Circulaire nr. 14/1994 d.d. 25.05.1994
Registratierecht op inbrengen in vennootschap
Het Belgisch Staatsblad van 31 maart 1994 heeft de wet van 30 maart 1994 tot uitvoering van het globaal plan op het vlak van de fiscaliteit bekendgemaakt. Een uittreksel uit deze wet werd in de aanschrijving nr. 12 van 10 mei 1994 medegedeeld.
Deze aanschrijving heeft tot doel de nieuwe bepalingen op het gebied van het registratierecht op de inbrengen in vennootschap te commentariëren. Een gecoördineerde tekst van de betrokken artikelen van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten gaat in bijlage.
I. Inbrengen onderworpen aan het recht van 12,50 t.h.
1. De inbrengen van in België gelegen onroerende goederen, die geheel of gedeeltelijk tot bewoning aangewend of voor bewoning bestemd worden (zie art. 44, 115bis en 159, 7° en 14°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, hierna "het Wetboek" genoemd), worden aan het verkooprecht onderworpen wanneer deze inbrengen gedaan worden door natuurlijke personen.
De in aanmerking te nemen criteria zijn dus de volgende:
1° de inbreng wordt door een natuurlijke persoon gedaan;
2° de inbreng betreft een in België gelegen onroerend goed;
3° het onroerend goed wordt geheel of gedeeltelijk tot bewoning aangewend of voor bewoning bestemd.
De twee eerste criteria vergen geen verdere commentaar. Het begrip "natuurlijke persoon" wordt in zijn gemeenrechtelijke betekenis gebruikt. Het begrip "onroerend goed" beantwoordt aan de definitie van het Wetboek (zie in het bijzonder artikel 21^2, 2°). Het derde criterium zal hierna uitvoerig omschreven worden.
De onder de nrs. 2 tot 24 opgenomen commentaar betreft, behalve andersluidende opgave, de inbreng van in België gelegen onroerende goederen, die door natuurlijke personen worden ingebracht.
Onroerend goed tot bewoning aangewend of voor bewoning bestemd
2. Wanneer een onroerend goed, dat in vennootschap wordt ingebracht, dient voor bewoning, wordt de inbreng onderworpen aan het recht van 12,50%. Er moet geen onderscheid worden gemaakt al naar gelang het onroerend goed als hoofd- of noodverblijf dienst doet, door een gezin of één enkele persoon bewoond wordt. Men moet zich evenmin afvragen sinds wanneer het onroerend goed voor bewoning gebruikt wordt of voor hoelang het nog voor bewoning zal dienen.
3. Rekening houdend met de wijzigingen die aan het oorspronkelijk neergelegde ontwerp werden aangebracht, is het duidelijk dat de wetgever het gebruik van het onroerend goed op het ogenblik van de inbreng niet als enig criterium in aanmerking heeft willen nemen.
De inbrengen van onroerende goederen die voor bewoning bestemd zijn, worden eveneens aan het verkooprecht onderworpen.
4. De bestemming wordt onder andere beoordeeld in samenhang met de natuurlijke inrichting van het onroerend goed. Indien het onroerend goed zo is ingericht dat het hoofdzakelijk of noodzakelijkerwijze voor bewoning moet dienen, wordt de inbreng onderworpen aan het recht van 12,50%. Een onroerend goed met badkamer, ingerichte keuken, waskamer, enz. beantwoordt ontegensprekelijk aan dit bestemmingscriterium.
5. De inbreng van een onroerend goed dat nog niet in gebruik genomen is of niet meer gebruikt wordt op het ogenblik van de inbreng, wordt, in principe, belast rekening houdend met de bestemming die aan het onroerend goed wordt gegeven.
Voorbeelden:
- Een pas opgericht gebouw wordt in vennootschap ingebracht. Het omvat een handelsgelijkvloers en drie verdiepingen met elk twee appartementen. Elk van deze onderdelen heeft een afzonderlijk kadastraal nummer. De zes appartementen worden onderworpen aan het verkooprecht (zie evenwel nr. 36 hierna met betrekking tot het B.T.W.-stelsel). Het gelijkvloers zal worden ingebracht tegen betaling van het recht van 0,50%.
- Een pas opgericht gebouw wordt in vennootschap ingebracht. Het bestaat uit een handelsgelijkvloers en drie verdiepingen met elk twee appartementen. Het geheel krijgt één enkel kadastraal nummer. Het handelsgelijkvloers en de zes appartementen worden onderworpen aan het verkooprecht (zie evenwel nr. 36 hierna).
- Een gebouw wordt gedurende een bepaalde tijd niet bewoond. De eigenaar heeft ondertussen werken uitgevoerd aan het gebouw om het bewoonbaar te maken of om het comfort van de woning te verbeteren. Het onroerend goed wordt in vennootschap ingebracht tegen betaling van het recht van 12,50%.
- Een huis is volkomen onbewoonbaar. Het wordt in vennootschap ingebracht. In de akte van inbreng verklaart de vennootschap dat zij van plan is om het huis volledig te restaureren om er een tentoonstellingszaal in te richten. De inbreng is onderworpen aan het recht van 0,50%.
- Een huis is volkomen onbewoonbaar. Het wordt in vennootschap ingebracht. In de akte van inbreng wordt er betreffende de bestemming van het onroerend goed niets aangeduid. De ontvanger zal een aanvullende verklaring onderaan de akte (art. 168 van het Wetboek) eisen en zal de rechten heffen rekening houdend met de bestemming die opgegeven wordt.
6. Een kortstondige verandering van de oorspronkelijke bestemming (woonst) van het onroerend goed op het ogenblik van de inbreng, belet niet de heffing van het verkooprecht. Een definitieve verandering voor de inbreng van de bestemming tot bewoning laat daarentegen de heffing van het recht van 12,50% niet meer toe.
Voorbeelden:
- Het gelijkvloers van een onroerend goed wordt als winkel (kleinhandel) gebruikt. De eerste en de tweede verdiepingen worden niet bewoond. Het onroerend goed wordt in vennootschap ingebracht. De winkel wordt behouden en de twee verdiepingen zullen als woning ingericht worden. Het recht van 12,50% is verschuldigd.
- Een handelaar brengt zijn handelseigendom in in vennootschap. Kort voor de inbreng heeft hij de eerste en de tweede verdiepingen van het gebouw omgebouwd in burelen. In de maanden die erop volgen maakt hij er zijn hoofd- of noodverblijf van. Het recht van 12,50% is verschuldigd. Indien de inbreng ingevolge zijn verklaring geregistreerd werd tegen 0,50%, zullen zowel de inbrenger als de vennootschap bovendien een boete wegens valse verklaring verbeuren (zie art. 115bis, laatste lid).
- Een vennootschap die door een architect werd opgericht, huurt een onroerend goed van deze laatste. De burelen van de architect worden in dat onroerend goed gevestigd dat nadien in de vennootschap wordt ingebracht. Na de inbreng verandert de vennootschap de bestemming van enkele lokalen en maakt er de woning van de architect van. Het recht van 12,50% is verschuldigd. Wat de boete betreft wordt verwezen naar hetgeen hiervoor werd uiteengezet. Indien de vennootschap de bestemming tot bureel had behouden, dan had het recht van 0,50% geheven kunnen worden.
7. De inbrengen van onroerende goederen voor gemengd gebruik, te weten die gedeeltelijk voor bewoning en voor het overige voor industriële, landbouw- en handelsdoeleinden of als burelen dienen, zijn eveneens onderworpen aan het recht van 12,50%.
Deze regel is echter niet toepasselijk wanneer het woongedeelte en de rest afzonderlijk zijn opgenomen in de kadastrale aanduidingen en afzonderlijke kadastrale nummers en inkomens hebben. In dit geval wordt het niet bewoonde gedeelte onderworpen aan het recht van 0,50%, behalve toepassing van artikel 120 van het Wetboek, en het bewoonde gedeelte aan het verkooprecht (zie nr. 5, eerste en tweede voorbeeld).
8. In de voorbereidende werken werd er gepreciseerd dat een conciërgewoning in een onderneming de bestemming of de affectatie van het onroerend goed niet kan wijzigen. Deze onderneming blijft een produktie‑eenheid en haar inbreng in vennootschap wordt onderworpen aan het recht van 0,50% (behalve, in voorkomend geval, toepassing van artikel 120 van het Wetboek).
De inbreng van een onroerend goed van industriële aard waarin een villa begrepen is, die bestemd is om als verblijf voor een administrateur of een directeur van de vennootschap te dienen, geeft daarentegen wel aanleiding tot de heffing van het recht van 12,50% op het geheel wanneer de villa niet afzonderlijk wordt opgenomen in de kadastrale legger.
Bedoelde vennootschappen
9. Het recht van 12,50% is verschuldigd ongeacht of de inbreng gebeurt in een Belgische vennootschap of in een buitenlandse van zodra het ingebrachte onroerend goed in België gelegen is en geheel of gedeeltelijk tot bewoning aangewend of voor bewoning bestemd is.
Bewijs
10. Het bewijs dat een ingebracht onroerend goed aan de bepaalde voorwaarden van aanwending of van bestemming beantwoordt, moet ontegensprekelijk door de partijen bij de overeenkomst geleverd worden aangezien de heffing van het recht van 12,50% de regel is en de heffing van het recht van 0,50% de uitzondering vormt (zie art. 44 van het Wetboek; Gedr. St., Kamer, G.Z., 1993‑94, nr. 1290/6 - verslag, p. 48).
Wanneer de inbreng een onroerend goed betreft dat volgens zijn beschrijving een woning is of van hetwelk de beschrijving te beknopt is om de aanwending of de bestemming te bepalen, moeten de partijen bewijzen dat dat onroerend goed noch tot bewoning aangewend noch voor bewoning bestemd is, indien zij van het recht van 0,50% willen genieten. Dit bewijs kan door alle middelen van recht met inbegrip van getuigenissen en vermoedens geleverd worden.
Voor de inbrengen van onroerende goederen die volgens hun beschrijving (kadastrale of andere) niet tot bewoning aangewend of voor bewoning bestemd kunnen worden, gelden deze principes niet. De akte zal aan het recht van 0,50% geregistreerd worden tenzij de ontvanger twijfel heeft over de aanwending van het onroerend goed. In dat geval kan hij de in artikel 168 bepaalde aanvullende verklaring onderaan de akte eisen. In deze verklaring moeten de partijen, met het oog op de toepassing van het tarief van 0,50%, benadrukken dat het onroerend goed noch geheel, noch gedeeltelijk voor bewoning wordt aangewend of tot bewoning zal worden bestemd.
Zowel de onjuiste beschrijving (kadastrale of andere) als de onjuiste aanvullende verklaring maken de in artikel 115bis van het Wetboek bepaalde boete verschuldigd. Indien de ontvanger later vaststelt dat de partijen betreffende de aanwending van het onroerend goed een onjuiste verklaring hebben afgelegd, dan moet men aannemen dat de verklaring werd afgelegd met het doel de belasting te ontwijken. De boete verschuldigd door elk van de partijen zal in principe niet verminderd kunnen worden.
Er wordt nog opgemerkt dat de verklaring die door de notaris onderaan de akte namens de partijen wordt gedaan, hen definitief bindt.
Belastbare grondslag
11. De belastbare grondslag is gelijk aan de waarde van de toegekende maatschappelijke rechten vermeerderd met de lasten die door de vennootschap worden gedragen (art. 45 van het Wetboek). Overeenkomstig artikel 46 van het Wetboek mag de belastbare grondslag niet lager zijn dan de verkoopwaarde van de goederen.
Voorbeeld:
- een woonhuis wordt in vennootschap ingebracht. Als vergelding van de inbreng verkrijgt de inbrenger 3.000 aandelen van 1.000 frank elk en de vennootschap voldoet een schuld van de inbrenger ten bedrage van 1.000.000 frank. De belastbare grondslag is gelijk aan 3.000.000 frank + 1.000.000 frank = 4.000.000 frank op voorwaarde dat de verkoopwaarde niet meer bedraagt dan dit bedrag.
II. Inbreng onderworpen aan het recht van 0,50 t.h.
12. De inbrengen die door een natuurlijke persoon gedaan worden en die betrekking hebben op andere goederen dan onroerende goederen, die tot bewoning aangewend of voor bewoning bestemd worden, zijn onderworpen aan het recht van 0,50%. Dit is het geval voor de inbrengen van lichamelijke of onlichamelijke roerende goederen (art. 115 van het Wetboek), alsook voor de inbrengen van onroerende goederen die een handels-, industrieel, kantoor- of landbouwkarakter enz. hebben voor zover zij niet, zelfs maar gedeeltelijk, voor bewoning dienen (art. 115bis).
Alzo is de inbreng van een weide, van een bouwgrond, van een loods, van een opslagplaats, van een fabriek, van hout op stam, enz. onderworpen aan het recht van 0,50%, behalve toepassing van artikel 120 van het Wetboek.
13. De inbrengen van onroerende goederen die door een vennootschap in een andere gedaan worden, vallen altijd onder de toepassing van het nieuwe artikel 115bis, zelfs indien het gaat om tot bewoning aangewende of voor bewoning bestemde onroerende goederen. Deze inbrengen zijn onderworpen aan het recht van 0,50%, behalve eventuele toepassing van artikel 120 van het Wetboek (gemengde inbreng). Hetzelfde geldt voor de inbrengen die doorgaan naar aanleiding van de ontbinding van een vennootschap (vgl. art. 129 en 130 van het Wetboek).
14. Er wordt aan herinnerd dat de inbreng van onroerende goederen op dewelke artikel 115bis van toepassing is en die onder het B.T.W.-stelsel vervreemd kunnen worden, net ais vroeger aanleiding geeft tot de heffing van het recht van 0,50%. De vrijstelling van artikel 159, 8°, van het Wetboek kan enkel toepassing vinden in het kader van de opeisbaarheid van het verkooprecht. Deze vrijstelling vindt geen toepassing wanneer het inbrengrecht opeisbaar is.
15. De belastbare grondslag wordt bepaald rekening houdend met de waarde van de maatschappelijke rechten die ais vergelding van de inbrengen worden toegekend, zonder dat de grondslag lager mag zijn dan de verkoopwaarde van de goederen, verminderd met de door de vennootschap gedragen lasten, andere dan de toekenning van de maatschappelijke rechten. Kortom, het recht van 0,50% wordt geheven op de waarde van de toegekende maatschappelijke rechten en de aangenomen minderwaarden. Wat de gemengde inbreng betreft wordt er verwezen naar de nrs. 17 tot 24 hierna.
16. Het in artikel 115bis bepaalde recht is verschuldigd zonder onderscheid naargelang de inbreng bij de oprichting van de vennootschap of later plaatsvindt.
III. Gemengde inbrengen
17. De notie van gemengde inbreng blijft bestaan. Wanneer de inbreng anders dan door toekenning van maatschappelijke rechten wordt vergolden (deze vergelding wordt hierna "last" genoemd), kan deze last aanleiding geven tot de heffing van een evenredig recht, dat berekend wordt naar het tarief dat toepasselijk is voor de overdrachten van goederen van dezelfde aard. De toepassingsmodaliteiten van artikel 120 van het Wetboek werden echter lichtjes gewijzigd (zie nr. 19 voor de inbrengen gedaan door een natuurlijke persoon en de nrs. 26 en 27 voor de inbrengen van een universaliteit).
De inbreng betreft alleen een woning
18. Wanneer de inbreng enkel het tot bewoning aangewende of voor bewoning bestemde onroerend goed betreft, moet artikel 45 van het Wetboek toegepast worden. De waarde van de toegekende maatschappelijke aandelen vermeerderd met de last maakt de belastbare grondslag uit. Over het geheel moet 12,50 % gehe-ven worden (zie voorbeeld onder nr. 11).
De inbreng betreft een woning en roerende goederen
19. Wanneer de inbreng tegelijkertijd een tot bewoning aangewend of voor bewoning bestemd onroerend goed en roerende goederen betreft, moeten de artikelen 45 en 120 van het Wetboek eventueel samen toegepast worden. Indien de last uitsluitend betrekking heeft op de woning, wordt het verkooprecht geheven op de waarde van de maatschappelijke rechten toegekend ter vergelding van de woning vermeerderd met de last. Het recht van 0,50% zal geheven worden op de waarde van de maatschappelijke rechten toegekend ter vergelding van de roerende goederen. Indien de partijen niet aangeven op welke goederen de last betrekking heeft, wordt hij evenredig verdeeld over alle goederen.
De in artikel 120, tweede lid, bepaalde regel van de verplichte evenredige omslag is niet toepasselijk op de inbrengen die krachtens artikel 44 aan het recht van 12,50% onderworpen zijn. De partijen kunnen bijgevolg overeenkomen dat de last eerder op een bepaald goed rust dan op een ander, zelfs indien de last met betrekking tot het roerend goed aanleiding zou hebben gegeven tot de heffing van een evenredig recht (bijvoorbeeld in geval van overdracht van een hypothecaire schuldvordering).
Voorbeelden:
A brengt een huis (waarde 6.000.000 frank), een hypothecaire schuldvordering (waarde 3.000.000 frank) en meubilair (waarde 1.000.000 frank) in in een vennootschap. Ter vergelding van zijn inbreng ontvangt hij 8.000 aandelen. Bovendien voldoet de vennootschap een schuld van de inbrenger ten bedrage van 2.000.000 frank. Elk aandeel heeft een waarde van 1.000 frank.
Eerste veronderstelling: in de akte wordt er bedongen dat A 4.000 aandelen ontvangt voor de inbreng van het huis, 3.000 aandelen voor de inbreng van de schuldvordering en 1.000 aandelen voor de inbreng van het meubilair. De last wordt gedragen door het huis.
De heffing gebeurt als volgt:
- voor de inbreng van het huis:
4.000.000 + 2.000.000 = 6.000.000
aan 12,50% = 750.000 frank
- voor de inbreng van het overige:
4.000.000 aan 0,50% = 20.000 frank
hetzij in totaal 770.000 frank
Tweede veronderstelling: er werd niets bedongen ten aanzien van de last. De heffing gebeurt als volgt:
De last wordt evenredig verdeeld over alle goederen (1.200.000 voor het huis, 600.000 voor de schuldvordering en 200.000 voor het meubilair).
De verdeling van de aandelen (A) en van de last (L) gebeurt als volgt:
- huis: 4.800.000 (A) + 1.200.000 (L)
- schuldvordering: 2.400.000 (A) + 600.000 (L)
- meubilair: 800.000 (A) + 200.000 (L)
Er is verschuldigd:
- 6.000.000 aan 12,50% = 750.000 frank
- 600.000 aan 1% = 6.000 frank
- 2.400.000 + 800.000 à 0,50% = 16.000 frank
hetzij in totaal 772.000 frank
20. Voor de verdeling van de last moet men, in voorkomend geval, rekening houden met de regel van artikel 169 van het Wetboek. De schulden met betrekking tot het handelsfonds die door de vennootschap overgenomen worden, vormen een last van de overeenkomst en moeten, zoals in het verleden, verdeeld worden over alle goederen die het handelsfonds vormen.
Voorbeeld:
A brengt een handelsfonds in dat bestaat uit een onroerend goed dat gedeeltelijk voor bewoning wordt bestemd, meubilair, uitrusting, cliënteel, door een hypotheek gewaarborgde schuldvorderingen en gewone schuldvorderingen alsook een passief van 2.000.000 frank. De waarde van elk onderdeel van het handelsfonds bedraagt respectievelijk 8.000.000 frank, 500.000 frank, 5.500.000 frank, 3.000.000 frank, 2.000.000 frank en 1.000.000 frank. Ter vergelding van zijn inbreng ontvangt hij aandelen voor een bedrag van 18.000.000 frank.
De last wordt als volgt over alle goederen omgeslagen:
- 800.000 frank voor het huis,
- 50.000 frank voor het meubilair,
- 550.000 frank voor de uitrusting,
- 300.000 frank voor het cliënteel,
- 200.000 frank voor de hypothecaire schuldvorderingen
- en 100.000 frank voor de andere schuldvorderingen.
De aandelen (A) en de last (L) worden als volgt verdeeld:
- huis: 7.200.000 (A) + 800.000 (L)
- meubilair: 450.000 (A) + 50.000 (L)
- uitrusting: 4.950.000 (A) + 550.000 (L)
- cliënteel: 2.700.000 (A) + 300.000 (L)
- hypothecaire schuldvorderingen: 1.800.000 (A) + 200.000 (L)
- gewone schuldvorderingen: 900.000 (A) + 100.000 (L)
De heffing gebeurt als volgt:
- huis: 8.000.000
aan 12,50% = 1.000.000 frank - hypoth. schuldvordering:
200.000 aan 1% = 2.000 frank - inbreng: 450.000 + 4.950.000 + 2.700.000 + 1.800.000 + 900.000 =
10.800.000 aan 0,50% = 54.000 frank
totaal: 1.056.000 frank
De inbreng bevat meerdere gebouwen waarvan één woning
21. Van zodra de inbreng in België of in het buitenland gelegen onroerende goederen, op dewelke artikel 115bis van het Wetboek van toepassing is, bevat, moet de last steeds evenredig verdeeld worden tussen de onroerende goederen en de andere goederen (art. 120, tweede lid, van het Wetboek).
De inbreng van de tot bewoning aangewende of voor bewoning bestemde onroerende goederen zal uitsluitend aan het recht van 12,50% onderworpen worden.
De inbreng van de andere onroerende goederen wordt in de mate dat de last erop betrekking heeft onderworpen aan het recht van 12,50% en voor de rest aan het recht van 0,50%. De inbreng van de roerende goederen wordt onderworpen aan het recht van 0,50% en in de mate dat de last betrekking heeft op bevoorrechte schuldvorderingen aan het recht van 1% of van 0,50%, volgens het geval.
Voorbeeld:
A brengt een woonhuis, een gebouw dat dienst doet als opslagplaats en een exploitatievergunning voor een handel in. Ter vergelding van de inbreng ontvangt hij voor het woonhuis 7.000 aandelen, voor de opslagplaats 3.000 aandelen en voor de vergunning 2.000 aandelen. De vennootschap voldoet een hypothecaire schuld die het woonhuis bezwaart voor een bedrag van 3.000.000 frank. De waarde van de verschillende ingebrachte goederen wordt respectievelijk op 10.000.000 frank, 3.000.000 frank en 2.000.000 frank geschat.
De last van 3.000.000 frank moet naar verhouding van de waarde van elk goed op deze goederen slaan. Hij wordt ten belope van 10/15de over het huis, ten belope van 3/15de over de opslagplaats en ten belope van 2/15de over de vergunning omgeslagen.
Bijgevolg worden de aandelen en de last als volgt verdeeld:
- het huis: 8.000.000 (A) + 2.000.000 (L)
- de opslagplaats: 2.400.000 (A) + 600.000 (L)
- de vergunning: 1.600.000 (A) + 400.000 (L)
De heffing gebeurt als volgt:
- huis: 10.000.000
aan 12,50% = 1.250.000 frank - opslagplaats: 600.000
aan 12,50% = 75.000 frank - inbreng: 2.400.000 + 1.600.000 = 4.000.000
aan 0,50% = 20.000 frank
totaal: 1.345 .000 frank
De inbreng bevat geen woning
22. Artikel 120, eerste en tweede lid, van het Wetboek wordt toegepast zoals in het verleden. De last wordt over de ingebrachte goederen verdeeld en het recht van overdracht wordt desgevallend geheven volgens de aard van de ingebrachte goederen.
De inbreng gebeurt in een vreemde vennootschap
23. De inbrengen in vreemde vennootschappen van onroerende goederen, die niet tot bewoning aangewend of voor bewoning bestemd worden, worden in artikel 159, 14° nieuw, van het Wetboek geregeld. Deze inbrengen worden niet aan het evenredig recht onderworpen in de mate van de vergelding die door toekenning van maatschappelijke rechten wordt gedaan, ongeacht of de inbreng al dan niet door een natuurlijke persoon wordt gedaan. Elke vergelding die anders gebeurt, wordt evenredig verdeeld over alle goederen en het verkooprecht is in voorkomend geval verschuldigd (vgl. gemengde inbreng in een Belgische vennootschap).
24. Dezelfde regel is van toepassing wanneer de inbreng betrekking heeft op een tot bewoning aangewende of voor bewoning bestemd in België gelegen onroerend goed dat door een vennootschap (Belgische of vreemde) in een vreemde vennootschap wordt ingebracht.
Indien dezelfde inbreng door een natuurlijke persoon wordt gedaan, dan wordt hij aan het recht van 12,50% onderworpen (zie nr. 9; art. 44 van het Wetboek).
IV. De inbreng van een universaliteit
25. De inbreng van een universaliteit van goederen onder de voorwaarden bepaald in artikel 117, § 1, tweede lid, van het Wetboek blijft vrijgesteld van het inbrengrecht van 0,50%. Hetzelfde geldt voor de inbreng van een bedrijfstak, die gedaan wordt overeenkomstig artikel 117, § 2, en het uitvoeringsbesluit.
26. Het derde lid van artikel 120 van het Wetboek werd vervangen. Deze wijziging heeft tot gevolg dat elke inbreng die betrekking heeft op een universaliteit van goederen of op een tak van bedrijvigheid aanleiding geeft tot de heffing van het algemeen vast recht van zodra de inbreng gebeurt onder de voorwaarden bepaald in artikel 117 van het Wetboek. De opleg die niet meer bedraagt dan één tiende van de waarde van de toegekende maatschappelijke rechten is niet meer onderworpen aan het evenredig verkooprecht wanneer het vermogen van de overgenomen vennootschap in België gelegen onroerende goederen bevat.
27. Wanneer de inbreng van een universaliteit daarentegen niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 117 van het Wetboek, moeten het passief en de opleg evenredig verdeeld worden over de goederen die het vermogen van de inbrengende vennootschap vormen en moet het recht van 12,50% geheven worden in de mate dat de last betrekking heeft op de in België gelegen onroerende goederen.
28. Voorbeelden:
- de Belgische vennootschap A neemt de Belgische vennootschap B over. De vennootschap B bezit twee in België gelegen onroerende goederen. Ter vergelding van de inbreng overhandigt de vennootschap A aan de aandeelhouders van B twee nieuwe aandelen met elk een waarde van 5.000 frank tegen 5 oude aandelen en betaalt bovendien 140 frank in contanten per oud aandeel. De akte van fusie is onderworpen aan het algemeen vast recht.
- de Belgische vennootschap F neemt de Belgische vennootschap G over. Vennootschap G bezit een in België gelegen onroerend goed van 3.500.000 frank. De aandeelhouders van de vennootschap G ontvangen nieuwe aandelen ter waarde van 30.000.000 frank en een betaling in contanten van 5.000.000 frank. Het recht van 12,50% wordt geheven op 500.000 frank (het gedeelte van de opleg dat betrekking heeft op het onroerend goed) en het recht van 0,50% wordt geheven op 30.000.000 frank. Artikel 117 is inderdaad niet van toepassing omdat het bedrag van de opleg meer bedraagt dan 10 t.h. van de waarde van de toegekende aandelen.
- de Belgische vennootschap X neemt de Zwitserse vennootschap Y over. De Zwitserse vennootschap bezit een onroerend goed in België dat 4.000.000 frank waard is. Het actief van de Zwitserse vennootschap bedraagt 24.000.000 frank en het passief 3.000.000 frank. De aandeel houders ontvangen maatschappelijke rechten ter waarde van 21.000.000 frank. De akte van fusie is onderworpen aan het recht van 12,50% op 500.000 frank (1/6de van het passief) en aan het recht van 0,50% op 21.000.000 frank.
- de Belgische vennootschap M neemt de Belgische vennootschap N over. De vennootschap N heeft een actief van 50.000.000 frank daarin begrepen een onroerend goed met een waarde van 6.000.000 frank. Het passief van de vennootschap bedraagt 4.000.000 frank. De aandeelhouders ontvangen maatschappelijke rechten ten bedrage van 35.000.000 frank en een opleg van 11.000.000 frank. Het recht van 0,50% is op 35.000.000 frank en het verkooprecht op 1.800.000 frank (15/50 van de waarde van het onroerend goed) verschuldigd.
V. Vrijstellingen
Inbreng van in het buitenland gelegen onroerende goederen
29. De inbrengen die betrekking hebben op in het buitenland gelegen onroerende goederen die geheel of gedeeltelijk tot bewoning worden aangewend of voor bewoning worden bestemd en die door natuurlijke personen gedaan worden, zijn onderworpen aan het algemeen vast recht.
De inbrengen van deze goederen die door vennootschappen worden gedaan evenals de inbrengen van goederen van industriële aard, van bureelgebouwen enz. zijn aan het recht van 0,50% onderworpen.
Voorbeelden:
- inbreng door de Duitse vennootschap B van een in Keulen gelegen woonhuis in een Belgische vennootschap A. De inbreng wordt volledig vergolden met maatschappelijke rechten met een waarde van 4.000.000 frank. Het recht van 0,50% is verschuldigd op 4.000.000 frank.
- inbreng door een natuurlijke persoon X in de Belgische vennootschap Y van een in Frankrijk gelegen woonhuis tegen de toekenning van maatschappelijke rechten voor een bedrag van 3.000.000 frank en een opleg van 2.000.000 frank. Alleen het algemeen vast recht is verschuldigd.
- inbreng door M (vennootschap of natuurlijke persoon) in de Belgische vennootschap N van een in Spanje gelegen fabriek voor de vervaardiging van behangpapier tegen de toekenning van maatschappelijke rechten voor een waarde van 220.000.000 frank. Het recht van 0,50% is verschuldigd op dit bedrag.
Inbreng in vreemde vennootschappen
30. Het recht van 0,50% wordt nooit geheven op de inbrengen in vreemde vennootschappen, ongeacht of ze betrekking hebben op roerende of op al dan niet in België gelegen onroerende goederen. Deze inbrengen zijn van het recht van 0,50% vrijgesteld.
31. De inbreng van in België gelegen onroerende goederen is in principe ook vrijgesteld van het recht van 12,50% behalve in de volgende gevallen:
- de inbreng wordt gedaan door een natuurlijke persoon en betreft een gebouw dat tot bewoning aangewend of voor bewoning bestemd wordt (zie nr. 9 hiervoor); het recht van 12,50% wordt geheven op de waarde (in de overeenkomst bepaalde waarde of de verkoopwaarde, naargelang het geval) van het onroerend goed;
- de inbreng wordt gedaan door een natuurlijke persoon en betreft een gebouw dat niet voor bewoning aangewend of bestemd is; het recht van 12,50% wordt geheven op de vergelding van de inbreng die op een andere wijze vergoed werd dan door de toekenning van maatschappelijke rechten;
- de inbreng wordt gedaan door een vennootschap; het recht van 12,50% wordt geheven op de vergelding van de inbreng die op een andere wijze vergoed wordt dan door de toekenning van maatschappelijke rechten.
VI. Artikelen 74 en 75 van het Wetboek
32. Artikel 74 beoogt het geval waar een persoon eerst onder bezwarende titel de opstal van een goed (te vellen hout of een af te breken gebouw) verwerft en nadien de eigendom van de grond vooraleer het hout geveld of het gebouw afgebroken werd.
De eerste verwerving geeft in principe enkel aanleiding tot de heffing van het algemeen vast recht omdat de administratie rekening houdt met de vervroegde roerendmaking van de verworven onroerende goederen.
Indien de eerste verwerving gebeurt door inbreng in vennootschap, wordt desalniettemin het evenredig recht van 0,50% geheven (zowel onder het oude als onder het nieuwe stelsel).
33. De verkrijging van de eigendom van de grond achteraf heeft voor gevolg dat de heffing die bij de verkrijging van het hout op stam of van het gebouw werd gedaan, herzien moet worden. Indien deze verwerving betrekking heeft op een gebouw dat tot bewoning aangewend of voor bewoning bestemd wordt, heeft de herziening een wijziging van het oorspronkelijk toegepaste evenredig tarief tot gevolg. Teneinde een dubbele heffing van het evenredig recht te vermijden, wordt het recht van 0,50%, dat oorspronkelijk geheven werd, aangerekend op het recht dat verschuldigd is bij de verkrijging van de eigendom van de grond.
Voorbeeld:
A brengt een oud woonhuis in in de vennootschap B. Hij ontvangt aandelen ten bedrage van 800.000 frank. In de akte wordt er voorzien dat het huis binnen het jaar afgebroken moet worden. Op deze akte is er een recht verschuldigd van 4.000 frank.
Vóór het verstrijken van de vastgestelde termijn brengt A ook de grond in in de vennootschap. In ruil ontvangt hij aandelen ten bedrage van 1.600.000 frank. Het huis is dan nog niet afgebroken. Er is verschuldigd:
- 1.600.000 + 800.000 = 2.400.000
aan 12,50% = 300.000 - 4.000 = 296.000 frank.
34. Wanneer artikel 75 van het Wetboek (de eerste verkrijging betreft de grond en de tweede de opstal) wordt toegepast, wordt steeds het evenredig recht geheven op de eerste verkrijging (verkooprecht of inbrengrecht).
Wanneer de verkrijging onder bezwarende titel van de opstal betrekking heeft op een gebouw aangewend tot bewoning, geeft zij aanleiding tot de heffing van het recht van 12,50%, zelfs in geval van inbreng in vennootschap. De heffing voor de verkrijging van de grond zal niet herzien worden.
35. De gevallen die beoogd worden in de artikelen 74 en 75 zijn niet deze waar een vervroegde roerendmaking die in de akte werd bedongen niet binnen een redelijke termijn gevolgd wordt door de verwijdering van de opstal. Indien de ontvanger vaststelt dat het gebouw niet binnen een bepaalde termijn afgebroken werd, zal de heffing in ieder geval herzien worden, zelfs voor artikel 75 (met andere woorden zal de inbreng van de grond eveneens onderworpen worden aan het verkooprecht).
VII. Inbreng van een nieuw gebouw
36. De inbreng van een op te richten, in oprichting zijnde of nieuw opgericht gebouw dat voor bewoning bestemd is, valt onder het stelsel van verkoop met toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde. In dit geval zal het recht van 12,50% en niet het recht van 0,50% op de grond geheven worden.
VIII. Artikel 212 van het Wetboek
37. Aangezien de inbrengen van gebouwen die geheel of gedeeltelijk tot bewoning aangewend of voor bewoning bestemd zijn, gelijkgesteld worden met verkopingen (het recht bepaald in artikel 44), kan artikel 212 toepassing vinden in de beid volgende gevallen:
- het onroerend goed wordt in vennootschap ingebracht tegen betaling van het recht van 12,50% en wordt binnen de termijn en onder de voorwaarden bepaald in artikel 212 van het Wetboek wederverkocht;
- het onroerend goed werd door de inbrengende partij mits betaling van het recht van 12,50% aangekocht en wordt ingebracht binnen de termijn en onder de voorwaarden bepaald bij artikel 212 van het Wetboek in de vennootschap tegen betaling van het recht van 12,50%.
IX. Inwerkingtreding
38. De bepalingen m.b.t. het inbrengrecht zijn in werking getreden op 10 april 1994.
De notariële akten, die de inbreng van een tot bewoning aangewend onroerend goed vaststellen en die vóór 10 april 1994 gedagtekend zijn, worden geregistreerd tegen betaling van het recht van 0,50% (behalve toepassing van artikel 120 van het Wetboek).
Daarentegen worden de onderhandse akten, die de inbreng van deze zelfde onroerende goederen vaststellen en die ook vóór 10 april 1994 gedagtekend zijn, maar ná deze datum geregistreerd werden, in principe geregistreerd tegen betaling van het recht van 12,50%. Krachtens artikel 18 (oud of art. 18, § 1, nieuw van het Wetboek) is de datum van onderhandse akten niet tegenstelbaar aan de Administratie. Bij gebrek aan bewijskrachtige en samenhangende elementen die door de partijen verschaft moeten worden teneinde vast te stellen dat de overeenkomst vóór 10 april 1994 werd afgesloten, is de heffing van het recht van 0,50% uitgesloten.
Interne ref.: EE/EL 1118
