Aanschrijving nr. 4/1998 d.d. 03.07.1998

Onverdeeldheid
Mede-eigendom
1. Voorwerp.
Deze aanschrijving heeft tot doel de heffingsregels uiteen te zetten die van toepassing zijn bij de aanbieding ter registratie van een overeenkomst die handelt over de mede-eigendom.
I. DEFINITIES
2. Onverdeeldheid.
De onverdeeldheid bestaat in het naast elkaar bestaan in dezelfde zaak van rechten van dezelfde aard die toebehoren aan verschillende personen. Bijgevolg is ieders aandeel geen stoffelijk gedeelte van de zaak, maar wel een denkbeeldig en abstract deel dat in cijfers wordt uitgedrukt: 1/2, 1/4, 1/10, enz... Elkeen bezit het uitsluitend recht van eigendom of van vruchtgebruik op zijn aandeel als dusdanig beschouwd (Brussel, 15 maart 1976, Rec. gén. enr. not., nr. 22.245; J. HANSENNE, Guide de droit immobilier, Story-Scientia, Antwerpen, Chap. I, 12.1; E. GENIN, Commentaar op het Wetboek der registratierechten, nr. 1.050).
Elkeen kan bijgevolg vrij beschikken over zijn aandeel zonder medewerking van de anderen. Op de gemene zaak daarentegen zijn de rechten van elke mede-eigenaar beperkt door de rechten van de anderen; niemand van hen afzonderlijk kan feitelijk of juridisch noch over de zaak zelf noch over om het even welk verdeeld deel van de zaak beschikken.
De onverdeeldheid kan in theorie ontworpen worden voor alle patrimoniale rechten. Wanneer ze betrekking heeft op de eigendom van goederen, wordt ze mede-eigendom genoemd. Het begrip onverdeeldheid omschrijft een soort waarvan de mede-eigendom slechts één geval uitmaakt (J. HANSENNE, op cit.).
3. Gewone mede-eigendom.
De gewone mede-eigendom kan door een verdeling beëindigd worden op vraag van elke mede-eigenaar.
Inzake gewone mede-eigendom hebben de aandelen in mede-eigendom op zichzelf een patrimoniale waarde waarvan de titularis volstrekt meester is. In beginsel kan elke mede-eigenaar met betrekking tot zijn aandeel dus alle juridische handelingen stellen die hij wil.
De gewone mede-eigenaar kan vrij over zijn aandeel beschikken, zelfs helemaal vrij, voor zover hij noch materieel noch juridische over het goed zelf beschikt.
4. Gedwongen mede-eigendom.
De gedwongen mede-eigendom heeft betrekking op goederen en rechten die in onverdeeldheid moeten blijven doordat zij structureel en blijvend met elkaar verbonden zijn, zoals een appartementsgebouw (R. TIMMERMANS, Het nieuwe appartementsrecht, "De wet van 30 juni 1994", Kluwer Rechtswetenschappen België, Antwerpen, 1994, nr. 30).
De gedwongen mede-eigendom is onmisbaar wegens de aard van de goederen die er het voorwerp van uitmaken. Zij is onttrokken aan de verdeling zolang de toestand blijft bestaan die aan de basis van de onverdeeldheid ligt (C. MOSTIN, "Copropriété", Colloquium georganiseerd op 7 oktober 1994, U.C.L., Rechtsfaculteit, p. 22 en de auteurs geciteerd onder voetnoot 17).
Een essentieel onderscheid tussen de gewone en de gedwongen mede-eigendom situeert zich bijgevolg op het vlak van de beschikkingsmogelijkheid over de aan de aandelen verbonden rechten waarvan de deelgenoten eigenaar zijn..
De "gedwongen" mede-eigenaar kan, in tegenstelling tot de gewone mede-eigenaar, niet vrij over zijn aandeel in de gemene delen beschikken, uitgezonderd, en dit is belangrijk, indien hij beschikt over het privatief gedeelte waarmee het gemeenschappelijk gedeelte verbonden is.
5. Aandelen.
Het begrip aandeel bepaalt juridisch de toestand van de mede-eigenaars, zowel inzake de onverdeeldheid als inzake de mede-eigendom. Elkeen is aldus titularis van een welbepaald eigendomsaandeel. Dit aandeel bepaalt het belang dat hij in het goed bezit en de omvang van de kavel die hij zal kunnen opeisen op het ogenblik van de verdeling, indien deze tenminste mogelijk is.
II. ANALYSE
6. Keuze.
Men zou kunnen stellen dat de eigenaar van de gebouwen titularis is van een eigendomsrecht op de privatieve delen, terwijl de gemeenschappelijke delen in gedwongen onverdeeldheid zijn. Dit zou trouwens de zienswijze zijn die gevolgd wordt door de wet van 30 juni 1994 (Vgl. J.-M. CHANDELLE, "'La loi Breyne", Rép. not., t. VII, 1., VI, nr. 74).
Volgens deze zienswijze zou men bijgevolg eigen fiscale regels moeten toepassen al naar gelang men te maken heeft met privatieve delen dan wel met gemeenschappelijke delen. In theorie lijkt dit het ideale te zijn, maar de Administratie kan zich bij deze zienswijze niet aansluiten, vermits daarmee de hechte band tussen de privatieve en de gemeenschappelijke delen zou worden ontkend.
De Administratie heeft aldus gekozen voor de andere opvatting die nauw aanleunt bij de burgerlijke wet met eerbiediging van de verrichtingen zoals die plaatsvinden op economisch vlak.
Deze opvatting is gebaseerd op een zekere "aantrekkingskracht" waardoor de gemene delen aan de privatieve delen worden aangehecht, wat overigens door de rechtsleer en rechtspraak verdedigd wordt (Zie de aangehaalde rechtsleer; Rb. Brussel, 26 juni 1958, Rec. gén. enr. not., nr. 20.014; Brussel, 4 november 1991, Rec. gén. enr. not., nr. 24.125). De overeenkomst die de aanhechting van de gemene delen aan de privatieve delen vaststelt, maakt dan ook een verdelingsakte uit (een uit onverdeeldheid treding) die onderworpen is aan het recht van 1 pct. met alle gevolgen die daaruit kunnen voortvloeien.
7. De basisakte.
De basisakte vormt het toekomstig statuut, zowel van de privatieve als van de gemene delen. De basisakte vormt in feite het sleutelelement van de gedwongen mede-eigendom. Dit is de wetgever niet ontgaan aangezien de wet de overschrijving van de basisakte als voorwaarde oplegt opdat de vereniging van mede-eigenaars rechtspersoonlijkheid verkrijgt (Art. 577-5 B.W.).
Een onderscheid dringt zich hier op: werd de basisakte opgemaakt vóór of na het begin van de oprichting van de gebouwen?
8. De basisakte werd opgemaakt vóór het begin van de oprichting van de gebouwen.
De overeenkomst waarbij de mede-eigenaars van de grond overeenkomen om op deze grond een gebouw op te richten waarvan elke verdieping als privatief deel zal toebehoren aan elk van hen onder de voorwaarden bepaald door § 9 van artikel 577-2 van het Burgerlijk Wetboek, kan - in de verhouding tussen de partijen bij deze overeenkomst - niet worden ontleed als een verdeling van de grond. Het recht kan niet afwijken van de werkelijkheid.
De overeenkomst heeft in feite tot doel aan elke mede-eigenaar van de grond het recht te verlenen om in eigen voordeel een privatieve eigendom op te richten, en dit in afwijking van de wettelijke principes van de natrekking.
Er is geen en er zal ook nooit een onverdeeldheid zijn wat betreft de "onderscheiden erven".
Vermits de overeenkomst geen verdeling van de hoofdzaak inhoudt, kan ze niet beschouwd worden als een verdeling van de ("toekomstige") "aanhorigheid" (DONNAY, "Enregistrement. - Partage. - Conventions relatives à un étage ou partie d'étage d'un bâtiment", Rec. gén. enr. not., nr. 20.690 (6 en 8); z. tevens opm. onder nr. 20.373).
9. De basisakte werd opgemaakt na het begin van de oprichting van de gebouwen.
Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen de basisakte met toebedeling aan één (of meerdere) deelgeno(o)t(en) en de basisakte zonder toebedeling.
De basisakte zonder toebedeling heeft geen enkele invloed op fiscaal vlak: ze beschrijft enkel de privatieve delen met de toewijzing aan deze privatieve delen van de gemene delen zonder werkelijke toebedeling.
De basisakte (of de latere akte van toebedeling) die tot gevolg heeft dat de privatieve delen en de gemene delen verdeeld worden door toebedeling ervan aan de deelgenoten, is daarentegen een werkelijke akte van toebedeling van aandelen aan de mede-eigenaars of aan een deel van de mede-eigenaars, die minstens kan gelijkgesteld worden met een verdeling zoals bepaald in de artikelen 109 en volgende van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.
10. Toekomstig statuut van het gebouw en van de aandelen in de gemene delen.
De basisakte met toebedeling kan dus beschouwd worden als een akte die een einde maakt aan een enige eigendom of aan een gewone onverdeeldheid door de toebedeling van aandelen in de gemene delen aan duidelijk omschreven privatieve delen. De basisakte heeft bijgevolg als "opdracht" het toewijzen van gemene delen aan het privatief en dus het onttrekken van die delen aan de onverdeeldheid om ze "privatief" te maken, ook al worden ze blijvend aangewend voor een gemeenschappelijk gebruik.
Er is dus een overdracht / verdeling bij de ondertekening van de basisakte met toebedeling.
Vóór de beoogde overeenkomst (akte van toebedeling of basisakte) was er derhalve geen sprake van privatieve delen of van gemene delen; er bestond slechts een onroerend goed, één enkele zaak, zowel in feite als in rechte.
De overeenkomst vervangt die ene zaak door verschillende kavels, samengesteld uit privatieve eigendommen; derhalve betreft het hier een verdeling. Op zijn beurt vormt elke kavel, zowel materieel als juridisch gezien, één enkele zaak. Samen met het recht op de gemene delen vormt elk appartement één en hetzelfde voorwerp. Het kan onmogelijk gesplitst worden in hoofdzaak en bijhorigheden (beide vinden hun ontstaan in de overeenkomst), vermits enkel het geheel kan worden verkocht, in hypotheek gegeven, onteigend, in beslag genomen, enz. Men kan zich niet indenken dat de kavel op het ogenblik van de verdeling, waarbij hij tot stand komt, niet zou beschouwd worden als één enkele zaak, terwijl zulks, krachtens de wet, wel het geval zou zijn bij alle latere overeenkomsten waarvan hij het voorwerp mocht uitmaken (Bulletin Vragen en Antwoorden, Kamer, sessie 1962-1963, nr. 6, p. 281, Réc. gén. enr. not., nr. 20.690, p. 409).
Ten gevolge daarvan zullen de gemene delen altijd verbonden blijven met de privatieve delen en deze eeuwig volgen zowel op juridisch als op fiscaal vlak. Het zal niet meer mogelijk zijn om ze te scheiden.
III. TOEPASSINGEN
A. AANKOOP VAN EEN PERCEEL GROND - BASISAKTE.
11. Aankoop van een perceel grond.
De aankoop van een perceel grond stelt geen enkel probleem. Niettemin is het nuttig eraan te herinneren dat enkel diegenen die krachtens dezelfde titel in onverdeeldheid zijn getreden - met uitsluiting van diegenen die in de onverdeeldheid zouden treden aan de hand van een onderscheiden titel - echte deelgenoten (mede-eigenaars) zijn in de zin van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.
Dit principe heeft zijn belang voor het vervolg, meer bepaald ingeval van overdracht van een onverdeeld deel aan een derde verkrijger van een aandeel in de grond.
12. Registratie van de basisakte vóór het begin van de oprichting van de gebouwen.
De registratie van de basisakte vóór het begin van de oprichting van de gebouwen kan enkel aanleiding geven tot de heffing van het algemeen vast recht.
Er werd altijd aangenomen dat de akte waarbij de mede-eigenaars van de grond overeenkomen om op deze grond een gebouw op te richten waarvan de verdiepingen of gedeelten van verdiepingen de privatieve eigendom zullen zijn van elk van hen, en het statuut van het gebouw regelen door wederzijds afstand te doen van het recht van onroerende natrekking dat ze bezitten krachtens artikel 553 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover dit recht, voor elk van hen, geen betrekking heeft op het appartement waarvan ze zelf de eigendom voorbehouden en op de daaraan verbonden aandelen in de gemene delen van het gebouw, enkel aanleiding geeft tot de heffing van het algemeen vast recht. Deze akte kan in feite noch een voorafgaande verdeling van het op te richten gebouw uitmaken vermits ze precies tot doel heeft aan eenieder het recht te verschaffen om in eigen voordeel een privatief eigendom op te richten noch een verdeling van de grond, nog steeds onbebouwd op het ogenblik van de overeenkomst, vermits, voor deze grond, er geen indeplaatsstelling is van de kavels in de onverdeelde eigendom (Adm. Besl., 5 juli 1962, Rec. gén. enr. not., nr. 20.690, punt 1, Rep. RJ, R 109, 1° en 2°, 03.02; J. VERSTAPPEN en A. VAN MUYLDER, Questions fiscales d'actualité en matière immobilière, "La copropriété des appartements", Ced Samsom, Diegem, nr. 2.2.A.).
Door te bedingen dat de grond die hen in onverdeeldheid toebehoort, als bijhorigheid zal worden toebedeeld aan goederen die hen privatief toebehoren, doen de mede-eigenaars geen verdeling. Ze ontnemen zich daarentegen het recht om deze te vragen. Ze regelen op een andere manier de wijze van uitoefening van hun rechten.
Daaruit volgt dat vanaf het begin van de oprichting van de bouwwerken de gemene delen, ten gevolge van de wet, een bijhorigheid worden van de privatieve delen. Er zal geen verdeling geweest zijn gezien deze verdeling geenszins noodzakelijk was. In de oorspronkelijke basisakte was immers overeengekomen dat de privatieve delen nooit in onverdeeldheid tussen de mede-eigenaars zouden zijn ten gevolge van de verzaking aan de natrekking (zelfs indien dit als louter stilzwijgend voorkomt).
Dit principe heeft zijn belang vermits er nooit een verdelingsrecht zal worden geheven op de grond terwijl de gedwongen mede-eigendom in de plaats gekomen is van de gewone onverdeeldheid. In dit geval betreft het evenwel een loutere toepassing van de wet hetgeen aan geen enkel registratierecht onderworpen is.
13. Registratie van de basisakte na of tijdens de oprichting van de gebouwen zonder toebedeling van aandelen.
De registratie van de basisakte zonder toebedeling van aandelen kan enkel aanleiding geven tot de heffing van het algemeen vast recht omwille van dezelfde redenen als diegene vermeld onder nummer 11, supra.
14. Registratie van de basisakte na of tijdens de oprichting van de gebouwen met toebedeling van aandelen.
Indien een overeenkomst (die in de basisakte kan opgenomen zijn), waarbij de mede-eigenaars van een gebouw het privatief recht van elk onder hen op een verdieping of op een gedeelte van een verdieping vastleggen, en deze overeenkomst wordt gesloten op een ogenblik waarop het gebouw reeds gedeeltelijk is opgericht, kan zij enkel uitgelegd worden als een toebedeling / verdeling, zodra op het ogenblik waarop de overeenkomst wordt afgesloten, er reeds bestanddelen van het gebouw bestaan die door deze overeenkomst als privatieven aangeduid worden.
Deze overeenkomst heeft noodgedwongen de toebedeling in privatieve eigendom tot voorwerp van een goed dat effectief bestaat en tot dan toe onverdeeld was als gevolg van de werking van de wettelijke regels van de natrekking. Wat ook het belang is van de bestanddelen van het gebouw welke privatief worden, vormt de aan elk van de belanghebbenden toegekende kavel één enkele zaak, net alsof het gebouw volledig is afgewerkt (Rb. Brussel, 26 juni 1958, Rec. gén. enr. not., nr. 20.014; DONNAY, "Enregistrement - Partage - Conventions relatives à un étage ou partie d'étage d'un bâtiment", Rec. gén. enr. not., nr. 20.690, punt C).
De overeenkomst geeft bijgevolg aanleiding tot de heffing van het recht van 1 pct. over de volledige waarde van het goed (grond en bestaande gebouwen) (Adm. besl., 5 juli 1962, Rec. gén. enr. not., nr. 20.690, punt 1, Rep. RJ, R 109, 1° en 2°, 03.02).
In de mate waarin de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar is, is er, wat betreft de gebouwen, vrijstelling van het recht van 1 pct. ingevolge artikel 159, 8° van het Wetboek der registratierechten (Aanschr. 16 november 1970, nr. 76).
De eventuele toepassing van artikel 113 van het Wetboek der registratierechten mag daarbij niet uit het oog verloren worden.
Indien de basisakte opgesteld wordt door de enige eigenaar van de grond en van de gebouwen (promotor / eigenaar), wordt enkel het algemeen vast recht geheven vermits er in dat geval geen toebedeling is aan een mede-eigenaar.
B.
VERKOOP VAN EEN PRIVATIEF DEEL.
15. Verkoop van een privatief deel aan een derde (persoon die geen mede-eigenaar is).
Het betreft een eigendomsoverdragende overeenkomst ten bezwarende titel die aan het recht voorzien bij artikel 44 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten onderworpen is. Dit recht zal geheven worden op de overeengekomen waarde van het privatief deel en van de aandelen in de gemene delen verbonden aan dit privatief deel met als minimum de verkoopwaarde (art. 45 en 46 W.Reg). De toepassing van artikel 159, 8° van dit Wetboek is niet uitgesloten.
16. Verkoop van een privatief deel aan een andere mede-eigenaar.
Vermits de toebedeling van privatieve en van gemene delen een uit onverdeeldheid treding (mede-eigendom) teweeg brengt door verandering van statuut (gewone mede-eigendom / gedwongen mede-eigendom), zowel voor de gemene delen als voor de privatieve delen, geeft de verkoop van een privatief deel aan een andere mede-eigenaar aanleiding tot de heffing van het recht van toepassing op de overdragende overeenkomsten ten bezwarende titel van onroerende goederen gelegen in België, meer bepaald het recht voorzien bij voormeld artikel 44 (met eventuele toepassing van artikel 159, 8°).
Het is niet meer mogelijk te beweren dat de gemene delen (minstens op fiscaal vlak) nog in onverdeeldheid gebleven zijn omwille van twee redenen:
a)
het is unaniem aanvaard dat de gemene delen gekoppeld zijn aan de privatieve delen en hun statuut volgen; men kan niet stellen dat de gemene delen en de privatieve delen aan twee onderscheiden regelingen onderworpen zijn; de ene overdragend en de andere aanwijzend;
b)
men zou niet kunnen aanvaarden dat de kavel die als één enkele zaak beschouwd werd, dit niet meer zou zijn in de latere overeenkomsten.
17. Wederverkoop van een privatief deel aan de oorspronkelijke eigenaar(s).
Door een privatief deel te verkopen heeft (hebben) de eigenaar(s) onherroepelijk van dit goed afstand gedaan zowel wat betreft de privatieve als de gemene delen. Het is bijgevolg eveneens het recht voorzien voor de overdrachten ten bezwarende titel dat verschuldigd is.
C.
VERKOOP OF HERINRICHTING VAN DE GEMENE DELEN.
18. Wijziging van de basisakte - Toebedeling aan de verschillende mede-eigenaars van een privatief deel dat gemeenschappelijke eigendom gebleven is.
Een voorbeeld zal het probleem verduidelijken. In de oorspronkelijke basisakte wordt bepaald dat de woning bestemd voor de conciërge deel uitmaakt van de gemene delen. Deze woning wordt dus niet beschouwd als een privatief deel. Men zou zich eveneens een zolder kunnen voorstellen die tot het gemeenschappelijk gebruik dient van alle mede-eigenaars en die aan alle mede-eigenaars gemeen gebleven is.
Indien deze woning of deze zolder in een wijzigende basisakte zouden beschouwd worden als een privatief deel, moet een onderscheid gemaakt worden:
a) In de basisakte werd bepaald dat de woning van de conciërge (of de zolder) de gemeenschappelijke eigendom zou blijven van de verschillende mede-eigenaars:
De wijzigende basisakte stelt dus de overgang vast t.o.v. alle mede-eigenaars van een regeling van gewone onverdeeldheid naar een regeling van gedwongen onverdeeldheid van een deel van de gemene delen. Het verdelingsrecht is verschuldigd vermits er een toebedeling plaatsheeft van privatieve delen en van de daaraan verbonden gemene delen. Het enige verschil met een gewone toebedeling is het feit dat de toebedeling in twee stappen gedaan werd. Het gaat om een toepassing van de geldende regels inzake de onderonverdeeldheid of de opeenvolgende verdelingen.
b) In de basisakte werd bepaald dat de woning van de conciërge (of de zolder) de onverdeelde eigendom van de diverse mede-eigenaars zou worden:
Men moet ervan uitgaan dat in de akte die de onverdeeldheid tot stand brengt, er een toebedeling is geweest, in de hiervoor uiteengezette zin, zodat het verdelingsrecht reeds werd geheven bij de toebedeling zelf aan het geheel van de mede-eigenaars; in feite werd een gedwongen onverdeeldheid in de plaats gesteld van een gewone onverdeeldheid.
De latere verkoop aan één van de deelgenoten van de woning (of van de zolder) zal op haar beurt onderworpen worden aan het verdelingsrecht met eventuele toepassing van artikel 113 (toebedeling aan een derde verkrijger die een mede-eigenaar kan zijn).
19. Wijziging van de basisakte - Nieuwe verdeling van de aandelen in de gemene delen in functie van de waarde van de kavels.
In de mate waarin deze nieuwe verdeling kadert in een rechtsvordering tot wijziging (art. 577-9, § 6, 1°) en dus steunt op een wettelijke bepaling, kan enkel het algemeen vast recht geheven worden. Men kan stellen dat het de wet is die deze nieuwe verdeling oplegt.
20. Wijziging van de basisakte - Overdracht (ten bezwarende of ten kosteloze titel) in de gemene delen.
De rechtsleer stelt dat de akte waarbij de verschillende mede-eigenaars hun rechten in de gemene delen wijzigen, niet kan beschouwd worden als een declaratieve akte noch volgens het burgerlijk recht noch uit een fiscaal oogpunt.
Naar aanleiding van de definitieve toekenning van de gemene delen aan de appartementen werd een essentieel onderscheid tot stand gebracht tussen de gemene delen die toegekend werden aan elk appartement, in die zin dat er geen sprake meer kan zijn van een overdracht van onverdeelde delen tussen mede-eigenaars die op deze zaak rechten van dezelfde aard bezitten.
De hiervoor uiteengezette principes leiden tot de heffing van hetzij het recht voorzien bij artikel 44 W.Reg. voor de overdrachten ten bezwarende titel, hetzij het schenkingsrecht bedoeld in artikel 131 W.Reg. De heffingsgrondslag zal bepaald worden door de overeengekomen waarde met als minimum de verkoopwaarde en door de verkoopwaarde in geval van een schenking.
21. Wijziging van de basisakte - Verdeling en herverdeling.
Stel een perceel grond bestemd voor de oprichting van meerdere gebouwen dat beheerst wordt door één enkele basisakte. De huidige mede-eigenaars wensen deze toestand te beëindigen, meer bepaald door de grond te verdelen in eventueel percelen als er onderscheiden gebouwen bestaan en door hun rechten in het geheel van de grond nog enkel te laten slaan op het perceel grond waarop het gebouw, waarin ze eigenaar van verdeelde delen zijn, is opgericht.
Voor zover de herverdeling van de rechten van elke mede-eigenaar in de gemene delen, zoals omschreven in de nieuwe basisakte, geen toename van zijn rechten aan het licht brengt in vergelijking met de vroegere verdeling (zuiver mathematisch berekend), anders gesteld in de mate waarin de nieuwe basisakte een nieuwe reorganisatie in de aanwending van de gemene delen voorstelt, lijkt het niet mogelijk om een ander recht te heffen dan het algemeen vast recht. In feite heeft er reeds een verdeling plaats gevonden in de oorspronkelijke basisakte en is er geen overdracht van zakelijke rechten.
Voorbeeld:
Veronderstel drie verschillende gebouwen opgericht op eenzelfde perceel grond. Het eerste omvat 6 appartementen, het tweede 9 appartementen en het derde 12 appartementen. Elke eigenaar van een appartement is eveneens eigenaar van 1/27 in de totaliteit van de grond.
Op heden wensen de verschillende eigenaars dat elk gebouw een zelfstandige eenheid vormt. Met het oog hierop zal elkeen zijn aandelen in de totaliteit van de grond beperkt zien tot het deel van de grond waarop het gebouw is opgericht waarin hij een privatief appartement bezit. Er is bijgevolg een verdeling van de grond met toebedeling van een derde van de grond aan elk bestaand gebouw (rekening houdend met de feitelijke toestand kunnen de drie nieuwe entiteiten een verschillende oppervlakte hebben).
Elke mede-eigenaar van het eerste gebouw ziet bijgevolg zijn oorspronkelijke aandelen in de grond veranderen van 1/27 in de totaliteit van de grond naar 1/6 in het gedeelte van de grond dat ingevolge de verdeling toebedeeld wordt aan het eerste gebouw.
Voor zover deze verrichting geen vermeerdering van de rechten van de mede-eigenaars met zich meebrengt in vergelijking met de vroegere verdeling, is enkel het algemeen vast recht verschuldigd.
22. Terugkeer naar een stelsel van gewone onverdeeldheid.
Een dergelijke verrichting komt tot stand door ruilingen. Elke mede-eigenaar staat aan de andere mede-eigenaars de onverdeelde delen van zijn eigen kavel af die noodzakelijk zijn om het gebouw onder het stelsel van gewone onverdeeldheid te brengen maar behoudt zich tegelijk het onverdeelde deel van zijn kavel voor dat overeenstemt met zijn deel in de aldus gecreëerde gewone onverdeeldheid.
Voorbeeld:
Indien drie mede-eigenaars, die elk een appartement bezitten, het gebouw willen plaatsen onder een stelsel van gewone onverdeeldheid, dan heeft de wijziging van de basisakte in die zin tot gevolg dat elke mede-eigenaar twee derden van zijn deel afstaat aan de twee anderen. Men heeft aldus te maken met een wederzijdse overdracht van een derde van het deel van elke mede-eigenaar, of ook van een negende van het volledige gebouw (in de veronderstelling dat de drie appartementen eenzelfde waarde hebben). Deze wederzijdse overdrachten zullen als ruilingen beschouwd worden. Elk van deze ruilingen geeft aanleiding tot de heffing van het recht van 12,50 pct. berekend op een negende van de waarde van geheel het gebouw. Aangezien er in het voorbeeld drie wederkerige overdrachten zijn, zal het recht van 12,50 pct. uiteindelijk geheven worden op een derde van de waarde van het gebouw.
Namens de Minister,
De Directeur-generaal,
F. BURNONVILLE