20.01.2000 - Omzendbrief D.I. 803.41 - D.C. 84.000

GESCHILLEN

NIEUWE FISCALE PROCEDURE

VERJARING VAN DE STRAFVORDERING

D.I. 803.41

D.C. 84.000

Bijlage : 2 Brussel, 20 januari 2000.

I. FISCALE PROCEDURE

  1. ALGEMEEN
  1. In het Belgisch Staatsblad van 27 maart 1999 zijn de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken en het ter uitvoering van deze laatste wet getroffen Koninklijk besluit van 25 maart 1999, verschenen.
  1. Een uittreksel van deze wetten en het KB met de artikelen die van belang zijn voor de Administratie der douane en accijnzen is gevoegd in bijlage 1.

Bon O.S.D. nr. 394/99


  1. De nieuwe bepalingen hebben rechtstreeks of onrechtstreeks gevolgen voor de door de Administratie der douane en accijnzen voor de burgerlijke rechtbanken gevoerde procedures betreffende de belastingen waarvan de invordering aan haar is toevertrouwd (ongeacht of deze bestemd zijn voor nationale of supra-nationale autoriteiten). Ook voor de geschillen betreffende andere belastingmateries die onder bevoegdheid van de Administratie der douane en accijnzen vallen, hebben deze nieuwe bepalingen gevolgen.
  1. De door die wetten aangebrachte wijzigingen inzake BTW en de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (meer specifiek het eurovignet) zijn ook van belang voor de Administratie der douane en accijnzen.

B. WIJZIGINGEN INZAKE DOUANE EN ACCIJNZEN

a) Voorafgaande opmerking

  1. De wijzigingen hebben uitsluitend betrekking op de behandeling van de geschillen nopens de toepassing van zowel het materieel als het formeel belastingrecht, die ingeleid worden voor de burgerlijke rechtbanken. Geschillen die niets te maken hebben met het formeel of het materieel fiscaal recht, maar die rechtstreeks of onrechtstreeks het gevolg zijn van een belastinggeschil blijven de algemene regels inzake bevoegdheid en rechtspleging volgen. Aldus zullen geschillen in verband met bewarend of uitvoerend beslag gevestigd ingevolge een belastingschuld blijven behoren tot de bevoegdheid van de beslagrechter van de plaats van beslag.
  1. De wijzigingen zijn zonder invloed op de door de Admi- nistratie der douane en accijnzen tot afhandeling van de overtredingen aangeboden minnelijke schikkingen of de uitgeoefende strafvordering en de daarbij gevolgde procedure (toepassing van de artikelen 263 en 281, § 1, AWDA).

3

b) Procedure inzake de bepaling van de douanewaarde

  1. Door artikel 89 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen worden de artikelen 213, derde lid,

215 en 216 van de Algemene wet inzake douane en accijnzen opgeheven.

  1. Daardoor vervalt de gerechtelijke procedure waarbij over de geschillen inzake douanewaarde in eerste aanleg door de Administratie en vervolgens - bij niet-akkoord van de belastingplichtige - in beroep onmiddellijk door het hof van beroep van het gebied waarin het invoerkantoor is gelegen, werd beslist zonder dat de zaak eerst diende aanhangig te worden gemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg.
  1. Voortaan zullen de door de administratie getroffen beslis- singen inzake douanewaarde beschouwd worden als beslissingen getroffen door een administratieve autoriteit. Bij niet-akkoord kunnen deze beslissingen aangevochten worden voor de gewone rechtbanken (rechtbank van eerste aanleg, hof van beroep, hof van Cassatie).
  1. Op basis van artikel 97, derde lid, van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen moeten de verhalen voor de hoven en de rechtbanken vanaf 1 janu- ari 1999 worden ingesteld volgens de procedure zoals zij door de wet zijn gewijzigd. Dit houdt in dat vanaf die datum geen beroep tegen de door de administratie getroffen beslissing voor het hof van beroep meer mogelijk is.
  1. Vermits de wet pas op 27 maart 1999 is gepubliceerd kon de belastingplichtige de nieuwe procedure onmogelijk voor die datum toepassen. In die omstandigheden zullen door de Administra- tie geen excepties van onbevoegdheid worden opgeworpen bij behandeling van de zaken voor de hoven van beroep, voor zover deze zaken vóór 6 april 1999 bij het hof van beroep werden ingeleid. De zaken die vóór 1 januari 1999 bij de hoven van beroep aanhangig waren, zullen in elk geval volgens de oude procedure verder blijven behandeld worden.

c) Wijzigingen aan het Gerechtelijk Wetboek - Procedure voor de burgerlijke rechtbank

Bevoegde rechtbank vóór de wetswijziging

  1. De artikelen 280 en 314, § 3 van de Algemene wet inzake douane en accijnzen bepalen respectievelijk dat de louter burgerlijke vordering van de administratie en het verzet tegen het dwangbevel bij de rechtbanken worden ingeleid volgens de regels inzake bevoegdheid en rechtspleging bepaald in het Gerechtelijk Wetboek.
  1. Tot de wijziging aangebracht door de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken werden die vorderingen op basis van artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek ingeleid bij de rechtbank bevoegd over de plaats waar het kantoor is gelegen dat belast is met de inning van de belasting.
  1. Dit betekende dat een verzet tegen een dwangbevel voor de invordering van een belastingschuld van 1.500.000 fr. uitgevaardigd door het douanekantoor te Zaventem of te Vilvoorde ingeleid werd voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het verzet tegen een dergelijk dwangbevel van het douanekantoor te Aat of Moeskroen werd ingeleid voor de rechtbank van eerste aanleg te Doornik.

Bevoegde rechtbank na de wetswijziging

  1. De aangebrachte wijzigingen hebben zowel betrekking op de materiële als de territoriale bevoegdheid van de rechtbank.
  1. Artikel 4 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijk inrichting in fiscale zaken, voegt aan artikel 569, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek een cijfer 32 toe waardoor de rechtbanken van eerste aanleg exclusief materieel bevoegd worden voor de beslechting van geschillen omtrent de toepassing van de belastingwetten, ongeacht het in het spel zijnde bedrag aan belastin- gen.

  1. Het nieuwe artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het vervangen is bij artikel 7 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, bepaalt dat geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet voortaan moeten gebracht worden voor de rechtbank van eerste aanleg gelegen in de zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd. Duitstalige zaken dienen bij de rechtbank van eerste aanleg te Eupen te worden ingeleid.
  1. Artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 25 maart 1999 getroffen ter uitvoering van vorenvermeld artikel 7 voegt daar een aantal rechtbanken aan toe en bepaalt hun bevoegdheid.

Ingevolge het arrest nummer 102.855 van 24 januari 2002 van de Raad van State, afdeling Administratie, zijn de woorden "te Leuven, voor de provincie Vlaams Brabant" vernietigd in artikel 1 van dit Koninklijk Besluit van 25 maart 1999 tot uitvoering van artikel 7 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken.

  1. Dit betekent in principe dat alle burgerlijke vorderingen van de administratie (toepassing art. 280 AWDA) en elk verzet tegen een dwangbevel (art. 314, § 1, AWDA) moeten worden ingeleid voor de rechtbank van eerste aanleg gevestigd in de hoofdstad van de provincie waarin het ontvangkantoor is gelegen.

Vlaams Brabant vormt ingevolge het arrest van de Raad van State en het ingevolge daarvan getroffen Koninklijk Besluit van 6 maart 2002 hierop een uitzondering.

De rechtbank van eerste aanleg te Leuven is enkel bevoegd voor de belasting die is of moet worden geïnd binnen het gerechtelijke arrondissement Leuven.

Voor alle andere zaken is de rechtbank van eerste aanleg te Brussel bevoegd.

Duitse zaken gaan naar de rechtbank te Eupen.

Suppl. 1


  1. Wat de belastingen betreft die moeten betaald worden op een in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelegen kantoor, is de rechtbank van eerste aanleg van Brussel bevoegd.
  1. Deze nieuwe regeling is niet alleen van toepassing op de belastinggeschillen die verband houden met de invordering van belastingen, maar ook op alle andere op basis van de belasting- wetgeving getroffen beslissingen die door de belastingplichtige voor de burgerlijke rechtbank worden aangevochten (bijvoorbeeld het intrekken of het weigeren van een machtiging belastingentrepot, weigering of intrekking van een machtiging toegelaten afzender of geadresseerde inzake communautair douanevervoer, een bindende tariefinlichting waarmede de invoerder zich niet akkoord kan ver- klaren, enz.). Zoals bij de geschillen betreffende de inning van de belastingen is de plaats waar de dienst is gevestigd, bepalend voor de territoriale bevoegde rechtbank (toepassing art. 632 - nieuw - Gerechtelijke Wetboek).
  1. Concreet heeft dit de volgende territoriale bevoegdheids- regeling tot resultaat :

Kantoor/Dienst gelegen in de

provincie/gewest/ taalgebied/arrondissement :

Territoriaal bevoegde

rechtbank van eerste aanleg :

Antwerpen Henegouwen Limburg Luik Luxemburg Namen

Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen

Leuven (arrondissement)

Vlaams Brabant (zonder Leuven) Waals Brabant

Brussels Hoofdstedelijk Gewest Duits taalgebied

Antwerpen Bergen Hasselt Luik Aarlen Namen Gent Brugge Leuven Brussel Nijvel Brussel

Eupen

Suppl. 1


  1. Het verzet tegen een dwangbevel uitgevaardigd door het douanekantoor te Zaventem of te Vilvoorde wordt ingeleid bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het verzet tegen een dwangbevel uitgevaardigd door het douanekantoor te Leuven of te Tienen zal voortaan, ongeacht het bedrag aan de in het spel zijnde belastingen, ingeleid worden voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven.

Het verzet tegen een dwangbevel van het douanekantoor te Aat of te Moeskroen zal voortaan ingeleid worden voor de rechtbank van eerste aanleg te Bergen.

  1. Het intrekken van een machtiging belastingentrepot van een in Brugge gevestigde belastingplichtige door de gewestelijk directeur der douane en accijnzen te Gent zal door de belastingplichtige moeten worden aangevochten voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent.
  1. Ook de door de administratie in te leiden burgerlijke vorde- ringen zijn aan dezelfde bevoegdheidsregels inzake territorialiteit onderworpen.


7

Inleiding van de vordering voor de rechtbank

  1. Artikel 1385decies (nieuw) van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de vordering tegen de administratie wordt ingeleid door middel van een verzoekschrift op tegenspraak. Vorderingen van de fiscale administraties moeten ingeleid worden bij dagvaarding of bij vrijwillige verschijning.
  1. Met uitzondering van het verzet tegen het dwangbevel moet de belastingplichtige die een beslissing van de administratie (bijv. intrekken van een machtiging belastingentrepot) wil aanvechten voor de burgerlijke rechtbank de administratie niet meer dagvaarden.
  1. Wat het verzet tegen het dwangbevel betreft dient nog steeds toepassing te worden gemaakt van het bepaalde in artikel 314,

§ 3, van de Algemene wet inzake douane en accijnzen, dat specifieke van het gemeenrecht afwijkende bepalingen bevat. Dit betekent dat het verzet tegen het dwangbevel inzake douane en accijnzen nog steeds moet worden ingeleid door dagvaarding van de bevoegde ontvanger om binnen de tien dagen na het verzet voor de rechtbank van eerste aanleg te verschijnen.

  1. De inleiding van de burgerlijke vordering door de administratie zelf (art. 280 AWDA) gebeurt verder met een dag- vaarding.
  1. Het nieuwe artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek voorziet voorts dat de vordering van de belastingplichtige bij de rechtbank van eerste aanleg slechts ontvankelijk is voor zover hij voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerd administratief beroep heeft ingesteld.
  1. Inzake douane en accijnzen is er enkel op gebied van de bepaling van de douanewaarde een administratieve fase van beroep voorzien conform het bepaalde in het gewijzigde Hoofdstuk XXIII van de Algemene wet inzake douane en accijnzen (cf. cijfers 7 t/m 10 hiervoor).

  1. Een aangever die een geschil inzake douanewaarde aan de rechtbank wil voorleggen zal bijgevolg eerst het bewijs moeten leveren dat hij die administratieve procedure heeft gevolgd.
  1. De zaak kan bij de rechtbank worden ingeleid binnen de drie maanden na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing over zijn bezwaarschrift of indien over zijn bezwaar geen uitspraak wordt gedaan ten vroegste na verloop van een termijn van 6 maanden te rekenen vanaf het overeenkomstig artikel 213 van de Algemene wet inzake douane en accijnzen afgeleverde ontvangstbewijs.
  1. Voor het overige bestaat er inzake douane en accijnzen geen verplichte geformaliseerde administratieve fase van beroep (1) en kan elke beslissing van de administratie over een belastinggeschil (andere dan deze getroffen tot afhandeling van een geschil bij wege van transactie of tot inleiding van een strafvordering) rechtstreeks bij de rechtbank van eerste aanleg worden aangevochten, zonder eerst het voorwerp te hebben uitgemaakt van een voorafgaand administratief beroep.

Datum van inwerkingtreding

  1. Deze nieuwe procedureregels zijn van toepassing met ingang van 1 maart 1999.
  1. Bij het aantekenen van verzet tegen een dwangbevel voor een andere rechtbank dan deze die krachtens de nieuwe bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek materieel en territoriaal bevoegd is, zal door de administratie de onbevoegdheid van de rechtbank worden ingeroepen.

(1) Een ontwerp van wet tot wijziging van de Algemene wet inzake douane en accijnzen en tot instelling van een administratief recht van beroep kon tijdens de vorige legislatuur niet meer behandeld worden. Er zal getracht worden tijdens deze legislatuur het ontwerp van wet opnieuw in te dienen.


C. WIJZIGINGEN INZAKE BTW - WIJZIGING VAN DE VERJARINGSTERMIJN

  1. De artikelen 52 en 53 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van de fiscale geschillen wijzigen de verjaringstermijn voor de invordering van de BTW, de nalatigheids- interesten en de administratieve boeten.

Oude termijn van vijf jaar

  1. Artikel 81 (oud)van het BTW-Wetboek bepaalt dat de vordering tot voldoening van de BTW, de interesten en de admini- stratieve geldboeten verjaren door het verloop van een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de dag waarop de BTW is ontstaan.
  1. Dit betekent dat de vordering van een op 15 februari 1996 bij invoer verschuldigde BTW, behoudens stuitende handelingen (bijv. opstellen van het dwangbevel), verjaard is op 16 februari 2001.
  1. Op basis van het bepaalde in artikel 97, lid 7, van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen blijft deze verjaringstermijn van toepassing op de vorderingen tot betaling van de BTW die ontstaan zijn vóór 1 januari 1999. De vordering tot voldoening van de BTW ontstaat vanaf het ogenblik van het verstrijken van de aangiftetermijn. Bij invoer van goederen uit derde landen zal dit de dag van invoer zijn.
  1. De bepalingen opgenomen in de Instructie "Afhandeling van de misdrijven inzake BTW" (D.I. 857.01) blijven bijgevolg onverminderd van toepassing op de vóór 1 januari 1999 ontstane vorderingen tot voldoening van de BTW.

Nieuwe verjaringstermijnen

  1. De artikelen 52 en 53 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen vervangen artikel 81 van het BTW-Wetboek en voegen een nieuw artikel 81bis in dat wetboek in. Deze beide artikelen regelen de verjaring van de vordering tot voldoening van de BTW, de nalatigheidsinteresten en de administratieve geldboete.
  1. De verjaringstermijn van de vordering van de BTW vangt aan op het ogenblik van het ontstaan van de BTW-schuld (bijv. het inreiken van het invoerdocument, de dag van de invoer zonder aangifte).
  1. De verjaring van de vordering treedt in na het verstrijken van het derde, het vijfde of het zevende kalenderjaar volgend op het jaar waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van de belasting, de nalatigheidsinteresten en de administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan. De oorzaak van de opeisbaarheid is bijv. de invoer van de goederen, het in verbruik stellen van accijnsproducten
  1. De algemene regel is drie jaar. De verjaring van de vordering voor invoeren die hebben plaatsgevonden gedurende het jaar 1999 zal voor alle gevallen intreden op 31 december 2002, zijnde op het einde van het derde kalenderjaar volgend op dat van de invoer van de goederen.
  1. De verjaring zal pas intreden na verloop van vijf jaar vol- gend op dat waarin de BTW opeisbaar is geworden indien de over- treding is begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden. Dit betreft de gevallen waarin geen vermindering van de admini- stratieve boete kan worden toegestaan (cf. § 132 van de instructie "Afhandeling van de misdrijven inzake BTW", D.I. 857.01).

  1. Het vervullen van één van beide voorwaarden is voldoende om de verjaringstermijn van vijf jaar toepasbaar te maken.
  1. Bij verlenging van de termijn van 3 naar 5 jaar moet aan de belastingplichtige, op straffe van nietigheid van de vestiging van de belasting, voorafgaandelijk (binnen die 5 jaar) schriftelijk en nauwkeurig kennis worden gegeven van de vermoedens van belas- tingontduiking die tegen hem bestaan in de beoogde periode.
  1. Deze laatste verplichting is slechts van toepassing op BTW waarvan de opeisbaarheid is ontstaan vanaf 1 januari 1999.
  1. De verjaring treedt pas in na verloop van zeven jaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van de BTW zich heeft voorgedaan wanneer de belastbare handeling niet in België werd aangegeven of een onrechtmatige belastingaftrek werd toegepast en voor zover de overtreding aan het licht wordt gebracht ten gevolge van :
  1. een rechtsgeding;
  1. bewijskrachtige gegevens, sterker dan aanwijzigingen, die met name afkomstig zijn van een andere belastingadministratie van het Rijk;
  1. een inlichting, een onderzoek gevoerd door of gevraagd aan of een controle gedaan door of gevraagd aan een andere Lidstaat van de Europese Unie of van een land dat niet tot de Unie behoort.
  1. Nadere richtlijnen dienomtrent zullen eerlang worden opgenomen in de instructie "Afhandeling van de misdrijven inzake BTW" (D.I. 857.01).

D. WIJZIGINGEN

INZAKE MET

INKOMSTEN-

BELASTINGEN

GELIJKGESTELDE

BELASTINGEN -

EUROVIGNET

  1. Bij vaststelling van een overtreding inzake eurovignet moet bij niet-betaling van het eurovignet en de boete, een burgerlijke vordering worden ingeleid teneinde de betaling van de in het spel zijnde bedragen evenals de verkoop van het voertuig te horen uitspreken door de rechtbank (cf. Hoofdstuk 4 van de instructie "Eurovignet" (D.I. 950.14)).

53 De vordering zal bij dagvaarding worden ingeleid voor de rechtbank van eerste aanleg die overeenkomstig het bepaalde in artikel 632 (nieuw) van het Gerechtelijk Wetboek territoriaal bevoegd is om van de zaak kennis te nemen.

Belgische belastingplichtige

  1. Voor de in België ingeschreven voertuigen dient de zaak te worden ingeleid voor de rechtbank van eerste aanleg die bevoegd is over het kantoor der directe belastingen waar het eurovignet had moeten worden betaald (kantoor bevoegd over de woonplaats van de belastingplichtige, voor de bevoegde rechtbank, zie § 22).
  1. Indien de belastingplichtige bijvoorbeeld in Oudenaarde is gevestigd, had hij aangifte moeten doen op het ontvangkantoor der directe belastingen te Oudenaarde. Bij vaststelling van een overtreding en niet-betaling van het eurovignet zal de zaak bijgevolg voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent moeten worden ingeleid, ook al heeft de vaststelling van niet-betaling plaatsgevonden te Antwerpen.

  1. Dit houdt in dat bij niet-betaling het dossier door de gewestelijk directeur der douane en accijnzen bevoegd over het gebied van de vaststelling van de overtreding zal worden toegezonden aan zijn collega bevoegd over het gebied waarin het ontvangkantoor der directe belastingen is gelegen waar het eurovignet had moeten worden geïnd, teneinde de vordering voor de burgerlijke rechtbank in te leiden.

Buitenlandse belastingplichtige

  1. Wat de in het buitenland gevestigde belastingplichtige betreft, zal bij niet-betaling van de in het spel zijnde bedragen de zaak worden ingeleid bij de burgerlijke rechtbank die overeenkomstig het bepaalde in artikel 632 (nieuw) van het Gerechtelijk Wetboek bevoegd is over het gebied waarin het door de gewestelijke directeur aangeduide douanekantoor tot betaling van de verschuldigde bedragen is gelegen (voor de bevoegde rechtbank, zie § 22).
  1. Aldus zal de zaak voor de rechtbank van eerste aanleg te Aarlen moeten worden ingeleid indien de betaling van de in het spel zijnde sommen diende te gebeuren op het douanekantoor te Sterpenich.
  1. De instructie "Eurovignet" (D.I. 950.14) zal eerlang worden aangepast.

II. VERJARING VAN DE STRAFVORDERING

  1. ALGEMEEN
  1. In het Belgisch Staatsblad van 16 december 1998 is de wet van 11 december 1998 tot wijziging, wat de verjaring van de strafvordering betreft, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, verschenen.
  1. Een kopie van deze wet is gevoegd in bijlage 2.
  1. Door die wet wordt artikel 24 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering uitgebreid met een nieuwe oorzaak van schorsing van de verjaring van de strafvordering.
  1. De schorsing van de verjaring mag niet verward worden met de stuiting van de verjaring. Door de stuiting van de verjaring kan de verjaringstermijn maximaal verdubbeld worden en de stuitende handelingen dienen plaats te vinden binnen de oorspronkelijke verjaringstermijn (inzake douane en accijnzen een termijn van 5 jaar te rekenen vanaf de feiten).
  1. Schorsing van de verjaring kan gebeuren gedurende de volledige verjaringstermijn en niet enkel binnen de oorspronkelijke verjaringstermijn.

B. BESTAANDE REDENEN VAN SCHORSING

  1. Tot vóór de wet van 11 december 1998 bestonden er drie wettelijke gronden van schorsing, namelijk :

- de schorsing van de verjaring bij verwijzing tot beslissing van een prejudicieel geschil. Dit wil zeggen dat de verjaringstermijn niet verder loopt, totdat er een beslissing is over het prejudicieel geschil;


- de schorsingsgrond die terug te vinden is in art. 447, derde lid Strafwetboek en die bepaalt dat bij laster de strafvordering geschorst wordt in afwachting van de beslissing van de bevoegde overheid;

- de schorsing van de verjaring van de strafvordering gedurende de behandeling van een door de verdachte, de burgerlijke partij of de burgerlijk aansprakelijke partij voor het vonnisgerecht opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid. De verjaring is niet geschorst indien de exceptie gegrond wordt verklaard door het vonnisgerecht of indien de beslissing over de exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd.

Deze schorsingsgrond werd onlangs ingevoegd in de Vooraf- gaande Titel van het Wetboek van Strafvordering door de wet Franchimont (art. 48 van die wet van 12 maart 1998,

B.S. 2 april 1998). Dit betekent dat wanneer één van de bedoelde partijen de exceptie opwerpt, de verjaringstermijn in principe ge- schorst is. Wanneer echter achteraf blijkt dat de exceptie gegrond was, dan komt de schorsing te vervallen en is de verjaringstermijn dus gewoon blijven doorlopen tijdens de behandeling van de exceptie. Evenzo wanneer de rechter die moet oordelen over de exceptie beslist de beslissing over de exceptie te voegen bij de zaak ten gronde.

C. NIEUWE REDEN VAN SCHORSING

  1. De wet van 11 december 1998 voert een schorsingsgrond in die tot doel heeft de verjaring van de strafvordering te schorsen vanaf de dag dat de zaak is ingeleid bij het vonnisgerecht in eerste aanleg en in beroep.
  1. De schorsing van de verjaring is mogelijk zowel in eerste aanleg als in beroep en zij neemt een aanvang op de dag van de zitting waarop de rechtbank de zaak in behandeling neemt, m.a.w. de dag van de inleidingszitting.

  1. Indien de zaak in beroep in behandeling wordt genomen ingevolge het door de rechter in beroep uitgeoefende evocatierecht (bijv. naar aanleiding van het beroep tegen een tussenvonnis van de rechter in eerste aanleg) zal de schorsing van de verjaring een aanvang nemen op de dag waarop de rechter in beroep beslist om de behandeling van de zaak tot zich te trekken.
  1. De schorsing van de verjaring begint dus te lopen,

- een eerste maal op het ogenblik van de inleiding van de zaak in eerste aanleg

- een tweede maal op het ogenblik van het inleiden van de zaak in beroep.

  1. Indien een zaak na een uitspraak bij verstek ingevolge verzet van de veroordeelde terug voor de rechter in eerste aanleg of beroep wordt gebracht, zal de schorsingstermijn niet opnieuw beginnen lopen bij de inleiding van het verzet voor de rechtbank. De schorsingstermijn betreft de volledige behandeling van de zaak in een bepaalde aanleg.
  1. De schorsing geldt ten aanzien van alle in de zaak betrokken partijen.
  1. De schorsing loopt dus principieel gedurende de tijd dat de zaak ten gronde in behandeling is bij de rechtbank. Op dit principe worden door de wet echter een aantal correcties aangebracht die de schorsing van de verjaring in de tijd beperken.
  1. Die correcties hebben tot doel te voorkomen dat de behandeling van een zaak te lang zou blijven aanslepen voor de rechtbank.

Eerste beperking

  1. De verjaring van de strafvordering begint terug te lopen vanaf het verstrijken van een termijn van één jaar :

- te rekenen vanaf de dag van de inleidingszitting bij het vonnisgerecht in eerste aanleg of

- te rekenen vanaf de dag van de inleidingszitting bij het vonnisgerecht in beroep of

- te rekenen vanaf de dag dat het vonnisgerecht in beroep de zaak tot zich trekt (evocatierecht).

  1. Indien de vonnisrechter bijgevolg binnen het jaar na de inleidingszitting uitspraak doet, zal de strafvordering gedurende de ganse tijd van het proces geschorst zijn. Indien de strafrechter uitspraak doet na verloop van die termijn van één jaar, zal de schorsing beperkt zijn tot een termijn van één jaar.

Voorbeeld :

Een zaak wordt ingeleid op 20 januari 1999.

Indien de vonnisrechter uitspraak doet op 20 december 1999, zal de verjaring van de strafvordering terug beginnen lopen vanaf de dag van de uitspraak en is ze slechts gedurende 11 maanden geschorst geweest.

Indien de vonnisrechter uitspraak doet op 20 februari 2001, zal de verjaring van de strafvordering terug beginnen lopen één jaar na de inleidingszitting, m.a.w. vanaf 20 december 2000.


Tweede beperking

  1. De verjaring van de strafvordering begint terug te lopen vanaf de dag dat het vonnisgerecht, ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie (daaronder ook verstaan de administratie) beslist om de behandeling van de zaak uit te stellen met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoeksdaden met betrekking tot het ten laste gelegde feit, tot op de dag waarop de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt hervat.

Voorbeeld :

Een zaak wordt ingeleid op 1 februari 1999.

De rechtbank beveelt ambtshalve een expertise op 15 februa- ri 1999 en stelt de zaak op 15 juni 1999 voor verdere behandeling rekening houdend met de resultaten van de expertise.

De schorsing van de verjaring van de strafvordering heeft een aanvang genomen op 1 februari 1999 en is voorlopig gestopt op 15 fe- bruari 1999 (duur van de schorsing : 15 dagen). De schorsing van de verjaring van de strafvordering herneemt op 15 juni 1999. Aangezien de schorsing maximaal één jaar mag duren (cf. cijfer 74 hiervoor) zal de schorsing van de verjaring beëindigd worden op 1 juni 2000, behoudens indien een einduitspraak tussenbeide komt op een vroegere datum.

Opgemerkt wordt dat indien de opdracht tot het uitvoeren van een expertise gebeurt binnen de oorspronkelijke verjaringstermijn, dit tevens de verjaring stuit (cf. cijfer 63 hiervoor).


Derde beperking

  1. De verjaring van de strafvordering begint terug te lopen vanaf de dag waarop het vonnisgerecht, ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie (daaronder ook verstaan de administratie), beslist om de behandeling van de zaak onbepaald uit te stellen, tot op de dag waarop de behandeling ervan door het vonnisgerecht wordt hervat.
  1. Indien een zaak voor een bepaalde datum wordt uitgesteld, zal de schorsing van de verjaring wel verder blijven lopen. Het komt er bijgevolg op aan om, vooral in de gevallen waarin een verjaring nakend is, zich te verzetten tegen het voor onbepaalde tijd uitstellen van de zaak door de rechtbank.

Voorbeeld :

Een zaak wordt ingeleid op 1 februari 1999.

Op 1 juni 1999 beslist de rechtbank ambtshalve om de zaak voor onbepaalde tijd uit te stellen (schorsing van 4 maanden). Op 1 juli 2000 herneemt de rechtbank de behandeling van de zaak. Vanaf dat ogenblik begint de schorsing van de verjaring terug te lopen voor het nog resterende gedeelte van de termijn van één jaar (in casu nog 8 maanden).

Vierde beperking

  1. De verjaring van de strafvordering begint terug te lopen vanaf de verklaring van hoger beroep door het openbaar ministerie verbonden aan het vonnisgerecht dat de uitspraak heeft geveld of het openbaar ministerie verbonden aan het vonnisgerecht dat in beroep uitspraak zal moeten doen. Ook het instellen van het hoger beroep door de administratie doet de verjaring van de strafvordering terug lopen.

  1. Deze beperking zal in de praktijk geen effekt sorteren. Vermits door de uitspraak van het vonnisgerecht de schorsing van de verjaring reeds was gestopt (voor zover deze nog niet eerder was gestopt door het verlopen van een termijn van één jaar sedert de inleidingszitting).

D. VOORBEELD ONDER DE NIEUWE REGELING

  1. Hierna volgt een voorbeeld betreffende de schorsing van de verjaring onder de nieuwe regeling.

17.03.1995 : sluikinvoer van goederen;

22.10.1998 : opstellen van proces-verbaal (stuiting van de ver- jaring);

07.02.1999 : dagvaarding (stuiting van de verjaring);

25.02.1999: inleidende zitting + uitstel naar de zitting van 25.06.1999 (schorsing van de verjaring gedurende 4 maanden + stuiting van de verjaring);

25.06.1999 : ambtshalve bevelen van bijkomende onderzoeks- handeling door de rechtbank en stellen van de zaak op 25.09.1999 (stoppen schorsing van de verjaring maar wel stuiting van de verjaring);

25.09.1999 : hervatting van de zaak en uitstellen tot zitting van 09.03.2000 (hernemen van schorsing van de verjaring voor de resterende 8 maanden + stuiting van de verjaring);

09.03.2000 : verdere behandeling van de zaak en stellen voor verderzetting op 09.06.2000 (verdere schorsing van de verjaring tot 25.05.2000 - einde van de schorsing van de verjaring door verloop van in totaal één jaar en herneming van de verjaring van de strafvordering - wel stuiting van de verjaring);


21

09.06.2000 : verdere behandeling van de zaak en verwijzing naar de zitting van 22.10.2000 voor uitspraak (stuiting van de verjaring);

22.10.2000 : uitspraak in eerste aanleg (stuiting van de verjaring; vermits de verjaring van de strafvordering gedurende 1 jaar is geschorst geworden, verloopt de oorspronke- lijke verjaringstermijn van vijf jaar pas op 17.03.2001);

28.10.2000 : instellen van hoger beroep door de beklaagde; 18.11.2000 : inleidingszitting in hoger beroep en verwijzing naar de

zitting van 18.04.2001 (start van de schorsing van de verjaring in hoger beroep + stuiting van de verjaring; schorsing van 5 maanden);

18.04.2001 : uitstellen van de zaak voor onbepaalde tijd (stoppen van de schorsing van de verjaring);

08.03.2005 : hervatten van de behandeling van de zaak en voor ver- dere behandeling uitstellen tot 18.12.2005 (hervatten van de schorsing van de verjaring van de straf- vordering tot uiterlijk 08.10.2005 - 7 maanden);

08.12.2005 : behandelen van de zaak en stellen voor uitspraak op 05.03.2006;

05.03.2006 : uitspraak in hoger beroep.

Geen rechtsmiddelen worden aangewend tegen het arrest, zodat het definitief wordt en vanaf 05.03.2006 de verjaring van de straffen begint te lopen.

Vermits de laatste stuitende handeling binnen de oorspronke- lijke verjaringstermijn (schorsingstermijn van 1 jaar in rekening gebracht) van 5 jaar heeft plaats gevonden op 18.11.2000, zal de verjaring van de strafvordering intreden op 18.11.2005. Nochtans gelet op de in beroep tussengekomen schorsingsperiode van in totaal 1 jaar zal de verjaring van de strafvordering pas intreden vanaf 18.11.2006.


Op het ogenblik van de uitspraak was de strafvordering bijgevolg nog niet verjaard. Onder de vroegere regeling daarentegen zou de strafvordering verjaard geweest zijn.

E. INWERKINGTREDING VAN DE WET

  1. De wet van 11 december 1998 tot wijziging, wat de verjaring van de strafvordering betreft, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering is in werking getreden op de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt, zijnde 16 december 1998.
  1. Zij is van toepassing op alle zaken die sedert die datum bij de strafrechter werden ingeleid en op alle hangende zaken waarin op 16 december 1998 de verjaring nog niet was bereikt overeenkomstig de oude regeling.

*

* *

De leidraad inzake geschillen betreffende douane en accijnzen (D.I. 803.41) en het Handboek over geschillen (D.I. 803.4) zullen eerlang worden aangepast.

Voor de Directeur-generaal :

De Auditeur-generaal van financiën, Madeleine Humbeeck-Doulliez


Bijlage 1

15 MAART 1999 - WET betreffende de beslechting van fiscale geschillen (1)

(Belgisch Staatsblad van 27 maart 1999)

ALBERT II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALING

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

HOOFDSTUK II

WIJZIGINGEN VAN DE FISCALE WETGEVING

Afdeling 1. - Inkomstenbelastingen en met de inkomsten- belastingen gelijkgestelde belastingen

................

(1) Uittreksel uit de wet.


Afdeling 2. - Belasting over de toegevoegde waarde

Art. 50 Artikel 62bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, ingevoegd door de wet van 28 december 1992, wordt aangevuld met de woorden, "afgeleverd met de gezamenlijke toestemming van de administrateur-generaal van de belastingen en van de adjunct-administrateur-generaal van de belastingen".

Art. 51. Artikel 74, § 4, van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.

Art. 52. Artikel 81 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 22 december 1977 en bij de wet van 8 augustus 1980, wordt vervangen door de volgende bepalingen :

"Art. 81. - De vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten begint te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat."

Art. 53. Een als volgt luidend artikel 81bis wordt in hetzelfde Wetboek ingevoegd :

"Art. 81bis. - § 1. Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de admini- stratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

In afwijking van het eerste lid, is er evenwel verjaring na het verstrijken van het vijfde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan, zodra de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.


In afwijking van het eerste en tweede lid is de bedoelde verjaring er bovendien na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer :

1° een inlichting, een onderzoek of een controle aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er onrechtmatige belastingaftrekken werden toegepast en de inlichting werd medegedeeld of verzocht of het onderzoek of de controle werd uitgevoerd of verzocht door, hetzij een andere lidstaat van de Europese Unie, overeenkomstig de regels daartoe bepaald in dit Wetboek of in de regelgeving van deze Unie, hetzij een bevoegde overheid van enig ander land waarmee België een overeenkomst heeft gesloten tot het vermijden van dubbele belasting, in verband met de belasting waarop die overeenkomst van toepassing is;

2° een rechtsvordering aantoont dat, in België, belastbare handelingen niet werden aangegeven of belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalin- gen die erop van toepassing zijn;

3° bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn.

§ 2. Indien de in artikel 59, § 2, bedoelde procedure uitwijst dat de belasting over een ontoereikende maatstaf werd voldaan, verjaart de vordering tot voldoening van de aanvullende belasting, van de interesten, van de administratieve geldboeten en van de procedurekosten, door verloop van twee jaar te rekenen van de laatste daad in die procedure.".

Art. 54. Artikel 82 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1980, wordt vervangen door de volgende bepaling :

"Art. 82. - De vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten begint te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat.".


Art. 55. Een als volgt luidend artikel 82bis wordt in hetzelfde Wetboek ingevoegd :

"Art. 82bis. - Er is verjaring voor de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geld- boeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan".

Art. 56. In artikel 83 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1980, worden de volgende wijzigingen aange- bracht :

1° het eerste en tweede lid worden respectievelijk §§ 1 en 2;

2° paragraaf 1, nieuw, wordt aangevuld met de volgende leden:

"Elk rechtsgeding met betrekking tot de toepassing of de invordering van de belasting dat wordt ingesteld door de Belgische Staat, door de schuldenaar van deze belasting of door ieder ander persoon die gehouden is tot de betaling van de schuld op grond van dit Wetboek, van de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het gemeen recht, schorst de verjaring.

De schorsing vangt aan met de akte van rechtsingang en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan".

3° in § 2, nieuw, worden de woorden "de in het vorige lid bedoelde stuiting" vervangen door de woorden "de in § 1, eerste lid, van dit artikel, bedoelde stuiting".

Art. 57. In artikel 84, tweede lid, van hetzelfde Wetboek vervallen de woorden "beslist ook over verzoeken om kwijtschelding van administratieve geldboeten en".


Art. 58. Een als volgt luidend artikel 84ter wordt in hetzelfde Wetboek ingevoegd :

"Art. 84ter. - Indien zij voornemens is de verjaringstermijn bepaald in artikel 81bis, § 1, tweede lid, toe te passen, moet de administratie bevoegd voor de belasting over de toegevoegde waarde, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode".

Art. 59. Artikel 89, tweede en derde lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

"De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden gestuit door een vordering in rechte".

Art. 60. Artikel 90 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.

Art. 61. Artikel 92 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

"Art. 92. - In geval van beroep tegen het vonnis dat de door de schuldenaar ingestelde eis heeft verworpen, kan de ontvanger van de belasting op de toegevoegde waarde, gelet op de concrete gegevens van het dossier, met inbegrip van de financiële toestand van de schuldenaar, deze laatste kennisgeven bij een ter post aangetekende brief van een verzoek tot het in consignatie geven van het geheel of een gedeelte van de verschuldigde bedragen. Aan de schuldenaar kan worden toegestaan dat die consignatie wordt vervangen door een zakelijke of persoonlijke zekerheid die wordt aangenomen door de administratie bevoegd voor de belasting over de toegevoegde waarde.

De gevorderde bedragen dienen in consignatie te worden gegeven of de zekerheid dient te worden gevestigd binnen twee maanden vanaf de kennisgeving.


Bij gebreke van het in consignatie geven van de bedragen of het vestigen van de zekerheid binnen de bepaalde termijn, dient de rechtsinstantie waarbij de voorziening aanhangig is gemaakt, binnen drie maanden te rekenen vanaf het verstrijken van die termijn, de voorziening niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij zij, op grond van een met redenen omkleed verzoekschrift ingediend door de schuldenaar binnen twee maanden vanaf de kennisgeving bedoeld in het eerste lid, besluit, binnen dezelfde termijn van drie maanden, dat het door de met de invordering belaste ambtenaar gedane verzoek niet gegrond is".

Art. 62. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 92bis ingevoegd, luidende :

"Art. 92bis. - De termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie schorsen de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslis- sing".

Art. 63. Artikel 93 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepalingen :

"Art. 93. - De voorziening in cassatie wordt bij verzoekschrift ingediend dat, op straffe van nietigheid, een bondige uiteenzetting van de middelen en de aanduiding van de geschonden wetten bevat. Het verzoekschrift mag voor de eiser en door een advocaat ondertekend en neergelegd worden".

................

Afdeling 7. - Douane- en accijnsrechten

Art. 89. De artikelen 213, derde lid, 215 en 216 van de algemene wet inzake douane en accijnzen worden opgeheven.

................


HOOFDSTUK IV INWERKINGTREDING

Art. 97. Voor zover zij de procedureregels wijzigen :

- treden de artikelen 11, 20 tot 32, 42 tot 44 en 49 van deze wet in werking vanaf het aanslagjaar 1999;

- zijn de artikelen 56 en 58 tot 62 van deze wet van toepassing op de belastingen, interesten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999.

In de mate dat deze wet met de artikelen 24 en 33 een recht van bezwaar of van het ter kennis brengen van overbelastingen, bedoeld in artikel 376 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, toekent aan de feitelijk gescheiden echtgenoot op wiens goederen de aanslag, gevestigd op naam van de andere echtgenoot, wordt ingevorderd, treden deze bepalingen in werking met ingang van de publicatie van de wet.

Behalve voor de toepassing van het Wetboek van de inkom- stenbelastingen 1992, van het Wetboek van de met de inkomsten- belastingen gelijkgestelde belastingen en van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zullen de verhalen voor de hoven, de rechtbanken en de andere instanties vanaf 1 januari 1999 worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen inzake de procedure zoals zij zijn gewijzigd door deze wet. De procedures die nog niet afgehandeld zijn op 31 december 1998 zullen evenwel worden voortgezet en afgehandeld overeenkomstig de op die datum geldende regels.

De artikelen 347 tot 350 van het Wetboek van de inkomsten- belastingen 1992, zoals zij bestonden alvorens te zijn opgeheven door de artikelen 14 tot 17 van deze wet, blijven van toepassing met betrekking tot de berichten van wijziging of de berichten van aanslag van ambtswege waarvoor de procedure van raadpleging van de fiscale commissie of van het comité van advies nog niet is beëindigd.


Artikel 13 van deze wet is van toepassing vanaf het aanslag- jaar 1999.

De akkoorden die zijn gesloten op grond van artikel 343 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het bestond alvorens door artikel 13 van deze wet te zijn opgeheven, behouden evenwel hun volle uitwerking voor de latere aanslagjaren, onver- minderd de toepassing van § 3 van genoemd artikel 343 en van artikel 368 van hetzelfde Wetboek zoals het was opgesteld vóór de opheffing ervan door artikel 26 van deze wet.

De artikelen 81 en 82 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals zij bestonden alvorens zij respectievelijk zijn gewijzigd door de artikelen 52 en 54 van deze wet, blijven van toepassing op de vorderingen tot voldoening en de vorderingen tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve boeten die zijn ontstaan vóór 1 januari 1999.

Artikel 95 heeft uitwerking met ingang van 2 juli 1997.

Artikel 34 van deze wet, voor zover het de artikelen 377 tot 392 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 opheft, treedt in werking op 1 maart 1999. De artikelen 377 tot 392 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals ze bestonden vóór hun opheffing door artikel 34 van deze wet, blijven evenwel van toepassing op de beroepen die vóór deze datum zijn ingeleid. De artikelen 462 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, 74,

§ 4, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, 207septies, § 4, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierrechten, 133nonies, § 4, van het Wetboek der successierechten, 67nonies, § 4, van het Wetboek der zegelrechten en 207nonies, § 4, van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, zoals ze bestonden voor hun opheffing bij respectievelijk de artikelen 47, 51, 65, 72, 76 en 86, van deze wet, blijven van toepassing, ingeval een rechter bij wie de strafvordering aanhangig is, met toepassing van een van die bepalingen besloten heeft de uitspraak over een of meerdere tenlasteleggingen uit te stellen.


HOOFDSTUK V DIVERSE BEPALINGEN

Art. 98. De directeur van de belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar beslist over de bezwaarschriften in zijn hoedanigheid van administratieve overheid.

Art. 99. De Koning is bij een in Ministerraad overgelegd besluit gemachtigd de federale fiscale wetgevingen te wijzigen teneinde de verwijzingen die deze wetgeving maakt naar de be- namingen van de fiscale administraties, de functies en de graden van bepaalde ambtenaren van het ministerie van Financiën, te wijzigen.

De krachtens het eerste lid genomen koninklijk besluiten, zullen in de vorm van een ontwerp van bekrachtigingswet onmid- dellijk aan de wetgevende Kamers worden voorgelegd en worden ingediend bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekend- gemaakt.

Gegeven te Brussel, 15 maart 1999.


23 MAART 1999 - WET betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken

(Belgisch Staatsblad van 27 maart 1999)

ALBERT II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

HOOFDSTUK II

WIJZIGING VAN HET GERECHTELIJK WETBOEK

Art. 2. §1. In artikel 42, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek worden de woorden "op het kabinet van de minister die bevoegd is om er kennis van te nemen" vervangen door de woorden "op het kabinet van de minister die bevoegd is om er kennis van te nemen of op het kantoor van de door hem aangewezen ambtenaar".

§ 2. Artikel 705, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met de woorden "of aan het kantoor van de door hem aangewezen ambtenaar".


Art 3. In artikel 191 van hetzelfde Wetboek wordt een paragraaf 2bis ingevoegd, luidend als volgt :

2bis. Bij de bekendmaking van een vacature in de rechtbank van eerste aanleg kan de minister van Justitie bepalen dat het vacante ambt bij voorrang zal worden toegewezen aan een kandidaat die titels of verdiensten voorlegt waaruit een gespecialiseerde kennis blijkt. Deze titels en verdiensten worden onderzocht door de benoemings- en aanwijzingscommissie bedoeld in artikel 259bis-8."

Art. 4. Artikel 569, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt

:

"32° van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet".

Art. 5. Artikel 603, 1° en 3°, van hetzelfde Wetboek, het 3° ingevoegd bij de wet van 23 december 1986 en vervangen bij de wet van 24 december 1996, worden opgeheven.

Art. 6. Artikel 617 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 29 november 1979 en bij de wet van 11 juli 1994, wordt aangevuld met het volgende lid :

"De door de rechtbank van eerste aanleg uitgesproken vonnissen over geschillen met betrekking tot de toepassing van een belastingwet, zijn steeds vatbaar voor hoger beroep."

Art 7. Artikel 632 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

"Art. 632. - Ieder geschil betreffende de toepassing van een belastingwet staat ter kennisneming van de rechter die zitting houdt ter zetel van het Hof van beroep in wiens rechtsgebied het kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd of, indien het geschil geen verband houdt met de inning van een belasting, in wiens gebied de belastingdienst is gevestigd die de bestreden beschikkingen heeft getroffen. Wanneer evenwel de procedure in het Duits wordt gevoerd, is alleen de rechtbank van eerste aanleg van Eupen bevoegd.


De Koning kan andere rechters in het rechtsgebied van het Hof van beroep aanwijzen, die kennis nemen van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Hij bepaalt het gebied waarbinnen de rechter territoriaal bevoegd is."

Art. 8. In artikel 728 van hetzelfde Wetboek wordt tussen de paragrafen 2 en 3 een paragraaf 2bis ingevoegd, luidend als volgt

"§ 2bis. Op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige of van zijn advocaat, ingediend bij conclusie, kan de rechter de door de belastingplichtige gekozen accountant, beroepsboekhouder of bedrijfs- revisor horen in zijn schriftelijke of mondelinge toelichting ter terechtzitting. Het oproepen van de accountant, beroepsboekhouder of bedrijfsrevisor staat ter beoordeling van de rechter, die onderzoekt of het opportuun is in deze zaak raad in te winnen over elementen die slechts betrekking kunnen hebben op feiten of op rechtsvragen in verband met de toepassing van het boekhoudrecht.

Onder de in het vorige lid bedoelde accountant, beroepsboek- houder of bedrijfsrevisor wordt verstaan de persoon die zich ge- woonlijk bezighoudt met de boekhouding van de belastingplichtige of die heeft meegewerkt aan het opstellen van de betwiste belasting- aangifte of die de belastingplichtige heeft bijgestaan in de admini- stratieve bezwaarprocedure."

Art. 9. In boek IV van het vierde deel van hetzelfde Wetboek wordt een hoofdstuk XXIV met de artikelen 1385decies en 1385undecies ingevoegd, luidend als volgt :

"Hoofdstuk XXIV. - Geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet

Art. 1385decies. - Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak.

Titel Vbis van boek II van het vierde deel, met uitzondering van artikel 1034ter, 3° en artikel 1034quater, is van toepassing.


Op straffe van nietigheid wordt bij elk exemplaar van het verzoekschrift of van de dagvaarding een afschrift van de bestreden beslissing gevoegd.

Wanneer een voorafgaand administratief beroep wordt ge- organiseerd door of krachtens de wet en de administratieve overheid nog geen beslissing heeft genomen moet, in afwijking van het derde lid, een afschrift van het administratief beroep en van de ontvangstmelding van dit beroep worden bijgevoegd.

Art. 1385undecies. - Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste slechts toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld.

De vordering wordt ingesteld ten vroegste zes maanden vanaf de datum van ontvangst van het administratief beroep zo over dit beroep geen uitspraak is gedaan en, op straffe van verval, uiterlijk binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing met betrekking tot het administratief verhaal.

De in het tweede lid bedoelde termijn van zes maanden wordt met drie maanden verlengd wanneer de betwiste aanslag van ambtswege door de administratie is gevestigd."

HOOFDSTUK III

WIJZIGING AANGEBRACHT AAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Art. 10. Artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van straf- vordering ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1986 en gewijzigd bij de wet van 28 december 1992, wordt vervangen door het volgende lid :


"De ambtenaren van de Administratie der directe belastingen, de ambtenaren van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, de ambtenaren van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie en de ambtenaren van de Administratie van de ondernemings- en inkomenfiscaliteit, kunnen echter de feiten die, naar luid van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, strafrechtelijk strafbaar zijn, niet zonder de machtiging van de gewestelijke directeur onder wie zij ressorteren, ter kennis brengen van de procureur des Konings."

HOOFDSTUK IV OVERGANGSBEPALINGEN

Art. 11. De gedingen die hangende zijn bij de hoven, de rechtbanken en andere instanties, met inbegrip van de rechtsmidde- len die tegen hun beslissingen kunnen worden aangewend, worden vervolgd en afgehandeld met toepassing van de vóór 1 maart 1999 geldende regels.

In afwijking van artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd door artikel 9 van deze wet, is de mogelijkheid om ten vroegste zes maanden of negen maanden na de datum van ontvangst van het administratief beroep een vordering in te leiden zo over dat beroep geen uitspraak is gedaan, niet van toepassing wanneer dat beroep betrekking heeft op een aanslag betreffende het aanslagjaar 1998 of een vorig aanslagjaar, voor wat de inkomstenbelastingen en de met de inkomstenbelastingen gelijkge- stelde belastingen betreft. Voor de bezwaarschriften die nog bij de administratie hangende zijn en waarover op 31 maart 2001 geen beslissing is genomen, vervalt deze bepaling.


Wanneer de in artikel 379 van het Wetboek van de inkom- stenbelastingen 1992 bedoelde beroepstermijn, zoals die bestond voor de afschaffing door artikel 34 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, niet verstreken is op de datum van 1 maart 1999, kan het in artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd door artikel 9 van deze wet, bedoelde beroep worden ingeleid binnen een termijn van drie maanden vanaf de betekening van de beslissing met betrekking tot het administratief beroep.

Tot op het ogenblik van de inwerkingtreding van alle bepalin- gen van de artikelen 45 en 46 van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem voor magistraten, worden de adviezen over de titels en verdiensten, bedoeld in het nieuwe artikel 191, paragraaf 2bis, van het Gerechtelijk Wetboek, uitgebracht door de adviescomités die eerder zijn ingesteld krachtens het bestaande artikel 259ter van het Gerechtelijk Wetboek.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekend- gemaakt.

Gegeven te Brussel, 23 maart 1999.


25 MAART 1999 - KONINKLIJK BESLUIT

tot uitvoering van artikel 7

van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken

(Belgisch Staatsblad van 27 maart 1999)

ALBERT II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, inzonderheid op artikel 7 tot vervanging van artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet

van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende dat huidig besluit onverwijld moet in werking treden tesamen met de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, waarvan het de uitvoering verzekert;

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Financiën,

Hebben wij besloten en besluiten Wij :


Artikel 1. Onverminderd artikel 632, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zijn, voor de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet die tot de bevoegdheid van de rechtbanken van eerste aanleg behoren, alleen bevoegd de rechtbank van eerste aanleg

- te Aarlen, voor de provincie Luxemburg;

- te Brugge, voor de provincie West-Vlaanderen;

- te Hasselt, voor de provincie Limburg;

- te Leuven, voor de provincie Vlaams Brabant (1);

- te Namen, voor de provincie Namen;

- te Nijvel, voor de provincie Waals Brabant.

Art. 2. Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Financiën zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 25 maart 1999.

(1) Vernietigd bij arrest nr. 102.855 van 24 januari 2002 van de Raad van State.

Suppl. 1


6 MAART 2002 - KONINKLIJK BESLUIT

tot uitvoering van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken

ALBERT II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 15 maart 1999;

Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de volgende omstandigheden :

Overwegende dat het koninklijk besluit van 25 maart 1999 tot uitvoering van artikel 7 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken gedeeltelijk vernietigd werd door de Raad van State, door een arrest van 24 januari 2002;

Overwegende dat deze situatie een rechtsonzekerheid doet ontstaan die schadelijk kan zijn voor de rechtzoekende;

Overwegende dat het, bijgevolg, dringend is dat dit besluit wordt genomen;

Gelet op het advies 33.062/2 van de Raad van State, gegeven op 25 februari 2002, in toepassing van artikel 84, eerste lid, 2 gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Financiën,

Suppl. 1


Hebben wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1. De geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet die tot de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg behoren, vallen alleen onder de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven voor het gerechtelijk arrondissement van Leuven.

Art. 2. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 6 april 1999.

Art. 3. Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Financiën zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 6 maart 2002.

Suppl. 1



11 DECEMBER 1998 - WET tot wijziging, wat de verjaring van de strafvordering betreft, van de Voorafgaande Titel van het

Wetboek van Strafvordering

(Belgisch Staatsblad van 16 december 1998)

ALBERT II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2. In artikel 22, eerste lid, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, vervangen bij de wet van 30 mei 1961, worden de woorden "de in het vorige artikel gestelde termijn" vervangen door de woorden "de in artikel 21 bepaalde termijn".

Art. 3. Artikel 24 van dezelfde Voorafgaande Titel, vervangen bij de wet van 30 mei 1961 en gewijzigd bij de wet van 12 maart 1998, wordt vervangen door de volgende bepalingen :

"De verjaring van de strafvordering is geschorst ten aanzien van alle partijen :

1° vanaf de dag van de zitting waarop de strafvordering op de door de wet bepaalde wijze bij het vonnisgerecht wordt ingeleid.

De verjaring begint evenwel opnieuw te lopen :

- vanaf de dag van de beslissing van het vonnisgerecht, ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie, om de behandeling van de zaak onbepaald uit te stellen, tot op de dag waarop de behandeling ervan door het vonnisgerecht wordt hervat;


- vanaf de dag van de beslissing van het vonnisgerecht, ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie, om de behandeling van de zaak uit te stellen met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoeksdaden met betrekking tot het ten laste gelegde feit, tot op de dag waarop de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt hervat;

- vanaf de verklaring van hoger beroep bedoeld in artikel 203, of de betekening van het hoger beroep bedoeld in artikel 205, tot op de dag waarop het hoger beroep op de door de wet bepaalde wijze bij het vonnisgerecht in hoger beroep wordt ingeleid, indien het hoger beroep tegen de uitspraak over de strafvordering enkel uitgaat van het openbaar ministerie;

- vanaf het verstrijken van een termijn van een jaar te rekenen van de dag van de zitting waarop, naar gelang van het geval, de strafvordering bij het vonnisgerecht in eerste aanleg of bij het vonnisgerecht in hoger beroep wordt ingeleid of dit laatste vonnisgerecht beslist uitspraak te doen over de strafvordering, tot op de dag van de uitspraak over de strafvordering door het desbetreffende vonnisgerecht.

2 in geval van verwijzing tot beslissing van een prejudiceel geschil.

3 in het geval bepaald bij artikel 447, derde lid, van het Strafwetboek;

4 gedurende de behandeling van een door de verdachte, de burgerlijke partij of de burgerlijk aansprakelijke partij voor het vonnisgerecht opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, onontvan- kelijkheid of nietigheid. Indien het vonnisgerecht de exceptie gegrond verklaart of indien de beslissing over de exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd, is de verjaring niet geschorst."

Art. 4. Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgische Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgische Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 11 december 1998