Circulaire 2020/C/144 betreffende terugbetaling en kwijtschelding

terugbetaling; kwijtschelding; beschikking; invoerrechten; teruggave van btw; overgangsmaatregelen; D.I. 534.1

FOD Financiën, 20.11.2020
Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen

Inhoudstabel

Circulaire 2020/C/144 betreffende terugbetaling en kwijtschelding

Algemeen

1. Inleiding

2. Gebruikte letterwoorden

3. Definities

4. Wettelijke bepalingen

I. Aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding

1. Algemeen

2. De aanvrager

3. De bevoegde douaneautoriteit

4. De aanvraag

4.1. Wijze van indienen

4.2. Toepassingsgebied

4.3. Inhoud

4.4. Termijnen

4.5. Aanvaarding

4.5.1. Noodzakelijke gegevens

4.5.2. Voorwaarden

4.5.3. Bewijsstukken

4.6. Datum van aanvaarding

II. Beschikking

1. Termijn

1.1. Algemeen principe

1.2. Verlenging van de beschikkingstermijn

1.2.1. Verlenging van de beschikkingstermijn op verzoek van de aanvrager

1.2.2. Verlenging van de beschikkingstermijn bij verzoek om aanvullende informatie

1.2.3. Verlenging van de beschikkingstermijn bij het recht om gehoord te worden

1.2.4. Verlenging van de beschikkingstermijn bij raadpleging van een andere douaneautoriteit

1.2.5. Verlenging van de beschikkingstermijn bij een onderzoek van de douaneautoriteiten

2. Datum van vankrachtwording

3. Recht om te worden gehoord

4. Recht op beroep

5. Beheer

5.1. Algemene bepalingen

5.2. Specifieke bepalingen

5.2.1. Herziening van een beschikking

5.2.2. Schorsing van een beschikking

6. Nietigverklaring van gunstige beschikkingen

7. Intrekking en wijziging van gunstige beschikkingen

8. Wederzijdse bijstand tussen de douaneautoriteiten

III. Gevallen van terugbetaling en kwijtschelding

1. Algemene bepalingen

1.1. Rechtsgrondslag

1.2. Minimumbedrag

1.3. Geen terugbetaling of kwijtschelding

1.4. Aanbrenging van goederen als voorwaarde voor terugbetaling of kwijtschelding

1.5. Beperking van de overbrenging van goederen

1.6. Vervulling van douaneformaliteiten

1.7. Formaliteiten in verband met de beschikking betreffende terugbetaling of kwijtschelding

1.8. Delen of onderdelen van een enkel artikel

1.9. Resten en afval

1.10. Rente

1.11. Ten onrechte terugbetaling of kwijtschelding

2. Gevallen van terugbetaling en kwijtschelding

2.1. Invoer- of uitvoerrechten die te veel in rekening zijn gebracht (artikel 117 DWU)

2.1.1. De aanvankelijk meegedeelde douaneschuld overschrijdt het verschuldigde bedrag (zie § 98, eerste deelstreepje)

2.1.2. De douaneschuld werd meegedeeld in strijd met artikel 102, lid 1, onder c) of d) DWU (zie § 98, tweede deelstreepje)

2.1.3. Toepassing van tariefmaatregelen met terugwerkende kracht

2.2. Goederen die gebreken vertonen of goederen die niet met de bepalingen van het contract in overeenstemming zijn (artikel 118 DWU)

2.3. Vergissing van de bevoegde autoriteiten (artikel 119 DWU)

2.4. Billijkheid (artikel 120 DWU)

2.5. Terugbetaling op basis van artikel 116, lid 1, 2de alinea DWU

3. Voorlegging van het dossier aan de Commissie met het oog op een besluit

3.1. Gevallen

3.2. Procedure

3.3. Verlenging van de termijn voor het vaststellen van een beschikking betreffende terugbetaling of kwijtschelding

3.4. Recht van de betrokkene om te worden gehoord

3.5. Termijnen

3.6. Mededeling van het besluit

3.7. Gevolgen van het uitblijven of het niet meedelen van een besluit

4. Uitvoer of vernietiging zonder douanetoezicht

5. Aan de Commissie te verstrekken informatie

IV. Terugbetaling of kwijtschelding van accijnzen

V. Teruggave van belasting over de toegevoegde waarde

1. Gevallen van teruggave van btw

1.1. Algemeen

1.2. Ten onrechte betaalde belasting (Btw-Wetboek, art. 77, § 1bis, 1°)

1.3. Prijsvermindering (Btw-Wetboek, artikel 77, § 1bis, 1°)

1.4. Terugzending van verpakkingsmiddelen (Btw-Wetboek, artikel 77, § 1bis, 2°)

1.5. Vernietiging of ontbinding van de overeenkomst (Btw-Wetboek, artikel 77, § 1bis, 3°)

1.6. Wederuitvoer binnen zes maanden na de aangifte ten verbruik (Btw-Wetboek, artikel 77, § 1bis, 4°)

1.7. Goederen die zijn vernietigd alvorens het toezicht van de douane te hebben verlaten (Btw-Wetboek, artikel 77, § 1bis, 5°)

1.8. Goederen die worden aangegeven voor een andere bestemming na eerst ten verbruik te zijn aangegeven (Btw-Wetboek, artikel 77, § 1bis, 6°)

1.9. Goederen die niet mogen worden gebruikt voor het doel waartoe ze zijn ingevoerd (Btw-Wetboek, artikel 77, § 1bis, 7°)

2. Procedure

2.1. Rechthebbende

2.2. Minimum

2.3. Verzoek

2.4. Bevoegdheid

2.5. Verjaringstermijn

2.6. Administratief beroep

VI. Overgangsmaatregelen

1. Algemeen

2. Praktijksituaties

2.1. Rechtsgrondslag voor het beoordelen van de aanvragen voor terugbetaling of kwijtschelding die na 1 mei 2016 werden ingediend m.b.t. een douaneschuld die vóór 1 mei 2016 is ontstaan

2.2. Mededeling van de douaneschuld betreffende de invordering van een douaneschuld ontstaan vóór 1 mei 2016

2.3. Artikel 121 DWU

2.4. Beschikkingen betreffende terugbetaling of kwijtschelding genomen na 1 mei 2016 betreffende gevallen ontstaan vóór 1 mei 2016

2.5. Beschikking genomen na 1 mei 2016 op basis van het DWU (Artikel 117 DWU), maar gebaseerd op de ‘materiële regels’ van de ‘oude’ wetgeving

VII. Intrekkingen

Bijlagen

Bijlage1: Te vermelden gegevenselementen op de aanvraag voor en de beschikking betreffende de terugbetaling of kwijtschelding van de bedragen aan invoer- of uitvoerrechten

Bijlage 2: Te vermelden specifieke gegevensvereisten op de aanvraag voor en de beschikking betreffende de terugbetaling of kwijtschelding van de bedragen aan invoer- of uitvoerrechten

Bijlage 3: Aanvraagformulier - Verzoek om aanvullende informatie wanneer goederen zich in een andere lidstaat bevinden (Bijlage 33-06 van het DWU IA)

Bijlage 4: Gemeenschappelijke gegevensvereisten - Verzoek om aanvullende informatie wanneer goederen zich in een andere lidstaat bevinden (Bijlage 33-06 van het DWU DA)

Bijlage 5: Aanvraagformulier - Europese Unie terugbetaling of kwijtschelding van rechten (Bijlage 33-07 van het DWU IA)

Bijlage 6: Gemeenschappelijke gegevensvereisten - Kwijtschelding/terugbetaling (Bijlage 33-07 van het DWU DA)

Algemeen

1. Inleiding

§ 1. Deze circulaire handelt over de terugbetaling, kwijtschelding of teruggave van de hierna opgesomde belastingen, die geboekt zijn bij het in het vrije verkeer brengen en/of bij het in verbruik stellen van goederen uit derde landen[1] of bij de uitvoer van goederen naar derde landen:
- de invoerrechten of uitvoerrechten;
- de accijnzen;
- de geïnde btw bij invoer.
§ 2. De circulaire handelt dus niet over de terugbetaling van accijnzen of van btw, geïnd op inlandse goederen of bij verwervingen binnen de Unie die niet het voorwerp zijn van douaneprocedures.
§ 3. Voor de terugbetaling van andere inningen dienen de bepalingen van de desbetreffende administratieve richtlijnen geraadpleegd te worden.
§ 4. De praktische modaliteiten voor terugbetaling, kwijtschelding of teruggave van de vorengenoemde belastingen, evenals voor de terugbetaling van magazijnrechten, zijn niet opgenomen in deze circulaire.

2. Gebruikte letterwoorden

§ 5. Voor de toepassing van deze circulaire worden de volgende letterwoorden gebruikt:
a) DWU: douanewetboek van de Unie, gepubliceerd in Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PBEU L 269 van 10 oktober 2013);
b) DWU DA: gedelegeerde handelingen van het douanewetboek van de Unie, opgenomen in de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PBEU L 343 van 29 december 2015);
c) DWU IA: uitvoeringshandelingen van het douanewetboek van de Unie, opgenomen in de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PBEU L 343 van 29 december 2015);

3. Definities

§ 6. Voor de toepassing van deze circulaire verstaat men onder:
a) douaneautoriteiten: de douanediensten van de lidstaten die bevoegd zijn voor de toepassing van de douanewetgeving, en alle overige autoriteiten die krachtens het nationale recht belast zijn met de toepassing van bepaalde onderdelen van de douanewetgeving;
b) douanewetgeving: het geheel van wetgeving bestaande uit de volgende elementen
- het DWU en de op niveau van de Unie of op nationaal niveau vastgestelde bepalingen ter aanvulling of uitvoering ervan,
- het gemeenschappelijk douanetarief,
- de wetgeving betreffende de instelling van een Unieregeling inzake douanevrijstellingen,
- internationale overeenkomsten houdende douanevoorschriften, voor zover deze van toepassing zijn in de Unie;
c) douaneschuld: de verplichting van een persoon tot betaling van het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten dat uit hoofde van de geldende douanewetgeving verschuldigd is;
d) schuldenaar: elke persoon die een douaneschuld verschuldigd is;
e) invoerrecht: het douanerecht dat bij de invoer van goederen verschuldigd is;
f) uitvoerrecht: het douanerecht dat bij de uitvoer van goederen verschuldigd is;
g) accijnzen: de accijns, de bijzondere accijns, de controleretributie en de bijdrage op de energie;
h) persoon: een natuurlijk persoon, een rechtspersoon of een vereniging van personen die geen rechtspersoonlijkheid bezit maar krachtens het Unierecht of het nationale recht wel als handelingsbekwaam is erkend;
i) douaneaangifte: de handeling waarbij een persoon in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze het voornemen kenbaar maakt om goederen onder een bepaalde douaneregeling te plaatsen, in voorkomend geval met opgave van eventuele specifieke procedures die moeten worden toegepast;
j) terugbetaling: de teruggave van een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten die zijn voldaan;
k) kwijtschelding: ontheffing van de verplichting tot betaling van een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten die niet zijn voldaan;
l) beschikking: elke beslissing welke verband houdt met de douanewetgeving die door een douaneautoriteit over een bepaald geval wordt genomen en die voor de betrokken persoon of betrokken personen rechtsgevolgen heeft;
m) douaneregeling: één van de onderstaande regelingen waaronder goederen overeenkomstig het DWU kunnen worden geplaatst:
- in het vrije verkeer brengen,
- bijzondere regelingen,
- uitvoer;
n) aangever: de persoon die in eigen naam een douaneaangifte, een aangifte tot tijdelijke opslag, een summiere aangifte bij binnenbrengen, een summiere aangifte bij uitgaan, een aangifte tot wederuitvoer of een kennisgeving van wederuitvoer indient, dan wel de persoon namens wie deze aangifte of deze kennisgeving wordt ingediend;
o) vrijgave van de goederen: terbeschikkingstelling door de douaneautoriteiten van goederen voor de doeleinden die zijn voorzien in de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst;
p) douanevertegenwoordiger: iedere persoon die door een andere persoon is aangewezen voor het vervullen van de in de douanewetgeving voorgeschreven handelingen en formaliteiten bij de douaneautoriteiten;
q) particulier: natuurlijke persoon die geen als zodanig handelende belastingplichtige is zoals omschreven in Richtlijn 2006/112/EG van de Raad;
r) derde land: een land of gebied buiten het douanegebied van de Unie;
s) team aangifteopvolging (TAO): de dienst die optreedt als centralisatiekantoor voor alle aanvragen inzake terugbetaling en kwijtschelding.

4. Wettelijke bepalingen

§ 7. Inzake invoer- en uitvoerrechten bestaat de wettelijke basis uit de artikelen:
- 116 t/m 123 DWU;
- 92 t/m 102 DWU DA;
- 172 t/m 181 DWU IA.
§ 8. Wat de accijnzen betreft, dienen de volgende wettelijke bepalingen nageleefd te worden:
- het artikel 21 van de Algemene Wet inzake Douane en Accijnzen (AWDA);
- de Wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen.
§ 9. Inzake btw wordt de wettelijke basis gevormd door:
- de artikelen 75, 77 § 1 bis, 77 bis, 82 en 82 bis van het Btw-Wetboek;
- het Koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde.

I. Aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding

1. Algemeen

§ 10. Een aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding krachtens artikel 116 DWU wordt ingediend bij de betrokken douaneautoriteit, binnen de in de § 19 voorziene termijnen. De in artikel 116, lid 1 DWU opgenomen gevallen van terugbetaling of kwijtschelding worden verder uiteengezet in de §§ 81 en 98 t/m 115.
Met inachtneming van de bevoegdheidsregels gaan de douaneautoriteiten, indien zij binnen de in de § 19 voorziene termijnen tot de vaststelling komen dat een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten overeenkomstig de artikelen 117, 119 of 120 DWU voor terugbetaling of kwijtschelding in aanmerking komt, op eigen initiatief tot terugbetaling of kwijtschelding over (zie de §§ 98 t/m 102, 108 t/m 111 of 112 t/m 115).

2. De aanvrager

§ 11. Aanvragen tot terugbetaling of kwijtschelding worden ingediend door:
- de persoon die het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten heeft voldaan of gehouden is dit te voldoen (bijvoorbeeld: de aangever)
of
- door eenieder die hem in zijn rechten en verplichtingen is opgevolgd (bijvoorbeeld: erfgenamen)
De aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding kan eveneens worden ingediend door een douanevertegenwoordiger van de in het eerste lid bedoelde persoon of personen (zie daartoe de artikelen 18 en 19 DWU).

3. De bevoegde douaneautoriteit

§ 12. De aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding van invoer- of uitvoerrechten wordt ingediend bij de bevoegde douaneautoriteit van de lidstaat waar de douaneschuld is meegedeeld.
De Teams voor Aangifteopvolging (TAO’s) centraliseren alle aanvragen tot terugbetaling of kwijtschelding.
§ 13. De lidstaten delen de Commissie een lijst mee van de douaneautoriteiten die voor het in ontvangst nemen van aanvragen zijn aangewezen. De lidstaten delen de Commissie ook alle latere wijzigingen aan deze lijst mee.

4. De aanvraag

4.1. Wijze van indienen

§ 14. De aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding geschiedt met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken maar kan, in overeenstemming met de bepalingen van de betrokken lidstaat, ook met andere middelen dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken worden gedaan.

4.2. Toepassingsgebied

§ 15. Het indienen van een aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding is verplicht bij de volgende redenen van terugbetaling of kwijtschelding:
- ongeldigmaking van de douaneaangifte;
- goederen die gebreken vertonen of goederen die niet met de bepalingen van het contract in overeenstemming zijn
De terugbetaling of kwijtschelding kan toegestaan worden, hetzij op eigen initiatief van de douaneautoriteiten of n.a.v. een aanvraag van de betrokken persoon, omwille van de volgende redenen van terugbetaling of kwijtschelding:
- invoer- of uitvoerrechten die te veel in rekening zijn gebracht;
- vergissing van de bevoegde autoriteiten;
- billijkheid.

4.3. Inhoud

§ 16. Voor de uitwisseling en de opslag van informatie die voor aanvragen en beschikkingen vereist is, gelden gemeenschappelijke gegevensvereisten.
Deze gemeenschappelijke gegevensvereisten zijn vastgesteld in de bijlage A van het DWU DA en de te gebruiken formaten en codes voor deze gegevensvereisten zijn opgenomen in het DWU IA.
§ 17. De aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding moet de volgende gegevens van bijlage A van het DWU DA bevatten:
- de gegevenselementen van kolom 4c van de tabel met gegevensvereisten die is opgenomen in hoofdstuk 1 van titel I (zie bijlage 1).
- de specifieke gegevensvereisten van titel VIII (zie bijlage 2).
De gegevenselementen in de bijlagen 1 en 2 kunnen zowel voor de aanvragen als voor de beschikkingen worden gebruikt, tenzij het betrokken gegevenselement anders is aangemerkt en bijgevolg enkel geldt voor de aanvraag of de beschikking.
§ 18. Indien een persoon een beschikking betreffende de toepassing van de douanewetgeving aanvraagt, verstrekt hij alle door de bevoegde douaneautoriteiten gevraagde inlichtingen die het voor hen mogelijk maken om een beschikking af te geven.

4.4. Termijnen

§ 19. Een aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding wordt ingediend bij de betrokken douaneautoriteit, binnen de volgende termijnen:
a) in geval van bedragen aan invoer- of uitvoerrechten die te veel in rekening zijn gebracht, vergissing van de bevoegde autoriteiten of om redenen van billijkheid: binnen drie jaar na de datum waarop de douaneschuld is meegedeeld;
b) in geval van goederen die gebreken vertonen of goederen die niet met de bepalingen van het contract in overeenstemming zijn: binnen één jaar na de datum waarop de douaneschuld is meegedeeld;
c) in geval van ongeldigmaking van een douaneaangifte: binnen de termijn die is vastgesteld in de regels voor ongeldigmaking.

Samenvattende tabel

Artikel DWU

Reden

Termijn

Art.117

Te veel invoer- of uitvoerrechten in rekening gebracht

Binnen 3 jaar na de datum waarop de douaneschuld is meegedeeld

Art.118

Goederen met gebreken of niet volgens bepalingen van het contract

Binnen 1 jaar na de datum waarop de douaneschuld is meegedeeld

Art.119

Vergissing van de bevoegde autoriteiten

Binnen 3 jaar na de datum waarop de douaneschuld is meegedeeld

Art.120

Billijkheid

Binnen 3 jaar na de datum waarop de douaneschuld is meegedeeld

Art.116, lid 1, 2de alinea

Ongeldigmaking van een douaneaangifte

Binnen:

- 90 dagen na de datum van aanvaarding van de douaneaangifte (zie art. 174, lid 2 DWU en art. 148, leden 1 t/m 3 DWU DA)

- 3 jaar te rekenen vanaf de datum van aanvaarding van de douaneaangifte (zie art. 174, lid 2 DWU en art. 148, lid 4 DWU DA)

De in de eerste alinea, onder a) en b), genoemde termijnen worden verlengd indien de indiener aantoont dat hij, ten gevolge van niet te voorziene omstandigheden of overmacht, een verzoek niet binnen de voorgeschreven termijn heeft kunnen indienen.
Een verlenging van de termijn is niet mogelijk in het geval van het indienen van een aanvraag voor de ongeldigmaking van een douaneaangifte: voor zo’n aanvraag kunnen de in artikel 148 DWU DA vastgelegde termijnen niet verlengd worden.
In de context van de douanewetgeving bevatten de begrippen “overmacht” en “niet te voorziene omstandigheden” een objectief element, dat betrekking heeft op het bestaan van abnormale omstandigheden buiten het toedoen van de marktdeelnemer, en een subjectief element, dat betrekking heeft op de verplichting voor de betrokkene om zich tegen de gevolgen van de abnormale gebeurtenis te beschermen door passende maatregelen te treffen zonder buitensporige offers te brengen.
Volgens vaste rechtspraak moet onder het begrip “overmacht” worden verstaan “abnormale en onvoorzienbare omstandigheden buiten de controle van degene die zich erop beroept, en waarvan de gevolgen niet konden worden vermeden, zelfs al had de betrokkene alle nodige zorgvuldigheid betracht”.
De begrippen “niet te voorziene omstandigheden” en “overmacht” in de betekenis van artikel 121, lid1 DWU moeten strikt worden geïnterpreteerd.
§ 20. Indien beroep is ingesteld tegen de mededeling van de douaneschuld, worden de in § 19 vermelde termijnen geschorst voor de duur van de beroepsprocedure vanaf de datum waarop het beroep is ingesteld.

4.5. Aanvaarding

§ 21. De aanvaarding van een aanvraag vereist een onderzoek van de ontvankelijkheid van het verzoek maar niet van de inhoud ervan. Daarom hangt deze aanvaarding af van de formele afhandeling van de aanvraag en niet van een beoordeling van de inhoud ervan.
§ 22. Wanneer de aanvraag door de douaneautoriteiten werd aanvaard, wordt zij geacht om:
- de noodzakelijke gegevens te bevatten;
- te beantwoorden aan de voorwaarden voor de aanvraag;
- te beschikken over de vereiste bewijsstukken

4.5.1. Noodzakelijke gegevens

§ 23. De op de aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding te vermelden gegevens zijn opgesomd in § 17.

4.5.2. Voorwaarden

§ 24. De douaneautoriteiten gaan onverwijld, doch uiterlijk binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag voor een beschikking, na of aan de voorwaarden voor aanvaarding van de aanvraag is voldaan.
§ 25. De aanvraag dient alle inlichtingen te bevatten opdat een beschikking verleend zou kunnen worden, aangevuld met de volgende voorwaarden:
a) de aanvrager is, indien vereist krachtens de regeling waarop de aanvraag ziet, geregistreerd overeenkomstig artikel 9 DWU (EORI);
b) de aanvrager is gevestigd in het douanegebied van de Unie;
c) de aanvraag is ingediend bij een douaneautoriteit die is aangewezen voor het in ontvangst nemen van aanvragen in de lidstaat van de bevoegde douaneautoriteit;
d) de aanvraag heeft geen betrekking op een beschikking met hetzelfde oogmerk als een vorige, tot dezelfde aanvrager gerichte beschikking, die gedurende het jaar voorafgaand aan de aanvraag nietig is verklaard of ingetrokken op grond van het feit dat de aanvrager niet heeft voldaan aan een krachtens die beschikking opgelegde verplichting.
§ 26. De in § 25, onder d) genoemde termijn bedraagt drie jaar wanneer de vorige beschikking nietig is verklaard overeenkomstig § 72, met name wanneer aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:
a) de beschikking is gegeven op grond van onjuiste of onvolledige gegevens;
b) de houder van de beschikking wist of had redelijkerwijze moeten weten dat de gegevens onjuist of onvolledig waren;
c) indien de gegevens juist en volledig waren geweest, zou de beschikking anders hebben geluid.
§ 27. Wanneer de aanvraag niet voldoet aan de in § 25, onder a) t/m d) gestelde voorwaarden, wordt de aanvrager niet in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt kenbaar te maken (geen recht om te worden gehoord).

4.5.3. Bewijsstukken

§ 28. De aanvraag moet de nodige bewijsstukken bevatten (onverminderd de mogelijkheid voor de douaneautoriteiten om aanvullende informatie te vragen na de aanvaarding van de aanvraag).
Het betreft hier onder andere douaneaangiften, invoer- of uitvoercertificaten, administratieve documenten, handelsdocumenten (bijvoorbeeld facturen), enz.

4.6. Datum van aanvaarding

§ 29. De datum van aanvaarding speelt een heel belangrijke rol in de besluitvorming want vanaf deze datum vangt de termijn aan om een beslissing te nemen over de inhoud van de aanvraag.
§ 30. Wanneer de douaneautoriteit een aanvraag aanvaardt overeenkomstig § 25, is de datum van aanvaarding van die aanvraag de datum waarop alle vereiste informatie door de douaneautoriteit werd ontvangen overeenkomstig § 31.
§ 31. Wanneer de douaneautoriteiten vaststellen dat de aanvraag alle inlichtingen bevat, stellen zij de aanvrager daarvan in kennis binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag.
§ 32. Er kunnen zich 3 situaties voordoen m.b.t. de datum van aanvaarding:
a)aanvaarding met mededeling door de douaneautoriteiten: wanneer werd voldaan aan de voorwaarden en de aanvrager verschaft alle vereiste informatie op het ogenblik van de indiening van zijn verzoek, is de datum van aanvaarding de datum van de indiening van de aanvraag door de aanvrager, ongeacht de datum waarop de douaneautoriteiten hebben onderzocht of alle voorwaarden werden vervuld en de aanvaarding hebben meegedeeld aan de aanvrager;
b) aanvaarding zonder mededeling van de douaneautoriteiten: indien elke mededeling van de douaneautoriteiten aan de aanvrager ontbreekt aangaande de vraag of de aanvraag al dan niet is aanvaard, wordt de aanvraag geacht te zijn aanvaard; de datum van aanvaarding wordt dan de datum waarop de aanvraag is ingediend;
c) aanvaarding in de gevallen wanneer door de douaneautoriteiten aanvullende informatie wordt vereist: wanneer de douaneautoriteiten nagaan of de voorwaarden voor de aanvaarding vervuld zijn en zij besluiten dat aanvullende informatie door de aanvrager vereist is, vragen zij aan de aanvrager om binnen een redelijke termijn, die ten hoogste 30 dagen bedraagt, deze informatie te verstrekken; in praktische termen betekent dit dat de termijn van 30 dagen voor de aanvaarding van de aanvraag tot maximaal 30 dagen verlengd kan worden als de douaneautoriteiten het noodzakelijk vinden om de aanvrager om aanvullende informatie te verzoeken; de datum van aanvaarding is de datum waarop het laatste informatiestuk is verstrekt.
§ 33. Wanneer de aanvrager in de in § 32, onder c) bedoelde situatie de door de douaneautoriteiten gevraagde aanvullende informatie niet binnen de door de hen gestelde termijn verstrekt, wordt de aanvraag niet aanvaard en wordt de aanvrager hiervan in kennis gesteld.

II. Beschikking

1. Termijn

1.1. Algemeen principe

§ 34. De bevoegde douaneautoriteit verleent een beschikking en deelt deze aan de aanvrager onverwijld en uiterlijk 120 dagen nadat de aanvraag is aanvaard mee.
§ 35. Indien de douaneautoriteiten de termijn voor het verlenen van een beschikking niet kunnen naleven, stellen zij de aanvrager daarvan in kennis vóór het verstrijken van die termijn, met opgave van de redenen en van de nieuwe termijn die zij nodig achten om een beschikking af te geven. Die nieuwe termijn is niet langer dan 30 dagen.
§ 36. Wanneer de douaneautoriteiten geen beschikking hebben genomen binnen de in § 34 of § 35 vastgestelde termijn, dan heeft de aanvrager het recht beroep in te stellen.

1.2. Verlenging van de beschikkingstermijn

1.2.1. Verlenging van de beschikkingstermijn op verzoek van de aanvrager

§ 37. Onverminderd het bepaalde in § 35 kunnen de douaneautoriteiten de termijn voor het verlenen van een beschikking, zoals vastgelegd in de douanewetgeving, verlengen indien de aanvrager daarom verzoekt voor het uitvoeren van aanpassingen teneinde aan de voorwaarden en criteria te voldoen. Deze aanpassingen en de aanvullende termijn die noodzakelijk is om ze uit te voeren, worden ter kennis gebracht van de douaneautoriteiten, die een besluit nemen over de verlenging.

1.2.2. Verlenging van de beschikkingstermijn bij verzoek om aanvullende informatie

§ 38. Wanneer de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit, na aanvaarding van de aanvraag, het nodig acht de aanvrager aanvullende informatie te vragen om haar beschikking te kunnen geven, stelt zij een termijn vast van ten hoogste 30 dagen waarbinnen de aanvrager die informatie moet verstrekken. De in artikel 22, lid 3 DWU vastgestelde beschikkingstermijn (zie de §§ 34 en 35) wordt met dezelfde duur verlengd. De aanvrager wordt in kennis gesteld van de verlenging van de beschikkingstermijn.

1.2.3. Verlenging van de beschikkingstermijn bij het recht om gehoord te worden

§ 39. De termijn waarbinnen de aanvrager zijn standpunt kenbaar kan maken voordat een voor hem ongunstige beschikking wordt gegeven (recht om te worden gehoord), bedraagt 30 dagen. Bij gebruikmaking van dit recht wordt de in artikel 22, lid 3 DWU vastgestelde beschikkingstermijn (zie de §§ 34 en 35) met 30 dagen verlengd en wordt de aanvrager in kennis gesteld van deze verlenging.

1.2.4. Verlenging van de beschikkingstermijn bij raadpleging van een andere douaneautoriteit

§ 40. Wanneer de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit de termijn om een andere douaneautoriteit te raadplegen, heeft verlengd, wordt de beschikkingstermijn met dezelfde duur verlengd als de raadplegingstermijn. De aanvrager wordt in kennis gesteld van de verlenging van de beschikkingstermijn.

1.2.5. Verlenging van de beschikkingstermijn bij een onderzoek van de douaneautoriteiten

§ 41. Wanneer er ernstige vermoedens van een inbreuk op de douanewetgeving bestaan en de douaneautoriteiten op deze gronden een onderzoek verrichten, wordt de beschikkingstermijn verlengd met de tijd die nodig is om dat onderzoek te voltooien. Deze verlenging mag niet meer dan negen maanden bedragen. De aanvrager wordt in kennis gesteld van de verlenging, tenzij dit het onderzoek in het gedrang zou brengen.

2. Datum van vankrachtwording

§ 42. Tenzij in de beschikking of de douanewetgeving anders is bepaald, wordt de beschikking van kracht op de datum waarop de aanvrager deze ontvangt of wordt geacht deze te hebben ontvangen. Met uitzondering van de in § 57 bedoelde gevallen zijn de afgegeven beschikkingen vanaf die datum uitvoerbaar door de douaneautoriteiten.
§ 43. Wanneer de beschikking pas van kracht wordt nadat de aanvrager bepaalde formaliteiten heeft vervuld, wordt de beschikking van kracht op de datum waarop de aanvrager de mededeling van de bevoegde douaneautoriteit waarin wordt verklaard dat de formaliteiten naar behoren zijn vervuld, ontvangt of wordt geacht te hebben ontvangen.
§ 44. De beschikking is onbeperkt geldig.

3. Recht om te worden gehoord

§ 45. Voordat een voor de aanvrager ongunstige beschikking wordt verleend, delen de douaneautoriteiten hem mee op welke gronden zij voornemens zijn hun beschikking te baseren.
§ 46. De in § 45 bedoelde mededeling:
a) bevat een verwijzing naar de documenten en de informatie waarop de douaneautoriteiten voornemens zijn hun beschikking te baseren;
b) vermeldt de termijn waarbinnen de betrokkene zijn standpunt kenbaar kan maken en deze termijn vangt aan op de datum waarop hij deze mededeling ontvangt of wordt geacht te hebben ontvangen;
c) bevat een verwijzing naar het recht van de betrokkene op toegang tot de documenten en informatie zoals bedoeld onder a), overeenkomstig de toepasselijke bepalingen.
§ 47. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken binnen een specifieke termijn, die aanvangt op de datum waarop hij die mededeling ontvangt of wordt geacht die te hebben ontvangen. Na het verstrijken van deze termijn wordt aan de aanvrager in de passende vorm mededeling gedaan van de beschikking.
§ 48. De termijn waarbinnen de aanvrager zijn standpunt kenbaar kan maken voordat een voor hem ongunstige beschikking wordt gegeven, bedraagt 30 dagen.
§ 49. Wanneer de betrokkene zijn standpunt kenbaar maakt vóór het verstrijken van de termijn zoals bedoeld in § 46, onder b), kunnen de douaneautoriteiten overgaan tot het nemen van de beschikking, tenzij de betrokkene gelijktijdig zijn voornemen kenbaar maakt om zijn standpunt binnen de voorgeschreven termijn nader uiteen te zetten.
§ 50. De aanvrager van een aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding wordt niet in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken (uitzondering op het recht om te worden gehoord) wanneer:
a) de aanvraag voor een beschikking niet voldoet aan de voorwaarden van § 25, onder a) t/m d);
b) de beschikking betrekking heeft op een mededeling van een besluit van de Commissie aan de aanvrager zoals bedoeld in § 117.

4. Recht op beroep

§ 51. Een voor de aanvrager ongunstige beschikking wordt met redenen omkleed en maakt melding van de mogelijkheid tot beroep.
§ 52. Eenieder heeft het recht beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken.
Eenieder die bij de douaneautoriteiten een beschikking heeft aangevraagd, doch binnen de in de §§ 34, 35 en 37 t/m 41 bedoelde termijn geen beschikking heeft verkregen, heeft eveneens het recht beroep in te stellen.
§ 53. Het recht op beroep kan in ten minste twee fasen worden uitgeoefend:
a) eerst bij de douaneautoriteiten of een rechterlijke instantie dan wel een andere instantie die daartoe door de lidstaten is aangewezen
b) vervolgens bij een hogere onafhankelijke instantie die overeenkomstig de in de lidstaten geldende bepalingen een rechterlijke instantie dan wel een gelijkwaardige gespecialiseerde instantie kan zijn.
§ 54. Het beroep wordt ingesteld in de lidstaat waar de beschikking werd verleend of aangevraagd.
§ 55. De lidstaten dragen er zorg voor dat de beroepsprocedure een snelle bevestiging of correctie van door de douaneautoriteiten gegeven beschikkingen mogelijk maakt.
§ 56. Instelling van beroep heeft ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking geen schorsende werking.
§ 57. De douaneautoriteiten schorsen evenwel de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking geheel of gedeeltelijk indien zij gegronde redenen hebben om aan te nemen dat zij niet in overeenstemming is met de douanewetgeving of dat de betrokkene onherstelbare schade dreigt te lijden.

5. Beheer

5.1. Algemene bepalingen

§ 58. De houder van de beschikking komt de daaruit voortvloeiende verplichtingen na.
§ 59. De houder van de beschikking stelt de douaneautoriteit onverwijld in kennis van alle voorvallen die zich na de vaststelling van de beschikking voordoen en die op de continuïteit of de inhoud ervan van invloed kunnen zijn.
§ 60. Onverminderd bepalingen op andere gebieden tot vaststelling van de gevallen waarin beschikkingen geen werking hebben of hun werking verliezen, kunnen de douaneautoriteiten die een beschikking hebben afgegeven, deze op elk moment nietig verklaren, wijzigen of intrekken indien zij niet in overeenstemming is met de douanewetgeving.
§ 61. De beschikkingsbevoegde douaneautoriteit bewaart alle gegevens en onderliggende informatie waarop zij zich bij het nemen van de beschikking heeft gebaseerd, tot tenminste drie jaar na de einddatum van de geldigheid van de beschikking.

5.2. Specifieke bepalingen

§ 62. In specifieke gevallen, gaan de douaneautoriteiten over tot:
a) herziening van een beschikking;
b) schorsing van een beschikking die niet nietig verklaard, ingetrokken of gewijzigd moet worden.

5.2.1. Herziening van een beschikking

§ 63. De beschikkingsbevoegde douaneautoriteit gaat over tot herziening van een beschikking in de volgende gevallen:
a) in geval van wijzigingen in de desbetreffende Uniewetgeving die gevolgen hebben voor de beschikking;
b) indien noodzakelijk naar aanleiding van het uitgeoefende toezicht;
c) indien noodzakelijk naar aanleiding van informatie verstrekt door de houder van de beschikking overeenkomstig § 59 of door andere autoriteiten.
§ 64. De beschikkingsbevoegde douaneautoriteit deelt het resultaat van de herziening mee aan de houder van de beschikking.

5.2.2. Schorsing van een beschikking
5.2.2.1. Gevallen

§ 65. De beschikkingsbevoegde douaneautoriteit gaat over tot schorsing van de beschikking in plaats van nietigverklaring, intrekking of wijziging overeenkomstig de §§ 60 en 72 t/m 76 wanneer:
a) die douaneautoriteit van oordeel is dat er voldoende redenen zijn om de beschikking nietig te verklaren, in te trekken of te wijzigen, maar zij nog niet over alle nodige elementen voor die nietigverklaring, intrekking of wijziging beschikt;
b) die douaneautoriteit van oordeel is dat de voorwaarden voor de beschikking niet zijn vervuld of dat de houder van de beschikking de verplichtingen uit hoofde van die beschikking niet nakomt, en het passend is dat de houder van de beschikking de tijd krijgt om maatregelen te treffen ter waarborging van de naleving van de voorwaarden of van de verplichtingen;
c) de houder van de beschikking om de schorsing verzoekt omdat hij tijdelijk niet in staat is aan de voorwaarden voor de beschikking te voldoen of de verplichtingen uit hoofde van die beschikking na te komen.
§ 66. In de in § 65, onder b) en c), bedoelde gevallen stelt de houder van de beschikking de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit in kennis van de maatregelen die hij zal nemen om te waarborgen dat de voorwaarden of de verplichtingen zullen worden nageleefd, en van de tijd die hij nodig heeft om deze maatregelen te nemen.

5.2.2.2. Duur van de schorsing

§ 67. In de in § 65, onder a), bedoelde gevallen komt de door de bevoegde douaneautoriteit bepaalde duur van de schorsing overeen met de termijn die die douaneautoriteit nodig heeft om vast te stellen of aan de voorwaarden voor nietigverklaring, intrekking of wijziging is voldaan. Die termijn kan niet meer dan 30 dagen bedragen.
§ 68. In de in § 65, onder b) en c), bedoelde gevallen komt de door de beschikkings-bevoegde douaneautoriteit bepaalde duur van de schorsing overeen met de door de houder van de beschikking meegedeelde termijn overeenkomstig § 66. De duur van de schorsing kan in voorkomend geval verder worden verlengd op verzoek van de houder van de beschikking.
De duur van de schorsing kan verder worden verlengd met de tijd die de bevoegde douaneautoriteit nodig heeft om na te gaan of deze maatregelen de naleving van de voorwaarden of van de verplichtingen waarborgen. Deze verlenging mag niet meer dan 30 dagen bedragen.
§ 69. Wanneer de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit, na de schorsing van een beschikking, voornemens is die beschikking nietig te verklaren, in te trekken of te wijzigen overeenkomstig de §§ 60 of de §§ 72 t/m 74 of de §§ 75 en 76, wordt de duur van de schorsing zoals bepaald overeenkomstig de §§ 67 en 68 in voorkomend geval verlengd totdat de beschikking tot nietigverklaring, intrekking of wijziging van kracht wordt.

5.2.2.3. Einde van de schorsing

§ 70. Een schorsing van een beschikking eindigt bij het verstrijken van de duur van de schorsing, tenzij vóór het verstrijken van die duur zich een van de volgende situaties voordoet:
a) de schorsing wordt herroepen omdat er, in de gevallen zoals bedoeld in § 65, onder a), geen redenen zijn om de beschikking nietig te verklaren, in te trekken of te wijzigen overeenkomstig de §§ 60 of de §§ 72 t/m 74 of de §§ 75 en 76, in welk geval de schorsing eindigt op de datum van herroeping;
b) de schorsing wordt herroepen omdat, in de gevallen zoals bedoeld in § 65, onder b) en c), de houder van de beschikking, ten genoegen van de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit, de nodige maatregelen heeft genomen om de naleving van de voorwaarden voor de beschikking of van de verplichtingen uit hoofde van die beschikking te waarborgen, in welk geval de schorsing eindigt op de datum van herroeping;
c) de geschorste beschikking wordt nietig verklaard, ingetrokken of gewijzigd, in welk geval de schorsing eindigt op de datum van nietigverklaring, intrekking of wijziging.
§ 71. De beschikkingsbevoegde douaneautoriteit stelt de houder van de beschikking in kennis van het einde van de schorsing.

6. Nietigverklaring van gunstige beschikkingen

§ 72. De douaneautoriteiten verklaren een voor de houder van de beschikking gunstige beschikking nietig als aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:
a) de beschikking is gegeven op grond van onjuiste of onvolledige gegevens;
b) de houder van de beschikking wist of had redelijkerwijze moeten weten dat de gegevens onjuist of onvolledig waren;
c) indien de gegevens juist en volledig waren geweest, zou de beschikking anders hebben geluid.
§ 73. Aan de houder van de beschikking wordt mededeling gedaan van de nietigverklaring van de beschikking.
§ 74. De nietigverklaring wordt van kracht op de datum waarop de oorspronkelijke beschikking van kracht werd, tenzij in de beschikking anders is bepaald overeenkomstig de douanewetgeving.

7. Intrekking en wijziging van gunstige beschikkingen

§ 75. Een gunstige beschikking wordt ingetrokken of gewijzigd indien, in andere dan de in de §§ 72 t/m 74 bedoelde gevallen:
a) aan een of meer voor de afgifte van de beschikking gestelde voorwaarden niet of niet meer is voldaan; of
b) de houder van de beschikking daarom verzoekt.
§ 76. Aan de houder van de beschikking wordt mededeling gedaan van de intrekking of de wijziging van de beschikking.
§ 77. Een overeenkomstig § 65 geschorste beschikking wordt door de beschikkings-bevoegde douaneautoriteit in gevallen zoals bedoeld in § 65, onder b) en c) ingetrokken wanneer de houder van de beschikking binnen de voorgeschreven termijn niet de noodzakelijke maatregelen neemt om aan de voorwaarden in de beschikking te voldoen, of er niet in slaagt om de verplichtingen uit hoofde van deze beschikking na te komen.

8. Wederzijdse bijstand tussen de douaneautoriteiten

§ 78. Wanneer voor de terugbetaling of kwijtschelding aanvullende informatie moet worden verkregen van de douaneautoriteit van een andere lidstaat dan de lidstaat waarin de douaneschuld is meegedeeld of waar de goederen door die autoriteit moeten worden onderzocht om ervoor te zorgen dat aan de voorwaarden voor terugbetaling of kwijtschelding is voldaan, verzoekt de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit de douaneautoriteit van de lidstaat waar de goederen zich bevinden om bijstand, met vermelding van de aard van de gewenste inlichtingen of de te verrichten controles.
Het verzoek om informatie dient vergezeld te gaan van de gegevens van de aanvraag en alle documenten die nodig zijn voor de douaneautoriteit van de lidstaat waar de goederen zich bevinden om de inlichtingen in te winnen of de gevraagde controles uit te voeren.
§ 79. Wanneer de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit het in § 78 bedoelde verzoek verzendt met behulp van andere middelen dan elektronische gegevensverwerkings-technieken, zendt zij de douaneautoriteit van de lidstaat waar de goederen zich bevinden, schriftelijk en in tweevoud een verzoek met behulp van het formulier in bijlage 33-06 van het DWU IA (zie bijlage 3).
De gemeenschappelijke gegevensvereisten voor het verzoek om aanvullende informatie wanneer goederen zich in een andere lidstaat bevinden, zijn vastgesteld in bijlage 33-06 van het DWU DA (zie bijlage 4).
Het in de eerste alinea bedoelde verzoek om aanvullende informatie kan met behulp van andere middelen dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken worden gedaan.
§ 80. De douaneautoriteit van de lidstaat waar de goederen zich bevinden, geeft prompt gevolg aan het in § 78 bedoelde verzoek.
Binnen 30 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek verkrijgt de douaneautoriteit van de lidstaat waar de goederen zich bevinden, de door de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit gevraagde inlichtingen of verricht zij de door deze autoriteit gevraagde controles. Zij vult de verkregen resultaten in het relevante deel van het origineel van het in § 78 bedoelde verzoek in en stuurt dat document naar de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit terug, samen met alle in § 78, tweede alinea, bedoelde documenten.
Wanneer de douaneautoriteit van de lidstaat waar de goederen zich bevinden, niet in staat is om de gevraagde inlichtingen te verkrijgen of de gevraagde controles te verrichten binnen de in de tweede alinea bedoelde termijn, stuurt zij het verzoek, na het van de passende aantekeningen te hebben voorzien, binnen 30 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek terug.

III. Gevallen van terugbetaling en kwijtschelding

1. Algemene bepalingen

1.1. Rechtsgrondslag

§ 81. Om elk van de volgende redenen wordt overgegaan tot terugbetaling of kwijtschelding van bedragen aan invoer- of uitvoerrechten:
a) invoer- of uitvoerrechten die te veel in rekening zijn gebracht (zie de §§ 98 t/m 102);
b) goederen die gebreken vertonen of goederen die niet met de bepalingen van het contract in overeenstemming zijn (zie de §§ 103 t/m 107);
c)vergissing van de bevoegde autoriteiten (zie de §§ 108 t/m 111);
d) billijkheid (zie de §§ 112 t/m 115).
Indien een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten is betaald en de desbetreffende douaneaangifte overeenkomstig artikel 174 DWU ongeldig wordt gemaakt, wordt dat bedrag terugbetaald (zie § 116).

1.2. Minimumbedrag

§ 82. De terugbetaling of kwijtschelding van invoer- of uitvoerrechten wordt slechts toegestaan wanneer het terug te betalen of kwijt te schelden bedrag 10 EUR of meer bedraagt, tenzij de betrokkene verzoekt om terugbetaling of kwijtschelding van een lager bedrag.
Kortom, als er een rechtsgrondslag is voor terugbetaling of kwijtschelding van invoer- of uitvoerrechten en er is een aanvraag door de betrokkene, moet de terugbetaling of kwijtschelding worden verleend ongeacht het bedrag. Het maakt niet uit of dat bedrag kleiner, gelijk of hoger is dan 10 EUR.
Daarentegen kan een terugbetaling of kwijtschelding van invoer- of uitvoerrechten in het kader van een ambtshalve (op initiatief van de douaneautoriteiten) terugbetaling of kwijtschelding, enkel worden verleend wanneer het betrokken bedrag 10 EUR of meer bedraagt.

1.3. Geen terugbetaling of kwijtschelding

§ 83. Er zal geen terugbetaling of kwijtschelding worden toegestaan indien de situatie die tot de mededeling van de douaneschuld heeft geleid, door frauduleuze handelingen van de schuldenaar is ontstaan.
In het algemeen geven “frauduleuze handelingen” aanleiding tot strafrechtelijke procedures. Elke marktdeelnemer die een frauduleuze handeling stelt, is uitgesloten van een terugbetaling of kwijtschelding.

1.4. Aanbrenging van goederen als voorwaarde voor terugbetaling of kwijtschelding

§ 84. Voor terugbetaling of kwijtschelding is het aanbrengen van de goederen vereist: d.i. de mededeling aan de douaneautoriteiten dat de goederen bij het douanekantoor of op enige andere, door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats zijn aangekomen en beschikbaar zijn voor douanecontrole.
Wanneer de goederen niet bij de douaneautoriteiten kunnen worden aangebracht, gaat de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit alleen over tot terugbetaling of kwijtschelding wanneer zij over bewijs beschikt dat de betrokken goederen de goederen zijn waarvoor om terugbetaling of kwijtschelding is verzocht.

1.5. Beperking van de overbrenging van goederen

§ 85. Onverminderd de bepalingen van § 89 en totdat er over de aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding is beschikt, mogen de goederen waarvoor terugbetaling of kwijtschelding wordt gevraagd, niet naar een andere dan de in de aanvraag aangegeven plaats worden overgebracht, tenzij de aanvrager vooraf de in § 12 bedoelde douaneautoriteit informeert, die de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit op de hoogte brengt.

1.6. Vervulling van douaneformaliteiten

§ 86. Wanneer de terugbetaling of kwijtschelding afhankelijk is van de vervulling van douaneformaliteiten, deelt de houder van de beschikking tot terugbetaling of kwijtschelding het toezichthoudende douanekantoor mee dat hij deze formaliteiten heeft vervuld. Wanneer de beschikking erin voorziet dat de goederen kunnen worden uitgevoerd of onder een bijzondere regeling kunnen worden geplaatst, en de schuldenaar van deze mogelijkheid gebruikmaakt, wordt het toezichthoudende douanekantoor het douanekantoor waar de goederen onder die regeling zijn geplaatst.
§ 87. Het toezichthoudende douanekantoor stelt de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit in kennis van de vervulling van de douaneformaliteiten waarvan de terugbetaling of kwijtschelding afhankelijk is, door middel van een antwoord met behulp van het formulier in bijlage 33-07 van het DWU IA (zie bijlage 5).
De gemeenschappelijke gegevensvereisten voor het antwoord op het verzoek om informatie ter vervulling van formaliteiten wanneer de aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding betrekking heeft op goederen die zich in een andere lidstaat bevinden dan die waar de douaneschuld is meegedeeld, zijn vastgesteld in bijlage 33-07 van het DWU DA (zie bijlage 6).
§ 88. Wanneer de beschikkingsbevoegde autoriteit heeft besloten dat de terugbetaling of kwijtschelding gerechtvaardigd is, wordt het bedrag van de rechten pas terugbetaald of kwijtgescholden nadat de douaneautoriteit de in § 87 bedoelde informatie heeft ontvangen.
§ 89. De beschikkingsbevoegde douaneautoriteit kan toestaan dat de douaneformaliteiten waarvan de terugbetaling of de kwijtschelding afhankelijk kan worden gesteld, worden vervuld voordat zij een beschikking neemt. Een dergelijke toestemming is niet van invloed op die beschikking. In deze gevallen zijn de §§ 86 t/m 88 van overeenkomstige toepassing.
§ 90. Onder het toezichthoudende douanekantoor wordt het douanekantoor verstaan dat erop toeziet dat, in voorkomend geval, is voldaan aan de formaliteiten of vereisten waarvan de terugbetaling of kwijtschelding van het bedrag aan invoer- en uitvoerrechten afhankelijk is gesteld.

1.7. Formaliteiten in verband met de beschikking betreffende terugbetaling of kwijtschelding

§ 91. Wanneer wordt beschikt dat de terugbetaling of kwijtschelding van de invoer- of uitvoerrechten afhankelijk wordt gesteld van de voorafgaande vervulling van bepaalde douaneformaliteiten, stelt de douaneautoriteit voor de vervulling van deze douaneformaliteiten een termijn vast van ten hoogste 60 dagen vanaf de datum van de mededeling van deze beschikking.
§ 92. Bij niet-naleving van de in § 91 bedoelde termijn vervalt het recht op terugbetaling of kwijtschelding, tenzij de belanghebbende bewijst dat hij door onvoorziene omstandigheden of overmacht verhinderd was die termijn in acht te nemen.

1.8. Delen of onderdelen van een enkel artikel

§ 93. Wanneer de terugbetaling of kwijtschelding afhankelijk is van vernietiging van goederen, het afstaan van goederen aan de staat, plaatsing van goederen onder een bijzondere regeling of de regeling van uitvoer van goederen, maar de bijbehorende formaliteiten zijn alleen vervuld voor een of meer delen of onderdelen van deze goederen, bestaat het terug te betalen of kwijt te schelden bedrag uit het verschil tussen het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten voor de goederen en het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten dat op de resterende goederen zou zijn toegepast waarbij een douaneschuld zou zijn ontstaan, op de dag van plaatsing van die goederen.

1.9. Resten en afval

§ 94. Wanneer de vernietiging van de goederen waartoe de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit toestemming heeft verleend, resten of afvallen oplevert, dienen deze als niet-Uniegoederen te worden beschouwd zodra een beschikking tot terugbetaling of kwijtschelding is genomen.

1.10. Rente

§ 95. Terugbetaling geeft geen aanleiding tot betaling van rente door de douaneautoriteiten.
Er wordt echter wel rente betaald indien een beschikking tot terugbetaling niet binnen drie maanden vanaf de dag waarop deze beschikking werd verleend, ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de niet-naleving van deze termijn niet aan de douaneautoriteiten te wijten is.
In dit geval wordt de rente betaald vanaf de dag waarop de termijn van drie maanden verstrijkt tot de dag van terugbetaling. Het tarief van deze rente wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 112 DWU.

1.11. Ten onrechte terugbetaling of kwijtschelding

§ 96. Indien de douaneautoriteiten ten onrechte terugbetaling of kwijtschelding hebben toegestaan, wordt de oorspronkelijke douaneschuld opnieuw verschuldigd, mits de geldigheid ervan niet overeenkomstig artikel 103 DWU is verjaard.
In dit geval dient alle op grond van § 95, tweede alinea, betaalde rente te worden terugbetaald.
§ 97. Wanneer de douaneautoriteiten ten onrechte terugbetaling of kwijtschelding hebben verleend, is er geen verplichting om een afzonderlijke beschikking op te stellen tot intrekking van de oorspronkelijke beschikking waarbij ten onrechte terugbetaling of kwijtschelding is verleend. Het volstaat om een nieuwe beschikking mee te delen aan de aanvrager, waarbij zijn recht om te worden gehoord opnieuw kan worden uitgeoefend.
Er is dus geen expliciete nietigverklaring, intrekking of wijziging nodig.

2. Gevallen van terugbetaling en kwijtschelding

2.1. Invoer- of uitvoerrechten die te veel in rekening zijn gebracht (artikel 117 DWU)

§ 98. Een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten wordt terugbetaald of kwijtgescholden indien:
- het bedrag dat correspondeert met de aanvankelijk meegedeelde douaneschuld het verschuldigde bedrag overschrijdt of
- indien de douaneschuld in strijd met artikel 102, lid 1, tweede alinea, onder c) of d) DWU aan de schuldenaar was meegedeeld.
§ 99. Wanneer het verzoek om terugbetaling of kwijtschelding is gegrond op het bestaan, op het tijdstip van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer van de goederen, van een verlaagd recht of een nulrecht bij invoer in het kader van een tariefcontingent, een tariefplafond of een andere gunstige tariefbehandeling, wordt de terugbetaling of kwijtschelding slechts verleend indien, op het tijdstip waarop het verzoek, voorzien van alle nodige bescheiden, wordt ingediend, is voldaan aan een van de volgende voorwaarden:
a) indien het een tariefcontingent betreft, dit niet is uitgeput;
b) in de overige gevallen, het normaal verschuldigde recht niet opnieuw is ingesteld.

2.1.1. De aanvankelijk meegedeelde douaneschuld overschrijdt het verschuldigde bedrag (zie § 98, eerste deelstreepje)

§ 100. Dit kan voorkomen in de onderstaande gevallen.
a) De douaneautoriteiten hebben een fout begaan bij de vaststelling van het verschuldigde bedrag aan in- of uitvoerrechten. Een verkeerde vaststelling kan het gevolg zijn van:
- een foutieve belastinggrondslag;
- een foutief belastingtarief;
- een verkeerde berekening van de verschuldigde belastingen.
b) De douaneschuld bij invoer of bij uitvoer is tenietgegaan. In bepaalde gevallen kan de douaneschuld bij invoer of uitvoer tenietgaan (zie daartoe artikel 124 DWU).
c) Onnauwkeurige informatie in de douaneaangifte.
Een aangever kan per vergissing foutieve gegevens (bijvoorbeeld een foutieve goederencode) aanbrengen op een invoeraangifte waardoor het bedrag van de meegedeelde douaneschuld het verschuldigde bedrag overschrijdt. De bepalingen van § 84 zijn hier van toepassing.
d) Kortingen.
Een verkoper kan een korting toekennen aan een koper voor goederen (die geen gebreken vertonen of niet beschadigd zijn).
Met kortingen wordt rekening gehouden op het tijdstip van de aanvaarding van de douaneaangifte. Een korting kan echter ook achteraf worden toegekend. In dat geval kan een aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding worden ingediend. Indien het verkoopcontract op het moment van de aanvaarding van de douaneaangifte voorziet in de toepassing en het bedrag van de korting, kan terugbetaling worden toegestaan.
Dit dekt gevallen waar elementen en vereisten van de korting (tarieven, aankoopvolumes die de prijsvermindering bepalen enz.) reeds gekend of overeengekomen zijn op het moment dat de waarde wordt bepaald bij de invoer van de betrokken goederen.
Er moet rekening worden gehouden met de methode waarmee de koper en de verkoper de aanpassing regelen. Dit kan bijvoorbeeld via een creditnota opgesteld door de verkoper of zelfs een debetnota opgesteld door de koper. In dit laatste geval moet worden aangetoond dat dit boekhoudkundig document inderdaad verwijst naar een overeengekomen korting en dat de overeenkomstige prijsvermindering of compensatie is vereffend.
Voorbeeld:
In sommige bedrijfstakken is het gebruikelijk om aanspraak te maken op een korting bij de aankoop van een bepaalde hoeveelheid goederen. Om praktische redenen moet de achteraf toegekende korting via een aanvraag tot terugbetaling gebeuren.
e) Prijsaanpassingen voor goederen die gebreken vertonen of voor beschadigde goederen.
Voor goederen die gebreken vertonen, kunnen onder bepaalde omstandigheden prijsaanpassingen in aanmerking genomen worden voor het bepalen van de douanewaarde. Bijvoorbeeld, één van de voorwaarden is dat de goederen gebreken vertoonden op het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen. Indien een gebrek of schade wordt ontdekt na de vrijgave van de goederen, kan de prijsaanpassing in aanmerking worden genomen via een aanvraag tot terugbetaling. De aanvrager moet bewijzen dat de goederen gebreken vertoonden of beschadigd waren vóór de aanvaarding van de douaneaangifte.
f) Wijziging van het gemeenschappelijk douanetarief.
Het gemeenschappelijk douanetarief kan wijzigen zonder terugwerkende kracht of met terugwerkende kracht.
Zonder terugwerkende kracht
De toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief kan wijzigen als gevolg van een rechterlijke beslissing of de inwerkingtreding van een EU-indelingsverordening (artikel 9 van Verordening 2658/87). Dit laatste heeft geen terugwerkende kracht. Niettemin kunnen zulke indelingsverordeningen toch worden toegepast op het verleden. Dit kan resulteren in een terugbetaling of kwijtschelding.
Verschillende situaties kunnen voorkomen:

Situatie

Verduidelijking

Een indelingsverordening neemt een andere indeling aan dan die van een vorige verordening en die laatstgenoemde verordening wordt hierdoor gewijzigd of ingetrokken.
De “nieuwe” indelingsverordening leidt tot een lagere douaneschuld.

Marktdeelnemers die de betrokken goederen hebben aangegeven onder een rubriek met hogere invoerrechten in de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe verordening, hebben recht op terugbetaling. De aanvraag voor terugbetaling moet worden ingediend binnen de drie jaar na de datum van mededeling van de douaneschuld.
Terugbetaling van invoerrechten is mogelijk op verzoek van de schuldenaar of op initiatief van de douaneautoriteiten binnen een termijn van drie jaar.
Uitzondering: de indelingsverordening vermeldt expliciet dat terugwerkende kracht onmogelijk is.

Een indelingsverordening neemt een andere indeling aan dan die van een vorige verordening, die laatstgenoemde verordening wordt hierdoor gewijzigd of ingetrokken.
De “nieuwe” indelingsverordening leidt tot een hogere douaneschuld.

De douaneautoriteiten moeten de douaneschuld navorderen op basis van artikel 77 DWU in samenhang met de artikelen 101, 102 en 103 DWU.

Er is geen vorige indelingsverordening.
De in de indelingsverordening bepaalde indeling leidt tot een lagere douaneschuld.

Terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten is mogelijk.

Er is geen vorige indelingsverordening.
De in de indelingsverordening bepaalde indeling leidt tot een hogere douaneschuld.
De marktdeelnemers hebben lagere rechten betaald dan uit de tariefindelingsverordening voortvloeit.

De douaneautoriteiten moeten de douaneschuld navorderen op basis van artikel 77 DWU in samenhang met de artikelen 101, 102 en 103 DWU.
In geval van een vergissing van de bevoegde autoriteiten kan er een recht op terugbetaling of kwijtschelding op basis van artikel 119 DWU zijn.

Met terugwerkende kracht (arresten van het Hof van Justitie)
Er kunnen twee mogelijke situaties onderscheiden worden:
- Een nietigverklaring van een verordening:
Een EU-verordening kan aan de basis liggen van een mededeling van een douaneschuld. Indien het Hof van Justitie een dergelijke verordening nietig verklaart, is de nietigverklaring van toepassing op de persoon (personen) aan wie de uitspraak is gericht vanaf het moment van inwerkingtreding van de nietigverklaring. Dit betekent dat de reeds door die persoon of personen betaalde bedragen moeten worden terugbetaald op basis van artikel 116 in combinatie met artikel 117 DWU.
- Een interpretatie van de EU-wetgeving:
De interpretatie van EU-wetgeving door het Hof van Justitie kan leiden tot een ander standpunt over de toepassing van het tarief. Een dergelijke wijziging heeft in principe terugwerkende kracht en kan leiden tot een terugbetaling. Het Hof van Justitie kan echter besluiten om de terugwerkende kracht te beperken.

2.1.2. De douaneschuld werd meegedeeld in strijd met artikel 102, lid 1, onder c) of d) DWU (zie § 98, tweede deelstreepje)

§ 101. Een terugbetaling of kwijtschelding zal toegekend worden op basis van artikel 116, lid 1, onder a) DWU in samenhang met artikel 117 DWU.
Dit is het geval wanneer:
- de oorspronkelijke beschikking om de douaneschuld niet mee te delen of om het mee te delen met een lager bedrag aan invoer- of uitvoerrechten dan het verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten, werd genomen op basis van algemene bepalingen die op een latere datum door een rechterlijke beslissing ongeldig werden verklaard.
- de douaneautoriteiten zijn vrijgesteld van de mededeling van de douaneschuld op grond van de douanewetgeving (artikel 88 DWU DA).

2.1.3. Toepassing van tariefmaatregelen met terugwerkende kracht

§ 102. Terugbetaling mag toegekend worden als met terugwerkende kracht is vastgesteld dat een gunstige tariefmaatregel van toepassing was op het tijdstip van aanvaarding van de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen.
Daarnaast dient aan één van de volgende voorwaarden te worden voldaan:
- indien het een tariefcontingent betreft, dit niet is uitgeput;
- in de overige gevallen, het normaal verschuldigde recht niet opnieuw is ingesteld.
De volgende situaties kunnen zich voordoen:
a) Heropening van een tariefcontingent
Een tariefcontingent kan worden heropend (bijvoorbeeld als gevolg van teruggestuurde contingenten). Terugbetaling kan worden toegestaan wanneer de aangever een geldig verzoek indient om in aanmerking te komen voor een tariefcontingent.
Terugbetaling kan alleen plaatsvinden na toewijzing van het gevraagde tariefcontingent.
Wanneer het aangevraagde tariefcontingent echter is uitgeput op het tijdstip van het verzoek tot terugbetaling, kunnen de douaneautoriteiten enkel terugbetaling verlenen zonder toewijzing van het tariefcontingent wanneer het verlaagde recht of het nulrecht als gevolg van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf, niet werd toegepast op goederen en de douaneaangifte voor het vrije verkeer alle gegevens bevatte en vergezeld was van alle voor de toepassing van het verlaagde recht of het nulrecht vereiste documenten.
Indien een verzoek om een contingent te laat aan de Commissie wordt doorgestuurd en het contingent ondertussen is uitgeput, kan dit als een vergissing van de douaneautoriteiten worden beschouwd.
b) Achteraf voorleggen van documenten
Documenten die gunstige tariefmaatregelen aantonen op het tijdstip van aanvaarding van de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen, worden achteraf voorgelegd. Dit heeft met name betrekking op situaties waarin de betrokken partij een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of een oorsprongscertificaat Form A voorlegt en aanspraak maakt op de toepassing van een preferentieel tarief. Terugbetaling kan worden verleend op voorwaarde dat:
- het achteraf voorgelegde document uitsluitend betrekking heeft op de betrokken goederen;
- aan de overige voorwaarden voor het verlenen van een preferentieel tarief is voldaan.

2.2. Goederen die gebreken vertonen of goederen die niet met de bepalingen van het contract in overeenstemming zijn (artikel 118 DWU)

§ 103. Een bedrag aan invoerrechten wordt terugbetaald of kwijtgescholden indien de mededeling van de douaneschuld betrekking heeft op goederen die door de importeur zijn geweigerd omdat zij op het tijdstip van de vrijgave gebreken vertoonden of niet in overeenstemming waren met de bepalingen van het contract op grond waarvan zij ingevoerd.
De importeur is de persoon die de goederen kan weigeren, meestal de eigenaar.
De vertegenwoordiger kan niet de importeur zijn.
Goederen die vóór de vrijgave zijn beschadigd, worden gelijkgesteld met goederen die gebreken vertonen.
§ 104. Niettegenstaande § 105 wordt terugbetaling of kwijtschelding verleend mits de goederen niet zijn gebruikt, tenzij een begin van gebruik noodzakelijk was om vast te stellen dat deze goederen gebreken vertoonden of dat zij niet met de bepalingen van het contract in overeenstemming waren, en mits zij uit het douanegebied van de Unie worden gebracht.
§ 105. Terugbetaling of kwijtschelding wordt niet verleend indien:
a) de goederen, alvorens deze voor het vrije verkeer worden vrijgegeven, onder een bijzondere regeling voor proefneming zijn geplaatst, tenzij het vaststaat dat het feit dat de goederen gebreken vertonen of niet met de bepalingen van het contract in overeenstemming zijn, in de loop van deze proefnemingen niet op normale wijze ontdekt had kunnen worden;
b) bij het opstellen van het contract, voordat de genoemde goederen onder een douaneregeling werden geplaatst die tot een douaneschuld leidt, rekening is gehouden met de gebreken, met name ten aanzien van de prijs, welke deze goederen vertonen; of
c) de goederen door de aanvrager werden verkocht nadat was geconstateerd dat zij gebreken vertoonden of niet in overeenstemming waren met de bepalingen van het contract.
§ 106. De douaneautoriteiten staan, op aanvraag van de betrokkene, toe om de goederen, in plaats van ze buiten het douanegebied van de Unie te brengen, te plaatsen onder de regeling actieve veredeling, ook voor vernietiging, of de regeling extern douanevervoer, douane-entrepots of vrije zones.
§ 107. Gevallen waarin de terugbetaling of kwijtschelding al dan niet wordt verleend, zijn opgenomen op de blz. 37 t/m 40 van de “Guidance on repayment and remission[2]

2.3. Vergissing van de bevoegde autoriteiten (artikel 119 DWU)

§ 108. In andere dan de in § 81, tweede alinea, en in de §§ 98 t/m 102, 103 t/m 107 en 112 t/m 115 genoemde gevallen, wordt een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten terugbetaald of kwijtgescholden wanneer, als gevolg van een vergissing van de bevoegde autoriteiten, het met de oorspronkelijk meegedeelde douaneschuld overeenkomende bedrag lager was dan het verschuldigde bedrag, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a) de schuldenaar had de vergissing redelijkerwijze niet kunnen ontdekken; en
b) de schuldenaar heeft te goeder trouw gehandeld.
§ 109. Bepaalde begrippen uit § 108 dienen verder verduidelijkt te worden.
a)Vergissing
Het begrip ‘vergissing’ omvat elke foutieve interpretatie of onjuiste toepassing van de geldende rechtsregels. In principe bestaat een vergissing enkel als de autoriteiten beschikken over nauwkeurige en volledige informatie (op het ogenblik dat de vergissing wordt begaan).
b)Bevoegde douaneautoriteiten
Elke autoriteit die, binnen de reikwijdte van haar bevoegdheden, informatie verstrekt die van belang is voor de invordering van douanerechten en die bij de schuldenaar een gewettigd vertrouwen opwekt, moet als bevoegde autoriteit worden beschouwd. Dit kan de douaneautoriteit van een lidstaat zijn, maar ook de autoriteiten van een derde land of de Commissie.
Het gewettigd vertrouwen bij de schuldenaar moet door de bevoegde autoriteiten zelf worden gecreëerd. Dit betekent dat een vergissing toegeschreven moet kunnen worden aan een handeling van de bevoegde autoriteiten.
c)De schuldenaar had de vergissing redelijkerwijze niet kunnen ontdekken
Om te beoordelen of de vergissing ontdekt had kunnen worden door de tot betaling gehouden persoon (marktdeelnemer) moeten de douaneautoriteiten rekening houden met:

- De aard van de fout

Wat de aard van de fout betreft, moet de complexiteit van de betrokken regels worden onderzocht. In het geval dat de regels eenvoudig zijn, zou de schuldenaar de fout waarschijnlijk gemakkelijker ontdekken dan wanneer de regels ingewikkeld zijn.
Naast de complexiteit van de betrokken regels moet ook rekening worden gehouden met de periode gedurende dewelke de douaneautoriteiten de vergissing hebben begaan. Hoe langer die periode duurt, hoe minder een schuldenaar de vergissing redelijkerwijze had kunnen ontdekken.

- De beroepservaring van de marktdeelnemer

Om de beroepservaring van een marktdeelnemer te beoordelen, moet worden onderzocht of hij een handelaar is wiens bedrijfsactiviteiten hoofdzakelijk bestaan uit invoer- en uitvoerverrichtingen en of hij al enige ervaring heeft opgedaan in de uitvoering van deze verrichtingen.

Bij het beoordelen van de beroepservaring van een marktdeelnemer moet ook rekening worden gehouden met de beroepservaring van zijn douanevertegenwoordiger.

- De mate van zorgvuldigheid van de betrokken marktdeelnemer.

Om de mate van zorgvuldigheid te beoordelen, moet worden nagegaan of de marktdeelnemer zichzelf heeft ingelicht door de relevante informatie te lezen in het Publicatieblad van de Europese Unie met betrekking tot de verrichtingen die hij uitvoert. In het geval dat hij dat niet deed, kan redelijkerwijs aangenomen worden dat de marktdeelnemer onzorgvuldig heeft gehandeld.

Daarnaast moet rekening worden gehouden met de vraag of de betrokken marktdeelnemer twijfels had (of had moeten hebben) over de toepassing van de douanewetgeving. Als de marktdeelnemer twijfels heeft, moet hij dit onderzoeken. Bijvoorbeeld als de schuldenaar twijfelt over de juistheid van de douanewaarde of de oorsprong, is hij verplicht om navraag te doen en te zoeken naar de grootst mogelijke opheldering om na te gaan of zijn twijfels al dan niet gegrond zijn.

d)De schuldenaar heeft te goeder trouw gehandeld
Tenslotte moet de schuldenaar te goeder trouw hebben gehandeld voor het verkrijgen van een terugbetaling of kwijtschelding. In het geval dat de bevoegde autoriteiten werden misleid, is er geen sprake van goede trouw, noch van een vergissing van de bevoegde autoriteiten.
§ 110. Indien de in § 99 genoemde voorwaarden niet zijn vervuld, wordt terugbetaling of kwijtschelding verleend wanneer het verlaagde recht of het nulrecht als gevolg van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf, niet werd toegepast op goederen waarvan de douaneaangifte voor het vrije verkeer alle gegevens bevatte en vergezeld was van alle voor de toepassing van het verlaagde recht of het nulrecht vereiste documenten.
§ 111. Indien de preferentiële behandeling van de goederen wordt toegekend in het kader van de administratieve samenwerking met autoriteiten van een land of gebied buiten het douanegebied van de Unie, wordt de afgifte van een onjuist certificaat door deze autoriteiten aangemerkt als een vergissing die redelijkerwijze niet had kunnen worden ontdekt in de zin van § 108, onder a).
De afgifte van een onjuist certificaat wordt echter niet als een vergissing aangemerkt indien het certificaat gebaseerd is op een onjuiste weergave van de feiten door de exporteur, tenzij de autoriteiten die het certificaat afgaven, kennelijk wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen.
Een certificaat moet bijvoorbeeld als onjuist beschouwd worden wanneer de oorsprong van de goederen, waarnaar wordt verwezen op een EUR.1 certificaat, niet langer meer bevestigd kan worden na verificatie achteraf.
De schuldenaar wordt geacht te goeder trouw te hebben gehandeld indien hij kan aantonen dat hij in de periode van de betrokken handelstransacties het nodige heeft gedaan om ervoor te zorgen dat aan alle voorwaarden voor een preferentiële behandeling werd voldaan.
De schuldenaar kan zich evenwel niet op zijn goede trouw beroepen indien de Commissie door middel van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie heeft laten weten dat er gegronde twijfel bestaat over de juiste toepassing van de preferentiële regeling door het begunstigde land of gebied.

2.4. Billijkheid (artikel 120 DWU)

§ 112. In andere dan de in § 81, tweede alinea, en in de §§ 98 t/m 102, 103 t/m 107 en 108 t/m 111 bedoelde gevallen wordt een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten om redenen van billijkheid terugbetaald of kwijtgescholden indien een douaneschuld is ontstaan in bijzondere omstandigheden waarin de schuldenaar geen bedrog heeft gepleegd noch kennelijk nalatig is geweest.
Terugbetaling of kwijtschelding op basis van billijkheid heeft in het algemeen betrekking op situaties waar de schuldenaar niets te verwijten valt en waar het onredelijk zou zijn om de betaalde rechten niet terug te betalen of kwijt te schelden.
De schuldenaar heeft recht op terugbetaling of kwijtschelding van invoer- of uitvoerrechten indien hij aantoont dat aan twee voorwaarden wordt voldaan:
a) het bestaan van een bijzondere omstandigheid en
b) de afwezigheid van klaarblijkelijke nalatigheid of bedrog van zijn kant.
Bijgevolg moet de terugbetaling of kwijtschelding geweigerd worden indien aan één van beide voorwaarden niet is voldaan.

§ 113. De in § 112 opgenomen begrippen ‘bedrog’ en ‘klaarblijkelijke nalatigheid’ worden hierna verder verduidelijkt.
c)Bedrog
Bedrog moet worden beoordeeld met inachtneming van alle feitelijke omstandigheden van elk afzonderlijk geval en in overeenstemming met de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie en de nationale wetgeving.
Het kan bestaan uit, maar is niet beperkt tot, handelingen die aanleiding hebben gegeven tot strafrechtelijke procedures.
Bedrog verwijst normaal gesproken naar een opzettelijke actie en veronderstelt een voorbedachte en welbewuste actie, handelend met kennis en eigengereidheid, of met opzettelijk gedrag tegen de wettelijke bepalingen.
Een inkorting of inperking van rechten of andere heffingen moet niet noodzakelijk als opzettelijk worden beschouwd. Niettemin kan herhaald gedrag dat voorbijgaat aan regels die bekend waren of die bekend hadden moeten zijn (op basis van de ervaring van de marktdeelnemer, de duidelijkheid van de wetgeving enz.), worden beschouwd als opzettelijk gedrag.
d)Klaarblijkelijke nalatigheid
Om te beoordelen of er sprake is van (kennelijke of) klaarblijkelijke nalatigheid, moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de complexiteit van de bepalingen met betrekking tot de niet-naleving die heeft geleid tot het ontstaan van de douaneschuld, en de beroepservaring alsook de mate van zorgvuldigheid van de schuldenaar.
a. Complexiteit van de bepalingen
De complexiteit van de bepalingen moet (onder andere) worden beoordeeld op basis van de terminologie van de betrokken bepalingen.
b. De beroepservaring van de schuldenaar
Om de beroepservaring van de schuldenaar te beoordelen, moet worden onderzocht of zijn bedrijfsactiviteiten hoofdzakelijk bestaan uit invoer- en uitvoerverrichtingen en of hij al enige ervaring heeft opgedaan in het uitvoeren van dergelijke verrichtingen en meer bepaald of hij al gelijkaardige verrichtingen heeft uitgevoerd in het verleden waarbij de rechten correct werden berekend.
c. De mate van zorgvuldigheid van de schuldenaar
Indien de betrokken marktdeelnemer twijfelt over de toepassing van de douanewetgeving, dan moet hij navraag doen en verzoeken om de grootst mogelijke verduidelijking om na te gaan of zijn twijfels gegrond zijn.
Er dient opgemerkt te worden dat de complexiteit van de bepalingen, de beroepservaring en de mate van zorgvuldigheid van de schuldenaar uitsluitend criteria zijn om te beoordelen of de schuldenaar in een bepaald geval kennelijk nalatig was. Het gaat er tenslotte om te onderzoeken welk feitelijk verzuim leidt tot klaarblijkelijke nalatigheid.
Bij het beoordelen van de beroepservaring van een marktdeelnemer moet men ook rekening houden met de beroepservaring van zijn douanevertegenwoordiger.
§ 114. De bijzondere omstandigheden bedoeld in § 112 worden geacht te bestaan indien uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat de schuldenaar zich in een uitzonderlijke situatie bevindt ten opzichte van andere deelnemers die dezelfde activiteit uitoefenen, en indien de schuldenaar in afwezigheid van dergelijke omstandigheden niet het nadeel zou hebben geleden door de inning van het bedrag aan in- of uitvoerrechten.
Voorbeelden van bijzondere omstandigheden:
a) ernstige tekortkomingen van de bevoegde autoriteiten en de Europese Commissie, waardoor zij zelf bijdragen tot de onregelmatigheden;
b) ten behoeve van een onderzoek stellen de douaneautoriteiten een schuldenaar niet op de hoogte van onregelmatigheden;
c) het feit dat de inbreuken op het systeem inzake Uniedouanevervoer hun oorsprong vinden in het gedrag van een undercoveragent die tot de douanediensten behoort.
§ 114bis. In andere gevallen maakt de betaling van invoer- of uitvoerrechten deel uit van de normale beroeps- en handelsrisico’s van de handelaar en worden deze daarom niet als een bijzondere situatie beschouwd. Dit is o.a. het geval bij:
a) het voorleggen van documenten waarbij achteraf wordt vastgesteld dat deze nagemaakt, vervalst of ongeldig zijn, zelfs wanneer deze documenten te goeder trouw werden voorgelegd;
b) objectieve omstandigheden die van toepassing zijn op een onbepaald aantal handelaren (bijvoorbeeld de bijzondere geografische en economische situatie van een deel van het douanegebied van de Unie);
c) het onvermogen van een douanevertegenwoordiger om het bedrag aan rechten van zijn klant terug te vorderen;
d) de fouten begaan door een werknemer van de aangever, zelfs als de werknemer nieuw of onervaren is.
§ 115. Bij een aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding op grond van billijkheid is een gedetailleerde beschrijving van de rechtvaardiging noodzakelijk die verduidelijkt dat:
a) het geval anders is dan dat bedoeld in § 81, tweede alinea, en in de §§ 98 t/m 102, 103 t/m 107 en 108 t/m 111;
b) er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn waarbij geen bedrog (fraude) of kennelijke nalatigheid aan de schuldenaar kan worden toegeschreven.
De beschrijving van de grondslagen voor terugbetaling of kwijtschelding vereist een gedetailleerde beschrijving van de rechtvaardiging die aan de basis ligt van het verzoek om terugbetaling of kwijtschelding.

2.5. Terugbetaling op basis van artikel 116, lid 1, 2de alinea DWU

§ 116. Artikel 116, lid 1, 2de alinea DWU stelt dat indien een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten is betaald en de desbetreffende douaneaangifte overeenkomstig artikel 174 DWU ongeldig wordt gemaakt, dat bedrag wordt terugbetaald.
Artikel 174 DWU bepaalt dat de ongeldigmaking van een douaneaangifte in principe zal plaatsvinden voordat de goederen werden vrijgegeven. Op verzoek van de aangever maken de douaneautoriteiten een reeds aanvaarde douaneaangifte ongeldig in elk van de volgende gevallen:
a) indien voldoende wordt aangetoond dat de goederen onmiddellijk onder een andere douaneregeling zullen worden geplaatst;
b) indien voldoende wordt aangetoond dat ten gevolge van bijzondere omstandigheden de plaatsing van de goederen onder de douaneregeling waarvoor zij zijn aangegeven, niet meer gerechtvaardigd is.
Indien de douaneautoriteiten de aangever evenwel in kennis hebben gesteld van hun voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen, kan het verzoek tot ongeldigmaking van de douaneaangifte slechts worden aanvaard nadat het onderzoek heeft plaatsgevonden.
De douaneautoriteiten mogen na de vrijgave van de goederen een douaneaangifte enkel ongeldig maken in de gevallen die genoemd worden in artikel 148 DWU DA.

3. Voorlegging van het dossier aan de Commissie met het oog op een besluit

3.1. Gevallen

§ 117. Indien de douaneautoriteiten van mening zijn dat terugbetaling of kwijtschelding moet worden verleend op basis van artikel 119 of 120 DWU (zie de §§ 108 t/m 111 of de §§ 112 t/m 115), legt de betrokken lidstaat het dossier met het oog op een beschikking voor aan de Commissie in de volgende gevallen:
a) indien de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat de bijzondere omstandigheden het gevolg zijn van het feit dat de Commissie haar verplichtingen niet is nagekomen;
b) indien de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat de Commissie een vergissing heeft begaan in de zin van artikel 119 DWU;
c) indien de omstandigheden in het betrokken geval verband houden met de resultaten van een door de Unie verricht onderzoek op grond van Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften, dan wel op grond van enige andere bepaling van de Uniewetgeving of door de Unie met bepaalde landen of groepen van landen gesloten overeenkomst die in de mogelijkheid van dergelijke door de Unie te verrichten onderzoeken voorziet;
d) indien het bedrag waarvoor de betrokkene met betrekking tot één of meer invoer- of uitvoertransacties aansprakelijk kan zijn, door een vergissing of bijzondere omstandigheden gelijk is aan of hoger is dan 500 000 EUR.
De bevoegdheid van de Commissie in de vorengenoemde situaties beperkt zich niet enkel tot de procedures inzake terugbetaling of kwijtschelding die worden ingeleid n.a.v. een verzoek van de betrokken persoon maar geldt tevens voor de procedures die van ambtswege door de douaneautoriteiten worden ingeleid.
§ 118. Niettegenstaande de in § 117 genoemde gevallen worden dossiers niet voorgelegd in de volgende gevallen:
a) indien de Commissie reeds een beschikking heeft verleend in een zaak die feitelijk en juridisch vergelijkbaar is;
b) indien bij de Commissie reeds een zaak is ingeleid die feitelijk en juridisch vergelijkbaar is.
§ 119. Wanneer het dossier wordt voorgelegd aan de Commissie, wordt overeenkomstig de §§ 126 en 127 de termijn voor het vaststellen van de beschikking betreffende terugbetaling of kwijtschelding geschorst totdat de betrokken lidstaat de kennisgeving van het besluit van de Commissie heeft ontvangen dan wel de kennisgeving van de Commissie dat zij het dossier terugzendt omwille van de in § 125 voorziene redenen.

3.2. Procedure

§ 120. De lidstaat stelt de betrokkene vooraf in kennis van zijn voornemen om het dossier aan de Commissie voor te leggen en geeft de betrokkene 30 dagen om een verklaring te ondertekenen dat hij kennis heeft genomen van het dossier en daaraan niets heeft toe te voegen of waarin hij alle aanvullende elementen vermeldt die naar zijn mening in het dossier moeten worden opgenomen. Als de betrokkene deze verklaring niet binnen de 30 dagen verstrekt, wordt hij geacht kennis te hebben genomen van het dossier en er niets aan toe te voegen te hebben.
§ 121. Wanneer een lidstaat in de in § 117 bedoelde gevallen een dossier aan de Commissie voorlegt met het oog op een besluit, bevat het dossier ten minste het volgende:
a) een samenvatting van de zaak;
b) omstandige informatie waaruit blijkt dat aan de in de §§ 108 t/m 111 of de §§ 112 t/m 115 bedoelde voorwaarden is voldaan;
c) de in § 120 bedoelde verklaring of een verklaring van de lidstaat waarin wordt bevestigd dat de betrokkene wordt geacht kennis te hebben genomen van het dossier en er niets aan toe te voegen te hebben.
§ 122. De Commissie bevestigt de ontvangst van het dossier aan de betrokken lidstaat zodra zij dit ontvangen heeft.
§ 123. De Commissie stelt alle lidstaten een afschrift van de in § 121, onder a), bedoelde samenvatting van de zaak ter beschikking binnen vijftien dagen na de datum waarop zij het dossier ontvangen heeft.
§ 124. Wanneer de door de lidstaat voorgelegde informatie voor de Commissie ontoereikend is om een besluit te nemen, kan zij de lidstaat om aanvullende informatie verzoeken.
§ 125. De Commissie zendt het dossier aan de lidstaat terug en de zaak wordt geacht nooit aan haar te zijn voorgelegd in elk van de volgende gevallen:
a) het dossier is duidelijk onvolledig aangezien het geen enkel element bevat dat een onderzoek door de Commissie rechtvaardigt;
b) het dossier had op grond van § 118 niet mogen worden voorgelegd aan de Commissie;
c) de lidstaat heeft de Commissie nieuwe informatie verstrekt die de feitelijke inhoud of de juridische beoordeling van de zaak ingrijpend kan wijzigen, terwijl de Commissie zich nog op het dossier beraadt.

3.3. Verlenging van de termijn voor het vaststellen van een beschikking betreffende terugbetaling of kwijtschelding

§ 126. Wanneer § 117 of § 118, onder b) van toepassing is, wordt de termijn voor het vaststellen van de beschikking betreffende terugbetaling of kwijtschelding geschorst totdat de betrokken lidstaat de kennisgeving van het besluit van de Commissie heeft ontvangen dan wel de kennisgeving van de Commissie dat zij het dossier om de in § 125 genoemde redenen terugzendt.
§ 127. Wanneer § 118, onder b) van toepassing is, wordt de termijn voor het vaststellen van de beschikking betreffende terugbetaling of kwijtschelding geschorst totdat de betrokken lidstaat de kennisgeving van het besluit van de Commissie over de feitelijk en juridisch vergelijkbare zaak heeft ontvangen.
§ 127bis. Wanneer de beschikking betreffende terugbetaling of kwijtschelding kan worden beïnvloed door een van onderstaande hangende administratieve of gerechtelijke procedures, kan de termijn voor het vaststellen van een beschikking betreffende terugbetaling of kwijtschelding, met toestemming van de aanvrager, als volgt worden verlengd:
a) indien een zaak betreffende feitelijk en juridisch identieke of vergelijkbare gevallen voor het Hof van Justitie van de Europese Unie dient overeenkomstig artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, kan de termijn voor het vaststellen van de beschikking betreffende terugbetaling of kwijtschelding worden verlengd met een periode die afloopt uiterlijk 30 dagen na de datum waarop het Hof van Justitie zijn vonnis heeft gegeven;
b) indien de beschikking betreffende terugbetaling of kwijtschelding afhangt van het resultaat van een verzoek om controle achteraf van het bewijs van preferentiële oorsprong dat is gedaan overeenkomstig artikel 109, 110 of 125 DWU IA dan wel overeenkomstig de handelsovereenkomst in kwestie, kan de termijn voor het vaststellen van de beschikking betreffende terugbetaling of kwijtschelding worden verlengd met de duur van de controle zoals vermeld in de artikel 109, 110 of 125 DWU IA dan wel in de handelsovereenkomst in kwestie, en in ieder geval met niet meer dan 15 maanden vanaf de datum van verzending van het verzoek, en
c) indien de beschikking betreffende terugbetaling of kwijtschelding afhangt van het resultaat van een overlegprocedure die tot doel heeft de juiste en uniforme tariefindeling of oorsprongsbepaling van de goederen in kwestie op Unieniveau te garanderen overeenkomstig artikel 23, lid 2 DWU IA, kan de termijn voor het vaststellen van de beschikking betreffende terugbetaling of kwijtschelding worden verlengd met een periode die afloopt uiterlijk 30 dagen na de kennisgeving door de Commissie van de intrekking van de schorsing ten aanzien van het geven van BTI- en BOI-beschikkingen, zoals bepaald in artikel 23, lid 3 DWU IA.

3.4. Recht van de betrokkene om te worden gehoord

§ 128. Wanneer de Commissie voornemens is een ongunstig besluit te nemen in de in § 117 bedoelde gevallen, deelt zij haar bezwaren schriftelijk mee aan de betrokkene, tezamen met een verwijzing naar alle documenten en informatie waarop haar bezwaren berusten. De Commissie stelt de betrokkene in kennis van zijn recht op toegang tot het dossier.
§ 129. De Commissie stelt de betrokken lidstaat in kennis van haar voornemen en van de in § 128 bedoelde mededeling.
§ 130. De betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt schriftelijk aan de Commissie kenbaar te maken binnen een termijn van 30 dagen vanaf de datum waarop hij de in § 128 bedoelde mededeling heeft ontvangen.

3.5. Termijnen

§ 131. De Commissie besluit of het al dan niet gerechtvaardigd is tot terugbetaling of kwijtschelding over te gaan binnen negen maanden na de datum waarop zij het in § 120 bedoelde dossier heeft ontvangen.
§ 132. Wanneer de Commissie het noodzakelijk heeft geacht de lidstaat om aanvullende informatie te verzoeken zoals bedoeld in § 124, wordt de in § 131 bedoelde termijn verlengd met een even lange periode als de tijd die is verstreken tussen de datum waarop de Commissie het verzoek om aanvullende informatie heeft verzonden en de datum waarop zij deze informatie heeft ontvangen. De Commissie stelt de betrokkene in kennis van de verlenging.
§ 133. Wanneer de Commissie onderzoek verricht om haar besluit te kunnen nemen, wordt de in § 131 bedoelde termijn verlengd met de tijd die nodig is om dit onderzoek te voltooien. Deze verlenging mag niet meer dan negen maanden bedragen. De Commissie stelt de lidstaat en de betrokkene in kennis van de datums waarop een onderzoek wordt geopend en wordt beëindigd.
§ 134. Wanneer de Commissie voornemens is een ongunstig besluit te nemen zoals bedoeld in § 128, wordt de in § 131 genoemde termijn met 30 dagen verlengd.

3.6. Mededeling van het besluit

§ 135. De Commissie deelt de betrokken lidstaat haar besluit zo spoedig mogelijk mee en in ieder geval binnen 30 dagen na het verstrijken van de in § 131 genoemde termijn.
§ 136. De beschikkingsbevoegde douaneautoriteit geeft een beschikking op basis van het overeenkomstig § 135 meegedeelde besluit van de Commissie.
De lidstaat waartoe de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit behoort, stelt de Commissie in kennis van deze beschikking door toezending van een afschrift ervan.
§ 137. Wanneer het besluit in de in § 117 bedoelde gevallen gunstig is voor de betrokkene, kan de Commissie de voorwaarden vaststellen waaronder de douaneautoriteiten in feitelijk en juridisch vergelijkbare gevallen tot terugbetaling of kwijtschelding van rechten moeten overgaan.

3.7. Gevolgen van het uitblijven of het niet meedelen van een besluit

§ 138. Als de Commissie geen besluit neemt binnen de in de §§ 131 t/m 134 vastgestelde termijn of geen besluit meedeelt aan de lidstaat in kwestie binnen de in § 135 vastgestelde termijn, geeft de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit een voor de betrokkene gunstige beschikking.

4. Uitvoer of vernietiging zonder douanetoezicht

§ 139. In de gevallen zoals bedoeld in § 116, de §§ 103 t/m 107 of de §§ 112 t/m 115 geschiedt de terugbetaling of kwijtschelding op basis van artikel 120 DWU, wanneer de uitvoer of vernietiging niet onder toezicht van de douaneautoriteiten heeft plaatsgevonden, onder de volgende voorwaarden:
a) de aanvrager dient bij de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit bewijs in aan de hand waarvan wordt vastgesteld of de goederen, waarvoor om terugbetaling of kwijtschelding wordt gevraagd, aan één van de volgende voorwaarden voldoen:

- de goederen zijn uit het douanegebied van de Unie uitgevoerd;

- de goederen zijn vernietigd onder toezicht van autoriteiten of personen die gemachtigd zijn om deze vernietiging officieel vast te stellen;

b) de aanvrager geeft de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit ieder document terug dat de Uniestatus van de betreffende goederen bevestigt of informatie bevat die deze Uniestatus bevestigt, en onder dekking waarvan genoemde goederen eventueel het douanegebied van de Unie hebben verlaten, of hij legt alle bewijsstukken over die deze autoriteit noodzakelijk acht om zich ervan te vergewissen dat het betrokken document later niet meer gebruikt kan worden in verband met het binnenbrengen van goederen in het douanegebied van de Unie.
§ 140. Als bewijs dat de goederen waarvoor om terugbetaling of kwijtschelding wordt gevraagd uit het douanegebied van de Unie zijn uitgevoerd, worden de volgende documenten overgelegd:
a) de bevestiging van de uitgang zoals bedoeld in artikel 334 DWU IA;
b) het origineel of een eensluidend gewaarmerkte kopie van de douaneaangifte voor de regeling die tot de douaneschuld leidt;
c) waar nodig, handels- of administratieve documenten met een volledige beschrijving van de goederen die waren gevoegd bij de douaneaangifte voor de genoemde regeling of de douaneaangifte tot uitvoer uit het douanegebied van de Unie of de douaneaangifte van de goederen in het derde land van bestemming.
§ 141. Als bewijs dat de goederen waarvoor om terugbetaling of kwijtschelding wordt gevraagd, zijn vernietigd onder toezicht van autoriteiten of personen die gemachtigd zijn om deze vernietiging officieel vast te stellen, wordt een van de volgende documenten overgelegd:
a) een proces-verbaal of de verklaring van vernietiging afgegeven door de autoriteiten onder wiens toezicht de vernietiging van de goederen heeft plaatsgevonden, of een eensluidend gewaarmerkte kopie daarvan;
b) een certificaat opgesteld door de persoon die gemachtigd is de vernietiging vast te stellen, en gegevens waaruit deze machtiging blijkt.
Deze documenten bevatten een nauwkeurige beschrijving van de vernietigde goederen zodat aan de hand van een vergelijking van de gegevens in de douaneaangifte voor een douaneregeling die tot de douaneschuld leidt en de bewijsstukken blijkt dat de vernietigde goederen dezelfde zijn als de goederen die onder de genoemde regeling waren geplaatst.
§ 142. Wanneer het in de §§ 140 en 141 bedoelde bewijs onvoldoende is voor de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit om een beschikking te nemen over het haar voorgelegde geval, of wanneer bepaalde bewijsstukken niet beschikbaar zijn, kan dergelijk bewijs worden aangevuld met of worden vervangen door alle andere documenten die de genoemde autoriteit noodzakelijk acht.

5. Aan de Commissie te verstrekken informatie

§ 143. Wanneer een douaneautoriteit terugbetaling of kwijtschelding verleent overeenkomstig de artikelen 119 en 120 DWU (zie de §§ 108 t/m 111 en 112 t/m 115), stelt de betrokken lidstaat de Commissie daarvan in kennis.
§ 144. Elke lidstaat deelt de Commissie een lijst van gevallen mee waarin terugbetaling of kwijtschelding is verleend op basis van artikel 119 of artikel 120 DWU en waarin het aan een bepaalde schuldenaar door één enkele vergissing of een bijzondere omstandigheid terugbetaalde of kwijtgescholden bedrag dat met meerdere invoer- of uitvoerverrichtingen verband houdt, hoger is dan 50 000 EUR, behalve voor de in artikel 116, lid 3 DWU (zie § 117, 1ste alinea) bedoelde gevallen.
§ 145. De mededeling wordt in het eerste en het derde kwartaal van elk jaar gedaan voor alle gevallen ten aanzien waarvan in het voorbije halfjaar werd besloten om tot terugbetaling of kwijtschelding van rechten over te gaan.
§ 146. Wanneer een lidstaat gedurende het betreffende halfjaar niet heeft beschikt over de in § 144 bedoelde zaken, stuurt het de Commissie een mededeling met de vermelding “niet van toepassing”.
§ 147. Elke lidstaat houdt ter beschikking van de Commissie een lijst van gevallen bij waarin terugbetaling of kwijtschelding is verleend op basis van artikel 119 of artikel 120 DWU en waarin het terugbetaalde of kwijtgescholden bedrag gelijk is aan of lager is dan 50 000 EUR.
§ 148. Voor elk van de gevallen dient de volgende informatie te worden verstrekt:
a) het referentienummer van de douaneaangifte of van het document waarin de schuld wordt meegedeeld;
b) de datum van de douaneaangifte of van het document waarin de schuld wordt meegedeeld;
c) de aard van de beschikking;
d) de rechtsgrondslag voor de beschikking;
e) het bedrag en de valuta;
f) de bijzonderheden van het geval (inclusief een korte uiteenzetting van de redenen waarom de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat aan de voorwaarden voor kwijtschelding/terugbetaling van de desbetreffende rechtsgrondslag is voldaan).

IV. Terugbetaling of kwijtschelding van accijnzen

§ 149. De terugbetaling of de kwijtschelding van accijnzen, geïnd bij invoer uit derde landen, geschiedt in dezelfde gevallen en onder dezelfde voorwaarden als de terugbetaling of de kwijtschelding van invoerrechten (zie artikel 21 van de AWDA).
Terugbetaling of kwijtschelding van accijnzen wordt slechts toegestaan, wanneer het terug te betalen of kwijt te schelden bedrag groter is dan 10,00 EUR.

V. Teruggave van belasting over de toegevoegde waarde

1. Gevallen van teruggave van btw

1.1. Algemeen

§ 150. Artikel 75 van het Btw-Wetboek bepaalt dat de btw slechts kan worden teruggegeven in de gevallen waarin dat wetboek voorziet.
De gevallen, waarin de bij invoer geïnde btw kan worden teruggegeven, zijn beperkend opgesomd in de artikelen 77, § 1 bis en 77 bis, van het Btw-Wetboek. Aangezien de teruggave van btw op grond van artikel 77 bis steeds wordt verleend door de Algemene Administratie van de Fiscaliteit (hierna AAFisc genoemd), wordt dat geval van teruggave niet behandeld in deze circulaire.
§ 151. De voorwaarden tot terugbetaling en kwijtschelding van rechten bij invoer zijn mutatis mutandis van toepassing op de teruggave van btw, onder voorbehoud van de opmerkingen die in dit hoofdstuk zijn gemaakt.
Er wordt nochtans op gewezen dat de gevallen, waarin de btw bij invoer kan worden teruggegeven, niet volledig overeenstemmen met de gevallen van terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer.
Wanneer de teruggave van de btw afhankelijk is van de wederuitvoer van goederen buiten de Unie, moet dit minstens gebeuren buiten het fiscaal gebied van de Europese Unie.
§ 152. Inzake btw worden de volgende begripsbepalingen gebruikt:
- invoerrechten: de douanerechten die bij de invoer van goederen zijn verschuldigd;
- btw: de belasting over de toegevoegde waarde;
- teruggave: teruggave (of terugbetaling) van het bedrag van de btw, betaald bij een belastbare handeling in België, in casu een invoer;
- de Unie: het btw-gebied van de Europese Unie.

1.2. Ten onrechte betaalde belasting (Btw-Wetboek, art. 77, § 1bis, 1°)

§ 153. Teruggave van btw wordt verleend, wanneer de bij invoer betaalde btw het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is.
Ter zake gaat het onder meer om de volgende gevallen :
- een foutieve douanewaarde die aldus een verkeerde maatstaf van heffing inzake btw tot gevolg heeft;
- de opgave van een verkeerde TARIC-code die een verkeerd toegepast btw-tarief tot gevolg heeft;
- de aangifte ten verbruik van goederen waarvoor op hetzelfde kantoor of op een ander kantoor reeds een andere aangifte werd gedaan;
- de aangifte ten verbruik van goederen, waarvan wordt aangetoond dat ze niet werden ingevoerd in België;
- de inverbruikstelling van goederen op naam van een foutieve geadresseerde; in dit geval wordt de met de foutieve aangifte voldane btw slechts teruggegeven voor zover een nieuwe aangifte ten verbruik werd gevalideerd op naam van de werkelijke geadresseerde.

1.3. Prijsvermindering (Btw-Wetboek, artikel 77, § 1bis, 1°)

§ 154. De btw wordt tot beloop van het passend bedrag teruggegeven, wanneer een prijsvermindering wordt toegestaan of wordt verkregen na het tijdstip waarop de belasting opeisbaar is geworden, in de mate dat de prijs gediend heeft voor het bepalen van de maatstaf van heffing van de btw bij invoer.
De reden voor de toegestane prijsvermindering is van geen belang.

1.4. Terugzending van verpakkingsmiddelen (Btw-Wetboek, artikel 77, § 1bis, 2°)

§ 155. De btw wordt tot beloop van het passend bedrag teruggegeven, wanneer de leverancier zijn medecontractant crediteert wegens terugzending van de verpakkingsmiddelen die voor de levering van de goederen hebben gediend, op voorwaarde dat die verpakkingen buiten de Unie zijn teruggezonden.
Het betreft verpakkingen die niet onder een regeling van tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten zijn geplaatst (bijvoorbeeld omdat de terugzending oorspronkelijk niet was voorzien).

1.5. Vernietiging of ontbinding van de overeenkomst (Btw-Wetboek, artikel 77, § 1bis, 3°)

§ 156. Teruggave van btw tot beloop van het passend bedrag wordt verleend, wanneer de overeenkomst die aan de basis ligt van de invoer wordt vernietigd of ontbonden op voorwaarde dat de goederen binnen zes maanden na de vernietiging of de ontbinding van die overeenkomst worden wederuitgevoerd buiten de Unie.
De reden van vernietiging of ontbinding van de overeenkomst is van geen belang (niet-overeenstemming van het goed met de bestelling, laattijdige levering, handelsoverwegingen, ....).
Nochtans moet een onderscheid worden gemaakt naargelang de vernietiging of de ontbinding minnelijk of gerechtelijk geschiedt. In dat laatste geval moet de gerechtelijke beslissing in kracht van gewijsde zijn gegaan om de teruggave te rechtvaardigen.

1.6. Wederuitvoer binnen zes maanden na de aangifte ten verbruik (Btw-Wetboek, artikel 77, § 1bis, 4°)

§ 157. De btw wordt tot beloop van het passend bedrag teruggegeven, wanneer de goederen binnen zes maanden na de aangifte ten verbruik worden wederuitgevoerd naar de buiten de Unie gevestigde leverancier, zonder dat een van de partijen ten aanzien van de prijs een geldelijk voordeel heeft verkregen.
Overeenkomstig die bepaling kan in beginsel geen teruggave worden verleend, wanneer de prijs waarvoor het goed wordt teruggenomen niet precies de prijs is waarvoor het oorspronkelijk werd verkocht. Nochtans wordt geen van de partijen bij de overeenkomst geacht ten aanzien van de prijs een geldelijk voordeel te hebben verkregen, wanneer voor het gebruik van het goed door de leverancier een vergoeding wordt gevraagd die wordt vastgesteld in functie van de werkelijke gebruiksduur van het goed en die in geen geval meer bedraagt dan de brutowinst die de leverancier heeft gemaakt bij de oorspronkelijke verkoop van het goed.
Die bepaling staat de teruggave toe zonder dat degene die erom verzoekt het bewijs moet leveren van de vernietiging of de ontbinding van de overeenkomst betreffende de levering. Alleen het materiële feit van de terugzending en het ontbreken van enig geldelijk voordeel moeten worden aangetoond.

1.7. Goederen die zijn vernietigd alvorens het toezicht van de douane te hebben verlaten (Btw-Wetboek, artikel 77, § 1bis, 5°)

§ 158. De btw wordt tot beloop van het passend bedrag teruggegeven wanneer goederen, alvorens het toezicht van de douane te hebben verlaten, als gevolg van overmacht of van een ongeval zijn vernietigd, en volgens de douanereglementering terugbetaling van invoerrechten kan worden verleend of zou kunnen worden verleend wanneer de goederen onderworpen waren aan invoerrechten.

1.8. Goederen die worden aangegeven voor een andere bestemming na eerst ten verbruik te zijn aangegeven (Btw-Wetboek, artikel 77, § 1bis, 6°)

§ 159. De btw wordt tot beloop van het passend bedrag teruggegeven wanneer goederen, na ten verbruik te zijn aangegeven, worden geplaatst onder één van de regelingen bedoeld in artikel 23, §§ 4 en 5 van het Btw-Wetboek en volgens de douanereglementering terugbetaling van invoerrechten kan worden verleend of zou kunnen worden verleend wanneer de goederen onderworpen waren aan invoerrechten.
Op grond van artikel 77, § 1bis, 6° van het Btw-Wetboek wordt de btw teruggegeven wanneer goederen die, ten gevolge van een vergissing in het vrije verkeer zijn gebracht en/of tegelijkertijd voor de btw ten verbruik zijn aangegeven, ten verbruik voor de btw, onder een andere douaneregeling of een gelijkwaardige fiscale regeling worden geplaatst, situatie waarbij geen btw moet worden geheven.

1.9. Goederen die niet mogen worden gebruikt voor het doel waartoe ze zijn ingevoerd (Btw-Wetboek, artikel 77, § 1bis, 7°)

§ 160. De btw wordt tot beloop van het passend bedrag teruggegeven wanneer goederen, als gevolg van maatregelen van de bevoegde autoriteit, niet mogen worden gebruikt voor het doel waarvoor ze zijn ingevoerd en de goederen zijn wederuitgevoerd naar een plaats buiten de Unie of onder toezicht van de douaneautoriteit zijn vernietigd.

2. Procedure

2.1. Rechthebbende

§ 161. De teruggave van de invoer-btw wordt in de regel enkel verleend aan degene die in het bezit is van een invoerdocument, dat hem als btw-geadresseerde aanwijst en dat de betaling van de invoer-btw vaststelt.
In afwijking van deze regel wordt evenwel teruggave verleend aan een douane-vertegenwoordiger die als aangever is opgetreden, in de gevallen waarin die douanevertegenwoordiger de invoer-btw aan de douane heeft betaald en achteraf de rectificatie van de aangifte aanvraagt.
Het betreft situaties waarbij de invoer-btw aan de douane werd betaald en waarbij de aangifte ten verbruik op verzoek van een douane-vertegenwoordiger moet worden vervangen of nietig verklaard voor wat de btw betreft omdat:
- de aangever, vóór de aangifte ten verbruik aan de geadresseerde te hebben verstuurd of overhandigd, heeft vastgesteld dat er een vergissing werd begaan bij het opstellen van dat document;
- de geadresseerde de aangifte ten verbruik heeft geweigerd en ze heeft teruggezonden aan de aangever. Die weigering kan voortvloeien uit het feit dat de geadresseerde heeft vastgesteld dat de aangifte ten verbruik fouten bevat of kan het gevolg zijn van de weigering door de geadresseerde van de goederen die met de teruggezonden aangifte werden ingeklaard.

2.2. Minimum

§ 162. Voor oorzaken van teruggave van btw die zich voordoen vanaf 1 april 2019 wordt de btw niet teruggegeven indien het bedrag niet hoger is dan 12,50 EUR (zie artikel 12, § 2 van het Koninklijk Besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde).
Voor oorzaken van teruggave van btw die zich hebben voorgedaan vóór 1 april 2019 wordt de btw niet teruggegeven indien het bedrag minder dan 7 EUR bedraagt.

2.3. Verzoek

§ 163. Het verzoek om teruggave van de invoer-btw bij de Algemene Administratie van Douane en accijnzen (hierna AAD genoemd) is niet afhankelijk van het invullen van een specifiek formulier. Een eenvoudig verzoek, elektronisch of op papier, volstaat.
De rechthebbende moet zijn verzoek staven. Het moet alle vereiste gegevens bevatten voor de vaststelling van het recht op teruggave. Zo moet de aangifte ten verbruik, die de betaling van de btw vaststelt, voorgelegd worden.

2.4. Bevoegdheid

§ 164. Voorafgaande opmerking – Verlegging van de btw.
Er is nooit recht op teruggave van de invoer-btw wanneer de invoerder de betaling van de verschuldigde btw bij invoer heeft verlegd naar zijn periodieke btw-aangifte (ET 14.000-vergunning) (aangiften ten verbruik waarop in de kolom “WB” van vak 47 de code “G” wordt vermeld), tenzij in het uitzonderlijke geval dat de invoerder geen volledig recht op aftrek zou hebben.
Verlegging van de invoer-btw kan enkel toegepast worden wanneer de btw-geadresseerde gehouden is tot de indiening van periodieke btw-aangiften (de btw-plichtige personen).
De AAD mag nooit teruggave verlenen van de invoer-btw wanneer de verlegging bij invoer werd toegepast.
§ 165. De AAFisc is in de regel bevoegd voor de teruggave van de bij invoer voldane btw.
Voor rechthebbenden die periodieke btw-aangiften indienen, gebeurt de teruggave steeds via die periodieke btw-aangifte.
Voor rechthebbenden die geen periodieke btw-aangiften indienen, gebeurt de teruggave via terugbetaling door AAFisc.
§ 166. In afwijking van § 165 werd voor enkele specifieke situaties de bevoegdheid tot teruggave van de invoer-btw gedelegeerd aan de AAD
Aan de AAD is toegestaan om teruggave van de invoer-btw te verlenen die ze heeft geïnd:
- wanneer de geadresseerde een particulier is;
- in het in § 167, eerste alinea bedoelde geval (ongeacht de hoedanigheid van de geadresseerde).
§ 167. In de in § 161, derde alinea bedoelde gevallen waarin teruggave aan de douane-vertegenwoordiger wordt verleend mag de kredietrekening van de aangever, die uitstel van betaling geniet, gecrediteerd worden voor het bedrag van de btw dat voorkomt op de vervangen of nietig verklaarde aangifte voor zover de aangever de aanvraag om regularisatie bij de douane heeft ingediend binnen de 2 maanden te rekenen vanaf de geldigmaking van de oorspronkelijke aangifte ten verbruik.
Het feit dat het volledige btw-bedrag wordt terugbetaald aan de douanevertegenwoordiger, impliceert dat bij de eventuele rectificatie van de geannuleerde invoeraangifte het volledig verschuldigde btw-bedrag (opnieuw) moet betaald worden aan de douane.
Wanneer de in vorige alinea voorziene voorwaarden niet zijn vervuld en de AAD dus niet mag terugbetalen, bekomt de aangever teruggave van de btw, die op een foutieve aangifte werd voldaan, via de AAFisc (zie §165, tweede alinea), met name door deze aangifte in te schrijven in zijn btw-register van toerekening of van teruggave nadat de desbetreffende aangifte inzake btw werd vernietigd door de AAD
Het btw-register van toerekening is een speciaal teruggaveregister dat de douane-vertegenwoordiger moet houden om onder toezicht van de AAFisc teruggave te bekomen van de btw die hij in naam en voor rekening van de geadresseerde heeft betaald bij de validatie van aangiften ten verbruik die achteraf het voorwerp hebben uitgemaakt van een rectificatie aangevraagd door die douanevertegenwoordiger.
In het register van toerekening mogen enkel aangiften voor het verbruik worden ingeschreven die ingevolge voornoemde rectificatieprocedure door de AAD nietig werden verklaard. De geannuleerde oorspronkelijke aangiften ten verbruik moeten door de douanevertegenwoordiger worden bewaard ter staving van zijn recht op teruggave.
De douanevertegenwoordiger bekomt de teruggave van de btw die met de geannuleerde aangiften werd voldaan door in de periodieke btw-aangifte die hij maandelijks of driemaandelijks moet indienen, de voor teruggave vatbare btw toe te rekenen op de btw die hij is verschuldigd voor het aangiftetijdvak waarin hij zijn recht op teruggave uitoefent.
Daartoe totaliseert de douanevertegenwoordiger het bedrag van de btw voldaan met de geannuleerde aangiften ten verbruik die hij tijdens de betrokken maand of het betrokken kwartaal heeft ingeschreven in zijn register van toerekening.
De douanevertegenwoordiger verricht de toerekening door het aldus bekomen totaal btw-bedrag in te schrijven in rooster 62 van zijn periodieke btw-aangifte. Dat rooster omvat het totaalbedrag van diverse btw-regularisaties in het voordeel van de btw-belastingplichtige, in casu de aangever.

2.5. Verjaringstermijn

§ 168. De vordering tot teruggave van de btw is verjaard na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak voor teruggave van de belasting zich heeft voorgedaan.
De oorzaak van teruggave van de bij invoer voldane btw doet zich voor op volgend tijdstip:
- wanneer de betaalde belasting de wettelijk verschuldigde belasting overtreft (zie § 153), op de datum waarop die belasting werd betaald;
- wanneer een prijsvermindering is toegestaan (zie § 154), op de datum van de creditnota die door de leverancier wordt uitgereikt;
- wanneer de verpakkingen buiten de Unie worden teruggezonden (zie § 155), op de datum van de creditnota die door de leverancier wordt uitgereikt;
- wanneer de overeenkomst minnelijk of door een gerechtelijke beslissing is vernietigd of ontbonden (zie § 156), op de datum waarop de goederen worden wederuitgevoerd buiten de Unie of, indien de goederen vóór de vernietiging of ontbinding werden wederuitgevoerd, op de datum waarop de partijen de vernietiging vaststellen of overeenkomen over de ontbinding of nog op de datum waarop het vonnis of het arrest waarbij de vernietiging of ontbinding werd uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan;
- wanneer het goed binnen de zes maanden werd wederuitgevoerd (zie § 157), op de datum van wederuitvoer buiten de Unie;
- wanneer het goed werd vernietigd alvorens het toezicht van de douane te hebben verlaten (zie § 158), op de datum van de vernietiging;
- wanneer het goed, na ten verbruik te zijn aangegeven, wordt aangegeven voor een andere bestemming (zie § 159), op de datum waarop de belasting werd betaald;
- wanneer het goed, als gevolg van maatregelen van het bevoegde gezag, niet mag worden gebruikt voor het doel waarvoor het is ingevoerd (zie § 160), op de datum van wederuitvoer buiten de Unie of van de vernietiging van het goed.
Voorbeeld:
Een oorzaak voor teruggave doet zich voor op 10 november 2018. De vordering voor teruggave van de te veel betaalde btw is verjaard op 1 januari 2022.
§ 169. Wanneer een aanvraag die tegelijk betrekking heeft op de terugbetaling van invoerrechten en teruggave van btw, inzake rechten wordt afgewezen of niet ontvankelijk is wegens het verstrijken van de termijn waarbinnen de aanvraag moet worden ingediend, is dit niet noodzakelijk een beletsel voor het aanvaarden van het verzoek om teruggave van de btw, indien de aanvraag werd ingediend vóór het einde van het derde kalenderjaar na het jaar waarin de vordering tot teruggave van de btw is ontstaan.

2.6. Administratief beroep

§ 170. Het recht van administratief beroep inzake douane en accijnzen geldt niet voor de btw. Indien de rechthebbende op de teruggave van de invoer-btw een bezwaar heeft met betrekking tot de btw, moet hij zich steeds tot de AAFisc richten.

VI. Overgangsmaatregelen

1. Algemeen

§ 171. Artikel 288, lid 2 DWU bepaalt dat de andere dan in lid 1 van dat artikel vermelde artikelen van toepassing zijn met ingang van 1 mei 2016.
Aangezien de bepalingen van Afdeling 3 van Hoofdstuk 3 van Titel III van het DWU (met name de artikelen 116 t/m 121 inzake terugbetaling en kwijtschelding) niet zijn opgenomen in artikel 288, lid 1 DWU, zijn ze bijgevolg ingegaan op 1 mei 2016.
§ 172. Bij afwezigheid van specifieke overgangsregels moet deze kwestie behandeld worden in overeenstemming met de algemene beginselen betreffende de toepassing van wetgeving van de Europese Unie in de tijd (ratione temporis). Wetgeving van de Europese Unie mag niet met terugwerkende kracht toegepast worden maar als regel heeft ze een onmiddellijk effect. Dit betekent dat de “nieuwe regels onmiddellijk van toepassing zijn op de toekomstige effecten van een situatie die onder de oude regel is ontstaan”. Terugwerkende kracht is uitzonderlijk, enkel als het duidelijk volgt uit de bewoordingen of de opzet dat dit de bedoeling van de wetgever was. Onmiddellijk effect is een beginsel “tenzij de onmiddellijke toepassing van een specifieke bepaling in tegenstrijd is met de bescherming van het gewettigd vertrouwen van de betrokken partijen”.
Bij afwezigheid van overgangsregels moet gehandeld worden in overeenstemming met de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie, in het bijzonder in douanezaken.
§ 173. De douaneautoriteiten moeten geval per geval bekijken, d.w.z. voor elke wettelijke situatie moeten de toepasselijke regels bepaald worden en beslist worden of het gaat om een procedureregel of een materiële regel.
In het algemeen geldt volgens vaste rechtspraak dat procedureregels in beginsel worden geacht van toepassing te zijn op alle bij de inwerkingtreding ervan aanhangige gedingen, in tegenstelling tot materiële regels, die doorgaans aldus worden uitgelegd dat zij niet van toepassing zijn op vóór de inwerkingtreding ervan bestaande situaties.
Hieronder worden enkele situaties uiteengezet die in de praktijk kunnen voorkomen.

2. Praktijksituaties

2.1. Rechtsgrondslag voor het beoordelen van de aanvragen voor terugbetaling of kwijtschelding die na 1 mei 2016 werden ingediend m.b.t. een douaneschuld die vóór 1 mei 2016 is ontstaan

§ 174. Als een douaneschuld is ontstaan vóór 1 mei 2016 en als de toepasselijke bepaling in dit geval een materiële regel is, dienen de bepalingen toegepast te worden die van kracht waren op het tijdstip van het ontstaan van douaneschuld.
Als een douaneschuld is ontstaan vóór 1 mei 2016 en als de toepasselijke bepaling in deze zaak een procedurele regel is, dan dient de nieuwe bepaling toegepast te worden.
§ 175. Gezien het onderscheid tussen procedurele en materiële regels, is een beoordeling geval per geval noodzakelijk. Niettemin kunnen enkele richtinggevende beginselen worden herinnerd. Voor zover mogelijk zouden de regels betreffende de vaststelling van de douaneschuld beschouwd moeten worden als de bepalingen die van kracht waren op het tijdstip van het ontstaan van de douaneschuld. De meeste andere bepalingen over terugbetaling en kwijtschelding zijn procedureel van aard en de nieuwe wetgeving zou toegepast moeten worden.

2.2. Mededeling van de douaneschuld betreffende de invordering van een douaneschuld ontstaan vóór 1 mei 2016

§ 176. Vanaf 1 mei 2016 wordt de mededeling gedaan onder het DWU, met vermelding van de overeenkomstige artikelen van het DWU (rekening houdend met het feit dat de schuld is ontstaan onder het Communautair Douanewetboek (hierna CDW genoemd)). De overeenkomstige artikelen in het CDW zouden enkel mutatis mutandis van toepassing zijn, voor zover de nieuwe wetgeving vergelijkbaar is en de overeenkomstige rechtspraak nog steeds geldig is - wat in de meeste situaties inderdaad het geval is.

2.3. Artikel 121 DWU

§ 177. Met betrekking tot artikel 121 DWU (termijnen voor het indienen van een aanvraag tot terugbetaling en kwijtschelding) werd de termijn voor de indiening van de aanvraag gelijkgeschakeld met de ruimere tijdslimiet van drie jaar vanaf de datum waarop het bedrag van de rechten werd meegedeeld aan de schuldenaar, met uitzondering van de bijzondere gevallen betreffende goederen die gebreken vertonen of goederen die niet met de bepalingen van het contract in overeenstemming zijn en betreffende de ongeldigmaking van een douaneaangifte.
§ 178. In het licht van de titel van artikel 121 DWU - "procedure voor terugbetaling en kwijtschelding" - moet deze bepaling gekwalificeerd worden als een procedureregel. Het verstrijken van bijvoorbeeld de in artikel 121, lid 1, onder a), DWU vastgestelde periode van drie jaar staat het recht van de schuldenaar in de weg om terugbetaling of kwijtschelding aan te vragen. Tegelijkertijd regelt een dergelijke bepaling de douaneschuld zelf niet, aangezien het geen regel van verjaring van de douaneschuld zelf vaststelt.
Als procedureregel zou artikel 121 DWU van toepassing moeten zijn op alle gedingen die aanhangig waren op het ogenblik dat het DWU in werking trad.
‘Aanhangige gedingen’ betekent in dit verband alle verzoeken tot terugbetaling of kwijtschelding die reeds werden ingediend vóór 1 mei 2016 en waarvoor een beschikking nog steeds hangende was na 1 mei 2016.
§ 179. Artikel 121, lid 1, onder a) DWU heeft de termijn van één jaar (vastgelegd in het artikel 239 van het CDW) verlengd tot drie jaar voor het indienen van een aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding. In beide gevallen vangt de termijn aan vanaf de datum van de mededeling van de douaneschuld.
Als een aanvraag werd ingediend binnen de termijn van 12 maanden, dan is die aanvraag waarschijnlijk hangende en is de verlenging tot drie jaar bijgevolg overbodig.
§ 180. Artikel 121 DWU kan niet worden ingeroepen voor het doen herleven van een recht dat reeds onder het CDW verloren is gegaan. Het ontstaan van de douaneschuld en de daaropvolgende regels voor terugbetaling en kwijtschelding werden geregeld door de bepalingen van het CDW en van de toepassingsbepalingen van het CDW (hierna CTW genoemd). Als het recht verloren ging onder het CDW, kan deze situatie niet worden gewijzigd door het DWU, dat enkel van toepassing is vanaf de datum van inwerkingtreding ervan.
§ 181. Uit de bepalingen van § 182 volgt dat de aanvrager niet kan genieten van de nieuwe termijn van drie jaar als zijn/haar recht reeds uitgedoofd was onder het CDW. Het recht kan uitgedoofd zijn, bijvoorbeeld in het geval wanneer een aanvraag werd ingediend die vervolgens door de bevoegde autoriteiten ten gronde werd afgewezen.
Als het recht niet is uitgedoofd (indien de marktdeelnemer geen aanvraag heeft ingediend vóór 1 mei 2016 of indien de aanvraag werd ingediend en vervolgens niet door de bevoegde autoriteiten ten gronde is afgewezen), kan de betrokkene nog steeds genieten van de nieuwe termijn van drie jaar. De reden hiervoor is dat het verstrijken van de termijn om een aanvraag in te dienen onder de vorige wetgeving (CDW) enkel de mogelijkheid opschort om zijn/haar recht uit te oefenen onder dat wettelijk kader.
Rekening houdend met het feit dat de termijn van drie jaar in het DWU verwijst naar hetzelfde onderwerp als de regel van één jaar in het CDW, kan de aanvrager de uitoefening van zijn/haar recht opnieuw verkrijgen, tenzij dat recht was uitgedoofd. Deze interpretatie wordt bevestigd door de mogelijkheid onder het CDW om de periode van één jaar te verlengen in ‘naar behoren gerechtvaardigde uitzonderlijke gevallen’.
Kortom, als een aanvraag niet werd ingediend binnen de termijn van 12 maanden, maar dit nog valt binnen de nieuwe door het DWU toegekende termijn van drie jaar vanaf de mededeling van de douaneschuld, kan een dergelijke aanvraag worden ingediend op voorwaarde dat het recht niet was uitgedoofd.

2.4. Beschikkingen betreffende terugbetaling of kwijtschelding genomen na 1 mei 2016 betreffende gevallen ontstaan vóór 1 mei 2016

§ 182. Gezien de communautaire wetgeving (CDW en CTW) werd ingetrokken, kan een beschikking na 1 mei 2016 enkel worden genomen op basis van de huidige rechtsgrondslag – het DWU – zelfs als de feiten van de zaak dateren van vóór die datum. Dezelfde regel zou van toepassing moeten zijn op beschikkingen van de Commissie.
§ 183. Hoewel het DWU de wettelijke basis is, zijn de materiële regels deze die van toepassing zijn op het tijdstip dat de situatie zich voordeed, namelijk de communautaire wetgeving (CDW en CTW) voor situaties die plaatsvonden vóór 1 mei 2016.
Voor de gevallen waar de beschikking wordt genomen door een lidstaat of door de Commissie na 1 mei 2016 maar verwijst naar een geval dat plaatsvond vóór die datum, zou de beschikking in haar motivering (d.w.z. de redenering die gewoonlijk wordt voorgelegd in de opeenvolgende paragrafen van de beschikking) moeten verwijzen naar de materiële regels van het CDW en/of CTW die vóór 1 mei 2016 van toepassing waren op de situatie.

2.5. Beschikking genomen na 1 mei 2016 op basis van het DWU (Artikel 117 DWU), maar gebaseerd op de ‘materiële regels’ van de ‘oude’ wetgeving

§ 184. Voor zover de situatie zich vóór 1 mei 2016 heeft voorgedaan, moet de beschikking worden genomen in overeenstemming met de materiële regels die op dat tijdstip van toepassing waren.
Hoewel het DWU de rechtsgrondslag is, zijn de toe te passen materiële regels op de situaties van vóór 1 mei 2016 deze die van toepassing waren op dat tijdstip (CDW en CTW).
In het belang van de duidelijkheid en de rechtszekerheid zou, voor zaken die vóór 1 mei 2016 zijn ingediend en wanneer de door de lidstaten of de Commissie te nemen beschikking plaatsvond na die datum, de beschikking in haar motivering (d.w.z. de redenering die gewoonlijk wordt voorgelegd in de opeenvolgende paragrafen van de beschikking) moeten verwijzen naar de materiële regels van het CDW en/of CTW die vóór 1 mei 2016 van toepassing waren op de situatie.
§ 185. Het enige relevante onderscheid tussen de regeling die vóór 1 mei 2016 bestond en de regeling die na die datum volgde, is dat er vóór 1 mei 2016 een bijkomende voorwaarde bestaat voor het niet-boeken van de wettelijk verschuldigde rechten zonder dat dit het resultaat is van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf.
Deze mogelijkheid om niet te boeken bestaat niet meer onder het DWU.
Vandaar dat in het geval van een aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding op basis van artikel 236 van het CDW gelinkt aan artikel 220, lid 2, b) van het CDW, alle drie de voorwaarden van artikel 220, lid 2, b) van het CDW moeten worden beoordeeld, met inbegrip, indien nodig, van de voorwaarde met betrekking tot de niet-boeking die specifiek is voor het CDW. Op deze manier zou er een samenhangende aanpak zijn voor gelijkaardige situaties die tegelijkertijd plaatsvinden (vóór 1 mei 2016), maar op verschillende momenten worden behandeld vanwege bepaalde vertragingen in de procedure.
De artikelen die ingeroepen moeten worden in de beschikking, zouden afkomstig moeten zijn van de nieuwe rechtsgrondslag (DWU) en, indien nodig, de voormalige materiële regels (CDW en/of CTW) indien ze van toepassing zijn op de situatie die vóór 1 mei 2016 plaatsvond.

VII. Intrekkingen

§ 188. Wordt ingetrokken:
- de Circulaire 2019/C/76 betreffende terugbetaling en kwijtschelding);


Voor de Administrateur-generaal van de douane en accijnzen:

De Adviseur-generaal,
J. LEMAIRE


Bijlagen

Bijlage1: Te vermelden gegevenselementen op de aanvraag voor en de beschikking betreffende de terugbetaling of kwijtschelding van de bedragen aan invoer- of uitvoerrechten

Wettelijke basis: artikel 116 DWU.
De bijlage A van het DWU DA bevat de gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aanvragen en beschikkingen.
Voor de aanvraag voor en de beschikking betreffende de terugbetaling of kwijtschelding van de bedragen aan invoer- of uitvoerrechten zijn in de vorengenoemde bijlage A:
- de te vermelden gegevens weergegeven in de kolom 4c van de tabel met gegevensvereisten van hoofdstuk 1 van Titel I;
- de aantekeningen op deze gegevensvereisten opgenomen in hoofdstuk 2 van Titel II.
De gegevensvereisten zijn van toepassing op aanvragen die worden ingediend en beschikkingen die worden afgegeven zowel met behulp van een elektronische gegevensverwerkingstechniek als op papier.
De gegevenselementen in de tabel met gegevensvereisten kunnen zowel voor de aanvragen als voor de beschikkingen worden gebruikt, tenzij het betrokken gegevenselement anders is aangemerkt (zie merktekens [*] en [+] hieronder).
De bijlage A van het DWU IA bevat de formaten en codes van de gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aanvragen en beschikkingen.
De codes betreffende de gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aanvragen en beschikkingen zijn opgenomen in Titel II van bijlage B van het DWU IA.

Gegevensvereisten op de aanvraag voor en de beschikking betreffende de terugbetaling of kwijtschelding van de bedragen aan invoer- of uitvoerrechten

Verduidelijking van de gebruikte symbolen

A: verplicht (gegevens die door elke lidstaat worden verlangd).
C: facultatief voor marktdeelnemers (gegevens die marktdeelnemers vrijwillig kunnen verstrekken maar waarvan de opgave niet door de lidstaten kan worden verlangd).
[*]: dit gegevenselement wordt uitsluitend voor de betrokken aanvraag gebruikt.
[+]: dit gegevenselement wordt uitsluitend voor de betrokken beschikking gebruikt.

Voorafgaande opmerking:

G.E. = gegevenselement

Nr. G.E.

Naam G.E.

Symbolen

Voetnoten

1/1

Code soort aanvraag/beschikking

A

1/2

Handtekening/authenticatie

A

1/6

Referentienummer beschikking

A

[2]

1/7

Beschikkende douaneautoriteit

A [+]

2/4

Bijgevoegde documenten

A

[3]

3/1

Aanvrager/houder van de vergunning of beschikking

A

[4]

3/2

Identificatie aanvrager/houder van de vergunning of beschikking

A

3/3

Vertegenwoordiger

A

[4]

3/4

Identificatie vertegenwoordiger

A

3/6

Contactpersoon verantwoordelijk voor de aanvraag

C [*]

4/1

Plaats

A

[7]

4/2

Datum

A

4/8

Plaats van de goederen

A [*]

[11]

5/1

Goederencode

A [*]

5/2

Omschrijving van de goederen

A [*]

5/3

Hoeveelheid goederen

A [*]

6/3

Algemene opmerkingen

A [+]

8/5

Aanvullende informatie

C [*]

Omschrijving van de gebruikte voetnoten

Nr.

Omschrijving

[2]

Dit G.E. wordt niet gebruikt in de aanvraag, tenzij het gaat om een aanvraag voor een wijziging, verlenging of intrekking van de beschikking.

[3]

Wanneer een aanvraag betrekking heeft op goederen waarvoor bij de indiening van de desbetreffende douaneaangifte een invoer- of uitvoercertificaat werd overgelegd, gaat het, onverminderd de in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid vastgestelde specifieke bepalingen, vergezeld van een certificaat van de met de afgifte van deze certificaten belaste autoriteiten dat de noodzakelijke maatregelen zijn genomen om de gevolgen van dat certificaat op te heffen.
Bovengenoemd certificaat is echter niet vereist indien:
a) de douaneautoriteit waar het verzoek wordt ingediend zelf de vergunning heeft afgegeven;
b) de reden voor de aanvraag een vergissing is die geen gevolgen heeft voor de toekenning van de vergunning.
Bovengenoemde bepalingen zijn eveneens van toepassing in het geval van wederuitvoer, plaatsing van goederen in een douane-entrepot of vrije zone, of vernietiging van de goederen.

[4]

Deze informatie is uitsluitend verplicht wanneer het EORI-nummer van de persoon niet wordt vereist. Wanneer het EORI-nummer is verstrekt, hoeft geen naam of adres te worden verstrekt, tenzij een papieren aanvraag of beschikking wordt gebruikt.

[7]

Deze informatie wordt alleen gebruikt bij een papieren aanvraag.

[11]

Deze informatie kan niet worden verstrekt in de gevallen waarin in de douanewetgeving van de Unie is bepaald dat wordt afgezien van de eis om de goederen aan te brengen.

Aantekeningen op de gegevensvereisten

G.E. 1/1

Aanvraag of beschikking

Aantekeningen

Aanvraag

Vermeld met behulp van de desbetreffende codes welke vergunning of beschikking is aangevraagd.

Beschikking

Vermeld met behulp van de desbetreffende codes het soort vergunning of beschikking.

Voor de aanvraag of beschikking tot terugbetaling van de bedragen aan invoer- of uitvoerrechten moet gebruik worden gemaakt van de code REP.
Voor de aanvraag of beschikking tot kwijtschelding van de bedragen aan invoer- of uitvoerrechten moet gebruik worden gemaakt van de code REM.

G.E. 1/2

Aanvraag of beschikking

Aantekeningen

Aanvraag

Papieren aanvragen worden ondertekend door de persoon die de aanvraag indient. De ondertekenaar moet tevens zijn hoedanigheid vermelden.
Aanvragen met behulp van een elektronische gegevensverwerkingstechniek worden geauthenticeerd door de persoon die de aanvraag indient (aanvrager of vertegenwoordiger).
Indien de aanvraag wordt ingediend met behulp van de geharmoniseerde EU-interface voor de bedrijven die de Commissie en de lidstaten in onderling overleg hebben vastgesteld, wordt de aanvraag als geauthenticeerd beschouwd.

Beschikking

Ondertekening van de papieren beschikkingen of anderszins authenticatie van de beschikkingen met behulp van een elektronische gegevensverwerkingstechniek door de persoon die over de vergunning, de bindende inlichtingen of de terugbetaling of kwijtschelding van invoer- of uitvoerrechten een beschikking heeft gegeven.

G.E. 1/6

Dit G.E. wordt niet gebruikt in de aanvraag, tenzij het gaat om een aanvraag voor een wijziging, verlenging of intrekking van de beschikking (zie voetnoot 2).
Een unieke referentie die door de bevoegde douaneautoriteit aan de beschikking is toegekend.
Het referentienummer van de beschikking is als volgt opgebouwd:

Veld

Inhoud

Formaat

Voorbeelden

1

Identificator van de lidstaat waar de beschikking is gegeven (tweeletterige landcode)

a2

BE

2

Code soort beschikking

an..4

REP

3

Unieke identificator voor de beschikking per land

an..29

1234XYZ12345678909876543210AB

Veld 1: zie uitleg hierboven.
Veld 2 moet worden ingevuld met de code van de beschikking zoals omschreven voor G.E. 1/1 (code soort beschikking).
Veld 3 moet worden ingevuld met een identificator voor de betrokken beschikking. De wijze waarop dit veld wordt gebruikt, valt onder de verantwoordelijkheid van de nationale douaneautoriteiten, maar elke in een land afgegeven beschikking moet een nummer krijgen dat uniek is voor het desbetreffende soort beschikking.

G.E. 1/7

Dit G.E. wordt uitsluitend voor de betrokken beschikking gebruikt.
Het identificatienummer of de naam en adresgegevens van de douaneautoriteit die de beschikking geeft.
De codes zijn als volgt gestructureerd:
- de eerste twee tekens (a2) identificeren het land met behulp van de landcode zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie;
- de volgende zes tekens (an6) duiden het betrokken kantoor in dit land aan; hiervoor wordt de volgende structuur aanbevolen: de eerste drie tekens (an3) geven de UN/LOCODE-plaatsnaam weer en de laatste drie een nationale alfanumerieke onderverdeling (an3); indien deze onderverdeling niet wordt gebruikt, moet „000” worden ingevoegd.
Voorbeeld
BEBRU000: BE = ISO 3166 voor België, BRU = UN/LOCODE- plaatsnaam voor de stad Brussel, en 000 omdat de onderverdeling niet wordt gebruikt.

G.E. 2/4

Verstrek informatie over het soort en, indien van toepassing, het identificatienummer en/of de datum van afgifte van het(de) document(en) dat(die) bij de aanvraag of de beschikking is(zijn) gevoegd. Vermeld ook het totale aantal van de bijgevoegde documenten.
Vermeld, als het document de voortzetting bevat van informatie die elders in de aanvraag of beschikking is verstrekt, een verwijzing naar het betrokken G.E.
Wanneer een aanvraag betrekking heeft op goederen waarvoor bij de indiening van de desbetreffende douaneaangifte een invoer- of uitvoercertificaat werd overgelegd, gaat het, overeenkomstig voetnoot 3, onverminderd de in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid vastgestelde specifieke bepalingen, vergezeld van een certificaat van de met de afgifte van deze certificaten belaste autoriteiten dat de noodzakelijke maatregelen zijn genomen om de gevolgen van dat certificaat op te heffen.
Bovengenoemd certificaat is echter niet vereist indien:

a) de douaneautoriteit waar het verzoek wordt ingediend zelf de vergunning heeft afgegeven;

b) de reden voor de aanvraag een vergissing is die geen gevolgen heeft voor de toekenning van de vergunning.

Bovengenoemde bepalingen zijn eveneens van toepassing in het geval van wederuitvoer, plaatsing van goederen in een douane-entrepot of vrije zone, of vernietiging van de goederen.

G.E. 3/1

Aanvraag of beschikking

Aantekeningen

Aanvraag

De aanvrager is degene die bij de douaneautoriteiten een beschikking aanvraagt.
Vermeld de naam en adresgegevens van de betrokkene.

Beschikking

De houder van de beschikking is degene aan wie de beschikking is afgegeven.
De houder van de vergunning is degene aan wie de vergunning is afgegeven.

Deze informatie is uitsluitend verplicht wanneer het EORI-nummer van de persoon niet wordt vereist. Wanneer het EORI-nummer is verstrekt, hoeft geen naam of adres te worden verstrekt, tenzij een papieren aanvraag of beschikking wordt gebruikt (zie voetnoot 4).

G.E. 3/2

Aanvraag of beschikking

Aantekeningen

Aanvraag

De aanvrager is degene die bij de douaneautoriteiten een beschikking aanvraagt.
Vermeld het in artikel 1, punt 18) DWU DA bedoelde EORI-nummer (Economic Operators Registration and Identification — registratie en identificatie van marktdeelnemers) van de betrokkene.
Indien de aanvraag wordt gedaan met behulp van een elektronische gegevensverwerkingstechniek, wordt het EORI-nummer van de aanvrager altijd vermeld.

Beschikking

De houder van de beschikking is degene aan wie de beschikking is afgegeven.
De houder van de vergunning is degene aan wie de vergunning is afgegeven.

G.E. 3/3

Verstrek relevante informatie (naam en adres) over de vertegenwoordiger als de in G.E. 3/1 (aanvrager/houder van de vergunning of beschikking) of G.E. 3/2 (identificatie aanvrager/houder van de vergunning of beschikking) vermelde aanvrager vertegenwoordigd is.
Verstrek, als de beschikkende douaneautoriteit dat verlangt overeenkomstig artikel 19, lid 2, DWU, een exemplaar van het desbetreffende contract of de desbetreffende volmacht of enig ander document waaruit de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de status van de douanevertegenwoordiger blijkt.
Deze informatie is uitsluitend verplicht wanneer het EORI-nummer van de persoon niet wordt vereist. Wanneer het EORI-nummer is verstrekt, hoeft geen naam of adres te worden verstrekt, tenzij een papieren aanvraag of beschikking wordt gebruikt (zie voetnoot 4).

G.E. 3/4

Vermeld het EORI-nummer van de vertegenwoordiger als de in G.E. 3/1 (aanvrager/houder van de vergunning of beschikking) of G.E. 3/2 (identificatie aanvrager/houder van de vergunning of beschikking) vermelde aanvrager vertegenwoordigd is.
Verstrek, indien de beschikkende douaneautoriteit dat verlangt overeenkomstig artikel 19, lid 2, DWU, een exemplaar van het desbetreffende contract of de desbetreffende volmacht of enig ander document waaruit de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de status van de douanevertegenwoordiger blijkt.

G.E. 3/6

Dit G.E. wordt uitsluitend voor de betrokken aanvraag gebruikt.
De contactpersoon is verantwoordelijk voor het onderhouden van het contact met de douane met betrekking tot de aanvraag.
Deze informatie wordt alleen verstrekt als het gaat om een andere persoon dan de in G.E. 3/5 (naam en contactgegevens van de persoon die verantwoordelijk is voor douanezaken) vermelde persoon.
Vermeld de naam van de contactpersoon en telefoonnummer, e-mailadres (bij voorkeur een functionele mailbox) en, indien van toepassing, een fax.

G.E. 4/1

Aanvraag of beschikking

Aantekeningen

Aanvraag

Plaats waar de aanvraag werd ondertekend of op andere wijze geauthenticeerd.

Beschikking

Plaats waar de vergunning of beschikking betreffende een bindende oorsprongsinlichting of betreffende terugbetaling of kwijtschelding van invoer- of uitvoerrechten werd gegeven.

Deze informatie wordt alleen gebruikt bij een papieren aanvraag (zie voetnoot 7).

G.E. 4/2

Aanvraag of beschikking

Aantekeningen

Aanvraag

Datum waarop de aanvrager de aanvraag heeft ondertekend of op andere wijze geauthenticeerd.

Beschikking

De datum waarop de vergunning of beschikking betreffende een bindende inlichting of betreffende terugbetaling of kwijtschelding van invoer- of uitvoerrechten is gegeven.

G.E. 4/8

Dit G.E. wordt uitsluitend voor de betrokken aanvraag gebruikt.
Vermeld de naam en adresgegevens van de betrokken locatie, inclusief de postcode, indien van toepassing. Indien de aanvraag wordt ingediend met behulp van een elektronische gegevensverwerkingstechniek, kan het adres door de relevante code worden vervangen als die de betrokken locatie ondubbelzinnig weergeeft.
Deze informatie kan niet worden verstrekt in de gevallen waarin in de douanewetgeving van de Unie is bepaald dat wordt afgezien van de eis om de goederen aan te brengen (zie voetnoot 11).

G.E. 5/1

Dit G.E. wordt uitsluitend voor de betrokken aanvraag gebruikt.
Vermeld de 8-cijferige code van de gecombineerde nomenclatuur, de Taric-code en, indien van toepassing, de aanvullende Taric-code(s) en de nationale aanvullende code(s) van de betrokken goederen.

G.E. 5/2

Dit G.E. wordt uitsluitend voor de betrokken aanvraag gebruikt.
Vermeld de gebruikelijke handelsbenaming van de goederen of hun omschrijving in het douanetarief. De omschrijving moet overeenkomen met die in de in G.E. VIII/1 (titel tot invordering) bedoelde douaneaangifte.
Vermeld het aantal, de soort, de merken en de identificatienummers van de colli, Vermeld in het geval van onverpakte goederen het aantal voorwerpen of vermeld „los gestort”.

G.E. 5/3

Dit G.E. wordt uitsluitend voor de betrokken aanvraag gebruikt.
Vermeld de nettohoeveelheid van de goederen, uitgedrukt in aanvullende eenheden in de zin van de gecombineerde nomenclatuur (bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad).

G.E. 6/3

Dit G.E. wordt uitsluitend voor de betrokken beschikking gebruikt.
Algemene informatie over de verplichtingen en/of formaliteiten die uit de vergunning voortvloeien.
Verplichtingen die voortvloeien uit de vergunning, met name wat de verplichting betreft om de beschikkende autoriteit in kennis te stellen van eventuele veranderingen in de onderliggende feiten en omstandigheden, overeenkomstig artikel 23, lid 2, DWU.
De beschikkende douaneautoriteit specificeert de gegevens met betrekking tot het recht op beroep overeenkomstig artikel 44 DWU.
Vermeld de vereisten waaraan de goederen tot aan de implementatie van de beschikking moeten blijven voldoen.
De beschikking bevat indien van toepassing een vermelding die de houder van de beschikking ervan in kennis stelt dat hij bij het aanbrengen van de goederen het origineel van de beschikking aan het uitvoerende douanekantoor van zijn keuze moet overleggen.

G.E. 8/5

Dit G.E. wordt uitsluitend voor de betrokken aanvraag gebruikt.
Vermeld eventuele aanvullende informatie als die van nut wordt geacht.

Formaten van de gegevensvereisten op de aanvraag voor en de beschikking betreffende de terugbetaling of kwijtschelding van de bedragen aan invoer- of uitvoerrechten

Nr. G.E.

Naam G.E.

Formaat G.E.

Groep 1 – Informatie aanvraag beschikking

1/1

Code soort aanvraag/beschikking

an..4

1/2

Handtekening/authenticatie

an..256

1/6

Referentienummer beschikking

Landcode: a2 +
Code soort beschikking: an..4 +
Referentienummer: an..29

1/7

Beschikkende douaneautoriteit

Gecodeerd: an8
of
Naam: an..70 +
Straat en nummer: an..70 +
Land: a2 +
Postcode: an..9 +
Stad: an..35

Groep 2 – Verwijzingen naar bewijsstukken, certificaten en vergunningen

2/4

Bijgevoegde documenten

Totale aantal documenten: n..3 +
Soort document: an..70 +
Identificator document: an..35 +
Datum document: n8 (jjjjmmdd)

Groep 3 – Partijen

3/1

Aanvrager/houder van de vergunning of beschikking

Naam: an..70 +
Straat en nummer: an..70 +
Land: a2 +
Postcode: an..9 +
Stad: an..35

3/2

Identificatie aanvrager/houder van de vergunning of beschikking

an..17

3/3

Vertegenwoordiger

Naam: an..70 +
Straat en nummer: an..70 +
Land: a2 +
Postcode: an..9 +
Stad: an..35

3/4

Identificatie vertegenwoordiger

an..17

3/6

Contactpersoon verantwoordelijk voor de aanvraag

Naam: an..70 +
Telefoonnummer: an..50 +
Fax: an..50 +
E-mailadres: an..50

Groep 4 – Data, tijden, termijnen en plaatsen

4/1

Plaats

n.v.t.

4/2

Datum

n8 (jjjjmmdd)

4/8

Plaats van de goederen

Land: a2 +
Code soort plaats: a1 +
Kenmerk van de identificatie: a1 +
Gecodeerd:
Identificatie van de plaats: an..35 +
Aanvullende identificator: n..3
of
Vrije tekst:
Naam: an..70 +
Straat en nummer: an..70 +
Postcode: an..9 +
Stad: an..35

Groep 5 – Identificatie van de goederen

5/1

Goederencode

1ste onderverdeling (code gecombineerde nomenclatuur): an..8 +
2de onderverdeling (Taric-onderverdeling): an2 +
3de onderverdeling (aanvullende Taric-code(s)): an4 +
4de onderverdeling (nationale aanvullende code(s)): an..4

5/2

Omschrijving van de goederen

Vrije tekst: an..512

5/3

Hoeveelheid goederen

Maateenheid: an..4 +
Hoeveelheid: n..16,6

Groep 6 – Voorwaarden

6/3

Algemene opmerkingen

Vrije tekst: an..512

Groep 8 - Overige

8/5

Aanvullende informatie

Vrije tekst: an..512


Bijlage 2: Te vermelden specifieke gegevensvereisten op de aanvraag voor en de beschikking betreffende de terugbetaling of kwijtschelding van de bedragen aan invoer- of uitvoerrechten

Wettelijke basis: artikel 116 DWU.
De bijlage A van het DWU DA bevat de gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aanvragen en beschikkingen.
Voor de aanvraag voor en de beschikking betreffende de terugbetaling of kwijtschelding van de bedragen aan invoer- of uitvoerrechten zijn in de vorengenoemde bijlage A:
- de specifieke gegevensvereisten weergegeven in hoofdstuk 1 van Titel VIII;
- de aantekeningen op de specifieke gegevensvereisten opgenomen in hoofdstuk 2 van Titel VIII.
De gegevensvereisten zijn van toepassing op aanvragen die worden ingediend en beschikkingen die worden afgegeven zowel met behulp van een elektronische gegevensverwerkingstechniek als op papier.
De gegevenselementen in de tabel met gegevensvereisten kunnen zowel voor de aanvragen als voor de beschikkingen worden gebruikt, tenzij het betrokken gegevenselement anders is aangemerkt (zie merktekens [*] en [+] hieronder).
De bijlage A van het DWU IA bevat de formaten en codes van de gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aanvragen en beschikkingen.
De codes betreffende de gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aanvragen en beschikkingen zijn opgenomen in Titel II van bijlage B van het DWU IA.

Specifieke gegevensvereisten op de aanvraag voor en de beschikking betreffende de terugbetaling of kwijtschelding van de bedragen aan invoer- of uitvoerrechten

Verduidelijking van de gebruikte symbolen

A: verplicht (gegevens die door elke lidstaat worden verlangd).
[*]: dit gegevenselement wordt uitsluitend voor de betrokken aanvraag gebruikt.
[+]: dit gegevenselement wordt uitsluitend voor de betrokken beschikking gebruikt.

Voorafgaande opmerking:

G.E. = gegevenselement

Nr. G.E.

Naam G.E.

Symbolen

VIII/1

Titel tot invordering

A

VIII/2

Douanekantoor waar de douaneschuld is meegedeeld

A

VIII/3

Douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de goederen zich bevinden

A

VIII/4

Opmerkingen van het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de goederen zich bevinden

A [+]

VIII/5

Douaneregeling (verzoek om voorafgaande vervulling van de formaliteiten)

A

VIII/6

Douanewaarde

A

VIII/7

Terug te betalen of kwijt te schelden bedrag aan invoer- of uitvoerrechten

A

VIII/8

Soort invoer- of uitvoerrechten

A

VIII/9

Rechtsgrondslag

A

VIII/10

Gebruik of bestemming van de goederen

A [+]

VIII/11

Termijn voor de vervulling van de formaliteiten

A [+]

VIII/12

Verklaring van de beschikkende douaneautoriteit

A [+]

VIII/13

Beschrijving van de redenen voor terugbetaling of kwijtschelding

A

VIII/14

Bank- en rekeninggegevens

A [*]

Aantekeningen op de specifieke gegevensvereisten

G.E. VIII/1

Vermeld het MRN van de douaneaangifte of verwijzing naar enig ander document dat aanleiding gaf tot de mededeling van de invoer- of uitvoerrechten waarvoor om terugbetaling of kwijtschelding wordt gevraagd. Op basis van de aanvraag moet het mogelijk zijn om zonder enige twijfel de douaneschuld te identificeren waarvoor terugbetaling of kwijtschelding is aangevraagd.
Een aanvraag voor terugbetaling of kwijtschelding kan betrekking hebben op één of meerdere invoeraangiften.

G.E. VIII/2

Vermeld de identificator van het douanekantoor waaraan de invoer- of uitvoerrechten waarop de aanvraag betrekking heeft, zijn meegedeeld.
De codes zijn als volgt gestructureerd:
- de eerste twee tekens (a2) identificeren het land met behulp van de landcode zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie;
- de volgende zes tekens (an6) duiden het betrokken kantoor in dit land aan. Hiervoor wordt de volgende structuur aanbevolen: de eerste drie tekens (an3) geven de UN/LOCODE-plaatsnaam weer en de laatste drie een nationale alfanumerieke onderverdeling (an3); indien deze onderverdeling niet wordt gebruikt, moet „000” worden ingevoegd.

Voorbeeld

BEBRU000: BE = ISO 3166 voor België, BRU = UN/LOCODE- plaatsnaam voor de stad Brussel, en 000 omdat de onderverdeling niet wordt gebruikt.
Vermeld in het geval van een papieren aanvraag de naam, het volledige adres en indien van toepassing de postcode van het betrokken douanekantoor.

G.E. VIII/3

Deze informatie wordt alleen verstrekt als het gaat om een ander douanekantoor dan het douanekantoor dat is vermeld in G.E. VIII/2 (douanekantoor waar de douaneschuld is meegedeeld).
Vermeld de identificator van het betrokken douanekantoor.
De codes zijn als volgt gestructureerd:
- de eerste twee tekens (a2) identificeren het land met behulp van de landcode zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie;
- de volgende zes tekens (an6) duiden het betrokken kantoor in dit land aan. Hiervoor wordt de volgende structuur aanbevolen: de eerste drie tekens (an3) geven de UN/LOCODE-plaatsnaam weer en de laatste drie een nationale alfanumerieke onderverdeling (an3); indien deze onderverdeling niet wordt gebruikt, moet „000” worden ingevoegd.
Voorbeeld
BEBRU000: BE = ISO 3166 voor België, BRU = UN/LOCODE- plaatsnaam voor de stad Brussel, en 000 omdat de onderverdeling niet wordt gebruikt.
Vermeld in het geval van een papieren aanvraag de naam, het volledige adres en indien van toepassing de postcode van het betrokken douanekantoor.

G.E. VIII/4

Dit G.E. wordt uitsluitend voor de betrokken beschikking gebruikt.
Dit G.E. wordt ingevuld wanneer terugbetaling of kwijtschelding afhankelijk is van vernietiging van een goed, het afstaan van een goed aan de staat, plaatsing van een goed onder een bijzondere regeling of de regeling uitvoer van een goed, maar de bijbehorende formaliteiten worden alleen worden vervuld voor een of meer delen of bestanddelen van dit goed.
Vermeld in dat geval de hoeveelheid, aard en waarde van de goederen die in het douanegebied van de Unie moeten blijven.
Vermeld, wanneer de goederen bestemd zijn voor levering aan een liefdadigheidsinstelling, de naam en volledige adresgegevens en indien van toepassing de postcode van de betrokken entiteit.

G.E. VIII/5

Vermeld, met uitzondering van de in artikel 116, lid 1, eerste alinea, onder a) DWU DA vermelde gevallen, de relevante code van de douaneregeling waaronder de aanvrager de goederen wenst te plaatsen.
Gebruik de in bijlage B van het DWU IA vermelde codes voor G.E. 1/10 (regeling).
Wanneer een vergunning is vereist voor de douaneregeling, vermeld de identificator van de desbetreffende vergunning.
Vermeld of om voorafgaande vervulling van de formaliteiten wordt gevraagd.

G.E. VIII/6

Vermeld de douanewaarde van de goederen.
Gebruik voor de valuta de drieletterige ISO-muntcode (ISO 4217).

G.E. VIII/7

Vermeld met behulp van de relevante code voor de nationale munteenheid het bedrag van de terug te betalen of kwijt te schelden invoer- of uitvoerrechten.
Gebruik voor de valuta de drieletterige ISO-muntcode (ISO 4217).
De relevante toepasselijke codes zijn:

Munteenheid

Code (ISO 4217)

Euro

EUR

Deense kroon

DKK

Zweedse kroon

SEK

Britse pound sterling

GBP

Tsjechische koruna

CZK

Hongaarse forint

HUF

Poolse zloty

PLN

Bulgaarse lev

BGN

Roemeense leu

RON

Kroatische kuna

HRK

G.E. VIII/8

Vermeld met behulp van de relevante codes het soort van de terug te betalen of kwijt te schelden invoer- of uitvoerrechten.
Gebruik de in bijlage B van het DWU IA vermelde codes voor G.E. 4/3 (berekening van de belastingen - soort belasting).
Hiervoor worden de volgende codes gebruikt:

Invoerrecht

A00

Definitieve anti-dumpingrechten

A30

Voorlopige anti-dumpingrechten

A35

Definitieve compenserende rechten

A40

Voorlopige compenserende rechten

A45

Uitvoerrecht

C00

Voor rekening van andere landen geïnde rechten

E00

G.E. VIII/9

Vermeld met behulp van de relevante code de rechtsgrondslag van de aanvraag voor terugbetaling of kwijtschelding van de invoer- of uitvoerrechten.
Voor de rechtsgrondslag dienen de volgende codes te worden gebruikt:

Code

Omschrijving

Rechtsgrondslag

A

Invoer- of uitvoerrechten die te veel in rekening zijn gebracht

Artikel 117 DWU

B

Goederen die gebreken vertonen of goederen die niet met de bepalingen van het contract in overeenstemming zijn

Artikel 118 DWU

C

Vergissing van de bevoegde autoriteiten

Artikel 119 DWU

D

Billijkheid

Artikel 120 DWU

E

Bedrag aan invoer- of uitvoerrechten betaald in verband met een overeenkomstig artikel 174 DWU ongeldig gemaakte douaneaangifte

Artikel 116, lid 1, 2de alinea DWU

G.E. VIII/10

Dit G.E. wordt uitsluitend voor de betrokken beschikking gebruikt.
Vermeld informatie over het gebruik dat de goederen kunnen krijgen of de bestemming waarnaar ze kunnen worden gezonden, naargelang de mogelijkheden waarin het DWU voor het specifieke geval voorziet en, in voorkomend geval, op grond van een specifieke vergunning van de beschikkende douaneautoriteit.

G.E. VIII/11

Dit G.E. wordt uitsluitend voor de betrokken beschikking gebruikt.
Vermeld in dagen de termijn waarbinnen de formaliteiten waarvan de terugbetaling of kwijtschelding van de invoer- of uitvoerrechten afhankelijk is gesteld, moeten worden vervuld.

G.E. VIII/12

Dit G.E. wordt uitsluitend voor de betrokken beschikking gebruikt.
De beschikkende douaneautoriteit vermeldt indien van toepassing dat de invoer- of uitvoerrechten pas zullen worden terugbetaald of kwijtgescholden nadat het uitvoerende douanekantoor de beschikkende douaneautoriteit ervan in kennis heeft gesteld dat de formaliteiten waarvan de terugbetaling of kwijtschelding afhankelijk is gesteld, zijn vervuld.

G.E. VIII/13

Aanvraag of beschikking

Aantekeningen

Aanvraag

Gedetailleerde omschrijving van de motivering die ten grondslag ligt aan het verzoek om terugbetaling of kwijtschelding van de invoer- of uitvoerrechten.

Dit G.E. moet worden ingevuld wanneer de informatie niet elders uit de aanvraag kan worden afgeleid.

Beschikking

Wanneer de redenen voor de terugbetaling of kwijtschelding van de invoer- of uitvoerrechten in de beschikking verschillen van die in de aanvraag, geef een gedetailleerde omschrijving van de redenen die aan de beschikking ten grondslag liggen.

De meest ingeroepen ‘rechtvaardigingsgronden’ zijn:
- op basis van artikel 117 DWU

- verzoek achteraf voor vrijstelling van invoerrechten (voor terugkerende goederen – zie artikel 203 DWU);

- verzoek achteraf om in aanmerking te komen voor een tariefcontingent, een tariefplafond of andere gunstige tariefbehandelingen (artikel 117, lid 2 DWU);

- verzoek achteraf om in aanmerking te komen voor een tariefschorsing;

- verzoek achteraf om in aanmerking te komen voor een preferentiële regeling;

- wijzigingen in het innen van anti-dumpingrechten;

- wijziging van de tariefindeling;

- wijziging in hoeveelheid (aanvullende eenheden);

- nalatigheid of vergissing;

- bewijs achteraf van de regelmatigheid van een douanevervoerverrichting,

- wijziging van de douanewaarde;

- materiële fouten bij de berekening van de douanewaarde (vergissing in munteenheid enz.)

-op basis van artikel 118 DWU

- goederen geweigerd door de invoerder omdat ze op het tijdstip van de vrijgave niet overeenstemmen met de bepalingen van het contract op basis waarvan ze werden ingevoerd;

- goederen geweigerd door de invoerder omdat ze op het tijdstip van de vrijgave gebreken vertonen;

-op basis van artikel 119 DWU

- vergissing van de douaneautoriteit in de opvolging van een tariefcontingent (artikel 119, lid 2 DWU);

- vergissing van de bevoegde autoriteiten (artikel 119, lid 1 DWU);

-op basis van artikel 120 DWU

- billijkheid (bijzondere omstandigheden);

-op basis van artikel 116, lid 1, 2de alinea DWU

- goederen zijn bij vergissing zijn aangegeven voor een douaneregeling waarbij een douaneschuld bij invoer is ontstaan in plaats van voor een andere douaneregeling;

- goederen zijn bij vergissing zijn aangegeven in de plaats van andere goederen voor een douaneregeling waarbij een douaneschuld bij invoer is ontstaan;

- goederen verkocht in het kader van een overeenkomst op afstand zoals omschreven in artikel 2, punt 7, van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad zijn in het vrije verkeer gebracht en worden teruggezonden;

- Uniegoederen zijn bij vergissing aangegeven voor een douaneregeling die van toepassing is op niet-Uniegoederen, en hun douanestatus van Uniegoederen is nadien aangetoond door middel van een T2L, T2LF of een douanemanifest;

- goederen zijn bij vergissing aangegeven op meer dan één douaneaangifte;

- een vergunning met terugwerkende kracht is verleend overeenkomstig artikel 211, lid 2, DWU.

G.E. VIII/14

Dit G.E. wordt uitsluitend voor de betrokken aanvraag gebruikt.
Vermeld indien van toepassing de bankrekeninggegevens waarop het invoer- of uitvoerrecht wordt terugbetaald of kwijtgescholden. Dit is niet nodig in een aanvraag tot kwijtschelding.
Als de betaling ondertussen echter is gebeurd, wordt de kwijtscheldingsprocedure een terugbetalingsprocedure en is de informatie nuttig in die specifieke situaties.

Formaten van de specifieke gegevensvereisten op de aanvraag voor en de beschikking betreffende de terugbetaling of kwijtschelding van de bedragen aan invoer- of uitvoerrechten

Nr. G.E.

Naam G.E.

Formaat G.E.

VIII/1

Titel tot invordering

an..35

VIII/2

Douanekantoor waar de douaneschuld is meegedeeld

an8

VIII/3

Douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de goederen zich bevinden

an8

VIII/4

Opmerkingen van het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de goederen zich bevinden

Vrije tekst: an..512

VIII/5

Douaneregeling (verzoek om voorafgaande vervulling van de formaliteiten)

Code regeling: an2 +
Aankruisvakje: n1 +
Referentienummer beschikking
(landcode: a2 +
code soort beschikking: an..4 +
referentienummer: an..29)

VIII/6

Douanewaarde

Valuta: a3 +
Bedrag: n..16,2

VIII/7

Terug te betalen of kwijt te schelden bedrag aan invoer- of uitvoerrechten

Valuta: a3 +
Bedrag: n..16,2

VIII/8

Soort invoer- of uitvoerrechten

Uniecodes: a1+n2
Nationale codes: n1+an2

VIII/9

Rechtsgrondslag

a1

VIII/10

Gebruik of bestemming van de goederen

Vrije tekst: an..512

VIII/11

Termijn voor de vervulling van de formaliteiten

n..3

VIII/12

Verklaring van de beschikkende douaneautoriteit

Vrije tekst: an..512

VIII/13

Beschrijving van de redenen voor terugbetaling of kwijtschelding

Vrije tekst: an..512

VIII/14

Bank- en rekeninggegevens

Vrije tekst: an..512


Bijlage 3: Aanvraagformulier - Verzoek om aanvullende informatie wanneer goederen zich in een andere lidstaat bevinden (Bijlage 33-06 van het DWU IA)


Bijlage 4: Gemeenschappelijke gegevensvereisten - Verzoek om aanvullende informatie wanneer goederen zich in een andere lidstaat bevinden (Bijlage 33-06 van het DWU DA)

(1) Naam en adres van de beschikkende douaneautoriteit
(2) Terugbetaling/kwijtschelding van rechten — dossiernummer van de beschikkende douaneautoriteit
(3) Naam en adres van het douanekantoor van de lidstaat waar de goederen zich bevinden
(4) Toepassing van bepalingen inzake wederzijdse bijstand tussen de douaneautoriteiten
(5) Plaats van de goederen (indien van toepassing)
(6) Naam en volledig adres van de persoon bij wie de informatie kan worden verkregen of die medewerking kan verlenen aan het douanekantoor van de lidstaat waar de goederen zich bevinden
(7) Lijst van bijgevoegde documenten
(8) Doel van het verzoek
(9) Beschikkende douaneautoriteit — plaats en datum — handtekening — stempel
(10) Verkregen informatie
(11) Resultaat van het verrichte onderzoek
(12) Plaats en datum
(13) Handtekening en officieel stempel


Bijlage 5: Aanvraagformulier - Europese Unie terugbetaling of kwijtschelding van rechten (Bijlage 33-07 van het DWU IA)


Bijlage 6: Gemeenschappelijke gegevensvereisten - Kwijtschelding/terugbetaling (Bijlage 33-07 van het DWU DA)

(1) Naam en adres van de betrokken persoon
(2) Vermelding van het toepasselijke artikel van de GH
(3) Naam en adres van het douanekantoor dat terugbetaling/kwijtschelding verleende
(4) Verwijzing naar de beschikking waarbij terugbetaling/kwijtschelding is verleend
(5) Naam en adres van het toezichthoudende douanekantoor
(6) Beschrijving van de goederen, aantal en soort
(7) GN-code van de goederen
(8) Hoeveelheid of nettogewicht van de goederen
(9) Douanewaarde van de goederen
(10) Datum en relevant aan te vinken vak
(11) Plaats, datum en handtekening
(12) Stempel
(13) Opmerkingen


[1] Onder “derde landen” verstaat men eveneens de gebieden die deel uitmaken van het douanegebied van de Unie maar die niet behoren tot het btw- of accijnsgebied (zie daartoe de omzendbrief nr. OEO/D.D. 281.815 van 20 februari 2014 betreffende de verschillende gebieden van de Europese Unie, gewijzigd door supplement 1 van 11 juli 2016, nr. OEO/D.D. 012.486).

[2] Dit document, waarvan momenteel enkel een Engelstalige versie bestaat, kan geraadpleegd worden op de website van het van het Directoraat-generaal Belastingen en Douane-Unie (TAXUD) van de Europese Commissie via de link https://ec.europa.eu/taxation_customs/sites/taxation/files/rem-rep-guidance-en.pdf