Circulaire 2018/C/73 over de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid – invoering van een specifieke maatregel voor werken in onroerende staat
Eerste commentaar op de nieuwe fiscale maatregel inzake de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid bij werken in onroerende staat.
Bedrijfsvoorheffing ; vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing
FOD Financiën, 11.06.2018
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Personenbelasting
1. Wat verandert er?
2. Welke werkgevers zijn door de maatregel beoogd?
3. Wat betekent een 'onderneming waar ploegenarbeid verricht wordt' wanneer het gaat om werken in onroerende staat?
4. Wat zijn werken in onroerende staat?
5. Wat is de berekeningsgrondslag van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing?
6. Hoeveel bedraagt het vrijstellingspercentage?
7. Vanaf wanneer?
8. Wetgeving?
1. Wat verandert er?
Artikel 74, 4°, van de wet van 26.03.2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie voert een nieuwe specifieke maatregel in inzake de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid, op de bezoldigingen van werknemers die, in ploegen, werken verrichten, beoogd in art. 20, § 2, KB nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna 'werken in onroerende staat').
2. Welke werkgevers zijn door de maatregel beoogd?
Om in aanmerking te komen voor de toepassing van de nieuwe steunmaatregel, moeten de werkgevers voldoen aan de volgende voorwaarden:
1. de werkgever moet een onderneming zijn waar ploegenarbeid wordt verricht volgens de definitie hiervan voor ondernemingen waarvan de werknemers werken in onroerende staat verrichten ;
2. de werkgever moet een ploegenpremie betalen of toekennen. Voor werknemers die werken in onroerende staat uitvoeren is een bruto-uurloon van minstens 13,75 euro (geïndexeerd overeenkomstig artikel 178, § 4, WIB 92) gelijkgesteld met een ploegenpremie ;
3. de werkgever moet schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing zijn op die premie overeenkomstig art. 270, 1°, WIB 92 ;
4. de werkgever moet de volledige bedrijfsvoorheffing op de betrokken bezoldigingen en ploegenpremies inhouden.
3. Wat betekent een 'onderneming waar ploegenarbeid verricht wordt' wanneer het gaat om werken in onroerende staat?
De definitie van dit begrip voor ondernemingen waarvan werknemers werken in onroerende staat verrichten verschilt van die voor andere activiteiten en is minder restrictief. Zo is de voorwaarde dat de ploegen elkaar niet mogen overlappen ter zake niet van toepassing.
Voor wat werken in onroerende staat betreft, zijn 'ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht' ondernemingen waar:
- het werk wordt verricht in één of meerdere ploegen;
- de ploegen minstens twee personen omvatten;
- de ploegen hetzelfde of complementair werk doen zowel qua inhoud als qua omvang;
- de ploegen het werk verrichten op locatie, d.w.z. op de werf;
- de ploegen werk in onroerende staat verrichten zoals bedoeld in punt 4.
De ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stellen van die ondernemingen, zijn voor wat betreft de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid op de belastbare bezoldigingen van deze uitzendkrachten gelijkgesteld met die ondernemingen.
4. Wat zijn werken in onroerende staat?
Dit zijn werken zoals beoogd in art. 20, § 2, van het KB nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, zijnde:
1. in hoofdzaak de werken in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, tweede lid van het Btw-Wetboek, zijnde het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed, en de handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt;
2. de andere handelingen, opgesomd in art. 20, § 2 van voormeld KB nr. 1, zijnde:
a. iedere handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw:
- van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming of airconditioning, daaronder begrepen de branders, de reservoirs en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketels of aan de radiatoren;
- van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een sanitaire installatie van een gebouw en, meer algemeen, van alle vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik aangesloten op een waterleiding of een riool;
- van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische installatie van een gebouw, met uitzondering van toestellen voor de verlichting en van lampen;
- van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische belinstallatie, van brandalarmtoestellen, van alarmtoestellen tegen diefstal en van een huistelefoon;
- van opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken of badkamer is uitgerust;
- van luiken, rolluiken en rolgordijnen die aan de buitenkant van het gebouw geplaatst worden;
b. iedere handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering van wandbekleding of vloerbedekking als de plaatsing ervan in een gebouw, ongeacht of die bekleding of bedekking aan het gebouw wordt vastgehecht of eenvoudig ter plaatse op maat wordt gesneden volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte;
c. ieder werk dat bestaat in het aanhechten, het plaatsen, het herstellen, het onderhouden en het reinigen van goederen bedoeld in a. of b. hierboven.
Wordt eveneens beoogd, de terbeschikkingstelling van personeel met het oog op het verrichten van werken in onroerende staat of van handelingen bedoeld in a., b. of c. hierboven.
5. Wat is de berekeningsgrondslag van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing?
De berekeningsgrondslag bestaat uit de belastbare bezoldigingen van de werknemers, inclusief ploegenpremies, beoogd in art. 31, tweede lid, 1° en 2°, WIB 92, met uitzondering van:
- premies, andere dan de ploegenpremie;
- het vakantiegeld;
- de eindejaarspremie en
- achterstallige bezoldigingen.
6. Hoeveel bedraagt het vrijstellingspercentage?
Het percentage aan vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing bedraagt:
a. 3 % van de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.01.2018;
b. 6 % van de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.01.2019;
c. 18 % van de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.01.2020.
7. Vanaf wanneer?
De nieuwe maatregel is van toepassing op bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.01.2018.
8. Wetgeving?
Artikels 74 en 75 van de wet van 26.03.2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie.
Artikel 275^5, § 5, WIB 92.
Interne ref.: 713.455
