Circulaire nr. 5/2011 d.d. 14.04.2011
(Circulaire AFZ nr. 4/2011)
Vlaamse registratierechten – Vervreemding onder BTW-stelsel – Art. 159, 8° en 209, 1ste lid, 6° nieuw – invloed op meeneembaarheid, W. Reg. VL.
Federale Overheidsdienst FINANCIEN
Administratie van Fiscale Zaken
4e dienst - 2e directie
Patrimoniumdocumentatie
Kadaster, Registratie en Domeinen
Dienst VI
3 bijlagen
In het Belgisch Staatsblad van 31 december 2010, ed. 2, werd het decreet van 23 december 2010 houdende wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, wat het vermijden van een gelijktijdige heffing van btw en registratierechten op eenzelfde terrein betreft, bekendgemaakt.
De in het W. Reg. VL. gewijzigde bepalingen zijn:
artikel 61^3, teneinde voor de meeneembaarheid bij wijze van verrekening een ongewenst gevolg weg te werken van de wijzigingen op het vlak van de BTW ingevolge het Breitsohl-arrest en van de daarmee samenhangende wijzigingen op het vlak van registratierechten;
artikel 159, 8°, teneinde een gecumuleerde heffing van BTW en evenredige registratierechten te vermijden in geval van gelijktijdige vervreemding door dezelfde persoon van een gebouw en het bijhorend terrein;
artikel 209, 1ste lid, waaraan een 6° werd toegevoegd, ten einde teruggave van geheven registratierechten toe te laten wanneer na die heffing toch nog BTW wordt geheven bij toepassing van de BTW-antimisbruikbepaling.
Dit decreet is in werking getreden op 1 januari 2011.
Bij deze circulaire wordt een eerste commentaar verstrekt bij de nieuwe bepalingen. In bijlage 1 gaat de tekst van het decreet. Bijlage 2 bevat de geconsolideerde tekst van de gewijzigde artikels van het Wetboek. Bijlage 3 bevat een uittreksel uit de programmawet van 23 december 2009.
Commentaar
1. Oorsprong en draagwijdte van de wetswijziging
De wetswijziging vindt haar oorsprong in een arrest van het Hof van Justitie (1) dat bepaalde dat indien de BTW verschuldigd is op de vervreemding (2) van een nieuw gebouw, die belasting tevens verschuldigd is op het bijhorende terrein.
----------
(1) Breitsohl-arrest, H.v.J., 8 juni 2000, C-400/98.
(2) In deze context wordt hiermee in deze circulaire steeds bedoeld: de overdracht of de aanwijzing onder bezwarende titel van de eigendom van een nieuw gebouw of de vestiging de overdracht of de wederoverdracht van een zakelijk recht bedoeld in artikel 9, tweede lid, 2° BTW-Wetboek, op een nieuw gebouw.
De federale wetgever heeft geoordeeld dat ingevolge het arrest de BTW-wetgeving diende aangepast te worden. Dit werd gedaan bij de programmawet van 23 december 2009 (3). De inwerkingtreding van de betreffende wijzigingen werd bepaald op 1 januari 2011. De tekst van het betreffende hoofdstuk van vermelde programmawet gaat in bijlage 3.
----------
(3) B.S. 30/12/2009, artikelen 142 tot 149 - zie bijlage 3.
----------In geval van vervreemding van een nieuw gebouw onder het BTW-stelsel is dus, ingevolge die wijziging aan het BTW-Wetboek, de BTW ook verschuldigd op het "bijhorend terrein"
Bij de vervreemding (onder bezwarende titel) van een nieuw gebouw riskeerde de verkrijger vanaf 1 januari 2011 zonder wijzigingen in de regelgeving op het vlak van de registratierechten twee soorten belastingen te moeten betalen over de verkoopwaarde van de grond waarop het nieuw gebouw is opgericht ( = bijhorend terrein): BTW (21%) en evenredige registratierechten (in principe 10 %); artikel 159, 8° oud W. Reg. VL. bevatte immers geen vrijstelling voor de grond.
Door artikel 159,8° aan te passen in functie van de nieuwe BTW-regels voor bijhorende terreinen, laten de bij het decreet van 23 december 2010 aangebrachte wijzigingen toe om voortaan die cumulatieve heffing te vermijden.
Vanuit dezelfde optiek heeft de Vlaamse decreetgever ook artikel 209, eerste lid W. Reg. VL. aangevuld, ten einde teruggave van geheven registratierechten mogelijk te maken wanneer later toch BTW wordt geheven bij toepassing van de BTW-anti-misbruikmaatregel.
2. Vrijstelling van het nieuw gebouw en het bijhorend terrein (art.159, 8°, W. Reg.VL. – art. 3 van het decreet)
Artikel 159,8° W. Reg. VL. werd volledig herschreven gelet op de nieuwe terminologie in het W. BTW.
Die aanpassing aan de nieuwe terminologie in het W. BTW betekent niet dat de toepassing van artikel 159,8° W. Reg. VL. grondige wijzigingen zou hebben ondergaan wat betreft 1) de aard van de voor de vrijstelling in aanmerking komende goederen - afgezien natuurlijk van het bijhorend terrein -; 2) het tijdstip van de vervreemding; 3) de hoedanigheid van BTW-plichtige van de vervreemder.
De essentiële verandering in de nieuwe tekst van artikel 159,8° W. Reg VL., is de uitbreiding van het toepassingsgebied van de vrijstelling van het evenredig registratierecht tot het "bijhorend terrein" van het nieuw gebouw.
2.1. Begrip bijhorend terrein
Het bijhorend terrein wordt in artikel 1, § 9, 2° van het W. BTW als volgt gedefinieerd: " het terrein waarvoor (1) de toelating werd verkregen om er op te bouwen en dat (2) door éénzelfde persoon wordt overgedragen (3) tegelijk met het gebouw waartoe het behoort".
Elementen in deze definitie
a) Als bijhorend terrein wordt beschouwd het kadastrale perceel of de kadastrale percelen waarop volgens de bouwvergunning het onder het BTW-stelsel overgedragen nieuw gebouw mocht worden opgericht. Indien de verkoop ook nog andere percelen omvat die niet werden vergund in het kader van de oprichting van het nieuw gebouw, zijn deze te beschouwen als "niet-bijhorende terreinen", die, zoals in het verleden, aan het evenredig registratierecht onderworpen blijven (4).
----------
(4) Als deze situatie zich voordoet moet daarvan, luidens de nieuwe voorwaarde voor toepassing van artikel 159, 8°, W. Reg. VL., uitdrukkelijk kennis worden gegeven aan de ontvanger in de akte of het bijgevoegde geschrift.
Uiteraard blijft de overdracht van een pure bouwgrond, d.w.z. een grond bestemd voor oprichting van een bouwwerk maar waarop nog geen bouwwerk staat dat vast met de grond verbonden is (5), onder het evenredig registratierecht vallen. Opdat de vrijstelling van artikel 159,8° W. Reg. VL. ook zou slaan op een grond is immers vereist dat die grond gelijktijdig met een erop opgericht nieuw gebouw wordt vervreemd.
----------
(5) Zie definitie van gebouw of gedeelte van gebouw in artikel 1, § 9, 1° W. BTW: "ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden".
b) Merk tevens op dat er maar sprake kan zijn van "bijhorend terrein" op voorwaarde dat de vergunde percelen zoals in de vorige alinea bedoeld en het nieuw gebouw
1) tezelfdertijd
2) door éénzelfde persoon
worden vervreemd.
Voor een meer gedetailleerde administratieve commentaar bij deze elementen wordt verwezen naar de Beslissing BTW nr. E.T. 119.318 dd. 28.10.2010 die de eerste commentaar van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit bevat bij de wijzigingen die bij de programmawet van 23 december 2009 aan het W. BTW werden aangebracht.
2.2. Voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling
2.2.1. Toepasselijkheid van de BTW
De vrijstelling van het evenredig recht is van toepassing op voorwaarde dat en in dezelfde mate als de BTW van toepassing is.
Dat betekent dat wanneer een verrichting slechts voor een gedeelte met BTW belastbaar is, ze voor het overige deel belast wordt met het evenredig registratierecht waarbij de gewone regels voor de bepaling van de heffingsgrondslag moeten worden toegepast.
Voorbeelden
a) Wanneer een nieuw gebouw en de grond waarop het is opgericht op het ogenblik van de gelijktijdige verkoop ervan niet aan dezelfde persoon toebehoren, kwalificeert die grond niet als bijhorend terrein en kan hij dus niet onder het BTW-stelsel worden verkocht. De ontvanger moet dus het evenredig registratierecht heffen op de grond. Wanneer de verkoop zou zijn geschied voor een enige prijs, zal hij bij toepassing van artikel 168 W. Reg. de partijen verzoeken de prijs te verdelen over de betrokken goederen.
b) Wanneer de verkoop niet enkel slaat op een nieuw gebouw en het bijhorend terrein (dus onder BTW-stelsel) maar ook nog niet-bijhorende terreinen betreft, moet de ontvanger het registratierecht heffen op de verkoop van die niet-bijhorende terreinen.
Voor dergelijke gevallen legt de nieuwe littera d) van het tweede lid van artikel 159,8°, W. Reg. VL. een bijkomende verplichte vermelding op, meer bepaald de vermelding in de akte of in een vóór de registratie bij de akte te voegen geschrift, dat de verkoop maar gedeeltelijk van het registratierecht is vrijgesteld, waarbij de niet vrijgestelde goederen nauwkeurig moeten worden aangeduid door middel van hun kadastrale beschrijving (zie punt 2.3. hierna).
Merk in dit verband ook op dat de nieuwe tekst van artikel 159,8° W. Reg. VL., in tegenstelling tot wat in de oude tekst het geval was voor de grond, geen bijzondere regel inzake de bepaling van de heffingsgrondslag voor de "niet-bijhorende terreinen" bevat, voor het geval - in de nieuwe situatie - de nieuwe woning (en, in voorkomend geval, de bijhorende terreinen) enerzijds en de "niet-bijhorende terreinen" anderzijds, samen voor een niet-gesplitste prijs worden verkocht. In voorkomend geval zal de ontvanger de splitsing van de prijs vragen bij toepassing van artikel 168 W. Reg.
2.2.2. Verplichte vermeldingen in het kader van de controle van het vervuld zijn van de voorwaarde dat de verrichting aan de BTW is onderworpen
In wezen gaat het om dezelfde vermeldingen - althans wat betreft de vermeldingen vereist bij a) tot c) - als voorheen. Ze werden door de Vlaamse decreetgever enkel aangepast aan de nieuwe BTW-terminologie. De nieuwe formulering van het tweede lid is als volgt:
"Deze vrijstelling is alleen toepasselijk indien in de akte of in een vóór de registratie bij de akte te voegen geschrift worden vermeld:
a) de datum van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming van het gebouw waarop de overeenkomst betrekking heeft;
b) het kantoor waar de belastingplichtige de aangifte moet indienen voor de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde;
c) wanneer de overeenkomst het werk is van een andere dan in artikel 12, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde belastingplichtige, de datum waarop hij kennis heeft gegeven van zijn bedoeling de verrichting te doen met betaling van de belasting over de toegevoegde waarde.
d) ingeval de vervreemding of de vestiging, overdracht of wederoverdracht van zakelijke rechten tevens goederen betreft waarop de vrijstelling van het evenredig recht niet van toepassing is, de nauwkeurige aanduiding van die goederen door middel van hun kadastrale beschrijving.
De vermelding vereist onder punt d) is geen voorwaarde om de ontvanger a posteriori toe te laten te controleren of de toepassingsvoorwaarde (verkoop onder BTW-stelsel) van de vrijstelling wel degelijk is vervuld, maar wel een voorwaarde die gesteld wordt om de ontvanger juist toe te laten - in voorkomend geval althans - op een gedeelte van de verkochte goederen het evenredig registratierecht te heffen, met name indien het om een gemengde verkoop zou gaan (zie verder: punt 2.3.). Praktisch gezien komt het erop neer dat indien de onder d) bedoelde vermelding niet voorkomt maar de vermeldingen van a) en b) of c) wel, de ontvanger bij het registreren van de akte mag aannemen dat de verkoop volledig onder het BTW-stelsel valt.
2.3. Verplichte vemelding om de heffing van het registratierecht over niet vrijgestelde goederen te verzekeren
Het tweede lid van artikel 159,8°, W. Reg. VL. voorziet in een bijzondere verplichte vermelding voor het geval de verkoop slechts gedeeltelijk van het evenredig registratierecht is vrijgesteld (6). Het gaat om de vermelding vereist onder punt d) van bedoeld tweede lid.
----------
(6) Zie voorbeeld onder punt 2.2.1. voorbeelden b)
Bij een "gemengde" (deels onder BTW, deels onder het evenredig registratierecht vallende) verkoop moet de akte of het bijgevoegde geschrift uitdrukkelijk vermelden welke van de goederen niet onder de vrijstelling van het evenredig registratierecht vallen en die goederen nauwkeurig aanduiden door middel van hun kadastrale beschrijving.
Zoals reeds gezegd heeft de vereiste vermelding waarvan sprake in littera d) van het tweede lid van artikel 159,8° W. Reg. VL., niets van doen met de vermeldingen vereist voor de controle van de onderworpenheid van (een deel van) de verrichting aan de BTW (en de daaruit voortvloeiende vrijstelling van evenredig registratierecht). Indien een nieuw gebouw (en eventueel bijhorend terrein) in een akte samen verkocht wordt met een niet bijhorend terrein, is op het niet bijhorende terrein wel degelijk het evenredig registratierecht verschuldigd. Bij dergelijke gemengde verkopen heeft de onderhavige verplichte vermelding juist tot doel de ontvanger ervan in te lichten dat, ondanks de vrijstelling ervan voor een deel van de goederen, het evenredig registratierecht toch verschuldigd blijft op de andere bij de verkoop betrokken goederen. In voorkomend geval kan de ontvanger bij toepassing van artikel 168 W. Reg. de ontbrekende gegevens (7) vragen om de heffing te kunnen doen.
----------
(7) Voorbeeld: in geval van "gemengde" verkoop voor een enige prijs: de heffingsgrondslag voor de niet van het registratierecht vrijgestelde terreinen
2.4 Sancties
Artikel 159,8°, derde lid, bepaalt dat in geval van onjuistheid van "die" vermeldingen, de cedent een boete verbeurt gelijk aan het ontdoken recht. De hier bedoelde vermeldingen zijn zowel die welke vereist zijn voor de vrijstelling van het evenredig registratierecht als die welke vereist is voor de heffing van het evenredig registratierecht in gevallen als bedoeld onder punt 2.3. hiervoor (8).
----------
(8) Indien de vermelding bedoeld in littera d) van het tweede lid van artikel 159,8° ontbreekt, hoewel het wel degelijk om een "gemengde" verkoop gaat in de zin van punt 2.3. hiervoor, moet, gelet op de ratio legis van die verplichte vermelding, het ontbreken ervan voor de toepassing van de boete worden gelijkgesteld met een onjuiste vermelding.
3. Teruggave van geheven registratierechten (art. 209, 1ste lid, 6°, nieuw, W. Reg. VL. – art. 4 van het decreet)
Zoals reeds vermeld bestaat het doel van de nieuwe regelgeving erin een gecumuleerde heffing van het evenredig registratierecht en van de BTW op het nieuw gebouw en het bijhorend terrein te vermijden. Vanuit dat oogpunt heeft de wetgever logischerwijze een nieuwe teruggavemogelijkheid van geheven registratierechten voorzien in geval nadien de BTW opeisbaar wordt bij toepassing van de anti-misbruikbepaling van het BTW-Wetboek (9).
----------
(9) art. 1, § 10 BTW-Wetboek
Voorbeeld:
Een gebouw en het terrein waarop het is opgericht worden bij afzonderlijke akten maar zeer snel na elkaar verkocht. De voor de vrijstelling van het evenredig registratierecht vereiste vermeldingen ontbreken in de akte van verkoop van het terrein.
De BTW verschuldigd zijnde op de levering van het gebouw, zal de ontvanger van de registratie enkel het evenredig registratierecht heffen op de akte van verkoop van het terrein.
Gelet op de vaststelling dat de opsplitsing enkel werd gedaan om het belastingvoordeel te bekomen heft de BTW-administratie nadien niet enkel de BTW voor de levering van het nieuw gebouw maar ook voor de levering van het terrein, ingevolge een herkwalificatie van de afzonderlijke verkopen tot één verkoop van een nieuw gebouw en het bijhorend terrein.
De belastingplichtige kan dan terugbetaling vragen van het evenredig recht geheven wegens de verkoop van het terrein, op basis van het nieuwe 6° van het eerste lid van art. 209 W. Reg. VL.
Opmerking:
Het is duidelijk dat de invoering van een nieuwe mogelijkheid van verkrijging van een teruggave niet uitsluit dat een teruggave in voorkomend geval ook nog kan verkregen worden op grond van de reeds bestaande bepalingen.
Ongeacht of er al dan niet sprake is van rechtsmisbruik in de zin van artikel 1, § 10 van het BTW-Wetboek, belet een initiële heffing van registratierechten met betrekking tot het terrein niet dat naderhand een regularisatie inzake btw wordt doorgevoerd wanneer a posteriori wordt vastgesteld dat het gaat om een inzake btw niet vrijgestelde levering van een bijhorend terrein als bedoeld in artikel 1, § 9, 2°, nieuw, van het BTW-Wetboek of om een niet vrijgestelde vestiging, overdracht of wederoverdracht van een zakelijk recht in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, van het BTW-Wetboek op een bijhorend terrein als bedoeld in artikel 1, § 9, 2°, nieuw, van het BTW-Wetboek. In dergelijk geval kan teruggave gevraagd worden op grond van artikel 209, eerste lid, 1°, b W. Reg. VL (10), voor zover er geen verjaring is.
----------
(10) Cf. RJ Nummer R 209, 1°/02-01 en Nummer R 209, 1°/02-02
4. Andere wetsartikelen W. Reg. VL.
Er wordt aan herinnerd dat het feit dat de wederverkoop geschiedt met toepassing van de BTW, geen beletsel vormt voor de toepassing van de artikelen 62 (verlaagd tarief voor beroepspersonen) en 212 (gedeeltelijke teruggave van registratierechten in geval van snelle wederverkoop) W. Reg. VL.
5. Toepassing in de tijd van de oude en de nieuwe bepaling van art. 159, 8° W. Reg. VL
In het Vlaams Gewest is de nieuwe tekst van artikel 159, 8° in werking getreden op 1 januari 2011. Dit betekent dat vanaf die datum de nieuwe tekst van toepassing is op voorwaarde dat de overeenkomst tot overdracht van de nieuwe woning en het bijhorend terrein (11) onder het BTW-stelsel, dagtekent vanaf die datum. Bedoelde overeenkomsten die dagtekenen van vóór die datum, blijven onderworpen aan de oude regeling (vrijstelling evenredig registratierecht op het nieuwe gebouw maar heffing van het evenredig registratierecht op de gronden begrepen in de overeenkomst). Dit geldt zelfs indien die overeenkomsten van vóór 1 januari 2011 onderworpen zijn aan een opschortende voorwaarde die vanaf 1 januari 2011 wordt vervuld (12).
----------
(11) en, in voorkomend geval, andere "niet-bijhorende" terreinen; het spreekt voor zich dat de "niet-bijhorende" terreinen onderworpen blijven aan het evenredig registratierecht en dat daarbij, wat de heffingsgrondslag betreft, de gewone regel moet worden toegepast.
(12) Uiteraard vindt dan artikel 16 W. Reg toepassing (initieel heffing algemeen vast recht; vervulling van de voorwaarde: evenredig recht op grond, onder aftrek van algemeen vast recht – enkel het nieuwe gebouw geniet vrijstelling van het evenredig registratierecht).
Naargelang de overeenkomst dagtekent van vóór of vanaf 1 januari 2011 kan de belastingopbrengst over het bijgevoegd terrein aanzienlijk verschillen. Wanneer een na 1 januari 2011 ter registratie aangeboden akte betreffende de overdracht (ten bezwarende titel) van een nieuw gebouw en het bijhorend terrein als datum van de overeenkomst een datum vóór 1 januari 2011 opgeeft, zal de ontvanger gedurende het eerste kwartaal van 2011 van de partijen bij toepassing van artikel 18 W. Reg., vragen het bewijs te leveren van de datum van de overeenkomst (vóór of vanaf 1 januari 2011). In principe is, gelet op het bepaalde in artikel 18 van het W. Reg., daartoe een akte vereist waarvan de datum aan derden tegenstelbaar is (13); de administratie neemt echter ook vrede met het bewijs (14) dat voortvloeit uit bestanddelen buiten de akte, bvb. de betaling van de prijs per bankoverschrijving, de mededeling van de akte aan een openbaar bestuur, ... (15).
----------
(13) Vb. notariële akte, onderhandse akte met vaste datum, overlijden één der ondertekenaars (B.W. art. 1328).
(14) Door alle rechtsmiddelen, getuigen en vermoedens inbegrepen, maar met uitzondering van de eed.
(15) Zie Repertorium RJ – R 18/01-01
6. BTW-heffing en meeneembaarheid van registratierechten (art. 61^3 W. Reg. VL. – art. 2 van het decreet)
De Vlaamse Wetgever heeft willen vermijden dat de vervanging van de heffing van registratierechten op de wederverkochte bouwgrond door de heffing van BTW, invloed zou hebben op de mogelijkheid van meeneembaarheid van registratierechten zoals die voordien bestond.
De tekst van artikel 212bis W.Reg.VL. (meeneembaarheid onder de vorm van teruggave) stelt wat dat betreft geen enkel probleem: de bestaande tekst laat de meeneembaarheid toe ook al geschiedt de wederverkoop van de bouwgrond voortaan onder het BTW-stelsel (samen met de erop opgerichte woning).
De vigerende tekst van artikel 61^3 (meeneembaarheid onder de vorm van toerekening) stelde wel een probleem in die zin dat erin wordt bepaald dat de nieuwe aankoop vaste datum moet hebben gekregen binnen twee jaar te rekenen van de datum van de registratie van het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op hetzij de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend, hetzij de verdeling van die woning waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan.
Ter verduidelijking het gaat om de volgende situatie (16)
----------
(16) Indien in het voorbeeld ook A2 onder het stelsel van de BTW geschiedde, was in het verleden de meeneembaarheid uitgesloten (meeneembaarheid onderstelt steeds twee aankopen waarop registratierechten verschuldigd zijn); dat blijft uiteraard ook zo na de inwerkingtreding van dit decreet.
A1 (bouwgrond - registratierechten) --- V1 (nieuw gebouw + bijhorend terrein = vroegere bouwgrond - beide BTW/vrijstelling registratierechten) --- A2 (aankoop bestaande gebouw of bouwgrond - registratierechten)
A2 moest dus volgens de bestaande tekst van artikel 61^3 vaste datum hebben gekregen binnen twee jaar te rekenen van de datum van de registratie van het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op V1. Het gewijzigde artikel 159,8° W.Reg.VL. brengt echter mee dat op V1 normaal geen evenredig registratierecht meer verschuldigd is, waardoor de termijn voor de nieuwe aankoop A2 nooit begint te lopen.
Om dit probleem op te vangen werd het eerste lid van artikel 61^3 W.Reg.VL. als volgt vervangen:
" In geval van zuivere aankoop van een tot bewoning aangewend of bestemd onroerend goed door een natuurlijke persoon om er zijn hoofdverblijfplaats te vestigen, wordt zijn wettelijk aandeel in de rechten die overeenkomstig de artikelen 44, 53, 2°, of 57 verschuldigd waren op de aankoop van de woning die hem voordien tot hoofdverblijfplaats heeft gediend of van de bouwgrond waarop de woning is opgericht, verrekend met zijn wettelijk aandeel in de rechten verschuldigd op de nieuwe aankoop, mits de nieuwe aankoop vaste datum heeft gekregen binnen twee jaar te rekenen van de datum van de registratie van het document dat aanleiding heeft gegeven:
- ofwel tot de heffing van het evenredig recht, hetzij op de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend, hetzij op de verdeling van die woning waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan;
- ofwel tot de vrijstelling van het evenredige recht bij de toepassing van artikel 159,8°, hetzij voor de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend, hetzij voor de verdeling van die woning waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan.".
Hierdoor is de tekst van artikel 61^3 W.Reg.VL. volledig compatibel gemaakt met het behoud van de meeneembaarheid in de hiervoor bedoelde situatie.
In de meeste gevallen zal het voorkomen van de aankoop van een hoofdverblijfplaats onder het BTW-stelsel in een keten van aankopen en verkopen van hoofdverblijfplaatsen, de overschrijding meebrengen van de voor het recht op meeneembaarheid gestelde maximale termijn tussen de verkoop van de voorheen met voldoening van de evenredige registratierechten aangekochte woning en de aankoop van de nieuwe hoofdverblijfplaats onder het stelsel van de registratierechten (17). Het blijft echter mogelijk de voorheen betaalde registratierechten mee te nemen indien die termijn niet is overschreden, wat wordt geïllustreerd met onderstaand schema (18).
----------
(17) meeneembaarheid onderstelt steeds twee aankoopelementen waarop evenredige registratierechten zijn verschuldigd
(18) zie Hilde Pelgroms "Gezamenlijke verkoop van een nieuw gebouw met de daarbij horende grond: BTW en/of registratierechten ? Stand van zaken op 10 december 2010" in Driemaandelijkse nieuwsbrief "Registratierechten editie 2008-2009" nr. 4 van 13 december 2010, blz. 4/24, Kluwer.
Door het feit dat A3 vaste datum heeft binnen 2 jaar van de registratie van V1 kunnen de evenredige rechten betaald op A1 (max. 12.500 euro) verrekend worden met die verschuldigd op A3. A2 (BTW-aankoop) wordt genegeerd. Doordat A3 binnen de vermelde termijn plaats heeft, kan A3 hier nog de functie vervullen van A2 in het klassieke verrekeningsschema A1-V1-A2
Bijlage 1
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 31 december 2010,
tweede editie
23 DECEMBER 2010. - Decreet houdende wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, wat het vermijden van een gelijktijdige heffing van btw en registratierechten op eenzelfde terrein betreft
Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt:
Decreet houdende wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, wat het vermijden van een gelijktijdige heffing van btw en registratierechten op eenzelfde terrein betreft.
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.
Art. 2. In artikel 61/3 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, ingevoegd bij het decreet van 1 februari 2002 en gewijzigd bij de decreten van 5 juli 2002 en 24 december 2004, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
« In geval van zuivere aankoop van een tot bewoning aangewend of bestemd onroerend goed door een natuurlijke persoon om er zijn hoofdverblijfplaats te vestigen, wordt zijn wettelijk aandeel in de rechten die overeenkomstig de artikelen 44, 53, 2°, of 57 verschuldigd waren op de aankoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, verrekend met zijn wettelijk aandeel in de rechten verschuldigd op de nieuwe aankoop, mits de nieuwe aankoop vaste datum heeft gekregen binnen twee jaar te rekenen van de datum van de registratie van het document dat aanleiding heeft gegeven:
- ofwel tot de heffing van het evenredige recht, hetzij op de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend, hetzij op de verdeling van die woning waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan;
- ofwel tot de vrijstelling van het evenredige recht bij de toepassing van artikel 159, 8°, hetzij voor de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend, hetzij voor de verdeling van die woning waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan. »
Art. 3. In artikel 159 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest, vervangen door de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de wet van 30 maart 1994 en gedeeltelijk vervangen door het decreet van 23 december 2005, wordt punt 8° vervangen door wat volgt:
« 8° de overdragende of aanwijzende vervreemdingen onder bezwarende titel, andere dan die welke aan het in artikel 115bis bepaalde recht onderworpen zijn, van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein, bedoeld in artikel 1, § 9, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, evenals de vestigingen, overdrachten of wederoverdrachten van de zakelijke rechten, bedoeld in artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde met betrekking tot gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein, bedoeld in artikel 1, § 9, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, op voorwaarde dat de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar is op de levering van die goederen of de vestiging, de overdracht of wederoverdracht van die rechten.
Deze vrijstelling is alleen toepasselijk indien in de akte of in een vóór de registratie bij de akte te voegen geschrift worden vermeld:
a) de datum van de eerste ingebruikneming of inbezitneming van het gebouw waarop de overeenkomst betrekking heeft;
b) het kantoor waar de belastingplichtige de aangifte moet indienen voor de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde;
c) wanneer de overeenkomst het werk is van een andere dan in artikel 12, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde belastingplichtige, de datum waarop hij kennis heeft gegeven van zijn bedoeling de verrichting te doen met betaling van de belasting over de toegevoegde waarde;
d) ingeval de vervreemding of de vestiging, overdracht of wederoverdracht van zakelijke rechten tevens goederen betreft waarop de vrijstelling van het evenredig recht niet van toepassing is, de nauwkeurige aanduiding van die goederen door middel van hun kadastrale beschrijving.
In geval van onjuistheid van die vermeldingen verbeurt de cedent een boete, gelijk aan het ontdoken recht; ».
Art. 4. Aan artikel 209, eerste lid, van hetzelfde wetboek, gewijzigd bij de wetten van 22 december 1989 en 10 februari 1998 en het decreet van 23 november 2007, wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt:
« 6° de evenredige rechten ingeval op de verrichting van vervreemding onder bezwarende titel van een onroerend goed of van de vestiging, overdracht en wederoverdracht van een zakelijk recht op een onroerend goed, de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar wordt ingevolge de toepassing van artikel 1, § 10, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde. »
Art. 5. Dit decreet treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van artikelen 142 tot en met 148 van de Programmawet van 23 december 2009.
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 23 december 2010.
Voor de minister-president van de Vlaamse Regering, afwezig,
De Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding,
I. LIETEN
De Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport,
Ph. MUYTERS
Bijlage 2
Geconsolideerde tekst van de gewijzigde artikelen in het W.Reg. VL.
Afdeling I §: 4bis. Verrekening
Artikel 61^3
In geval van zuivere aankoop van een tot bewoning aangewend of bestemd onroerend goed door een natuurlijke persoon om er zijn hoofdverblijfplaats te vestigen, wordt zijn wettelijk aandeel in de rechten die overeenkomstig de artikelen 44, 53, 2°, of 57 verschuldigd waren op de aankoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, verrekend met zijn wettelijk aandeel in de rechten verschuldigd op de nieuwe aankoop, mits de nieuwe aankoop vaste datum heeft gekregen binnen twee jaar te rekenen van de datum van de registratie van het document dat aanleiding heeft gegeven:
- ofwel tot de heffing van het evenredige recht, hetzij op de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend, hetzij op de verdeling van die woning waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan;
- ofwel tot de vrijstelling van het evenredige recht bij de toepassing van artikel 159, 8°, hetzij voor de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend, hetzij voor de verdeling van die woning waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan.
Van de verrekening overeenkomstig de bepalingen van dit artikel zijn uitgesloten de rechten betaald voor de verkrijging van een onroerend goed dat niet in het Vlaamse Gewest is gelegen. Aanvullende rechten die voor om het even welke reden op een aankoop werden geheven zijn eveneens van de verrekening uitgesloten.
De verrekening overeenkomstig de bepalingen van dit artikel levert in geen geval grond voor een teruggave op.
In geval een verrichting als bedoeld in het eerste lid is voorafgegaan door een of meer zulke verrichtingen en/of door een of meer verrichtingen als bedoeld in het eerste lid van artikel 212bis, worden, in voorkomend geval, de bij die voorgaande verrichtingen ingevolge de toepassing van het derde of het vijfde lid van dit artikel nog niet verrekende rechten en/of de ingevolge de toepassing van het derde of het vijfde lid van artikel 212bis nog niet teruggegeven rechten, gevoegd bij het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de overeenkomstig de artikelen 44, 53, 2°, of 57 verschuldigde rechten op de voorlaatste aankoop, om het verrekenbaar bedrag bij de laatste aankoop te bepalen.
Het te verrekenen bedrag, bekomen met toepassing van het eerste of het vierde lid kan nooit meer bedragen dan 12.500 euro. Dit maximum te verrekenen bedrag wordt bepaald in verhouding tot de fractie die de natuurlijke persoon bekomt in het nieuw aangekochte goed.
Afdeling XX: Akten vrijgesteld van het evenredig recht en onderhevig aan het algemeen vast recht
Artikel 159
Worden van het evenredig recht vrijgesteld en aan het algemeen vast recht onderworpen:
1° de aanwijzing van lastgever, op voorwaarde:
a) dat het vermogen om een lastgever aan te wijzen in de akte van toewijzing of koop voorbehouden is;
b) dat de aanwijzing bij authentieke akte geschied is;
c) dat zij bij exploot van gerechtsdeurwaarder aan de ontvanger der registratie betekend wordt of dat de akte ter formaliteit aangeboden wordt uiterlijk op de eerste werkdag na de dag van de toewijzing of van het contract.
Bij niet-voldoening aan deze voorwaarden wordt de aanwijzing van lastgever voor de toepassing van dit Wetboek als wederverkoop beschouwd.
Met afwijking van het vorenstaande:
a) moet de aanwijzing van lastgever, bij toewijzingen die wettelijk gedaan zijn onder de schorsende voorwaarde van ontstentenis van opbod, om van het evenredig recht vrijgesteld te zijn, gedaan worden vóór de notaris die de toewijzing gedaan heeft of hem betekend worden uiterlijk op de eerste werkdag na die waarop de wettelijke termijn voor opbod verstrijkt;
b) moet de aanwijzing van lastgever, in geval van toewijzing ten gevolge van hoger bod op vrijwillige vervreemding van onroerende goederen, om van het evenredig recht vrijgesteld te zijn, gedaan worden vóór de notaris die de toewijzing heeft gedaan of hem betekend worden uiterlijk op de eerste werkdag na de dag van de toewijzing.
In die gevallen wordt de aanwijzing ingeschreven of vermeld onderaan op het proces-verbaal van toewijzing, zonder dat zij aan de ontvanger der registratie behoeft te worden betekend;
2° de toewijzingen naar aanleiding van rouwkoop, van roerende of onroerende goederen, wanneer zij geen aanleiding geven tot de heffing van een hoger evenredig recht dan datgene geheven op de vorige toewijzing. In het tegenovergesteld geval wordt laatstbedoeld recht afgerekend van het bedrag van de belasting waartoe de daaropvolgende toewijzing aanleiding geeft.
Hetzelfde regime is van toepassing op de toewijzingen naar aanleiding van prijsverhoging in de gevallen waarin het voorbehoud van prijsverhoging geen schorsende voorwaarde uitmaakt.
3° De overeenkomsten die strekken tot de overdracht van het vruchtgebruik op den blooten eigenaar, wanneer het evenredig registratierecht of het successierecht door den blooten eigenaar of door een vorigen blooten eigenaar, zijn rechtsvoorganger, op de waarde van den vollen eigendom werd voldaan;
4° ...
5° ...
6° ...
7° de overdragende of aanwijzende overeenkomsten, andere dan de inbrengen onderworpen aan het in artikel 115bis bepaalde recht die buitenslands gelegen onroerende tot voorwerp hebben, zomede de huurcontracten van dergelijke goederen;
8° de overdragende of aanwijzende vervreemdingen onder bezwarende titel, andere dan die welke aan het in artikel 115bis bepaalde recht onderworpen zijn, van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein, bedoeld in artikel 1, § 9, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, evenals de vestigingen, overdrachten of wederoverdrachten van de zakelijke rechten, bedoeld in artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde met betrekking tot gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein, bedoeld in artikel 1, § 9, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, op voorwaarde dat de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar is op de levering van die goederen of de vestiging, de overdracht of wederoverdracht van die rechten.
Deze vrijstelling is alleen toepasselijk indien in de akte of in een vóór de registratie bij de akte te voegen geschrift worden vermeld:
a) de datum van de eerste ingebruikneming of inbezitneming van het gebouw waarop de overeenkomst betrekking heeft;
b) het kantoor waar de belastingplichtige de aangifte moet indienen voor de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde;
c) wanneer de overeenkomst het werk is van een andere dan in artikel 12, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde belastingplichtige, de datum waarop hij kennis heeft gegeven van zijn bedoeling de verrichting te doen met betaling van de belasting over de toegevoegde waarde;
d) ingeval de vervreemding of de vestiging, overdracht of wederoverdracht van zakelijke rechten tevens goederen betreft waarop de vrijstelling van het evenredig recht niet van toepassing is, de nauwkeurige aanduiding van die goederen door middel van hun kadastrale beschrijving.
In geval van onjuistheid van die vermeldingen verbeurt de cedent een boete, gelijk aan het ontdoken recht;
9° De contracten tusschen de Algemeene- Spaar- en Lijfrentekas en de leden van de landbouwkantoren verleden, met betrekking tot den waarborg door deze laatsten verstrekt.
10° de contracten van onroerende financieringshuur bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, b, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;
11° de inbreng van goederen in een samenwerkingsverband beheerst door de wet van 17 juli 1989 betreffende de economische samenwerkingsverbanden of Europese economische samenwerkingsverbanden;
12° de teruggave van de onroerende goederen aan de leden van de een economisch samenwerkingsverband of van Europese economische samenwerkingsverbanden die deze goederen hebben ingebracht, wanneer de teruggave gebeurt tengevolge van de uittreding van deze leden of de ontbinding van het samenwerkingsverband.
Indien onroerende goederen verkregen worden in andere omstandigheden dan deze voorzien in het vorige lid, is voor deze verkrijging, hoe zij ook gebeurt, het voor verkopingen bepaalde recht verschuldigd.
13° ...
14° de inbrengsten van onroerende goederen, andere dan die welke gedeeltelijk of geheel tot bewoning aangewend worden of bestemd zijn en door een natuurlijke persoon ingebracht worden, in burgerlijke vennootschappen of handelsvennootschappen met zetel van werkelijke leiding en statutaire zetel buiten België, of met statutaire zetel in België doch met zetel van werkelijke leiding op het grondgebeid van één van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap. Deze vrijstelling geldt voor zover de inbreng met maatschappelijke rechten wordt vergolden. Indien de inbreng zowel in België gelegen onroerende goederen als andere goederen omvat wordt, niettegenstaande elk strijdig beding, de vergelding die anders dan door toekenning van maatschappelijke rechten geschiedt, geacht evenredig verdeeld te zijn tussen de waarde die aan de onroerende goederen is toegekend. In de mate dat de inbreng betrekking heeft op in België gelegen onroerende goederen wordt hij onderworpen aan het recht voorgeschreven voor verkopingen.
In geval van onjuiste verklaring betreffende de aanwending of de bestemming van het onroerend goed, worden de bijvoeglijke rechten opeisbaar en verbeurt iedere partij een boete gelijk aan de rechten.
HOOFDSTUK XIII: TERUGGAAF
...
Artikel 209
Zijn vatbaar voor teruggaaf:
1° De rechten, geheven omdat de partijen in gebreke gebleven zijn in de akte of verklaring te vermelden: a) dat de overeenkomst reeds belast werd; b) dat de voorwaarden tot bekomen van vrijstelling of vermindering vervuld zijn, tenzij het bestaan van deze vermelding bij de wet als een uitdrukkelijke voorwaarde ter verkrijging van de fiscale gunst is gesteld;
2° De evenredige rechten geheven hetzij wegens een akte die vals verklaard werd, hetzij wegens een overeenkomst die uit hoofde van nietigheid ongedaan gemaakt werd door een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest.
3° het evenredig recht geheven wegens een overeenkomst waarvan een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest in ontbinding of de herroeping uitspreekt, mits uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding of herroeping, zelfs bij een onbevoegd rechter, is ingesteld.
4° de evenredige rechten geheven op een door een rechtspersoon gestelde rechtshandeling die door de hogere overheid nietig verklaard werd.
5° de bij toepassing van de artikelen 115, 115bis, 116 en 120 aan het tarief van 0,5 % geheven rechten naar aanleiding van een vermeerdering van het statutair kapitaal, met nieuwe inbreng, door een vennootschap bedoeld in artikel 201, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, mits die vermeerdering van het statutair kapitaal is geschied binnen het jaar vóór de datum van de toelating tot de notering op een Belgische effectenbeurs van aandelen of met aandelen gelijk te stellen waardepapieren van de vennootschap.
6° de geheven evenredige rechten indien op de verrichting van overdracht onder bezwarende titel van een onroerend goed of van de vestiging, overdracht en wederoverdracht van een zakelijk recht op een onroerend goed, de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar wordt ingevolge de toepassing van artikel 1, § 10, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
De teruggaaf geschiedt desvoorkomend onder aftrekking van het algemeen vast recht.
Bijlage 3
Uittreksel uit de programmawet van 23 december 2009 (B.S., 30/12/2009)
HOOFDSTUK 2. - Belasting over de toegevoegde waarde met betrekking
tot de levering van gebouwen en het bijhorend terrein
Art. 142. In artikel 1 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, wordt paragraaf 9, ingevoegd bij de programmawet van 2 augustus 2002, vervangen als volgt:
« § 9. Voor de toepassing van dit Wetboek dient te worden verstaan:
1° onder gebouw of een gedeelte van een gebouw, ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden;
2° onder bijhorend terrein, het terrein waarvoor de toelating werd verkregen om er op te bouwen en dat door éénzelfde persoon wordt overgedragen tegelijk met het gebouw waartoe het behoort. ».
Art. 143. Artikel 8 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de programmawet van 2 augustus 2002, wordt vervangen als volgt:
« Art. 8. § 1. Eenieder die, anders dan in de uitoefening van een economische activiteit, een goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, heeft opgericht, heeft laten oprichten of heeft verkregen met voldoening van de belasting, en het uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van dat goed, onder bezwarende titel vervreemdt, heeft ten aanzien van de vervreemding van dit goed en het bijhorende terrein de hoedanigheid van belastingplichtige, wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling de vervreemding te doen met voldoening van de belasting.
§ 2. Eenieder die, anders dan in de uitoefening van een economische activiteit, een goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, heeft opgericht, heeft laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen en waarop hij, vóór het verstrijken van de in paragraaf 1 bepaalde termijn, onder bezwarende titel een zakelijk recht vestigt in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, heeft ten aanzien van deze vestiging de hoedanigheid van belastingplichtige wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling de vestiging van dit zakelijk recht te doen met voldoening van de belasting.
Deze persoon heeft eveneens de hoedanigheid van belastingplichtige, wanneer de in het eerste lid beoogde vestiging van het zakelijk recht daarenboven betrekking heeft op het bijhorende terrein.
§ 3. Eenieder die, anders dan in de uitoefening van een economische activiteit, een zakelijk recht in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, dat met voldoening van de belasting te zijnen bate werd gevestigd of aan hem werd overgedragen, binnen de in paragraaf 1 bepaalde termijn, onder bezwarende titel, overdraagt of wederoverdraagt, heeft ten aanzien van de overdracht of wederoverdracht van dit zakelijk recht op een goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, de hoedanigheid van belastingplichtige, wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling het zakelijk recht met voldoening van de belasting over te dragen of weder over te dragen.
Deze persoon heeft eveneens de hoedanigheid van belastingplichtige, wanneer de in het eerste lid beoogde overdracht of wederoverdracht van het zakelijk recht daarenboven betrekking heeft op het bijhorende terrein. ».
Art. 144. In artikel 12 van hetzelfde Wetboek wordt paragraaf 2, vervangen bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de programmawet van 2 augustus 2002, vervangen als volgt:
« § 2. De belastingplichtige die geregeld goederen bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, die hij heeft opgericht of laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van hun eerste ingebruikneming of hun eerste inbezitneming, onder bezwarende titel vervreemdt, wordt geacht het goed dat bij het verstrijken van de bovengenoemde termijn niet is vervreemd voor eigen behoeften te onttrekken, wanneer dit goed op dat tijdstip nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de ingebruikneming bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°. Deze belastingplichtige wordt eveneens geacht voor eigen behoeften het bijhorende terrein te onttrekken, als hiervoor een recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan. De onttrekking die hij op dat tijdstip geacht wordt te verrichten wordt met een levering onder bezwarende titel gelijkgesteld.
De belastingplichtige die geregeld onder bezwarende titel zakelijke rechten in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, vestigt op goederen bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, die hij heeft opgericht of laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen, uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van hun eerste ingebruikneming of hun eerste inbezitneming, wordt geacht het goed dat bij het verstrijken van de bovengenoemde termijn niet is vervreemd voor eigen behoeften te onttrekken, wanneer dit goed op dat tijdstip nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de ingebruikneming bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°. Deze belastingplichtige wordt eveneens geacht voor eigen behoeften het bijhorende terrein te onttrekken, als hiervoor een recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan. De onttrekking die hij op dat tijdstip geacht wordt te verrichten wordt met een levering onder bezwarende titel gelijkgesteld.
De in het eerste en het tweede lid bedoelde belastingplichtige in wiens voordeel een zakelijk recht in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, met voldoening van de belasting werd gevestigd of aan wie een dergelijk recht met voldoening van de belasting werd overgedragen, wordt geacht dat recht dat bij het verstrijken van de in het tweede lid gestelde termijn niet is overgedragen of wederovergedragen voor eigen behoeften te onttrekken, wanneer het in artikel 1, § 9, 1°, beoogde goed waarop het zakelijk recht betrekking heeft op dat tijdstip nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de ingebruikneming bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°. Deze belastingplichtige wordt eveneens geacht voor eigen behoeften het zakelijk recht op het bijhorende terrein te onttrekken, als hiervoor een recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan. De onttrekking die hij op dat tijdstip geacht wordt te verrichten wordt met een levering onder bezwarende titel gelijkgesteld. ».
Art. 145. In artikel 16, § 1, derde lid, van hetzelfde Wetboek, wordt de bepaling onder 2°, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, vervangen als volgt:
« 2°ter zake van de vervreemding van goederen bedoeld in artikel 1, § 9, alsook van de vestiging, overdracht of wederoverdracht van de zakelijke rechten in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, op zulke goederen, uiterlijk bij het verstrijken van de in artikel 44, § 3, 1°, bepaalde termijn. ».
Art. 146. Artikel 30 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 december 1992, wordt vervangen als volgt:
« Art. 30. Wanneer een belastingplichtige voor een niet gesplitste prijs een gebouw of een gedeelte van een gebouw en het bijhorende terrein met voldoening van de belasting vervreemdt samen met een andere grond dan het bijhorende terrein, wordt de belasting berekend over de bedongen prijs en lasten, onder aftrek van de verkoopwaarde van de andere grond dan het bijhorende terrein, geraamd op het tijdstip van de vervreemding, doch met inachtneming van de staat van deze grond vóór de aanvang van het werk. ».
Art. 147. In artikel 36, § 1, van hetzelfde Wetboek, wordt de bepaling onder a), vervangen bij de wet van 28 december 1992, vervangen als volgt:
« a) de met voldoening van de belasting vervreemde goederen bedoeld in artikel 1, § 9; ».
Art. 148. In artikel 44, § 3, van hetzelfde Wetboek, wordt de bepaling onder 1°, vervangen bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de programmawet van 2 augustus 2002, vervangen als volgt:
« 1° de volgende handelingen:
a) de levering van uit hun aard onroerende goederen.
Worden evenwel uitgesloten de levering van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein bedoeld in artikel 1, § 9, wanneer hun vervreemding wordt verricht uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de goederen bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, door:
- hetzij een in artikel 12, § 2, beoogde belastingplichtige die voornoemde goederen bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, heeft opgericht of heeft laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen;
- hetzij een in artikel 8, § 1, beoogde belastingplichtige;
- hetzij elke andere belastingplichtige, wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling een dergelijke vervreemding te verrichten met voldoening van de belasting;
b) de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten, in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, op uit hun aard onroerende goederen.
Worden evenwel uitgesloten de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van dergelijke zakelijke rechten op gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein bedoeld in artikel 1, § 9, wanneer zij worden verricht uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van voornoemde goederen bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, door:
- hetzij een in artikel 12, § 2, beoogde belastingplichtige die binnen de voornoemde termijn één van de bedoelde zakelijke rechten vestigt op een goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, dat hij heeft opgericht, heeft laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen of die binnen dezelfde termijn, een dergelijk zakelijk recht dat te zijnen bate werd gevestigd of aan hem werd overgedragen met voldoening van de belasting, overdraagt of wederoverdraagt;
- hetzij een in artikel 8, §§ 2 of 3, beoogde belastingplichtige;
- hetzij elke andere belastingplichtige, wanneer hij op een door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling om dergelijk zakelijk recht te vestigen, over te dragen of weder over te dragen met voldoening van de belasting.
De datum van het contract kan alleen worden aangetoond door bewijsmiddelen die tegen derden kunnen worden ingeroepen; ».
Art. 149. De artikelen 142 tot 148 treden in werking op 1 januari 2011.
De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, een datum van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan de datum vermeld in het eerste lid.
Interne ref.: AFZ: Dossier nr. 407 / Kad., reg. en domeinen: E.E./L. 205v
