Circulaire nr. Ci.RH.331/461.833 van 19.10.1995

Bull. nr. 755, pag. 3193
BELASTINGVERMINDERING VOOR HET LANGE TERMIJNSPAREN
Algemeen commentaar.

BEREKENING VAN DE BELASTING
Belastingvermindering voor het lange termijnsparen.
Verhoogde belastingvermindering voor het bouwsparen.

VERHOOGDE BELASTINGVERMINDERING VOOR HET BOUWSPAREN
Algemeen commentaar.
INHOUDSTAFEL I. WETTEKSTEN......................................................1 II. ALGEMEEN OVERZICHT A. Inleiding....................................................2 B. Uitgaven voor het lange termijnsparen........................7 C. Uitgaven voor het bouwsparen.................................8 D. Belastingverminderingen......................................9 E. Inwerkingtreding............................................13 III. PERSOONLIJKE BIJDRAGEN VAN DE WERKNEMER IN EEN GROEPSVERZEKERING A. Algemeen....................................................14 B. Oud stelsel.................................................15 C. Nieuw stelsel...............................................17 D. Inwerkingtreding............................................20 IV. PREMIES VAN INDIVIDUELE LEVENSVERZEKERINGEN A. Toepassingsgebied en algemene voorwaarden...................21 B. Beperking van de premies in functie van het inkomen.........23 C. Bijkomende voorwaarden met betrekking tot het bouwsparen 1. Aangaande de woning......................................24 2. Aangaande de individuele levensverzekering a) Aard van de verzekering...............................30 b) Begrenzing van de in aanmerking te nemen bedragen - Algemeen............................................32 - Leningscontracten gesloten in de periode van 1.1.1963 tot 31.12.1988.............................34 - Leningscontracten gesloten in de periode van 1.1.1989 tot 31.12.1992.............................35 - Leningscontracten gesloten na 31.12.1992............38 D. Inwerkingtreding............................................39 V. KAPITAALAFLOSSINGEN A. Algemeen....................................................40 B. Voorwaarden en grenzen inzake het lange termijnsparen 1. Contracten gesloten voor 1.1.1989........................46 2. Contracten gesloten in de periode van 1.1.1989 tot 31.12.1992...............................................50 3. Contracten gesloten na 31.12.1992........................56 C. Voorwaarden en grenzen inzake het bouwsparen 1. Algemeen...... ..........................................58 2. Contracten gesloten voor 1.1.1993........................59 3. Contracten gesloten na 31.12.1992........................61 D. Inwerkingtreding............................................62 VI. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPERKING VAN DE LEVENSVERZEKERINGSPREMIES EN DE KAPITAALAFLOSSINGEN IN FUNCTIE VAN HET INKOMEN...........63 VII. OVERGANGSBEPALING INZAKE LEVENSVERZEKERINGSPREMIES EN KAPITAALAFLOSSINGEN............................................65 VIII. VOLGORDE WAARIN DE LEVENSVERZEKERINGSPREMIES EN DE KAPITAALAFLOSSINGEN IN AANMERKING MOETEN GENOMEN WORDEN A. Algemeen....................................................72 B. Uitgaven die recht geven op de verhoogde vermindering maar niet naar de andere echtgenoot kunnen overgeheveld worden...74 C. Uitgaven die recht geven op de verhoogde vermindering en naar de andere echtgenoot kunnen overgeheveld worden........75 D. Uitgaven die recht geven op de gewone vermindering maar niet naar de andere echtgenoot kunnen overgeheveld worden...76 E. Uitgaven die recht geven op de gewone vermindering en naar de andere echtgenoot kunnen overgeheveld worden........77 F. Te volgen werkwijze.........................................78 G. Aard van de overgehevelde sommen............................79 H. Voorbeeld...................................................80 IX. AANDELEN VAN DE VENNOOTSCHAP-WERKGEEFSTER......................81 X. PENSIOENSPAREN.................................................85 XI. VERMINDERING VOOR HET LANGE TERMIJNSPAREN A. Algemeen....................................................88 B. Beoogde uitgaven............................................90 C. Berekening van de bijzondere gemiddelde aanslagvoet.........92 D. Voorbeelden.................................................95 E. Berekening van de vermindering..............................97 XII. VERHOOGDE VERMINDERING VOOR HET BOUWSPAREN A. Algemeen....................................................99 B. Beoogde uitgaven...........................................101 C. Berekening van de verhoogde vermindering...................102
I. WETTEKSTEN
1. De W 28.12.1992 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen (V 2212 - Bull. 725) heeft, wat de fiscale behandeling van de persoonlijke bijdragen voor groepsverzekeringen en pensioenfondsen, de levensverzekeringspremies, de kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen, de aanschaffing van aandelen van de vennootschap-werkgeefster en het pensioensparen betreft, een aantal artikels van het WIB 92 gewijzigd of opgeheven en tegelijkertijd een aantal nieuwe artikels ingevoegd. Het betreft de volgende bepalingen:
Art. 73, W 28.12.1992
In artikel 23, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt het 4° opgeheven.
Voorheen luidde die bepaling als volgt:
"§ 2. Onder het nettobedrag van beroepsinkomsten wordt verstaan het totale bedrag van die inkomsten met uitsluiting van de vrijgestelde inkomsten en na uitvoering van de volgende bewerkingen:
...
het totaal van de overeenkomstig 1° tot 3° bepaalde beroepsinkomsten wordt verminderd met de aftrekken vermeld in de artikelen 81 tot 85".
Art.
77, W 28.12.1992
In artikel 51 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "en bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood" opgeheven.
Na deze wijziging luidde het eerste lid van art. 51, WIB 92 als volgt (Het eerste lid van art. 51, WIB 92 is inmiddels gewijzigd door art. 9, 1°, W 6.7.1994 houdende fiscale bepalingen (V 2323 - Bull. 742). Die wijziging is besproken in de nrs 5 tot 9, circ. 29.5.1995, Ci.RH.243/467.362): "Met betrekking tot andere bezoldigingen en baten dan vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen of baten, worden de beroepskosten, sociale bijdragen uitgezonderd, bij gebrek aan bewijzen forfaitair bepaald op percentages van het brutobedrag van die inkomsten, vooraf verminderd met voormelde bijdragen".
Art.
78, W 28.12.1992
Artikel 52, 9°, van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Die bepaling luidde als volgt:
"Onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 53 tot 66 worden inzonderheid als beroepskosten aangemerkt:
...
de persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood met het oog op het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden en die door de werkgever op de bezoldigingen zijn ingehouden";
Art. 79, W 28.12.1992
In artikel 59 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
in het eerste lid worden de woorden "Persoonlijke, door bemiddeling van de werkgever betaalde bijdragen en" opgeheven;
in het derde lid worden tussen de woorden "of persoonlijk bijdragen" en de woorden "zijn gevormd" de woorden "als bedoeld in artikel 145^3" ingevoegd.
Na deze wijzigingen luidden die bepalingen als volgt (Het derde lid van art. 59, WIB 92 is inmiddels gewijzigd door art. 11, 1°, W 6.7.1994. Die wijziging zal in een afzonderlijke circulaire besproken worden.):
"Werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood worden als beroepskosten aangemerkt op voorwaarde dat ze definitief worden gestort aan een in België gevestigde verzekeringsonderneming of instelling voor sociale voorzieningen en dat de wettelijke en extra-wettelijke toekenningen naar aanleiding van de pensionering, uitgedrukt in jaarlijkse renten, niet meer bedragen dan 80 % van de laatste normale brutojaarbezoldiging en worden berekend naar de normale duur van een beroepswerkzaamheid. Een indexering van de rente is toegelaten".
"De beperking tot 80 % moet worden beoordeeld ten opzichte van het totale bedrag van de wettelijke pensioenen, van de op jaarbasis berekende extra- wettelijke pensioenen en van de pensioenen die met werkgevers- of persoonlijke bijdragen als bedoeld in artikel 145^3 zijn gevormd of die door de werkgever ter uitvoering van een contractuele verplichting zijn toegekend. De uitkeringen op grond van individuele levensverzekeringscontracten worden niet in aanmerking genomen".
Art.
80, W 28.12.1992
In titel II, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling III, van hetzelfde Wetboek, wordt het gedeelte "D. Aftrekken van het totale beroepsinkomen" dat de artikelen 81 tot 85 bevat (De art. 81 tot 85, WIB 92 regelden de aftrek van het totale beroepsinkomen van de individuele levensverzekeringspremies, de kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen en de sommen besteed aan de aankoop van werkgeversaandelen.), opgeheven.
Art.
81, W 28.12.1992
In artikel 104, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht (De art. 104, 1ste lid, 10°, 105 en 117 tot 125, WIB 92 regelden inzonderheid de aftrek van het totale netto-inkomen van de sommen die aan het pensioensparen waren besteed.):
in de inleidende zin worden de woorden "artikelen 107 tot 125" vervangen door de woorden "artikelen 107 tot 116";
onderdeel 10°, wordt opgeheven.
Art. 82, W 28.12.1992
In artikel 105 van hetzelfde Wetboek (De art. 104, 1ste lid, 10°, 105 en 117 tot 125, WIB 92 regelden inzonderheid de aftrek van het totale netto-inkomen van de sommen die aan het pensioensparen waren besteed.) worden de woorden "de in het eerst lid, 1°, 2° en 10° van dat artikel" vervangen door de woorden "de in het eerste lid, 1° en 2° van dat artikel".
Art.
85, W 28.12.1992
In titel II, hoofdstuk II, afdeling VI van hetzelfde Wetboek, wordt het deel "F. Pensioensparen" dat de artikelen 117 tot 125 omvat (De art. 104, 1ste lid, 10°, 105 en 117 tot 125, WIB 92 regelden de aftrek van het totale netto-inkomen van de sommen die aan het pensioensparen waren besteed.), opgeheven.
Art.
86, W 28.12.1992
In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van hetzelfde Wetboek wordt een onderafdeling IIbis ingevoegd luidend als volgt:
"Onderafdeling Iibis. - Vermindering voor het lange termijnsparen
A. Algemeen
Artikel 145^1
Binnen de grenzen en onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 145^2 tot 145^16 wordt een belastingvermindering verleend die wordt berekend op de volgende uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijke zijn betaald:
als persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood met het oog op het vestigen van een rent of van een kapitaal bij leven of bij overlijden en die door de werkgever op de bezoldigingen zijn ingehouden;
als bijdragen van een aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood die de belastingplichtige tot uitvoering van een individueel gesloten levensverzekeringscontract definitief in België heeft betaald voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of overlijden;
als betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van een hypothecaire lening die is aangegaan om een in België gelegen woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen en gewaarborgd is door een tijdelijke verzekering bij overlijden met afnemend kapitaal;
als betalingen in geld voor aandelen waarop de belastingplichtige als werknemer heeft ingeschreven en die een fractie vertegenwoordigen van het maatschappelijk kapitaal van de binnenlandse vennootschap die de belastingplichtige tewerkstelt of waarvan de vennootschap-werkgeefster in de zin van de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen onweerlegbaar wordt geacht een dochter of kleindochteronderneming te zijn;
als betalingen voor het pensioensparen.
Artikel 145^2
De vermindering wordt berekend tegen een bijzondere gemiddelde
aanslagvoet die overeenstemt met de belasting die op het geheel van de belastbare inkomsten, daaronder niet begrepen de inkomsten die ingevolge artikel 171 afzonderlijk worden belast, wordt berekend overeenkomstig de artikelen 130, 131 en 134, eerste en derde lid.
De aanslagvoet die van toepassing is op de uitgaven die ten name van elke echtgenoot voor belastingvermindering in aanmerking komen, wordt voor elke echtgenoot afzonderlijk vastgesteld met inachtneming van de bepalingen van artikel 127.
De aldus berekende aanslagvoet mag niet minder dan 30 %, noch meer dan 40 % bedragen.
B. Persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood
Artikel 145^3
De in artikel 145^1, 1°, vermelde persoonlijke bijdragen komen voor vermindering in aanmerking op voorwaarde dat ze definitief zijn gestort aan een in België gevestigde verzekeringsonderneming of instelling voor sociale voorzieningen en dat de wettelijke en extra-wettelijke toekenningen naar aanleiding van de pensionering, uitgedrukt in jaarlijkse renten, niet meer bedragen dan 80 % van de laatste normale bruto-jaarbezoldiging en worden berekend naar de normale duur van een beroepswerkzaamheid. Een indexering van de rente is toegelaten.
De grens van 80 % wordt overeenkomstig artikel 59, derde lid, beoordeeld.
De Koning bepaalt de voorwaarden en de wijze van toepassing van deze bepaling, inzonderheid wat de voorschotten op contracten en de inpandgevingen van contracten betreft.
C. Premies van individuele levensverzekering
Artikel 145^4
De in artikel 145^1, 2°, vermelde bijdragen komen voor vermindering in aanmerking op voorwaarde dat:

1° het levensverzekeringscontract is aangegaan:

a)
door de belastingplichtige die daarbij alleen zichzelf heeft verzekerd;
b)
voor de leeftijd van 65 jaar of 60 jaar, naargelang het een man of een vrouw betreft; contracten die tot na de oorspronkelijk bepaalde termijn verlengd, opnieuw van kracht gemaakt, gewijzigd of verhoogd worden wanneer de verzekerde de leeftijd van 65 of van 60 jaar heeft bereikt, worden geacht niet voor die leeftijd te zijn aangegaan;
c)voor een minimumlooptijd van 10 jaar wanneer het in voordelen bij leven voorziet;
2° de voordelen van het contract bedongen zijn:

a)
bij leven, ten gunste van de belastingplichtige vanaf de leeftijd van 65 jaar of 60 jaar, naargelang het een man of een vrouw betreft;
b)
bij overlijden, ten gunste van de echtgenoot of van bloedverwanten tot de tweede graad van de belastingplichtige.
D. Aflossing of wedersamenstelling van hypothecaire leningen
Artikel 145^5
De in artikel 145^1, 3°, vermelde betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van hypotheekleningen komen voor vermindering in aanmerking op voorwaarde dat:
het leningscontract en het verzekeringscontract een looptijd van ten minste 10 jaar hebben en de verzekerde kapitalen bij het sluiten van het verzekeringscontract ten minste gelijk zijn aan de geleende kapitalen;
de voordelen van het verzekeringscontract bedongen zijn ten gunste van de schuldeiser, van de echtgenoot of van bloedverwanten tot de tweede graad van de belastingplichtige.
Wanneer de voor vermindering in aanmerking komende uitgave beperkt wordt ingevolge artikel 145^6, tweede lid, mag het verzekerde kapitaal, in afwijking van het eerste lid, 1°, verminderd worden tot het in aanmerking komende aanvangsbedrag van de leningen.
Artikel 145^6
De bijdragen en betalingen als vermeld in artikel 145^1, 2° en 3°, komen voor vermindering in aanmerking voor zover die uitgaven niet meer bedragen dan 15 % van de eerste schijf van 50.000 frank van het totale beroepsinkomen en 6 % van het overige, met een maximum van 60.000 frank.
Bovendien komen betalingen als vermeld in artikel 145^1, 3°, slechts voor vermindering in aanmerking in zoverre zij betrekking hebben op de eerste schijf van 2.000.000 frank van het aanvangsbedrag van de voor die woning aangegane leningen.
De Koning bepaalt de voorwaarden en de wijze waarop de vermindering ingevolge artikel 145^1, 2° en 3°, wordt toegepast.
E. Verwerving van werkgeversaandelen
Artikel 145^7
De in artikel 145^1, 4°, vermelde betalingen in geld voor aandelen komen voor vermindering in aanmerking op voorwaarde dat de belastingplichtige:
tot staving van zijn aangifte in de personenbelasting van het belastbare tijdperk waarin de betaling is gedaan, de stukken overlegt waaruit blijkt dat hij de aandelen heeft aangeschaft en deze op het einde van dat tijdperk nog in zijn bezit heeft;
voor hetzelfde belastbare tijdperk geen enkele vermindering geniet voor het pensioensparen.
De vermindering wordt slechts behouden op voorwaarde dat de belastingplichtige tot staving van zijn aangiften in de personenbelasting van de volgende vijf belastbare tijdperken het bewijs levert dat hij de betrokken aandelen nog in zijn bezit heeft.
Aan de voorwaarde vermeld in het tweede lid moet niet worden voldaan met ingang van het belastbare tijdperk waarin de werknemer-aandeelhouder is overleden.
De betalingen voor aandelen komen voor vermindering in aanmerking tot een bedrag van 20.000 frank per belastbaar tijdperk. De Koning kan dit bedrag bij een in Ministerraad overlegd besluit tot ten hoogste 40.000 frank verhogen.
F. Betalingen voor het pensioensparen
Artikel 145^8
De bedragen die ingevolge artikel 145^1, 5°, in het kader van het pensioensparen in aanmerking komen voor vermindering, zijn die welke in België definitief worden betaald:

1° ofwel voor het aanleggen van een collectieve spaarrekening;

2° ofwel voor het aanleggen van een individuele spaarrekening;

3° ofwel als premie van een spaarverzekering.

Het bedrag dat voor vermindering in aanmerking komt is beperkt tot 20.000 frank per belastbaar tijdperk. Elke echtgenoot is gerechtigd op de vermindering indien hij persoonlijk houder is van een spaarrekening op een spaarverzekering. Het voormelde bedrag kan bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit tot ten hoogste 40.000 frank worden verhoogd.
De betalingen in een belastbaar tijdperk mogen slechts worden verricht voor één enkele collectieve spaarrekening of één enkele individuele spaarrekening of één enkele spaarverzekering.
Artikel 145^9
De betalingen komen slechts voor vermindering in aanmerking op voorwaarde dat:
de collectieve spaarrekening of de individuele spaarrekening is geopend of de spaarverzekering is aangegaan:
a)
door een rijksinwoner vanaf de leeftijd van 18 jaar en vóór de leeftijd van 65 jaar;
b)
voor een looptijd van ten minste 10 jaar;
de voordelen bij het aangaan van het contract bedongen zijn:
a)
bij leven, ten bate van de belastingplichtige zelf;
b)
bij overlijden, ten bate van de echtgenoot of van de bloedverwanten tot de tweede graad van de belastingplichtige;
de belastingplichtige tot staving van zijn aangifte een attest voorlegt waarvan de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde het model vastlegt.
De vermindering wordt niet meer verleend met ingang van het belastbare tijdperk waarin de spaartegoeden, kapitalen of afkoopwaarden zijn uitgekeerd die afzonderlijk belastbaar zijn ingevolge artikel 171, 2°, e, behoudens indien de uitkering het gevolg is van het overlijden van de belastingplichtige, of waarin de belastingplichtige de leeftijd van 65 jaar bereikt heeft.
Artikel 145^10 (Art. 145^10, WIB 92 is inmiddels gewijzigd door art. 20, W 6.7.1994. Die wijzigingen zal in een afzonderlijke circulaire besproken worden.)
De in artikel 145^15 vermelde instellingen en ondernemingen mogen, naar het geval, per belastingplichtige slechts één enkele collectieve of één enkele spaarrekening openen of slechts één enkele spaarverzekering afsluiten. Zij mogen geen betalingen in ontvangst nemen die hoger zijn dan het in artikel 145^8, tweede lid, vastgestelde maximumbedrag. Deze instellingen en ondernemingen stellen de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde in kennis:
van het openen van een spaarrekening of het aangaan van een spaarverzekering;
van het jaarbedrag van de betaling van elke houder.
Artikel 145^11
De beheermaatschappij van de ingevolge artikel 145^16 erkende instellingen voor collectieve beleggingen (Bij art. 21, W 6.7.1994 zijn de woorden "De beheermaatschappij van de ingevolge artikel 145^16 erkende instellingen voor collectieve belegging" vervangen door de woorden "De beheersvennootschap van de ingevolge artikel 145^16 erkende pensioenspaarfondsen".) belegt de activa van dat fonds en de inkomsten van die activa, na aftrek van de kosten, uitsluitend op de volgende wijze:
voor ten minste 30 % in aandelen die een fractie van het maatschappelijk kapitaal van vennootschappen naar Belgisch recht vertegenwoordigen;
in obligaties in Belgische frank uitgegeven of onvoorwaardelijk gewaarborgd, in hoofdsom en in interest, door de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten en andere openbare lichamen of instellingen;
in obligaties of kasbons in Belgische frank, met een looptijd van meer dan één jaar, uitgegeven door Belgische publiek- of privaatrechtelijke vennootschappen of in gelddeposito's in Belgische frank met een looptijd van meer dan één jaar;
in vastgoedcertificaten of in hypothecaire leningen met betrekking tot in België gelegen onroerende goederen;
tot ten hoogste 10 % in buitenlandse op een Belgische beurs genoteerde effecten of rechten van deelneming van Belgische gemeenschappelijke beleggingsfondsen die erkend zijn door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen;
tot ten hoogste 10 % in tegoeden op rekening in Belgische frank bij één van de instellingen of ondernemingen die zijn vermeld in artikel 145^15, eerste lid.
De voorgeschreven percentages worden berekend op de dag waarop de beleggingen worden gedaan.
Artikel 145^12
Bij de opening van een individuele spaarrekening moet de belastingplichtige aan de instelling of onderneming, waarbij die rekening wordt geopend, de schriftelijke verbintenis overleggen om de op zijn rekening geboekte sommen, alsmede de terugbetalingen en de opbrengsten van de verkoop van roerende waarden, te beleggen op de wijze en in de verhoudingen als omschreven in artikel 145^11. De belegging moet geschieden binnen twee maanden na de betaling of de terbeschikkingstelling van de bedragen.
Het naleven van die verbintenis moet ten laatste op de dag van de betaling blijken uit de overlegging van een schriftelijke beleggingsopdracht aan de instelling of onderneming waaraan de betaling is verricht.
De houder van een individuele spaarrekening mag evenwel aan de instelling of onderneming waarbij die rekening is geopend volmacht geven om de op zijn rekening geboekte sommen te beleggen op de wijze en volgens de verhoudingen als omschreven in artikel 145^11.
Wanneer geen schriftelijke beleggingsopdracht wordt overgelegd of de in de opdracht vermelde belegging niet overeenstemt met het bepaalde in artikel 145^11 of wanneer de in het vorige lid vermelde volmacht niet is gegeven, wordt de betaalde som niet op de individuele spaarrekening geboekt.
De inkomsten uit de individuele spaarrekening worden, na aftrek van de kosten, volledig belegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 145^11, eerst lid, 1° tot 4° en 6°.
De Koning bepaalt de wijze waarop de toepassing van dit artikel wordt nagegaan.
Artikel 145^13
De dekkingswaarden van de technische reserves betreffende de activiteiten van de spaarverzekering worden belegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 145^11.
Artikel 145^14
De vermindering voor pensioensparen kan niet samen met de vermindering voor verwerving van werkgeversaandelen ingevolge artikel 145^1, 4°, worden verkregen.
Artikel 145^15
Alleen de in artikel 56, § 1 en § 2, 2°, c, f en g, vermelde instellingen en ondernemingen mogen collectieve of individuele spaarrekeningen openen. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, hetzelfde recht toestaan aan beursvennootschappen naar Belgisch recht.
Alleen verzekeringsondernemingen die de tak levensverzekering beoefenen overeenkomstig de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, mogen spaarverzekeringen afsluiten.
Artikel 145^16
Voor de toepassing van het pensioensparen en van artikel 34, § 1, 3°, wordt verstaan onder:
collectieve spaarrekening, de delen van instellingen voor collectieve beleggingen (Bij art. 22, W 6.7.1994 zijn de woorden "instellingen voor collectieve belegging" vervangen door het woord "pensioenspaarfondsen".) die door de Minister van Financiën onder de door de Koning bepaalde voorwaarden zijn erkend voor het vormen van spaartegoeden die beschikbaar worden bij leven of bij overlijden; die delen worden op naam ingeschreven bij een van de in artikel 145^15, eerste lid, vermelde instellingen en ondernemingen;
individuele spaarrekening, de door de belastingplichtige aangeschafte roerende waarden en, bijkomend, de op rekening gehouden bedragen, met het oog op het vormen van een spaartegoed dat beschikbaar wordt bij leven of bij overlijden; die waarden en bedragen worden op naam ingeschreven bij een van de in artikel 145^15, eerste lid, vermelde instellingen of ondernemingen;
spaarverzekering, de verzekering door de belastingplichtige op zijn hoofd aangegaan om een pensioen, een rente of een kapitaal bij leven of bij overlijden te vestigen bij een in artikel 145^15, tweede lid, vermelde verzekeringsonderneming."
Art. 87, W 28.12.1992
In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van hetzelfde Wetboek wordt een onderafdeling IIter ingevoegd, luidend als volgt:
"Onderafdeling Iiter. - Verhoogde vermindering voor het bouwsparen
Artikel 145^17
Binnen de grenzen en onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 145^18 tot 145^20, wordt, in de plaats van de verminderingen als vermeld in artikel 145^1, 2° en 3°, een verhoogde belastingvermindering verleend die wordt berekend op de volgende tijdens het belastbare tijdperk werkelijk betaalde uitgaven die de belastingplichtige heeft gedaan om in België een woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen die bij het afsluiten van de lening zijn enige woning is:
bijdragen als vermeld in artikel 145^1, 2°, voor het vestigen van een kapitaal bij leven of bij overlijden en dat uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening die voor die enige woning is aangegaan;
betalingen als vermeld in artikel 145^1, 3°, voor de aflossing of wedersamenstelling van een hypothecaire lening die voor die enige woning is aangegaan.
Artikel 145^18
De verhoogde vermindering wordt berekend tegen het voor de belastingplichtige aangerekende hoogste belastingtarief als vermeld in artikel 130.
Ingeval de bijdragen en betalingen die voor de verhoogde vermindering in aanmerking komen betrekking hebben op meer dan één belastingtarief wordt voor elk deel van die bijdragen en betalingen het overeenstemmende tarief in aanmerking genomen.
Artikel 145^19
De in artikel 145^17, 1° en 2° bedoelde bijdragen en betalingen komen voor de verhoogde vermindering in aanmerking onder dezelfde voorwaarden als respectievelijk in de artikelen 145^4 en 145/5, eerste lid, vermeld zijn.
Daarenboven komen de bedoelde bijdragen en betalingen slechts voor de verhoogde vermindering in aanmerking in zoverre zij betrekking hebben op de eerste schijf van 2.000.000 frank, 2.100.000 frank, 2.200.000 frank, 2.400.000 frank of 2.600.000 frank van het aanvangsbedrag van de voor de enige woning aangegane leningen, naargelang de belastingplichtige geen, een, twee, drie of meer dan drie kinderen ten laste heeft. Het aantal kinderen ten laste wordt geteld op 1 januari van het jaar na dat waarin het leningscontract is gesloten.
Wanneer de voor de verhoogde belastingvermindering in aanmerking komende bijdragen en betalingen worden beperkt ingevolge het tweede lid, mag het verzekerde kapitaal, in afwijking van artikel 145^5, eerste lid, 1°, en van het eerste lid, verminderd worden tot het in aanmerking komende aanvangsbedrag van de leningen.
Artikel 145^20
De in artikel 145^17, 1° en 2°, bedoelde bijdragen en betalingen mogen, samen met de bijdragen en betalingen als vermeld in artikel 145^1, 2° en 3°, de in artikel 145^6, eerste lid, vermelde percentages en grenzen niet overschrijden.
Wanneer de verhoogde vermindering en de verminderingen als vermeld in artikel 145^1, 2° en 3°, gelijktijdig van toepassing zijn, wordt voor de toepassing van de in het eerste lid bepaalde percentages en grenzen voorrang gegeven aan de bijdragen en betalingen die recht geven op de verhoogde vermindering."
Art.
100, W 28.12.1992
Artikel 516 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling (Daar de door art. 100, W 28.12.1992 vervangen tekst van art. 516, WIB 92, die uitwerking heeft met ingang van het aj. 1993, een door de wetgever niet gewilde anomalie bevatte, en die anomalie inmiddels is rechtgezet door art. 83, W 6.7.1994 houdende fiscale bepalingen, dat eveneens uitwerking heeft met ingang van het aj. 1993 (cf. art. 91, vierde lid, W 6.7.1994), wordt hierna de tekst van art. 516, WIB 92 weergegeven zoals hij uiteindelijk van toepassing is met ingang van het aj. 1993. De door art. 83, W 6.7.1994 gewijzigde passages zijn vet gedrukt. De in deze circ. opgenomen commentaar houdt reeds rekening met die wijziging.):
"Artikel 516
§ 1. In afwijking van artikel 145^6, tweede lid, wordt de belastingvermindering op de betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van hypothecaire leningen die vanaf 1 januari 1963 tot 31 december 1992 zijn aangegaan slechts verleend op voorwaarde dat:
1° met betrekking tot contracten aangegaan tot 31 december 1988:
a)
de lening is aangegaan om een sociale woning, een kleine landeigendom of een woning die krachtens de Huisvestingscode ermede gelijkgesteld is, te bouwen, te verwerven of te verbouwen;
b)
de lening is aangegaan om een woning die krachtens de Huisvestingscode als middelgroot wordt beschouwd te bouwen, te verwerven of te verbouwen; in dit geval wordt de lening slechts in aanmerking genomen tot een aanvangsbedrag van 400.000 frank en mag het verzekerde kapitaal in afwijking van artikel 145^5, eerste lid, 1°, tot dat bedrag worden verminderd.
Met betrekking tot contracten die vanaf 1 mei 1986 tot 31 december 1988 zijn aangegaan om een in België gelegen woning te bouwen of in nieuwe staat te verwerven, wordt het aanvangsbedrag van 400.000 frank op 2.000.000 frank gebracht.
Een woning wordt geacht in nieuwe staat te zijn verworven wanneer zij door de verkoper met toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde is overgedragen aan de belastingplichtige;
met betrekking tot contracten aangegaan tussen 1 januari 1989 en 31 december 1992, de lening is aangegaan om een in België gelegen woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen; de betalingen komen slechts in aanmerking in zoverre zij betrekking hebben op de eerste schijf van 2.000.000 frank van het aanvangsbedrag van de lening.
§ 2. In afwijking van de artikelen 145^17, 2° en 145^19, tweede lid, wordt de verhoogde belastingvermindering op de betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van hypothecaire leningen die vanaf 1 januari 1963 tot 31 december 1988 zijn aangegaan slechts verleend onder dezelfde voorwaarden als die vermeld in § 1, 1°, mits voor de betreffende woning of kleine landeigendom de woningaftrek ingevolge artikel 16 kan worden toegestaan.
Met betrekking tot contracten aangegaan tussen 1 januari 1989 en 31 december 1992 komen de betalingen voor de verhoogde belastingvermindering in aanmerking in zoverre zij betrekking hebben op de eerste schijf van 2.000.000 frank, 2.100.000 frank, 2.200.000 frank, 2.400.000 frank of 2.600.000 frank van het aanvangsbedrag van de lening, naargelang de belastingplichtige geen, één, twee, drie of meer dan drie kinderen ten laste heeft en mits voor de betreffende woning de woningaftrek ingevolge artikel 16 kan worden toegestaan. Het aantal kinderen ten laste wordt geteld op 1 januari van het jaar na dat waarin het leningscontract is gesloten.
§ 3. In afwijking van de artikelen 145^17, 1°, en 145^19, tweede lid, wordt de verhoogde belastingvermindering op de bijdragen als vermeld in artikel 145^1, 2°, voor het vestigen van een kapitaal bij leven of bij overlijden dat uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening slechts verleend op voorwaarde dat de vanaf 1 januari 1963 tot 31 december 1992 afgesloten lening is aangegaan om een in België gelegen woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen waarvoor een woningaftrek ingevolge artikel 16 kan worden toegestaan.
Wanneer de lening is aangegaan vanaf 1 januari 1963 tot 31 december 1992 zijn aangegaan wordt het in het tweede lid vermelde aanvangsbedrag van 2.000.000 frank in voorkomend geval verhoogd zoals vermeld in § 2, tweede lid.
§ 4. Ingeval de toepassing van de artikelen 86, eerste lid, 87 en 88, tot gevolg heeft dat, met betrekking tot een contract dat vóór 1 januari 1989 op naam van één van de echtgenoten is gesloten, de in de artikelen 145^1, 2° en 3°, en 145^17, 1° en 2°, vermelde bijdragen en betalingen niet tot het bedrag bepaald ingevolge artikel 145^6, eerste lid, ten name van die echtgenoot aanleiding kan geven tot een belastingvermindering of een verhoogde belastingvermindering mag het verschil, zonder splitsing van het contract tot het bedrag bepaald in artikel 145^6, eerste lid, aanleiding geven tot een bijkomende vermindering ten gunste van de andere echtgenoot.
§ 5. De bedragen vermeld in § 1, 2° en § 3, derde lid, worden overeenkomstig artikel 178 aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast."
Art.
101, W 28.12.1992
De artikelen 73, ..., 80 tot 85, 87, ... en ... 100 treden in werking met ingang van het aanslagjaar 1993.
...
Artikel 86 treedt in werking met ingang van het aanslagjaar 1993, met uitzondering van de artikelen 145^1, 1° en 145^2, inzoverre het de artikelen 145^1, 1° en 145^3 van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992 betreft, ingevoegd bij het genoemde artikel 86, die met ingang van het aanslagjaar 1994 in werking treden.
De artikelen 77, 78, 79, ... treden in werking met ingang van het aanslagjaar 1994.
...
A. Inleiding
2. De W 28.12.1992 heeft, hoofdzakelijk met ingang van het aj. 1993, de fiscale behandeling van door de belastingplichtige in het kader van het "lange termijnsparen" gedane uitgaven, die voorheen van het inkomen werden afgetrokken, grondig gewijzigd.
Het lange termijnsparen kan verscheidene, eventueel gecombineerde vormen aannemen. Eén van de meest klassieke is de regelmatige storting bij een financiële instelling van bedragen die tegen een bepaalde interestvoet en voor een min of meer lange periode worden belegd en die, gewoon wegens de samengestelde interest, op termijn recht geven op de uitkering, hetzij van een rente, hetzij van een kapitaal dat het totaal van de gestorte sommen ruimschoots overtreft. Het pensioensparen, de individuele levensverzekering en de groepsverzekering zijn daar voorbeelden van.
Met het verwerven van een kapitaal wordt niet noodzakelijk het verkrijgen van een som geld bedoeld. De persoon die periodiek de hypothecaire lening aflost die hij voor het bouwen of verwerven van zijn woning heeft aangegaan, legt ook een spaarpot aan (onder de vorm van een onroerend goed). Hoewel minder vaak voorkomend, is de verwerving door een werknemer van aandelen van de vennootschap die hem tewerkstelt, evenzeer een vorm van investeren voor de toekomst.
Vóór de inwerkingtreding van de W 28.12.1992 konden de in het kader van het lange termijnsparen gedane uitgaven, voor zover ze op een fiscaal voordeel recht gaven, in drie onderscheiden groepen ingedeeld worden:
die welke als beroepskosten aftrekbaar waren van één of andere categorie van beroepsinkomsten;
die welke van het totale beroepsinkomen aftrekbaar waren;
en tenslotte die welke van het totale netto-inkomen aftrekbaar waren.
3. Tot de eerste groep behoorden de in (thans opgeheven) art. 52, 9°, WIB 92 vermelde uitgaven, d.w.z. de door de belastingplichtige betaalde persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood met het oog op het vestigen van een rente of een kapitaal bij leven of bij overlijden, die door de werkgever op zijn bezoldigingen ingehouden werden, kortom de persoonlijke bijdragen van de werknemers in groepsverzekeringen en pensioenfondsen.
Dienaangaande wordt opgemerkt dat de in het kader van een groepsverzekeringscontract of een extra-wettelijke pensioenreglement gestorte werkgeversbijdragen - zoals voorheen - wel aftrekbaar blijven als beroepskosten (voorzover uiteraard de gestelde voorwaarden en grenzen geëerbiedigd worden).
4. Tot de tweede groep (van het totale beroepsinkomen aftrekbare uitgaven) behoorden de in (het inmiddels opgeheven) art. 81, WIB 92 bedoelde uitgaven, d.w.z.:
de bijdragen van aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood die de belastingplichtige tot uitvoering van een individueel levensverzekeringscontract in België betaald heeft voor het vestigen van een rente of een kapitaal bij leven of bij overlijden (kortom, de premies van individuele levensverzekeringen);
de betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van hypothecaire leningen die zijn aangegaan om een in België gelegen woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen en die gewaarborgd zijn door een tijdelijke verzekering bij overlijden met afnemend kapitaal (ook "schuldsaldoverzekering" genoemd);
de betalingen in geld voor het verwerven van aandelen van de vennootschap-werkgeefster.
5. Tenslotte bestond de derde groep (van het totale netto-inkomen aftrekbare bestedingen) uit de in het (nu ook opgeheven) art. 117, WIB 92 bedoelde bedragen, zijnde de in het kader van het pensioensparen gestorte bedragen.
Die bedragen vormden, samen met de door één enkele echtgenoot verschuldigde onderhoudsuitkering, de personaliseerbare bestedingen die bij voorrang moesten afgetrokken worden van de inkomsten van degene die er de schuldenaar van is.
6. De W 28.12.1992 kent bij voortduur aan die onderscheiden categorieën van uitgaven een fiscaal voordeel toe, maar vervangt, met behoud evenwel van de meeste van de voorheen geldende grenzen en voorwaarden, het vroegere systeem van een aftrek op het inkomen (waarbij het voordeel toeneemt naarmate het inkomen stijgt) door een systeem van verminderingen op de belasting, waarbij een onderscheid gemaakt wordt volgens de aard van de uitgave en meer bepaald volgens het ermee nagestreefde doel.
In die optiek worden de beoogde uitgaven voortaan in twee groepen ingedeeld:
  • de uitgaven voor het lange termijnsparen;
  • de uitgaven voor het bouwsparen.
B. Uitgaven voor het lange termijnsparen
7. Het betreft hier de nrs. 3, 1ste lid, 4 en 5, 1ste lid, vermelde uitgaven, die reeds onder de vorige wetgeving aan de belastingplichtige toelieten om op een fiscaal aantrekkelijke wijze op lange termijn te sparen.
Tot die categorie van uitgaven behoren:
de persoonlijke bijdragen in een groepsverzekering of een pensioenfonds;
de betalingen in geld voor het verwerven van aandelen van de vennootschap-werkgeefster;
de stortingen gedaan in het kader van het pensioensparen.
Mits zij niet als "uitgaven voor het bouwsparen" kunnen aangemerkt worden (zie nr 8 hierna), komen daar nog bij:
de premies van individuele levensverzekeringen;
de kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen die door een schuldsaldoverzekering gewaarborgd zijn.
C. Uitgaven voor het bouwsparen
8. Het gaat hier om:
a)
de premies van een individuele levensverzekering die uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening;
b)
de betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van een door een schuldsaldoverzekering gewaarborgde hypothecaire lening die is aangegaan om een woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen.
Deze premies en betalingen kunnen evenwel slechts als "uitgaven voor het bouwsparen" aangemerkt worden indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:
  • de premies en betalingen moeten betrekking hebben op een lening die is aangegaan om in België een woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen;
  • die woning moet recht geven op de woningaftrek, indien de lening vóór 1.1.1993 gesloten is;
  • die woning moet, bij het aangaan van de lening, de enige woning van de belastingplichtige zijn, indien de lening na 31.12.1992 aangegaan is.
D. Belastingverminderingen
9. In tegenstelling tot vroeger, toen de uitgave (eventueel in beperkte mate) van het belastbare inkomen aftrekbaar was, wordt het fiscaal voordeel voor een in het kader van het lange termijnsparen of het bouwsparen gedane uitgave thans toegekend in de vorm van een belastingvermindering die verschilt naargelang het bedrag en de aard van de uitgave in kwestie.
Dienaangaande wordt er nu reeds op gewezen dat de belastingverminderingen voor het lange termijnsparen en het bouwsparen, in tegenstelling tot de reeds bestaande belastingverminderingen die, bij echtgenoten, op de gezinsbelasting berekend worden, voor elke echtgenoot afzonderlijk vastgesteld worden, rekening houdende met zijn eigen of als dusdanig beschouwde uitgaven. In de praktijk worden die nieuwe belastingverminderingen berekend juist na de aanrekening van de belastingvrije som.
10. Wat de uitgaven voor het lange termijnsparen betreft, wordt de belasting verminderd met een bepaald percentage van die uitgaven dat niet lager dan 30 %, noch hoger dan 40 % mag zijn. Het bedoelde percentage is de gemiddelde aanslagvoet die, binnen die grenzen, verkregen zou worden indien men bij de berekening van de belasting slechts rekening zou houden met het basisbedrag van de belastingvrije som, nl. 165.000 F of 130.000 F (bedragen vóór indexering) naargelang het om een alleenstaande gaat of niet.
11. Wat de uitgaven voor het bouwsparen betreft, stemt de belastingvermindering in feit overeen met de belastingbesparing die zou verwezenlijkt zijn indien de uitgaven in kwestie zoals voorheen van het belastbaar inkomen waren afgetrokken. Dit betekent dat de vermindering voor het bouwsparen in principe tegen de marginale aanslagvoet berekend wordt. Indien die aanslagvoet evenwel lager is dan 30 %, moet dit laatste percentage toegepast worden.
12. Tenslotte wordt nog opgemerkt dat wanneer het, ingevolge de wettelijke beperkingen ter zake, niet mogelijk is om gelijktijdig de uitgaven voor het bouwsparen en de uitgaven van dezelfde aard voor het lange termijnsparen in aanmerking te nemen, eerstgenoemde uitgaven bij voorrang in aanmerking moeten genomen worden.
E. Inwerkingtreding
13. Het nieuwe stelsel treedt in werking met ingang van het aj. 1993, behalve wat de (voorheen in art. 52, 9°, WIB 92 bedoelde) persoonlijke bijdragen in een groepsverzekering of een pensioenfonds betreft, waarvoor de nieuwe regels slechts vanaf het aj. 1994 van toepassing zijn.
A. Algemeen
14. Het betreft hier de persoonlijke bijdragen van de werknemer in een groepsverzekering of een pensioenfonds, d.w.z. de bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood die de belastingplichtige, buiten enige wettelijke verplichting om, door bemiddeling van zijn werkgever (via inhouding op de bezoldiging) definitief in België gestort heeft voor het vestigen van een rente of een kapitaal in geval van leven of van overlijden.
De W 28.12.1992 herneemt de definitie van die bijdragen en de voorwaarden die daarbij gesteld zijn voor de toekenning van een fiscaal voordeel, zodat de op dat vlak bestaande administratieve richtlijnen van toepassing blijven.
Overeenkomstig de art. 107, 108 en 127, W 28.12.1992 worden alle vanaf 1.1.1993 aan pensioenfondsen gestorte bijdragen aan de jaarlijkse taks op de verzekeringscontracten (4,4 %) onderworpen. Die speciale taks, die de werknemer op zijn bijdrage in een pensioenfonds verschuldigd is, mag als een integrerend bestanddeel van die bijdrage beschouwd worden.
B. Oud stelsel
15. Voorheen waren de bijdragen in kwestie opgenomen in art. 52, 9°, WIB 92, waardoor zij als beroepskosten aftrekbaar waren. Overeenkomstig art. 51, WIB 92 werden zij van het belastbare beroepsinkomen afgetrokken vóór toepassing van de forfaitaire beroepskosten, zodat de berekeningsgrondslag
16. De aftrek van die bijdragen werd evenwel slechts aanvaard onder de voorwaarden en binnen de grenzen gesteld in art. 59, WIB 92, die zowel van toepassing waren op de werknemersbijdragen als op de werkgeversbijdragen, en o.m. bepaalden dat de wettelijke en extra- wettelijke toekenning naar aanleiding van de pensionering, uitgedrukt in jaarlijkse renten, niet meer mochten bedragen dan 80 % van de laatste normale brutojaarbezoldiging bij een volledige loopbaan.
C. Nieuw stelsel
17. De W 28.12.1992 heeft in die materie de volgende wijzigingen aangebracht:
art. 77, W 28.12.1992 heeft in art. 51, WIB 92 de woorden "en bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood" opgeheven, terwijl art. 78 van dezelfde wet art. 52, 9°, WIB 92 heeft opgeheven; hierdoor wordt de mogelijkheid om deze persoonlijke bijdragen als beroepskosten af te trekken, afgeschaft;
daarmee samengaand heeft art. 79, 1°, W 28.12.1992 in art. 59, 1ste lid, WIB 92 alle verwijzingen naar die persoonlijke bijdragen geschrapt;
de bijdragen in kwestie zijn thans opgenomen in 1° van het door art. 86, W 289.12.1992 ingevoegde art. 145^1, WIB 92, dat de uitgaven opsomt die recht geven op de vermindering voor het lange termijnsparen;
art. 145^3, WIB 92, dat eveneens door art. 86, W 28.12.1992 ingevoegd werd, herneemt tenslotte grotendeels de in art. 59, WIB 92 gestelde voorwaarden, met dien verstande dat art. 145^3, WIB 92 uitsluitend betrekking heeft op de persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood.
18. Rekening houdende met die wijzigingen kan de nieuwe toestand inzake groepsverzekeringen en pensioenfondsen als volgt samengevat worden:
de persoonlijke bijdragen zijn niet meer aftrekbaar van het belastbare beroepsinkomen maar geven recht op een vermindering voor het lange termijnsparen (art. 145^1, 1°, WIB 92);
de werkgeversbijdragen daarentegen blijven als beroepskosten aftrekbaar bij de werkgever (art. 52, 3°, b, WIB 92).
19. Aangezien het eerste lid van art. 145^3, WIB 92 slechts de weergave is van het eerste lid van art. 59, WIB 92, en het tweede lid van art. 145^3, WIB 92 bepaalt dat "de grens van 80 % overeenkomstig artikel 59, derde lid beoordeeld wordt", moeten de werkgeversbijdragen en de werknemersbijdragen, zoals voorheen, samen in aanmerking worden genomen om uit te maken of de in nr 16 hiervoor beoogde grens van 80 % is overschreden of niet. Hetzelfde geldt voor de door de werkgever ten laste genomen pensioenen (zoals bijvoorbeeld de pensioenen gevormd door middel van een bedrijfsleidersverzekering).
D. Inwerkingtreding
20. De aandacht wordt in het bijzonder gevestigd op het feit dat de nieuwe regels inzake groepsverzekeringspremies en bijdragen in pensioenfondsen pas vanaf het aj. 1994 in werking treden; zij hebben dus slechts betrekking op de vanaf 1.1.1993 gestorte bijdragen.
A. Toepassingsgebied en algemene voorwaarden
21. Vóór art. 81, 1°, WIB 92 door art. 80, W 28.12.1992 opgeheven werd, vermeldde het de bijdragen van aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood die de belastingplichtige tot uitvoering van een individueel gesloten levensverzekeringscontract definitief in België betaald heeft voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden. Het door art. 86, W 28.12.1992 ingevoegde art. 145^1, 2°, WIB 92 heeft die bewoordingen volledig overgenomen.
Door de opheffing van de art. 81 tot 85, WIB 92 worden de premies van individuele levensverzekeringen niet langer van het totale beroepsinkomen afgetrokken. Overeenkomstig de door de art. 86 en 87, W 28.12.1992 ingevoegde art. 145^1, 2° en 145^17, 1°, WIB 92, komen die premies thans in aanmerking voor de toekenning van een belastingvermindering:
  • hetzij voor het lange termijnsparen;
  • hetzij voor het bouwsparen.
Wat de ter zake te vervullen voorwaarden betreft, heeft het door art. 86, W 28.12.1992 ingevoegde art. 145^4, WIB 92 de tekst van het voormalige art. 82, WIB 92 letterlijk overgenomen.
Inzake de premies van individuele levensverzekeringscontracten heeft de wetgever dus niets gewijzigd aangaande de aard en de voorwaarden waaraan de contracten in kwestie moeten voldoen, zodat de in de nrs 81/4 tot 56, Com.IB 92 vermelde richtlijnen mutatis mutandis van toepassing blijven, ongeacht de datum waarop het contract een aanvang heeft genomen.
22. Dit betekent dat die premies voor belastingvermindering in aanmerking komen op voorwaarde dat:
het levensverzekeringscontract is aangegaan:
a)
door de belastingplichtige die daarbij alleen zichzelf verzekerd heeft;
b)
vóór de leeftijd van 65 jaar of 60 jaar, naargelang het een man of een vrouw betreft (contracten die tot na de oorspronkelijk bepaalde termijn verlengd, opnieuw van kracht gemaakt, gewijzigd of verhoogd worden wanneer de verzekerde de leeftijd van 65 of van 60 jaar bereikt heeft, worden geacht niet vóór die leeftijd te zijn aangegaan);
c)
voor een minimumlooptijd van 10 jaar wanneer het in voordelen bij leven voorziet;
de voordelen van het contract bedongen zijn:
a)
bij leven, ten gunste van de belastingplichtige vanaf de leeftijd van 65 jaar of 60 jaar, naargelang het een man of een vrouw betreft;
b)
bij overlijden, ten gunste van de echtgenoot of van bloedverwanten tot de tweede graad van de belastingplichtige.
B. Beperking van de premies in functie van het inkomen
Hiervoor wordt verwezen naar de nrs 63 en 64.
C. Bijkomende voorwaarden met betrekking tot het bouwsparen
1. Aangaande de woning
24. Om voor de specifieke vermindering voor het bouwsparen in aanmerking te komen, moeten de desbetreffende premies dienen voor het vestigen van een kapitaal bij leven of bij overlijden dat uitsluitend bestemd is voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening die is aangegaan voor het bouwen, het verwerven of het verbouwen van een in België gelegen woning die:
  • ofwel recht geeft op de in art. 16, WIB 92 bedoelde woningaftrek, indien het leningscontract werd aangegaan in de periode van 1.1.1963 tot 31.12.1992 (cf. art. 516, § 3, 1ste lid, WIB 92);
  • ofwel bij het afsluiten van de lening de enige woning van de belastingplichtige is, indien het leningscontract na 31.12.1992 is aangegaan (cf. art. 145^17, WIB 92).
25. Wat de in de periode van 1.1.1963 tot 31.12.1992 aangegane leningen betreft, betekent dit dat de vermindering voor het bouwsparen slechts kan toegekend worden indien de lening betrekking heeft op een woning waarvoor de belastingplichtige recht heeft op de woningaftrek.
Er wordt aan herinnerd dat die aftrek toegestaan wordt:
  • hetzij voor de eigen woning die de belastingplichtige zelf betrekt;
  • hetzij voor de eigen woning die de belastingplichtige om beroeps- of sociale redenen niet zelf betrekt.
26. Om uit te maken of het om een dergelijke woning gaat, zal het in de praktijk meestal volstaan na te gaan of de belastingplichtige het KI van de bedoelde woning, of een gedeelte ervan, terecht in de desbetreffende rubriek van zijn aangifte in de PB vermeld heeft (voor het aj. 1995 gaat het om de in vak IV, A voorkomende rubrieken met de codes 100 tot 103).
27. De omstandigheden dat de woning van de belastingplichtige gedeeltelijk voor andere doeleinden dan voor eigen bewoning gebruikt wordt (bijvoorbeeld voor beroepsdoeleinden van de belastingplichtige), vormt geen beletsel voor de toekenning van de verhoogde vermindering voor het bouwsparen.
28. Om uit te maken op welke datum de hypothecaire lening is aangegaan, moet, met het oog op de ter zake op fiscaal vlak geldende voorwaarden, steeds de datum van de (voor notaris verleden) authentieke akte in aanmerking genomen worden.
Indien de lening evenwel is aangegaan ter vervanging van een bestaande lening (herfinancieringslening), is de datum van de oorspronkelijke lening bepalend.
29. Tenslotte wordt eraan herinnerd dat indien het leningscontract na 31.12.1992 is aangegaan, de woning, waarop de lening betrekking heeft, bij het aangaan van die lening de enige woning van de belastingplichtige moet zijn.
Daarbij is het zonder belang of die woning recht geeft op de in art.16, WIB 92 bedoelde woningaftrek of niet.
Het feit dat de belastingplichtige bij het aangaan van de lening eventueel nog andere onroerende goederen heeft die niet de aard van een "woning" hebben, b.v. gronden, industriële gebouwen of handelspanden, vormt evenmin een beletsel voor de toekenning van de vermindering voor het bouwsparen.
2. Aangaande de individuele levensverzekering
a)
Aard van de verzekering
30. De in nr 22 bedoelde premies komen slechts voor de verhoogde vermindering voor het bouwsparen in aanmerking indien zij ertoe strekken een kapitaal bij leven of bij overlijden te vestigen dat uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening die is aangegaan om in België een woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen, die hetzij recht geeft op de in art. 16, WIB 92 bedoelde woningaftrek, indien de hypothecaire lening vóór 1.1.1993 is aangegaan, hetzij, indien die lening na 31.12.1992 is aangegaan, de woning bij het aangaan van de lening de enige woning van de belastingplichtige is.
31. Daar het met de verzekering gevestigde kapitaal uitsluitend mag dienen voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een vorenbedoelde hypothecaire lening, komen voor de vermindering voor het bouwsparen in de regel alleen de premies in aanmerking die betrekking hebben hetzij op een gemengde levensverzekering die uitsluitend dient tot de wedersamenstelling van een dergelijke hypothecaire lening, hetzij op een tijdelijke verzekering bij overlijden met afnemend kapitaal (schuldsaldoverzekering) die dient tot waarborg van een dergelijke lening.
Premies van individuele verzekeringen die bedragen waarborgen die hoger liggen dan het weder samen te stellen of nog af te lossen gedeelte van een bovenbedoelde hypothecaire lening, komen nooit (ook niet gedeeltelijk) in aanmerking voor de vermindering voor het bouwsparen. Dergelijke premies kunnen alleen aanleiding geven tot de toekenning van de gewone vermindering voor het lange termijnsparen.
b) Begrenzing van de in aanmerking te nemen bedragen
Algemeen
32. De premies van de in de nrs 30 en 31, 1ste lid, bedoelde individuele verzekeringen komen niet steeds integraal in aanmerking voor de vermindering voor het bouwsparen. Zij geven immers slechts aanleiding tot de toekenning van een vermindering voor het bouwsparen in de mate dat zij betrekking hebben op de in de hiernavolgende nrs besproken eerste schijf van het verzekerde bedrag van de lening. Het saldo van die premies komt dan wel in aanmerking voor de vermindering voor het lange termijnsparen.
33. De inzake de vermindering voor het bouwsparen toepasselijke beperking van de premies in functie van het verzekerde bedrag van de beoogde hypothecaire lening, moet steeds geschieden rekening houdende met het geheel van de leningen die voor een zelfde woning aangegaan zijn.
Dit betekent dat indien verscheidene hypothecaire leningen aangegaan zijn, hetzij om een zelfde woning te bouwen of te verwerven, hetzij om die woning te verbouwen (waarbij het geen belang heeft of die leningen tijdens hetzelfde jaar of op min of meer van elkaar verwijderde tijdstippen aangegaan zijn), de grens t.o.v. het geheel van die leningen beoordeeld moet worden, d.w.z. alsof al die leningen slechts één enkele lening vormden waarvan het bedrag gelijk is aan het totale bedrag ervan.
Wanneer voor een zelfde woning een nieuwe lening wordt aangegaan, moeten de vorige leningen die ten laatste op de datum van het aangaan van de nieuwe lening volledig terugbetaald zijn, evenwel buiten beschouwing gelaten worden.
Leningscontracten gesloten in de periode van 1.1.1963 tot 31.12.1988
34. De levensverzekeringspremies komen slechts voor de verhoogde vermindering voor het bouwsparen in aanmerking in de mate dat zij betrekking hebben op de eerste schijf van 2.000.000 F van het verzekerde bedrag van de lening (cf. art. 516, § 3, 2de lid, WIB 92).
Leningscontracten gesloten in de periode van 1.1.1989 tot 31.12.1992
35. In die gevallen geldt eveneens de in nr 34 vermelde regel, met dien verstande dat het basisbedrag van 2.000.000 F (Bedrag vóór indexering; voor de geïndexeerde bedragen wordt inzonderheid verwezen naar de bijlage bij de instr. 29.6.1995, Ci.D.28/471.901) overeenkomstig art. 516, § 3, 3de lid, WIB 92 verhoogd wordt tot:
  • 2.100.000 F (Bedrag vóór indexering; voor de geïndexeerde bedragen wordt inzonderheid verwezen naar de bijlage bij de instr. 29.6.1995, Ci.D.28/471.901) indien de belastingplichtige 1 kind ten laste heeft;
  • 2.200.000 F (Bedrag vóór indexering; voor de geïndexeerde bedragen wordt inzonderheid verwezen naar de bijlage bij de instr. 29.6.1995, Ci.D.28/471.901) indien de belastingplichtige 2 kinderen ten laste heeft;
  • 2.400.000 F (Bedrag vóór indexering; voor de geïndexeerde bedragen wordt inzonderheid verwezen naar de bijlage bij de instr. 29.6.1995, Ci.D.28/471.901) indien de belastingplichtige 3 kinderen ten laste heeft;
  • 2.600.000 F (Bedrag vóór indexering; voor de geïndexeerde bedragen wordt inzonderheid verwezen naar de bijlage bij de instr. 29.6.1995, Ci.D.28/471.901) indien de belastingplichtige ten minste 4 kinderen ten laste heeft.
36. Om te bepalen of het basisbedrag van 2.000.000 F (Bedrag vóór indexering; voor de geïndexeerde bedragen wordt inzonderheid verwezen naar de bijlage bij de instr. 29.6.1995, Ci.D.28/471.901) kan worden verhoogd wordt rekening gehouden met het aantal kinderen ten laste op 1 januari van het jaar na dat waarin het leningscontract gesloten is (art. 516, § 3, 3de lid, WIB 92, dat naar § 2, 2de lid, van hetzelfde artikel verwijst).
37. Het bedrag van 2.000.000 F (Bedrag vóór indexering; voor de geïndexeerde bedragen wordt inzonderheid verwezen naar de bijlage bij de instr. 29.6.1995, Ci.D.28/471.901) kan dus ook verhoogd worden indien er kinderen geboren zijn tussen de datum waarop het leningscontract gesloten is en de 1ste januari die daarop volgt. De geboorte van kinderen na die 1ste januari zal daarentegen zonder invloed blijven.
Met andere woorden, het in aanmerking te nemen maximumbedrag wordt definitief vastgelegd op grond van het aantal kinderen ten laste op 1 januari van het jaar na dat waarin het leningscontract gesloten is en kan nadien niet meer verhoogd of verlaagd worden ten gevolge van wijzigingen in het aantal kinderen ten laste.
Leningscontracten gesloten na 31.12.1992
38. Overeenkomstig art. 145^19, 2de lid, WIB 92 is het grensbedrag ook hier vastgesteld op 2.000.000 F (Bedrag vóór indexering; voor de geïndexeerde bedragen wordt inzonderheid verwezen naar de bijlage bij de instr. 29.6.1995, Ci.D.28/471.901), in voorkomend geval te verhogen op de in de nrs 35 tot 37 uiteengezette wijze.
Met betrekking tot die na 31.12.1992 gesloten contracten, wordt eraan herinnerd dat de lening en de verzekering betrekking moeten hebben op de woning die bij het aangaan van de lening de enige woning van de belastingplichtige is.
D. Inwerkingtreding
39. De nieuwe regels betreffende de premies van individuele levensverzekeringen treden in werking met ingang van het aj. 1993; zij zijn derhalve van toepassing op de vanaf 1.1.1992 betaalde premies.
A. Algemeen
40. Het door art. 86, W 28.12.1992 ingevoegde art. 145^1, 3°, WIB 92, heeft betrekking op de betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van een hypothecaire lening die aangegaan is om een in België gelegen woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen en die gewaarborgd is door een tijdelijke verzekering bij overlijden met afnemend kapitaal. Het betreft hier nagenoeg een letterlijke overname van de tekst van het voormalige art. 81, 2°, WIB 92, zodat alle vroegere vereisten behouden blijven.
41. Daar art. 145^5, WIB 92 ook gewoon de tekst van het voormalige art. 83, WIB 92 overneemt, bevat het evenmin nieuwe voorwaarden m.b.t. de in aanmerking te nemen kapitaalaflossing.
Dit betekent dat, zoals voorheen:
het leningscontract en het verzekeringscontract een looptijd van ten minste 10 jaar moeten hebben en dat de verzekerde kapitalen bij het sluiten van het verzekeringscontract ten minste gelijk moeten zijn aan de geleende kapitalen;
de voordelen van het verzekeringscontract ten gunste van de schuldeiser, van de echtgenoot of van de bloedverwanten tot de tweede graad van de belastingplichtige bedongen moeten zijn.
42. Ook het principe dat het verzekerde kapitaal in alle gevallen beperkt mag worden tot de in de wet gestelde eerste schijf van het aanvangsbedrag van de lening, d.w.z. het maximumgedeelte van de lening dat voor het fiscaal voordeel (voortaan een belastingvermindering) in aanmerking kan komen, blijft ongewijzigd.
In dit verband wordt eraan herinnerd dat wanneer één enkele lening hoofdelijk en onverdeeld door beide echtgenoten aangegaan is, de gelijkwaardigheidsvoorwaarde tussen de verzekerde en de geleende kapitalen in globo beoordeeld moet worden; in dergelijk geval is het dus de som van de door elk van de echtgenoten verzekerde kapitalen die ten minste gelijk moet zijn aan het maximumbedrag van het geleende kapitaal dat voor het fiscaal voordeel in aanmerking kan worden genomen.
Wanneer de echtgenoten daarentegen elk afzonderlijk een hypothecaire lening hebben aangegaan, moet er voor elke lening afzonderlijk gelijkwaardigheid bestaan tussen het verzekerde kapitaal en het voor het fiscaal voordeel in aanmerking komende geleende kapitaal.
43. Eigenlijk vindt de enige echt te bespreken nieuwigheid zijn oorsprong in de samenlezing van art. 145^6, 2de lid, WIB 92, dat het opgeheven art. 84, § 2, 1ste lid, WIB 92 vervangt, en art. 516, § 1, WIB 92.
Uit die samenlezing volgt immers dat er inzake aflossingen van hypothecaire leningen, naast de gebruikelijke voorwaarden die steeds vervuld moeten zijn ongeacht de datum van het contract, nog bijzondere voorwaarden en grenzen gesteld zijn die verschillen naargelang de datum waarop het contract gesloten is. Daarom zal voortaan een onderscheid gemaakt worden naargelang de hypothecaire lening is aangegaan:
  • vóór 1.1.1989;
  • in de periode van 1.1.1989 tot 31.12.1992;
  • na 31.12.1992.
44. Dienaangaande wordt er aan herinnerd dat de datum van het afsluiten van de hypothecaire lening, die bepalend is voor de op fiscaal vlak geldende voorwaarden, steeds de (voor notaris verleden) authentieke akte is. Indien de lening evenwel is aangegaan ter vervanging van een bestaande lening (herfinancieringslening), is de datum van de oorspronkelijke lening bepalend.
45. Tenslotte mogen de art. 145^17, 145^19 en 516, §§ 2 en 3, WIB 92, die specifieke voorwaarden met betrekking tot de vermindering voor het bouwsparen bevatten, evenmin uit het oog verloren worden.
B. Voorwaarden en grenzen inzake het lange termijnsparen
1. Contracten gesloten vóór 1.1.1989
46. Alle voorheen gestelde voorwaarden blijven van toepassing voor de jaren 1993 en volgende.
Uitgaande van de veronderstelling dat er geen leningen meer lopen die vóór 1.1.1963 zijn aangegaan, betekent dit o.m. dat de lening moet aangegaan zijn voor het bouwen, het verwerven of het verbouwen van:
  • hetzij een sociale woning, een kleine landeigendom of een woning die er krachtens de Huisvestingscode mee gelijkgesteld is;
  • hetzij een woning die krachtens dezelfde Code als middelgroot beschouwd wordt.
47. Indien het een sociale woning betreft, mag de lening voor haar totale bedrag in aanmerking genomen worden.
48. Betreft het een middelgrote woning, dan mag de lening slechts ten belope van de eerste schijf van 400.000 F in aanmerking genomen worden.
Dat bedrag wordt evenwel op 2.000.000 F gebracht indien de lening ten vroegste op 1.5.1986 en ten laatste op 31.12.1988 is aangegaan om een in België gelegen woning te bouwen of in nieuwe staat te verwerven.
Een woning wordt geacht in nieuwe staat verworven te zijn wanneer zij door de verkoper met toepassing van de BTW aan de belastingplichtige is overgedragen.
49. Vanzelfsprekend moet de lening gewaarborgd zijn door een tijdelijke verzekering bij overlijden met afnemend kapitaal. Indien de lening betrekking heeft op een middelgrote woning mag het verzekerd aanvangskapitaal, volgens het in nr 48 gemaakte onderscheid, tot 400.000 F of tot 2.000.000 F beperkt worden.
2. Contracten gesloten in de periode van 1.1.1989 tot 31.12.1992
50. Naast het feit dat de lening gewaarborgd moet zijn door een tijdelijke verzekering bij overlijden met afnemend kapitaal, is sedert de hervormingswet van 1988, nog alleen vereist dat de hypothecaire lening moet aangegaan zijn om een in België gelegen woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen. Op dat vlak brengt de W 28.12.1992 geen wijzigingen aan.
51. Onder "woning" wordt een gebouw of een gedeelte van een gebouw verstaan, dat wegens zijn aard normaliter bestemd is om bewoond te worden, zoals inzonderheid een eengezinswoning of een appartement.
52. De bestemming van een gebouw als "woning" kan onder meer aangetoond worden aan de hand van het plan van aanleg, het bouwplan, de bouwvergunning, de clausules van de hypothecaire leningsakte, enz.
Wanneer een gebouw speciaal is ingericht of verbouwd om meerdere duidelijk van elkaar onderscheiden wooneenheden te vormen, wordt elk van die eenheden geacht een woning te zijn, zelfs indien het gebouw slechts één enkel kadastraal perceel uitmaakt.
53. Het feit dat de eigenaar de woning gedeeltelijk voor beroepsdoeleinden gebruikt is geen beletsel voor de toekenning van het fiscaal voordeel. In dergelijk geval moeten de kapitaalaflossingen ook niet beperkt worden in verhouding tot het gedeelte van de woning, dat voor privé-doeleinden wordt gebruikt.
54. Het in aanmerking te nemen bedrag van de lening wordt beperkt tot 2.000.000 F (Bedrag vóór indexering; voor de geïndexeerde bedragen wordt inzonderheid verwezen naar de bijlage bij de instr. 29.6.1995, Ci.D.28/471.901) per woning. Deze grens is dezelfde als die welke voorheen in (het thans opgeheven) art. 84, § 2, 1ste lid, WIB 92 vastgelegd was.
55. Overeenkomstig de huidige tekst van art. 516, § 1, 2°, WIB 92, mag dit bedrag van 2.000.000 F (Bedrag vóór indexering; voor de geïndexeerde bedragen wordt inzonderheid verwezen naar de bijlage bij de instr. 29.6.1995, Ci.D.28/471.901) in het kader van het lange termijnsparen nooit verhoogd worden in functie van het aantal kinderen ten laste (Daar de verhoging van het bedrag van 2.000.000 F in functie van de kinderlast, zoals voorheen (cf. het opgeheven art. 84, § 2, 2de lid, WIB 92), verbonden blijft aan de voorwaarde dat de desbetreffende woning recht geeft op de woningaftrek, vindt die verhoging voortaan slechts toepassing in het kader van de verhoogde vermindering voor het bouwsparen (zie nr 58 hierna)).
3. Contracten gesloten na 31.12.1992
56. Ook de na 31.12.1992 aangegane hypothecaire leningen moeten het bouwen, het verwerven of het verbouwen van een in België gelegen woning tot doel hebben.
57. Wat de vermindering voor het lange termijnsparen (Het betreft hier leningen die betrekking hebben op een woning die, bij het aangaan van die leningen, niet de enige woning van de belastingplichtige was.) betreft, is het in aanmerking te nemen bedrag van de lening eveneens beperkt tot 2.000.000 F (Bedrag vóór indexering; voor de geïndexeerde bedragen wordt inzonderheid verwezen naar de bijlage bij de instr. 29.6.1995, Ci.D.28/471.901) per woning.
C. Voorwaarden en grenzen inzake het bouwsparen
1. Algemeen
58. Opdat de betalingen voor de aflossing of de wedersamenstelling van hypothecaire leningen recht zouden geven op de vermindering voor het bouwsparen, moeten, bovenop de voor de vermindering voor het lange termijnsparen gestelde voorwaarden, nog bepaalde specifieke voorwaarden vervuld zijn die verschillen naargelang de datum waarop het contract gesloten is.
De hypothecaire lening moet immers betrekking hebben op een in België gelegen woning die:
  • ofwel recht geeft op de in art. 16, WIB 92 bedoelde woningaftrek, indien het leningsrecht werd aangegaan in de periode van 1.1.1963 tot 31.12.1992 (cf. art. 516, § 2, WIB 92);
  • ofwel bij het afsluiten van de lening de enige woning van de belastingplichtige is, indien het leningscontract na 31.12.1992 is aangegaan (cf. art. 145^17, WIB 92).
Daar die voorwaarden dezelfde zijn als die welke inzake de vermindering voor het bouwsparen gelden m.b.t. de premies van individuele levensverzekeringen die tot waarborg van een hypothecaire lening dienen, wordt mutatis mutandis naar het bepaalde in de nrs 24 tot 29 verwezen.
De aandacht wordt er tenslotte nog op gevestigd dat het gedeelte van de betalingen voor de aflossing of de wedersamenstelling van een hypothecaire lening dat, wegens het overschrijden van de ter zake gestelde grenzen, niet in aanmerking komt voor de vermindering voor het bouwsparen, in tegenstelling tot wat het geval is met de individuele levensverzekeringspremies, evenmin in aanmerking komt voor de vermindering voor het lange termijnsparen.
2. Contracten gesloten vóór 1.1.1993
59. Naast het bepaalde in de nrs 46 tot 53 hiervoor, dat hier eveneens van toepassing is, moet de lening daarenboven betrekking hebben op een woning waarvoor de belastingplichtige recht heeft op de woningaftrek.
60. Wat dergelijke in de periode van 1.1.1989 tot 31.12.1992 aangegane leningen betreft, wordt het voor de vermindering voor het bouwsparen in aanmerking te nemen maximumbedrag van 2.000.000 F (Bedrag vóór indexering; voor de geïndexeerde bedragen wordt inzonderheid verwezen naar de bijlage bij de instr. 29.6.1995, Ci.D.28/471.901), in tegenstelling tot wat in nr 55 is gesteld m.b.t. de vermindering voor het lange termijnsparen, overeenkomstig art. 516, § 2, 2de lid, WIB 92 verhoogd tot:
  • 2.100.000 F (Bedrag vóór indexering; voor de geïndexeerde bedragen wordt inzonderheid verwezen naar de bijlage bij de instr. 29.6.1995, Ci.D.28/471.901) indien de belastingplichtige 1 kind ten laste heeft;
  • 2.200.000 F (Bedrag vóór indexering; voor de geïndexeerde bedragen wordt inzonderheid verwezen naar de bijlage bij de instr. 29.6.1995, Ci.D.28/471.901) indien de belastingplichtige 2 kinderen ten laste heeft;
  • 2.400.000 F (Bedrag vóór indexering; voor de geïndexeerde bedragen wordt inzonderheid verwezen naar de bijlage bij de instr. 29.6.1995, Ci.D.28/471.901) indien de belastingplichtige 3 kinderen ten laste heeft;
  • 2.600.000 F (Bedrag vóór indexering; voor de geïndexeerde bedragen wordt inzonderheid verwezen naar de bijlage bij de instr. 29.6.1995, Ci.D.28/471.901) indien de belastingplichtige meer dan 3 kinderen ten laste heeft.
Deze bedragen zijn dezelfde als die welke in nr 35 vermeld zijn met betrekking tot de levensverzekeringspremies die uitsluitend dienen voor het wedersamenstellen of het waarborgen van hypothecaire leningen die in de periode van 1.1.1989 tot 31.12.1992 aangegaan zijn.
Om te bepalen of het basisbedrag van 2.000.000 F (Bedrag vóór indexering; voor de geïndexeerde bedragen wordt inzonderheid verwezen naar de bijlage bij de instr. 29.6.1995, Ci.D.28/471.901) kan worden verhoogd moet rekening gehouden worden met het aantal kinderen ten laste op 1 januari van het jaar na dat waarin het leningscontract gesloten is (art. 516, § 2, 2de lid, WIB 92). Dienaangaande kan zonder meer naar de nrs 36 en 37 verwezen worden.
3. Contracten gesloten na 31.12.1992
61. In dit geval moet de lening betrekking hebben op de woning die bij het aangaan van de lening de enige woning van de belastingplichtige is (zie dienaangaande ook het bepaalde in nr 29)
Wat het voor de verhoogde vermindering voor het bouwsparen in aanmerking te nemen maximumbedrag van de lening betreft, wordt verwezen naar het bepaalde in nr 38 dat mutatis mutandis van toepassing is op de kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen.
D. Inwerkingtreding
62. De nieuwe regels betreffende de kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen treden in werking met ingang van het aj. 1993; zij zijn dus van toepassing op de vanaf 1.1.1992 betaalde sommen.
VI. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPERKING VAN DE LEVENSVERZEKERINGSPREMIES EN DE KAPITAALAFLOSSINGEN IN FUNCTIE VAN HET INKOMEN
63. Het voormalige art. 84, § 1, WIB 92 bepaalde dat de in het toenmalige art. 81, 1° en 2°, WIB 92 vermelde bijdragen en betalingen (d.w.z. de premies van individuele levensverzekeringen en de kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen) slechts aftrekbaar waren ten belope van 15 % van de eerste schijf van 50.000 F (bedrag vóór indexering) van het totale beroepsinkomen en 6 % van het overige, zonder dat de totale aftrek hoger mocht zijn dan 60.000 F (bedrag vóór indexering).
64. Art. 145^6, 1ste lid, WIB 92 herneemt die grenzen (zie dienaangaande ook art. 145^20, 1ste lid, WIB 92) die, zoals voorheen, beoordeeld worden per echtgenoot en berekend worden op de gezamenlijk belaste nettoberoepsinkomsten van ieder van hen (dus met uitsluiting van de overeenkomstig art. 171, WIB 92 afzonderlijk belaste inkomsten), zoals die inkomsten zijn vastgesteld:
  • na aftrek van de beroepskosten, de economische vrijstellingen (nl. de vrijstelling voor bijkomend personeel voor wetenschappelijk onderzoek en de investeringsaftrek en de beroepsverliezen;
  • in voorkomend geval, na de toekenning van een meewerkinkomen aan de meewerkende echtgenoot en/of na de toerekening van een huwelijksquotiënt.
De aldus beperkte premies en aflossingen worden wel te verstaan niet meer in mindering gebracht van de beroepsinkomsten waarop ze berekend zijn, maar worden in een later stadium in aanmerking genomen voor het bepalen van de toepasselijke belastingvermindering.
65. Vóór de inwerkingtreding van de W 28.12.1992 voorzag art. 516, § 2, WIB 92 (dat zelf zijn oorsprong vond in art. 40, § 3 van de hervormingswet van 1988) in een mechanisme dat ertoe strekte bepaalde nadelige gevolgen te verzachten, die de verruiming van het stelsel van de toekenning van een meewerkinkomen en de invoering van de toerekening van een huwelijksquotiënt bij de toekennende of toerekenende echtgenoot konden hebben.
De toekenning van een meewerkinkomen en de toerekening van een huwelijksquotiënt hebben immers tot gevolg dat de beroepsinkomsten, waarop de grenzen van 15 en 6 % inzake individuele levensverzekeringspremies en kapitaalaflossingen berekend worden, verlagen, zodat ook het fiscaal voordeel, waarop de belastingplichtige aanspraak had kunnen maken, vermindert.
Teneinde die belastingplichtigen niet te benadelen en hen niet te verplichten de vóór 1.1.1989 gesloten contracten te splitsen, werd, binnen bepaalde perken, toegestaan dat de sommen die niet in aanmerking konden genomen worden bij de ene echtgenoot, wel in aanmerking konden genomen worden bij de andere echtgenoot.
66. Vorenbedoeld mechanisme is thans opnieuw opgenomen in art. 516, WIB 92 doch dit maal onder § 4, en is, zoals voorheen, uitsluitend van toepassing voor contracten die vóór 1.1.1989 gesloten zijn.
67.
Die overgangsbepaling geldt slechts onder de volgende voorwaarden:
de belastingplichtige moet een gedeelte van zijn beroepsinkomen aan zijn meewerkende echtgenoot toegekend hebben (art. 86, 1ste lid, WIB 92) of er moet een deel van zijn beroepsinkomen als huwelijksquotiënt aan zijn echtgenoot toegerekend zijn (art. 87 en 88, WIB 92);
de levensverzekeringspremies of kapitaalaflossingen die voor de toekenning van de belastingvermindering voor het lange termijnsparen en/of het bouwsparen in aanmerking komen, moeten betrekking hebben op contracten die:
  • vóór 1.1.1989 gesloten zijn;
  • uitsluitend op naam van de betrokken belastingplichtige gesloten zijn (en dus niet uitgesplitst op het hoofd van elke echtgenoot);
de beperking van de voor belastingvermindering in aanmerking komende premies en kapitaalaflossingen moet daadwerkelijk het gevolg zijn van de toekenning van een meewerkinkomen of van de toerekening van een huwelijksquotiënt.
68. Art. 516, § 4, WIB 92 stelt uitdrukkelijk dat de sommen die ingevolge art. 145^6, 1ste lid, WIB 92 bij de betrokken echtgenoot geen aanleiding geven tot een vermindering of een verhoogde vermindering, binnen diezelfde in art. 145^6, 1ste lid, WIB 92 gestelde grenzen recht geven op een bijkomende vermindering ten gunste van de andere echtgenoot. Dit betekent o.m. dat de toepassing van de overgangsmaatregel bij die andere echtgenoot niet tot gevolg mag hebben dat het totale bedrag van de in aanmerking te nemen levensverzekeringspremies en kapitaalaflossingen de grenzen van 15 en 6 % van zijn beroepsinkomen of het absolute maximum van 60.000 F (Bedrag vóór indexering; voor de geïndexeerde bedragen wordt inzonderheid verwezen naar de bijlage bij de instr. 29.6.1995, Ci.D.28/471.901) overschrijden.
69. Verder houdt de ratio legis in dat naar die andere echtgenoot geen hoger bedrag kan worden overgeheveld dan het verschil tussen:
  • enerzijds, het overeenkomstig art. 145^6, 1ste lid, WIB 92 bepaalde totale bedrag van de levensverzekeringspremies en kapitaalaflossingen dat bij de schuldenaar ervan voor de toekenning van de belastingvermindering in aanmerking zou genomen zijn indien hij geen toekenning aan zijn meewerkende echtgenoot had gedaan of indien er geen toerekening van het huwelijksquotiënt was geweest;
  • anderzijds, het bedrag dat bij diezelfde belastingplichtige effectief voor de toekenning van de belastingvermindering in aanmerking genomen is.
Voorbeeld
70. Een gehuwde belastingplichtige heeft in 1985 een individueel levensverzekeringscontract gesloten waarvan de premies recht geven op een belastingvermindering. In 1994 betaalde hij een premie van 70.000 F.
Voor het aj. 1995 (inkomsten van het jaar 1994) bedragen de nettoberoepsinkomsten van de man, vóór toepassing van het huwelijksquotiënt, 1.000.000 F. De vrouw heeft geen eigen beroepsinkomsten.
Overeenkomstig de art. 87 en 88, WIB 92 moet een gedeelte van de beroepsinkomsten van de man, nl. 297.000 F, als huwelijksquotiënt aan de echtgenote toegerekend worden.
De grondslag voor de berekening van de op de levensverzekeringspremie toepasselijke grenzen van 15 % en 6 %, bedraagt bij de man:
1.000.000 - 297.000 = 703.000 F
Het maximumbedrag van de bij de man in aanmerking te nemen premie is gelijk aan:
- 55.000 x 15 % = 8.250 F - (703.000 - 55.000)x 6 % = 38.880 F -------- - totaal: 47.130 F
Indien er aan de echtgenote geen huwelijksquotiënt was toegerekend, zou de berekeningsgrondslag bij de man 1.000.000 F bedragen hebben en zou het maximumbedrag van de in aanmerking te nemen premie 64.950 F hebben bedragen (dit bedrag is lager dan de voor het aj. 1995 geldende absolute grens van 66.000 F), nl.:
- 55.000 x 15 % = 8.250 F - (1.000.000 - 55.000)x 6 % = 56.700 F -------- - totaal: 64.950 F
Ingevolge de toerekening van het huwelijksquotiënt kan bij de man dus 17.820 F (nl. 64.950 - 47.130) minder in aanmerking genomen worden voor de toepassing van de belastingvermindering.
Bij de vrouw bedraagt de principiële maximumgrens inzake levensverzekeringspremies en kapitaalaflossingen 22.770 F, nl.:
- 55.000 x 15 % = 8.250 F - (297.000 - 55.000)x 6 % = 14.520 F -------- - totaal: 22.770 F
Indien de vrouw in 1994 zelf een levensverzekeringspremie had betaald van 4.000 F, zou het op de belastingvermindering rechtgevende bedrag aan premies bij haar als volgt zijn bepaald:
- eigen levensverzekeringspremie: 4.000 F - gedeelte van de levensverzekeringspremie van de man dat bij hem niet in aanmerking kon genomen worden ingevolge de toerekening van het huwelijksquotiënt: 17.820 F -------- - totaal: 21.820 F
Indien zij daarentegen in 1994 een levensverzekeringspremie van 7.000 F had betaald, zou het op de belastingvermindering recht gevende bedrag aan premies voor het aj. 1995 als volgt moeten worden bepaalt:
- eigen levensverzekeringspremie: 7.000 F - gedeelte van de levensverzekeringspremie van de man dat bij hem niet in aanmerking kon genomen worden ingevolge de toerekening van het huwelijksquotiënt: 17.820 F -------- - totaal: 24.820 F
evenwel te beperken tot het in haren hoofde toegelaten maximum, zijnde 22.770 F.
71. In de praktijk moeten de belastingplichtigen geen enkele berekening maken, aangezien die bewerkingen door de computer van de administratie worden uitgevoerd op basis van de gegevens vermeld in de aangifte PB, waar een duidelijk onderscheid is gemaakt tussen de vóór en de vanaf 1.1.1989 gesloten contracten.
VIII. VOLGORDE WAARIN DE LEVENSVERZEKERINGSPREMIES EN DE KAPITAALAFLOSSINGEN IN AANMERKING MOETEN GENOMEN WORDEN
A. Algemeen
72. Art. 145^20, 2de lid, WIB 92 stelt dat wanneer de vermindering voor het lange termijnsparen en de vermindering voor het bouwsparen inzake levensverzekeringspremies en kapitaalaflossingen gelijktijdig van toepassing zijn, er voor de toepassing van de percentages van 15 % en 6 %, en van de absolute grens van 60.000 F (Bedrag vóór indexering; voor de geïndexeerde bedragen wordt inzonderheid verwezen naar de bijlage bij de instr. 29.6.1995, Ci.D.28/471.901) voorrang moet worden gegeven aan de bijdragen en betalingen die recht geven op de verhoogde vermindering.
73. Rekening houdende met de in de nrs 65 tot 70 uiteengezette overgangsbepaling, waardoor het gedeelte van die bijdragen en betalingen dat ingevolge de toekenning van een meewerkinkomen of de toerekening van een huwelijksquotiënt niet in aanmerking genomen kan worden bij de echtgenoot die de uitgaven gedaan heeft naar de andere echtgenoot mag worden overgeheveld, moeten die bijdragen en betalingen als volgt ingedeeld worden:
die welke recht geven op de verhoogde vermindering maar niet naar de andere echtgenoot kunnen overgeheveld worden;
die welke recht geven op de verhoogde vermindering en wel naar de andere echtgenoot kunnen overgeheveld worden;
die welke recht geven op de gewone vermindering maar niet naar de andere echtgenoot kunnen overgeheveld worden;
die welke recht geven op de gewone vermindering en wel naar de andere echtgenoot kunnen overgeheveld worden.
B. Uitgaven die recht geven op de verhoogde vermindering maar niet naar de andere echtgenoot kunnen overgeheveld worden
74.
Het gaat hier om:
  • de premies van vanaf 1.1.1989 gesloten individuele levensverzekeringscontracten die er uitsluitend toe strekken een hypothecaire lening weder samen te stellen of te waarborgen die:
a)
in de periode van 1.1.1989 tot 31.12.1992 is aangegaan om een woning te verwerven of te (ver)bouwen die recht geeft op de woningaftrek;
b)
na 31.12.1992 is aangegaan om een in België gelegen woning te verwerven of te (ver)bouwen die bij het aangaan van de lening de enige woning van de belastingplichtige was,
in de mate dat zij betrekking hebben op de eerste schijf van 2.000.000 F, 2.100.000 F, 2.200.000 F, 2.400.000 F of 2.600.000 F (Bedrag vóór indexering; voor de geïndexeerde bedragen wordt inzonderheid verwezen naar de bijlage bij de instr. 29.6.1995, Ci.D.28/471.901) van het verzekerd bedrag van de lening, naargelang de belastingplichtige op 1 januari van het jaar na het afsluiten van de lening geen, 1, 2, 3, of meer dan 3 kinderen ten laste had (codes 351 en 371 van de aangifte PB - aj. 1995);
  • de kapitaalaflossingen van een door een schuldsaldoverzekering gewaarborgde hypothecaire lening die:
a)
in de periode van 1.1.1989 tot 31.12.1992 is aangegaan om een woning te verwerven of te (ver)bouwen die recht geeft op de woningaftrek;
b)
na 31.12.1992 is aangegaan om een in België gelegen woning te verwerven of te (ver)bouwen die bij het aangaan van de lening de enige woning van de belastingplichtige was,
in de mate dat zij betrekking hebben op de eerste schijf van 2.000.000 F, 2.100.000 F, 2.200.000 F, 2.400.000 F of 2.600.000 F (Bedragen vóór indexering; voor de geïndexeerde bedragen wordt inzonderheid verwezen naar de bijlage bij de instr. 29.6.1995, Ci.D.28/471.901) van de lening, naargelang de belastingplichtige op 1 januari van het jaar na het afsluiten van de lening geen, 1, 2,3 of meer dan 3 kinderen ten laste had (codes 355 en 375 van de aangifte PB - aj. 1995).
C. Uitgaven die recht geven op de verhoogde vermindering en naar de andere echtgenoot kunnen overgeheveld worden
75.
Het betreft:
  • de premies van vóór 1.1.1989 gesloten individuele levensverzekeringscontracten die er uitsluitend toe strekken een hypothecaire lening weder samen te stellen of te waarborgen die is aangegaan om een woning te verwerven of te (ver)bouwen die recht geeft op de woningaftrek, in de mate dat zij betrekking hebben op de eerste schijf van 2.000.000 F van het verzekerd bedrag van de lening (codes 352 en 372 van de aangifte PB - aj. 1995);
  • de kapitaalaflossingen van een door een schuldsaldoverzekering gewaarborgde hypothecaire lening die vóór 1.1.1989 is aangegaan om een sociale woning te verwerven of te (ver)bouwen die recht geeft op de woningaftrek (codes 356 en 376 van de aangifte PB - aj. 1995);
  • de kapitaalaflossingen van een door een schuldsaldoverzekering gewaarborgde hypothecaire lening die vóór 1.1.1989 is aangegaan om een middelgrote woning te verwerven of te (ver)bouwen die recht geeft op de woningaftrek, in de mate dat zij betrekking hebben op de eerste schijf van:
a)
2.000.000 F, wat de leningen betreft die in de periode van 1.5.1986 tot 31.12.1988 zijn aangegaan om een dergelijke middelgrote woning te bouwen of in nieuwe staat te verwerven;
b)
400.000 F, wat de niet onder a) bedoelde leningen betreft die zijn aangegaan om een dergelijk middelgrote woning te kopen, te bouwen of te verbouwen
(codes 357 en 377 van de aangifte PB - aj. 1995).
D. Uitgaven die recht geven op de gewone vermindering maar niet naar de andere echtgenoot kunnen overgeheveld worden
76.
Het betreft hier:
  • de premies van in nr 74 bedoelde individuele levensverzekeringscontracten, in de mate dat zij geen recht geven op de verhoogde vermindering voor het bouwsparen (codes 353 en 373 van de aangifte PB - aj. 1995);
  • de premies van niet in nr 74 bedoelde individuele levensverzekeringscontracten die vanaf 1.1.1989 zijn gesloten en recht geven op een belastingvermindering, inzonderheid premies van levensverzekeringscontracten die geen betrekking hebben op een woning, die betrekking hebben op een woning die niet beoogd is in nr 74, eerste gedachtenstreep, litt. a) of b), of die niet uitsluitend op een dergelijke woning betrekking hebben (codes 353 en 373 van de aangifte PB - aj. 1995);
  • de kapitaalaflossingen van een door een schuldsaldoverzekering gewaarborgde hypothecaire lening die:
a)
in de periode van 1.1.1989 tot 31.12.1992 is aangegaan om een woning te verwerven of te (ver)bouwen die geen recht geeft op de woningaftrek;
b)
na 31.12.1992 is aangegaan om een in België gelegen woning te verwerven of te (ver)bouwen die bij het aangaan van de lening niet de enige woning van de belastingplichtige was,
in de mate dat zij betrekking hebben op de eerste schijf van 2.000.000 F (Bedrag vóór indexering; voor de geïndexeerde bedragen wordt inzonderheid verwezen naar de bijlage bij de instr. 29.6.1995, Ci.D.28/471.901) van de lening (codes 358 en 378 van de aangifte PB - aj. 1995).
E. Uitgaven die recht geven op de gewone vermindering en naar de andere echtgenoot kunnen overgeheveld worden
77.
Het gaat hier om:
  • de premies van in nr 75 bedoelde individuele levensverzekeringscontracten, in de mate dat zij geen recht geven op de verhoogde vermindering voor het bouwsparen (codes 354 en 374 van de aangifte PB - aj. 1995);
  • de premies van niet in nr 75 bedoelde individuele levensverzekeringscontracten die vóór 1.1.1989 zijn gesloten en recht geven op een belastingvermindering, inzonderheid premies van levensverzekeringscontracten die geen betrekking hebben op een woning, die betrekking hebben op een woning die geen recht geeft op de woningaftrek of die niet uitsluitend op een dergelijke woning betrekking hebben (codes 354 en 374 van de aangifte PB - aj. 1995);
  • de kapitaalaflossingen van een door een schuldsaldoverzekering gewaarborgde hypothecaire lening die vóór 1.1.1989 is aangegaan om een sociale woning te verwerven of te (ver)bouwen die geen recht geeft op de woningaftrek (codes 359 en 379 van de aangifte PB - aj. 1995);
  • de kapitaalaflossingen van een door een schuldsaldoverzekering gewaarborgde hypothecaire lening die vóór 1.1.1989 is aangegaan om een middelgrote woning te verwerven of te (ver)bouwen die geen recht geeft op de woningaftrek, in de mate dat zij betrekking hebben op de eerste schijf van:
a)
2.000.000 F, wat de leningen betreft die in de periode van 1.5.1986 tot 31.12.1988 zijn aangegaan om een dergelijke middelgrote woning te bouwen of in nieuwe staat te verwerven;
b)
400.000 F, wat de niet onder a) bedoelde leningen betreft die zijn aangegaan om een dergelijke middelgrote woning te kopen, te bouwen of te verbouwen
(codes 360 en 380 van de aangifte PB aj. 1995).
F. Te volgen werkwijze
78. Na het maximumbedrag van de levensverzekeringspremies en de kapitaalaflossingen te hebben bepaald dat, rekening houdende met de grenzen van 15 % en 6 % en met het absolute maximum van 60.000 F (bedrag vóór indexering), in aanmerking mag genomen worden voor de toekenning van de gewone en de verhoogde belastingvermindering, moet dit maximumbedrag in de in nr 73 aangegeven volgorde aangewend worden.
Op die manier wordt aan de belastingplichtige, binnen de perken van de wet, het maximale fiscale voordeel gewaarborgd waarop hij aanspraak kan maken.
G. Aard van de overgehevelde sommen
79. De aandacht wordt erop gevestigd dat de sommen die, ingevolge de in de nrs 65 tot 71 besproken overgangsbepaling, van de ene naar de andere echtgenoot overgeheveld worden, hun oorspronkelijke aard behouden, d.w.z. dat het bij voortduur gaat om sommen die, naargelang van het geval, recht geven op de gewone vermindering of op de verhoogde vermindering.
H. Voorbeeld
80. Wat de beroepsinkomsten en de gezinstoestand betreft, wordt uitgegaan van dezelfde gegevens als in het voorbeeld onder nr 70.
De man heeft in het jaar 1994 de volgende sommen betaald:
a) kapitaalaflossingen m.b.t. een sociale woning (lening aangegaan in 1982), die recht geven op de verhoogde vermindering: 45.000 F b) een levensverzekeringspremie betreffende een in 1988 gesloten contract, die recht geeft of de gewone vermindering: 5.000 F c) een levensverzekeringspremie betreffende een in 1992 gesloten contract, die recht geeft op de gewone vermindering: 20.000 F -------- d) totaal: 70.000 F
Aangezien zijn nettoberoepsinkomen na toerekening van het huwelijksquotiënt 703.000 F (nl. 1.000.000 - 297.000) bedraagt, is het maximumbedrag van de bij de man in aanmerking te nemen premies en aflossingen gelijk aan:
- 55.000 x 15 % = 8.250 F - (703.000 - 55.000)x 6 % = 38.880 F -------- - totaal: 47.130 F
Rekening houdende met de in nr 73 hiervoor bepaalde volgorde, moet dit maximumbedrag van 47.130 F als volgt aangewend worden:
a) de kapitaalaflossingen m.b.t. de sociale woning (lening aangegaan in 1982), die recht geeft op de verhoogde vermindering: 45.000 F b) de levensverzekeringspremie betreffende een in 1992 gesloten contract, die recht geeft op de gewone vermindering, te beperken tot: 2.130 F -------- c) totaal: 47.130 F
Uit het voorbeeld onder nr 70 blijkt dat, ingevolge de toerekening van het huwelijksquotiënt, bij de man 17.820 F minder in aanmerking kan genomen worden voor de toepassing van de belastingvermindering.
Van dit bedrag van 17.820 F kan evenwel slechts 5.000 F, zijnde de op de gewone vermindering recht gevende levensverzekeringspremie van het in 1988 gesloten contract, naar de vrouw overgeheveld worden. Na het in aanmerking nemen van het maximumbedrag van 47.130 F bij de man, is dit immers het enig resterende bestanddeel dat kan overgeheveld worden.
Bij de vrouw wordt dit bedrag van 5.000 F gelijkgesteld met een eigen uitgave die recht geeft op de gewone vermindering, althans voor zover dit bedrag, samen met de andere levensverzekeringspremies en kapitaalaflossingen van de vrouw, de grenzen van 15 % en 6 % en het maximum van 66.000 F (bedrag geldend voor het aj. 1995) niet overschrijdt (cf. nr 68).
81. Overeenkomstig het voormalige art. 81, 3°, WIB 92 waren de betalingen in geld voor aandelen waarop de belastingplichtige als werknemer ingeschreven heeft en die een fractie vertegenwoordigen van het maatschappelijk kapitaal van de binnenlandse vennootschap die de belastingplichtige tewerkstelt of waarvan de vennootschap-werkgeefster onweerlegbaar geacht wordt een dochter- of kleindochteronderneming te zijn, aftrekbaar van het totale beroepsinkomen.
De aftrek van die betalingen werd door het toenmalige art. 85, § 1, 1ste lid, WIB 92 evenwel beperkt tot 20.000 F (bedrag vóór indexering) per belastbaar tijdperk.
82. Krachtens art. 145^1, 4°, WIB 92, dat het oude art. 81, 3°, WIB 92 nagenoeg letterlijk overneemt, komen de desbetreffende betalingen voortaan in aanmerking voor de vermindering voor het lange termijnsparen. De voorheen in art. 85, WIB 92 gestelde voorwaarden en grenzen zijn op hun beurt grotendeels door art. 145^7, WIB 92 overgenomen.
De huidige richtlijnen betreffende die materie blijven dan ook ongewijzigd van toepassing, inzonderheid wat de naleving van de gestelde voorwaarden en grenzen betreft, met dien verstande dat het fiscaal voordeel niet langer wordt toegekend in de vorm van een aftrek van het totale beroepsinkomen, maar wel in de vorm van een belastingvermindering voor het lange termijnsparen.
83. Art. 145^14, WIB 92 sluit, zoals voorheen, voor de belastingplichtige de mogelijkheid uit om tegelijkertijd een fiscaal voordeel te verkrijgen voor, enerzijds, de sommen die besteed worden aan de verwerving van aandelen van de vennootschap-werkgeefster en, anderzijds, de sommen die aan het pensioensparen besteed worden.
84. De nieuwe bepalingen inzake de toekenning van een belastingvermindering voor de verwerving van aandelen van de vennootschap-werkgeefster, treden in werking met ingang van het aj. 1993; ze zijn derhalve van toepassing op de vanaf 1.1.1992 gedane verwervingen.
85. Voorheen regelden de art. 117 tot 125, WIB 92 de voorwaarden waaraan de in het kader van het pensioensparen gestorte sommen moesten voldoen opdat de persoon die ze betaald had ze als personaliseerbare bestedingen van zijn totale netto-inkomen kon aftrekken.
86. Die bepalingen zijn opgeheven door art. 85, W 28.12.1992, maar de inhoud ervan is grotendeels hernomen in de art. 145^8 tot 145^16, WIB 92, zodat de huidige richtlijnen van kracht blijven, met dien verstande dat de desbetreffende sommen niet langer van het totale netto-inkomen aftrekbaar zijn, maar overeenkomstig art. 145^1, 5°, WIB 92 - binnen de bestaande grens van 20.000 F (bedrag vóór indexering) en onder voorbehoud van het bepaalde in nr 83 - recht geven op een belastingvermindering voor het lange termijnsparen.
87. De nieuwe bepalingen inzake de belastingvermindering voor het pensioensparen treden in werking met ingang van het aj. 1993; ze zijn derhalve van toepassing op de vanaf 1.1.1992 betaalde sommen.
A. Algemeen
88. De vermindering voor het lange termijnsparen wordt, per echtgenoot, vastgesteld door de "bijzondere gemiddelde aanslagvoet" toe te passen op het geheel van de uitgaven voor het lange termijnsparen, met uitzondering van die welke voor de verhoogde vermindering voor het bouwsparen in aanmerking komen. Die aanslagvoet mag evenwel niet lager zijn dan 30 %, noch meer bedragen dan 40 %.
89. Bij gehuwde belastingplichtigen wordt die vermindering voor elke echtgenoot afzonderlijk vastgesteld, rekening houdende met zijn eigen of als dusdanig beschouwde uitgaven.
B. Beoogde uitgaven
90. Tot de categorie van de uitgaven voor het lange termijnsparen behoren:
de persoonlijke bijdragen in een groepsverzekering of een pensioenfonds (regeling van toepassing met ingang van het aj. 1994);
de betalingen in geld voor het verwerven van aandelen van de vennootschap-werkgeefster;
de stortingen gedaan in het kader van het pensioensparen.
Mits zij niet als "uitgaven voor het bouwsparen" kunnen aangemerkt worden (zie nr 101 hierna), komen daar nog bij:
de premies van individuele levensverzekeringen;
5° de kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen die door een
schuldsaldoverzekering gewaarborgd zijn.
91. Elke soort van uitgave mag wel te verstaan slechts in aanmerking genomen worden binnen de grenzen die er specifiek op van toepassing zijn.
In dit verband wordt eraan herinnerd dat de onder nr 90, 2° en 3°, bedoelde uitgaven (waarvan er slechts één tegelijkertijd in aanmerking komt) niet meer mogen bedragen dan 20.000 F (bedrag vóór indexering), terwijl de onder nr 90, 4° en 5° bedoelde uitgaven samen noch de grenzen van 15 % en 6 % van het inkomen, noch het maximumbedrag van 60.000 F (bedrag vóór indexering) mogen overschrijden. Voor gehuwden gelden deze grenzen voor elke echtgenoot afzonderlijk.
C. Berekening van de bijzondere gemiddelde aanslagvoet
92. Art. 145^2, 1ste lid, WIB 92 bepaalt dat de vermindering voor het lange termijnsparen berekend wordt tegen een bijzondere gemiddelde aanslagvoet die overeenstemt met de belasting die overeenkomstig de art. 130, 131 en 134, 1ste en 3de lid, WIB 92 berekend wordt op het geheel van de belastbare inkomsten, met uitzondering van de inkomsten die ingevolge art. 171, WIB 92 afzonderlijk belast worden.
Het 2de lid van art. 145^2, WIB 92 stelt verder dat de aanslagvoet die van toepassing is op de uitgaven die ten name van elke echtgenoot voor belastingvermindering in aanmerking komen, voor elke echtgenoot afzonderlijk vastgesteld wordt met inachtneming van de bepalingen van art. 127, WIB 92.
93. In de praktijk kan de bijzondere gemiddelde aanslagvoet als volgt worden vastgesteld:
a)
de basisbelasting berekenen op het (gezamenlijk) belastbare inkomen, d.w.z. op het GBI, wat de alleenstaanden betreft, en op het afgezonderd beroepsinkomen, enerzijds, en het resterend gezinsinkomen, anderzijds, wat de echtgenoten betreft;
b)
de belasting berekenen op het basisbedrag van de belastingvrije som, zijnde 165.000 F (Bedragen vóór indexering; voor de geïndexeerde bedragen wordt inzonderheid verwezen naar de bijlage bij de instr. 29.6.1995, Ci.D.28/471.901) voor een alleenstaande en 130.000 F (Bedragen vóór indexering; voor de geïndexeerde bedragen wordt inzonderheid verwezen naar de bijlage bij de instr. 29.6.1995, Ci.D.28/471.901) voor elke echtgenoot (Wanneer één van de belastbare grondslagen van de echtgenoten kleiner is dan het erop aan te rekenen basisbedrag van de belastingvrije som en het saldo op de andere grondslag wordt aangerekend, moet hiermede evenwel rekening gehouden worden bij de uitvoering van de sub b vermelde berekening.);
c)
het verschil maken tussen a) en b) (voor gezinnen moet dit verschil voor elke echtgenoot afzonderlijk worden gemaakt);
d)
het verschil sub c vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller gelijk is aan 100 en de noemer, naargelang van het geval, gelijk is, hetzij aan het GBI (wat de alleenstaanden betreft), hetzij aan het afgezonderd beroepsinkomen, hetzij aan het resterend gezinsinkomen (wat de echtgenoten betreft);
e)
het onder d) bekomen resultaat afronden op één cijfer na de komma, waarbij de tweede en volgende decimalen zonder meer weggelaten worden.
94. Tenslotte moet de aldus verkregen aanslagvoet, bij toepassing van art. 145^2, 3de lid, WIB 92:
  • opgetrokken worden tot 30 %, indien het berekende resultaat lager is dan 30;
  • verlaagd worden tot 40 %, indien het berekende resultaat hoger is dan 40.
D. Voorbeelden (aj. 1995)
Voorbeeld 1
95. Ongehuwde moeder met één kind ten laste. Gezamenlijk belastbaar inkomen: 700.000 F Vaststelling van de bijzondere gemiddelde aanslagvoet: a) basisbelasting op 700.000 F: 244.950 F b) belasting op 191.000 F (basisbedrag van de belastingvrije som): -47.750 F --------- c) verschil: 197.200 F d) aanslagvoet: 197.200 x 100 ------------- = 28,17 700.000 e) afgerond tot : 28,1.
Daar het bekomen resultaat lager is dan 30, moet de bijzondere gemiddelde aanslagvoet tot 30 % worden opgetrokken.
Voorbeeld 2
96. Gezin met één kind ten laste. Vrouw: Afgezonderd beroepsinkomen: 1.103.000 F Vaststelling van de bijzondere gemiddelde aanslagvoet: a) basisbelasting op 1.103.000 F: 426.450 F b) belasting op 150.000 F (basisbedrag van de belastingvrije som): -37.500 F --------- c) verschil: 388.950 F d) aanslagvoet: 388.950 x 100 ------------- = 35,26 1.103.000 e) afgerond tot: 35,2
Daar het bekomen resultaat niet lager is dan 30 en ook niet hoger is dan 40, bedraagt de bijzondere gemiddelde aanslagvoet voor de vrouw dus 35,2 %.
Man: Resterend gezinsinkomen: 4.703.000 F Vaststelling van de bijzondere gemiddelde aanslagvoet: a) basisbelasting op 4.703.000 F: 2.359.850 F b) belasting op 150.000 (basisbedrag van de belastingvrije som): -37.500 F ----------- c) verschil: 2.322.350 F d) aanslagvoet: 2.322.350 x 100 --------------- = 49,38 4.703.000 e) afgerond tot: 49,3.
Daar het resultaat hoger is dan 40, moet de bijzondere aanslagvoet voor de man tot 40 % worden verlaagd.
E. Berekening van de vermindering
97. Nadat de bijzondere gemiddelde aanslagvoet vastgesteld is, volstaat het hem op het geheel van de voor de vermindering voor het lange termijnsparen in aanmerking komende uitgaven toe te passen en het aldus verkregen resultaat van de belasting af te trekken.
Daar het hier een belastingvermindering betreft, moet de aldus berekende vermindering steeds beperkt worden tot de belasting waarop zij aangerekend wordt.
De belastingvermindering wordt aangerekend op de belasting zoals die is vastgesteld nadat de belasting op de belastingvrije som (toeslagen inbegrepen) van de basisbelasting is afgetrokken.
98. Wat de echtgenoten betreft, gelden vorenstaande principes afzonderlijk per echtgenoot. Dit houdt o.m. in dat het gedeelte van de vermindering dat, bij gebrek aan belasting, niet aan één van de echtgenoten kan verleend worden, niet naar de andere echtgenoot mag overgeheveld worden.
A. Algemeen
99. Krachtens art. 145^18, 1ste lid, WIB 92, wordt de verhoogde vermindering voor het bouwsparen (per echtgenoot) bepaald door op het totale bedrag van de uitgaven voor het bouwsparen desgevallend beperkt volgens de hiervoor uiteengezette regels (Zie inzonderheid de nrs 32 tot 38, 60, 61, 63 en 64), het hoogste belastingtarief toe te passen dat de belastingplichtige overeenkomstig art. 130, WIB 92 wordt aangerekend.
Ingeval de uitgaven die voor de vermindering voor het bouwsparen in aanmerking komen, betrekking hebben op meer dan één belastingtarief, wordt voor elk deel van die uitgaven het overeenstemmende tarief in aanmerking genomen (art. 145^18, tweede lid, WIB 92).
100. Bij gehuwde belastingplichtigen wordt de vermindering voor elke echtgenoot afzonderlijk vastgesteld, rekening houdende met zijn eigen of als dusdanig beschouwde uitgaven.
B. Beoogde uitgaven
101. Het gaat hier om:
a)
de premies van een individuele levensverzekering die uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening;
b)
de betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van een door een schuldsaldoverzekering gewaarborgde hypothecaire lening,
op voorwaarde dat:
  • die premies en betalingen betrekking hebben op een lening die is aangegaan om in België een woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen;
  • die woning recht geeft op de woningaftrek, indien de lening vóór 1.1.1993 aangegaan is;
  • die woning, bij het afsluiten van de lening, de enige woning van de belastingplichtige is, indien de lening na 31.12.1992 aangegaan is.
C. Berekening van de verhoogde vermindering
102. In de praktijk wordt de vermindering voor het bouwsparen als volgt
bepaald:
a)
de basisbelasting berekenen op het belastbare inkomen, d.w.z. op het GBI, wat de alleenstaande betreft, en op het afgezonderd beroepsinkomen, enerzijds, en het resterend gezinsinkomen, anderzijds, wat de echtgenoten betreft;
b)
de basisbelasting berekenen op hetzelfde inkomen, verminderd met de respectieve uitgaven die voor de vermindering voor het bouwsparen in aanmerking komen;
c)
het verschil maken tussen de respectieve resultaten (a-b).
Het onder c verkregen resultaat stemt in principe overeen met de verhoogde vermindering (zie evenwel ook de nrs 104 tot 106).
Voorbeeld (aj. 1995)
103.
Alleenstaande zonder kinderen ten laste.
Gezamenlijk belastbaar inkomen: 700.000 F Uitgaven voor het bouwsparen: 50.000 F, waarvan, gelet op het inkomen, slechts 46.950 F in aanmerking mag genomen worden. Vaststelling van de verhoogde vermindering voor het bouwsparen: a) basisbelasting op 700.000 F: 244.950 F b) basisbelasting op 653.050 F (nl. 700.000 - 46.950): 223.823 F --------- c) verhoogde vermindering (a-b): 21.127 F Die vermindering stemt dus overeen met een tarief van 45 %, nl. 21.127 x 100 ------------ . 46.950
104. Wanneer het bedrag van de verhoogde vermindering immers lager is dan 30 % van het bedrag van de voor de berekening van die vermindering in aanmerking genomen uitgaven, wordt de vermindering verhoogd tot 30 %, dit ten einde op zijn minst een vermindering te verlenen die overeenstemt met de minimale vermindering die in het kader van het lange termijnsparen wordt toegekend.
Voorbeeld (aj. 1995)
Alleenstaande zonder personen ten laste.
Gezamenlijk belastbaar inkomen: 260.000 F Uitgaven voor het bouwsparen: 20.000 F Vaststelling van de verhoogde vermindering voor het bouwsparen: a) basisbelasting op 260.000 F: 65.350 F b) basisbelasting op 240.000 F (nl. 260.000 - 20.000): 60.000 F -------- c) verhoogde vermindering (a-b) 5.350 F Die vermindering stemt dus overeen met een tarief van 26,75 %, nl. 5.350 x 100 ----------- . 20.000
Daar dit tarief lager is dan 30 %, moet de belastingvermindering in onderhavig geval tot 6.000 F (nl. 20.000 x 30 %) worden verhoogd.
105. Aangezien de verhoogde vermindering voor het bouwsparen eveneens een vermindering op de belasting is, moet zij ook steeds worden beperkt tot de belasting waarop zij aangerekend wordt.
De verhoogde vermindering voor het bouwsparen wordt, zoals de vermindering voor het lange termijnsparen (zie nr 97), aangerekend op de belasting zoals die is vastgesteld nadat de belasting op de belastingvrije som (toeslag inbegrepen) van de basisbelasting is afgetrokken.
106. Wat de echtgenoten betreft, gelden vorenstaande principes afzonderlijk per echtgenoot. Dit houdt o.m. in dat het gedeelte van de vermindering dat, bij gebrek aan belasting, niet aan één van de echtgenoten kan verleend worden, niet naar de andere echtgenoot mag overgeheveld worden.
NAMENS DE MINISTER:
Voor de Directeur-generaal:
De Auditeur-generaal,
M. CHERPION.