Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 27.09.1989 (13e afl.)
CIRC 27.09.89/1
Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 27.09.1989 (13e afl.)
Bull. nr. 688, pag. 2343
GEZINSLASTEN
Kinderen ten laste.
HERVORMINGSWET 1988
Kosten van kinderoppas.
KOSTEN VAN KINDEROPPAS
Bedrag van de aftrek.
Bewijsstukken.
Opvangvormen.
Voorwaarden van aftrekbaarheid.
Commentaar op art. 15, W. 07.12.1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen (kosten van kinderoppas).
INHOUDSTAFEL Nrs. I. WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE BEPALINGEN II/538 II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE II/539 tot II/542 III. BETROKKEN BELASTINGPLICHTIGEN A. Algemeen II/543 B. In aanmerking komende beroepsinkomsten II/544 tot II/549 C. In art. 75, § 1 WIB bedoelde gevallen II/550 (jaar van huwelijk, enz.) IV. IN AANMERKING TE NEMEN KINDEREN A. Principe II/551 B. Kinderen ten laste II/552 en I/553 C. Kinderen van minder dan 3 jaar II/554 tot I/557 V. OPVANGINSTELLINGEN EN -PERSONEN A. Principe II/558 B. Erkende opvangvormen II/559 en II/560 C. Niet-erkende opvangvormen II/561 D. Attest II/562 en II/563 VI. AFTREKBAAR BEDRAG II/564 en II/565 VII. BEWIJSSTUKKEN II/566 tot II/572 VIII. ONVERENIGBAARHEID II/573 tot II/575 IX. INWERKINGTREDING II/576 I. WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE BEPALINGEN
II/538 Art. 15 § 1. Van de gezamenlijke netto-inkomsten van de verschillende in artikel 6 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen vermelde categorieën worden de uitgaven voor de oppas van één of meer afstammelingen ten laste van de belastingplichtige of kinderen die hij volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft en die de leeftijd van drie jaar niet hebben bereikt, afgetrokken voor 80 pct.
§ 3. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, een maximumbedrag bepalen voor de aftrek per oppasdag en per kind; dat bedrag mag niet lager zijn dan 160 frank.
§ 4. De in § 1 bedoelde aftrek is niet cumuleerbaar met het bijkomend bedrag dat van belasting wordt vrijgesteld overeenkomstig artikel 6, § 1, eerste lid, 3°, f (1).
(1) Art. 6 :
§ 1. Van belasting wordt vrijgesteld, volgens het hierna volgende onderscheid, een gedeelte van het belastbaar inkomen :
.....
Titel I van deze wet is van toepassing :
Het maximumbedrag van de aftrek van de uitgaven bedoeld in artikel 15 van de wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen is, na toepassing van de beperking tot 80 pct., vastgesteld op 345 frank per oppasdag en per kind.
II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE
II/539
Tot nu toe heeft een vaste rechtspraak de stelling aangenomen dat de bedragen die de belastingplichtige betaalt voor de oppas van zijn kinderen nooit als beroepskosten van het belastbare inkomen kunnen worden afgetrokken, daar het in art. 50, 2°, WIB bedoelde kosten van persoonlijke aard betreft.
Dat principe wordt niet aan de orde gesteld door art. 15 van de hervormingswet, dat in de belastingwetgeving een bepaling invoert waardoor kosten voor de oppas van kinderen van minder dan drie jaar die ten laste van de belastingplichtige zijn, met ingang van het aj. 1990 aftrekbaar zijn.
De nieuwe aftrek wordt inderdaad verricht op het totale netto- inkomen, net zoals de in de art. 71 en 72, WIB bedoelde uitgaven, en zal dus zoals vroeger geen weerslag hebben op de vaststelling van de beroepsinkomsten.
II/540
De voorwaarden voor het verkrijgen van die aftrek zijn de volgende :
II/541
De aftrek is begrensd tot :
Het K.B. 17.1.1989 (V. 1972 - B. 681) dat van toepassing is met ingang van het aj. 1990 (inkomstenjaar 1989) bepaalt het aftrekbare maximumbedrag, na de beperking tot 80 pct., op 345 F per oppasdag en per kind.
II/542
Tenslotte bepaalt art. 15, § 4, van de hervormingswet uitdrukkelijk dat de nieuwe aftrek niet mag worden samengevoegd met de toeslag op de belastingvrije som (10 000 F voor ieder kind van minder dan 3 jaar op 1 januari van het aj.), toeslag die is neergelegd in art. 6, § 1, eerste lid, 3°, f, van dezelfde wet (dat art. 6 bevat trouwens hetzelfde verbod).
III. BETROKKEN BELASTINGPLICHTIGEN
A. Algemeen
II/543
Om aanspraak te hebben op de nieuwe aftrek, moeten de belanghebbende belastingplichtigen aan de twee hiernavolgende voorwaarden voldoen in het tijdperk waarin de oppaskosten zijn betaald :
1. beroepsinkomsten als bedoeld in art. 20, WIB, verkrijgen;
2. één of meer kinderen van minder dan drie jaar ten laste hebben.
B. In aanmerking komende beroepsinkomsten
II/544
De eerste voorwaarde bestaat erin dat de belastingplichtige beroepsinkomsten als bedoeld in art. 20, WIB verkrijgt.
Hoewel de nieuwe aftrek wordt verricht op het niveau van het totale netto-inkomen, heeft de wetgever hem toch afhankelijk gesteld van het feit dat de belastingplichtige inkomsten moet verkrijgen die als beroepsinkomsten belastbaar zijn, zonder daarom noodzakelijk een beroepswerkzaamheid uit te oefenen.
II/545
Concreet betekent dit dat de aftrek in principe kan worden toegestaan indien de belastingplichtige tijdens het belastbare tijdperk waarin de kosten van kinderoppas zijn betaald, inkomsten - niet bedoeld in art. 41, WIB (sociale en culturele vrijstellingen) - heeft verkregen die kunnen worden gerangschikt in een van de categorieën van in art. 20, W.I.B. vermelde inkomsten, zelfs indien het bijvoorbeeld betreft :
II/546
Het is dus geenszins vereist dat tijdens het belastbare tijdperk werkelijk een beroepswerkzaamheid is uitgeoefend. Indien zulke werkzaamheid is uitgeoefend, moet dit a fortiori niet tijdens dat gehele tijdperk zijn. Het is inderdaad voldoende dat die werkzaamheid, bij ontstentenis van andere bronnen van beroepsinkomsten, zelf beroepsinkomsten heeft opgebracht, ook al is dit slechts tijdens een gedeelte van het jaar.
Voorbeeld :
Een uit de echt gescheiden moeder heeft een kind van twee jaar ten laste dat gedurende het gehele jaar in een kinderdagverblijf is geplaatst. De moeder heeft tijdens het tweede semester voltijds gewerkt, maar heeft tijdens de eerste zes maanden geen inkomsten of uitkeringen verkregen.
Alle oppaskosten van het volledige jaar komen in aanmerking, niettegenstaande het feit dat de moeder tijdens het eerste semester geen beroepswerkzaamheid heeft uitgeoefend.
II/547
Aangezien de wet geen enkel minimumbedrag inzake beroepsinkomsten vaststelt, is aan de voorwaarde voldaan zodra de belastingplichtige tijdens het belastbare tijdperk een belastbaar bruto-inkomen met beroepskarakter heeft verkregen, hoe miniem ook. Het feit dat dit inkomen, in voorkomend geval, volledig wordt opgeslorpt door persoonlijke sociale zekerheidsbijdragen of andere beroepskosten is ter zake zonder belang.
II/548
Wanneer de aanslag op naam van beide echtgenoten wordt gevestigd, is het voldoende dat aan de voorwaarde met betrekking tot de beroepsinkomsten bij één van de echtgenoten voldaan is. Het feit dat de moeder (of de vader) aan de haard blijft en geen beroepsinkomsten heeft, vormt bijgevolg geen hinderpaal voor de aftrek van de oppaskosten.
II/549
Indien de belastingplichtige tijdens het beschouwde belastbare tijdperk slechts andere dan beroepsinkomsten heeft verkregen, zoals bijvoorbeeld huurgelden of onderhoudsuitkeringen (1), heeft hij geen aanspraak op de aftrek van kosten van kinderoppas. In dat geval zal hij uiteraard de toeslag op de belastingvrije som (10 000 F per kind van minder dan drie jaar op 1 januari van het aj.) ingevolge art. 6, § 1, eerste lid, 3°, f, van de hervormingswet verkrijgen.
(1) Zie Senaat, zitting 1988-1989, stuk 440-2, blz. 84.
C. In art. 75, § 1, WIB bedoelde gevallen
II/550
In gevallen als bedoeld zijn in art. 75, § 1, WIB (jaar van het huwelijk, jaar volgend op dat waarin de feitelijke scheiding heeft plaatsgevonden, jaar van de ontbinding van het huwelijk of van de scheiding van tafel en bed), waarin de belasting van iedere echtgenoot afzonderlijk wordt vastgesteld en op ieders naam wordt gevestigd, kan de aftrek van oppaskosten slechts worden aangenomen bij diegene die er aanspraak op maakt, wel te verstaan voor zover hij zelf aan de voorwaarde m.b.t. de beroepsinkomsten (zie nr. II/544 en volgende) voldoet.
IV. IN AANMERKING TE NEMEN KINDEREN
A. Principe
II/551
De kinderen waarvoor de belastingplichtige aanspraak kan maken op de aftrek van de betaalde oppaskosten, moeten aan de twee hiernavolgende voorwaarden beantwoorden :
1. ten laste zijn van de belastingplichtige;
2. minder dan drie jaar oud zijn.
B. Kinderen ten laste
II/552
In art. 15, § 1, van de hervormingswet is sprake van "afstammelingen ten laste van de belastingplichtige of kinderen die hij volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft". Dit begrip is identiek aan datgene dat thans in art. 6, § 1, eerste lid, 3°, voorkomt en in feite overgenomen is van het opgeheven art. 81, § 1, WIB.
Derhalve worden in aanmerking genomen :
De begrippen "volledig ten laste" en "hoofdzakelijk ten laste" zijn, wat de kinderen betreft, niet gewijzigd door de hervormingswet; ter zake kan zonder meer worden verwezen naar de nrs. 77/25 tot 27, Com.IB.
II/553
De algemene voorwaarden om op fiscaal gebied als ten laste te worden aangemerkt blijven eveneens onveranderd, nl. :
C. Kinderen van minder dan drie jaar
II/554
De door art. 15, § 1, van de hervormingswet ingevoerde aftrek is beperkt tot de oppaskosten van kinderen die de leeftijd van drie jaar niet bereikt hebben.
Ter zake wordt onderstreept dat rekening moet worden gehouden met de werkelijke leeftijd van het kind en niet met zijn leeftijd op 1 januari van het aj. De leeftijdsvoorwaarde moet dus worden beoordeeld op het tijdstip waarop het kind onder de hoede van een opvangdienst is.
Wanneer de derde verjaardag van het kind in het belastbare tijdperk valt, zijn dus alleen de oppaskosten met betrekking tot het gedeelte van dat tijdperk, dat aan de verjaardag voorafgaat, aftrekbaar.
Voorbeeld :
II/555
Kind geboren op 06.09.1986. Zijn werkende moeder plaatst het dagelijks bij een door Kind en Gezin erkend opvanggezin.
Voor het aj. 1990 (inkomstenjaar 1989) zijn de aftrekbare oppaskosten uitsluitend die welke betrekking hebben op het tijdperk van 01.01.1989 tot en met 05.09.1989 (de derde verjaardag van het kind valt immers op 06.09.1989).
II/556
De aanslagambtenaar zal doorgaans geen moeilijkheden ondervinden in de gevallen waarin :
II/557
In de andere gevallen, d.w.z. voor het belastbare tijdperk waarin de derde verjaardag van het kind valt, zal de aanslagambtenaar moeten nagaan of de kosten uitsluitend betrekking hebben op het gedeelte van dat tijdperk dat die verjaardag voorafgaat.
Om die controle te vergemakkelijken moeten de personen of inrichtingen die aan de belastingplichtige het attest mogen uitreiken met het oog op de toepassing van art. 15, § 1, van de hervormingswet, de geboortedatum van het kind, zomede het tijdperk waarin het kind is opgepast, het dagtarief en het bedrag van de ontvangen sommen uitdrukkelijk op dat attest vermelden (zie nr. II/572).
Met deze gegevens zal de aanslagambtenaar eventuele misbruiken, die blijken uit een onevenwicht tussen de verschillende gegevens van het attest, kunnen vaststellen.
In geval van twijfel kan hij de belastingplichtige uitleg vragen en zo nodig het door de inrichting, het opvanggezin of de instelling bijgehouden bijzonder register doen voorleggen waarin de prestaties m.b.t. het kind zijn vermeld.
V. OPVANGINSTELLINGEN EN -PERSONEN
A. Principe
II/558
Art. 15, § 2, b, van de hervormingswet bepaalt dat oppaskosten slechts kunnen worden afgetrokken wanneer zij zijn betaald aan inrichtingen die zijn erkend, gesubsidieerd of gecontroleerd door "Kind en Gezin" (K.G.), het "Office de la Naissance et de l'Enfance" (O.N.E.) of de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap, ofwel aan zelfstandige opvanggezinnen of kinderdagverblijven die onder toezicht van die instellingen staan.
B. Erkende opvangvormen
II/559
Zeer schematisch beschouwd, bestaan er thans drie grote categorieën van opvangvormen voor jonge kinderen :
Het gemeenschappelijke kenmerk van die verschillende opvangvormen is dus dat zij erkend, gesubsidieerd of gecontroleerd worden door of onder toezicht staan van K.G., het O.N.E. of de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap. Indien dit het geval is, is aan de in art. 15, § 2, b, van de hervormingswet gestelde voorwaarde voldaan.
II/560
In de praktijk kunnen alleen de sub 3 hierboven bedoelde zelfstandige opvanggezinnen en -instellingen zelf vrij de financiële bijdrage van de ouders vaststellen. In de sub 2 bedoelde gevallen wordt de financiële bijdrage van de ouders betaald aan de organiserende dienst; deze laatste vergoedt of bezoldigt het opvanggezin.
C. Niet-erkende opvangvormen
II/561
Naast de voormelde opvangdiensten, bestaan er nog een aantal andere opvangvormen, zoals bijvoorbeeld :
Het spreekt vanzelf dat geen aftrek kan worden verkregen voor bedragen die zijn betaald aan opvanggezinnen of -instellingen die niet zijn erkend, gesubsidieerd of gecontroleerd door of niet onder toezicht staan van K.G., het O.N.E. of de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap.
D. Attest
II/562
De Administratie bezit geen lijst van inrichtingen, opvanggezinnen en -instellingen die zijn erkend, gesubsidieerd of gecontroleerd door of onder toezicht staan van K.G., het O.N.E. of de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap.
Alle inlichtingen ter zake moeten noodzakelijkerwijze worden gevraagd aan een van de volgende instellingen :
II/563
Om de controle te vergemakkelijken, heeft de Administratie in overleg met de voormelde instellingen een attest ingevoerd, waarin wordt bevestigd dat de opvangdienst beantwoordt aan de in art. 15, § 2, b, van de hervormingswet gestelde voorwaarden en waarmede de betrokken belastingplichtigen aanspraak kunnen maken op de aftrek van de betaalde oppaskosten (zie nr. II/572).
VI. AFTREKBAAR BEDRAG
II/564
Art. 15, § 1, van de hervormingswet beperkt het bedrag dat voor kosten van kinderoppas kan worden afgetrokken tot 80 pct. van de werkelijk betaalde sommen.
Paragraaf 3 van hetzelfde art. 15 machtigt de Koning om bij in Ministerraad overlegd besluit een maximumbedrag te bepalen voor de aftrek per oppasdag en per kind, zonder dat dit bedrag lager mag zijn dan 160 F.
Het K.B. 17.1.1989 (V. 1972 - B. 681), dat van toepassing is met ingang van het aj. 1990 (inkomstenjaar 1989), heeft het maximumbedrag van de aftrek, na toepassing van de beperking tot 80 pct., bepaald op 345 F per oppasdag en per kind.
Voorbeeld 1 :
In 1989 betaald per dag : 300 F Aftrekbaar bedrag : 300 x 80 pct. = 240 F (1). (1) Dit bedrag is lager dan het in het K.B. 17.1.1989 bepaalde maximumbedrag. Voorbeeld 2 :
In 1989 betaald per dag : 500 F Beperking tot 80 pct. : 500 x 80 pct. = 400 F (2) Aftrekbaar bedrag te beperken tot : 345 F. (2) 400 F > 345 F. Er wordt aan herinnerd dat de aftrekbeperkingen gelden per oppasdag en per kind.
II/565
In het algemeen zal het tarief van de kosten van kinderoppas worden vastgesteld op dagbasis; niettemin kunnen zich verschillende andere situaties voordoen, zoals bijvoorbeeld :
In die bijzondere gevallen moet de belastingplichtige in elk geval het bewijs leveren dat de wettelijk opgelegde beperkingen niet zijn overschreden.
VII. BEWIJSSTUKKEN
II/566
Ingevolge art. 15, § 2, c, van de hervormingswet zijn de kosten van kinderoppas aftrekbaar op voorwaarde dat de belastingplichtige de echtheid en het bedrag ervan staaft met bewijsstukken die bij de aangifte in de P.B. moeten worden gevoegd.
Ter herinnering wordt opgemerkt dat de oppaskosten slechts aftrekbaar zijn indien zij zijn betaald aan een inrichting, opvanggezin of instelling als bedoeld in nr. II/559.
Om een overvloed van documenten te vermijden, heeft de Administratie in overleg met K.G. en het O.N.E. een attest opgesteld - het model is opgenomen in nr. II/572 - waarmede tegelijkertijd aan die twee verplichtingen kan worden voldaan.
II/567
Vak I van dat attest wordt naar het geval ingevuld door K.G., het O.N.E. of de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap, die bevestigen dat zij die inrichting, dat opvanggezin of die instelling erkennen, subsidiëren, controleren of onder toezicht hebben in de zin van art. 15, § 2, b, van de hervormingswet en tevens het tijdperk vermelden waarvoor dat attest geldig is.
II/568
Een voldoende aantal exemplaren van dat attest, waarvan vak I dus behoorlijk moet worden ingevuld, zullen door K.G., het O.N.E. of de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap worden toegezonden aan alle inrichtingen, opvanggezinnen of - instellingen die zij erkennen, subsidiëren, controleren of onder toezicht houden.
II/569
Vervolgens moet de betrokken inrichting, het opvanggezin of de instelling, voor elk kind van minder dan drie jaar waarvoor hen kosten van kinderoppas worden betaald (1) - en wel te verstaan voor zover de schuldenaar van die kosten (2) erom verzoekt - vak II van een exemplaar van het attest aanvullen door er de volgende inlichtingen op te vermelden :
Die inlichtingen zijn onontbeerlijk voor de taxatiedienst over de belastingplichtige die de oppaskosten heeft betaald, om uit te maken of de wettelijk opgelegde voorwaarden ter zake zijn nageleefd.
II/570
Het aldus ingevulde attest, dat slechts in één enkel exemplaar per kind moet worden opgesteld, moet ten laatste op 1 maart van het jaar na dat waarin de kosten van kinderoppas zijn betaald, worden overhandigd aan de schuldenaar van de oppaskosten. Zodoende wordt de betrokken belastingplichtige in staat gesteld het attest bij zijn aangifte in de P.B. te voegen en de oppaskosten waarvan hij de aftrek vraagt te verantwoorden.
II/571
Bij ontstentenis van een attest zal de aftrek van de kosten van kinderoppas in principe worden geweigerd.
De in nr. II/566, eerste lid, bedoelde verplichting is evenwel niet opgelegd "op straffe van verval"; derhalve mag rekening worden gehouden met afdoende bewijsstukken die de belastingplichtige na de indiening van zijn aangifte in de P.B. aan de taxatiedienst zou toezenden.
II/572
Model van attest
+ ------------------------------------------------------------------------+ ¦ATTEST INZAKE KOSTEN VOOR OPPAS VAN KINDEREN VAN MINDER DAN DRIE JAAR(1)¦ ¦------------------------------------------------------------------------¦ ¦Vak I ¦ ¦Ondergetekende bevestigt dat : ¦ ¦....................................................................(2) ¦ ¦....................................................................(3) ¦ ¦is erkend, gesubsidieerd of gecontroleerd door of onder toezicht staat ¦ ¦van KIND EN GEZIN ¦ ¦Guldenvlieslaan 67 te 1060 Brussel ¦ ¦in de zin van art. 15, § 2, b, van de wet van 7 december 1988 houdende ¦ ¦hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel ¦ ¦gelijkgestelde taksen. ¦ ¦ ¦ ¦Onderhavig attest is geldig voor het tijdperk ¦ ¦ van ../../19.. tot ../../19.. ¦ ¦ ¦ ¦ Gedaan te Brussel, ../../19.. ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ (Naam, hoedanigheid en handtekening ¦ ¦ van de verantwoordelijke ¦ ¦ vertegenwoordiger van Kind en Gezin)¦ ¦------------------------------------------------------------------------¦ ¦Vak II ¦ ¦1. Volgnummer van het attest : ....................................... ¦ ¦2. Naam, voornaam en adres van de schuldenaar van de kosten : ........ ¦ ¦ ................................................................... ¦ ¦ ................................................................... ¦ ¦3. Naam en voornaam van het kind : ................................... ¦ ¦4. Geboortedatum van het kind : ...................................... ¦ ¦5. Tijdperk waarin het kind is opgepast : ¦ ¦ van ../../19.. tot../../19.. (4) ¦ ¦6. Aantal oppasdagen (4) :......... ¦ ¦7. Tarief (5) :......... F. ¦ ¦8. Totaal ontvangen bedrag :......... F. ¦ ¦ ¦ ¦Ondergetekende bevestigt de juistheid van de hierboven vermelde ¦ ¦inlichtingen. ¦ ¦ ¦ ¦ daan te ........., ../../19.. ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ (Naam, hoedanigheid en handtekening van de ¦ ¦ persoon die gemachtigd is inrichting, ¦ ¦ opvanggezin of -instelling te verbinden) ¦ +------------------------------------------------------------------------+ (1) Dit attest moet in één exemplaar worden ingevuld (vak I is in te vullen door Kind en Gezin, vak II door inrichting, opvanggezin of -instelling) en moet aan de schuldenaar van de kosten worden overhandigd om het bij zijn aangifte in de personenbelasting te voegen. (2) Naam of benaming van inrichting, opvanggezin of -instelling. (3) Volledig adres van inrichting, opvanggezin of -instelling. (4) De op het attest vermelde gegevens mogen alleen betrekking hebben op het tijdperk dat de derde verjaardag van het kind voorafgaat. (5) Om te zetten in dagtarief wanneer de prijs per week, per maand enz. is vastgesteld. VIII. ONVERENIGBAARHEID
II/573
Art. 15, § 4, van de hervormingswet verbiedt dat de nieuwe aftrek samen met de in art. 6, § 1, eerste lid, 3°, f, van dezelfde wet bepaalde toeslag op de belastingvrije som (10 000 F voor elk kind van minder dan drie jaar op 1 januari van het aj.) genoten wordt (1).
II/574
De keuze van de ene of de andere maatregel (aftrek van de oppaskosten of toeslag op de belastingvrije som) komt aan de belastingplichtige toe; deze zal dus bij het invullen van zijn aangifte in de P.B. de keuze moeten doen voor elk kind dat aan de voorwaarden voldoet.
In de praktijk zal de belastingplichtige verzocht worden op zijn belastingaangifte te vermelden :
De aanslagambtenaar zal niettemin moeten nagaan of, in beide gevallen, aan de wettelijke voorwaarden voldaan is.
II/575
De belastingplichtige die bij de ontvangst van zijn aanslagbiljet meent overbelast te zijn en de reden hiervan wijt aan de oorspronkelijk gemaakte keuze tussen de twee hierboven uiteengezette maatregelen, zal de herziening van zijn belastingtoestand kunnen vragen.
IX. INWERKINGTREDING
II/576
Overeenkomstig art. 39, eerste lid, 1°, van de hervormingswet, treedt art. 15 van dezelfde wet in werking met ingang van het aj. 1990 (inkomstenjaar 1989).
Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 27.09.1989 (13e afl.)
Bull. nr. 688, pag. 2343
GEZINSLASTEN
Kinderen ten laste.
HERVORMINGSWET 1988
Kosten van kinderoppas.
KOSTEN VAN KINDEROPPAS
Bedrag van de aftrek.
Bewijsstukken.
Opvangvormen.
Voorwaarden van aftrekbaarheid.
Commentaar op art. 15, W. 07.12.1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen (kosten van kinderoppas).
INHOUDSTAFEL Nrs. I. WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE BEPALINGEN II/538 II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE II/539 tot II/542 III. BETROKKEN BELASTINGPLICHTIGEN A. Algemeen II/543 B. In aanmerking komende beroepsinkomsten II/544 tot II/549 C. In art. 75, § 1 WIB bedoelde gevallen II/550 (jaar van huwelijk, enz.) IV. IN AANMERKING TE NEMEN KINDEREN A. Principe II/551 B. Kinderen ten laste II/552 en I/553 C. Kinderen van minder dan 3 jaar II/554 tot I/557 V. OPVANGINSTELLINGEN EN -PERSONEN A. Principe II/558 B. Erkende opvangvormen II/559 en II/560 C. Niet-erkende opvangvormen II/561 D. Attest II/562 en II/563 VI. AFTREKBAAR BEDRAG II/564 en II/565 VII. BEWIJSSTUKKEN II/566 tot II/572 VIII. ONVERENIGBAARHEID II/573 tot II/575 IX. INWERKINGTREDING II/576 I. WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE BEPALINGEN
II/538 Art. 15 § 1. Van de gezamenlijke netto-inkomsten van de verschillende in artikel 6 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen vermelde categorieën worden de uitgaven voor de oppas van één of meer afstammelingen ten laste van de belastingplichtige of kinderen die hij volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft en die de leeftijd van drie jaar niet hebben bereikt, afgetrokken voor 80 pct.
| § | 2. De in § 1 bedoelde uitgaven worden afgetrokken : |
| a) | op voorwaarde dat de belastingplichtige bedrijfsinkomsten heeft als bedoeld in artikel 20 van hetzelfde Wetboek; |
| b) | wanneer zij zijn betaald ofwel aan inrichtingen die zijn erkend, gesubsidieerd of gecontroleerd door "Kind en Gezin", het "Office de la Naissance et de l'Enfance" of de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap, ofwel aan zelfstandige onthaalouders of kinderdagverblijven die onder toezicht van die instellingen staan; |
| c) | indien zij, betreffende de echtheid en het bedrag ervan, worden gestaafd met bewijsstukken bij de aangifte in de personenbelasting. |
§ 4. De in § 1 bedoelde aftrek is niet cumuleerbaar met het bijkomend bedrag dat van belasting wordt vrijgesteld overeenkomstig artikel 6, § 1, eerste lid, 3°, f (1).
(1) Art. 6 :
§ 1. Van belasting wordt vrijgesteld, volgens het hierna volgende onderscheid, een gedeelte van het belastbaar inkomen :
.....
| 3° | van de belastingplichtige met afstammelingen ten laste of met kinderen die hij volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft : ..... |
| f) | een bijkomend bedrag van 10 000 frank voor ieder kind dat de leeftijd van 3 jaar niet heeft bereikt op 1 januari van het aanslagjaar; deze vrijstelling kan niet worden samengevoegd met de aftrek bedoeld in artikel 15. ..... |
Art. 39
Titel I van deze wet is van toepassing :
| 1° | met betrekking tot de artikelen ..... 6, § 1, eerste en tweede lid, ..... 14 tot 20, ..... met ingang van het aanslagjaar 1990; |
| Art. | 1, K.B. 17.1.1989 (V. 1972 - B. 681) |
II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE
II/539
Tot nu toe heeft een vaste rechtspraak de stelling aangenomen dat de bedragen die de belastingplichtige betaalt voor de oppas van zijn kinderen nooit als beroepskosten van het belastbare inkomen kunnen worden afgetrokken, daar het in art. 50, 2°, WIB bedoelde kosten van persoonlijke aard betreft.
Dat principe wordt niet aan de orde gesteld door art. 15 van de hervormingswet, dat in de belastingwetgeving een bepaling invoert waardoor kosten voor de oppas van kinderen van minder dan drie jaar die ten laste van de belastingplichtige zijn, met ingang van het aj. 1990 aftrekbaar zijn.
De nieuwe aftrek wordt inderdaad verricht op het totale netto- inkomen, net zoals de in de art. 71 en 72, WIB bedoelde uitgaven, en zal dus zoals vroeger geen weerslag hebben op de vaststelling van de beroepsinkomsten.
II/540
De voorwaarden voor het verkrijgen van die aftrek zijn de volgende :
| 1. | de belastingplichtige moet in art. 20, WIB bedoelde beroepsinkomsten verkrijgen; |
| 2. | de bedragen waarvan de aftrek wordt gevraagd moeten betaald zijn : |
- ofwel aan inrichtingen die zijn erkend, gesubsidieerd of gecontroleerd door "Kind en Gezin", het "office de la Naissance et de l'Enfance" (O.N.E.) of de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap;
- ofwel aan zelfstandige opvangouders of kinderdagverblijven die onder toezicht van de voormelde instellingen staan;
| 3. | de echtheid zomede het bedrag van de betalingen moeten worden gestaafd met bewijsstukken die bij de aangifte in de P.B. moeten worden gevoegd. |
De aftrek is begrensd tot :
- 80 pct. van de kosten (art. 15, § 1, van de hervormingswet);
- doch mag het eventueel bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit bepaalde maximumbedrag per oppasdag en per kind niet overtreffen; dat bedrag mag echter niet lager zijn dan 160 F (art. 15, § 3, van de hervormingswet).
Het K.B. 17.1.1989 (V. 1972 - B. 681) dat van toepassing is met ingang van het aj. 1990 (inkomstenjaar 1989) bepaalt het aftrekbare maximumbedrag, na de beperking tot 80 pct., op 345 F per oppasdag en per kind.
II/542
Tenslotte bepaalt art. 15, § 4, van de hervormingswet uitdrukkelijk dat de nieuwe aftrek niet mag worden samengevoegd met de toeslag op de belastingvrije som (10 000 F voor ieder kind van minder dan 3 jaar op 1 januari van het aj.), toeslag die is neergelegd in art. 6, § 1, eerste lid, 3°, f, van dezelfde wet (dat art. 6 bevat trouwens hetzelfde verbod).
III. BETROKKEN BELASTINGPLICHTIGEN
A. Algemeen
II/543
Om aanspraak te hebben op de nieuwe aftrek, moeten de belanghebbende belastingplichtigen aan de twee hiernavolgende voorwaarden voldoen in het tijdperk waarin de oppaskosten zijn betaald :
1. beroepsinkomsten als bedoeld in art. 20, WIB, verkrijgen;
2. één of meer kinderen van minder dan drie jaar ten laste hebben.
B. In aanmerking komende beroepsinkomsten
II/544
De eerste voorwaarde bestaat erin dat de belastingplichtige beroepsinkomsten als bedoeld in art. 20, WIB verkrijgt.
Hoewel de nieuwe aftrek wordt verricht op het niveau van het totale netto-inkomen, heeft de wetgever hem toch afhankelijk gesteld van het feit dat de belastingplichtige inkomsten moet verkrijgen die als beroepsinkomsten belastbaar zijn, zonder daarom noodzakelijk een beroepswerkzaamheid uit te oefenen.
II/545
Concreet betekent dit dat de aftrek in principe kan worden toegestaan indien de belastingplichtige tijdens het belastbare tijdperk waarin de kosten van kinderoppas zijn betaald, inkomsten - niet bedoeld in art. 41, WIB (sociale en culturele vrijstellingen) - heeft verkregen die kunnen worden gerangschikt in een van de categorieën van in art. 20, W.I.B. vermelde inkomsten, zelfs indien het bijvoorbeeld betreft :
- winsten en baten met betrekking tot een zelfstandige beroepswerkzaamheid die voorheen werd uitgeoefend door de verkrijger of door de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is;
- pensioenen, lijfrenten of tijdelijke renten, met inbegrip van in art. 92, WIB bedoelde omzettingsrenten;
- kapitalen, afkoopwaarden en vergoedingen die gelden als pensioenen (en gezamenlijk of afzonderlijk belastbaar zijn);
- werkloosheidsuitkeringen, brugpensioenen of andere vervangingsinkomsten;
- belastbare spaartegoeden, kapitalen of afkoopwaarden die uitgekeerd worden in het kader van het pensioensparen;
- opzeggingsvergoedingen;
- achterstallen van bezoldigingen of van pensioenen;
- enz.
II/546
Het is dus geenszins vereist dat tijdens het belastbare tijdperk werkelijk een beroepswerkzaamheid is uitgeoefend. Indien zulke werkzaamheid is uitgeoefend, moet dit a fortiori niet tijdens dat gehele tijdperk zijn. Het is inderdaad voldoende dat die werkzaamheid, bij ontstentenis van andere bronnen van beroepsinkomsten, zelf beroepsinkomsten heeft opgebracht, ook al is dit slechts tijdens een gedeelte van het jaar.
Voorbeeld :
Een uit de echt gescheiden moeder heeft een kind van twee jaar ten laste dat gedurende het gehele jaar in een kinderdagverblijf is geplaatst. De moeder heeft tijdens het tweede semester voltijds gewerkt, maar heeft tijdens de eerste zes maanden geen inkomsten of uitkeringen verkregen.
Alle oppaskosten van het volledige jaar komen in aanmerking, niettegenstaande het feit dat de moeder tijdens het eerste semester geen beroepswerkzaamheid heeft uitgeoefend.
II/547
Aangezien de wet geen enkel minimumbedrag inzake beroepsinkomsten vaststelt, is aan de voorwaarde voldaan zodra de belastingplichtige tijdens het belastbare tijdperk een belastbaar bruto-inkomen met beroepskarakter heeft verkregen, hoe miniem ook. Het feit dat dit inkomen, in voorkomend geval, volledig wordt opgeslorpt door persoonlijke sociale zekerheidsbijdragen of andere beroepskosten is ter zake zonder belang.
II/548
Wanneer de aanslag op naam van beide echtgenoten wordt gevestigd, is het voldoende dat aan de voorwaarde met betrekking tot de beroepsinkomsten bij één van de echtgenoten voldaan is. Het feit dat de moeder (of de vader) aan de haard blijft en geen beroepsinkomsten heeft, vormt bijgevolg geen hinderpaal voor de aftrek van de oppaskosten.
II/549
Indien de belastingplichtige tijdens het beschouwde belastbare tijdperk slechts andere dan beroepsinkomsten heeft verkregen, zoals bijvoorbeeld huurgelden of onderhoudsuitkeringen (1), heeft hij geen aanspraak op de aftrek van kosten van kinderoppas. In dat geval zal hij uiteraard de toeslag op de belastingvrije som (10 000 F per kind van minder dan drie jaar op 1 januari van het aj.) ingevolge art. 6, § 1, eerste lid, 3°, f, van de hervormingswet verkrijgen.
(1) Zie Senaat, zitting 1988-1989, stuk 440-2, blz. 84.
C. In art. 75, § 1, WIB bedoelde gevallen
II/550
In gevallen als bedoeld zijn in art. 75, § 1, WIB (jaar van het huwelijk, jaar volgend op dat waarin de feitelijke scheiding heeft plaatsgevonden, jaar van de ontbinding van het huwelijk of van de scheiding van tafel en bed), waarin de belasting van iedere echtgenoot afzonderlijk wordt vastgesteld en op ieders naam wordt gevestigd, kan de aftrek van oppaskosten slechts worden aangenomen bij diegene die er aanspraak op maakt, wel te verstaan voor zover hij zelf aan de voorwaarde m.b.t. de beroepsinkomsten (zie nr. II/544 en volgende) voldoet.
IV. IN AANMERKING TE NEMEN KINDEREN
A. Principe
II/551
De kinderen waarvoor de belastingplichtige aanspraak kan maken op de aftrek van de betaalde oppaskosten, moeten aan de twee hiernavolgende voorwaarden beantwoorden :
1. ten laste zijn van de belastingplichtige;
2. minder dan drie jaar oud zijn.
B. Kinderen ten laste
II/552
In art. 15, § 1, van de hervormingswet is sprake van "afstammelingen ten laste van de belastingplichtige of kinderen die hij volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft". Dit begrip is identiek aan datgene dat thans in art. 6, § 1, eerste lid, 3°, voorkomt en in feite overgenomen is van het opgeheven art. 81, § 1, WIB.
Derhalve worden in aanmerking genomen :
- de afstammelingen van de belastingplichtige en die van zijn echtgenoot (kinderen of geadopteerde kinderen van beide echtgenoten of van een van hen, kleinkinderen en achterkleinkinderen) die hij ten laste heeft;
- de kinderen die de belastingplichtige volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft (b.v. kinderen wier ouders uit de ouderlijke macht zijn ontzet, andere kinderen dan eigen kinderen, zelfs indien zij niet ouderloos zijn).
De begrippen "volledig ten laste" en "hoofdzakelijk ten laste" zijn, wat de kinderen betreft, niet gewijzigd door de hervormingswet; ter zake kan zonder meer worden verwezen naar de nrs. 77/25 tot 27, Com.IB.
II/553
De algemene voorwaarden om op fiscaal gebied als ten laste te worden aangemerkt blijven eveneens onveranderd, nl. :
| 1. | deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aj.; |
| 2. | persoonlijk tijdens het belastbare tijdperk geen bestaansmiddelen hebben verkregen die meer dan 60 000 F netto bedragen. |
II/554
De door art. 15, § 1, van de hervormingswet ingevoerde aftrek is beperkt tot de oppaskosten van kinderen die de leeftijd van drie jaar niet bereikt hebben.
Ter zake wordt onderstreept dat rekening moet worden gehouden met de werkelijke leeftijd van het kind en niet met zijn leeftijd op 1 januari van het aj. De leeftijdsvoorwaarde moet dus worden beoordeeld op het tijdstip waarop het kind onder de hoede van een opvangdienst is.
Wanneer de derde verjaardag van het kind in het belastbare tijdperk valt, zijn dus alleen de oppaskosten met betrekking tot het gedeelte van dat tijdperk, dat aan de verjaardag voorafgaat, aftrekbaar.
Voorbeeld :
II/555
Kind geboren op 06.09.1986. Zijn werkende moeder plaatst het dagelijks bij een door Kind en Gezin erkend opvanggezin.
Voor het aj. 1990 (inkomstenjaar 1989) zijn de aftrekbare oppaskosten uitsluitend die welke betrekking hebben op het tijdperk van 01.01.1989 tot en met 05.09.1989 (de derde verjaardag van het kind valt immers op 06.09.1989).
II/556
De aanslagambtenaar zal doorgaans geen moeilijkheden ondervinden in de gevallen waarin :
- het kind vier jaar of ouder is op 1 januari van het aj. : in dit geval zijn de oppaskosten m.b.t. het volledige belastbare tijdperk niet aftrekbaar;
- het kind minder dan drie jaar oud is op 1 januari van het aj. : in dit geval zijn de oppaskosten m.b.t. het volledige belastbare tijdperk aftrekbaar.
II/557
In de andere gevallen, d.w.z. voor het belastbare tijdperk waarin de derde verjaardag van het kind valt, zal de aanslagambtenaar moeten nagaan of de kosten uitsluitend betrekking hebben op het gedeelte van dat tijdperk dat die verjaardag voorafgaat.
Om die controle te vergemakkelijken moeten de personen of inrichtingen die aan de belastingplichtige het attest mogen uitreiken met het oog op de toepassing van art. 15, § 1, van de hervormingswet, de geboortedatum van het kind, zomede het tijdperk waarin het kind is opgepast, het dagtarief en het bedrag van de ontvangen sommen uitdrukkelijk op dat attest vermelden (zie nr. II/572).
Met deze gegevens zal de aanslagambtenaar eventuele misbruiken, die blijken uit een onevenwicht tussen de verschillende gegevens van het attest, kunnen vaststellen.
In geval van twijfel kan hij de belastingplichtige uitleg vragen en zo nodig het door de inrichting, het opvanggezin of de instelling bijgehouden bijzonder register doen voorleggen waarin de prestaties m.b.t. het kind zijn vermeld.
V. OPVANGINSTELLINGEN EN -PERSONEN
A. Principe
II/558
Art. 15, § 2, b, van de hervormingswet bepaalt dat oppaskosten slechts kunnen worden afgetrokken wanneer zij zijn betaald aan inrichtingen die zijn erkend, gesubsidieerd of gecontroleerd door "Kind en Gezin" (K.G.), het "Office de la Naissance et de l'Enfance" (O.N.E.) of de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap, ofwel aan zelfstandige opvanggezinnen of kinderdagverblijven die onder toezicht van die instellingen staan.
B. Erkende opvangvormen
II/559
Zeer schematisch beschouwd, bestaan er thans drie grote categorieën van opvangvormen voor jonge kinderen :
| 1. | kinderdagverblijven (kinderkribben en peutertuinen) die onder meer kunnen worden opgericht door de overheid, een instelling van openbaar nut, een universitaire instelling of een V.Z.W. De kinderkribben en peutertuinen kunnen worden erkend door K.G., het O.N.E. of de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap en worden in dat geval door die instellingen voor hun werking gesubsidieerd; |
| 2. | opvanggezinnen die verbonden zijn aan een dienst (b.v. een kinderdagverblijf) die op initiatief van de overheid is opgericht of aan een "onafhankelijke" dienst; die opvanggezinnen worden erkend en gesubsidieerd door K.G., het O.N.E. of de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap; |
| 3. | zelfstandige opvanggezinnen en -instellingen (kinderdagverblijven, kindertehuizen), die niet zijn gesubsidieerd en in principe K.G., het O.N.E. of de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap op de hoogte moeten stellen van de aanvang van hun werkzaamheden en zich aldus onder toezicht van die instellingen plaatsen. |
II/560
In de praktijk kunnen alleen de sub 3 hierboven bedoelde zelfstandige opvanggezinnen en -instellingen zelf vrij de financiële bijdrage van de ouders vaststellen. In de sub 2 bedoelde gevallen wordt de financiële bijdrage van de ouders betaald aan de organiserende dienst; deze laatste vergoedt of bezoldigt het opvanggezin.
C. Niet-erkende opvangvormen
II/561
Naast de voormelde opvangdiensten, bestaan er nog een aantal andere opvangvormen, zoals bijvoorbeeld :
- kinderkribben die opgericht zijn op initiatief van sommige ondernemingen, maar die niet erkend zijn door K.G., het O.N.E. of de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap;
- kinderoppas door familieleden (grootouders, tante, enz.);
- zelfstandige privé-opvanggezinnen die zonder erkenning of toezicht van de bevoegde instellingen werkzaam zijn.
Het spreekt vanzelf dat geen aftrek kan worden verkregen voor bedragen die zijn betaald aan opvanggezinnen of -instellingen die niet zijn erkend, gesubsidieerd of gecontroleerd door of niet onder toezicht staan van K.G., het O.N.E. of de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap.
D. Attest
II/562
De Administratie bezit geen lijst van inrichtingen, opvanggezinnen en -instellingen die zijn erkend, gesubsidieerd of gecontroleerd door of onder toezicht staan van K.G., het O.N.E. of de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap.
Alle inlichtingen ter zake moeten noodzakelijkerwijze worden gevraagd aan een van de volgende instellingen :
- Kind en Gezin (K.G.)
Guldenvlieslaan 67
1060 BRUSSEL
tel. : 02/538.61.50
- het "Office de la Naissance et de l'Enfance" (O.N.E.)
Guldenvlieslaan 86
1060 BRUSSEL
tel. : 02/539.25.85
- Executieve van de Duitstalige Gemeenschap
Klötzerbahn 32
4700 EUPEN
tel. : 087/74.40.75
II/563
Om de controle te vergemakkelijken, heeft de Administratie in overleg met de voormelde instellingen een attest ingevoerd, waarin wordt bevestigd dat de opvangdienst beantwoordt aan de in art. 15, § 2, b, van de hervormingswet gestelde voorwaarden en waarmede de betrokken belastingplichtigen aanspraak kunnen maken op de aftrek van de betaalde oppaskosten (zie nr. II/572).
VI. AFTREKBAAR BEDRAG
II/564
Art. 15, § 1, van de hervormingswet beperkt het bedrag dat voor kosten van kinderoppas kan worden afgetrokken tot 80 pct. van de werkelijk betaalde sommen.
Paragraaf 3 van hetzelfde art. 15 machtigt de Koning om bij in Ministerraad overlegd besluit een maximumbedrag te bepalen voor de aftrek per oppasdag en per kind, zonder dat dit bedrag lager mag zijn dan 160 F.
Het K.B. 17.1.1989 (V. 1972 - B. 681), dat van toepassing is met ingang van het aj. 1990 (inkomstenjaar 1989), heeft het maximumbedrag van de aftrek, na toepassing van de beperking tot 80 pct., bepaald op 345 F per oppasdag en per kind.
Voorbeeld 1 :
In 1989 betaald per dag : 300 F Aftrekbaar bedrag : 300 x 80 pct. = 240 F (1). (1) Dit bedrag is lager dan het in het K.B. 17.1.1989 bepaalde maximumbedrag. Voorbeeld 2 :
In 1989 betaald per dag : 500 F Beperking tot 80 pct. : 500 x 80 pct. = 400 F (2) Aftrekbaar bedrag te beperken tot : 345 F. (2) 400 F > 345 F. Er wordt aan herinnerd dat de aftrekbeperkingen gelden per oppasdag en per kind.
II/565
In het algemeen zal het tarief van de kosten van kinderoppas worden vastgesteld op dagbasis; niettemin kunnen zich verschillende andere situaties voordoen, zoals bijvoorbeeld :
- een tarief op week- of maandbasis;
- een bijzonder tarief voor de gelijktijdige oppas van ten minste twee kinderen van hetzelfde gezin.
In die bijzondere gevallen moet de belastingplichtige in elk geval het bewijs leveren dat de wettelijk opgelegde beperkingen niet zijn overschreden.
VII. BEWIJSSTUKKEN
II/566
Ingevolge art. 15, § 2, c, van de hervormingswet zijn de kosten van kinderoppas aftrekbaar op voorwaarde dat de belastingplichtige de echtheid en het bedrag ervan staaft met bewijsstukken die bij de aangifte in de P.B. moeten worden gevoegd.
Ter herinnering wordt opgemerkt dat de oppaskosten slechts aftrekbaar zijn indien zij zijn betaald aan een inrichting, opvanggezin of instelling als bedoeld in nr. II/559.
Om een overvloed van documenten te vermijden, heeft de Administratie in overleg met K.G. en het O.N.E. een attest opgesteld - het model is opgenomen in nr. II/572 - waarmede tegelijkertijd aan die twee verplichtingen kan worden voldaan.
II/567
Vak I van dat attest wordt naar het geval ingevuld door K.G., het O.N.E. of de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap, die bevestigen dat zij die inrichting, dat opvanggezin of die instelling erkennen, subsidiëren, controleren of onder toezicht hebben in de zin van art. 15, § 2, b, van de hervormingswet en tevens het tijdperk vermelden waarvoor dat attest geldig is.
II/568
Een voldoende aantal exemplaren van dat attest, waarvan vak I dus behoorlijk moet worden ingevuld, zullen door K.G., het O.N.E. of de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap worden toegezonden aan alle inrichtingen, opvanggezinnen of - instellingen die zij erkennen, subsidiëren, controleren of onder toezicht houden.
II/569
Vervolgens moet de betrokken inrichting, het opvanggezin of de instelling, voor elk kind van minder dan drie jaar waarvoor hen kosten van kinderoppas worden betaald (1) - en wel te verstaan voor zover de schuldenaar van die kosten (2) erom verzoekt - vak II van een exemplaar van het attest aanvullen door er de volgende inlichtingen op te vermelden :
| 1. | volgnummer van het attest; |
| 2. | naam, voornaam en adres van de schuldenaar van de oppaskosten; |
| 3. | naam en voornaam van het kind; |
| 4. | geboortedatum van het kind; |
| 5. | tijdperk waarin het kind is opgepast; |
| 6. | aantal oppasdagen; |
| 7. | tarief (3); |
| 8. | totaal ontvangen bedrag. |
| (1) | Wanneer het kind bij een opvanggezin geplaatst is dat afhangt van een dienst, worden de oppaskosten niet aan het opvanggezin maar aan die dienst betaald; deze laatste moet dus het attest opstellen en uitreiken. |
| (2) | D.w.z. de persoon die de kosten heeft betaald. |
| (3) | In voorkomend geval om te zetten in een dagtarief. |
II/570
Het aldus ingevulde attest, dat slechts in één enkel exemplaar per kind moet worden opgesteld, moet ten laatste op 1 maart van het jaar na dat waarin de kosten van kinderoppas zijn betaald, worden overhandigd aan de schuldenaar van de oppaskosten. Zodoende wordt de betrokken belastingplichtige in staat gesteld het attest bij zijn aangifte in de P.B. te voegen en de oppaskosten waarvan hij de aftrek vraagt te verantwoorden.
II/571
Bij ontstentenis van een attest zal de aftrek van de kosten van kinderoppas in principe worden geweigerd.
De in nr. II/566, eerste lid, bedoelde verplichting is evenwel niet opgelegd "op straffe van verval"; derhalve mag rekening worden gehouden met afdoende bewijsstukken die de belastingplichtige na de indiening van zijn aangifte in de P.B. aan de taxatiedienst zou toezenden.
II/572
Model van attest
+ ------------------------------------------------------------------------+ ¦ATTEST INZAKE KOSTEN VOOR OPPAS VAN KINDEREN VAN MINDER DAN DRIE JAAR(1)¦ ¦------------------------------------------------------------------------¦ ¦Vak I ¦ ¦Ondergetekende bevestigt dat : ¦ ¦....................................................................(2) ¦ ¦....................................................................(3) ¦ ¦is erkend, gesubsidieerd of gecontroleerd door of onder toezicht staat ¦ ¦van KIND EN GEZIN ¦ ¦Guldenvlieslaan 67 te 1060 Brussel ¦ ¦in de zin van art. 15, § 2, b, van de wet van 7 december 1988 houdende ¦ ¦hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel ¦ ¦gelijkgestelde taksen. ¦ ¦ ¦ ¦Onderhavig attest is geldig voor het tijdperk ¦ ¦ van ../../19.. tot ../../19.. ¦ ¦ ¦ ¦ Gedaan te Brussel, ../../19.. ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ (Naam, hoedanigheid en handtekening ¦ ¦ van de verantwoordelijke ¦ ¦ vertegenwoordiger van Kind en Gezin)¦ ¦------------------------------------------------------------------------¦ ¦Vak II ¦ ¦1. Volgnummer van het attest : ....................................... ¦ ¦2. Naam, voornaam en adres van de schuldenaar van de kosten : ........ ¦ ¦ ................................................................... ¦ ¦ ................................................................... ¦ ¦3. Naam en voornaam van het kind : ................................... ¦ ¦4. Geboortedatum van het kind : ...................................... ¦ ¦5. Tijdperk waarin het kind is opgepast : ¦ ¦ van ../../19.. tot../../19.. (4) ¦ ¦6. Aantal oppasdagen (4) :......... ¦ ¦7. Tarief (5) :......... F. ¦ ¦8. Totaal ontvangen bedrag :......... F. ¦ ¦ ¦ ¦Ondergetekende bevestigt de juistheid van de hierboven vermelde ¦ ¦inlichtingen. ¦ ¦ ¦ ¦ daan te ........., ../../19.. ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ (Naam, hoedanigheid en handtekening van de ¦ ¦ persoon die gemachtigd is inrichting, ¦ ¦ opvanggezin of -instelling te verbinden) ¦ +------------------------------------------------------------------------+ (1) Dit attest moet in één exemplaar worden ingevuld (vak I is in te vullen door Kind en Gezin, vak II door inrichting, opvanggezin of -instelling) en moet aan de schuldenaar van de kosten worden overhandigd om het bij zijn aangifte in de personenbelasting te voegen. (2) Naam of benaming van inrichting, opvanggezin of -instelling. (3) Volledig adres van inrichting, opvanggezin of -instelling. (4) De op het attest vermelde gegevens mogen alleen betrekking hebben op het tijdperk dat de derde verjaardag van het kind voorafgaat. (5) Om te zetten in dagtarief wanneer de prijs per week, per maand enz. is vastgesteld. VIII. ONVERENIGBAARHEID
II/573
Art. 15, § 4, van de hervormingswet verbiedt dat de nieuwe aftrek samen met de in art. 6, § 1, eerste lid, 3°, f, van dezelfde wet bepaalde toeslag op de belastingvrije som (10 000 F voor elk kind van minder dan drie jaar op 1 januari van het aj.) genoten wordt (1).
| (1) | Die materie zal grondiger worden besproken in de commentaar m.b.t. de berekening van de P.B. (nrs. II/601 en volgende). Die onverenigbaarheid geldt per kind en niet per gezin. |
De keuze van de ene of de andere maatregel (aftrek van de oppaskosten of toeslag op de belastingvrije som) komt aan de belastingplichtige toe; deze zal dus bij het invullen van zijn aangifte in de P.B. de keuze moeten doen voor elk kind dat aan de voorwaarden voldoet.
In de praktijk zal de belastingplichtige verzocht worden op zijn belastingaangifte te vermelden :
| 1° | enerzijds, het aantal kinderen ten laste die op 1 januari van het aj. minder dan 3 jaar oud zijn en waarvoor geen aftrek van oppaskosten wordt gevraagd; die kinderen geven dus automatisch recht op een toeslag op de belastingvrije som van 10 000 F per kind (waarbij een gehandicapt kind voor twee wordt gerekend); |
| 2° | anderzijds, het bedrag van de aftrekbare oppaskosten m.b.t. de andere dan de sub 1° hierboven bedoelde kinderen. |
II/575
De belastingplichtige die bij de ontvangst van zijn aanslagbiljet meent overbelast te zijn en de reden hiervan wijt aan de oorspronkelijk gemaakte keuze tussen de twee hierboven uiteengezette maatregelen, zal de herziening van zijn belastingtoestand kunnen vragen.
IX. INWERKINGTREDING
II/576
Overeenkomstig art. 39, eerste lid, 1°, van de hervormingswet, treedt art. 15 van dezelfde wet in werking met ingang van het aj. 1990 (inkomstenjaar 1989).
Bron: FisconetPlus
