Circulaire nr. Ci.RH.242/558.904 (AOIF 28/2004) van 05.07.2004

CIRC 05.07.04/1
BEZWAARSCHRIFT
Indienen van het bezwaarschrift

ONTHEFFING VAN AMBTSWEGE
Nieuw bescheid of feit
Toepassingsvoorwaarde van een ontheffing van ambtswege

PERSONENBELASTING
Bezwaarschrift
Ontheffing van ambtswege
Vrijgestelde meerwaarde

VENNOOTSCHAPSBELASTING
Vrijgestelde meerwaarde

VRIJGESTELDE MEERWAARDE
Meerwaarde op een bedrijfsvoertuig
Onaantastbaarheidsvoorwaarde
Vrijstellingsvoorwaarde
Administratieve richtlijnen m.b.t. bepaalde problemen die zich voordoen ten gevolge van de retroactieve inwerkingtreding van de wet van 14.1.2003 betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, B en C.
I. INLEIDING
1. Deze circulaire heeft tot doel een oplossing aan te reiken voor bepaalde problemen die zich voordoen ten gevolge van de retroactieve inwerkingtreding van de wet van 14.1.2003 betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen, hierna W 14.1.2003 genoemd. Deze inwerkingtreding wordt geregeld door het Koninklijk besluit van 3.4.2003 tot uitvoering van de artikelen 2 en 8, W 14.1.2003, hierna KB 3.4.2003 genoemd. Een meer uitgebreide bespreking van deze bepalingen zal in een latere circulaire aan bod komen.
II. WETTEKSTEN
Artikel 44bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92), zoals het werd ingevoegd door art. 2, W 14.1.2003 (BS 5.2.2003)
2. § 1. De meerwaarden die in de in het tweede lid bedoelde omstandigheden op bedrijfsvoertuigen zijn verwezenlijkt, worden volledig vrijgesteld wanneer een bedrag gelijk aan de verkregen schadevergoeding of de verkoopwaarde wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijn als hierna gesteld.
De meerwaarden moeten zijn verwezenlijkt :
1° naar aanleiding van een schadegeval, een opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis, of
2° bij een niet in het 1° vermelde vervreemding van bedrijfsvoertuigen, voor zover de vervreemde bedrijfsvoertuigen sedert meer dan 3 jaar vóór hun vervreemding de aard van vaste activa hadden.
Onder bedrijfsvoertuigen moet worden verstaan :
a) voertuigen aangewend voor bezoldigd personenvervoer, met name autobussen, autocars en de autovoertuigen die uitsluitend worden aangewend hetzij tot een taxidienst, hetzij tot verhuring met bestuurder;
b) voertuigen aangewend voor goederenvervoer, met name trekkers en vrachtwagens, en aanhangwagens en opleggers met een maximum toegelaten massa van minstens 4 ton.
§ 2. De herbelegging moet gebeuren in bedrijfsvoertuigen die zijn bedoeld in § 1, derde lid, die beantwoorden aan de ecologische normen bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en die in België voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt.
§ 3. De herbelegging moet uiterlijk bij stopzetting van de beroepswerkzaamheid gebeuren en binnen een termijn :
1° van 1 jaar na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarin de schadeloosstelling is ontvangen, voor meerwaarden vermeld in § 1, tweede lid, 1°;
2° van 2 jaar vanaf de eerste dag van het kalenderjaar waarin de meerwaarden vermeld in § 1, tweede lid, 2°, zijn verwezenlijkt.
§ 4. Om de in § 1, eerste lid, vermelde vrijstelling te kunnen genieten, moet de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen vanaf het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbare tijdperk van de verwezenlijking van de meerwaarde en tot het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingstermijn is verstreken, een opgave voegen waarvan het model door de minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld.
§ 5. Indien niet wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijnen gesteld in §§ 2 en 3 wordt de verwezenlijkte meerwaarde aangemerkt als een inkomen van het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingstermijn verstreken is. In dat geval is artikel 47 niet van toepassing.
Artikel 190, tweede lid, WIB 92, zoals het werd gewijzigd door art. 5, 2°, W 14.1.2003
3. Met betrekking tot het vrijgestelde of voorlopig niet belaste gedeelte van de meerwaarden vermeld in de artikelen 44, §§ 1 en 3, 44bis en 47, is dat meerwaardenstelsel slechts van toepassing in zoverre dat gedeelte op één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief geboekt is en blijft en niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enige beloning of toekenning.
Artikel 20 van het Koninklijk besluit ter uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (KB/WIB 92), zoals het werd ingevoegd door artikel 1, KB 3.4.2003 (BS 30.4.2003 - Ed. 2)
4. § 1. Opdat de meerwaarden verwezenlijkt op de bedrijfsvoertuigen genoemd in artikel 44bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de vrijstelling genieten waarin dat artikel voorziet, moeten de bedrijfsvoertuigen die zijn verkregen via herbelegging beantwoorden aan de volgende ecologische normen :
1° wat betreft de aanhangwagens en opleggers bestemd voor het vervoer van goederen met een maximum toegelaten massa van minstens vier ton, deze moeten in nieuwe staat zijn verkregen en uitgerust zijn met een luchtvering of een als gelijkwaardig erkende vering;
2° wat betreft de aanhangwagens die uitsluitend getrokken worden door autobussen of autocars en waarvan de toelaatbare maximummassa meer bedraagt dan 750 kg, deze moeten in nieuwe staat verkregen zijn;
3° wat betreft de trekkers en vrachtauto's aangewend voor goederenvervoer en de autobussen en autocars aangewend voor bezoldigd personenvervoer, deze moeten in nieuwe staat verkregen zijn of mogen, op het tijdstip van verwerving, niet meer dan drie jaar daarvoor in het verkeer zijn gebracht, en moeten beantwoorden aan één van de volgende alternatieve voorwaarden :
a) het niveau van de stikstofemissie (NOx-norm) is lager dan 4,9 gr/kWh;
b) het voertuig is uitgerust met een luchtvering of met een als gelijkwaardig erkende vering;
c) het voertuig is voor minstens 25 % uit recycleerbare materialen opgebouwd;
d) het koetswerk van het voertuig is gespoten in een niet-milieubelastende laklaag;
e) het voertuig maakt voor de transmissie gebruik van een elektronisch gestuurde versnellingsbak;
f) het voertuig is uitgerust met een dodehoekspiegel, camera- of radarbewaking ter verbetering van het gezichtsveld van de bestuurder;
g) in het geval van autocars en autobussen zijn alle zetels voorzien van veiligheidsgordels;
4° wat betreft de autovoertuigen aangewend als taxidienst of tot verhuring met bestuurder, deze moeten in nieuwe staat verkregen zijn.
§ 2. Zodra één van de alternatieve voorwaarden genoemd in paragraaf 1, 3°, een verplichte norm wordt, moet het voertuig aan minstens één van de andere alternatieve voorwaarden voldoen om als geldige wederbelegging in aanmerking te kunnen komen.
§ 3. De in de eerste paragraaf vastgestelde ecologische normen moeten verantwoord worden door bewijsstukken afgeleverd door de constructeur, invoerder of installateur.
Artikel 2, KB 3.4.2003
5. De artikelen 2 tot 7 van de wet van 14 januari 2003 betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen en artikel 1 van dit besluit hebben uitwerking op de meerwaarden die zijn verwezenlijkt vanaf 1 januari 2000 en voorzover de datum van de verwezenlijking ten vroegste behoort tot het belastbare tijdperk dat aan aanslagjaar 2001 verbonden is.
III. PROBLEEMSTELLING
6. De W 14.1.2003 voert in het WIB 92 een artikel 44bis in dat voorziet in de vrijstelling van meerwaarden gerealiseerd op bedrijfsvoertuigen, onder meer op voorwaarde dat binnen de wettelijke termijn wordt herbelegd in ecologische bedrijfsvoertuigen. Het KB 3.4.2003 bepaalt dat deze maatregel uitwerking heeft op meerwaarden die zijn verwezenlijkt vanaf 1 januari 2000 en voor zover de datum van de verwezenlijking ten vroegste behoort tot het belastbare tijdperk dat aan aanslagjaar 2001 verbonden is.
7. De zeer ruime retroactiviteit van deze maatregel geeft aanleiding tot problemen met betrekking tot de in artikel 44bis, WIB 92 beoogde meerwaarden die werden verwezenlijkt op een tijdstip waarop de wettelijke basis die hun vrijstelling mogelijk maakt nog niet aanwezig was, meer bepaald de meerwaarden verwezenlijkt tussen 1.1.2000 en 30.4.2003 en verbonden aan de aanslagjaren 2001 tot 2003.
In de praktijk hebben de betrokken belastingplichtigen evenwel rechtsgeldig de vrijstelling kunnen vragen van de meerwaarden met betrekking tot aanslagjaar 2003, aangezien het KB 3.4.2003 werd gepubliceerd vóór de data voorzien voor het indienen van de aangiften met betrekking tot voormeld aanslagjaar. Het probleem is derhalve beperkt tot meerwaarden verwezenlijkt op bedrijfsvoertuigen in de loop van de aanslagjaren 2001 en 2002.
Bovendien hebben bepaalde belastingplichtigen op basis van het voorontwerp van wet - voorafgaandelijk - de vrijstelling gevraagd voor deze twee aanslagjaren, hetzij op aanraden van hun beroepsfederatie, hetzij op eigen initiatief, terwijl andere belastingplichtigen dit niet hebben gedaan, hetzij omdat zij een wettelijke basis wensten af te wachten, hetzij omdat zij geen kennis hadden van het betrokken voorontwerp.
Hierna volgt de fiscale behandeling van de meerwaarden verwezenlijkt op bedrijfsvoertuigen in de loop van de aanslagjaren 2001 en 2002, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de belastingplichtigen die de vrijstelling hebben ingeroepen en deze die dat niet hebben gedaan.
IV. FISCALE BEHANDELING
A. Belastingplichtigen die de vrijstelling hebben ingeroepen
8. Wat de belastingplichtigen betreft die voor de aanslagjaren 2001 en/of 2002 reeds de vrijstelling hebben ingeroepen en waarvoor aan alle wettelijke voorwaarden werd voldaan, zal doorgaans de vrijstelling kunnen worden toegestaan doordat de W 14.1.2003 zowat ongewijzigd werd overgenomen van het vroegere voorontwerp van wet.
Het betreft met name belastingplichtigen die binnen de termijnen vermeld in artikel 44bis, § 3, WIB 92 de verkregen schadevergoeding of de verkoopwaarde van het vervreemde bedrijfsvoertuig hebben wederbelegd in een bedrijfsvoertuig waarvan achteraf blijkt dat dit beantwoordt aan de in artikel 20, KB/WIB 92 vermelde ecologische normen.
9. Overeenkomstig artikel 44bis, § 4, WIB 92 moet de belastingplichtige, om de vrijstelling te kunnen genieten, bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen vanaf het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbare tijdperk van de verwezenlijking van de meerwaarde en tot het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingstermijn is verstreken, een opgave voegen waarvan het model door de minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld. Deze opgave, het formulier 276 N, was voor de aanslagjaren 2001 en 2002 nog niet beschikbaar. Voor deze jaren wordt derhalve aanvaard dat eventueel gebruik werd gemaakt van een document opgesteld door de belastingplichtige zelf waarin alle nuttige gegevens werden vermeld of van een aangepaste opgave 276 K die normaal is bestemd voor de gespreide taxatie van meerwaarden. De belastingplichtige die voor de vrijstelling van de beoogde meerwaarden opteerde moet in elk geval deze keuze uitdrukkelijk kenbaar hebben gemaakt.
10. Wat de meerwaarden betreft waarvoor de vrijstelling werd gevraagd en waarvoor alle voorwaarden tot vrijstelling waren vervuld, maar die destijds bij gebrek aan wettelijke grondslag reeds werden belast, zijn er geen redenen aanwezig om deze taxatie in latere stadia van de procedure te behouden. Voor zover dit nog niet zou zijn gebeurd, wordt aan de belastingplichtigen die zich in deze situatie bevinden gevraagd een bezwaarschrift in te dienen of een ambtshalve ontheffing te vragen volgens het onderscheid uiteengezet in nr. 17.
Naleving van de onaantastbaarheidsvoorwaarde
11. Er dient op te worden gewezen dat vennootschappen slechts aanspraak zullen kunnen maken op de vrijstelling voor zover de onaantastbaarheidsvoorwaarde zoals vermeld in artikel 190, tweede lid, WIB 92 werd nageleefd.
Derhalve zullen vennootschappen die weliswaar reeds om de toepassing van het vrijstellingsstelsel voor de aanslagjaren 2001 en/of 2002 hebben verzocht, doch nagelaten hebben de voormelde onaantastbaarheidsvoorwaarde na te leven, in geen geval nog voor de vrijstelling in aanmerking komen.
B. Belastingplichtigen die de vrijstelling niet hebben ingeroepen
12. De belastingplichtigen die voor de aanslagjaren 2001 en/of 2002 niet om de vrijstellingsregeling van artikel 44bis, WIB 92 hebben verzocht, hebben hetzij toepassing gemaakt van het stelsel van de gespreide taxatie zoals bedoeld in artikel 47, WIB 92, hetzij er voor geopteerd de verwezenlijkte meerwaarde onmiddellijk in resultaat te nemen.
13. Zoals blijkt uit de samenlezing van artikel 44bis, § 5 en artikel 47, § 1, eerste lid, WIB 92 kan, indien wordt geopteerd voor het stelsel van de gespreide taxatie, in principe geen toepassing meer worden gemaakt van de meerwaardenvrijstelling en omgekeerd. De belastingplichtige kan derhalve niet meer terugkomen op de keuze die hij op het ogenblik van de verwezenlijking van de meerwaarde heeft gemaakt.
In dezelfde zin wordt de keuze van die belastingplichtigen die de verwezenlijkte meerwaarden onmiddellijk in resultaat hebben opgenomen eveneens geacht onherroepelijk te zijn.
14. Dergelijke stellingname zou voor de meerwaarden verwezenlijkt tijdens de aanslagjaren 2001 en 2002 evenwel tot een zekere discriminatie leiden tussen belastingplichtigen die de vrijstelling hebben ingeroepen (zie rubriek IV, A) en deze die dit om de in nr. 7, derde lid vermelde redenen niet hebben gedaan maar die op het ogenblik van de verwezenlijking van de meerwaarde en van indiening van de aangifte toch aan alle voorwaarden en modaliteiten van artikel 44bis, WIB 92 en artikel 20, KB/WIB 92 voldeden. Om die reden kan de administratie er mee instemmen, mede gelet op het gelijkheidsbeginsel en onder voorbehoud van wat volgt, dat voor de aanslagjaren 2001 en 2002 eenzelfde vrijstelling wordt toegestaan aan alle belastingplichtigen die hierom verzoeken.
15. In dit verband wordt er nogmaals de nadruk op gelegd dat voor vennootschappen het verkrijgen van de vrijstelling onder meer afhankelijk is van het naleven van de onaantastbaarheidsvoorwaarde van artikel 190, tweede lid, WIB 92.
Zodoende dient er bij de verdere behandeling van de onder rubriek IV, B beoogde belastingplichtigen een onderscheid te worden gemaakt tussen natuurlijke personen en vennootschappen.
Natuurlijke personen
16. Natuurlijke personen die in eerste instantie voor de aanslagjaren 2001 en/of 2002 voor de gespreide taxatie zoals bedoeld in artikel 47, WIB 92 of voor de onmiddellijke opname in resultaat (al dan niet belastbaar tegen een afzonderlijke aanslagvoet overeenkomstig artikel 171, 4°, a, WIB 92) hadden geopteerd, zullen met name voor die aanslagjaren alsnog om de toepassing van artikel 44bis, WIB 92 kunnen verzoeken.
In dat geval moeten zij a posteriori nog wel een opgave 276 N indienen waarop alle daarin gevraagde gegevens moeten worden vermeld. Zo moeten via deze opgave onder meer alle gegevens worden meegedeeld met betrekking tot de bedrijfsvoertuigen die de belastingplichtige als herbelegging voor de vrij te stellen meerwaarden in aanmerking wenst te nemen. Dienaangaande dient te worden benadrukt dat de als herbelegging aangeduide bedrijfsvoertuigen binnen de termijnen vermeld in artikel 44bis, § 3, WIB 92 dienen te zijn aangeschaft en moeten beantwoorden aan de ecologische normen opgesomd in artikel 20, § 1, KB/WIB 92. Zo zal bijvoorbeeld een vrachtwagen die in 2001 in nieuwe staat is verkregen en is uitgerust met een dodehoekspiegel (dergelijke spiegel behoort pas vanaf 1.1.2003 tot de wettelijk verplichte uitrusting van nieuwe vrachtwagens en wordt vanaf dat ogenblik niet meer als ecologische norm aanvaard) als geldige wederbelegging worden beschouwd voor een in 2000 of 2001 vrijwillig verwezenlijkte meerwaarde op bedrijfsvoertuigen.
17. Belastingplichtigen bij wie de bedoelde meerwaarden in de aanslagjaren 2001 en/of 2002 reeds geheel of gedeeltelijk belast werden en die van de onder nr. 16 vermelde mogelijkheid gebruik wensen te maken moeten, voor wat die aanslagjaren betreft, een bezwaarschrift indienen dat voldoet aan de vorm- en termijnvoorwaarden bepaald in de artikelen 366 tot 372, WIB 92.
Indien de bezwaartermijn is verstreken kunnen ze een ambtshalve ontheffing op grond van artikel 376, § 1, WIB 92 vragen, waarbij het voornoemde KB van 3.4.2003 als een nieuw bewijskrachtig feit in de zin van dat artikel mag worden beschouwd.
Er wordt aan herinnerd dat er slechts sprake is van nieuwe bewijskrachtige feiten in de zin van artikel 376, § 1, WIB 92 indien de belastingplichtige niet in staat was die nieuwe bewijskrachtige feiten te leveren vóór het verstrijken van de bezwaartermijn bepaald in artikel 371, WIB 92. Alvorens een ambtshalve ontheffing kan worden verleend moet de bezwaartermijn m.a.w. verstreken zijn op de datum van publicatie van het KB 3.4.2003 in het Belgisch Staatsblad, zijnde op 30.4.2003.
18. Zolang het onderzoek van het bezwaarschrift of de vraag tot ambtshalve ontheffing niet is beëindigd, moet de belastingplichtige ook voor de volgende aanslagjaren waarin reeds een gedeelte van de tijdens aanslagjaar 2001 en/of aanslagjaar 2002 verwezenlijkte meerwaarden werd belast een bezwaarschrift indienen tegen die aanslagen. Voor het gedeelte van de betrokken meerwaarden dat nog niet werd belast maar reeds als belastbaar bestanddeel in een aangifte werd opgenomen, kan de belastingplichtige de betrokken aangifte aanvullen met een afschrift van zijn bezwaarschrift of aanvraag tot ambtshalve ontheffing. De taxatieambtenaren dienen met deze kennisgeving rekening te houden.
Het voorgaande geldt evenwel niet voor "nieuwe" meerwaarden die tijdens de aanslagjaren 2003 en volgende werden verwezenlijkt (zie ook nr. 7, tweede lid).
Vennootschappen
19. Voor vennootschappen die voor de tijdens de aanslagjaren 2001 en 2002 verwezenlijkte meerwaarden voor de gespreide taxatie van artikel 47, WIB 92 hebben gekozen, kan - net zoals voor de natuurlijke personen - in beginsel worden aanvaard dat zij voor die jaren alsnog toepassing maken van artikel 44bis, WIB 92, voor zover ten minste aan alle voorwaarden en modaliteiten van artikel 44bis, WIB 92 en artikel 20, KB/WIB 92 is voldaan (zie ook nr. 16 hiervoor).
Zoals reeds gezegd is het vrijstellingsregime van artikel 44bis, WIB 92 voor vennootschappen bovendien ondergeschikt aan de naleving van de onaantastbaarheidsvoorwaarde van artikel 190, tweede lid, WIB 92. Hierdoor kunnen vennootschappen die de betrokken meerwaarden onmiddellijk in resultaat hebben genomen in geen geval nog aanspraak maken op deze vrijstellingsregeling.
20. Wat de vennootschappen betreft waarvoor de gespreide taxatie reeds een aanvang heeft genomen in de aanslagjaren 2001 en/of volgende zullen, naargelang de meerwaarde belastbaar wordt, de rekeningen "Uitgestelde belastingen" en "Belastingvrije reserves" in de regel reeds verhoudingsgewijs zijn teruggeboekt naar de resultatenrekening. Dit heeft tot gevolg dat voor dat gedeelte van de meerwaarde de onaantastbaarheidsvoorwaarde niet langer wordt nageleefd.
De toegestane administratieve afwijking beperkt zich dan ook, gelet op de uitdrukkelijke bepalingen van artikel 190, tweede lid, WIB 92, tot het nog niet belaste gedeelte van de tijdens de aanslagjaren 2001 en/of 2002 verwezenlijkte meerwaarden dat zich bij voortduur op de in het vorige lid bedoelde rekeningen van het passief bevindt. De onder nr. 17 besproken mogelijkheid tot het indienen van een bezwaarschrift of tot ambtshalve ontheffing m.b.t. het reeds belaste gedeelte van de meerwaarden, is voor vennootschappen derhalve zonder voorwerp. Verder wordt de aandacht erop gevestigd dat, behoudens materiële vergissingen, wijzigingen aan de jaarrekening na goedkeuring ervan door de algemene vergadering niet tegenstelbaar zijn aan de administratie (zie o.m. Hof van Beroep te Gent d.d. 28.11.2000, Hof van Beroep te Bergen d.d. 17.4.1998 en Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 18.5.1993).
21. In het kader van deze administratieve afwijking zullen vennootschappen die zich in de in vorig nr. vermelde situatie bevinden, vanaf het eerst volgende belastbaar tijdperk waarin het resterende gedeelte van de meerwaarde zich nog op de rekeningen "Uitgestelde belastingen" en "Belastingvrije reserves" bevindt, door het toevoegen van een ingevulde opgave 276 N aan de betrokken aangifte, alsnog de vrijstelling kunnen vragen voor dit nog niet belaste deel van de meerwaarde. Gelet op de publicatiedatum van het KB 3.4.2003 valt te verwachten dat bepaalde vennootschappen en natuurlijke personen reeds spontaan van deze mogelijkheid gebruik zullen hebben gemaakt met ingang van het aanslagjaar 2003. Door dit te doen zien zij weliswaar af van een verdere gespreide taxatie m.b.t. deze meerwaarden. Dit heeft tot gevolg dat voor zover het onderzoek zou uitwijzen dat niet alle voorwaarden tot vrijstelling zijn vervuld, het nog niet belaste gedeelte van de meerwaarde voor dat aanslagjaar onmiddellijk belastbaar wordt.
22. Tevens dient te worden opgemerkt dat overeenkomstig artikel 44bis, WIB 92 het volledige bedrag van de verkoopprijs of schadevergoeding van het vervreemde bedrijfsvoertuig moet worden wederbelegd, ook al wordt in het hiervoor vermelde geval slechts een gedeelte van de verwezenlijkte meerwaarde vrijgesteld.
Voorbeeld
23. Een vennootschap verkoopt in 2000 (aanslagjaar 2001) voor 20.000 EUR een vrachtwagen die sedert 1994 voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid werd gebruikt en realiseert hierbij een meerwaarde van 8.000 EUR. Deze meerwaarde boekt zij ten belope van 3.214 EUR op de passiefrekening "Uitgestelde belastingen" en voor 4.786 EUR op de rekening "Belastingvrije reserves".
In hetzelfde jaar koopt zij ter vervanging een nieuwe vrachtwagen aan voor 80.000 EUR, afschrijfbaar over 8 jaar. Bij haar aangifte met betrekking tot aanslagjaar 2001 dient zij een opgave 276 K in waarmee zij de toepassing vraagt van de gespreide taxatie en waarin zij deze nieuwe vrachtwagen als herbelegging aanduidt.
In de aanslagjaren 2001 en 2002 werd dus telkens 401,75 EUR en 598,25 EUR aan respectievelijk de "Uitgestelde belastingen" en de "Belastingvrije reserves" onttrokken en in resultaat genomen. De meerwaarde werd op die manier dus reeds voor 2.000 EUR belast.
Bij haar aangifte voor het aanslagjaar 2003 voegt de vennootschap alsnog een opgave 276 N waarin zij alle gevraagde gegevens met betrekking tot de in 2000 verwezenlijkte meerwaarde en met betrekking tot de als herbelegging aangekochte vrachtwagen vermeldt.
Voor zover blijkt dat de als wederbelegging aangekochte vrachtwagen voldoet aan de ecologische normen vastgelegd in artikel 20, KB/WIB 92, kan worden toegestaan dat het nog niet belaste deel van de meerwaarde dat zich nog op de voormelde passiefrekeningen bevindt (6.000 EUR) wordt vrijgesteld. Het saldo op de rekening "Uitgestelde belastingen" van 2.410,50 EUR dient te worden overgeboekt naar de rekening "Belastingvrije reserves".
Voor de Administrateur-generaal
van de Belastingen en de Invordering :
De Auditeur-generaal van financiën,
G. DELSOIR