Circulaire 2020/C/82 over de belastingverminderingen voor pensioenen en ziekte- en invaliditeitsuitkeringen

Deze circulaire bespreekt de art. 147, 151/1, 152, 154, 174/1 en 178, WIB 92, zoals ze zijn gewijzigd door de wet van 23.03.2019 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voor wat betreft de fiscale bepalingen van de jobsdeal.

berekening van de belasting ; belastingvermindering ; aanvullende vermindering ; verhoogde aanvullende vermindering ; bijkomende vermindering ; pensioenen ; vervangingsinkomsten ; ziekte- en invaliditeitsuitkeringen ; proratering ; indexering

FOD Financiën, 23.06.2020
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Personenbelasting

Inhoudstafel

I. Inleiding
II. Gecoördineerde teksten

A. WIB 92
B. KB/WIB 92

III. Wijzigingen in de berekening van de verminderingen

A. Voorafgaande opmerkingen
B. Vermindering voor pensioenen en andere vervangingsinkomsten

1. Aanvullende vermindering
2. Verhoogde aanvullende vermindering
3. Berekening van de aanvullende verminderingen
4. Uit te sluiten activiteitsinkomsten

C. Vermindering voor ZIV-uitkeringen
D. Weerslag op de bijkomende vermindering

IV. Proratering
V. Indexering
VI. Inwerkingtreding

I. Inleiding

1. Hoofdstuk 6 van de wet van 23.03.2019 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voor wat betreft de fiscale bepalingen van de jobsdeal (1) (hierna W 23.03.2019) heeft wijzigingen aangebracht aan de berekening van de belastingverminderingen voor pensioenen, andere vervangingsinkomsten en wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen (hierna ZIV-uitkeringen).

(1) BS 05.04.2019, ed. 2.

2. De wijzigingen streven voornamelijk twee doelstellingen na: het wegwerken van de pensioenval en van de activiteitsval voor gepensioneerden.

De pensioenval bestond erin dat wanneer het brutobedrag van een pensioen dat net boven een bepaald bedrag lag, werd verhoogd, het nettobedrag na belasting, van dat pensioen, niet of nauwelijks steeg.

De activiteitsval voor gepensioneerden bestond erin dat een gepensioneerde met een laag pensioen de bijkomende belastingvermindering verloor zodra hij daarnaast 1 euro activiteitsinkomsten had. Bij een kleine bijverdienste hielden zij netto zelfs minder over.

Dezelfde problemen deden zich voor bij de ZIV-uitkeringen.

II. Gecoördineerde teksten

A. WIB 92

3. Rekening houdend met de wijzigingen aangebracht door de W 23.03.2019, luiden de art. 147, 151/1, 152, 154, 174/1 en 178, §§ 1 tot 3, WIB 92, voortaan als volgt (de wijzigingen zijn onderlijnd of doorgehaald). Die wijzigingen zijn van toepassing vanaf aj. 2020.

De in die bepalingen voorkomende bedragen zijn de basisbedragen vóór indexering.

Art. 147, WIB 92

Op de overeenkomstig de artikelen 130 tot 145 bepaalde belasting met betrekking tot pensioenen en vervangingsinkomsten worden de volgende verminderingen verleend:

1° als het netto-inkomen uitsluitend uit pensioenen of andere vervangingsinkomsten bestaat: een basisvermindering van 1.148,93 EUR en een aanvullende vermindering van 236,38 EUR;

2° als het netto-inkomen gedeeltelijk uit pensioenen of andere vervangingsinkomsten bestaat: een gedeelte van de in 1° bedoelde bedragen, welk gedeelte evenredig is met de verhouding tussen, enerzijds, het netto bedrag van de pensioenen en de andere vervangingsinkomsten en, anderzijds, het netto-inkomen met uitsluiting:

a) van het loon dat bij de nieuwe werkgever wordt verkregen of van het inkomen dat uit een nieuwe zelfstandige beroepsactiviteit wordt verkregen, in geval van het verkrijgen van een in artikel 31bis, eerste lid, 1°, tweede streepje, bedoelde aanvullende vergoeding;

b) van de activiteitsinkomsten, in geval van het verkrijgen door een belastingplichtige die de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt, van een wettelijk pensioen dat niet meer bedraagt dan 10.160 EUR of in geval van het verkrijgen van een overlevingspensioen of van een overgangsuitkering;

c) van een gedeelte van de activiteitsinkomsten, in geval van het verkrijgen door een belastingplichtige die de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt van een wettelijk pensioen dat meer dan 10.160 EUR, maar niet meer dan 14 900 EUR bedraagt.

3° tot 6°

7° als het netto-inkomen uitsluitend uit werkloosheidsuitkeringen bestaat: 1.148,93 EUR;

8° als het netto-inkomen gedeeltelijk uit werkloosheidsuitkeringen bestaat: een gedeelte van het in 7° vermelde bedrag, welk gedeelte evenredig is met de verhouding tussen het nettobedrag van de werkloosheidsuitkeringen enerzijds en het netto-inkomen anderzijds;

9° als het netto-inkomen uitsluitend uit wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen bestaat: 1.541,69 EUR;

10° als het netto-inkomen gedeeltelijk uit wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen bestaat: een gedeelte van het in 9° vermelde bedrag, welk gedeelte evenredig is met de verhouding tussen het nettobedrag van de wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen enerzijds en het netto-inkomen anderzijds.

Onder activiteitsinkomsten als bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt verstaan de beroepsinkomsten verminderd met:

1° de in artikel 23, § 1, 5°, bedoelde inkomsten;

2° de vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van inkomsten.

Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, c, wordt het gedeelte van de activiteitsinkomsten dat wordt uitgesloten uit het netto-inkomen bepaald naar de verhouding tussen, eensdeels, het verschil tussen 14.900 EUR en het wettelijke pensioen en, anderdeels, het verschil tussen 14.900 EUR en 10.160 EUR.

Wanneer voor een bepaald aanslagjaar de belasting op pensioenen en andere vervangingsinkomsten na toepassing van deze afdeling niet tot nul is teruggebracht voor een belastingplichtige met een belastbaar inkomen dat gelijk is aan 10.160 EUR en uitsluitend bestaat uit pensioenen en andere vervangingsinkomsten, verhoogt de Koning het in het eerste lid, 1°, vermelde bedrag van de aanvullende vermindering tot het bedrag dat nodig is om voor de voormelde belastingplichtige de belasting alsnog tot nul terug te brengen. Dit verhoogde bedrag is enkel van toepassing voor het betrokken aanslagjaar.

Art. 151/1, WIB 92

De aanvullende verminderingen voor pensioenen en andere vervangingsinkomsten worden niet verleend wanneer het belastbare inkomen 14.900 EUR of meer bedraagt. Wanneer het belastbare inkomen begrepen is tussen 10.160 EUR en 14.900 EUR, worden die verminderingen slechts verleend tot een deel dat wordt bepaald naar de verhouding tussen, eensdeels, het verschil tussen 14.900 EUR en het belastbare inkomen en, anderdeels, het verschil tussen 14.900 EUR en 10.160 EUR.

Art. 152, WIB 92

Wanneer het belastbare inkomen 29.800 EUR of meer bedraagt, worden de niet in de artikelen 151 en 151/1 vermelde verminderingen slechts tot één derde verleend. Wanneer het belastbare inkomen begrepen is tussen 14.900 EUR en 29.800 EUR, wordt deze grens van één derde vermeerderd met een deel van de resterende tweederde bepaald door de verhouding tussen, eensdeels, het verschil tussen 29.800 EUR en het belastbare inkomen en, anderdeels, het verschil tussen 29.800 EUR en 14.900 EUR.

Art. 154, WIB 92

§ 1. Een bijkomende vermindering wordt verleend wanneer het totale netto-inkomen uitsluitend bestaat uit:

1° werkloosheidsuitkeringen;

2° werkloosheidsuitkeringen enerzijds en pensioenen, wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen of andere vervangingsinkomsten anderzijds.

De bijkomende vermindering wordt berekend volgens de in de volgende paragrafen bepaalde regels.

§ 2. De bijkomende vermindering is gelijk aan de belasting die overblijft na toepassing van de artikelen 147 tot 153 wanneer het totale netto-inkomen uitsluitend bestaat uit:

1° werkloosheidsuitkeringen en het bedrag van die uitkeringen niet hoger is dan het maximumbedrag van de wettelijke werkloosheidsuitkering dat kan worden toegekend tijdens de eerste twaalf maanden van volledige werkloosheid;

2° werkloosheidsuitkeringen enerzijds en pensioenen, wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen of andere vervangingsinkomsten anderzijds en het totale bedrag van die inkomsten niet hoger is dan 10.160 euro.

3° wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen en het bedrag van die inkomsten niet hoger is dan tien negenden van het maximumbedrag van de wettelijke werkloosheidsuitkering dat kan worden toegekend na de eerste twaalf maanden van volledige werkloosheid, de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen niet inbegrepen.

Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden de totale netto-inkomens van de beide echtgenoten samengeteld voor de toepassing van het eerste lid.

§ 3. In de andere dan in § 2 bedoelde gevallen en wanneer het totale netto-inkomen uitsluitend bestaat uit werkloosheidsuitkeringen, is de bijkomende vermindering gelijk aan het positieve verschil tussen:

1° het bedrag van de belasting dat nog overblijft na toepassing van de artikelen 147 tot 153, en

2° het verschil tussen die werkloosheidsuitkeringen en het maximumbedrag dat overeenkomstig paragraaf 2, eerste lid, 1°, van toepassing is.

Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden zowel de totale netto-inkomens als het bedrag van de overblijvende belasting van de beide echtgenoten samengeteld voor de toepassing van het eerste lid.

De aldus berekende bijkomende vermindering wordt verdeeld in verhouding tot het bedrag van de belasting van elke echtgenoot die nog overblijft na toepassing van de artikelen 147 tot 153.

§ 3/1. In de andere dan in de paragraaf 2 bedoelde gevallen en wanneer het totale netto-inkomen uitsluitend bestaat uit werkloosheidsuitkeringen enerzijds en pensioenen, wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen of andere vervangingsinkomsten anderzijds is de bijkomende vermindering gelijk aan het positieve verschil tussen:

1° het bedrag van de belasting dat nog overblijft na toepassing van de artikelen 147 tot 153, en

2° 90 pct. van het verschil tussen het bedrag van de vervangingsinkomsten en, desgevallend, pensioenen en 10.160 euro.

De bijkomende vermindering wordt in voorkomend geval verdeeld naar de verhouding van het gedeelte van de belasting dat nog overblijft na toepassing van de artikelen 147 tot 153 en dat respectievelijk betrekking heeft op pensioenen of andere vervangingsinkomsten, op werkloosheidsuitkeringen of op wettelijke ziekte- en invaliditeitsvergoedingen met het totaal van de belasting dat overblijft na toepassing van de artikelen 147 tot 153.

Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden zowel de totale netto-inkomens als het bedrag van de overblijvende belasting van de beide echtgenoten samengeteld voor de toepassing van het eerste lid.

De aldus berekende bijkomende vermindering wordt verdeeld in verhouding tot het bedrag van de belasting van elke echtgenoot die nog overblijft na toepassing van de artikelen 147 tot 153.

§ 4. Voor de aanslagjaren 2020 en volgende wordt het in paragraaf 2, eerste lid, 1°, bedoelde maximumbedrag bepaald op basis van de bedragen van de wettelijke werkloosheidsuitkering voor het vierde jaar voorafgaand aan het aanslagjaar.

Art. 174/1, WIB 92

Wanneer het belastbare tijdperk om een andere reden dan overlijden niet overeenstemt met een volledig kalenderjaar, worden de in de artikelen 131, 132, 133, 134, § 3, eerste lid, en § 4, eerste lid, 6°, 136, 140, tweede lid, 141, 142, tweede lid, 143, 145, tweede lid, 145^6, eerste lid, eerste streepje, 145^7, § 1, vierde lid, 145^8, § 1, tweede en derde lid, 145^26, § 3, vierde lid, 145^26/1, § 2, eerste lid, 145^27, § 2, zesde lid, 145^28, § 1, derde lid, 145^32, § 1, vierde lid, 145^33, § 1, vierde lid, 145^34, tweede lid, 1°, en vijfde lid, 147, 151 tot 152, 154, 171, 1°, i, en 4°, j, en 172, derde lid, vermelde bedragen, desgevallend na toepassing van artikel 178, evenals het in artikel 154 bedoelde maximumbedrag van de wettelijke werkloosheidsuitkering verminderd in verhouding tot de duur van het belastbare tijdperk uitgedrukt in maanden ten opzichte van 12 maanden.

Om de duur van het belastbare tijdperk uitgedrukt in maanden te bepalen, wordt elke kalendermaand waarvan de vijftiende dag tot het belastbare tijdperk behoort, als een volledige maand in aanmerking genomen.

De overeenkomstig het eerste lid verminderde bedragen worden afgerond op het hogere of lagere veelvoud van 10 euro, naargelang de eenheid al dan niet 5 euro bereikt.

In afwijking van het derde lid, worden de in artikel 147 vermelde bedragen van de verminderingen en het in artikel 154 bedoelde maximumbedrag van de wettelijke werkloosheidsuitkering, na overeenkomstig het eerste lid te zijn verminderd, afgerond tot de hogere of lagere cent, naargelang het cijfer van de duizendsten al dan niet 5 bereikt.

Art. 178, §§ 1 tot 3, WIB 92

§ 1. De bedragen die in deze titel en in de desbetreffende bijzondere wetsbepalingen zijn uitgedrukt in euro, worden met betrekking tot inkomstengrenzen en -schijven, vrijstellingen, verminderingen, aftrekken en beperkingen of begrenzingen ervan, jaarlijks en gelijktijdig aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast onverminderd de toepassing van de bepalingen van § 3.

§ 2. De aanpassing gebeurt met behulp van de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988.

Bij de berekening van de coëfficiënt worden de volgende afrondingen toegepast:

1° het gemiddelde van de indexcijfers wordt afgerond tot het hogere of lagere honderdste van een punt naargelang het cijfer van de duizendsten van een punt al of niet 5 bereikt;

2° de coëfficiënt wordt afgerond tot het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet 5 bereikt.

Na toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen, met uitzondering van die vermeld in de artikelen 21, eerste lid, 14°, 38, § 1, eerste lid, 14°, a, 66bis, derde lid, en van de in artikel 147 vermelde bedragen van de verminderingen, afgerond tot het hogere of lagere veelvoud van 10 euro naargelang het cijfer van de eenheden al dan niet 5 bereikt. De bedragen vermeld in de artikelen 38, § 1, eerste lid, 14°, a, 66bis, derde lid, en de in artikel 147 vermelde bedragen van de verminderingen worden afgerond tot de hogere of lagere cent naargelang het cijfer van de duizendsten al dan niet 5 bereikt. Het in artikel 21, eerste lid, 14°, vermelde bedrag, wordt afgerond tot de hogere of lagere euro naargelang het cijfer van de centen al dan niet 50 bereikt.

§ 3. In afwijking van § 2, eerste lid, wordt, behoudens wat de in de artikelen 131 tot 133, 134, § 3, en § 4, 5°, 136 en 140 tot 143 vermelde bedragen betreft, de aanpassing verwezenlijkt:

1° voor de aanslagjaren 1994 tot 1999 met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1991 te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988;

2° voor de aanslagjaren 2000 en volgende met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991.

In afwijking van het eerste lid, 2°, wordt wat de in de artikelen 21, 145^6 tot 145^8, 145^24, § 1, 145^28, 145^32, 145^33, 145^34, vijfde lid, 145^48, 147, 151 tot 152, 154 en 243, tweede lid, vermelde bedragen betreft, de aanpassing verwezenlijkt:

1° voor de aanslagjaren 2015 tot 2018 met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2012 te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991;

2° voor de aanslagjaren 2019 en volgende door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991 en met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2016 en 2012.

B. KB/WIB 92

4. Rekening houdend met de wijzigingen aangebracht door het KB 28.06.2019 houdende uitvoering van artikel 147, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (2) (hierna KB 28.06.2019), luidt de nieuwe afdeling XXVundecies/8, die het nieuwe artikel 63^18/18, KB/WIB 92, bevat als volgt.

(2) BS 12.07.2019.
Afdeling XXVundecies/8 – Bedrag van de in artikel 147, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde aanvullende vermindering voor pensioenen en andere vervangingsinkomsten.

Art. 63^18/18, KB/WIB 92

In uitvoering van artikel 147, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt het in artikel 147, eerste lid, 1°, van dat Wetboek vermelde bedrag van de aanvullende vermindering voor pensioenen en andere vervangingsinkomsten voor aanslagjaar 2020 gebracht op 236,525 euro.

III. Wijzigingen in de berekening van de verminderingen

A. Voorafgaande opmerkingen

5. De in deze circulaire gebruikte begrippen 'pensioenen', 'werkloosheidsuitkeringen', 'ZIV-uitkeringen' en 'andere vervangingsinkomsten' zijn gedefinieerd in art. 146, WIB 92.

De bedragen die in titel III van deze circulaire voorkomen, zijn basisbedragen vóór indexering, tenzij het anders wordt aangegeven. De geïndexeerde bedragen voor aj. 2020 zijn opgenomen in de tabel onder titel V hierna.

B. Vermindering voor pensioenen en andere vervangingsinkomsten

1. Aanvullende vermindering

6. Bovenop de bestaande basisvermindering van 1.148,93 euro wordt voortaan een nieuwe aanvullende vermindering van 236,38 euro toegekend.

2. Verhoogde aanvullende vermindering

7. Als de belasting van een belastingplichtige met een uitsluitend uit pensioenen en andere vervangingsinkomsten bestaand belastbaar inkomen van 10.160 euro, na toepassing van de basisvermindering en de aanvullende vermindering, niet gelijk is aan nul, wordt die aanvullende vermindering verhoogd. In dat geval verhoogt de koning het bedrag van de aanvullende vermindering van 236,38 euro zodat de belasting alsnog tot nul wordt teruggebracht.

Het bedrag van de verhoogde aanvullende vermindering is alleen van toepassing voor het betrokken aanslagjaar.

8. Zo heeft het KB 28.06.2019 het basisbedrag van de aanvullende vermindering voor aj. 2020 verhoogd van 236,38 euro naar 236,525 euro om te komen tot een geïndexeerd bedrag van de verhoogde aanvullende vermindering van 371,06 euro.

Het bedrag van 371,06 euro is verkregen als volgt (aj. 2020):

- basisbelasting op het belastbaar inkomen van 15.940 euro

(basisbedrag : 10.160): 4.388,50 euro

- belasting op de belastingvrije som van 8.860 euro: - 2.215,00 euro

- om te slane belasting: 2.173,50 euro

- basisvermindering en aanvullende vermindering:

1.802,44 + 370,83 (basisbedragen: 1.148,93

+ 236,38) = - 2.173,27 euro

- verschil: 0,23 euro

- verhoogde aanvullende vermindering: 370,83 + 0,23 = 371,06 euro

3. Berekening van de aanvullende verminderingen

9. De aanvullende verminderingen worden verleend volgens dezelfde regels als die welke volgens de art. 150 en 153, WIB 92, al op de basisvermindering van 1.148,93 euro van toepassing waren, behalve het feit dat ze:

- niet worden verleend als het belastbaar inkomen 14.900 euro of meer bedraagt

- worden verlaagd als het belastbaar inkomen begrepen is tussen 10.160 euro en 14.900 euro. In dat geval worden de aanvullende verminderingen vermenigvuldigd met de breuk (14.900 – belastbaar inkomen) / (14.900 – 10.160).

10. Dat betekent dat de aanvullende verminderingen, net als de basisvermindering, worden berekend per echtgenoot of wettelijk samenwonende. Artikel 153, WIB 92, dat het bedrag van de vermindering beperkt tot het bedrag van de verschuldigde belasting op de bedoelde inkomsten, geldt ook voor de aanvullende verminderingen.

4. Uit te sluiten activiteitsinkomsten

11. Bij de berekening van de basisvermindering van 1.148,93 euro en de aanvullende vermindering van 236,38 euro (eventueel verhoogd) voor pensioenen en andere vervangingsinkomsten, wordt (naast de uitsluiting bepaald in art. 147, eerste lid, 2°, a, WIB 92) abstractie gemaakt van:

- de activiteitsinkomsten:

* als een belastingplichtige die de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt, een wettelijk pensioen verkrijgt van niet meer dan 10.160 euro

* als een belastingplichtige een overlevingspensioen of een overgangsuitkering verkrijgt

- een gedeelte van de activiteitsinkomsten, als een belastingplichtige die de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt, een wettelijk pensioen verkrijgt van meer dan 10.160 euro, maar niet meer dan 14.900 euro. Het uit te sluiten gedeelte van de activiteitsinkomsten wordt bepaald door de breuk (14.900 – wettelijk pensioen) / (14.900 – 10.160).

C. Vermindering voor ZIV-uitkeringen

12. Het maximale basisbedrag van de vermindering voor ZIV-uitkeringen bedraagt voortaan 1.541,69 euro in plaats van 1.530,34 euro.

D. Weerslag op de bijkomende vermindering

13. Door de invoering van de nieuwe aanvullende verminderingen voor pensioenen en andere vervangingsinkomsten en de verhoging van de vermindering voor ZIV-uitkeringen, wordt de bijkomende vermindering bedoeld in art. 154, WIB 92, niet meer toegekend, behalve als het totale netto-inkomen uitsluitend bestaat uit:

- ofwel werkloosheidsuitkeringen

- ofwel werkloosheidsuitkeringen enerzijds, en pensioenen, ZIV-uitkeringen of andere vervangingsinkomsten anderzijds.

IV. Proratering

14. Als het belastbaar tijdperk om een andere reden dan het overlijden niet met een volledig kalenderjaar overeenstemt, worden de in de art. 151/1 en 154, WIB 92, vermelde inkomstenbedragen geprorateerd volgens art. 174/1, WIB 92. De bedragen vermeld in de art. 147 en 152, WIB 92, waren al aan de proratering onderworpen.

V. Indexering

15. Hierna volgt een tabel met de verschillende bedragen die, na indexering, van toepassing zijn voor aj. 2020.

Art. WIB 92

Omschrijving

Basis-bedrag

Aj. 2020

147

Maximale vermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten:

- pensioenen en andere vervangingsinkomsten:

* basisvermindering
* aanvullende vermindering
* verhoogde aanvullende vermindering

- werkloosheidsuitkeringen:

- ZIV-uitkeringen:

Grensbedragen van het wettelijk pensioen:

Bedrag van het belastbaar inkomen voor de toepassing van de verhoogde aanvullende vermindering:

1.148,93 €
236,38 €
236,525 €

1.148,93 €

1.541,69 €

14.900 €
- 10.160 €

4.740 €

10.160 €

1.802,44 €
370,83 €
371,06 €

1.802,44 €

2.418,60 €

23.380 €

- 15.940 €

7.440 €

15.940 €

151/1

Grensbedragen van het belastbaar inkomen voor de toepassing van de beperking van de aanvullende belasting-verminderingen voor pensioenen en andere vervangingsinkomsten:





14.900 €
- 10.160 €
4.740 €





23.380 €
- 15.940 €
7.440 €

152

Grensbedragen van het belastbaar inkomen voor de toepassing van de basisvermindering voor pensioenen en andere vervangingsinkomsten, en de verminderingen voor ZIV-uitkeringen en voor werkloosheidsuitkeringen die zijn toegekend aan werklozen van 58 jaar of ouder en een anciënniteitstoeslag bevatten:








29.800 €
- 14.900 €
14.900 €








46.750 €
- 23.380 €
23.370 €

154

Grensbedrag van het totale bedrag van de inkomsten:


10.160 €


15.940 €

VI. Inwerkingtreding

16. De besproken wettelijke bepalingen treden in werking vanaf aj. 2020.

Interne ref.: 721.395