Frankrijk - Circulaire Circ. 920, 3de add. d.d. 10.10.1968
Bulletin nr. 457, p. 1751-1764
Dubbelbelastingverdragen. – Frankrijk.
Onderrichtingen betreffende de Frans-Belgische overeenkomst van 10 maart 1964.
Circ. 920, 3de addendum van 10 oktober 1968.
De in art. 24, § 4, van de Frans-Belgische overeenkomst van 10.3.1964 bedoelde gemengde commissie is bijeengekomen om een oplossing te zoeken voor de moeilijkheden welke bij de toepassing van die overeenkomst zijn ondervonden. De hierna volgende bijwerkingen aan circ. 920 vertolken de oplossingen die door de gemengde commissie met betrekking tot die moeilijkheden werden aangenomen.
Die bijwerkingen beogen bovendien de circ. aan te passen aan de wijzigingen in de wetgeving of de administratieve voorschriften die sedert haar publicatie zijn ingetreden en een invloed hebben op de toepassing van sommige bepalingen van de overeenkomst. Enkel de wijzigingen die te dien opzichte van een zeker belang zijn werden in acht genomen, zodat onderhavige bijwerking geen rekening houdt :
- met de wijzigingen aan de manier om het nettobedrag van de definitief belaste inkomsten te bepalen (W. 15.7.1966) :
- met de verhoging van 5 tot 6 van het aantal opcentiemen ten bate van het Speciaal Fonds (W. 7.4.1967).
Anderzijds mag niet uit het oog worden verloren dat sinds 1.1.1967 :
- de R.V. in het gemeen recht van 15 op 20% is gebracht en, wat Belgische dividenden betreft, niet meer op 85, 70 van het belastbare bedrag wordt berekend :
- de A.R.V. is afgeschaft met als gevolg dat de in nrs 22 en 33 voorkomende commentaar in verband met sinds 1.1.1967 toegekende of betaalbaar gestelde dividenden en interesten zonder voorwerp is.
1. In de korte inhoud op blz. 2 onder nr 34bis inlassen:
Dividenden en interesten, herkomstig uit een Staat en toegekend aan de vaste inrichting waarover een onderneming van die Staat in de andere Staat beschikt.
2. In de linkerkolom van de tabellen blz. 6 en 7:
- onder de rubriek “1. Dividenden (1)” de tekst als volgt vervangen:
a) toegekend of betaalbaar gesteld voor 1.1.1967:
R.V. volgens het gemeen recht. Geen A.R.V. wanneer de aandelen of delen geen deel uitmaken van de activa van een Belgische vaste inrichting; gemeen recht in het tegenovergestelde geval (art. 15, overeenk. en nr 3, Protoc.);
b) toegekend of betaalbaar gesteld met ingang van 1.1.1967 R.V. beperkt tot 18 % van het brutobedrag van de dividenden wanneer de aandelen of delen geen deel uitmaken van de activa van een Belgische vaste inrichting : gemeen recht in het “tegenovergestelde geval (circ. 925bis, nrs 2 en 4)” :
- onder de rubriek “2. Interesten”, de tekst als volgt vervangen:
a) toegekend voor 1.1.1967:
R.V. volgens het gemeen recht. Geen A.R.V. wanneer de obligaties, schuldvorderingen of deposito’s geen deel uitmaken van de activa van een Belgische vaste inrichting: gemeen recht in het tegenovergestelde geval (art. 16, overeenk. en art. 2. Goedkeuringswet);
b) toegekend met ingang van 1.1.1967:
R.V. beperkt tot 15% van het brutobedrag van de interesten wanneer de obligaties, schuldvorderingen of deposito’s geen deel uitmaken van de activa van een Belgische vaste inrichting; gemeen recht in het tegenovergestelde geval (circ. 925bis, nrs 2 en 9).
3. In de linkerkolom van de tabel blz. 14 laatste regel van 5b. “nr 26” vervangen door “nr 27”.
4. In nr 5, 2de regel (blz. 21) “twee bijzonderheden” vervangen door “enkele bijzonderheden”.
5. In nr 5, na 1° (blz. 22) een als volgt luidend 2° inlassen (het bestaande 2° wordt 3°):
2° Bureaus voor reclame, voor het geven van inlichtingen of voor onderzoek.
Volgens art. 4, § 5e, overeenk., vormen geen vaste inrichtingen de vaste bedrijfsinstallaties die uitsluitend worden gebruikt voor reclamedoeleinden, voor het geven van inlichtingen, voor wetenschappelijk onderzoek of voor soortgelijke werkzaamheden, welke voor de onderneming van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben. Een zulkdanig karakter moet met name worden toegeschreven aan de werkzaamheden van een reclame- of inlichtingsbureau dat zich ertoe beperkt aan het publiek inlichtingen van algemene aard te verschaffen over de door de onderneming waarvan het afhangt verkochte of gefabriceerde producten.
Er kan evenwel twijfel oprijzen aangaande het voorbereidend of hulpkarakter van de activiteit wanneer deze niet beperkt is tot marktstudie maar in werkelijkheid het bezoeken van mogelijke klanten omvat met het oog op het opmaken van aan de goedkeuring van de hoofdzetel van de onderneming te onderwerpen contracten. In zulkdanige gevallen en voor zover er betwisting is, dienen de taxatiediensten, volgens de hiërarchische weg bij het Hoofdbestuur omstandig verslag uit te brengen.
6. In nr 6, 8ste regel (blz. 23) de tekst tussen haakjes als volgt aanvullen : “en Com.I.B. nr 248/102”.
7. In nr 15 (blz. 28) de tweede zin als volgt vervangen :
Nadere gegevens worden verstrekt in het Handboek van de periodieke werkzaamheden (Deel II, titel 1. Nrs 122 en 123) en in de Voorlichtingen omtrent de berekening van de aanslagen over de aanslagjaren 1966 en volgende (cf. ook Com.I.B. nrs “186/52.1 en 52.2)”.
8. In nr 19:
- in het 1ste lid, 2de regel (blz. 29) de woorden “worden toegekend” vervangen door “voor 1.1.1967 zijn toegekend” ;
- een als volgt luidend 3de lid (blz. 29) inlassen :
Dividenden van Belgische oorsprong, die met ingang van 1.1.1967 worden toegekend aan verblijfhouders van Frankrijk, ondergaan de R.V. beperkt tot 18% van het brutobedrag, wanneer de aandelen of delen geen deel uitmaken van de activa van een Belgische vaste inrichting (cf. circ. 925bis); in het tegenovergestelde geval ondergaan zij het gemeen recht (art. 15, § 2. Overeenk.)
9. In nr 20 het 2e lid (blz. 30) als volgt vervangen:
Aangezien de notie ‘inkomsten van interestaandelen” van vennoten in de overeenkomst niet wordt omschreven, past het (cf. art. 22) hieraan de betekenis te geven die zij volgens de interne wetgeving van de twee Staten heeft en, meer in ’t bijzonder, zich te houden aan de wetgeving van de Staat waarvan de vennootschap verblijfhouder is. Aldus moet de regeling van art. 15 ook worden toegepast:
- op de interesten van voorschotten welke aan Belgische personenvennootschappen worden toegestaan door vennoten of door sommige leden van hun gezin (volgens art. 15. Lid 2, 2e W.I.B. zijn die interesten ink. Bel. Kap.);
- op de interesten van sommen welke vennoten van Franse personenvennootschappen, die in rechte of in feite de leiding van de onderneming hebben, ter beschikking van de vennootschappen laten, in de mate dat de door de vennoten geleende sommen het bedrag van het maatschappelijk kapitaal overtreffen (die interesten zijn in de Franse belastingwetgeving gelijkgesteld met inkomsten van maatschappelijke aandelen of delen).
10. Het nr 23 met volgend lid aanvullen:
De terugbetalingsprocedure wordt ook aangenomen voor inkomsten van Franse effecten die gedeponeerd zijn in Belgische banken. De houders, verblijfhouders van België, wier Franse waarden in Belgische banken zijn gedeponeerd kunnen, na voor het nettobedrag van de dividenden te zijn gecrediteerd, de terugbetaling bekomen van het gedeelte van de Franse inhouding dat werd geïnd boven het door de overeenkomst toegestane tarief, op overlegging van het vereiste attest binnen de gestelde termijn. Aan het attest moet echter een door de Belgische bank opgemaakt getuigschrift worden toegevoegd, waarop zijn vermeld de datum van uitbetaling van de inkomsten aan de genieters alsook een verklaring dat de coupons wel degelijk tot hun nettobedrag na Franse belasting zijn uitbetaald. In de praktijk mag dit getuigschrift van het aan de genieter afgeleverde couponborderel of creditbericht, op voorwaarde dat die documenten de voormelde aanduidingen betreffende de datum van de uitbetaling en het bedrag van de coupons bevatten.
11. De nr 25 tot 29 door het volgende vervangen:
Algemene opmerkingen.
25. Inzake de toewijzing van de heffingsbevoegdheid bevat de overeenkomst duidelijke en nauwkeurige regels in verband met sommige inkomsten van vennoten, terwijl zij minder uitdrukkelijk is wat het stelsel van andere inkomsten betreft.
Luidens art. 22 hebben de door de overeenkomst niet nader omschreven begrippen in elke verdragsluitende Staat de betekenis die daaraan wordt toegekend door de wetgeving van die Staat. Bij gebreke van een uitdrukkelijke bepaling in de overeenkomst die de aard van de inkomsten van vennoten van personenvennootschappen wijzigt, behouden die inkomsten aldus de kwalificatie die zij volgens de interne wetgeving in elk van de twee Staten hebben: die kwalificatie is doorslaggevend voor de toewijzing van de heffingsbevoegdheid, in de mate dat de overeenkomst in geen eigen regels voorziet.
De toepassing van dit principe heeft aanleiding gegeven tot meningsverschillen tussen de twee Staten betreffende het stelsel van sommige inkomsten van vennoten die in België en Frankrijk op verschillende wijze worden gekwalificeerd. Om deze toestand te verhelpen heeft de in art. 24, § 4, overeenk. ingestelde gemengde commissie beslist dat de inkomsten van vennoten waarvan het stelsel niet uitdrukkelijk door de overeenkomst is bepaald voor de toewijzing van de heffingsbevoegdheid de kwalificatie zullen hebben die zij hebben volgens de belastingwetgeving van de Staat waar zich de zetel van de werkelijke leiding van de vennootschap bevindt (Staat waarvan de vennootschap verblijfhouder is).
Deze regel heeft geen ander doel dan met zekerheid te bepalen welke van beide Staten bevoegd is om de inkomsten te belasten. Wat de aanslagmodaliteiten betreft zijn de bepalingen toe te passen van het gemeen recht van de Staat welke die inkomsten mag belasten; voor zover België het recht behoudt de inkomsten van vennoten te belasten, zijn die inkomsten derhalve aan de belasting onderworpen als winsten of als inkomsten van belegde kapitalen, volgens het onderscheid dat door onze interne wetgeving gemaakt wordt.
Toepassing van de verdragsregels
26. Uit de art. 4, § 2. 9 en 15. §§ 1 tot 3 samen blijkt dat onderscheid moet worden gemaakt tussen twee categorieën van vennoten.
1e categorie: werkende of niet werkende vennoten van vennootschappen onder gemeenschappelijke naam (V.G.N.), van burgerlijke vennootschappen en van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid van een van de verdragsluitende Staten, en gecommanditeerde vennoten (1) van Belgische of Franse vennootschappen bij wijze van eenvoudige geldschieting (V.E.G.).
------
(1) Onder de uitdrukking “gecommanditeerde vennoten” verstaat men hier de vennoten die voor de toepassing van de Belgische belastingen als werkende vennoten worden beschouwd.
Voor de toepassing van de overeenkomst is het onverschillig of de vennoot een verblijfhouder van België, van Frankrijk of van een derde land is. Volgens art. 4, § 2. Overeenk. zijn de inkomsten, die aan gezegde vennoten worden toegekend, uitsluitend belastbaar in het land waar de vaste inrichting waaruit ze voortkomen is gelegen: dit geldt eveneens voor inkomsten, belastbaar ten name van de vennoten van Belgische personenvennootschappen die de belasting van hun winsten in de P.B. hebben gekozen. Bovendien doelt art. 4, § 2. op uit welken hoofde ook toegekende inkomsten (inkomsten van belegde kapitalen, bezoldigingen van werkend vennoot, enz..); die bepaling behelst aldus een formele afwijking van de regels van de Belgische belastingwetgeving (die onderscheid maken volgens de aard van de inkomsten der vennoten) evenals van onze gewone verdragspraktijk (vrijwaring van ons recht tot belastingheffing – eventueel tegen het bij verdrag beperkte tarief indien de genieter een niet-verblijfhouder is – van inkomsten van belegde kapitalen die door een Belgische personenvennootschap worden uitgekeerd uit de winst van een in de andere staat gelegen vaste inrichting).
In België is dus de volgende regeling van toepassing:
a) vennoot, verblijfhouder van België of niet-verblijfhouder, van een Belgische vennootschap met vaste inrichting in Frankrijk: vrijstelling van zijn deel van de inkomsten – met inbegrip van inkomsten van belegde kapitalen (1) – dat volgens het gemeen recht overeenstemt met winst van de Franse inrichting:
b) vennoot, verblijfhouder van België of niet-verblijfhouder, van een Belgische vennootschap zonder vaste inrichting in Frankrijk: gemeen recht:
c) vennoot, verblijfhouder van België, van een Franse vennootschap zonder vaste inrichting in België: vrijstelling:
d) vennoot, verblijfhouder van België, van een Franse vennootschap met vaste inrichting in België:
- belasting van de vennoot: P.B. op het deel van de hem toegekende inkomsten dat overeenstemt met winst van de Belgische inrichting;
- belasting van de vennootschap in de B.N.V./Ven. op de winst van de Belgische inrichting; indien de Belgische vennoot in die inrichting werkzaamheden verricht en door haar wordt bezoldigd: belasting van de vennootschap in de B.N.V./ven. op de winst van de Belgische inrichting verminderd met de aan de vennoot toegekende bezoldigingen; belasting van de vennoot in de P.B. op deze bezoldigingen (=winst), alsmede op het deel van de boven deze bezoldigingen aan de vennoot toegekende inkomsten, dat overeenstemt met winst van de Belgische inrichting;
e) vennoot, verblijfhouder van Frankrijk, van een Franse vennootschap met vaste inrichting in België: in principe geen belasting van de vennoot, maar B.N.V./ven. Op de winst van de inrichting; indien de Franse vennoot evenwel in die inrichting werkzaamheden verricht en door haar wordt bezoldigd: B.N.V. op naam van de vennoot op deze bezoldigingen (=winst) en B.N.V./ven. Op de winst van de Belgische inrichting, na aftrek van deze bezoldigingen.
------
(1) De vrijstelling is met name van toepassing op de R.V. die volgens het gemeen recht op de inkomsten van belegde kapitalen verschuldigd is wanneer de vennootschap de P.B. niet heeft verkozen; de Hfd.Crs. moeten dus het vrijgestelde bedrag van die inkomsten afzonderlijk vermelden in vak V, 1 (na letter e) van het aanslagproject P/Ven.B. en in vak XI van de bijlage (na nr 5), evenals in vak A (na “opneming van op naam der vennoten belaste reserves”) van het bericht nr 334 (voorzijde).
2e categorie: werkende of niet werkende vennoten van coöperatieve vennootschappen, van Belgische P.V.B.A.'s of van Franse S.A.R.L.’s en commanditaire vennoten (1) van V.E.G.’s.
------
(1) Onder de uitdrukking “commanditaire vennoten” verstaat men hier de vennoten die voor de toepassing van de Belgische belastingen als stille vennoten worden beschouwd.
A. VENNOTEN VAN BELGISCHE VENNOOTSCHAPPEN.
Onderscheid moet worden gemaakt volgens de aard die de ten name van de vennoten belastbare inkomsten in België hebben volgens het gemeen recht.
Algemene regels (stelsel van de Ven.B.).
27. 1° Inkomsten van belegde kapitalen: zelfde regeling als voor dividenden van vennootschappen op aandelen (cf. nr 20 hierboven); geen onderscheid is te maken tussen de maatschappelijke winsten die van een Belgische of van een Franse vaste inrichting voortkomen.
Verblijfhouders van België of van een derde land zijn dienvolgens – onder voorbehoud van de toepassing van andere overeenkomsten – in dit opzicht volgens het gemeen recht belastbaar.
Wat de verblijfhouders van Frankrijk betreft, deze ondergaan persoonlijk slechts de R.V. (tegen het tarief van het gemeen recht op inkomsten toegekend voor 1.1.1967 en tegen 18% op inkomsten toegekend met ingang van 1.1.1967) op de ink. bel. kap. die hen door de Belgische vennootschap worden toegekend.
a) Werkende vennoten die geen zaakvoerders of soortgelijke mandatarissen zijn.
Bij afwezigheid van enige specifieke bepaling in de overeenkomst worden de inkomsten van werkend vennoot, die niet zijn verkregen wegens het beheer of de uitoefening van een soortgelijk mandaat in de schoot van de vennootschap, naar analogie van de regels van het Belgisch gemeen recht behandeld als nijverheids- en handelswinsten waarvan de belastingheffing wordt geregeld door art. 4. De voorschriften van nr 25 zijn dus op deze inkomsten van toepassing.
b) Vennoten die zaakvoerders of soortgelijke mandatarissen zijn.
Volgens art. 9, § 1, overeenk., mag België overeenkomstig zijn wetgeving belasting heffen van de inkomsten van werkend vennoot, die betrekking hebben op de uitoefening van een mandaat ten zetel van een vennootschap die verblijfhouder van België is. Op grond van deze tekst zou de zaakvoerder of de mandataris van een Belgische C.V. of P.V.B.A. moeten worden onderworpen aan de P.B. (zo hij niet-verblijfhouder is) op de in die hoedanigheid verkregen bezoldigingen, zelfs indien zij voortkomen uit winsten van een in Frankrijk gelegen vaste inrichting.
Dergelijke oplossing zou evenwel indruisen tegen de principes van onze wetgeving inzake belastingheffing van personenvennootschappen en hun vennoten. Inkomsten – andere dan uit belegde kapitalen – toegekend aan werkende vennoten van Belgische personenvennootschappen zijn immers gelijkgesteld met winsten en worden belast alsof zij door de vennoot uit een persoonlijke onderneming waren verkregen: verlaagd tarief voor de inkomsten die overeenstemmen met winst uit landen zonder overeenkomst: vrijstelling voor de inkomsten die overeenstemmen met winst uit landen met overeenkomst (cf. o.m. Com.I.B. nr 110/8 – 2° en 3°).
Er werd besloten dezelfde regeling toe te passen in het raam van de Frans-Belgische overeenkomst van 10.3.1964: de inkomsten – andere dan inkomsten uit belegde kapitalen – toegekend aan een werkend vennoot van een Belgische P.V.B.A. of C.V. zijn zoals voorheen vrijgesteld van Belgische belasting ten name van de vennoot (verblijfhouder van België of van een ander land) in de mate dat zij overeenstemmen met in een Franse inrichting van de vennootschap verwezenlijkte winst.
De in lid 1 hierboven vermelde regels zijn niet van toepassing op de bezoldigingen die de vennoten-zaakvoerders om een andere reden dan wegens de uitoefening van hun mandaat verkrijgen: deze bezoldigingen zijn uitsluitend belastbaar in de Staat waar de activiteit wordt uitgeoefend, d.i. vrijstelling in de andere Staat (cf. art. 9, § 2, overeenk.). Wanneer aldus een verblijfhouder van België, vennoot-zaakvoerder van een Belgische C.V. of P.V.B.A., in Frankrijk de dagelijkse leiding van een vaste inrichting van de vennootschap waarneemt en daarvoor een door die inrichting gedragen bezoldiging ontvangt, is hij ter zake van die bezoldiging enkel in Frankrijk belastbaar – behalve op het gedeelte daarvan dat volgens de Belgische wetgeving als een inkomen van belegde kapitalen zou worden beschouwd (cf. nr 27, 1°, hierboven).
Bijzonder geval: optie voor de P.B.
28. In geval van optie vormen alle uitgekeerde of niet uitgekeerde maatschappelijke winsten voor de toepassing van de belasting in de twee Staten ondernemingswinsten, onderworpen aan de regeling van art. 4, §§ 1 en 2, overeenk. Alle inkomsten, ongeacht hun benaming (bezoldigingen van werkend vennoot of inkomsten van belegde kapitalen) evenals de niet uitgekeerde winsten, die volgens het gemeen recht belastbaar zouden zijn ten name van de vennoten (verblijfhouders van België of van een ander land), zijn aldus van de Belgische belasting vrijgesteld in de mate dat zij overeenstemmen met maatschappelijke winst uit een in Frankrijk gelegen vaste inrichting (1); voor het overige zijn zij belastbaar volgens het gemeen recht.
------
(1) Er worden opgemerkt dat volgens art. 9, § 2, in België eveneens zijn vrijgesteld, de door een Franse vaste inrichting ten laste genomen bezoldigingen wegens werkzaamheden welke in die inrichting door een vennoot-zaakvoerder of door een andere soortgelijke mandataris worden uitgeoefend.
B. VENNOTEN VAN FRANSE VENNOOTSCHAPPEN.
29. Onderscheid moet worden gemaakt volgens de aard die de inkomsten van de vennoten hebben volgens de Franse belastingwetgeving.
1° Inkomsten van maatschappelijke aandelen of delen en ermede gelijkgestelde inkomsten (met inbegrip van interest van sommen die door sommige vennoten ter beschikking van de vennootschap worden gelaten – cf. nr 20, 2e lid. In fine): die inkomsten onder gaan het stelsel van art. 15. Overeenk., betreffende de dividenden van vennootschappen op aandelen; de Belgische verblijfhouders ondergaan dus in Frankrijk op die inkomsten uit een Franse vennootschap een tot 18% beperkte broninhouding.
2° lonen of wedden van vennoten die geen zaakvoerders zijn: bij toepassing van de Franse wetgeving worden de inkomsten van werkende vennoten, die geen zaakvoerders zijn, in S.A.R.L.’s en C.V.’s met zetel van werkelijke leiding in Frankrijk, beschouwd als bezoldigingen bedoeld in art. 11. Dit artikel verleent België het recht die inkomsten te belasten wanneer zij betrekking hebben:
- hetzij op een in België door een verblijfhouder van België uitgeoefende werkzaamheid;
- hetzij op een werkzaamheid in België uitgeoefend door een verblijfhouder van Frankrijk die niet voldoet aan de in art. 11, § 2, a, gestelde voorwaarden en die geen grensarbeider is in de zin van art. 11, § 2, c;
- hetzij op een in Frankrijk uitgeoefende werkzaamheid van een verblijfhouder van België die de hoedanigheid van grensarbeider heeft in de zin van art. 11, § 2, c: er werd echter beslist de toepassing van de regeling der grensarbeiders te beperken tot de gewone bezoldigingen in verband met de in Frankrijk door de betrokkene uitgeoefende werkzaamheid.
3° Bezoldigingen van vennoten-zaakvoerders: volgens art. 9, § 1, overeenk., zijn de inkomsten, door een verblijfhouder van België verkregen als zaakvoerder of ander mandataris van een Franse S.A.R.L. of C.V., in België ten name van de vennoot vrijgesteld, zelfs indien die inkomsten voortkomen van winsten door de Franse vennootschap verwezenlijkt in een vaste inrichting in België. Deze regel is echter niet van toepassing op de bezoldigingen die de vennoten-zaakvoerders in een andere hoedanigheid ontvangen: die bezoldigingen zijn uitsluitend belastbaar in de Staat waar de werkzaamheid wordt uitgeoefend (art. 9, § 2, overeenk.); aldus, indien een verblijfhouder van België of van Frankrijk, vennoot van een Franse C.V. of S.A.R.L., in België het dagelijks beheer van een vaste inrichting waarneemt die hem daarvoor bezoldigt, zijn die bezoldigingen – zelfs indien zij volgens onze wetgeving als winsten worden behandeld – enkel in België belastbaar (de winsten van de vaste inrichting, verminderd met die bezoldigingen, zijn aan de B.N.V./Ven. onderworpen)
12. In nr 30:
- Lid a) door de volgende tekst vervangen:
a) interesten (2) mogen in de bronstaat (3) aan een tot 15 t.h. beperkte belasting worden onderworpen (art. 16, §§ 1 en 3, lid 1); deze beperking heeft wezenlijk uitwerking voor interesten die met ingang van 1.1.1967 aan verblijfhouders van Frankrijk worden toegekend (cf. circ. 925bis):
- onderaan de bladzijde een als volgt luidende verwijzing (3) toevoegen:
(3) De bron van interesten wordt bepaald in art, §, overeenk Volgens de interpretatie van de gemengde commissie is deze bepaling niet alleen van toepassing op ‘interesten en opbrengsten van obligaties en enigerlei leningen” die uitdrukkelijk vermeld zijn in de e volzin van deze bepaling, maar in algemene zin op alle interesten en opbrengsten die vermeld zijn in art, §
13. Op blz. 39 een als volgt luidend nr 34bis inlassen:
Dividenden en interesten, herkomstig uit een Staat en toegekend aan de vaste inrichting, waarover een onderneming van die Staat in de andere Staat beschikt (art. 15, § 3 en 16, § 3).
34bis. Wanneer een onderneming van een Staat in de andere Staat over een vaste inrichting beschikt, kan men zich afvragen of de in art. 15, § 3 en 16, § 3, overeenk. neergelegde belastingverminderingen van toepassing zijn op de dividenden en interesten welke die inrichting behaalt uit bronnen in de eerste Staat.
Om de in dit verband bestaande twijfel weg te nemen heeft de gemengde commissie besloten, de draagwijdte van de §§ 2 en 3 van elk der art. 15 en 16 als volgt te verduidelijken op grond van art. 24, § 2, overeenk.
Alhoewel een vaste inrichting, die een onderneming van een verdragsluitende Staat in de andere verdragsluitende Staat bezit, niet kan worden gelijkgesteld met een verblijfhouder van die andere Staat in de zin van art. 1, overeenk., zal die inrichting aanspraak kunnen maken op de in art.15 en 16 overeenk. neergelegde belastingverminderingen ter zake van de dividenden en interesten uit de eerste Staat die in haar belastbare resultaten voorkomen, indien het bezit van de waarden, deposito’s of schuldvorderingen waaruit die inkomsten voortkomen haar is opgevolgd door de wetgeving of de reglementering van de Staat waar zij haar werkzaamheden uitoefent of indien het bezit daarvan aan een noodzakelijkheid beantwoordt. Dit is onder meer het geval met verzekeringsondernemingen en financiële instellingen.
Om vermindering te bekomen van de R.V. op de dividenden en interesten van Belgische oorsprong verkregen door hun Franse vaste inrichtingen, moeten de Belgische verzekeringsmaatschappijen en financiële instellingen een aangepaste aanvraag 276 Div. (F) of 276 Int (F) voorleggen, volgens de regels van de nrs 12 tot 17 van circ. 925bis. ingeval het genot van deze bepaling door andere ondernemingen mocht worden ingeroepen, past het hierover bij het Hoofdbestuur omstandig verslag uit te brengen.
14. De tekst op blz. 45 onder nr 42 wordt als volgt gewijzigd:
Aanvraag door Belgische vennootschappen.
42. De vennootschappen die vrijstelling van R.V. op dividenden van Franse oorsprong wensen te genieten, moeten dit schriftelijk aanvragen bij de belastingdienst van het ambtsgebied, uiterlijk bij het verstrijken van de termijn waarin de jaarlijkse aangifte in de Ven.B. moet worden ingediend.
Niet-inkohiering van de R.V.
Wanneer de Franse dividenden zonder bemiddeling van een in België gevestigde tussenpersoon zijn geïnd, wordt op grond van die aanvraag afgezien van de inkohiering van de R.V.
Vrijsteling van inhouding van de R.V. door de Belgische tussenpersoon.
Indien de dividenden geïnd worden door bemiddeling van een in België gevestigde tussenpersoon, moet de betrokken Belgische vennootschap vrijstelling van de R.V. vragen bij de territoriaal bevoegde belastingdienst, door middel van een formulier 276 Div. Conv. (1), waarvan zij beide exemplaren zij beide exemplaren invult en ondertekent: na ze van de vereiste verklaring te hebben voorzien (vak III), bezorgt de belastingdienst het eerste exemplaar van de aanvraag aan de verzoekster terug en bewaart het tweede exemplaar.
De aanvraagster bezorgt het eerste exemplaar van haar aanvraag aan de in België gevestigde tussenpersoon, die er mag van afzien de R.V. op de in de aanvraag vermelde Franse dividenden in te houden; de aanvraag wordt door de tussenpersoon bewaard tot staving van het speciaal register, voorgeschreven door art. 79, K.B., W.I.B..
15. Onderaan blz. 45 de volgende verwijzing toevoegen:
(1) Deze formulieren worden kosteloos aan de Belgische vennootschappen afgeleverd door de Documentatiedienst der Directe Belastingen, Paleizenstraat 48 te Brussel 3.
