Circulaire nr. Ci.RH.81/439.496 dd. 27.07.1992

CIRC 27.07.92/1

Circulaire nr. Ci.RH.81/439.496 dd. 27.07.1992


Bull. nr. 719, pag. 2187

BESTUURSHANDELING
Begrip
Motiveringsplicht

VESTIGING VAN DE BELASTING
Motiveringsplicht van de bestuurshandelingen


I. INLEIDING (Dezelfde tekst als die van de circ. 14.2.1992, Ci.R.14/438.580 (B. 715))

1. De W. 29.7.1991 betreffende de uitdrukkelijk motivering van de

bestuurshandelingen (B.S. 12.9.1991) gebiedt dat met ingang van 1.1.1992 alle bestuurshandelingen uitgaande van de onderscheidene administratieve overheden uitdrukkelijk worden gemotiveerd.

De tekst van de wet is opgenomen als bijlage.

II. DRAAGWIJDTE VAN DE WET (Dezelfde tekst als die van de circ. 14.2.1992, Ci.R.14/438.580 (B. 715))

Bestuurshandeling

2. Daaronder moet worden verstaan :

  • de eenzijdige rechtshandeling : d.w.z. de handeling die van één partij, nl. de administratieve overheid uitgaat en bewust is gesteld om de rechten, de vrijheden of de belangen van een individu te raken. De handeling moet dus een rechtstoestand scheppen, wijzigen of opheffen;

  • met individuele strekking : hieronder moet worden verstaan : met individuele werking of draagwijdte. Het mag dus geen handelingen met een algemene en abstracte draagwijdte betreffen (bijv. een KB);
  • uitgaande van een bestuur : ter zake betreft het een administratieve overheid, behorende tot de uitvoerende macht, zowel nationaal, communautair, gewestelijk, provinciaal als gemeentelijk, voor zover zij optreedt als een administratieve autoriteit en niet als jurisdictioneel orgaan of in een wetgevende functie.

Bij de definitie van de term "bestuur" wordt in art. 1, W. 29.7.1991 verwezen naar art. 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (R.v.S.) (D.I. 136). Uit de verwijzing kan niet worden besloten dat de bedoelde wet uitsluitend van toepassing zou zijn op beslissingen die door de R.v.S. nietig kunnen worden verklaard. Ook de bestuurshandelingen die door middel van een administratief of jurisdictioneel beroep kunnen worden aangevochten vallen onder de wet;

  • die beoogt rechtsgevolgen te hebben vóór een of meer bestuurden of voor een ander bestuur : vermits het "rechtshandelingen" (zie hoger) moet betreffen is het evident dat deze rechtsgevolgen hebben. Onder bestuurden moet worden verstaan natuurlijke of rechtspersonen in hun betrekkingen met de administratieve overheid.

Uitdrukkelijke motivering

De motivering in rechte of in feite moet uitdrukkelijk zijn. Dit betekent dus dat de "interne of materiële motivering of anders gezegd, de motivering die blijkt uit het administratieve dossier voortaan als onvoldoende zal worden aangezien. De uitdrukkelijke motivering moet expliciet de juridische basis vermelden waarop het bestuur steunt om de handeling te stellen zomede de feiten aanhalen die de genomen beslissing verantwoorden. De motivering moet dus in een direct verband staan met het dispositief van de beslissing. Het gaat ter zake om een actieve informatieplicht voor de overheid die beantwoordt aan een fundamenteel recht van de "bestuurde" op algemeen inzicht en kennis van zijn betrekkingen met het bestuur. Daaruit volgt dat vage, stereotiepe formules niet in overeenstemming zijn met de wettelijke norm.

4. De motivering moet "afdoende" zijn. Er moet dus een voldoende proportionaliteit aanwezig zijn tussen de aangehaalde motivering en de belangrijkheid van de beslissing.

Ter zake betreft het een legalisering van een inmiddels gevestigde rechtspraak van de R.v.S., naar luid waarvan de motivering de beslissing voldoende moet schragen.

5. Dringende noodzakelijkheid kan NOOIT een aanvaardbare reden zijn om de uitdrukkelijke motiveringsplicht achterwege te laten.

III. TOEPASSING INZAKE VESTIGING VAN DE BELASTINGEN

A. AANGIFTE

Verlenging van de aangiftetermijn (art. 311, WIB 92)

6. De bevoegdheid om een verlenging van de aangiftetermijn toe te kennen berust overeenkomstig art. 311, WIB 92 bij de directeur-generaal der directe belastingen of bij zijn gedelegeerde. De administratieve commentaar op dat artikel zet de regels, de praktische modaliteiten en de toekenningsvoorwaarden van een dergelijke verlenging uiteen. Er wordt aan herinnerd dat, wat betreft de algemene aanvragen om verlenging vanwege personen of organisaties die gespecialiseerd zijn in het invullen van aangiften van derden (cf. Com.IB, 218/3 tot 5), de tekst van deze commentaar op punt werd gesteld in akkoord met een beroepsvereniging van fiskaal raadgevers.

7. De beslissing tot weigering om de aangiftetermijn te verlengen, evenals de slechts gedeeltelijk gunstige beslissing, moeten verwijzen naar de wettelijke bepaling ter zake en de motieven ter verantwoording vermelden.

B. ONDERZOEK EN CONTROLE - TAXATIEPROCEDURE

Bewaring van boeken en bescheiden (art. 315, WIB 92)

8. De administratie kan een afwijking toestaan op de verplichting om de boeken en de bescheiden te bewaren op de wettelijk voorgeschreven plaats.

De Hfd.cr. oordeelt, rekening houdend met de omstandigheden, of de vraag tot afwijking kan worden ingewilligd. De administratie heeft ter zake echter bepaalde regels vastgesteld (Com.IB, 221/19).

9. In geval van weigering moet de aan de belastingplichtige mede te delen beslissing verwijzen naar art. 315, WIB 92 en vermelden waarom, in zijn geval, de voorwaarden tot een afwijking niet vervuld zijn of welke omstandigheden het verlenen van die afwijking verhinderen.

Verlenging van de antwoordtermijn van een vraag om inlichtingen (art. 316, 322, 1ste lid en 323, WIB 92) of van een bericht van wijziging (art. 346, 3de lid, WIB 92).

10. De antwoordtermijn van een vraag om inlichtingen of van een bericht van wijziging kan wegens wettige redenen worden verlengd.

Over het algemeen en in de mate als aanneembaar erkend in elk afzonderlijk geval, mogen als wettige redenen worden aangezien (Com.IB, 222/13 en 251/52) :

  • het feit dat er materieel een langere termijn nodig is dan de verleende termijn om de gevraagde inlichtingen te verstrekken of om de opmerkingen als antwoord op het bericht van wijziging met bewijsstukken te staven;
  • de ernstige ziekte of de langdurige afwezigheid van de belastingplichtige;
  • elke omstandigheid van overmacht.

11. In geval van weigering om de antwoordtermijn te verlengen moet de aan de belastingplichtige mede te delen beslissing verwijzen naar de wettelijke bepaling ter zake en de redenen vermelden waarop de in de vraag om verlenging aangehaalde motieven niet kunnen worden aangemerkt als wettige redenen in de zin van wat voorafgaat.

Bericht van wijziging (art. 346 WIB 92) en kennisgeving van aanslag van ambtswege (art. 351, WIB 92)

12. Het bericht van wijziging is slechts het beginpunt van de besprekingen tussen de administratie en de belastingplichtige met het oog op de latere vaststelling van het belastbaar bedrag (Com.IB 251/32). Dit geldt eveneens voor de kennisgeving van aanslag van ambtswege.

Evenwel is de motivering van de berichten van wijziging en van de kennisgevingen van aanslag van ambtswege reeds vereist door de fiscale bepalingen die de taxatieprocedure regelen en men dient zich daaraan te houden (Com.IB, 251/30 tot 33 en 256/24 - zie eveneens Com.IB 251/4).

Fiscale commissie (art. 347, WIB 92) en comité van advies (art. 349, WIB 92)

13. Het niet-akkoord van een belastingplichtige in geval van wijziging van zijn aangifte kan worden voorgelegd aan de fiscale commissie en, indien het een belastingplichtige betreft die krachtens een wettelijk ingestelde tucht tot het beroepsgeheim is gehouden, aan het comité van advies.

De fiscale commissie heeft geen andere wettelijke zending dan te beraadslagen over het inkomstencijfer van de belastingplichtige (Com.IB, 252/42); principekwesties behoren niet tot haar bevoegdheid (Com.IB, 252/45 tot 49). Hetzelfde geldt voor de bevoegdheid van het comité van advies (Com.IB, 254/8).

14. De administratie heeft aanbevolen om een geschil aan de fiscale commissie of aan het comité van advies voor te leggen telkens als de belastingplichtige de tussenkomst daarvan uitdrukkelijk aanvraagt (Com.IB, 252/57 en 254/8). De weigeringen zijn in beginsel dus beperkt tot kwesties waarvoor de fiscale commissie of het comité van advies niet bevoegd zijn.

15. In geval van weigering moet de aan de belastingplichtige mede te delen beslissing verwijzen naar de wettelijke bepaling ter zake en de reden van de weigering vermelden.

C. ADMINISTRATIEVE SANCTIES

Belastingverhogingen (art. 444, WIB 92)

16. Wanneer belastingverhogingen worden toegepast moet de belastingplichtige voortaan, in alle gevallen, worden ingelicht over de desbetreffende wettelijke bepaling en, met redenen omkleed, over de toepasselijke belastingverhoging (vermelding van de aard, de ernst en de rang van de overtreding). Deze inlichting moet worden verstrekt in het bericht van wijziging of de kennisgeving van aanslag van ambtswege, of, bij gebreke daarvan, bij gewone brief.

Administratieve boete (art. 445, WIB 92)

17. Alvorens een administratieve boete in te kohieren geeft de Hfd.cr. de overtreder kennis van de wettelijke bepaling ter zake, van de aard van de overtreding en van het bedrag van de geldboete welke hij van zins is op te leggen. Dit geschiedt met een bericht 279F2, of hij vermeldt het nodige in een bericht van wijziging of in een kennisgeving van aanslag van ambtswege.

IV. SLOTBEMERKINGEN (Dezelfde tekst als die van de circ. 14.2.1992, Ci.R.14/438.580 (B. 715))

18. Deze circulaire bevat een eerste benadering van een ingrijpende verandering in het administratief handelen.

De W. 29.7.1991 beoogt in de eerste plaats de bestaande materiële motiveringsplicht aan te vullen of te vervangen door een formele motiveringsplicht. Het voornaamste toepassingsgebied moet worden gezocht daar waar de overheid op grond van eigen beoordelingscriteria al dan niet kan optreden.

Wellicht zal rechtsleer en rechtspraak leiden tot het bijsturen van deze onderrichtingen.

19. De ambtenaren worden derhalve verzocht alle principiële betwistingen ter zake langs hiërarchische weg aan het hoofdbestuur mede te delen.

BIJLAGE

MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN OPENBAAR AMBT

29 JULI 1991
Wet betreffende de uitdrukkelijke motivering
van de bestuurshandelingen

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,

Aan alleen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet,

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Artikel1. Voor de toepassing van deze wet moet worden verstaan onder :
  • Bestuurshandeling :

De eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor een of meer bestuurden of voor een ander bestuur;

  • Bestuur :

De administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

  • Bestuurde :

Elke natuurlijke of rechtspersoon in zijn betrekkingen met het bestuur.

Art. 2. De bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 moeten uitdrukkelijk worden gemotiveerd.

Art. 3. De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen.

Zij moeten afdoende zijn.

Art. 4. De bij deze wet voorgeschreven motiveringsplicht is niet van toepassing indien de motivering van de handeling :

de uitwendige veiligheid van de Staat in het gedrang kan brengen;
de openbare orde kan verstoren;
afbreuk kan doen aan de eerbied voor het privé-leven;
afbreuk kan doen aan de bepalingen inzake zwijgplicht.

Art. 5. Dringende noodzakelijkheid ontslaat het bestuur niet van de plicht zijn handelingen uitdrukkelijk te motiveren.

Art. 6. Deze wet is slechts van toepassing op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen dan die bepaald in de voorgaande artikelen.

Art. 7. Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de vierde maand volgend op die van haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Motril (Spanje), 29 juli 1991.