Circulaire nr. AFZ/2005-0772 (AFZ 12/2005) dd. 11.07.2005

CIRC 12/2005

Circulaire nr. AFZ/2005-0772 (AFZ 12/2005) dd. 11.07.2005


BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE
Faillissement
Gerechtelijk akkoord
Recht op teruggaaf
Verlies van schuldvordering


Eerste commentaar bij de wet van 7 april 2005. Recht op teruggaaf BTW bij faillissement en gerechtelijk akkoord.

Aan alle ambtenaren van de niveaus A, B en C van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit en van de Administratie van fiscale zaken.

Inleiding
1. De wet van 7 april 2005, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 april 2005, wijzigt artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, artikel 79 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de artikelen 34 en 80 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en artikel 48 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, strekkende tot een rechtvaardiger fiscale behandeling van de schuldeisers in het kader van een gerechtelijk akkoord of faillissement.

2. Wat de teruggaaf van de BTW betreft in geval dat de schuldvordering van de prijs geheel of ten dele verloren is gegaan, is de belastingplichtige schuldeiser, die geconfronteerd wordt met niet betaalde vorderingen van zijn failliete of zijn in een procedure van akkoord verkerende afnemers, ingevolge de aangebrachte wijzigingen in staat om vlugger de teruggaaf te bekomen van de door hem reeds aan de Staat betaalde BTW.

Draagwijdte van de nieuwe bepalingen
Artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969
3. Artikel 77, § 1, 7°, van het BTW-Wetboek bepaalt dat de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag wordt teruggegeven wanneer de schuldvordering van de prijs geheel of ten dele verloren is gegaan. De teruggaaf wordt toegestaan wanneer het verlies van de schuldvordering als zeker mag worden beschouwd.

4. Wat de verliezen van schuldvorderingen betreft als gevolg van een faillissement mocht het verlies, in principe, maar als een vaststaand feit worden beschouwd op de datum van de sluiting van het faillissement. Indien de schuldeiser in het bezit was van een attest van de curator waarin voor de ingediende aangifte van schuldvordering het bedrag vermeld stond dat met zekerheid mocht worden beschouwd als volledig verloren, aanvaardde de administratie dat het verlies tot dat bedrag als vaststaand kon beschouwd worden vanaf het ogenblik van de uitreiking van dit attest.

5. Ingeval van verlies van schuldvordering als gevolg van een gerechtelijk akkoord, voorziet artikel 29 van de wet van 17 juni 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, in het opstellen door de schuldenaar van een herstelplan dat met name de betalingstermijnen en de schuldverminderingen vermeldt. Overeenkomstig artikel 35, derde lid, van voormelde wet bevrijdt de volledige uitvoering van het plan de schuldenaar volledig en definitief van alle in het plan opgenomen schuldvorderingen na goedkeuring van de definitieve opschorting door de rechtbank. De schuldvermindering vormde bijgevolg voor de concordataire schuldeiser een verlies van schuldvordering dat slechts als zeker mocht worden beschouwd vanaf de dag van het vonnis waarin de bevoegde rechtbank de volledige uitvoering van het herstelplan vaststelt, kwijting geeft aan de commissaris inzake opschorting en het einde van de opschorting uitspreekt (artikel 40 van de wet).

6. De wijziging die artikel 2, eerste gedachtestreepje, van de wet van 7 april 2005 aanbrengt aan artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 4, bestaat erin dat voortaan, in geval van faillissement, de niet door de schuldenaars betaalde schuldvorderingen als verloren worden beschouwd vanaf het ogenblik waarop het vonnis van faillietverklaring wordt uitgesproken. Bijgevolg wordt het tijdstip van het ontstaan van de vordering tot teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1, 7°, van het Wetboek vervroegd tot de datum van faillietverklaring.

7. Artikel 2, tweede gedachtestreepje van deze wet wijzigt eveneens artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 4 waardoor, ingeval van een gerechtelijk akkoord, de vordering tot teruggaaf wat betreft de schuldverminderingen die in het herstelplan zijn opgenomen, eveneens kan worden uitgeoefend vanaf de definitieve opschorting. Het is dus niet meer noodzakelijk om het vonnis af te wachten dat de volledige uitvoering van het herstelplan vaststelt, de commissaris inzake opschorting ontlast en het einde van de opschorting uitspreekt.

8. Voor de toepassing van deze nieuwe bepalingen wordt geen enkel onderscheid gemaakt tussen de schuldeisers, ongeacht het gaat om gewone schuldeisers, bevoorrechte of hypothecaire schuldeisers.

Artikel 79 van het BTW-Wetboek
9. Artikel 3 van deze wet brengt een belangrijke wijziging aan aan artikel 79 van het BTW-Wetboek.

10. Indien de schuldenaar in het kader van de vereffening van het faillissement of het gerechtelijk akkoord of, meer algemeen, wanneer hij opnieuw vermogend is geworden, later het geheel of een gedeelte van de oninvorderbaar gewaande som aan zijn schuldeiser betaalt, dient deze laatste aan de Staat de BTW terug te storten die overeenstemt met het ingevorderde bedrag waarvan hij voorheen de teruggaaf heeft bekomen.

11. In de veronderstelling dat de schuldeiser, in het kader van de procedure van uitdeling tussen gewone schuldeisers, toch een dividend ontvangt, dient hij, op grond van deze laatste bepaling, eveneens het overeenstemmend bedrag BTW aan de Schatkist terug te storten.

Artikelen 34 en 80 van de faillissementswet van 8 augustus 1997
12. Teneinde de BTW-administratie de mogelijkheid te bieden om de passende controlemaatregelen te treffen zonder gevaar voor verjaring, passen de artikelen 4 en 5 van deze wet de faillissementswetgeving aan inzake de door de curatoren te verrichten formaliteiten (verzamelaangifte en informatieverstrekking aan de administratie).

13. Artikel 34, § 2, van de faillissementswet, gewijzigd bij voornoemd artikel 4, bepaalt dat, naast het omstandig verslag betreffende de toestand van het faillissement dat de curatoren moeten overhandigen aan de rechter-commissaris bedoeld in § 1, zij voortaan op het einde van elk kalenderjaar een verzamelaangifte inzake de BTW met betrekking tot de overeenkomsten moeten indienen. Het gaat om het geheel van de overeenkomsten afgesloten voor de datum van het vonnis van faillietverklaring. Het betreft in feite een inventaris van alle door de curator aan de schuldeisers gedane betalingen met betrekking tot aan de belasting onderworpen handelingen die deze schuldeisers aan de gefailleerde hebben verstrekt.

De auteurs van het wetsvoorstel hebben deze wijziging aan de faillissementswet gemotiveerd op grond van het feit dat de BTW-administratie door de verzamelaangifte enerzijds tijdig zou worden ingelicht van het gebeurlijk verhaal van oninvorderbaar gewaande schuldvorderingen waarvoor de teruggaaf van de belasting werd bekomen en anderzijds, gelet op de beperkte verjaringstermijn van de vordering tot voldoening van de belasting, de interesten en geldboeten (artikel 81 bis van het Wetboek), in voorkomend geval in staat zou worden gesteld de invordering van de teruggegeven belasting te verzekeren. Indien de administratie niet onmiddellijk door de curator of de rechter-commissaris wordt ingelicht, dient zij zelf de nodige stappen te ondernemen om de voormelde verzamelaangifte te raadplegen in het dossier van de gefailleerde.

14. Artikel 80 van de faillissementswet, gewijzigd bij voormeld artikel 5, voert overigens ten aanzien van de curatoren de verplichting in om binnen een maand na de afsluiting van het faillissement aan de administratie van de BTW en de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit een kopie toe te zenden van de verbeterde vereenvoudigde rekening van het faillissement samen met een overzicht van de bedragen die effectief werden uitgekeerd aan de verschillende schuldeisers.

Artikel 48 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
15. Artikel 6 van voorliggende wet vult artikel 48 WIB92 aan met een bepaling die een fiscale vrijstelling toekent voor een waardevermindering en voorziening voor vorderingen waarvoor op basis van de wet betreffende het gerechtelijk akkoord de definitieve opschorting van betaling is bekomen en dit gedurende de belastbare tijdperken dat die definitieve opschorting van kracht is.

Inwerkingtreding
16. De bepalingen van de wet van 7 april 2005 zijn in werking getreden op 30 april 2005.

17. De aandacht wordt gevestigd op het feit dat de vordering tot teruggaaf niet alleen kan worden uitgeoefend voor de verloren schuldvorderingen ingevolge faillissementen waarvan het vonnis van faillietverklaring plaatsvindt vanaf de inwerkingtreding van voornoemde wet, maar ook voor alle verloren schuldvorderingen m.b.t. vroegere vonnissen van faillietverklaring voor zover uiteraard de afsluiting van het faillissement nog niet heeft plaatsgevonden of de vordering tot teruggaaf nog niet werd uitgeoefend op grond van het door de curator uitgereikte attest vóór de inwerkingtreding van voormelde wet. De vordering tot teruggaaf kan eveneens worden uitgeoefend voor de schuldvorderingen die zijn verloren gegaan ingevolge definitieve opschortingen voorafgaand aan onderhavige nieuwe wet voor zover het vonnis waarbij het einde van de opschorting wordt uitgesproken niet reeds werd geveld voor de inwerkingtreding van die wet.

18. Overeenkomstig artikel 82 bis van het BTW-Wetboek is er verjaring van de vordering tot teruggaaf na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf zich heeft voorgedaan. Alle schuldvorderingen met betrekking tot faillissementen die niet voor 30 april 2005 zijn afgesloten of betreffende niet voor 30 april 2005 beëindigde definitieve opschortingen, verjaren derhalve op 31 december 2008.

Namens de Minister :
De adjunct-administrateur-generaal,

Paul NECKEBROECK