaams Gewest, Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Waals Gewest).

een document waaruit blijkt dat zij in een door een stamboekvereniging bijgehouden stamboek zullen worden ingeschreven; en

een schriftelijke verklaring volgens welke het betrokken dier, behoudens overmacht, niet binnen 12 maanden na de dag van invoer zal worden geslacht.

  1. In het kader van deze maatregelen worden enkel de dieren van het vrouwelijk geslacht die maximum vier jaar oud zijn, aanzien als vrouwelijke fokdieren van zuiver ras.
  2. Met het oog op de controle van de inschrijving in het stamboek dient de invoerder of de aangever het document ‘Verklaring – schapen en geiten, fokdieren van zuiver ras’ (zie formulier hieronder), in twee exemplaren (die kopieën kunnen zijn) waarvan hij de 4 eerste kolommen invult, voor te leggen aan het douanekantoor van invoer. Dit document moet in vak 44 van de douaneaangifte vermeld worden naast de certificaatcode C075. Het eerste exemplaar wordt niet teruggegeven aan de invoerder.

Het tweede exemplaar wordt op het kantoor van invoer voorgelegd van zodra de 5de kolom naar behoren ingevuld en ondertekend is door een stamboekvereniging. De lijst van stamboekverenigingen kan geraadpleegd worden op het volgende webadres: S1 Information submitted by EU countries, Norway and Switzerland (europa.eu) .

  1. Met het oog op de controle van de termijn van 12 maanden, binnen dewelke het dier niet geslacht mag worden, dient de invoerder in het bezit te zijn van een vergunning bijzondere bestemming. Het adres van het bedrijf moet aangegeven staan op de vergunningsaanvraag. De overdracht van een dier kan plaatsvinden zonder douaneformaliteiten en zonder vergunning TORO; de invoerder blijft echter wel verantwoordelijk voor de aanzuivering van de regeling gedurende 12 maanden na het in het vrije verkeer brengen.

Daarenboven moet op de douaneaangifte voor het vrije verkeer (in vak 31), naast de gebruikelijke gegevens, het ras, het geslacht en de geboortedatum van de dieren vermeld staan.

  1. Aangezien er een significant verschil is in invoerrechten ten aanzien van de Taric-post ‘andere dan fokdieren van zuiver ras’, dient er een zekerheid gesteld te worden die gelijk is aan de heffing van een specifiek recht van 80,5 EUR/100 kg die geldt voor de schapen en geiten, andere dan de fokdieren van zuiver ras. Deze zekerheid maakt deel uit van de voorwaarden voor de afgifte van de vergunning bijzondere bestemming.
  2. a) Indien uiterlijk drie maanden na de aangifte voor het vrije verkeer, het tweede exemplaar van het document ‘Verklaring – Fokschapen en fokgeiten van zuiver ras’ behoorlijk ingevuld en ondertekend door een stamboekvereniging niet werd voorgelegd op het kantoor van invoer, kan het dier niet aangegeven worden onder de post ’fokdier van zuiver ras’ en dienen de invoerrechten betaald te worden; de zekerheid wordt dan definitief ingehouden. De regeling bijzondere bestemming voor de betrokken dieren vermeld in de aangifte voor het vrije verkeer is bijgevolg aangezuiverd.

b) Indien het tweede exemplaar van het document ‘Verklaring – Fokschapen en fokgeiten van zuiver ras’ binnen de termijn voorgelegd wordt en conform is, mag de zekerheid enkel vrijgegeven worden indien de invoerder uiterlijk aan het einde van de 15de maand na het in het vrije verkeer brengen het bewijs aanbrengt dat het dier (de dieren):

niet geslacht werd(en) voor het verstrijken van de voorziene termijn van 12 maanden: het bewijs kan geleverd worden door een erkende fokkersvereniging;

of

voor het verstrijken van deze termijn geslacht werd(en) om gezondheidsredenen of gestorven is (zijn) als gevolg van een ziekte of een ongeval; in dit geval kan de invoerder of de aangever bewijzen dat het dier dood is aan de hand van een document opgesteld door een vernietigingsbedrijf.

c) Als aan het einde van de 15de maand na het in het vrije verkeer brengen, één van de twee bewijzen aangegeven onder punt b) hierboven niet vertoond kan worden, wordt de zekerheid definitief ingehouden om de niet-geïnde invoerrechten te dekken.

S1 Modelformulier zoötechnisch certificaat

Verklaring – Schapen en geiten, fokdieren van zuiver ras

Ondergetekende Naam: ……………………………………………………………………………..

Adres: ……………………………………………………………………………..

Nr. en datum van de douaneaangifte bij invoer: …………………………………………………………………

Verbindt zich ertoe de schapen/geiten, waarvan de identificatiegegevens volgen, te laten inschrijven in een stamboek en, behoudens overmacht, niet binnen 12 maanden na de dag van invoer te laten slachten.

Fiche 0202

Goederen: Vlees van runderen, bevroren, bestemd voor verwerking

Taric-code van de goederen:

Wettelijke basis: S1Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1988 van de Commissie van 11 november 2020 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013 en (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het beheer van invoertariefcontingenten volgens het beginsel “wie het eerst komt, het eerst maalt” (P.B. nr. L 422 van 14/12/2020).

Inleiding:

S1Jaarlijks worden vier tariefcontingenten met de volgnummers 09.0161, 09.0162, 09.0163 en 09.0164 geopend van 1 juli tot 30 juni van het volgende jaar. De contingenten 09.0161 en 09.0162 worden geopend voor de invoer uit alle derde landen behalve het Verenigd Koninkrijk van 15 443 ton (uitgedrukt in equivalent vlees met been) bevroren rundvlees dat bestemd is voor de vervaardiging van A-producten; de contingenten 09.0163 en 09.0164 worden geopend voor de invoer uit alle derde landen behalve het Verenigd Koninkrijk van 4 233 ton (uitgedrukt in equivalent vlees met been) rundvlees dat bestemd is voor de vervaardiging van B-producten.

a) Als A-product wordt aangemerkt: een verwerkt product van GN-code 1602 1000, 1602 50 31 of 1602 50 95 dat geen ander vlees dan rundvlees bevat, met een collageen1/eiwitverhouding van maximaal 0,45 en met ten minste 20 gewichtspercenten mager vlees2met uitzondering van slachtafvallen3 en vet, waarbij het vlees en de gelei ten minste 85 % van het totale nettogewicht uitmaken.

----

Als collageengehalte wordt beschouwd het gehalte aan hydroxyproline, vermenigvuldigd met factor 8. Het gehalte aan hydroxypoline wordt bepaald volgens ISO-methode 3496-1994.

2 Het gehalte aan mager rundvlees met uitzondering van vet wordt bepaald volgens de analyseprocedure die is opgenomen in de bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2429/86 van de Commissie.

3 De slachtafvallen omvatten: hoofden en delen daarvan (met inbegrip van oren), poten, staarten, harten, uiers, levers, nieren, zwezeriken (thymus), pancreas, hersenen, longen, kelen, middenriffen, milten, tongen, darmvliezen, ruggenmerg, eetbare huid, voortplantingsorganen (d.w.z. baarmoeders, eierstokken en teelballen), schildklieren en hypofyses.

Het product ondergaat een warmtebehandeling die voldoende is om de vleeseiwitten te doen stollen in het hele product, dat op het snijvlak geen sporen van een rozige vloeistof mag vertonen wanneer het wordt doorgesneden langs een lijn die door het dikste gedeelte ervan gaat.

b) Onder B-producten wordt verstaan: rundvlees bevattende verwerkte producten, andere dan:

  1. de producten vermeld onder punt a), of
  2. S1de in deel XV, onder a), van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1308/2013vermelde producten, namelijk:

1 Een verwerkt product van GN-code 0210 20 90, dat zodanig is gedroogd of gerookt dat de kleur en consistentie van vers vlees volledig is verdwenen, en dat een water/eiwitverhouding van niet meer dan 3:2 heeft, wordt evenwel als B-product beschouwd.

Toe te passen maatregelen:

S1 Deze contingenten worden beheerd volgens het principe “eerst komt, eerst maalt” (zie Circulaire 2021/C/109 over tariefcontingenten “eerst komt, eerst maalt” van 15/12/2021 (D.I. 625)). Het geeft recht op een vermindering van douanerechten “erga omnes”.

De vermindering van de invoerrechten in het kader van het gebruik van dit tariefcontingent is gekoppeld aan de toepassing van de regeling bijzondere bestemming.

De toepassing van deze tariefcontingenten vergt een strikt toezicht op de invoer en doeltreffende controles op het gebruik en de bestemming van de ingevoerde producten.

De volgende voorwaarden dienen nageleefd te worden:

  1. S1 Producten die in het kader van de tariefcontingenten met de volgnummers 09.0161, 09.0162, 09.0163 09.0164 worden ingevoerd, worden onder de regeling bijzondere bestemming geplaatst. Voorafgaand aan elke invoer, dient de importeur in het bezit te zijn van een vergunning bijzondere bestemming.
  2. S1De volledige ingevoerde hoeveelheid wordt binnen drie maanden na de datum waarop zij in het vrije verkeer in de Unie gebracht is, verwerkt tot eindproducten A in het kader van contingent 09.0161 of 09.0162, of tot eindproducten B in het kader van contingent 09.0163 of 09.0164.
  3. Een zekerheid dient te worden gesteld in het kader van de vergunning bijzondere bestemming om te garanderen dat de verplichting van punt 4 hierboven wordt nageleefd en de niet-geïnde rechten bij niet-naleving van de verplichting toch kunnen worden geïnd. Bij de vaststelling van het bedrag van die zekerheid moet rekening worden gehouden met het verschil tussen de douanerechten die binnen het contingent gelden, en die welke daarbuiten van toepassing zijn.

Het bedrag van de zekerheid is vastgesteld volgens onderstaande tabel in EUR/1.000 kg netto:

Product

(GN-code)

Voor de vervaardiging van A-producten

Voor de vervaardiging van B-producten

0202 20 30
0202 30 10
0202 30 50
0202 30 90
0206 29 91

1.414

2.211

2.211

3.041

3.041

420

657

657

903

903

  1. De douane moet een stelsel van fysieke controles en documentcontroles opzetten om ervoor te zorgen dat al het vlees binnen drie maanden na de datum van invoer in de op het betrokken invoercertificaat vermelde verwerkingsinrichting wordt verwerkt tot de op dat invoercertificaat vermelde productcategorie.

Dit stelsel omvat fysieke controles van de hoeveelheid en de kwaliteit aan het begin van de verwerking, tijdens de verwerking en na voltooiing van de verwerking. Daartoe moeten de verwerkers te allen tijde aan de hand van geschikte productieregisters de identiteit en het gebruik van het ingevoerde vlees kunnen aantonen.

Bij de technische verificatie van de productiemethode door de bevoegde autoriteit mag voor zover nodig rekening worden gehouden met drupverliezen en afsnijdsels.

Om de kwaliteit van het eindproduct te verifiëren (zie definitie van producten A en B) en na te gaan of het eindproduct beantwoordt aan de formule van de verwerker voor de samenstelling ervan, neemt de verifiërend ambtenaar representatieve monsters om deze te analyseren. De kosten van deze werkzaamheden worden gedragen door de betrokken verwerker.

  1. De douane ontvangt een bewijs dat de volledige hoe­veelheid ingevoerd vlees binnen drie maanden na de datum waarop zij in het vrije verkeer is gebracht, in de aangewezen inrichting tot de vereiste eindproducten is verwerkt. Indien het vlees is verwerkt na de
    termijn van drie maanden, wordt de vrij te geven zekerheid verminderd met 15 % en, voor de overblijvende hoeveelheid, met 2 % voor elke dag waarmee de termijn is overschreden.

Het bewijs van verwerking wordt geleverd binnen zeven maanden na de datum waarop de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht. Wanneer binnen de termijn van zeven maanden wordt aangetoond dat de verwerking heeft plaatsgevonden, maar het bewijs daarvan pas wordt overgelegd binnen 18 maanden na deze termijn, wordt het verbeurde bedrag, verminderd met een bedrag dat overeenkomt met 15 % van het bedrag van de zekerheid, terugbetaald. Het niet-vrijgegeven bedrag van de zekerheid wordt verbeurd.

Fiche 0206

Goederen: eetbare slachtafvallen bestemd voor de vervaardiging van farmaceutische producten

Taric-code van de goederen:

0206 1010 00

0206 2910 00

0206 8010 00

0206 9010 00

Wettelijke basis: Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (P.B. nr. L 256 van 7/9/1987).

Toe te passen maatregel:

De invoerder kan genieten van een vrijstelling van invoerrechten bij het in het vrije verkeer brengen van eetbare slachtafvallen bestemd voor de vervaardiging van farmaceutische producten.

Voorwaarden:

Deze vrijstelling van invoerrechten is onderworpen aan de toepassing van de regeling bijzondere bestemming;

De slachtafvallen moeten bestemd zijn voor de vervaardiging van de producten van GN-codes 2937, 3001, 3003 en 3004.

Fiche 0406

Goederen: Kaas bestemd voor de verwerking

Taric-code van de goederen: 0406 9001

Wettelijke basis: S1Uitvoeringsverordening (EU) 2020/761 van de Commissie van 17 december 2019 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de Verordeningen (EU) nr. 1306/2013, (EU) nr. 1308/2013 en (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het systeem voor het beheer van tariefcontingenten met certificaten (P.B. nr. L 185 van 12/06/2020).

Toe te passen maatregelen:

De GN-code 0406 9001 is onderworpen aan de algemene regeling bijzondere bestemming. Het gemeenschappelijk douanetarief en de gecombineerde nomenclatuur vermelden echter niet de bestemming die gegeven moet worden aan de goederen ingedeeld onder deze code.

S1 Diverse landbouwcontingenten en niet-landbouwcontingenten (“eerst komt, eerst maalt”) worden geopend voor deze GN-code en kennen een verlaagd recht of nulrecht toe, eveneens in het kader van de bijzondere bestemming.

Het gaat om volgende contingenten:

S1 09.0151 (oorsprong: alle derde landen behalve het Verenigd Koninkrijk) ;

09.4515 (oorsprong: Nieuw-Zeeland);

09.4522 (oorsprong: Australië);

Voorwaarden om te kunnen genieten van de vermelde landbouwcontingenten S1 (09.4xxx) :

De regeling bijzondere bestemming moet toegepast en nageleefd worden;

De bepalingen van de regeling inzake de invoercertificaten ingesteld voor melkproducten dienen nageleefd te worden;

De kaas is bestemd voor verwerking tot producten van onderverdeling 0406 30 van de gecombineerde nomenclatuur (smeltkaas, niet geraspt noch in poeder).

Fiche 0714

Goederen: Bataten (zoete aardappelen), vers, geheel, bestemd voor menselijke consumptie

GN-code van de goederen: 0714 2010

Wettelijke basis: S1Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1988 van de Commissie van 11 november 2020 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013 en (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het beheer van invoertariefcontingenten volgens het beginsel “wie het eerst komt, het eerst maalt” (P.B. nr. L 422 van 14/12/2020).

Toe te passen maatregel:

De regeling bijzondere bestemming dient niet toegepast te worden.

De beschrijving van de goederen in de gecombineerde nomenclatuur kan verwarring doen ontstaan door het gebruik van de bewoording “bestemd”.

De bewoording “bestemd” laat toe een onderscheid te maken tussen de zoete aardappelen bestemd voor menselijke consumptie en de andere goederen van GN-code 0714 2090, waarop bepaalde maatregelen van bovenstaande verordening van toepassing zijn in het kader van tariefcontingenten.

Het is dus noodzakelijk de presentatie- en verpakkingswijze van de zoete aardappelen, die bestemd zijn voor bovenstaand gebruik, te definiëren. De goederen die bestemd zijn voor menselijke consumptie en onderverdeeld mogen worden onder GN-code 0714 2010, zijn de zoete aardappelen, vers en in hun geheel, die verpakt zijn in onmiddellijke verpakkingen wanneer de douaneformaliteiten worden vervuld om de goederen in het vrije verkeer te brengen.

Fiche 1003

Goederen: Brouwgerst

Taric-code van de goederen: 1003 9000 20

Wettelijke basis: S1 Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1988 van de Commissie van 11 november 2020 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013 en (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het beheer van invoertariefcontingenten volgens het beginsel “wie het eerst komt, het eerst maalt” (P.B. nr. L 422 van 14/12/2020).

Toe te passen maatregelen:

Elk jaar wordt er een tariefcontingent (09.0076) geopend op 1 januari voor de invoer van S1 20789 ton brouwgerst van Taric-code 1003 9000 20 die bestemd is voor de bereiding van bier dat rijpt in tanks met beukenhout.

Dit contingent wordt beheerd volgens het principe “eerst komt, eerst maalt” (zie Circulaire 2021/C/109 over tariefcontingenten “eerst komt, eerst maalt” van 15/12/2021 (D.I. 625)). Het geeft recht op een vermindering van douanerechten S1 bij invoer uit alle derde landen behalve het Verenigd Koninkrijk.

De vermindering van de invoerrechten in het kader van het gebruik van dit tariefcontingent is gekoppeld aan de toepassing van de regeling bijzondere bestemming. Volgende voorwaarden dienen in acht genomen te worden:

1. De ingevoerde gerst voldoet aan volgende criteria:

a) Soortelijk gewicht : 60,5 kg/hl of meer;

b) Aangetaste korrels1: 1% of minder;

c) Vochtgehalte: 13,5% of minder;

d) Gertkorrels van gezonde handelskwaliteit2: 96% of meer.

---

„aangetaste korrels”: korrels van gerst, van andere graansoorten of van wilde haver, die beschadigingen vertonen, inclusief aantastingen ten gevolge van ziekte, vrieskoude, warmte, insecten, schimmels en slechte weersomstandigheden, alsmede elke andere materiële beschadiging.

2 „korrels van gezonde handelskwaliteit”: gerstkorrels of delen van gerstkorrels die geen aangetaste korrels zijn als omschreven hiervoor, met uitzondering van korrels die zijn aangetast door vrieskoude of door schimmels.

De kwaliteitscriteria worden gestaafd aan de hand van één van volgende documenten:

  1. een certificaat van een analyse die op verzoek van de importeur is verricht door de douanedienst waar de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht; of
  2. een door de Commissie erkend overeenstemmingscertificaat voor de ingevoerde gerst dat is afgegeven door een overheidsinstantie van het land van oorsprong.

2. Vereiste verwerkingen:

de ingevoerde gerst moet tot mout verwerkt worden binnen de zes maanden na datum van het in het vrije verkeer brengen; en

de mout moet gebruikt worden bij de bereiding van bier dat rijpt in beukenhouten vaten binnen de 150 dagen, te rekenen vanaf de datum van verwerking van gerst tot mout.

De verwerking van de ingevoerde gerst tot mout wordt geacht te hebben plaatsgevonden wanneer de gerst geweekt is.

3. Om te garanderen dat de in punt 2 vermelde verplichtingen worden nageleefd en de niet-geïnde rechten bij niet-naleving van de verplichting toch kunnen worden geïnd, moet bij de bevoegde douaneautoriteiten op het tijdstip van de invoer een zekerheid worden gesteld. De zekerheid bedraagt 85 EUR per ton.

Indien de partijen brouwgerst vergezeld gaan van een door de Federal Grain Inspection Service (FGIS) afgegeven overeenstemmingscertificaat, wordt de zekerheid verlaagd tot 10 EUR per ton. S1Deel A van bijlage II van bovenvermelde verordening bevat een model van dit certificaat.

De zekerheid wordt vrijgegeven indien aan de douane het bewijs wordt geleverd dat:

De kwaliteit van de gerst, vastgesteld op basis van het overeenstemmingscertificaat of van de analyse, voldoet aan de kwaliteitscriteria uit punt 1; en

De verwerkingen uit punt 2 binnen de vastgestelde termijnen hebben plaatsgevonden.

Fiche 1005

Goederen: Glazige maïs met een soortelijk gewicht van 75,5 kg/hl of meer, met een aandeel aan glazige korrels van 92 gewichtspercenten of meer en met een maximumwaarde van de flotatie-index van 26, bestemd voor verwerking.

Taric-code van de goederen: 1005 90 00 20

Wettelijke basis:Verordening (EU) nr. 642/2010 van de Commissie van 20 juli 2010 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen(P.B. nr. L 187 van 21/07/2010).

Toe te passen maatregelen:

De invoerder kan genieten van een forfaitaire vermindering op de invoerrechten die kan oplopen tot 24 euro per ton bij het in het vrije verkeer brengen van de glazige maïs.

De vermindering van de invoerrechten is gekoppeld aan de toepassing van de regeling bijzondere bestemming onder de onderstaande voorwaarden. Indien één van deze voorwaarden niet nageleefd wordt, dient de glazige maïs in het vrije verkeer gebracht te worden onder Taric-code 1005 90 00 90.

Voorwaarden:

  1. De glazige maïs moet voldoen aan specifieke kwaliteitscriteria:

Een minimaal soortelijk gewicht gelijk aan 75,5 kg/hl of meer (tolerantie: - 0.5);

Een minimaal procentueel aandeel aan glazige korrels van 92% (tolerantie: - 3.0);

Maximum-waarde van de flotatie-index: 26 (tolerantie: + 1.0).

  1. De glazige maïs moet binnen de zes maanden vanaf de aanvaardingsdatum van het in het vrije verkeer brengen een bewerking voor de vervaardiging van een product van één van volgende GN-codes hebben ondergaan:

1904 1010: graanpreparaten op basis van maïs verkregen door poffen of roosteren,

1103 13: gries en griesmeel van maïs, of

1104 23: op andere wijze bewerkte granen van maïs (bijvoorbeeld gepeld, gepareld, gesneden of gebroken).

  1. De forfaitaire vermindering van het invoerrecht bedraagt maximum 24 euro per ton, wat overeenstemt met het verschil tussen het tarief van het invoerrecht dat van toepassing is voor maïs van de post “andere” (1005 9000 90) en het tarief dat van toepassing is voor glazige maïs.

Dit bedrag van 24 euro geeft bijgevolg het maximale bedrag weer van de te stellen borg.

Aangezien de invoerrechten sterk kunnen variëren van periode tot periode, kan er geen doorlopende zekerheid gesteld worden in het kader van de vergunning bijzondere bestemming maar moet de zekerheid gesteld worden voor elke aangifte die goederen onder de regeling plaatst. PLDA berekent automatisch de borg.

De zekerheid bedraagt 24 euro per ton behalve:

Indien de aangifte van plaatsing onder de regeling bijzondere bestemming vergezeld gaat van kwaliteitscertificaat dat is afgegeven door de Argentijnse Servicio Nacional de Sanidad y Calidad Agroalimentaria (Senasa). Een model van dit kwaliteitscertificaat is terug te vinden in bijlage IV van verordering (EU) nr. 642/2010. In dit geval dienen de rechten niet geborgd te worden.

Als het recht dat geldt op de datum van aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer voor maïs met Taric-code 1005 90 00 90 lager is dan 24 EUR per ton. Dan is de zekerheid gelijk aan dat recht.

Tevens moet in de berekening van de zekerheid eveneens rekening gehouden worden met de voorziene vermindering van de rechten in functie van de haven van lossing in de Unie:

Het recht wordt verminderd met 3 euro per ton indien de haven van lossing in de Unie zich in de Middellandse Zee (voorbij de Straat van Gibraltar) of in de Zwarte Zee bevindt en de goederen toekomen via de Atlantische oceaan of het Suezkanaal. Er wordt dan gebruik gemaakt van de aanvullende Taric-code 2551.

Het recht wordt verminderd met 2 euro per ton wanneer de haven van lossing in de Unie zich aan de Atlantische kust van het Iberisch schiereiland, in het Verenigd Koninkrijk, in Ierland, in Denemarken, in Estland, in Letland, in Litouwen, in Polen, in Finland of in Zweden bevindt en het product via de Atlantische Oceaan wordt aangevoerd. Er wordt dan gebruik gemaakt van de aanvullende Taric-code 2552.

De douaneautoriteit van de haven van lossing geeft een certificaat af waarin de hoeveelheid van elk gelost product wordt bevestigd, overeenkomstig het model in bijlage I van verordening (EU) nr. 642/2010. De verlaging van het recht wordt slechts toegekend indien het certificaat de goederen vergezelt totdat de douaneformaliteiten bij invoer worden vervuld.

In beide gevallen berekent PLDA een bedrag voor de borg dat gebaseerd is op het maximaal verschuldigde recht bij niet-voorlegging van het document dat de haven van lossing bevestigt.

Controle:

De instructie “Controle bij het in het vrije verkeer brengen van bepaalde graan- en rijstsoorten” D.T. 272.992 van 19/07/2011 (D.I. 630.1.) is van toepassing.

Als op basis van de resultaten van de analyse door het labo de glazige maïs, ingevoerd onder de regeling bijzondere bestemming, ingedeeld wordt onder Taric-code 1005 90 00 90, wordt een einde gesteld aan de regeling bijzondere bestemming voor de desbetreffende zending. De zekerheid moet dan worden ingehouden in de vorm van invoerrechten.

Indien de aangegeven kwaliteit voldoet aan de specifieke eisen om onder de regeling bijzondere bestemming te vallen en een zekerheid gesteld werd voor het geval het bovenvermelde certificaat (Senasa) niet vertoond kon worden, wordt de zekerheid vrijgegeven nadat de bijzondere bestemming gevolgd werd binnen de voorgeschreven termijn van zes maanden.

S1 Fiche 1006

S1 Goederen: Breukrijst voor de productie van voor voeding bestemde bereidingen van onderverdeling 1901 10

Taric-code van de goederen: 1006 4000 10

Wettelijke basis: Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1988 van de Commissie van 11 november 2020 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013 en (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het beheer van invoertariefcontingenten volgens het beginsel “wie het eerst komt, het eerst maalt” (P.B. nr. L 422 van 14/12/2020).

Toe te passen maatregelen:

Elk jaar wordt er een tariefcontingent (09.0139) geopend op 1 januari voor de invoer van 1 000 ton breukrijst die bestemd is voor de productie van voor voeding bestemde bereidingen van onderverdeling 1901 10.

Dit contingent wordt beheerd volgens het principe “eerst komt, eerst maalt” (zie Circulaire 2021/C/109 over tariefcontingenten “eerst komt, eerst maalt” van 15/12/2021 (D.I. 625)). Het geeft recht op een vermindering van douanerechten bij invoer uit alle derde landen behalve het Verenigd Koninkrijk.

De vermindering van de invoerrechten in het kader van het gebruik van dit tariefcontingent is gekoppeld aan de toepassing van de regeling bijzondere bestemming.

Volgende voorwaarden dienen in acht genomen te worden:

  1. Alle rijst die in het kader van het tariefcontingent met volgnummer 09.0139 wordt ingevoerd, wordt onder de regeling bijzondere bestemming geplaatst.
  2. Voorafgaand aan elke invoer, dient de importeur in het bezit te zijn van een vergunning bijzondere bestemming. Op het verzoek om een vergunning voor de bijzondere bestemming­ vermeldt de importeur als plaats van verwerking hetzij de naam
    van een verwerkingsbedrijf en een lidstaat, hetzij ten hoogste vijf ver­
    schillende verwerkingsinrichtingen.
  3. Alle rijst die in het kader van het tariefcontingent met volgnummer 09.0139 wordt ingevoerd, wordt verwerkt binnen zes maanden na de datum waarop hij in het vrije verkeer is gebracht.
  4. Om te garanderen dat de in punt 3 vermelde verplichtingen worden nageleefd en de niet-geïnde rechten bij niet-naleving van de verplichting toch kunnen worden geïnd, moet bij de bevoegde douaneautoriteiten op het tijdstip van de invoer een zekerheid worden gesteld, namelijk een bedrag dat gelijk is aan het meestbegunstigingsdouanerecht voor breukrijst met Taric-code 1006 4000 10 (65 EUR/ton).
  5. De zekerheid wordt vrijgegeven wanneer het bewijs is geleverd dat het product binnen zes maanden na de datum waarop het in het vrije verkeer is gebracht, is verwerkt. Indien niet binnen deze termijn aan de vereiste inzake verwerking wordt voldaan, wordt de vrij te geven zekerheid verminderd met 2 % voor elke dag waarmee de termijn wordt overschreden.

De douane ontvangt binnen zes maanden na de termijn voor verwerking een bewijs van verwerking. Is dat niet het geval, dan wordt de zekerheid verder verminderd met
2 % voor elke dag waarmee de termijn wordt overschreden.

Fiche 1605

Goederen: Vlees van zeekreeften, gekookt, bestemd voor de verwerkende industrie voor de vervaardiging van kreeftenboter, kreeftenpasteien, kreeftensoep of kreeftensaus

Taric-code van de goederen: 1605 30 10 00

Wettelijke basis: artikel 254 van het DWU

Toe te passen maatregelen:

Om de goederen onder deze post te kunnen onderverdelen en zo te genieten van de vrijstelling van invoerrechten bij het in het vrije verkeer brengen van de goederen, dient gebruik gemaakt te worden van de regeling bijzondere bestemming.

Voorwaarden:

De goederen dienen bestemd te zijn voor de verwerkingsindustrie. Wanneer de behandeling wordt verricht door de kleinhandel of door restaurantbedrijven, kantines en dergelijke mogen de voordelen van de regeling bijzondere bestemming niet toegekend worden en is de indeling van deze goederen onder deze onderverdeling niet toegestaan;

De zekerheid wordt berekend op basis van het invoerrecht dat van toepassing is op de goederen die vallen onder de post “andere” (GN-code 1605 30 90), zijnde een invoerrecht van 20%.

Fiche 2009

Goederen: Druivensappen en druivenmost gebruikt voor de vervaardiging van druivensap of andere producten andere dan wijn, zoals alcoholvrije dranken, jam en sauzen

Taric-code van de goederen:

2009 61 90 10

2009 69 11 11

2009 69 11 19

2009 69 19 10

2009 69 51 10

2009 69 90 20

Wettelijke basis: S1Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1988 van de Commissie van 11 november 2020 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013 en (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het beheer van invoertariefcontingenten volgens het beginsel “wie het eerst komt, het eerst maalt” (P.B. nr. L 422 van 14/12/2020), laatstelijk gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (UE) 2021/1401 (P.B. nr. L 302 van 26/08/2021).

Toe te passen maatregelen:

Elk jaar wordt voor de periode van 1 september tot en met 31 augustus van het volgende jaar een tariefcontingent geopend voor de invoer van druivensap en druivenmost die vallen onder bovengenoemde Taric-codes en die bestemd zijn voor de vervaardiging van druivensap en/of de vervaardiging van producten andere dan wijn.

Dit contingent, met nummer 09.0067, wordt beheerd volgens het principe “eerst komt, eerst maalt” (zie Circulaire 2021/C/109 over tariefcontingenten “eerst komt, eerst maalt” van 15/12/2021 (D.I. 625)). Het geeft recht op een vermindering van douanerechten S1 bij invoer uit alle derde landen behalve het Verenigd Koninkrijk.

De vermindering van de invoerrechten in het kader van het gebruik van dit tariefcontingent is gekoppeld aan de toepassing van de regeling bijzondere bestemming. Volgende voorwaarden dienen in acht genomen te worden:

  1. De goederen die onder deze regeling geplaatst worden, moeten uitsluitend worden gebruikt voor de vervaardiging van druivensap en/of andere producten dan wijn, zoals alcoholvrije dranken, confituur en sauzen;
  2. Het druivensap en de druivenmost moeten worden verwerkt binnen zes maanden nadat ze in het vrije verkeer zijn gebracht;
  3. Er moet een zekerheid gesteld worden om het risico van een mogelijke douaneschuld af te dekken. De zekerheid bedraagt het verschil tussen de douanerechten ‘erga omnes’ en de vastgestelde rechten in het kader van het tariefcontingent:

Fiche 8714

Goederen: Hoofdbestanddelen van rijwielen (fietsen) S1 verzonden vanuit of van oorsprong uit de Volksrepubliek China

GN-code van de goederen:

Wettelijke basis:

Verordening (EU) nr. 88/97 van de Commissie van 20 januari 1997 tot goedkeuring van de vrijstelling van de invoer van bepaalde delen van rijwielen, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, van de uitbreiding bij Verordening (EG) nr. 71/97 van de Raad van het bij Verordening (EEG) nr. 2474/93 van de Raad ingestelde antidumpingrecht (P.B. nr. L 17 van 21/01/1997), S1 laatstelijk gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2020/1296 van 16 september 2020 (P.B. nr. L 303 van 17/09/2020) en Uitvoeringsverordening (EU) 2023/611 van 17 maart 2023 (P.B. nr. L 80 van 20/03/2023).

Inleiding:

In 1993 werd een definitief antidumpingrecht ingesteld bij Verordening (EEG) nr. 2474/1993 voor rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China. Dit antidumpingrecht werd tot op heden verlengd via verschillende verordeningen. De laatste verordening die tot op heden van kracht is, is S1 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/1379 .

Het is gebleken dat de antidumpingmaatregelen die betrekking hadden op de fietsen omzeild werden door de invoer van bepaalde niet-geassembleerde delen van fietsen in de Europese Unie. Daarom werd het antidumpingrecht in 1997 uitgebreid tot de invoer van bepaalde onderdelen van rijwielen van oorsprong of uit de Volksrepubliek China door verordening (EG) nr. 71/97 (momenteel is S1 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/1379 van kracht).

Het uitgebreide recht is van toepassing op bovenvermelde GN-codes.

De hoofdbestanddelen van de fietsen die verzonden worden vanuit de Volksrepubliek China worden verondersteld van oorsprong te zijn uit dit land behalve wanneer een oorsprongscertificaat, afgeleverd overeenkomstig de maatregelen inzake oorsprong van kracht in de EU, voorgelegd kan worden waaruit blijkt dat de bestanddelen in kwestie van oorsprong zijn uit een ander land.

Desalniettemin heeft de Europese Commissie bepaald dat een vrijstelling van antidumpingrecht toegestaan mag worden voor assemblagehandelingen voor welke de niet-omzeiling bewezen is. Eveneens is een vrijstelling voorzien voor het gebruik van hoofdbestanddelen van fietsen in kleine getale door kleine operatoren, namelijk voor vervangingsdoeleinden, een handeling die vermoedelijk geen omzeiling behelst. In dit laatste geval gaat het om invoer van hoofdbestanddelen van fietsen met een beperkt economisch belang. Het is weinig waarschijnlijk dat daardoor de gevolgen van het ingestelde recht worden ondermijnd. De invoer van het aantal fietsen die mogelijk kunnen worden vervaardigd door middel van deze ingevoerde delen zal derhalve het bestaand recht onwaarschijnlijk ondermijnen.

Daarom heeft de Commissie in de verordening (EG) nr. 88/97 drie soorten vrijstelling van antidumpingrecht ingesteld voor de invoer van bestanddelen van fietsen. S1Deze worden besproken in punt I hieronder.

Bovendien voorziet het gemeenschappelijk douanetarief voor bepaalde essentiële onderdelen van rijwielen (al dan niet van oorsprong uit China) in een schorsing/vermindering van de invoerrechten in het kader van de regeling bijzondere bestemming. Deze schorsingen worden besproken in punt II hieronder.

I. Drie soorten vrijstelling van het antidumpingrecht op bestanddelen van fietsen van oorsprong uit of verzonden uit China die onder bovengenoemde GN-codes vallen

  1. Bij het in het vrije verkeer brengen door of namens een vrijgestelde S1partij

Onder vrijgestelde partij verstaat men assembleurs/assemblagebedrijven waarvan de Europese Commissie erkend heeft dat hun assemblageverrichtingen de maatregelen niet omzeilen, en die bepaalde specifieke verplichtingen nakomen.

S1 De lijst van deze vrijgestelde partijen is te vinden in bijlage II van Verordening (EG) nr. 88/97. Aangezien de in bijlage II van Verordening (EG) nr. 88/97 opgenomen lijst van vrijgestelde partijen niet altijd bijgewerkt wordt, is het beter om Tarbel te raadplegen om na te gaan of de vrijstelling van toepassing is voor de partij waaraan de goederen werden geleverd.

De invoer van bestanddelen van fietsen door deze assembleurs valt niet onder de regeling bijzondere bestemming. Daarom hoeven vrijgestelde partijen geen vergunning bijzondere bestemming aan te vragen.

Bij het in het vrije verkeer brengen van de hoofdbestanddelen van fietsen die onderworpen zijn aan een antidumpingrecht omdat zij van oorsprong of afkomstig zijn uit China, moeten de assembleurs de bestanddelen indelen onder de tariefpostonderverdeling ‘andere’ S1 (= andere dan die posten waarvoor de regeling bijzondere bestemming van toepassing is - zie punt 3 hieronder).

Voor een geverfd, geanodiseerd, gepolijst en/of gelakt frame bijvoorbeeld dienen volgende Taric-codes, naar gelang het geval, gebruikt worden: 8714 9110 31, 8714 9110 35 of 8714 9110 39:

(Datum raadpleging: 31.03.2023.)

Een aanvullende Taric-code wordt toegewezen aan elke vrijgestelde S1 partij. Deze code dient vermeld te worden in vak 33 S1 (derde deelvak) van de aangifte om te kunnen genieten van de vrijstelling van het antidumpingrecht.

S1 Als men bijvoorbeeld in Tarbel het scherm van de tarifaire maatregelen bekijkt voor code 8714 9110 31, kan men de lijst van alle vrijgestelde partijen terugvinden in de vorm van hun aanvullende Taric-code.

(Datum raadpleging: 31.03.2023.)

Het antidumpingrecht bedraagt effectief 0% en door op de aangegeven aanvullende code te klikken, verschijnt de naam van de vrijgestelde partij. Bijvoorbeeld, de aanvullende code 8062:

Indien de importeur geen vrijgestelde partij is, geen onderzochte partij (zie punt 2 hierna), geen gebruik maakt van de in punt 3 genoemde regeling bijzondere bestemming of geen elektrische fietsen assembleert (punt 3 d) hierna), moet aanvullende code 8900 worden gebruikt en zijn antidumpingrechten verschuldigd:

(Datum raadpleging: 31.03.2023.)

Tevens dient ook opgemerkt te worden dat een vrijgestelde S1 partij geen bestanddelen van fietsen mag leveren aan een houder van een vergunning bijzondere bestemming of vergunning TORO (zie punt 3 hieronder). De bestanddelen vrijgesteld van het antidumpingrecht mogen enkel gebruikt worden in de assemblageverrichtingen van de vrijgestelde S1 partij of bij de assemblage van andere producten, of worden vernietigd, weder uitgevoerd of herverkocht aan een andere vrijgestelde partij.

  1. Bij het in het vrije verkeer brengen door of namens een onderzochte partij

Onder onderzochte S1 partijen verstaat men assembleurs waarvan de assemblagewerken onderzocht worden door de Europese Commissie met als doel vrijgesteld te worden van antidumpingrechten.

Dezelfde maatregelen zijn van toepassing als voor de definitief vrijgestelde S1 partij (tarifaire indeling en aanvullende Taric-code).

In afwachting van een beslissing over de gegrondheid van de aanvraag tot vrijstelling door de assembleur, wordt de betaling van het antidumpingrecht geschorst vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag door de Europese Commissie; een S1individuele zekerheid wordt echter wel gesteld bij elke aangifte voor het vrije verkeer S1via een kwitantie Benelux 3 of een reservering op de klantenrekening.

Voorbeeld van onderzochte S1partijen, in Tarbel voor code 8714 9110 31:

(Datum raadpleging: 31.03.2023.)

S1 Het maatregeltype "Antidumping/compenserend recht - Inning in afwachting" geeft aan dat de betaling van rechten hangende is en afhankelijk is van het stellen van een zekerheid.

Indien de assembleur vervolgens door de Europese Commissie wordt erkend als vrijgestelde partij, kunnen de gestelde zekerheden worden vrijgegeven.

Indien de assembleur daarentegen door de Europese Commissie niet als vrijgestelde partij wordt erkend, moeten de gestelde zekerheden definitief worden geïnd als definitieve antidumpingrechten.

  1. Bij het in het vrije verkeer brengen onder de regeling bijzondere bestemming door personen/ondernemingen andere dan de vrijgestelde partijen

3.1. Vier mogelijkheden

S1Artikel 14 van Verordening (EG) nr. 88/97 voorziet in vier mogelijkheden:

a) de hoofdbestanddelen van de fietsen worden in het vrije verkeer gebracht door een persoon/onderneming die in het bezit is van een vergunning bijzondere bestemming en zijn geleverd– zonder beperking op de hoeveelheid – aan een vrijgestelde partij,

of

b) de hoofdbestanddelen van de fietsen worden in het vrije verkeer gebracht door een persoon/onderneming die in het bezit is van een vergunning bijzondere bestemming en zijn geleverd– zonder beperking op de hoeveelheid – aan een andere houder van een vergunning TORO (procedure 2 van TORO: zie punt 90 van deel I van deze circulaire) of toegestane overnemer (procedure 1 van TORO: zie punt 85 van deel I van deze circulaire),

of

c) per maand minder dan 300 eenheden per soort hoofdbestanddelen van fietsen voor het vrije verkeer worden aangegeven door een persoon/onderneming (die in het bezit is van een vergunning bijzondere bestemming) andere dan een vrijgestelde partij (geval 3 c 1) dan wel aan die persoon/onderneming worden geleverd (geval 3 c 2). In geval 3 c 2, waarin de hoofdbestanddelen van fietsen die reeds door een vergunninghouder voor de regeling bijzondere bestemming in het vrije verkeer zijn gebracht, worden geleverd aan een persoon/onderneming, moet deze laatste houder zijn van een TORO-vergunning (TORO-procedure 2: zie punt 90 van deel I van deze circulaire) of een toegelaten overnemer (TORO-procedure 1: zie punt 85 van deel I van deze circulaire). Het aantal bestanddelen dat wordt aangegeven door of wordt geleverd aan een partij, wordt berekend met verwijzing naar het aantal bestanddelen dat is aangegeven door of is geleverd aan alle partijen die met die partij zijn geassocieerd of die met die partij compensatieovereenkomsten hebben,

of

d) de hoofdbestanddelen van rijwielen worden zonder beperking op de hoeveelheid in het vrije verkeer gebracht door een persoon/onderneming die in het bezit van een vergunning bijzondere bestemming is en worden gebruikt bij de assemblage van rijwielen met hulpmotor (aanvullende Taric-code 8835) of van andere voertuigen dan rijwielen (bijvoorbeeld bepaalde steps), met of zonder hulpmotor (aanvullende Taric-code C549).

Voorbeeld van mogelijkheid d), in Tarbel bij Taric-code 8714 96 30 90:

(Datum raadpleging: 31.03.2023.)

3.2. Voorwaarden om te genieten van de vrijstelling op antidumpingrecht:

De persoon/onderneming die de goederen in het vrije verkeer brengt, mag geen vrijgestelde S1 partij zijn.

De persoon/onderneming die de goederen in het vrije verkeer brengt, moet in het bezit zijn van een vergunning bijzondere bestemming S1vóór de eerste invoer;

S1 Voor gevallen 3 a), b) en c) moeten de goederen ingedeeld worden onder de Taric-codes die de volgende beschrijving bevatten: ‘van oorsprong uit of geconsigneerd vanuit China:

in hoeveelheden van minder dan 300 eenheden per maand of voor overdracht aan een partij in hoeveelheden van minder dan 300 eenheden per maand; of

voor overdracht aan een andere houder van een vergunning voor eindgebruik of aan vrijgestelde partijen’.

Voor een geverfd, geanodiseerd, gepolijst en/of gelakt frame bijvoorbeeld, dienen volgende Taric-codes, naargelang het geval, gebruikt te worden: 8714 9110 21, 8714 9110 25 of 8714 9110 29.

(Datum raadpleging: 31.03.2023.)

S1Voor geval 3 d) moeten de goederen worden ingedeeld onder de Taric-posten van de onderverdeling "andere".

Bijvoorbeeld, voor een geverfde, geanodiseerde, gepolijste en/of gelakte frame moeten de volgende TARIC-codes worden gebruikt: 8714 9110 31, 8714 9110 35 of 8714 9110 39

(Datum raadpleging: 31.03.2023.)

Met vermelding in vak 33, derde deelvak, van de aanvullende Taric-code 8835 voor de assemblage van rijwielen met hulpmotor of van de aanvullende Taric-code C549 voor de assemblage van andere voertuigen dan rijwielen, ook indien met hulpmotor. Bijvoorbeeld voor code 8714 9110 31 :

(Datum raadpleging: 31.03.2023.)

In tegenstelling tot vrijgestelde partijen die dezelfde Taric-codes gebruiken, geeft de conditie "C" aan dat voor de aanvullende codes 8835 en C549 een vergunning bijzondere bestemming vereist is:

(Datum raadpleging: 31.03.2023.)

3.3. Voorwaarden voor de afgifte van een vergunning bijzondere bestemming

Bij de aanvraag voor de vergunning bijzondere bestemming dient de aanvrager te vermelden welk type werkzaamheden hij/zij wenst uit te voeren:

het in het vrije verkeer brengen met levering aan een vrijgestelde S1 partij (geval 3 a),

het in het vrije verkeer brengen met levering aan een andere vergunninghouder (geval 3 b),

het in het vrije verkeer brengen van minder dan 300 éénheden per maand (geval 3 c 1),

het ontvangen van minder dan 300 éénheden per maand (geval 3 c 2),

of het in het vrije verkeer brengen voor assemblage van fietsen S1 met hulpmotor of andere voertuigen dan rijwielen, ook indien met hulpmotor (geval 3 d).

S1 De verordening verbiedt een operator op geen enkele manier om gelijktijdige toepassing van de verschillende mogelijkheden van de gevallen 3a ) tot en met 3d) aan te vragen, maar de diensten van de douane die de vergunningaanvraag moeten onderzoeken en afleveren, moeten rekening houden met het feit dat het voor de douane zeer moeilijk zal zijn om verschillende vergunningen voor dezelfde operator met verschillende doeleinden en/of beperkingen te controleren.

De cumulatie van deze verschillende mogelijkheden brengt een vermenging van maatregelen met betrekking tot de kwantitatieve criteria voorzien voor geval 3 c) met zich mee en wordt bijgevolg moeilijk controleerbaar wanneer het totaal aantal éénheden vermeld onder 3 c) overschreden zal worden.

Zoals vermeld in punt 19 van Deel I van deze circulaire, moet de vergunning geweigerd worden indien een efficiënt douanetoezicht niet verzekerd kan worden.

Bovendien is de vrijstelling in geval 3 c) S1 (de minimis-regel) toegestaan voor kleine operatoren bij het gebruik van bestanddelen van fietsen in kleine hoeveelheden, namelijk voor herstelling of vervanging, werkzaamheden die vermoedelijk geen ontwijking van antidumpingmaatregelen inhouden. Dit eigen gebruik van de kleine operator in kleine hoeveelheden is bijgevolg niet verenigbaar met werkzaamheden van herverkoop in belangrijkere hoeveelheden aan vrijgestelde S1 partijen of aan andere houders van een vergunning TORO S1 (procedure 2 van TORO) of toegestane overnemers S1 (procedure 1 van TORO) .

Om te vermijden dat de minimis-regel overtreden zou worden, mogen de douaneautoriteiten een vergunning bijzondere bestemming enkel uitreiken aan personen die aanzien worden als kleine operatoren die assemblageverrichtingen uitvoeren of aan personen (die niet noodzakelijk assemblageverrichtingen uitvoeren) die kunnen aantonen dat ze niet meer dan 299 éénheden per type bestanddeel zullen ontvangen per maand.

Daarentegen mag de douane, indien dit niet in strijd is met de wetgeving, toestaan dat de twee eerste mogelijkheden a) en b) gecumuleerd worden, aangezien er voor de leveringen geen kwantitatieve beperkingen gelden.

Ook de cumulatie van punten 3 c) en 3 d) is toegestaan, maar deze vereist wel twee verschillende vergunningen S1om een onderscheid te kunnen maken tussen een vergunning met en een vergunning zonder hoeveelheidsbeperking. Het is dan ook aan de douane om te beslissen of het mogelijk zal zijn om op basis van de administratie dit onderscheid te kunnen maken.

3.4. Toezicht op de bijzondere bestemming

De regeling bijzondere bestemming moet de douane de kans geven te controleren dat in de vier mogelijke situaties de operator de bestemming respecteert die aan de hoofdbestanddelen gegeven werd:

S1 Geval 3 a): de levering aan de vrijgestelde partij nadat de goederen in het kader van de regeling bijzondere bestemming in het vrije verkeer zijn gebracht; de regeling wordt aangezuiverd voor in het kader van de regeling ingevoerde rijwielonderdelen zodra aan het controlekantoor het bewijs wordt geleverd dat de goederen zijn geleverd aan een vrijgestelde partij. Aangezien de in bijlage II van Verordening (EG) nr. 88/97 opgenomen lijst van vrijgestelde partijen niet altijd bijgewerkt wordt, is het beter om Tarbel te raadplegen om na te gaan of de vrijstelling van toepassing is voor de partij waaraan de goederen werden geleverd.

Geval 3b): de levering aan een vergunninghouder TORO of overdracht aan een toegelaten overnemer nadat de goederen in het kader van de regeling bijzondere bestemming in het vrije verkeer zijn gebracht; de regeling wordt aangezuiverd voor in het kader van de regeling ingevoerde rijwielonderdelen zodra de overdracht aan toegelaten overnemers heeft plaatsgevonden. Er dient opgemerkt te worden dat hier de levering door de vergunninghouder van de regeling bijzondere bestemming (zonder hoeveelheidsbeperking) moet worden gecontroleerd, en niet de ontvangst (met hoeveelheidsbeperking) door de houder van een TORO-vergunning of de toegelaten overnemer (zie geval 3 c 2 hieronder).

Geval 3 c):

Geval 3 c) 1: de douane moet nagaan of de vergunninghouder voor de regeling bijzondere bestemming per maand minder dan 300 eenheden per soort hoofdbestanddelen van fietsen in het vrije verkeer heeft gebracht.

Geval 3 c) 2: de douane moet nagaan of minder dan 300 eenheden per soort hoofdbestanddelen van fietsen zijn ontvangen door de houder van de TORO-vergunning (TORO-procedure 2) of de toegelaten overnemer (TORO-procedure 1).

Geval 3d): de assemblage van fietsen met hulpmotor of andere voertuigen dan rijwielen, ook indien met hulpmotor, uit hoofdbestanddelen van rijwielen die door de vergunninghouder van de regeling bijzondere bestemming in het vrije verkeer zijn gebracht. Voor ingevoerde bestanddelen wordt de regeling aangezuiverd zodra aan het controlekantoor het bewijs wordt geleverd dat de bestanddelen zijn geassembleerd of gemonteerd voor de vervaardiging van fietsen met hulpmotor of van andere voertuigen dan rijwielen, al dan niet voorzien van een hulpmotor.

3.5. Voorwaarden voor de minimis-regel (minder dan 300 éénheden per maand) (geval 3 c)

Bij het gebruik van een vergunning bijzondere bestemming in het kader van de minimis-regel (minder dan 300 éénheden per maand), moet de drempel van 300 éénheden per type hoofdbestanddelen per maand verstaan worden als het mogelijk maken van de assemblage van 299 fietsen. Dit houdt in dat in het geval van volledige wielen met of zonder binnenbanden, of tandraderen (GN-code 8714 9990) en remhendels (GN-code 8714 9420), deze drempel van toepassing kan zijn op zowel de bestanddelen als de sets.

Bijvoorbeeld: aangezien elke fiets twee wielen heeft, is het toegestaan om in totaal 598 wielen (299 voorwielen en 299 achterwielen) in te voeren om dit tot 299 fietsen te assembleren.

Deze kwantitatieve limiet is enkel van toepassing op bestanddelen afkomstig uit China. Het doel van de bijzondere bestemming is overigens niet de assemblage te controleren maar wel de totale hoeveelheid die op een maand in het vrije verkeer gebracht wordt en/of ontvangen wordt in het kader van de regeling bijzondere bestemming.

Met het oog hierop wordt het aantal aangegeven of ontvangen bestanddelen van fietsen berekend in verhouding tot het aantal aangegeven of ontvangen bestanddelen door alle partijen die met deze persoon zijn geassocieerd of die met die persoon compensatieovereenkomsten hebben.

S1 Voor de goederen geplaatst onder de regeling bijzondere bestemming conform artikel 14 c) van Verordening nr. 88/97 (geval 3 c) 1) kan het douanetoezicht als beëindigd beschouwd worden wanneer de goederen in het vrije verkeer worden gebracht.

In de Uitvoeringsverordening (EU) 2023/611, die Verordening (EG) nr. 88/97 laatstelijk gewijzigd heeft, geeft de Commissie een nieuwe formulering van ‘minder dan 300 éénheden per maand’. Deze nieuwe bepaling geldt voor alle vergunningen die vanaf 21 maart 2023 worden afgeleverd, aangezien deze nieuwe bepaling alleen van toepassing is vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening..

Voor de vergunningen die voor 21 maart 2023 werden afgeleverd blijft de oorspronkelijke formulering van toepassing – “per maand minder dan 300 eenheden per soort hoofdbestanddelen van rijwielen” -, wat betekent dat men voor elke maand moet nagaan of er niet meer dan 299 éénheden worden aangegeven door een persoon/onderneming (die in het bezit is van een vergunning bijzondere bestemming) andere dan een vrijgestelde partij (geval 3 c 1) dan wel aan die persoon/onderneming worden geleverd. Op het moment van de aanzuivering van de regeling bepaalt de douane of de drempel van 299 eenheden per maand al dan niet is overschreden. De maandelijkse basis is de kalendermaand. Als bijvoorbeeld op 23 november 2021 voor de eerste keer fietsonderdelen onder de regeling bijzondere bestemming zijn geplaatst, moeten de douaneautoriteiten op het einde van november 2021 nagaan of de drempel van 299 eenheden niet overschreden is.

In geen geval is het toegestaan een gemiddelde per maand op te maken, noch een saldo aan het einde van de maand op te stellen op grond van het aantal bestanddelen dat in het vrije verkeer gebracht werd in verhouding tot het aantal verkochte of overgedragen bestanddelen.

Wanneer het aantal bestanddelen van fietsen die in het vrije verkeer gebracht werden of ontvangen werden in het kader van de minimis-regel de drempel van 299 éénheden per maand overstijgt, moet het ontdoken antidumpingrecht geheven worden voor het aantal bestanddelen dat de drempel overschrijdt. In voorkomend geval dient de intrekking van de vergunning bijzondere bestemming overwogen te worden

S1 Voor de vergunningen die vanaf 21 maart 2023 worden afgeleverd, is de nieuwe bepaling van toepassing, namelijk dat er per maand gemiddeld minder dan 300 éénheden worden aangegeven door een persoon/onderneming (die in het bezit is van een vergunning bijzondere bestemming) andere dan een vrijgestelde partij (geval 3 c 1) dan wel aan die persoon/onderneming worden geleverd. De periode die in acht genomen wordt voor de berekening van dit gemiddelde, mag niet meer dan 12 maanden bedragen, waarbij de eerste periode aanvangt met de dag van de inwerkingtreding van de desbetreffende vergunning bijzondere bestemming, en zal in geen geval de geldigheidsduur ervan overschrijden.

Wanneer het aantal bestanddelen van fietsen die in het vrije verkeer gebracht werden of ontvangen werden in het kader van de minimis-regel de drempel van 299 éénheden gemiddeld per maand overstijgt, moet het ontdoken antidumpingrecht geheven worden voor het aantal bestanddelen dat de drempel overschrijdt. In voorkomend geval dient de intrekking van de vergunning bijzondere bestemming overwogen te worden.

S1 II. Schorsing of vermindering van invoerrechten voor bepaalde hoofdbestanddelen van fietsen (al dan niet van oorsprong uit China) in het kader van de regeling bijzondere bestemming

Voor bepaalde bestanddelen van fietsen (namelijk de frames en de vorken) die vallen onder Taric-codes waarvoor de minimis-regel geldt of Taric-codes die worden gebruikt door vrijgestelde partijen of andere importeurs waarvoor de minimis-regel niet geldt, is naast de vrijstelling van antidumpingrechten ook een contingent of tariefschorsing beschikbaar waarbij vrijstelling/vermindering van invoerrechten wordt verleend in het kader van de regeling bijzondere bestemming.

Het tariefcontingent 09.2668 staat een vrijstelling/vermindering toe van invoerrechten bij invoer indien de regeling bijzondere bestemming werd toegekend.

Voorbeeld voor code 8714 9110 21:

(Datum raadpleging: 31.03.2023.)

S1 In dit voorbeeld is de minimis-regel van toepassing om van antidumpingrechten te worden vrijgesteld. Er is dus een vergunning bijzondere bestemming nodig om het aantal stuks dat per maand wordt ingevoerd te controleren.

Naast deze vrijstelling van antidumpingrechten wordt de regeling bijzondere bestemming ook gebruikt om in aanmerking te komen voor een vermindering van invoerrechten. De regeling bijzondere bestemming zal de douane in dit geval in staat stellen toezicht uit te oefenen op de fabricage van fietsen aan de hand van ingevoerde bestanddelen.

Als de operator/invoerder al beschikt over een vergunning bijzondere bestemming in het kader van vrijstelling van antidumpingrecht (zie geval 3 a) tot en met d) van punt I hiervoor), dient het toezicht op de fabricage van fietsen S1in het kader van de schorsing van de invoerrechten als bijkomende voorwaarde toegevoegd en terdege vermeld te worden.

S1 Indien nodig kan een afzonderlijke vergunning worden afgegeven.

Het is echter belangrijk om in elk geval duidelijk het doel van de vergunning aan te geven: vrijstelling van antidumpingrechten en/of vrijstelling van invoerrechten, alsmede de reikwijdte van het douanetoezicht (controle van de minimis-regel, controle van de vervaardiging van elektrische fietsen met het oog op vrijstelling van antidumpingrechten, controle van de vervaardiging van fietsen met het oog op vrijstelling van invoerrechten, ...).

Indien de importeur niet beschikt over een vergunning bijzondere bestemming voor de vervaardiging van rijwielen in het kader van de invoerrechten, kan geen aanspraak worden gemaakt op het tariefcontingent en moet het invoerrecht ‘erga omnes’ van 4,7% worden toegepast.

Het spreekt voor zich dat de zekerheid eveneens aangepast dient te worden aangezien niet enkel de eventuele antidumpingrechten maar ook de invoerrechten gedekt moeten worden.

Wanneer het tariefcontingent uitgeput is, moet het invoerrecht ‘erga omnes’ toegepast worden. Vanaf dat ogenblik is het toezicht door de douane op de assemblage van de ingevoerde bestanddelen tot fietsen niet meer vereist.

In het geval van een tariefschorsing die aanleiding geeft tot een vrijstelling van invoerrechten in het kader van de regeling bijzondere bestemming, dient eveneens toezicht uitgeoefend worden door de douane op de fabricage van fietsen aan de hand van ingevoerde bestanddelen.

Dezelfde redenering als voor het tariefcontingent is van toepassing inzake de vergunning S1bijzondere bestemming, toezicht en zekerheid.

Voorbeeld voor Taric-code 8714 9130 35:

(Datum raadpleging: 31.03.2023.)

S1Onder deze Taric-code zijn ingevoerde bestanddelen niet onderworpen aan de minimis-regel voor vrijstelling van antidumpingrechten. Deze Taric-code kan worden gebruikt door vrijgestelde partijen die geen vergunning bijzondere bestemming nodig hebben om deze Taric-code aan te geven en in aanmerking te komen voor vrijstelling van antidumpingrechten, of door iedere andere niet-vrijgestelde importeur, met betaling van antidumpingrechten, of door een importeur die van antidumpingrechten is vrijgesteld, voor de vervaardiging van elektrische rijwielen.

Om voor de schorsing van invoerrechten in aanmerking te komen, moeten vrijgestelde partijen of andere importeurs die niet van de antidumpingrechten zijn vrijgesteld, echter in het bezit zijn van een vergunning bijzondere bestemming om te controleren dat de ingevoerde hoofdbestanddelen van fietsen zullen worden geassembleerd voor de vervaardiging van rijwielen (met inbegrip van elektrische rijwielen). Indien zij niet over een vergunning bijzondere bestemming beschikken, moet het "erga omnes"-invoerrecht van 4,7% worden toegepast.

Fiche 8802-1

Goederen: Burgerluchtvaartuigen

Taric-code van de goederen:

8802 1100 10

8802 1200 10

8802 2000 10

8802 3000 10

8802 4000 10

Wettelijke basis: Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief: bijlage I (Publicatieblad EU nr. L 256 van 7.9.1987).

Toe te passen maatregelen:

Onder “burgerluchtvaartuigen” wordt verstaan: luchtvaartuigen andere dan die welke in de lidstaten door militaire of soortgelijke diensten worden gebruikt en militaire of daarmede gelijkgestelde kentekens dragen.

Om de burgerluchtvaartuigen onder deze posten te kunnen onderverdelen en zo te genieten van de vrijstelling van invoerrechten bij het in het vrije verkeer brengen, kunnen de burgerluchtvaartuigen op twee verschillende wijzen aangegeven worden:

  1. Met voorlegging van een inschrijvingsbewijs:

op het moment van het in vrije verkeer brengen is het luchtvaartuig ingeschreven in een register van burgerluchtvaart

en

de verwijzing naar een bewijs van inschrijving wordt vermeld op de aangifte voor het vrije verkeer (code “C072” gevolgd door het nummer van het inschrijvingsbewijs in vak 44).

---

Het inschrijvingsbewijs van het luchtvaartuig wordt als voldoende bewijs beschouwd van het civiele karakter van het luchtvaartuig. Overeenkomstig het Verdrag inzake de Internationale burgerluchtvaart (op 7 december 1944 te Chicago ondertekend), is de aanwezigheid van dat inschrijvingsbewijs aan boord van het luchtvaartuig verplicht.

Hierna is een standaardmodel van een inschrijvingsbewijs op basis van het 'Verdrag van Chicago' bijgevoegd. Deze certificaten kunnen worden afgegeven door een lidstaat van de Europese Unie of door een derde land.

Bij twijfel over de authenticiteit van het voorgelegde inschrijvingsbewijs, kunnen de douanediensten het betrokken certificaat per e-mail aan de dienst Wetgeving – Tarief (da.lex.tariff@minfin.fed.be) zenden teneinde dit te kunnen voorleggen aan de luchtvaartautoriteiten van de Unie.

In dit geval moet een zekerheid worden gesteld die het bedrag van de rechten bij invoer dekt; dit bedrag zal pas worden vrijgegeven wanneer de echtheid van het certificaat gecontroleerd en bewezen is.

  1. Plaatsing onder de regeling bijzondere bestemming:

Indien het luchtvaartuig voor de burgerluchtvaart bestemd is en op het moment van het in het vrije verkeer brengen het luchtvaartuig nog niet ingeschreven is in een register voor burgerluchtvaart (bijvoorbeeld indien het vliegtuig in de EU wordt binnen gebracht over zee), of indien de referte van het inschrijvingsbewijs nog niet beschikbaar is om op de aangifte voor het vrije verkeer vermeld te worden, wordt het toestel aangegeven onder de regeling bijzondere bestemming met vermelding van het nummer van de vergunning bijzondere bestemming in vak 44 (code “N990”). Alle eisen die deze regeling met zich meebrengt, zijn dan van kracht: vergunningsaanvraag, zekerheid en douanetoezicht. De regeling bijzondere bestemming is aangezuiverd zodra de aangever bewijzen kan dat het luchtvaartuig ingeschreven is in een register voor burgerluchtvaart.

Standaardmodel van een inschrijvingsbewijs

Fiche 8802-2

Goederen: Luchtvaarttuigen en producten bestemd voor deze vaarttuigen

Taric-code van de goederen: zie hierna

Wettelijke basis:

De regeling bijzondere bestemming aangaande de luchtvaart komt voort uit drie verschillende regelgevingen:

  1. “Het Burgerluchtvaartakkoord” (GATT): hernomen in bijlage I, Eerste deel, titel II, punt B van de inleidende bepalingen van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (P.B. nr. L 256 van 7 september 1987);
  2. De volledige schorsing van invoerrechten voor bepaalde producten opgenomen in Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (P.B. nr. L 256 van 7 september 1987);
  3. De tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op een aantal producten welke bestemd zijn om te worden gebruikt voor de bouw, het onderhoud en de reparatie van luchtvaartuigen: Verordening (EG) nr. 3050/95 van de Raad van 22 december 1995 houdende tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op een aantal producten welke bestemd zijn om te worden gebruikt voor de bouw, het onderhoud en de reparatie van luchtvaartuigen (P.B. nr. L 320 van 30.12.1995).

Toe te passen maatregelen:

1. Het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart

Dit verdrag voorziet een vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief, niet alleen voor de burgerluchtvaarttuigen, maar ook voor bepaalde producten die bestemd zijn om gebruikt te worden in burgerluchtvaarttuigen om daarin of daaraan bij de bouw, de reparatie, het onderhoud, de gedeeltelijke vernieuwing, de wijziging of de verbouwing te worden opgenomen of verwerkt, alsook voor toestellen voor vliegoefeningen op de grond, alsmede delen daarvan, bestemd voor de burgerluchtvaart.

  1. De burgerluchtvaarttuigen: de toe te passen maatregelen zijn hernomen in fiche 8802-1.
  2. Bepaalde producten bestemd om te worden gebruikt in burgerluchtvaartuigen en toestellen voor vliegoefeningen op de grond, alsmede delen daarvan, bestemd voor de burgerluchtvaart.

Worden vermeld:

bepaalde producten bestemd om te worden gebruikt in burgerluchtvaartuigen om daarin of daaraan bij de bouw, de reparatie, het onderhoud, de gedeeltelijke vernieuwing, de wijziging of de verbouwing te worden opgenomen of verwerkt;

delen van toestellen voor vliegoefeningen op de grond.

Onder “burgerluchtvaarttuigen” wordt verstaan luchtvaartuigen andere dan die welke in de lidstaten door militaire of soortgelijke diensten worden gebruikt en militaire of daarmede gelijkgestelde kentekens dragen.

Overigens, omvat de uitdrukking “bestemd voor burgerluchtvaartuigen” in alle onderverdelingen van de betrokken posten, eveneens de goederen bestemd voor toestellen voor vliegoefeningen op de grond, bestemd voor de burgerluchtvaart.

Deze producten zijn uitsluitend het voorwerp van onderverdelingen in Tarbel die een voetnoot – TN100 – bevatten die luidt als volgt: “Indeling onder deze onderverdeling is onderworpen aan de voorwaarden en bepalingen, vastgesteld bij de op dit gebied geldende bepalingen van de Europese Unie (zie artikel 254 van Verordening (EU) nr. 952/2013)”.

De vrijstelling van douanerechten wordt afhankelijk gesteld van de voorwaarden vastgesteld bij de op dit gebied geldende bepalingen van de Europese Unie, met het oog op het douanetoezicht op de bestemming van deze goederen, wat betekent dat de regeling bijzondere bestemming toegestaan moet worden door de douane om de goederen in het vrije verkeer te brengen met vrijstelling van rechten.

Het gaat om goederen van de volgende posten en onderverdelingen:

Voor de volgende posten en onderverdelingen wordt de vrijstelling van douanerechten voor producten bestemd om te worden gebruikt in luchtvaarttuigen enkel toegestaan voor de goederen omschreven in de tweede kolom:

2. Goederen waarvoor het invoerrecht tijdelijk volledig is geschorst

Een gunstige tariefbehandeling is toegestaan voor bepaalde goederen met als bestemming om te dienen voor de montage op luchtvaartuigen zwaarder dan de lucht die zelf zonder heffing van invoerrechten zijn ingevoerd of in de Europese Unie zijn of worden gebouwd. Het betreft motoren, delen van motoren en delen bedoeld bij tariefpost 8803. De regeling bijzondere bestemming moet altijd toegestaan worden om te kunnen genieten van deze gunstige tariefbehandeling.

Geen enkele gunstige tariefbehandeling is toegestaan voor goederen die niet op zichzelf delen van de in hoofd vermelde vliegtoestellen zijn, maar die eenvoudigweg gebruikt zijn voor de vervaardiging van de genoemde delen.

3. Goederen voor dewelke de rechten volledig geschorst zijn

Het gaat om producten die bestemd zijn om te worden gebruikt voor de bouw, het onderhoud en de reparatie van luchtvaartuigen met een leeggewicht van meer dan 2 000 kg en van toestellen voor vliegoefeningen op de grond voor de burgerluchtvaart. De rechten worden geschorst op voorwaarde dat de regeling bijzondere bestemming toegestaan is door de douane.

De lijst van producten bevindt zich in bijlage 8.

Fiche 8900

Goederen: Producten bestemd voor bepaalde soorten schepen en voor boor- en werkeilanden

Taric-code van de goederen: zie hierna

Wettelijke basis:

Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (P.B. nr. L 256 van 7 september 1987): Bijlage I: Eerste deel - Inleidende bepalingen: Titel II. Bijzondere bepalingen: punt A.

Toe te passen maatregelen:

  1. Producten bestemd voor bepaalde soorten schepen:

De heffing van de douanerechten wordt geschorst voor de producten die bestemd zijn voor de bouw, de reparatie, het onderhoud of de verbouwing van de in de volgende tabel aangegeven schepen, alsmede voor de producten die bestemd zijn voor de uitrusting van deze schepen.

Deze schorsing is derhalve niet van toepassing op de materialen en voorwerpen voor binnenschepen.

  1. Producten bestemd voor boor- of werkeilanden:

De heffing van de douanerechten wordt geschorst voor:

a) de producten die bestemd zijn voor de bouw, de reparatie, het onderhoud of de verbouwing van boor- of werkeilanden:

1) van onderverdeling ex 8430 49, die in of buiten de territoriale zee van de lidstaten vast op de zeebodem zijn of worden geplaatst;

2) van onderverdeling 8905 20, die al dan niet op de zeebodem kunnen worden geplaatst,

alsmede voor de producten die bestemd zijn voor de uitrusting van deze boor- of werkeilanden.

Worden eveneens aangemerkt als producten die bestemd zijn voor de bouw, de reparatie, het onderhoud, de verbouwing of de uitrusting van boor- en werkeilanden, de producten zoals brandstoffen, smeermiddelen en gassen, die noodzakelijk zijn voor de werking van de machines en toestellen die niet permanent op deze eilanden worden gebruikt en er geen integrerend deel van uitmaken, en die aan boord daarvan worden gebruikt voor de bouw, de reparatie, het onderhoud, de verbouwing of de uitrusting daarvan;

b) de buizen, pijpen, kabels, alsmede de verbindingsstukken daarvoor, die de boor- en werkeilanden met de vaste wal verbinden.

De vrijstelling van douanerechten wordt afhankelijk gesteld van de voorwaarden vastgesteld bij de op dit gebied geldende bepalingen van de Europese Unie, met het oog op het douanetoezicht op de bestemming van deze goederen, wat betekent dat de regeling bijzondere bestemming toegestaan moet worden door de douane om de goederen in het vrije verkeer te brengen met vrijstelling van rechten.

Bij de aflevering van de vergunning kan de douane geoordeelde maatregelen voorschrijven met het oog op de ambtelijke vaststelling van gebruik of levering aan boord van voornoemde schepen.

In geval van dringende herstellingen in het buitenland, kan de ambtenaar die belast is met de controle op de bestemming, uitzonderlijk de wederuitvoer toestaan op schriftelijk gemotiveerd verzoek van belanghebbende.

Het uitvoerdocument zal als aanzuiveringsstuk ter staving aan het magazijnboek worden gehecht.

Op verzoek van de houder van de vergunning stelt de met de controle op de bestemming belaste ambtenaar de plaats - hierna genoemd de operationele basis - vast waar de producten kunnen worden opgeslagen en elke behandeling kunnen ondergaan.

Toegelaten goederen:

Naast de goederen die bestemd zijn voor de bouw, de reparatie, het onderhoud of de verbouwing van schepen en boor- of werkeilanden en deze die specifiek hierboven reeds vermeld worden voor de boor- of werkeilanden, kunnen de volgende goederen ook in aanmerking komen voor de schorsing van de invoerrechten:

kabels en touwwerk, visnetten kennelijk bestemd voor de zeevisserij, zeildoek, voegstukken, logkoorden, pakking, scheepsmotoren, scheepsverf, enz.;

a) goederen die als losse uitrustingsstukken rechtstreeks voor de navigatie noodzakelijk zijn, zoals b.v. radio-elektrisch en elektronisch materiaal en onderdelen daarvan;

b) alle andere goederen, die bestemd zijn om aan boord te worden gebruikt. Hieronder vallen o.m.: dekkleden, meubelen, vaatwerk, zilverwerk, versieringsvoorwerpen, bed-, tafel- en huishoudlinnen, keukengerei, gasflessen, radiotoestellen voor de ontspanning van de bemanning of passagiers, koelkasten, waterreservoirs, enz..

De schorsing geldt echter niet voor kledingstukken, ook niet indien speciaal voor vissers (handschoenen, voorschoten, zuidwesters, laarzen, enz.).

Toegelaten overbrenging:

De overbrenging van vorenbedoelde goederen:

a) van de operationele basis naar een al dan niet binnen de territoriale wateren gelegen boor- of werkeiland en omgekeerd;

b) in voorkomend geval van de operationele basis naar de plaats van inlading van de voor de eilanden bestemde producten, alsmede van de plaats van lossing van de van de eilanden afkomstige producten naar de operationele basis;

c) van de plaats van inlading naar een al dan niet binnen de territoriale wateren gelegen boor- of werkeiland en van het eiland naar de plaats van lossing, wanneer de producten naar of van het eiland worden verscheept zonder via de operationele basis te gaan;

d) van het ene eiland naar het andere, ongeacht of deze al dan niet binnen de territoriale wateren zijn gelegen,

aan geen andere formaliteit onderworpen dan aan het maken van een passende aantekening in de boekhouding/administratie.

Herkenning in Tarbel:

De goederen die toegelaten zijn om geplaatst te worden onder de regeling bijzondere bestemming met het oog op hun bestemming voor bepaalde soorten schepen en boor- of werkeilanden kunnen in Tarbel herkend worden via de volgende lijn in het scherm van de tarifaire maatregelen:

Soorten schepen vermeld in punt 1 hiervoor:

DEEL III: GUNSTIGE TARIEFBEHANDELING IN VERBAND MET DE AARD VAN DE GOEDEREN

I. INLEIDING

Bij toepassing van Bijlage I – Eerste deel – Inleidende bepalingen – Titel II – punt F van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, komen de volgende goederen, uit hoofde van hun aard, onder bepaalde voorwaarden voor een gunstige tariefbehandeling in aanmerking:

producten ongeschikt voor consumptie,

zaaigoed,

builgaas, niet geconfectioneerd,

bepaalde soorten druiven voor tafelgebruik, tabak en nitraat.

Bij deze goederen worden de voorwaarden voor toekenning van de gunstige tariefbehandeling onderzocht op het moment waarop de goederen in het vrije verkeer worden gebracht. Deze goederen zijn niet onderworpen aan de regeling bijzondere bestemming en staan bijgevolg naderhand niet onder douanetoezicht.

II. PRODUCTEN ONGESCHIKT VOOR CONSUMPTIE

De goederen die in aanmerking kunnen komen voor deze gunstige tariefbehandeling zijn de volgende:

De omschrijving van deze goederen in het gemeenschappelijk douanetarief vermeldt dat deze “ongeschikt zijn voor menselijke consumptie”, of “ongeschikt of ongeschikt gemaakt werden voor menselijke consumptie” of “gedenatureerd” zijn.

Bovendien lichten de voetnoten NC017 en TN001 in Tarbel het volgende toe: “Indeling onder deze onderverdeling is onderworpen aan de voorwaarden en bepalingen, vastgesteld in titel II, punt F, van de inleidende bepalingen van de Gecombineerde Nomenclatuur.”

Bijvoorbeeld: TARIC-code 0408 1120 00:

Opdat de goederen zouden kunnen genieten van een gunstige tariefbehandeling, dienen ze vermengd te worden met een denatureringsmiddel zodat ze ongeschikt worden voor menselijke consumptie. Deze producten worden geacht niet geschikt te zijn voor consumptie wanneer het te denatureren product en het denatureringsmiddel een homogeen mengsel vormen en de bestanddelen daarvan niet meer op lonende wijze kunnen worden afgescheiden.

Bijlage 9 lijst de betrokken goederen op samen met de naam en de hoeveelheid van het te gebruiken denatureringsmiddel om een gedenatureerd product te bekomen volgens de vereiste voorwaarden.

III. ZAAIGOED

De hieronder genoemde goederen worden onder posten ingedeeld die betrekking hebben op zaaigoed en komen voor een gunstige tariefbehandeling uit hoofde van hun aard in aanmerking voor zover zij aan de wetgeving van de Europese Unie ter zake voldoen:

In Tarbel wordt voor deze goederen naar voetnoot NC017 verwezen, welke het volgende vermeldt: “Indeling onder deze onderverdeling is onderworpen aan de voorwaarden en bepalingen, vastgesteld in titel II, punt F, van de inleidende bepalingen van de Gecombineerde Nomenclatuur.”

Suikermais, spelt, maishybriden, rijst, sorghohybriden of oliehoudende zaden en vruchten, van de soorten die niet onder de werkingssfeer van de landbouwwetgeving vallen, komen voor een gunstige tariefbehandeling in verband met de aard van het product in aanmerking, indien zij zonder enige twijfel voor zaaidoeleinden zijn bestemd.

IV. BUILGAAS, NIET GECONFECTIONEERD

Deze goederen worden ingedeeld onder Taric-codes 5911 2000 20 en 5911 2000 90. In Tarbel vermeldt voetnoot NC031 het volgende: “Indeling onder deze onderverdeling van builgaas, niet geconfectioneerd, is onderworpen aan de voorwaarden en bepalingen, vastgesteld in titel II, onder F, van de inleidende bepalingen”.

Volgens de toelichtingen van het Geharmoniseerd systeem gaat het om doorlatende weefsels (bijvoorbeeld met gaasbinding, met gemengde gaas- en platbinding of met platbinding) die mazen (meestal vierkant) van gelijke vorm en grootte vertonen, die bij het gebruik niet worden vervormd.

Deze weefsels worden voornamelijk gebruikt voor het zeven (van meel, polijst- of slijpmiddelen, poeders van kunststof, veevoeder, enzovoort), het filtreren en de zeefdruk. Builgaas wordt gewoonlijk vervaardigd van sterk gemoulineerde, ongebleekte garens van zijde of van synthetische filamentgarens.

Het builgaas kan voorkomen aan het stuk, dan wel geconfectioneerd met het oog op het gebruik waarvoor het is bestemd (op maat gesneden, omgeboord met lint, voorzien van metalen ogen, enz.).

Niet-geconfectioneerd builgaas komt voor een gunstige tariefbehandeling in aanmerking, mits dit weefsel van niet-uitwisbare merktekens is voorzien waaruit blijkt dat het voor het builen of soortgelijke industriële doeleinden is bestemd.

De merktekens, bestaande uit een rechthoek met twee diagonalen, worden op regelmatige afstanden op beide randen van het weefsel aangebracht, waarbij de zelfkanten worden vrijgelaten. De afstand tussen twee op elkaar volgende tekens, gemeten tussen de buitenzijden, bedraagt ten hoogste 1 m en de tekens in de ene rand verspringen telkens met een halve afstand ten opzichte van de tekens in de andere rand (het midden van elk teken is even ver verwijderd van het midden van de dichtstbijzijnde twee tekens in de andere rand).

De lijnen van de rechthoeken die de merktekens vormen zijn 5 mm breed, terwijl de diagonalen 7 mm breed zijn. De rechthoek is, aan de buitenzijde gemeten, ten minste 8 cm lang en 5 cm breed.

De tekens worden in één kleur gedrukt die contrasteert met de kleur van het weefsel, en zijn niet-uitwisbaar.

De tekens moeten zo worden aangebracht dat de langste zijde van de rechthoeken parallel lopen met de ketting van het weefsel (zie navolgende schets).

De douaneautoriteiten mogen andere merktekens aanvaarden indien duidelijk blijkt dat de goederen voor industriële doeleinden zoals builen, filteren, enz. zijn bestemd en niet voor het vervaardigen van kleding of soortgelijke doeleinden.

V. DRUIVEN VOOR TAFELGEBRUIK, TABAK EN NITRAAT

Druiven voor tafelgebruik, tabak en nitraat komen voor een gunstige tariefbehandeling in aanmerking op vertoon van een naar behoren geviseerd certificaat.

Het gaat om druiven voor tafelgebruik van de soort “Empereur” (van 1 januari tot en met 31 januari en van 1 december tot en met 31 december) die onder TARIC-code 0806 1010 05 vallen.

De tabak wordt ingedeeld onder volgende posten:

2401 1035 10 et 2401 1035 20,

2401 1085 10

2401 1095 11, 2401 1095 19, 2401 1095 21 et 2401 1095 29,

2401 2035 10 et 2401 2035 20,

S1 2401 2085 10

2401 2095 11, 2401 2095 19, 2401 2095 21 et 2401 2095 29.

Het nitraat heeft betrekking op volgende TARIC-codes:

3102 5000 10,

S1 3105 9020 10,

S1 3105 9080 10.

In Tarbel worden verschillende voetnoten (NC031, CD556, CD376) gebruikt afhankelijk van het product. Ze verwijzen naar de voorwaarden die vervuld moeten worden om te kunnen genieten van de gunstige tariefbehandeling.

Bij invoer dient een certificaat voorgelegd te worden dat moet overeenstemmen met het model in bijlage S1 10 voor de druiven voor tafelgebruik, in bijlage S1 11 voor de tabak en in bijlage S1 12 voor nitraat.

Het certificaat wordt gedrukt en ingevuld in één van de officiële talen van de Europese Unie, alsmede, in voorkomend geval in de officiële taal of in één van de officiële talen van het land van uitvoer.

De afmetingen van het certificaat zijn ca. 210 x 297 mm. Het certificaat wordt opgesteld op wit papier met een gewicht van ten minste 40 gram per vierkante meter.

Het certificaat moet naar behoren geviseerd worden. Een certificaat is naar behoren geviseerd wanneer plaats en datum van de afgifte op het certificaat zijn vermeld en het is voorzien van de stempel van de met afgifte belaste instantie van het land van uitvoer en de handtekening van de bevoegde persoon of personen.

Het certificaat moet afgeleverd zijn door één van de instanties die opgenomen zijn in de tabel in bijlage S1 13.

De afdrukken van de stempels gebruikt door de afleverende instanties kunnen, voor controledoeleinden, vergeleken worden met de specimen die terug te vinden zijn in de SMS-databank (Specimen Management System) van de Europese Commissie.

Een certificaat is 10 maanden geldig vanaf de datum van afgifte met uitzondering van een certificaat voor tabak welke 24 maanden geldig is vanaf de datum van afgifte.

Wanneer een zending wordt gesplitst, wordt voor elke partij van de gesplitste zending een fotokopie gemaakt van het originele certificaat. De fotokopieën en het originele certificaat worden overgelegd aan het bevoegde douanekantoor. Iedere fotokopie is voorzien van de naam en het adres van de geadresseerde van de partij en van de vermelding, in het rood, “Uittreksel geldig voor ... kg” (in cijfer en letters), alsmede van de plaats en datum van de splitsing. Deze vermeldingen worden gewaarmerkt door de stempel van het douanekantoor en de handtekening van de bevoegde douaneambtenaar. Het originele certificaat wordt van een passende aantekening met betrekking tot de splitsing van de zending voorzien en door het betrokken douanekantoor bewaard.

DEEL IV: TIJDELIJKE SCHORSING VAN DE AUTONOME RECHTEN VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK DOUANETARIEF VOOR BEPAALDE GOEDEREN VAN DE SOORT DIE WORDT AANGEBRACHT AAN OF WORDT GEBRUIKT IN LUCHTVAARTUIGEN

I. INLEIDING

Om de administratieve last, die verbonden is aan het gebruik van de regeling bijzondere bestemming (vergunningsaanvraag, afgifte van de vergunning, douanetoezicht, enz.), te verminderen voor de douaneautoriteiten en de operatoren, heeft de Europese Commissie een alternatieve procedure ingesteld voor bepaalde goederen van de soort die wordt aangebracht aan of wordt gebruikt in luchtvaartuigen. Deze kent een schorsing van invoerrechten toe mits voorlegging van een certificaat van vrijgave van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA-formulier 1) of een als gelijkwaardig beschouwd certificaat.

II. WETTELIJKE BASIS

Verordening (EU) 2018/581 van de Raad van 16 april 2018 betreffende tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor bepaalde goederen van de soort die wordt aangebracht aan of wordt gebruikt in luchtvaartuigen, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1147/2002 (Publicatieblad nr. L 98 van 18/04/2018).

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1517 van de Commissie van 11 oktober 2018 tot vaststelling van gedetailleerde regels voor de tenuitvoerlegging van sommige bepalingen van Verordening (EU) 2018/581 van de Raad betreffende tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor bepaalde goederen van de soort die wordt aangebracht aan of wordt gebruikt in luchtvaartuigen (Publicatieblad L nr. 256 van 12/10/2018).

III. VOORWAARDEN VOOR DE TOEKENNING VAN DE SCHORSING

III.1. Goederen

De schorsing van de autonome invoerrechten is van toepassing op goederen van de soort die wordt aangebracht aan of wordt gebruikt in luchtvaartuigen. Hierbij maakt de regelgeving geen onderscheid meer tussen burgerluchtvaartuigen en militaire luchtvaartuigen. Dit betekent dat de schorsing tevens van toepassing is op onderdelen en andere goederen bestemd voor niet-burgerluchtvaartuigen, voor zover een geldig certificaat voorgelegd kan worden en de andere bepalingen nageleefd worden (zie punten III.2. tot III.4. hierna).

De lijst van posten, onderverdelingen en codes van de gecombineerde nomenclatuur die genieten van de schorsing zijn terug te vinden in bijlage 14.

III.2. Certificaten

Om aanspraak te kunnen maken op deze schorsing dient één van de volgende certificaten (op papier of elektronisch) voorgelegd te worden aan de douaneautoriteiten:

een certificaat van vrijgave van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA-formulier 1);

een als gelijkwaardig beschouwd certificaat naar aanleiding van bilaterale overeenkomsten tussen de EASA en bepaalde derde landen. De lijst met certificaten die als gelijkwaardig worden beschouwd is terug te vinden in bijlage 15.

Een blanco model van alle toegelaten certificaten is terug te vinden in bijlage 16.

Een ander certificaat dan de twee hierboven vermelde types of een verklaring op factuur mag niet aanvaard worden.

In geval van herstelling of onderhoud van goederen die hun status van luchtwaardigheid hebben verloren, dient een eerder certificaat van vrijgave voorgelegd te worden.

III.3. Douaneaangifte

Op de douaneaangifte dient te worden vermeld:

code “19” in het tweede deelvak van vak 36 “Preferentie”;

het identificatienummer van het certificaat in vak 44 na de code “C119”. In geval van herstelling of onderhoud van goederen die de status van luchtwaardigheid hebben verloren, wordt verwezen naar het identificatienummer van een eerder certificaat van vrijgave.

De uitvoeringsaanbevelingen gepubliceerd door de Europese Commissie geven aan dat het in vak 44 aan te brengen identificatienummer van het certificaat, een nummer kan zijn dat de operator toelaat het certificaat van vrijgave terug te vinden. In bepaalde gevallen kan dit nummer een nummer zijn dat niet terug te vinden is op het certificaat zelf. Bijvoorbeeld: het nummer van een bestelbon of elk ander uniek identificatienummer dat de operator in staat stelt de link, ten genoegen van de douaneautoriteiten, tussen het certificaat en de ingevoerde goederen op te sporen en aan te tonen.

Het certificaat van vrijgave en de certificaten die als gelijkwaardig beschouwd worden, dienen voldoende informatie te bevatten om de goederen en onderdelen te identificeren die het voorwerp van de schorsing van de invoerrechten uitmaken. Welke informatie noodzakelijk is voor de identificatie van de goederen en onderdelen in kwestie is een discretionaire bevoegdheid van de douaneautoriteiten.

III.4. Vermoeden van fraude

Indien de douaneautoriteiten vermoeden dat een voorgelegd certificaat vervalst is, kunnen zij de expertise vragen van een vertegenwoordiger van de nationale luchtvaartautoriteiten op kosten van de importeur. Zij houden er evenwel rekening mee dat de kosten van de expertise voor de importeur hoger zouden kunnen uitvallen dan het voordeel van de schorsing indien zou blijken dat het certificaat niet vervalst is.

Bij een verzoek tot deze expertise wordt het certificaat overgemaakt aan de dienst Wetgeving – Tarief (E-mail: da.lex.tariff@minfin.fed.be) die het op zijn beurt zal voorleggen aan de FOD Mobiliteit.

SLOTBEPALINGEN

Worden ingetrokken:

de instructie “Gunstige tariefbehandeling” van 1 januari 2001, D.T. 216.972 – D.I. 627;

S1 tariefbericht 241 van 31 augustus 2011 “Fietsonderdelen uit China – antidumpingrechten – toepassing van de “minimis” regeling”;

tariefbericht 268 van 30 november 2011 “Fietsonderdelen uit China – antidumpingrechten – toegevoegde informatie in verband met de toepassing van de “minimis” regeling (zie TB 241)”;

tariefbericht 304 van 2 mei 2012 “Fietsonderdelen uit China – elektrische fietsen – niet toepassing van de antidumpingregeling”;

tariefbericht 402 van 10 juni 2013 “Fietsonderdelen uit China – elektrische fietsen – vergunning bijzondere bestemming – aanpassing Tariefbericht 304 van 2 mei 2012” ;

tariefbericht 619 van 14 juli 2017 “Regeling “bijzondere bestemming” - Toelichtingen bij artikel 218 (overdracht van rechten en plichten) en artikel 219 (verkeer van goederen) van het Douanewetboek van de Unie” en tariefbericht 677 van 4 juli 2008 (update van Tariefbericht 619);

tariefbericht 652 van 3 januari 2018 “Gecombineerde nomenclatuur 2018 - Afschaffing van de vereiste van de regeling bijzondere bestemming voor burgerluchtvaartuigen”;

tariefbericht 690 van 16 oktober 2018 “Tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor bepaalde goederen van de soort die wordt aangebracht aan of wordt gebruikt in luchtvaartuigen”.

Bijlage 1

VERORDENING (EU) Nr. 952/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN VAN DE RAAD van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie

Artikel 199

Afstand van goederen

Niet-Uniegoederen en goederen die onder de regeling bijzondere bestemming zijn geplaatst, kunnen met voorafgaande toestemming van de douaneautoriteiten door de houder van de regeling of in voorkomend geval de houder van de goederen aan de staat worden afgestaan.

TITEL VII BIJZONDERE REGELINGEN

HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen

Artikel 210

Toepassingsgebied

Goederen kunnen onder een van de volgende bijzondere regelingen worden geplaatst:

a) douanevervoer, inhoudende extern en intern douanevervoer;

b) opslag, inhoudende douane-entrepot en vrije zones;

c) specifieke bestemming, inhoudende tijdelijke invoer en bijzondere bestemming;

d) veredeling, inhoudende actieve en passieve veredeling.

Artikel 211

Vergunning

1. Een vergunning van de douaneautoriteiten is vereist voor:

a) het gebruik van de regeling actieve of passieve veredeling, tijdelijke invoer of bijzondere bestemming;

b) het beheer van een opslagruimte voor opslag in een douane-entrepot, tenzij de opslagruimte wordt beheerd door de douaneautoriteit zelf.

De voorwaarden waaronder één of meer van de in de eerste alinea bedoelde regelingen mogen worden gebruikt of het beheer van opslagruimten is toegestaan, worden in de vergunning vastgesteld.

2. De douaneautoriteiten verlenen met terugwerkende kracht een vergunning indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) er is een bewezen economische behoefte;

b) de aanvraag houdt geen verband met een poging tot bedrog;

c) de aanvrager heeft op basis van boekhouding of bescheiden aangetoond dat:

i) aan alle procedurevereisten is voldaan;

ii) de goederen, waar nodig, voor de betrokken periode kunnen worden geïdentificeerd;

iii) de procedure kan worden gecontroleerd aan de hand van de boekhouding of bescheiden;

d) alle formaliteiten om de situatie van de goederen te regulariseren kunnen worden verricht, zo nodig met inbegrip van de ongeldigmaking van de betrokken douaneaangiften;

e) aan de aanvrager is geen vergunning met terugwerkende kracht verleend in de afgelopen drie jaar voor de datum waarop de aanvraag is aanvaard;

f) de economische voorwaarden hoeven niet te worden onderzocht, tenzij een aanvraag betrekking heeft op een vernieuwing van een vergunning voor dezelfde soort activiteiten en goederen;

g) de aanvraag heeft geen betrekking op het beheer van een opslagruimte voor het douane-entrepot van goederen;

h) indien een aanvraag betrekking heeft op een vernieuwing van een vergunning voor dezelfde soort activiteiten en goederen, wordt de aanvraag ingediend binnen drie jaar na het verstrijken van de oorspronkelijke vergunning.

De douaneautoriteiten kunnen tevens een vergunning met terugwerkende kracht verlenen indien de goederen die onder een douaneregeling waren geplaatst, niet langer beschikbaar zijn op het moment dat de vergunningsaanvraag was aanvaard.

3. Tenzij anders is bepaald, wordt de in lid 1 bedoelde vergunning slechts verleend aan personen die aan elk van de volgende voorwaarden voldoen:

a) zij zijn in het douanegebied van de Unie gevestigd;

b) zij bieden de nodige waarborgen voor het goede gebruik van de regeling; een geautoriseerd marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen wordt geacht aan deze voorwaarde te voldoen voor zover bij het verlenen van de in artikel 38, lid 2, onder a), bedoelde vergunning rekening is gehouden met relevante activiteiten voor de betreffende bijzondere regeling;

c) zij stellen zekerheid overeenkomstig artikel 89, indien een douaneschuld kan ontstaan of andere heffingen verschuldigd kunnen worden voor de onder een bijzondere regeling geplaatste goederen;

d) in het geval van de regeling tijdelijke invoer of actieve veredeling gebruiken zij de goederen of laten deze gebruiken, respectievelijk veredelen zij de goederen of laten deze veredelen.

4. Tenzij anders is bepaald en ter aanvulling van lid 3, wordt de in lid 1 bedoelde vergunning slechts verleend indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de douaneautoriteiten kunnen douanetoezicht uitoefenen zonder administratieve maatregelen te hoeven nemen die niet in verhouding staan tot de betrokken economische behoeften;

b) de wezenlijke belangen van producenten in de Unie worden niet geschaad door een vergunning voor de regeling veredeling (economische voorwaarden).

5. De wezenlijke belangen van producenten in de Unie worden geacht niet te zijn geschaad in de zin van lid 4, onder b), totdat het tegendeel is bewezen, of indien de economische voorwaarden vervuld worden geacht.

6. Indien wordt aangetoond dat de wezenlijke belangen van producenten in de Unie waarschijnlijk zullen worden geschaad, worden de economische voorwaarden op Unieniveau onderzocht.

Artikel 214

Administratie

1. Behalve voor de regeling douanevervoer of indien anders is bepaald, voeren de houder van de vergunning, de houder van de regeling en eenieder die activiteiten uitoefent in verband met hetzij de opslag, bewerking of verwerking van de goederen, hetzij de koop of verkoop van goederen in een vrije zone, een passende administratie in een door de douaneautoriteiten goedgekeurde vorm.

Aan de hand van de informatie en de gegevens in die administratie moeten de douaneautoriteiten in staat zijn toezicht uit te oefenen op de regeling, met name wat de identificatie, de douanestatus en het overbrengen van de onder de regeling geplaatste goederen betreft.

2. Een geautoriseerd marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen wordt geacht aan de in lid 1 vastgestelde voorwaarde te voldoen voor zover zijn administratie passend is met het oog op de betrokken bijzondere regeling.

Artikel 215

Zuivering van een bijzondere regeling

1. Behalve voor de regeling douanevervoer en onverminderd artikel 254 wordt een bijzondere regeling gezuiverd indien de onder de regeling geplaatste goederen of de veredelingsproducten onder een volgende douaneregeling worden geplaatst, het douanegebied van de Unie verlaten, vernietigd zijn zonder afvalresten of aan de staat worden afgestaan overeenkomstig artikel 199.

2. De douaneautoriteiten zuiveren de regeling douanevervoer indien zij op grond van een vergelijking van de gegevens van het douanekantoor van vertrek met die van het douanekantoor van bestemming, kunnen vaststellen dat de regeling naar behoren is beëindigd.

3. De douaneautoriteiten nemen de nodige maatregelen om de situatie te regelen van goederen waarvoor de regeling niet onder de vastgestelde voorwaarden is gezuiverd.

4. De regeling dient binnen een bepaalde termijn te worden gezuiverd, tenzij anders is bepaald.

Artikel 218

Overdracht van rechten en plichten

De rechten en plichten van de houder van een regeling betreffende goederen die onder een andere bijzondere regeling dan douanevervoer zijn geplaatst, kunnen volledig of gedeeltelijk worden overgedragen aan een andere persoon die voldoet aan de voorwaarden van de betrokken regeling.

Artikel 219

Het verkeer van goederen

In specifieke gevallen kunnen goederen die onder een andere bijzondere regeling dan douanevervoer of in een vrije zone zijn geplaatst, tussen verschillende plaatsen binnen het douanegebied van de Unie worden vervoerd.

Artikel 223

Equivalente goederen

1. Equivalente goederen zijn Uniegoederen die in plaats van de onder een bijzondere regeling geplaatste goederen worden opgeslagen, gebruikt ofverwerkt.

In het kader van de regeling passieve veredeling zijn equivalente goederen niet-Uniegoederen die worden verwerkt in plaats van onder de regeling passieve veredeling geplaatste Uniegoederen.

Tenzij anders is bepaald, moeten equivalente goederen onder dezelfde achtcijfercode van de gecombineerde nomenclatuur zijn ingedeeld en dezelfde handelskwaliteit en technische kenmerken hebben als de goederen die zij vervangen.

2. Op voorwaarde dat de goede werking van de regeling, met name wat het douanetoezicht betreft, is verzekerd, kunnen de douaneautoriteiten op aanvraag vergunning verlenen voor het volgende:

a) het gebruik van equivalente goederen onder een regeling douane-entrepot, in een vrije zone, onder een regeling bijzondere bestemming en onder een veredelingsregeling;

b) in specifieke gevallen, het gebruik van equivalente goederen onder de regeling tijdelijke invoer;

c) in geval van de regeling actieve veredeling, de uitvoer van uit equivalente goederen verkregen veredelingsproducten voorafgaand aan de invoer van de goederen die zij vervangen;

d) in geval van de regeling passieve veredeling, de invoer van uit equivalente goederen verkregen veredelingsproducten voorafgaand aan de uitvoer van de goederen die zij vervangen.

Een geautoriseerd marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen wordt geacht te voldoen aan de voorwaarde dat het goed functioneren van de regeling is verzekerd, voor zover in de in artikel 38, lid 2, onder a), bedoelde vergunning rekening is gehouden met de activiteit in het kader van het gebruik van equivalente goederen voor de betrokken regeling.

3. Het gebruik van equivalente goederen wordt niet toegestaan in de volgende gevallen:

a) indien uitsluitend gebruikelijke behandelingen als omschreven in artikel 220 worden verricht in het kader van de regeling actieve veredeling;

b) indien er een verbod geldt op terugbetaling of vrijstelling van invoerrechten voor niet van oorsprong zijnde goederen die worden gebruikt voor de vervaardiging van veredelingsproducten die zich onder de regeling actieve veredeling bevinden en waarvoor een bewijs van oorsprong wordt afgegeven of opgesteld in het kader van een preferentiële regeling tussen de Unie en bepaalde landen of gebieden dan wel groepen van landen of gebieden buiten het douanegebied van de Unie;

c) indien dit zou leiden tot een onbillijk voordeel op het vlak van invoerrechten of waarvoor in Uniewetgeving is voorzien.

4. In het in lid 2, onder c), bedoelde geval stelt, indien de veredelingsproducten aan uitvoerrechten zouden zijn onderworpen indien zij niet in het kader van de regeling actieve veredeling werden uitgevoerd, de houder van de vergunning een zekerheid voor betaling van de uitvoerrechten, indien de niet-Uniegoederen niet binnen de bij artikel 257, lid 3, gestelde termijn worden ingevoerd.

Artikel 241

Veredeling

1. Bij een economische behoefte en op voorwaarde dat het douanetoezicht niet wordt gehinderd, kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat goederen in het kader van de regeling actieve veredeling of de regeling bijzondere bestemming, op de voor de desbetreffende regeling vastgestelde voorwaarden, in een douane-entrepot worden veredeld.

2. De in lid 1 bedoelde goederen worden geacht zich niet onder de regeling douane-entrepot te bevinden.

Afdeling 2 Bijzondere bestemming

Artikel 254

Regeling bijzondere bestemming

1. Onder de regeling bijzondere bestemming kunnen goederen op grond van hun specifieke bestemming met vrijstelling van rechten dan wel met een verlaagd recht in het vrije verkeer worden gebracht.

2. Indien de goederen zich in een productiefase bevinden waarin economisch gezien alleen de voorgeschreven bijzondere bestemming mogelijk is, kunnen de douaneautoriteiten in de vergunning de voorwaarden vaststellen waaronder de goederen worden geacht te zijn gebruikt voor de doeleinden die zijn vastgesteld voor het toepassen van een vrijstelling of een verlaagd invoerrecht.

3. Indien goederen geschikt zijn voor herhaald gebruik en de douaneautoriteiten douanetoezicht nodig achten ter voorkoming van misbruik, zal dit toezicht voor een termijn van niet langer dan twee jaar na de datum van eerste gebruik worden voortgezet voor de doeleinden die zijn vastgesteld voor het toepassen van een vrijstelling of een verlaagd invoerrecht.

4. Het douanetoezicht in het kader van de regeling bijzondere bestemming eindigt in elk van de volgende gevallen:

a) indien de goederen zijn gebruikt voor de doeleinden die zijn vastgesteld voor het toepassen van de vrijstelling of het verlaagde recht;

b) indien de goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten, of zijn vernietigd of afgestaan aan de staat;

c) indien de goederen zijn gebruikt voor andere doeleinden dan die welke zijn vastgesteld voor de toepassing van de vrijstelling of het verlaagde recht, en de toepasselijke invoerrechten zijn betaald.

5. Indien een opbrengst wordt vereist, is artikel 255 van toepassing op de regeling bijzondere bestemming.

6. Resten en afvallen die zijn ontstaan tijdens het be- of verwerkingsproces van de goederen overeenkomstig de bijzondere bestemming alsmede verliezen als gevolg van natuurlijke oorzaken worden geacht de bijzondere bestemming te hebben gevolgd.

7. Resten en afvallen van de vernietiging van onder de regeling bijzondere bestemming geplaatste goederen worden geacht onder de regeling douane-entrepot te zijn geplaatst.

Bijlage 2

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2015/2446 VAN DE COMMISSIE van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie

TITEL VII BIJZONDERE REGELINGEN

HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen

Afdeling 1 Aanvraag van een vergunning

Artikel 161

Buiten het douanegebied van de Unie gevestigde aanvrager

(Artikel 211, lid 3, onder a), van het wetboek)

In afwijking van artikel 211, lid 3, onder a), van het wetboek kunnen de douaneautoriteiten in incidentele gevallen, wanneer zij zulks gerechtvaardigd achten, een vergunning voor de regeling bijzondere bestemming of de regeling actieve veredeling verlenen aan personen die buiten het douanegebied van de Unie gevestigd zijn.

Artikel 162

Plaats waar de buiten het douanegebied van de Unie gevestigde aanvrager zijn aanvraag moet indienen

(Artikel 22, lid 1, van het wetboek)

1. Wanneer de aanvrager van een vergunning voor de regeling bijzondere bestemming buiten het douanegebied van de Unie gevestigd is, is de bevoegde douaneautoriteit, in afwijking van artikel 22, lid 1, derde alinea, van het wetboek, de autoriteit van de plaats waar de goederen het eerst zullen worden gebruikt.

2. Wanneer de aanvrager van een vergunning voor de regeling actieve veredeling buiten het douanegebied van de Unie gevestigd is, is de bevoegde douaneautoriteit, in afwijking van artikel 22, lid 1, derde alinea, van het wetboek, de autoriteit van de plaats waar de goederen het eerst zullen worden verwerkt.

Artikel 163

Aanvraag van een vergunning op basis van een douaneaangifte

(Artikel 6, leden 1 en 2, artikel 6, lid 3, onder a), en artikel 211, lid 1, van het wetboek)

1. In de volgende gevallen wordt een douaneaangifte, mits zij wordt aangevuld met aanvullende gegevenselementen zoals vastgesteld in bijlage A, beschouwd als een aanvraag voor een vergunning:

a) wanneer goederen onder de regeling tijdelijke invoer worden geplaatst, tenzij de douaneautoriteiten een formele aanvraag eisen in gevallen die onder artikel 236, onder b), vallen;

b) wanneer goederen onder de regeling bijzondere bestemming worden geplaatst en de aanvrager voornemens is de goederen integraal de voorgeschreven bijzondere bestemming te geven;

c) wanneer andere dan de in bijlage 71-02 opgenomen goederen onder de regeling actieve veredeling worden geplaatst;

d) wanneer andere dan de in bijlage 71-02 opgenomen goederen onder de regeling passieve veredeling worden geplaatst;

e) wanneer een vergunning voor de regeling passieve veredeling is verleend en vervangende producten in het vrije verkeer worden gebracht met gebruikmaking van het systeem uitwisselingsverkeer, waarvoor die vergunning niet geldt;

f) wanneer veredelingsproducten in het vrije verkeer worden gebracht na passieve veredeling en de veredeling betrekking had op goederen zonder handelskarakter.

2. Lid 1 is in geen van de volgende gevallen van toepassing:

a) vereenvoudigde aangifte;

b) gecentraliseerde vrijmaking;

c) inschrijving in de administratie van de aangever;

d) wanneer een andere vergunning dan voor tijdelijke invoer waarbij meer dan één lidstaat is betrokken, wordt aangevraagd;

e) wanneer een aanvraag wordt gedaan voor het gebruik van equivalente goederen overeenkomstig artikel 223 van het wetboek;

f) wanneer de bevoegde douaneautoriteit de aangever meedeelt dat de economische voorwaarden moeten worden onderzocht overeenkomstig artikel 211, lid 6, van het wetboek;

g) wanneer artikel 167, lid 1, onder f), van toepassing is;

h) wanneer een vergunning met terugwerkende kracht overeenkomstig artikel 211, lid 2, van het wetboek wordt aangevraagd, behalve in gevallen zoals bedoeld in lid 1, onder e) of f), van dit artikel.

3. Wanneer de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat er een groot risico bestaat dat een van de in de douanewetgeving vastgestelde verplichtingen niet wordt nageleefd als vervoermiddelen of reserveonderdelen, toebehoren en uitrusting van vervoermiddelen onder de regeling tijdelijke invoer worden geplaatst, mag de in lid 1 bedoelde douaneaangifte niet mondeling of in overeenstemming met artikel 141 worden gedaan. In dat geval stellen de douaneautoriteiten de aangever daarvan onmiddellijk in kennis na het aanbrengen van goederen bij de douane.

4. De in lid 1 genoemde verplichting om aanvullende gegevenselementen te verstrekken, is niet van toepassing in gevallen waarbij een van de volgende soorten aangiften wordt gedaan:

a) douaneaangiften voor het vrije verkeer die mondeling worden gedaan overeenkomstig artikel 135;

b) douaneaangiften voor tijdelijke invoer of aangiften tot wederuitvoer die mondeling worden gedaan overeenkomstig artikel 136;

c) douaneaangiften voor tijdelijke invoer of aangiften tot wederuitvoer overeenkomstig artikel 139 die worden geacht te zijn gedaan overeenkomstig artikel 141.

5. ATA- en CPD-carnets worden beschouwd als een aanvraag voor een vergunning voor tijdelijke invoer wanneer zij aan alle volgende voorwaarden voldoen:

a) het carnet is afgegeven in een overeenkomstsluitende partij bij de ATA-overeenkomst of de overeenkomst van Istanbul en is goedgekeurd en gegarandeerd door een organisatie die is aangesloten bij een waarborgketen zoals omschreven in artikel 1, onder d), van bijlage A bij de overeenkomst van Istanbul;

b) het carnet heeft betrekking op goederen en toepassingen die worden gedekt door de overeenkomst op grond waarvan het is afgegeven;

c) het carnet is gewaarmerkt door de douaneautoriteiten;

d) het carnet is geldig in het hele douanegebied van de Unie.

Artikel 164

Aanvraag tot vernieuwing of wijziging van een vergunning

(Artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat een aanvraag tot vernieuwing of wijziging van een in artikel 211, lid 1, van het wetboek bedoelde vergunning in schriftelijke vorm wordt ingediend.

Afdeling 2 Beschikking op de aanvraag

Artikel 169

Vergunning voor het gebruik van equivalente goederen

(Artikel 223, leden 1 en 2, en artikel 223, lid 3, onder c), van het wetboek)

1. Voor de verlening van een vergunning overeenkomstig artikel 223, lid 2, van het wetboek is het niet van belang of het systematisch gebruik van equivalente goederen betreft of niet.

2. Er wordt geen vergunning verleend voor het gebruik van equivalente goederen zoals bedoeld in artikel 223, lid 1, eerste alinea, van het wetboek wanneer de onder de bijzondere regeling geplaatste goederen onderworpen zouden zijn aan een voorlopig of definitief antidumpingrecht, een compenserend recht, een vrijwaringsmaatregel of een aanvullend recht dat voortvloeit uit een schorsing van concessies indien zij werden aangegeven voor het vrije verkeer.

3. Er wordt geen vergunning verleend voor het gebruik van equivalente goederen zoals bedoeld in artikel 223, lid 1, tweede alinea, van het wetboek wanneer de niet-Uniegoederen die worden verwerkt in plaats van de onder de regeling passieve veredeling geplaatste Uniegoederen, onderworpen zouden zijn aan een voorlopig of definitief antidumpingrecht, een compenserend recht, een vrijwaringsmaatregel of een aanvullend recht dat voortvloeit uit een schorsing van concessies indien zij werden aangegeven voor het vrije verkeer.

4. Er wordt geen vergunning verleend voor het gebruik van equivalente goederen onder de regeling douane-entrepot wanneer de onder de regeling douane-entrepot geplaatste niet-Uniegoederen in bijlage 71-02 opgenomen goederen zijn.

5. Er wordt geen vergunning verleend voor het gebruik van equivalente goederen voor goederen of producten die genetisch zijn gewijzigd of elementen bevatten die een genetische wijziging hebben ondergaan.

6. In afwijking van artikel 223, lid 1, derde alinea, van het wetboek worden als equivalente goederen voor de regeling actieve veredeling aangemerkt:

a) goederen die zich in een verder gevorderd fabricagestadium bevinden dan de onder de regeling actieve veredeling geplaatste niet-Uniegoederen, wanneer het voornaamste deel van de veredeling van deze equivalente goederen wordt verricht in het bedrijf van de vergunninghouder of voor zijn rekening in een ander bedrijf;

b) in geval van herstelling, nieuwe goederen in plaats van gebruikte goederen of goederen die zich in een betere staat bevinden dan de onder de regeling actieve veredeling geplaatste niet-Uniegoederen;

c) goederen met vergelijkbare technische kenmerken als de goederen die zij vervangen, mits zij onder dezelfde achtcijfercode van de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld zijn en dezelfde handelskwaliteit hebben.

7. In afwijking van artikel 223, lid 1, derde alinea, van het wetboek zijn op de in bijlage 71-04 bedoelde goederen de in die bijlage vastgestelde bijzondere bepalingen van toepassing.

8. Bij tijdelijke invoer is het gebruik van equivalente goederen slechts toegestaan wanneer de vergunning voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten is verleend overeenkomstig de artikelen 208 tot en met 211.

Artikel 171

Termijn voor de beschikking op een aanvraag voor een vergunning zoals bedoeld in artikel 211, lid 1, van het wetboek

(Artikel 22, lid 3, van het wetboek)

1. Wanneer een aanvraag voor een vergunning zoals bedoeld in artikel 211, lid 1, onder a), van het wetboek slechts betrekking heeft op één lidstaat, wordt in afwijking van artikel 22, lid 3, eerste alinea, van het wetboek onverwijld op die aanvraag beschikt, en uiterlijk binnen 30 dagen na de datum van aanvaarding van de aanvraag.

Wanneer een aanvraag voor een vergunning zoals bedoeld in artikel 211, lid 1, onder b), van het wetboek slechts betrekking heeft op één lidstaat, wordt in afwijking van artikel 22, lid 3, eerste alinea, van het wetboek onverwijld op die aanvraag beschikt, en uiterlijk binnen 60 dagen na de datum van aanvaarding van de aanvraag.

2. Wanneer de economische voorwaarden moeten worden onderzocht overeenkomstig artikel 211, lid 6, van het wetboek, wordt de in de eerste alinea van lid 1 van dit artikel genoemde termijn verlengd tot één jaar na de datum waarop het dossier aan de Commissie is doorgezonden.

De douaneautoriteiten delen de aanvrager, of de vergunninghouder, mee dat er een onderzoek naar de economische voorwaarden moet worden verricht en, indien de vergunning nog niet is afgegeven, dat de termijn overeenkomstig de eerste alinea wordt verlengd.

Artikel 172

Terugwerkende kracht

(Artikel 22, lid 4, van het wetboek)

1. Wanneer de douaneautoriteiten met terugwerkende kracht een vergunning verlenen overeenkomstig artikel 211, lid 2, van het wetboek, wordt de vergunning ten vroegste van kracht op de datum van aanvaarding van de aanvraag.

2. In buitengewone omstandigheden kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat een in lid 1 bedoelde vergunning ten vroegste van kracht wordt één jaar, en in het geval van onder bijlage 71-02 vallende goederen drie maanden, vóór de datum van aanvaarding van de aanvraag.

3. Als een aanvraag betrekking heeft op een vernieuwing van een vergunning voor dezelfde soort activiteiten en goederen, kan een vergunning met terugwerkende kracht worden verleend vanaf de datum waarop de oorspronkelijke vergunning is verstreken.

Wanneer in verband met een vernieuwing van een vergunning voor dezelfde soort activiteiten en goederen een onderzoek naar de economische voorwaarden moet worden verricht overeenkomstig artikel 211, lid 6, van het wetboek, wordt een vergunning met terugwerkende kracht ten vroegste van kracht op de datum waarop de conclusie inzake de economische voorwaarden is getrokken.

Artikel 173

Geldigheid van een vergunning

(Artikel 22, lid 5, van het wetboek)

1. Wanneer een vergunning wordt verleend overeenkomstig artikel 211, lid 1, onder a), van het wetboek, mag de geldigheidsduur van de vergunning niet meer bedragen dan vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de vergunning van kracht wordt.

2. De in lid 1 bedoelde geldigheidsduur mag niet meer bedragen dan drie jaar wanneer de vergunning betrekking heeft op in bijlage 71-02 bedoelde goederen.

Artikel 174

Termijn voor de aanzuivering van een bijzondere regeling

(Artikel 215, lid 4, van het wetboek)

1. Op verzoek van de houder van de regeling kan de aanzuiveringstermijn die is bepaald in een overeenkomstig artikel 211, lid 1, van het wetboek verleende vergunning, door de douaneautoriteiten worden verlengd, zelfs nadat de oorspronkelijk vastgestelde termijn is verstreken.

2. Wanneer de aanzuiveringstermijn op een specifieke datum verstrijkt voor alle goederen die in een bepaalde periode onder de regeling zijn geplaatst, kunnen de douaneautoriteiten in de vergunning zoals bedoeld in artikel 211, lid 1, onder a), van het wetboek bepalen dat de aanzuiveringstermijn automatisch wordt verlengd voor alle goederen die op die datum nog onder de regeling staan. De douaneautoriteiten kunnen besluiten om de automatische termijnverlenging voor alle of sommige van de onder de regeling geplaatste goederen te beëindigen.

Artikel 175

Aanzuiveringsafrekening

(Artikel 6, lid 2, artikel 6, lid 3, onder a), en artikel 211, lid 1, van het wetboek)

1. In vergunningen voor het gebruik van de regeling actieve veredeling IM/EX, actieve veredeling EX/IM zonder gestandaardiseerde inlichtingenuitwisseling zoals bedoeld in artikel 176 of bijzondere bestemming wordt bepaald dat de vergunninghouder de aanzuiveringsafrekening moet voorleggen aan het controlekantoor binnen 30 dagen na het verstrijken van de aanzuiveringstermijn.

Het controlekantoor kan evenwel ontheffing verlenen van de verplichting om de aanzuiveringsafrekening voor te leggen wanneer het dat overbodig acht.

2. Op verzoek van de vergunninghouder kunnen de douaneautoriteiten de in lid 1 genoemde termijn tot 60 dagen verlengen. In uitzonderlijke gevallen kunnen de douaneautoriteiten de termijn verlengen zelfs wanneer deze verstreken is.

3. De aanzuiveringsafrekening bevat de in bijlage 71-06 genoemde inlichtingen, tenzij het controlekantoor anderszins heeft bepaald.

4. Wanneer veredelingsproducten of onder de regeling actieve veredeling IM/EX geplaatste goederen worden geacht in het vrije verkeer te zijn gebracht overeenkomstig artikel 170, lid 1, wordt dit feit vermeld in de aanzuiveringsafrekening.

5. Wanneer in de vergunning voor actieve veredeling IM/EX is bepaald dat veredelingsproducten of onder die regeling geplaatste goederen worden geacht in het vrije verkeer te zijn gebracht op de datum waarop de aanzuiveringstermijn verstrijkt, legt de vergunninghouder de aanzuiveringsafrekening voor aan het controlekantoor zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel.

6. De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat de aanzuiveringsafrekening wordt voorgelegd met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken.

Artikel 177 bis

Gezamenlijke opslag van producten onder douanetoezicht in het kader van een bijzondere bestemming

(Artikel 211, lid 1, van het wetboek)

In de vergunning bijzondere bestemming zoals bedoeld in artikel 211, lid 1, onder a), van het wetboek worden de middelen en methoden vastgesteld voor de identificatie van en het douanetoezicht op de gezamenlijke opslag van producten onder douanetoezicht vallende onder de hoofdstukken 27 en 29 van de gecombineerde nomenclatuur of van dergelijke producten met ruwe aardolie vallende onder GN-code 2709 00.

Wanneer de in de eerste alinea bedoelde producten niet onder dezelfde achtcijferige GN-code vallen, of niet van dezelfde handelskwaliteit zijn en niet dezelfde technische en fysieke kenmerken hebben, is gezamenlijke opslag slechts toegestaan wanneer het volledige mengsel bestemd is om een van de bewerkingen bedoeld in aanvullende aantekening (GN) 5 bij hoofdstuk 27 van de gecombineerde nomenclatuur te ondergaan.

Afdeling 3 Overige bepalingen

Artikel 178

Administratie

(Artikel 211, lid 1, en artikel 214, lid 1, van het wetboek)

1. De in artikel 214, lid 1, van het wetboek bedoelde administratie bevat het volgende:

a) in voorkomend geval, de verwijzing naar de vergunning die vereist is om de goederen onder een bijzondere regeling te plaatsen;

b) het MRN of, waar dit niet bestaat, een ander nummer of een andere code ter identificatie van de douaneaangiften waarmee de goederen onder de bijzondere regeling zijn geplaatst en, wanneer de aanzuivering van de regeling is gebeurd overeenkomstig artikel 215, lid 1, van het wetboek, informatie over de wijze waarop dat is gebeurd;

c) gegevens aan de hand waarvan andere douanedocumenten dan douaneaangiften ondubbelzinnig kunnen worden geïdentificeerd, evenals alle andere documenten die van belang zijn voor het plaatsen van goederen onder een bijzondere regeling en alle andere documenten die van belang zijn voor de aanzuivering van de desbetreffende regeling;

d) bijzonderheden over merktekens, nummers, aantal en soort van de colli, de hoeveelheid en de gebruikelijke handelsomschrijving of technische beschrijving van de goederen en, eventueel, de op de containers aangebrachte merktekens aan de hand waarvan de goederen kunnen worden geïdentificeerd;

e) plaats van de goederen en informatie over iedere overbrenging;

f) douanestatus van de goederen;

g) gegevens over gebruikelijke behandelingen en, in voorkomend geval, de nieuwe tariefindeling die uit deze gebruikelijke behandelingen voortvloeit;

h) gegevens over tijdelijke invoer of bijzondere bestemming;

i) gegevens over de regelingen voor actieve of passieve veredeling, met inbegrip van informatie over het soort veredeling;

j) wanneer artikel 86, lid 1, van het wetboek van toepassing is, de kosten voor opslag of gebruikelijke behandelingen;

k) het opbrengstpercentage of eventueel de wijze om dit te berekenen;

l) gegevens aan de hand waarvan het douanetoezicht en controles op het gebruik van equivalente goederen kunnen worden uitgeoefend overeenkomstig artikel 223 van het wetboek;

m) wanneer een gescheiden boekhouding moet worden gevoerd, informatie over het soort goederen, de douanestatus en, in voorkomend geval, de oorsprong van de goederen;

n) in de gevallen van tijdelijke invoer zoals bedoeld in artikel 238, de krachtens dat artikel vereiste gegevens;

o) in de gevallen van actieve veredeling zoals bedoeld in artikel 241, de krachtens dat artikel vereiste gegevens;

p) in voorkomend geval, de gegevens van een eventuele overdracht van rechten en plichten overeenkomstig artikel 218 van het wetboek;

q) wanneer de administratie geen deel uitmaakt van de hoofdboekhouding voor douanedoeleinden, een verwijzing naar die hoofdboekhouding voor douanedoeleinden;

r) aanvullende informatie voor bijzondere gevallen, op verzoek van de douaneautoriteiten om gerechtvaardigde redenen.

2. In het geval van vrije zones bevat de administratie, behalve de in lid 1 bedoelde informatie, het volgende:

a) gegevens ter identificatie van de vervoersdocumenten voor de goederen die de vrije zones binnenkomen of verlaten;

b) gegevens over het gebruik of verbruik van goederen die, indien zij in het vrije verkeer werden gebracht of tijdelijk werden ingevoerd, niet aan de toepassing van invoerrechten of aan maatregelen in het kader van het gemeenschappelijk landbouw- of handelsbeleid overeenkomstig artikel 247, lid 2, van het wetboek zouden zijn onderworpen.

3. De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat sommige van de in de leden 1 en 2 bedoelde gegevens niet moeten worden verstrekt wanneer dit geen nadelige invloed heeft op het douanetoezicht en de controle op het gebruik van een bijzondere regeling. 4. In het geval van tijdelijke invoer wordt slechts een administratie bijgehouden als de douaneautoriteiten dat vereisen.

Artikel 179

Overbrenging van goederen tussen verschillende plaatsen in het douanegebied van de Unie

(Artikel 219 van het wetboek)

1. Goederen die onder de regeling actieve veredeling, tijdelijke invoer of bijzondere bestemming zijn geplaatst, kunnen tussen verschillende plaatsen binnen het douanegebied van de Unie worden overgebracht zonder andere dan de in artikel 178, lid 1, onder e), bedoelde douaneformaliteiten.

2. Goederen die onder de regeling passieve veredeling zijn geplaatst, kunnen binnen het douanegebied van de Unie worden overgebracht van het douanekantoor van plaatsing naar het douanekantoor van uitgang.

3. Goederen die onder de regeling douane-entrepot zijn geplaatst, kunnen binnen het douanegebied van de Unie worden overgebracht zonder andere dan de in artikel 178, lid 1, onder e), bedoelde douaneformaliteiten, als volgt:

a) tussen verschillende opslagruimten die zijn aangewezen in dezelfde vergunning;

b) van het douanekantoor van plaatsing naar de opslagruimte, of

c) van de opslagruimte naar het douanekantoor van uitgang of ieder ander douanekantoor vermeld in de in artikel 211, lid 1, van het wetboek bedoelde vergunning voor een bijzondere regeling, dat gemachtigd is om goederen vrij te geven voor een volgende douaneregeling of de aangifte tot wederuitvoer in ontvangst te nemen met het oog op de aanzuivering van de bijzondere regeling.

Een overbrenging onder de regeling douane-entrepot eindigt binnen 30 dagen nadat de goederen uit het douane-entrepot zijn uitgeslagen.

Op verzoek van de vergunninghouder kunnen de douaneautoriteiten de termijn van 30 dagen verlengen.

4. Wanneer goederen onder een regeling douane-entrepot worden overgebracht van de opslagruimte naar het douanekantoor van uitgang, bevat de in artikel 214, lid 1, van het wetboek bedoelde administratie informatie over de uitgang van de goederen binnen 100 dagen nadat de goederen uit het douane-entrepot zijn uitgeslagen.

Op verzoek van de vergunninghouder kunnen de douaneautoriteiten de termijn van 100 dagen verlengen.

HOOFDSTUK 4 Specifieke bestemming

Afdeling 2 Bijzondere bestemming

Artikel 239

Verplichting van de houder van de vergunning bijzondere bestemming

(Artikel 211, lid 1, onder a), van het wetboek)

Er wordt vergunning verleend voor het gebruik van de regeling bijzondere bestemming op voorwaarde dat de vergunninghouder zich ertoe verbindt aan een van de twee volgende verplichtingen te voldoen:

a) de goederen te gebruiken voor de doeleinden die zijn vastgesteld voor de toepassing van de vrijstelling of het verlaagde recht;

b) de onder a) bedoelde verplichting over te dragen aan een andere persoon onder de door de douaneautoriteiten vastgestelde voorwaarden.

TITEL IX SLOTBEPALINGEN

Artikel 251

Geldigheid van op 1 mei 2016 reeds van kracht zijnde vergunningen

1. Op basis van Verordening (EEG) nr. 2913/92 of Verordening (EEG) nr. 2454/93 verleende vergunningen die geldig zijn op 1 mei 2016, blijven geldig als volgt:

a) in het geval van vergunningen met een beperkte geldigheidsduur: tot het verstrijken van die duur of tot 1 mei 2019, indien deze datum eerder valt;

b) in het geval van alle andere vergunningen: totdat de vergunning wordt herbeoordeeld overeenkomstig artikel 250, lid 1.

2. In afwijking van lid 1 blijven de in artikel 250, lid 2, onder a) en b), bedoelde vergunningen geldig totdat zij worden ingetrokken door de douaneautoriteiten die deze vergunningen hebben verleend.

BIJLAGE 71-06

In de aanzuiveringsafrekening te verstrekken inlichtingen

a) referentienummer van de vergunning;

b) de hoeveelheid van elk soort goederen die onder de bijzondere regeling zijn geplaatst waarvoor aanzuivering wordt gevraagd;

c) de GN-code van de goederen die onder de bijzondere regeling zijn geplaatst;

d) de invoerrechten (%) die van toepassing zijn op de goederen die onder de bijzondere regeling zijn geplaatst en, in voorkomend geval, de douanewaarde;

e) verwijzingen naar de douaneaangiften waarmee de goederen onder de bijzondere regeling zijn geplaatst;

f) de soort en de hoeveelheid veredelingsproducten of onder de regeling geplaatste goederen en de verwijzing naar de daaropvolgende douaneaangifte of enig ander document betreffende de aanzuivering van de regeling;

g) de GN-code en de douanewaarde van de veredelingsproducten, indien bij de aanzuivering gebruik wordt gemaakt van de waardesleutel;

h) het opbrengstpercentage;

i) het te betalen bedrag aan invoerrechten. Wanneer artikel 175, lid 4, toepassing vindt, dient dit te worden vermeld;

j) de aanzuiveringstermijnen.

Bijlage 3

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/2447 VAN DE COMMISSIE van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie

TITEL VII BIJZONDERE REGELINGEN

HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen

Afdeling 2 Beschikking op de aanvraag

Artikel 260

Raadplegingsprocedure tussen douaneautoriteiten

(Artikel 22 van het wetboek)

1. Wanneer een aanvraag is ingediend voor een vergunning zoals bedoeld in artikel 211, lid 1, van het wetboek en meer dan één lidstaat is betrokken, zijn de artikelen 10 en 14 van deze verordening en de leden 2 tot en met 5 van dit artikel toepassing, tenzij de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit van mening is dat de voorwaarden voor een dergelijke vergunning niet zijn vervuld.

2. De beschikkingsbevoegde douaneautoriteit zendt de aanvraag en de ontwerpvergunning uiterlijk 30 dagen na de datum van aanvaarding van de aanvraag aan de andere betrokken douaneautoriteiten.

3. Een vergunning waarbij meer dan een lidstaat is betrokken zal niet worden afgegeven zonder voorafgaande overeenstemming van de betrokken douaneautoriteiten over de ontwerpvergunning.

4. De andere betrokken douaneautoriteiten delen hun eventuele bezwaren of hun instemming mee binnen 30 dagen na de datum waarop de ontwerpvergunning is meegedeeld.

Eventuele bezwaren moeten naar behoren worden gemotiveerd. Wanneer er binnen deze termijn bezwaren worden geuit en er binnen 60 dagen na de datum waarop de ontwerpvergunning is meegedeeld geen overeenstemming is bereikt, wordt de vergunning niet verleend ten aanzien van die elementen waarop de bezwaren betrekking hadden.

5. Indien de andere betrokken douaneautoriteiten binnen 30 dagen na de datum waarop de ontwerpvergunning is meegedeeld, geen bezwaren hebben geuit, worden zij geacht hun instemming te hebben gegeven.

Artikel 261

Gevallen waarin de raadplegingsprocedure niet is vereist

(Artikel 22 van het wetboek)

1. In de volgende gevallen geeft de bevoegde douaneautoriteit een beschikking op een aanvraag af zonder raadpleging van de andere betrokken douaneautoriteiten zoals bedoeld in artikel 260 van deze verordening:

a) een vergunning waarbij meer dan één lidstaat betrokken is, wordt:

i) vernieuwd,

ii) gering gewijzigd,

iii) geannuleerd,

iv) geschorst,

v) ingetrokken;

b) twee of meer van de betrokken lidstaten hebben hierover overeenstemming bereikt;

c) de enige activiteit waarbij verschillende lidstaten betrokken zijn, is een handeling waarbij het douanekantoor van plaatsing en het douanekantoor van aanzuivering niet dezelfde zijn; d) een aanvraag voor een vergunning voor tijdelijke invoer waarbij meer dan één lidstaat is betrokken, is gedaan op basis van een douaneaangifte op het standaardformulier.

In dergelijke gevallen stelt de douaneautoriteit die de beschikking heeft gegeven de gegevens van de vergunning aan de andere betrokken douaneautoriteiten ter beschikking.

2. In de volgende gevallen geeft de bevoegde douaneautoriteit een beschikking op een aanvraag af zonder raadpleging van de andere betrokken douaneautoriteiten zoals bedoeld in artikel 260 van deze verordening en zonder de gegevens van de vergunning aan de andere betrokken douaneautoriteiten ter beschikking te stellen in overeenstemming met lid 1:

a) wanneer een ATA- of CPD-carnet wordt gebruikt;

b) wanneer een vergunning voor tijdelijke invoer wordt verleend door vrijgave van de goederen voor de desbetreffende douaneregeling in overeenstemming met artikel 262 van deze verordening;

c) wanneer twee of meer van de betrokken lidstaten hierover overeenstemming hebben bereikt;

d) wanneer de enige activiteit waarbij verschillende lidstaten zijn betrokken, uit de overbrenging van goederen bestaat.

Artikel 262

Vergunning in de vorm van vrijgave van goederen

(Artikel 22, lid 1, van het wetboek)

Wanneer een aanvraag voor een vergunning is ingediend op basis van een douaneaangifte in overeenstemming met artikel 163, lid 1, of lid 5, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446, wordt de vergunning verleend door vrijgave van de goederen voor de desbetreffende douaneregeling.

Afdeling 3 Andere procedureregels

Artikel 263

Bij een ander douanekantoor ingediende douaneaangifte

(Artikel 159, lid 3, van het wetboek)

De bevoegde autoriteit kan in uitzonderlijke gevallen toestaan dat de douaneaangifte wordt ingediend bij een douanekantoor dat niet in de vergunning is vermeld. In dat geval stelt de bevoegde douaneautoriteit het controlekantoor hiervan onverwijld in kennis.

Artikel 264

Aanzuivering van een bijzondere regeling

(Artikel 215 van het wetboek)

1. Wanneer goederen onder een bijzondere regeling zijn geplaatst door middel van twee of meer douaneaangiften maar op grond van dezelfde vergunning, wordt de plaatsing onder een volgende douaneregeling van dergelijke goederen of van de producten die daaruit zijn

verkregen, of de toekenning ervan aan de voorgeschreven bijzondere bestemming, beschouwd de regeling aan te zuiveren voor de goederen in kwestie die met de oudste douaneaangifte onder de regeling zijn geplaatst.

2. Wanneer goederen onder een bijzondere procedure zijn geplaatst door middel van twee of meer douaneaangiften maar op grond van dezelfde vergunning, en de bijzondere procedure is aangezuiverd door de goederen buiten het douanegebied van de Unie te brengen of door vernietiging van de goederen zonder afvalresten, wordt het buiten brengen van de goederen of de vernietiging zonder afvalresten beschouwd de regeling aan te zuiveren voor de goederen in kwestie die met de oudste douaneaangifte onder de regeling zijn geplaatst.

3. In afwijking van de leden 1 en 2, kan de vergunninghouder of de houder van de regeling verzoeken dat de aanzuivering geschiedt ten aanzien van specifieke onder de regeling geplaatste goederen.

4. De toepassing van de leden 1 en 2 mag niet tot ongerechtvaardigde voordelen op het gebied van de rechten bij invoer leiden.

5. Bij algehele vernietiging of onherroepelijk verlies van onder de bijzondere regeling geplaatste en andere goederen, kunnen de douaneautoriteiten bewijsstukken van de houder van de regeling aanvaarden waaruit blijkt hoeveel onder de regeling geplaatste goederen zijn vernietigd of verloren gegaan.

Wanneer de houder van de regeling geen bewijs over kan leggen dat aanvaardbaar is voor de douaneautoriteiten, wordt de hoeveelheid goederen die is vernietigd of verloren is gegaan vastgesteld door vergelijking met de hoeveelheid onder de regeling geplaatste goederen van dezelfde soort ten tijde van de vernietiging of het verlies.

Artikel 265

Aanzuiveringsafrekening

(Artikel 215 van het wetboek)

1. Onverminderd de artikelen 46 en 48 van het wetboek controleert het controlekantoor onmiddellijk de aanzuiveringsafrekening zoals bedoeld in artikel 175, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446.

Het controlekantoor kan het door de vergunninghouder vastgestelde verschuldigde bedrag aan invoerrechten aanvaarden.

2. Het bedrag aan verschuldigde invoerrechten wordt zoals bedoeld in artikel 104 van het wetboek geboekt binnen 14 dagen vanaf de datum waarop de aanzuiveringsafrekening aan het controlekantoor is meegedeeld.

Artikel 266

Overdracht van rechten en plichten

(Artikel 218 van het wetboek)

De bevoegde douaneautoriteit beslist of een overdracht van rechten en plichten zoals bedoeld in artikel 218 van het wetboek kan plaatsvinden. Indien een dergelijke overdracht kan plaatsvinden, stelt de bevoegde douaneautoriteit de voorwaarden vast waaronder de overdracht is toegestaan.

Artikel 267

Verkeer van goederen onder een bijzondere regeling

(Artikel 219 van het wetboek)

1. De overbrenging van goederen naar het douanekantoor van uitgang met het oog op de aanzuivering van de bijzondere regeling, met uitzondering van de regeling bijzondere bestemming en passieve veredeling, door de goederen buiten het douanegebied van de Unie te brengen, wordt verricht onder dekking van de aangifte tot wederuitvoer.

2. Wanneer de goederen onder de regeling passieve veredeling van het douanekantoor van plaatsing naar het douanekantoor van uitgang worden overgebracht, worden de goederen onderworpen aan de bepalingen die van toepassing zouden zijn geweest als de goederen onder de regeling uitvoer waren geplaatst.

3. Wanneer de goederen onder de regeling bijzondere bestemming naar het douanekantoor van uitgang worden overgebracht, worden de goederen onderworpen aan de bepalingen die van toepassing zouden zijn geweest als de goederen onder de regeling uitvoer waren geplaatst.

4. Voor iedere overbrenging die niet onder de leden 1, 2 en 3, valt zijn geen andere douaneformaliteiten vereist dan het voeren van een administratie zoals bedoeld in artikel 214 van het wetboek.

5. Wanneer de overbrenging van goederen in overeenstemming met de leden 1 of 3 plaatsvindt, blijven de goederen onder de bijzondere regeling totdat zij het douanegebied van de Unie hebben verlaten.

Artikel 268

Formaliteiten voor het gebruik van equivalente goederen

(Artikel 223 van het wetboek)

1. Het gebruik van equivalente goederen is niet onderworpen aan de formaliteiten voor de plaatsing van goederen onder een bijzondere regeling.

2. Equivalente goederen kunnen samen met andere Unie- of niet- Uniegoederen worden opgeslagen. In dergelijke gevallen kunnen de douaneautoriteiten specifieke methoden vaststellen om de equivalente goederen te identificeren om ze van andere Uniegoederen of niet-Uniegoederen te onderscheiden.

Wanneer het onmogelijk is of slechts tegen buitensporige kosten mogelijk zou zijn om elk soort goederen te allen tijde vast te stellen, wordt in de boekhouding onderscheid gemaakt naar het soort goederen, de douanestatus en, indien van toepassing, de oorsprong van de goederen.

3. In de volgende gevallen staan de goederen die door equivalente goederen zijn vervangen, in het geval van bijzondere bestemming niet langer onder douanetoezicht:

a) de equivalente goederen zijn gebruikt voor de doeleinden die zijn vastgesteld voor de toepassing van de vrijstelling of het verlaagde recht;

b) de equivalente goederen worden uitgevoerd, vernietigd of afgestaan aan de staat;

c) de equivalente goederen zijn gebruikt voor andere doeleinden dan die welke zijn vastgesteld voor de toepassing van de vrijstelling of het verlaagde recht, en de toepasselijke invoerrechten zijn betaald.

Bijlage 4

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2016/341 VAN DE COMMISSIE van 17 december 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446

HOOFDSTUK 6 BIJZONDERE REGELINGEN

AFDELING 1 Algemene bepalingen voor andere bijzondere regelingen dan douanevervoer

Artikel 22

Formulieren voor aanvragen en vergunningen voor bijzondere regelingen

1. Tot de datum van de uitrol van het DWU-systeem Douanebeschikkingen zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/255/EU worden aanvragen voor een vergunning zoals bedoeld in artikel 211, lid 1, van het wetboek, wanneer deze niet gebaseerd zijn op een douaneaangifte en wanneer deze worden gedaan met andere middelen dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken, ingediend met behulp van het formulier in bijlage 12 bij deze verordening.

2. Wanneer de douaneautoriteiten die bevoegd zijn om op de in lid 1 bedoelde aanvraag te beschikken, besluiten de vergunning te verlenen, doen zij dit met behulp van het formulier in bijlage 12.

BIJLAGE 12

Bijlage 5

Aanvullende aantekening 5 bij hoofdstuk 27 van de gecombineerde nomenclatuur

Onder „aangewezen behandeling” in de zin van de posten 2710 tot en met 2712 worden de volgende bewerkingen verstaan:

a) vacuümdistillatie;

b) herdistillatie volgens een proces van ver doorgevoerde splitsing;

c) kraken;

d) reforming;

e) extractie met behulp van selectieve oplosmiddelen;

f) een bewerking bestaande uit alle navolgende behandelingen: behandelen met geconcentreerd zwavelzuur, met rokend zwavelzuur of met zwavelzuuranhydride, neutraliseren met behulp van alkalische stoffen, ontkleuren en zuiveren met behulp van nature actieve aarde, van geactiveerde aarde, van actieve koolstof of van bauxiet;

g) polymeriseren;

h) alkyleren;

ij)isomeriseren;

k) uitsluitend voor de producten van de onderverdelingen 2710 1931 tot en met 2710 1999: ontzwavelen met gebruikmaking van waterstof, waardoor het zwavelgehalte van de behandelde producten met ten minste 85 % wordt verlaagd (methode EN ISO 20846, EN ISO 20884 of EN ISO 14596 of EN ISO 24260, EN ISO 20847 en EN ISO 8754);

l) uitsluitend voor de producten van post 2710: ontparaffineren, anders dan door enkel filtreren;

m) uitsluitend voor de producten van de onderverdelingen 2710 1931 tot en met 2710 1999: behandelen met waterstof, uitgezonderd ontzwavelen, waarbij de waterstof actief deelneemt aan een scheikundige reactie die, met behulp van een katalysator, onder een druk van meer dan 20 bar en bij een temperatuur van meer dan 250 °C wordt teweeggebracht. Eindbehandeling met waterstof van smeeroliën bedoeld bij de onderverdelingen 2710 1971 tot en met 2710 1999, die in het bijzonder ten doel heeft de kleur of de stabiliteit te verbeteren (bijvoorbeeld „hydrofinishing” of ontkleuren), wordt daarentegen niet aangemerkt als een aangewezen behandeling;

n) uitsluitend voor de producten van de onderverdelingen 2710 1951 tot en met 2710 1968: atmosferische distillatie, mits deze producten, distillatieverliezen inbegrepen, voor minder dan 30 % van hun volume overdistilleren bij 300 °C, een en ander bepaald volgens de methode ISO 3405 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 86). Wanneer deze producten, distillatieverliezen inbegrepen, voor 30 % of meer van hun volume overdistilleren bij 300 °C, een en ander bepaald volgens de methode ISO 3405 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 86), worden de hoeveelheden producten, die eventueel bij de atmosferische distillatie worden verkregen en die vallen onder de onderverdelingen 2710 1211 tot en met 2710 1290 of 2710 1911 tot en met 2710 1929, onderworpen aan de rechten opgenomen bij de onderverdelingen 2710 1962 tot en met 2710 1968, berekend naar de soort en de waarde van de gebruikte producten en op basis van het nettogewicht van de verkregen producten.

Deze bepaling is niet van toepassing op de verkregen producten, die bestemd zijn om, binnen een termijn van ten hoogste zes maanden en onder andere door de bevoegde autoriteiten vast te stellen voorwaarden en bepalingen, een aangewezen behandeling te ondergaan of om chemisch te worden verwerkt volgens een andere werkwijze dan een aangewezen behandeling;

o) uitsluitend voor de producten van de onderverdelingen 2710 1971 tot en met 2710 1999: behandelen met gebruikmaking van hoogfrequente glimontlading;

p) uitsluitend voor de producten van onderverdeling 2712 9031: olieafscheiding door gefractioneerde kristallisatie.

Indien aan de vorengenoemde behandelingen op technische gronden een voorbehandeling moet voorafgaan, geldt de vrijstelling alleen voor de hoeveelheden producten die bestemd zijn om aan bovengenoemde aangewezen behandelingen te worden onderworpen en deze behandelingen ook werkelijk ondergaan; de vrijstelling geldt eveneens voor de eventuele verliezen bij de voorbehandeling.

Bijlage 6

Formulier “Overdracht rechten en plichten – Bijzondere bestemming”

Volledige TORO in toepassing van artikel 218 DWU

Formulier te gebruiken bij een volledige TORO

De vakken 14, 16-18 tussen [ ] dienen niet te worden ingevuld wanneer de procedure 2 van TORO wordt gebruikt.

1

De douaneautoriteiten hebben TORO toegestaan:

Aanbrengen van het (de) nummer(s) van de vergunning(en)

Plaats en datum

Betrokken personen en controlediensten van de douane

2

EORI-nummer of naam en adres van overdrager

3

EORI-nummer of naam en adres van overnemer

4

Controledienst douane van de overdager

5

Controledienst douane van de overnemer

Details over de goederen onderworpen aan TORO

6

MRN-nummer van de aangifte tot het plaatsen onder de douaneregeling

7

Taric-code

8

Colli en omschrijving van de goederen

9

Merken en nummers van de colli/goederen

10

Bruto gewicht

11

Netto gewicht

12

Aanvullende eenheden (in voorkomend geval)

13

Datum waarop de bijzondere regeling moet aangezuiverd zijn

[14]

[Termijn waarin de overnemer de overdrager dient in te lichten over de aanzuivering van de bijzondere regeling]

15

Datum en uur van TORO

[16]

[Datum waarop bijzondere regeling is aangezuiverd]

[17]

[Datum waarop overdrager werd ingelicht over de aanzuivering van de bijzondere regeling]

[18]

[Bevestiging van de overnemer dat de overdrager op de hoogte werd gesteld van de aanzuivering van de bijzondere regeling]

Plaats

en datum

Handtekening of elektronische authenticatie van de overnemer

19

Bijkomende informatie in voorkomend geval (bijv. zekerheid, opbrengstpercentage)

20

Bevestiging dat de verstrekte informatie correct is

Plaats

en datum

Plaats

en datum

Handtekening of elektronische authenticatie van de overdrager

Handtekening of elektronische authenticatie van de overnemer

Bijlage 7

Praktisch voorbeeld van TORO bij procedure 2 :

Vis onder de regeling bijzondere bestemming, met TORO waarbij meerdere lidstaten zijn betrokken

De houder van een vergunning BB is een invoerder van vis. Op 1 september 2017 doet hij aangifte van 10 ton vis voor het vrije verkeer met bijzondere bestemming omdat hij wil genieten van autonome tariefcontingenten.

Er is een zekerheid voor 10 ton vis beschikbaar, namelijk 40.000 euro.

Op 1 september 2017 werd de vis onder de regeling bijzondere bestemming geplaatst.

De aanzuiveringstermijn bedraagt 2 weken (15 september 2017).

De importeur is niet van plan om zelf de verwerking te doen, maar wil de vis verkopen aan een verwerker die de vis inblikt.

Om dit te doen, heeft de importeur een vergunning aangevraagd voor een volledige TORO, hetgeen hem werd toegekend op 5 april 2017.

Deze vergunning kan deel uitmaken van zijn vergunning bijzondere bestemming, wat betekent dat de positieve beslissing inzake de TORO (zie artikel 22 DWU en artikel 266 IA) kan worden opgenomen in de vergunning bijzondere bestemming (zie artikel 211 §1 DWU).

De vergunning TORO bepaalt dat de goederen onder de regeling bijzondere bestemming enkel geleverd mogen worden aan de overnemer(s) die vermeld zijn in de vergunning. Het formulier “Overdracht rechten en plichten – Bijzondere bestemming” moet worden gebruikt door de overdrager en overnemer zoals hierna verduidelijkt.

Op 2 september 2017 verkoopt de importeur de vis aan een verwerker. Deze verwerker had op 10 april 2017 een vergunning voor een volledige TORO aangevraagd en verkregen (zie hieronder een voorbeeld van de vergunning voor een volledige TORO). De vergunning van de overdrager werd gewijzigd om de TORO-vergunning van de overnemer erin op te nemen.

De verwerker stelt een doorlopende zekerheid van 40.000 euro.

Op 2 september 2017 werd de vis geleverd aan de verwerker, die gevestigd is in een andere lidstaat.

De volledige TORO vond dus plaats op die datum om 14 uur.

De TORO was mogelijk zonder voorafgaande raadpleging omdat de betrokken lidstaat akkoord gaat met de TORO in het algemeen, op voorwaarde dat het formulier “Overdracht rechten en plichten – Bijzondere bestemming” wordt gebruikt of de gegevens worden verstrekt door de overdrager en de overnemer en dat de overnemer een toereikende zekerheid heeft gesteld.

De overnemer moet ervoor zorgen dat de ontvangen vis wordt gedekt door de doorlopende zekerheid van 40.000 euro.

Op 15 september 2017 werd de 10 ton vis verwerkt in visconserven.

De verantwoordelijkheden van de invoerder voor de goederen onder de regeling bijzondere bestemming stoppen om 14 uur op 2 september 2017. Hij moet wel informatie verstrekken over de volledige TORO in de aanzuiveringsafrekening. Er werd voldaan aan deze verplichting op 10 oktober 2017.

Zijn borg kan vervolgens worden vrijgegeven tenzij het wordt gebruikt voor andere verrichtingen. Er dient te worden opgemerkt dat het einde van de verantwoordelijkheden van de importeur niet gelijk is aan een aanzuivering van de regeling overeenkomstig artikel 215 DWU.

De geschriften die moeten worden bewaard door de overdrager en overnemer moeten de details van de TORO (artikel 178 §1 (p) DA DWU) bevatten.

Informatie met betrekking tot de aanzuivering van de regeling bijzondere bestemming of een andere TORO moet worden ingediend door de overnemer aan de controledienst van de douane waaronder hij ressorteert binnen 30 dagen na het verstrijken van de aanzuiveringstermijn. De periode begint op 16 september 2017.

Voorbeeld van een ingevuld formulier “Overdracht rechten en plichten – Bijzondere bestemming” volgens het gedetailleerde voorbeeld hierboven:

Volledige TORO in toepassing van artikel 218 DWU

(Formulier te gebruiken bij een volledige TORO)

1

De douaneautoriteiten hebben TORO toegestaan:

Aanbrengen van het (de) nummer(s) van de vergunning(en)

5 april 2017 (aan de overdrager)

10 april 2017 (aan de overnemer)

Xyz (nr. beslissing lidstaat A)

Xyz (nr. beslissing lidstaat B)

Betrokken personen en controlediensten van de douane

2

EORI-nummer of naam en adres van overdrager

Details over de invoerder zijn verstrekt

3

EORI-nummer of naam en adres van overnemer

Details over de verwerker zijn verstrekt

4

Controledienst douane van de overdrager

Details van de douanedienst in lidstaat A zijn verstrekt

5

Controledienst douane van de overnemer

Details van de douanedienst in lidstaat B zijn verstrekt

Details over de goederen onderworpen aan TORO

6

MRN-nummer van de aangifte tot het plaatsen van de goederen onder de regeling bijzondere bestemming

Nummer van de aangifte ingediend door de invoerder op 1 september 2017

7

Taric-code

Details zijn verstrekt

8

Colli en omschrijving van de goederen

Details zijn verstrekt

Verse vis

9

Merken en nummers van de colli/goederen

Details zijn verstrekt

10

Bruto gewicht

11 ton

11

Netto gewicht

10 ton

12

Aanvullende eenheden (in voorkomend geval)

13

Datum waarop bijzondere regeling moet aangezuiverd zijn

15 september 2017

[14]

[Termijn waarin de overnemer de overdrager dient in te lichten over de aanzuivering van de bijzondere regeling]

Niet van toepassing

15

Datum en uur van TORO

2 september 2017 om 14 uur

[16]

[Datum waarop bijzondere regeling is aangezuiverd]

Niet van toepassing

[17]

[Datum waarop overdrager werd ingelicht over de aanzuivering van de bijzondere regeling]

Niet van toepassing

[18]

[Bevestiging van de overnemer dat de overdrager op de hoogte werd gesteld van de aanzuivering van de bijzondere regeling]

Niet van toepassing

Plaats en datum Handtekening of elektronische authenticatie van de overnemer

19

Bijkomende informatie in voorkomend geval (bv. zekerheid, opbrengstpercentage)

De overnemer heeft een zekerheid gesteld voor het eventuele bedrag van de invoerrechten en andere belastingen met betrekking tot de goederen onder de regeling bijzondere bestemming die het voorwerp uitmaken van de huidige TORO.

Het opbrengstpercentage wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 255 §2 DWU.

20

Bevestiging dat de verstrekte informatie correct is

Details zijn verstrekt

Plaats en datum

Details zijn verstrekt

Plaats en datum

Handtekening of elektronische authenticatie van de overdrager

Handtekening of elektronische authenticatie van de overnemer

Model van vergunning voor een volledige TORO, volgens gedetailleerd voorbeeld hierboven (afgeleverd aan de overnemer):Vergunning voor een volledige TORO in toepassing van artikel 266 IA DWU

Xyz- nr beslissing lidstaat B

(nr. van de vergunning)

  1. Houder van de vergunning van volledige TORO: naam, adres, nr. EORI van de verwerker van vis.

Uitreikende instantie: details zijn verstrekt

  1. Deze beslissing verwijst naar uw aanvraag: 10 april 2017

Referentienummer: details zijn verstrekt

  1. Douaneregeling: bijzondere bestemming
  2. Plaats en soort van bij te houden boekhouding/administratie: details zijn verstrekt
  3. Geldigheidsduur van de vergunning:

Begin: 10 april 2017

Einde: 10 april 2020

  1. Goederen die het voorwerp van de TORO mogen uitmaken:

GN-Code: alle codes van de post 0302

Beschrijving: vis, vers of gekoeld

Hoeveelheid en waarde: de hoeveelheid en de waarde van de ontvangen vis moeten worden gedekt door de doorlopende zekerheid van 60.000 euro

  1. Verwerkte producten: elk product dat volgens de voorwaarden van de vis onder de regeling bijzondere bestemming werd geplaatst

GN-code: elke GN-code die de plaatsing van de goederen onder hun voorgeschreven bijzondere bestemming aantoont.

Beschrijving: irrelevant (zie hierboven)

  1. Opbrengstpercentage: het opbrengstpercentage zal worden vastgesteld overeenkomstig artikel 255 §2 DWU.
  2. Controlekantoor: details zijn verstrekt
  3. Aanzuiveringstermijn: de datum waarop de vis moet worden toegewezen aan de voorgeschreven bijzondere bestemming is vermeld in vak 13 van het formulier “Overdracht rechten en plichten – Bijzondere bestemming”
  4. Aanvullende informatie/voorwaarden: (bv. zekerheidstelling)

De houder van de volledige TORO-vergunning is verplicht voor de ontvangen vis een doorlopende zekerheid te stellen, namelijk 40.000 euro.

In geval van levering aan een overnemer, moet de aanzuiveringstermijn worden gerespecteerd. De houder van de volledige TORO-vergunning kan een aanvraag indienen voor verlenging van deze periode voordat deze verloopt.

De houder van de vergunning voor de volledige TORO dient de controlerende douanedienst informatie over de aanzuivering of een latere TORO te verstrekken, binnen 30 dagen na het verstrijken van de aanzuiveringstermijn.

Het formulier “Overdracht rechten en plichten – Bijzondere bestemming” moet worden gebruikt voor elke te ontvangen of over te dragen zending (zie bijlage). De houder van de vergunning TORO moet exemplaar 1 aan de overdrager en exemplaar 2 naar de hierboven beschreven controlerende dienst van de douane (punt 9) versturen, nadat vak 20 werd ingevuld.

Exemplaar 3 moet worden bewaard door de houder van de vergunning TORO voor een periode van ten minste 3 jaar vanaf de datum waarop de TORO plaatsgevonden heeft.

Opmerking: indien de controledienst van de douane het niet nodig acht om ten behoeve van het douanetoezicht een kopie van het formulier “Overdracht rechten en plichten – Bijzondere bestemming” te ontvangen, hoeven er slechts twee exemplaren te worden gebruikt.

  1. Datum, Handtekening, Stempel

10 april 2017

Naam

(Bijlage: Formulier “Overdracht rechten en plichten – Bijzondere bestemming)

Bijlage 8

Lijst van producten waarvoor de invoerrechten volledig geschorst zijn (Fiche 8802-2: punt 3)

Code SH

Codes NC

Désignation des marchandises

3813

ex 3813 00 00

Preparaten en ladingen, voor brandblusapparaten; brandblusbommen:

- preparaten en ladingen voor brandblusapparaten bedoeld bij post 8424

3819

ex 3819 00 00

Remvloeistoffen en andere vloeibare preparaten voor hydraulische krachtoverbrenging, die geen of minder dan 70 gewichtspercenten aardolie of olie uit bitumineuze mineralen bevatten:

- op basis van kiezelzure of fosforzure esters

3901

ex 3901 30 00

ex 3901 90 00

Polymeren van ethyleen, in primaire vormen:

- copolymeren van ethyleen en vinylacetaat, voor het opvullen van holten

- andere, voor het opvullen van holten

3902

ex 3902 30 00

ex 3902 90 00

Polymeren van propyleen of van andere olefinen, in primaire vormen:

- copolymeren van propyleen, voor het opvullen van holten

- andere, voor het opvullen van holten

3904

ex 3904 10 00

ex 3904 21 00

ex 3904 22 00

ex 3904 40 00

ex 3904 50 00

ex 3904 69 00

ex 3904 90 00

Polymeren van vinylchloride of van andere halogeenolefinen, in primaire vormen:

- polyvinylchloride, niet gemengd met andere zelfstandigheden, in korrelvorm

- ander polyvinylchloride, geen weekmakers bevattend, in korrelvorm

- ander polyvinylchloride, weekmakers bevattend, in korrelvorm

- andere copolymeren van vinylchloride, voor het opvullen van holten

- polymeren van vinylideenchloride, voor het opvullen van holten

- andere fluorhoudende polymeren, voor het opvullen van holten

- andere, voor het opvullen van holten

3905

ex 3905 19 00

ex 3905 29 00

ex 3905 91 00

ex 3905 99 00

Polymeren van vinylacetaat of van andere vinylesters in primaire vormen; andere vinylpolymeren in primaire vormen:

- andere polymeren van vinylacetaat, voor het opvullen van holten

- andere, voor het opvullen van holten

3911

ex 3911 10 00

ex 3911 90 90

Petroleumharsen, cumaronindeenharsen, polyterpenen, polysulfiden, polysulfonen en andere producten, genoemd in aantekening 3 op dit hoofdstuk, elders genoemd noch elders onder begrepen, in primaire vormen:

- petroleumharsen, cumaronharsen, indeenharsen of cumaronindeenharsen en polyterpenen, voor het opvullen van

holten

- andere, voor het opvullen van holten

3916

3916 10 00

3916 20 10

3916 20 90

3916 90 51

3916 90 59

Monofilament waarvan de grootste afmeting van de dwarsdoorsnede meer bedraagt dan 1 mm, alsmede staven en profielen, van kunststof, ook indien aan het oppervlak bewerkt, doch die geen andere bewerking hebben ondergaan:

- van polymeren van ethyleen

- van polyvinylchloride

- van andere polymeren van vinylchloride

- van polymeren van propyleen

- van andere polymerisatieprodukten verkregen door additie

3917

3917 21 10

3917 21 99

3917 22 10

3917 22 99

3917 23 10

3917 23 99

3917 29 15

3917 29 99

3917 31 90

3917 32 31

3917 32 35

3917 32 39

3917 39 15

Buizen, slangen en hulpstukken daarvoor (bij voorbeeld verbindingsstukken, moffen, ellebogen, flenzen), van kunststof:

stijve buizen en slangen:

van polymeren van ethyleen:

- naadloos en met een lengte die de grootste afmeting van de dwarsdoorsnede overtreft, ook indien aan het oppervlak bewerkt, doch welke geen andere bewerking hebben ondergaan

- andere

van polymeren van propyleen:

- naadloos en met een lengte die de grootste afmeting van de dwarsdoorsnede overtreft, ook indien aan het oppervlak bewerkt, doch welke geen andere bewerking hebben ondergaan

- andere

van polymeren van vinylchloride:

- naadloos en met een lengte die de grootste afmeting van de dwarsdoorsnede overtreft, ook indien aan het oppervlak bewerkt, doch welke geen andere bewerking hebben ondergaan

- andere

van polymerisatieprodukten verkregen door additie:

- naadloos en met een lengte die de grootste afmeting van de dwarsdoorsnede overtreft, ook indien aan het oppervlak bewerkt, doch welke geen andere bewerking hebben ondergaan

- andere

flexibele buizen en slangen:

- andere

- van polymeren van ethyleen

- van polymeren van vinylchloride

- van andere polymerisatieprodukten verkregen door additie

- van polymerisatieprodukten verkregen door additie

3918

Alle codes

Vloerbedekking van kunststof, ook indien zelfklevend, op rollen of in tegels; wand- en plafondbekleding van kunststof,

als bedoeld bij aantekening 9 op dit hoofdstuk

3919

3919 10 61

3919 10 69

3919 90 61

3919 90 69

Platen, vellen, foliën, stroken, strippen en andere platte producten, van kunststof, zelfklevend, ook indien op rollen:

op rollen met een breedte van niet meer dan 20 cm:

- van weekmakers bevattend polyvinylchloride of van polyethyleen

- van andere polymerisatieproducten verkregen door additie

andere:

- van weekmakers bevattend polyvinylchloride of van polyethyleen

- van andere polymerisatieproducten verkregen door additie

3920

3920 10 22

3920 10 28

3920 10 40

3920 10 80

3920 20 21

3920 20 29

3920 20 90

ex 3920 30 00

3920 41 11

3920 41 19

3920 41 91

3920 41 99

3920 42 11

3920 42 19

3920 42 91

3920 42 99

3920 91 00

3920 99 50

Andere platen, vellen, foliën, stroken en strippen, van kunststof zonder celstructuur, niet versterkt, gelaagd of op dergelijke wijze gecombineerd met andere stoffen, niet op een drager:

van polymeren van ethyleen:

met een dikte van 0,125 mm of minder:

van polyethyleen met een relatieve dichtheid:

- van minder dan 0,94

- van 0,94 of meer

- andere

van polymeren van ethyleen met een dikte van meer dan 0,125 mm

van polymeren van propyleen:

met een dikte van 0,10 mm of minder:

- biaxiaal georiënteerd

- andere

met een dikte van meer dan 0,10 mm:

- andere

- van acrylonitrilbutadieenstyreen

van polymeren van vinylchloride, stijf:

- geen weekmakers bevattend, met een dikte van niet meer dan 1 mm

- geen weekmakers bevattend, met een dikte van meer dan 1 mm

- weekmakers bevattend, met een dikte van niet meer dan 1 mm

- weekmakers bevattend, met een dikte van meer dan 1 mm

van polymeren van vinylchloride, flexibel:

- geen weekmakers bevattend, met een dikte van niet meer dan 1 mm

- geen weekmakers bevattend, met een dikte van meer dan 1 mm

- weekmakers bevattend, met een dikte van niet meer dan 1 mm

- weekmakers bevattend, met een dikte van meer dan 1 mm

van andere kunststof:

- van polyvinylbutyral

- van polymerisatieproducten verkregen door additie

3921

ex 3921 11 00 3921 12 00

3921 19 90

3921 90 60

Andere platen, vellen, foliën, stroken en strippen van kunststof:

met celstructuur:

- van acrylonitrilbutadieenstyreen

- van polymeren van vinylchloride

- van andere kunststof

zonder celstructuur:

- van polymerisatieproducten verkregen door additie

6815

ex 6815 10 90

Werken van steen of van andere minerale stoffen (koolstofvezels, werken van koolstofvezels en werken van turf daaronder begrepen), elders genoemd noch elders onder begrepen:

- filters, ringetjes en andere artikelen, van geagglomereerde kool of van grafiet

7019

ex 7019 31 00

ex 7019 32 00

ex 7019 39 10

ex 7019 39 90

Glasvezels (glaswol daaronder begrepen) en werken daarvan (bij voorbeeld garens, weefsels):

- matten, met een gering hydrofiel vermogen

- vliezen, met een gering hydrofiel vermogen

- platen en dergelijke niet-geweven producten, met een gering hydrofiel vermogen, bekleed met papier of met

metaal

- andere platen en dergelijke niet-geweven producten, met een gering hydrofiel vermogen

7304

ex 7304 31 91

ex 7304 39 91

ex 7304 41 90

ex 7304 49 91

ex 7304 51 19

ex 7304 51 91

ex 7304 59 31

ex 7304 59 39

ex 7304 59 91

ex 7304 90 90

Buizen, pijpen en holle profielen, naadloos, van ijzer of van staal:

- buizen en pijpen, gereed voor het gebruik, die kunnen worden gebezigd als leidingen voor hydraulisch gebruik,

of als leidingen voor smeermiddelen of brandstoffen

7306

ex 7306 30 21

ex 7306 30 29

ex 7306 30 71

ex 7306 30 78

ex 7306 40 91

ex 7306 40 99

ex 7306 50 91

ex 7306 50 99

ex 7306 60 90

ex 7306 90 00

Andere buizen, pijpen en holle profielen (bij voorbeeld gelast, geklonken, genageld, gefelst of met enkel tegen elkaar liggende randen), van ijzer of van staal:

- buizen en pijpen, gereed voor het gebruik, die kunnen worden gebezigd als leidingen voor hydraulisch gebruik

of als leidingen voor smeermiddelen of brandstoffen

7307

Alle codes, met

uitzondering van

7307 11 10 t/m

7307 19 90

Hulpstukken (fittings) voor buisleidingen (bij voorbeeld verbindingsstukken, ellebogen, moffen), van ijzer of van

staal

7311

ex 7311 00 10

Bergingsmiddelen voor gecomprimeerd of vloeibaar gemaakt gas, van gietijzer, van ijzer of van staal:

- naadloze bergingsmiddelen, van ijzer of van staal, bestemd voor luchtdrukregeling

7318

7318 12 10

7318 12 90

7318 13 00

7318 14 10

7318 14 91

7318 14 99

ex 7318 15 10

ex 7318 15 30 à

ex 7318 15 90

ex 7318 16 10 à

ex 7318 16 99

7318 19 00

7318 21 00 à

7318 29 00

Schroeven, bouten, moeren, kraagschroeven, schroefhaken, massieve klinknagels en klinkbouten, splitpennen en splitbouten, stelpennen en stelbouten, spieën, sluitringen (veerringen en andere verende sluitringen daaronder begrepen) en dergelijke artikelen, van gietijzer, van ijzer of van staal:

artikelen met schroefdraad:

- houtschroeven van roestvrij staal

- andere houtschroeven

- oogschroeven en schroefhaken

- zelftappende schroeven van roestvrij staal

- plaatschroeven

- andere

- andere schroeven en bouten, ook indien met bijbehorende moeren of sluitringen, met uitzondering van zelfborgende

bouten en moeren (Hi-lok-systeem)

- Moeren, met uitzondering van zelfborgende moeren (Hi-lok-systeem)

- andere

artikelen zonder schroefdraad

7320

Alle codes

Veren en veerbladen, van ijzer of van staal

7325

ex 7325 99 99

Andere gegoten werken van ijzer of van staal:

- beugels, flenzen en bevestigings-, aansluit-, klem- en scheldstukken

- materiaal voor het stuwen en het vastzetten van de lading

- kogels, gebruikt bij het vrachtlaadsysteem

7326

ex 7326 90 91

ex 7326 90 93

ex 7326 90 95

ex 7326 90 97

Andere werken van ijzer of van staal:

- beugels, flenzen en bevestigings-, aansluit-, klem- en scheldstukken

- materiaal voor het stuwen en het vastzetten van de lading

- kogels, gebruikt bij het vrachtlaadsysteem

7604

ex 7604 10 90

ex 7604 29 90

ex 7604 10 90

ex 7604 29 90

Staven en profielen, van aluminium:

- profielen, voorzien van een specifiek fabricagenummer

- konische profielen voor versteviging van de laterale stabilisatievlakken

7606

Alle codes met

uitzondering van 7606 12 10

Platen, bladen en strippen, van aluminium, met een dikte van meer dan 0,2 mm:

— platen, voorzien van een specifiek fabricagenummer

7608

ex 7608 10 90

ex 7608 20 30

ex 7608 20 99

Buizen en pijpen, van aluminium:

- buizen en pijpen, gereed voor het gebruik, die kunnen worden gebezigd als leidingen voor hydraulisch gebruik

of als leidingen voor smeermiddelen of brandstoffen

7609

7609 00 00

Hulpstukken (fittings) voor buisleidingen (bij voorbeeld verbindingsstukken, ellebogen, moffen), van aluminium

7613

ex 7613 00 00

Flessen van aluminium voor het opblazen van ontruimingsglijbanen

7616

ex 7616 10 00

ex 7616 99 10

ex 7616 99 90

ex 7616 99 10

ex 7616 99 90

ex 7616 99 90

Andere werken van aluminium:

- draadnagels, spijkers, aangepunte krammen, schroeven, bouten, moeren, haken met schroefdraad, klinknagels en klinkbouten, splitpennen, spiebouten, spieën, sluitringen en dergelijke artikelen, andere dan zelfborgende bouten en moeren (Hi-lok-systeem)

- beugels, flenzen en bevestigings-, aansluit-, klem- en scheidstukken

- „Quick-change”-inrichtingen voor de ombouw van passagiersvliegtuigen tot vrachtvliegtuigen en omgekeerd

- platen met een variabele dikte, met een breedte van 1 200 mm of meer

8108

ex 8108 90 70

ex 8108 90 90

Titaan en werken daarvan, resten en afval daaronder begrepen:

- dunwandige buizen, gereed voor het gebruik, voor het luchtverversings- en het airconditioningsysteem

- bouten en moeren, schroeven, massieve klinknagels en dergelijk bout- en schroefwerk, beantwoordend aan de

US-normen, andere dan zelfborgende bouten en moeren (Hi-lok-systeem)

8308

8308 20 00

Sluitingen, sluitbeugels, gespen, sluitgespen, haken en ogen en dergelijke artikelen, van onedel metaal, voor kleding, voor schoeisel, voor dekzeilen, voor marokijnwerk en voor alle geconfectioneerde goederen en uitrustingen; holle en gespleten klinknagels, van onedel metaal; kralen en pailletten, van onedel metaal:

- holle en gespleten klinknagels

8418

8418 99 10

ex 8418 99 90

Koelkasten, vrieskasten en andere machines, apparaten en toestellen voor de koeltechniek, al dan niet elektrisch

werkend; warmtepompen, andere dan klimaatregelingstoestellen bedoeld bij post 8415:

- verdampers en condensors, andere dan voor apparaten voor huishoudelijk gebruik

- delen en onderdelen van machines en toestellen voor de koeltechniek aangepast aan het airconditioningsysteem

8421

8421 99 00

Centrifuges, centrifugaaldrogers daaronder begrepen; toestellen voor het filtreren of zuiveren van vloeistoffen of van gassen:

- delen van toestellen voor het filtreren of zuiveren van vloeistoffen of van gassen

8424

ex 8424 90 00

Mechanische toestellen (ook indien voor handkracht) voor het spuiten, verspreiden of verstuiven van vloeistoffen of van poeder; blusapparaten (ook indien gevuld); spuitpistolen en dergelijke toestellen; zandstraaltoestellen, stoomstraaltoestellen en dergelijke straaltoestellen:

- delen van blusapparaten

8431

ex 8431 10 00

ex 8431 31 00

ex 8431 39 90

ex 8431 49 20

ex 8431 49 80

Delen waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor de machines of toestellen bedoeld bij de posten 8425 tot en met 8430:

- delen van vijzels

- delen van apparaten om blijvend in luchtvaartuigen te worden ingebouwd, voor het laden, het lossen en het stuwen van de vracht

8473

ex 8473 30 10

ex 8473 30 90

Delen en toebehoren (andere dan koffers, hoezen en dergelijke) waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor machines en toestellen bedoeld bij de posten 8469 tot en met 8472:

- delen en toebehoren van rekenmachines van post 8471 die deel uitmaken van de navigatie-instrumenten of apparaten bedoeld bij hoofdstuk 90 en uitsluitend worden gebruikt om berekeningen uit te voeren die eigen zijn aan deze machines of apparaten

8481

Alle codes, met

uitzondering van

8481 80 31 t/m

8481 80 61

8481 80 71

Kranen en dergelijke artikelen (reduceerventielen en thermostatisch werkende kleppen daaronder begrepen), voor leidingen, voor ketels, voor reservoirs, voor bakken of voor dergelijke bergingsmiddelen

8485

8485 90 10 t/m

8485 90 80

Delen van machines of van toestellen, niet genoemd of niet begrepen onder andere posten van dit hoofdstuk en niet voorzien van elektrische verbindingsstukken, van elektrisch geïsoleerde delen, van spoelen, van contacten of van andere elektrotechnische delen:

- andere delen van machines of van toestellen

8501

8501 10 10

8501 10 91

8501 10 93

8501 10 99

ex 8501 20 90

ex 8501 31 90

ex 8501 33 90

ex 8501 40 91

ex 8501 40 99

ex 8501 51 90

ex 8501 53 92

8501 53 94

8501 53 99

Elektromotoren en elektrische generatoren, andere dan generatoraggregaten:

- synchroonmotoren met een vermogen van niet meer dan 18 W

- andere motoren met een vermogen van minder dan 750 W of van meer dan 150 kW

8503

Alle codes

Delen waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor de machines bedoeld bij post 8501 of 8502

8504

8504 90 11

8504 90 19

8504 90 90

Elektrische transformatoren, statische omvormers (bij voorbeeld gelijkrichters), smoorspoelen en zelfinductiespoelen:

- delen van transformatoren, smoorspoelen en zelfinductiespoelen en statische omvormers

8505

Alle codes

Elektromagneten; permanente magneten en artikelen bestemd om na magnetisering als permanente magneten te worden gebruikt; magnetische en elektromagnetische opspanplaten en werkstukhouders; elektromagnetische koppelingen, gangwissels en remmen; lastmagneten

8511

8511 90 00

Elektrische ontstekings- en starttoestellen voor vonkontstekings- en zelfontstekingsmotoren (bij voorbeeld magneto's, dynamo-magneto's, ontstekingsspoelen, ontstekings- en gloeibougies, startmotoren); generatoren (bij voorbeeld dynamo's, alternatoren) en automatische schakelaars, die bij deze motoren worden gebruikt:

- delen

8516

ex 8516 90 00

Elektrische geisers en andere elektrische heetwatertoestellen en elektrische dompelaars; elektrische toestellen voor verwarming van woonruimten, voor bodemverwarming of voor dergelijk gebruik; elektrothermische toestellen voor haarbehandeling (bij voorbeeld haardroogtoestellen, haargolftoestellen, verwarmingsapparaten voor friseerijzers) of voor het drogen van de handen; elektrische strijkijzers; andere elektrothermische toestellen voor huishoudelijk

gebruik; verwarmingselementen (verwarmingsweerstanden) andere dan die bedoeld bij post 8545:

- delen van in propellervliegtuigen te monteren elektrische toestellen voor verwarming van vliegtoestellen en

draagvlakken

8518

8518 90 00

Microfoons en statieven daarvoor; luidsprekers, ook indien gemonteerd in een klankkast; hoofdtelefoons en oortelefoons, ook indien gecombineerd met een microfoon; elektrische audiofrequentversterkers; elektrische geluidsversterkers:

- delen

8519

ex 8519 93 81

ex 8519 93 89

ex 8519 99 90

Platenspelers, elektrogrammofoons, cassettespelers en andere toestellen voor het weergeven van geluid, niet uitgerust

voor het opnemen van geluid:

- toestellen voor het weergeven van muziek en automatische omroeptoestellen

8521

ex 8521 90 00

Video-opname- en videoweergaveapparaten, ook indien met ingebouwde videotuner:

- videoweergaveapparaten, andere dan deze werkend met magneetbanden

8522

ex 8522 90 91

ex 8522 90 98

ex 8522 90 91

ex 8522 90 98

Delen en toebehoren, waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk zijn bestemd voor de toestellen en apparaten bedoeld bij de posten 8519 tot en met 8521:

- delen en toebehoren van toestellen voor het opnemen van stemmen in de cockpit

- delen en toebehoren van toestellen voor het weergeven van muziek en automatische omroeptoestellen

8528

ex 8528 30 10

Ontvangtoestellen voor televisie, ook indien met ingebouwd ontvangtoestel voor radio-omroep of toestel voor het opnemen of het weergeven van geluid of van beelden; videomonitors en videoprojectietoestellen:

- videoprojectietoestellen, bestaande uit drie kathodestraalbuizen elk met een lens

8529

ex 8529 90 70

ex 8529 90 81

ex 8529 90 89

Delen waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor de toestellen bedoeld bij de posten 8525 tot en met 8528:

- andere, met uitzondering:

van gecombineerde zend- en ontvangtoestellen VHF die voldoen aan de norm ARINC 566 A, en van boordradiosystemen die voldoen aan de norm ARINC 306 of 412,

van radio- en televisietoestellen en van ontvangtoestellen van selectieve oproepsystemen (SELCAL) die voldoen aan de norm ARINC 531 of 596

en van OMEGA-ontvangtoestellen voor radionavigatie die voldoen aan de norm ARINC 580 of 599

8531

8531 90 10

8531 90 90

Elektrische toestellen voor hoorbare of voor zichtbare signalen (bij voorbeeld bellen, sirenes, signaalborden, alarmtoestellen tegen diefstal of brand), andere dan die bedoeld bij de posten 8512 en 8530:

- delen

8532

Alle codes

Elektrische condensatoren (vast, regelbaar of instelbaar)

8533

Alle codes

Elektrische weerstanden (reostaten en potentiometers daaronder begrepen), andere dan verwarmingsweerstanden

8534

Alle codes

Gedrukte schakelingen

8535

Alle codes

Toestellen voor het inschakelen, uitschakelen, omschakelen, aansluiten of verdelen van of voor het beveiligen tegen elektrische stroom (bij voorbeeld schakelaars, zekeringen, bliksemafleiders, overspanningsveiligheden, golfafvlakkers, contactdozen en contactstoppen (stekkers), aansluitdozen en -kasten), voor een spanning van meer dan 1 000 V

8536

Alle codes

Toestellen voor het inschakelen, uitschakelen, omschakelen, aansluiten of verdelen van of voor het beveiligen tegen elektrische stroom (bij voorbeeld schakelaars, relais, zekeringen, golfafvlakkers, contactdozen en contactstoppen (stekkers), lamp- en buishouders, aansluitdozen en -kasten), voor een spanning van niet meer dan 1000 V

8537

Alle codes

Borden, panelen, kasten en dergelijke, voorzien van twee of meer toestellen bedoeld bij post 8535 of 8536, voor elektrische bediening of voor het verdelen van elektrische stroom, ook indien voorzien van instrumenten of toestellen bedoeld bij hoofdstuk 90, alsmede toestellen vóór numerieke besturing, andere dan de schakelapparaten bedoeld bij post 8517

8538

Alle codes

Delen waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor de toestellen bedoeld bij post 8535, 8536 of 8537

8539

ex 8539 21 92

ex 8539 21 98

ex 8539 22 10

ex 8539 22 90

ex 8539 29 92

ex 8539 29 98

ex 8539 31 10

ex 8539 31 90

ex 8539 32 90

ex 8539 39 00

Elektrische gloeilampen en -buizen en elektrische gasontladingslampen en -buizen, „sealed beam”-lampen en lampen en buizen voor ultraviolette of voor infrarode stralen daaronder begrepen; booglampen:

- gloeilampen en gloeibuizen, voor verlichtingsdoeleinden

- gasontladingslampen en gasontladingsbuizen, voor verlichtingsdoeleinden, menglichtlampen en -buizen daaronder

begrepen

8540

Alle codes

Elektronenbuizen met verhitte kathode, met koude kathode of met fotokathode (bij voorbeeld luchtledige, met damp of met gas gevulde buizen, kwikdampgelijkrichtbuizen, kathodestraalbuizen, buizen voor televisiecamera's), andere dan die bedoeld bij post 8539

8541

8541 40 91

8541 40 93

8541 40 99

8541 60 00

Dioden, transistors en dergelijke halfgeleiderelementen; lichtgevoelige halfgeleiderelementen (daaronder begrepen fotovoltaïsche cellen, ook indien samengevoegd tot modules of tot panelen); luminescentiedioden; gemonteerde piëzo-elektrische kristallen:

- zonnecellen, ook indien samengevoegd tot modules of tot panelen

- fotodioden, fototransistors, fotothyristors en fotokoppels

- andere lichtgevoelige halfgeleiderelementen, andere dan luminescentiedioden

- gemonteerde piëzo-elektrische kristallen

8543

ex 8543 89 90

Elektrische machines, apparaten en toestellen met een eigen functie, niet genoemd of niet begrepen onder andere posten van dit hoofdstuk:

- apparaten en toestellen die de druk van motoren aangeven

8548

8548 90 00

Resten en afval, van elektrische elementen, van elektrische batterijen en van elektrische accumulatoren; gebruikte elektrische elementen, gebruikte elektrische batterijen en gebruikte elektrische accumulatoren; elektrische delen van machines, van apparaten of van toestellen, niet genoemd of niet begrepen onder andere posten van dit hoofdstuk:

- andere

9007

9007 20 00

9007 92 00

Filmcamera's en filmprojectietoestellen, ook indien met ingebouwde geluidsopname- en -weergavetoestellen:

- filmprojectietoestellen

- delen en toebehoren van filmprojectietoestellen

9015

9015 10 10

9015 10 90

ex 9015 80 11

ex 9015 80 93

ex 9015 90 00

Instrumenten, apparaten en toestellen voor de geodesie, voor de topografie, voor het landmeten, voor de fotogrammetrie, voor de hydrografie, voor de oceanografie, voor de hydrologie, voor de meteorologie of voor de geofysica, andere dan kompassen; afstandmeters

- elektronische afstandmeters

- andere afstandmeters

- elektronische instrumenten, apparaten en toestellen voor de meteorologie

- niet-elektronische instrumenten, apparaten en toestellen voor de meteorologie

- delen van afstandmeters en van instrumenten, apparaten en toestellen voor de meteorologie

9020

ex 9020 00 90

Andere ademhalingstoestellen en gasmaskers, andere dan beschermingsmaskers zonder mechanische delen of vervangbare filters:

- delen van ademhalingstoestellen en van gasmaskers

9107

ex 9107 00 00

Schakelklokken en andere toestellen bestemd om een mechanisme op een bepaalde tijd te doen werken, met uurwerk of met synchroonmotor:

- schakelklokken en andere toestellen bestemd om een mechanisme op een bepaalde tijd te doen werken, met uurwerk, gebruikt in geautomatiseerde systemen

9110

ex 9110 12 00

ex 9110 90 00

Complete uurwerken, niet gemonteerd of gedeeltelijk gemonteerd (stellen onderdelen); niet-complete uurwerken, gemonteerd; onvolledige, onafgewerkte uurwerken („ébauches”):

- niet-complete uurwerken, gemonteerd, gebruikt in geautomatiseerde systemen

9114

Alle codes

Andere delen voor de uurwerkmakerij

9401

ex 9401 10 90

ex 9401 90 10

Stoelen, banken en andere zitmeubelen (andere dan die bedoeld bij post 9402), ook indien zij tot bed kunnen worden omgevormd, alsmede delen daarvan:

- zitmeubelen met leder overtrokken, speciaal vervaardigd voor de bemanning

- delen van zitmeubelen, speciaal vervaardigd voor de bemanning

Bijlage 9

Bijlage 10

Certificaat van echtheid – Druiven voor tafelgebruik “Empereur”

Bijlage 11

Certificaat van echtheid - Tabak

Bijlage 12

Kwaliteitscertificaat – Nitraat uit Chili

S1 Bijlage 13

Bijlage 14

Lijst van de posten, onderverdelingen en codes van de gecombineerde nomenclatuur Bijlage 1 van Verordening (EU) 2018/1517

Hoofdstuk

Lijst van de posten en onderverdelingen van de gecombineerde nomenclatuur

GS-posten

GS-onderverdeling

GN-code

27

2712 10

2710 19 81, 2710 19 83, 2710 19 87,

28

2804 40, 2811 21, 2818 20

29

2919, 2933

2922 19

2916 39 90

32

3203 tot en met 3214

34

3402

3403 19, 3403 99

35

3506

36

3601, 3603 en 3604

38

3809 tot en met 3815, 3819,

3820, 3824

39

3903, 3904, 3905, 3906, 3908,

3909, 3910, 3911, 3915, 3916,

3917, 3918 tot en met 3926

3901 20, 3902 10, 3902 30,

3907 30, 3907 40, 3907 91,

40

4007 tot en met 4013, 4016

42

4205

45

4504

52

5204, 5205, 5209, 5211, 5212

53

5310

5309 29

54

Alle posten

55

Alle posten

56

Alle posten

57

Alle posten

58

Alle posten

59

Alle posten

60

6006

63

6303, 6305

6304 92, 6304 93, 6304 99,

6306 12, 6307 20, 6307 90

65

6506 10

68

6812, 6813

69

6903, 6909

70

7007, 7008, 7009, 7011, 7014,

7019, 7020

7002 39, 7015 90

73

7303, 7307, 7309, 7310, 7311, 7315, 7318, 7320, 7322 tot en met 7326

74

7407 tot en met 7413, 7415,

7418, 7419

75

7505, 7506, 7507

76

7601, 7603 tot en met 7614,

7616

7615 20

78

7804 11, 7804 19, 7806 00

79

7901, 7905, 7907

81

Alle posten

82

8203 tot en met 8207, 8210,

8211

83

8301, 8302, 8303, 8307 tot en met 8311

84

8405, 8407, 8409, 8411 tot en met 8414, 8418, 8419, 8421 tot en met 8424, 8431, 8443, 8467, 8479, 8481 tot en met 8484 en 8487

8406 90, 8408 90, 8410 90, 8415 81 tot en met 8415 90,

8427 90, 8455 30, 8455 90

85

8501 tot en met 8508, 8511, 8512, 8513, 8516, 8518, 8519, 8521, 8522, 8525 tot en met 8531, 8535 tot en met 8540,

8543, 8544, 8545, 8546, 8547

8548 90

87

8716 80

88

8803, 8804, 8805

89

8907

8906 90,

90

9002, 9005, 9006, 9007, 9013,

9014, 9015, 9017, 9020, 9025,

9027 tot en met 9033

9001 10, 9001 20, 9001 90,

9010 60, 9022 90

91

9104, 9106, 9107, 9109, 9114

9110 12, 9110 90

92

9208 90

94

9403, 9404, 9405

9401 90 10

96

9606, 9607

9603 50, 9603 90, 9617 00

Bijlage 15

Lijst van gelijkwaardige certificaten aan een certificaat van vrijgave (EASA Form 1)

Luchtvaartautoriteit

Certificaat van vrijgave

Joint Aviation Authorities (Europa) [gezamenlijke luchtvaartautoriteiten]:

JAA FORM 1

Federal Aviation Administration (VS) [Federale luchtvaartautoriteit]:

FAA Form 8130-3

Transport Canada Civil Aviation (Canada) [Canadese burgerluchtvaartautoriteit]:

TCCA FORM ONE

TCCA 24-0078

National Civil Aviation Agency (Brazilië) [Nationaal burgerluchtvaartagentschap]:

Form F-100-01 (SEGVOO 003)

Directorate General of Civil Aviation (Turkije) [Directoraat- generaal voor de burgerluchtvaart]:

SHGM FORM 1

Civil Aviation Safety Authority (Australië) [Autoriteit voor de veiligheid van de burgerluchtvaart]:

CASA FORM 1

Civil Aviation Authority of Singapore (Singapore) [Burgerluchtvaartautoriteit van Singapore]:

CAAS (AW)95

CAAS (AW)96

Japan Civil Aviation Bureau (Japan) [Japans burgerluchtvaartbureau]:

Form 18

Civil Aviation Administration of China (China) [Burgerluchtvaartautoriteit van China]:

CAAC Form AAC-038

Civil Aviation Department (Hongkong) [Burgerluchtvaartdepartement]:

CAD FORM ONE

Civil Aviation Authority of Vietnam (Vietnam) [Burgerluchtvaartautoriteit van Vietnam]:

CAAV FORM ONE

Directorate General of Civil Aviation (Indonesië) [Directoraat-generaal voor de burgerluchtvaart]:

DAAO Form 21-18

Civil Aviation Authority of the Philippines (Filipijnen) [Burgerluchtvaartautoriteit van de Filipijnen]:

CAAP FORM 1

General Authority of Civil Aviation (Saudi-Arabië) [Algemene autoriteit voor de burgerluchtvaart]:

GACA SS _F8130-3

General Civil Aviation Authority (Verenigde Arabische Emiraten) [Algemene burgerluchtvaartautoriteit]:

AW FORM 1

Civil Aviation Authority of New Zealand [Burgerluchtvaartautoriteit van Nieuw-Zeeland]:

Statement of compliance with airworthiness requirements

CAA FORM 8110-3

Federal Air Transport Agency of the Russian Federation

[Federaal agentschap voor luchtvervoer van de Russische federatie]:

AIRWORTHINESS APPROVAL TAG

Form C-5

Moroccan Civil Aviation Authority [Burgerluchtvaartautoriteit van Marokko]:

MCAA Form

S1 Civil Aviation Authority (Verenigd Koninkrijk)

[Burgerluchtvaartautoriteit van het Verenigd Koninkrijk]

CAA FORM 1 (met ingang van 01/01/2021)

1


Bijlage 16

Model van het certificaat EASA Form 1 en als gelijkaardig beschouwde certificaten

1


1


1


1


1


1


1


1


1