Circulaire AKRED nr. 7/2002 d.d. 22.03.2002 (Circ. AFZ nr. 9/2002)

Wetboek der successierechten - Wijziging van de plaats van indiening van de aangifte - In te voegen nieuwe vermelding

Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten - In de schenkingsakten in te voegen nieuwe vermelding

Wet van 7 maart 2002 tot wijziging van het Wetboek der successierechten en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten ingevolgde de nieuwe lokalisatiecriteria voor de gewestelijke belastingen zoals bepaald bij de bijzondere wet van 13 juli 2001 tot herfinanciering van de Gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de Gewesten

MINISTERIE VAN FINANCIËN

Brussel, 22 maart 2002

Administratie van Fiscale Zaken

4de dienst - 3de directie

AFZ/2001-1153 - Dos. 271

Administratie van Kadaster, Registratie en Domeinen

Sector Registratie en Domeinen

Ref. Centr. Adm. AKED – Directie I/3 A en B: EE/L. 105 – Directie V/3: E.P. 2.520

In het Belgisch Staatsblad van 19 maart 2002 werd de wet van 7 maart 2002 tot wijziging van het Wetboek der successierechten en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten ingevolge de nieuwe localisatiecriteria voor de gewestelijke belastingen zoals bepaald bij de bijzondere wet van 13 juli 2001 tot herfinanciering van de Gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de Gewesten, bekendgemaakt.

De artikelen 2 tot 5 van deze wet wijzigen het Wetboek der successierechten als volgt:

- wijzigen van de plaats van indiening van de aangifte van nalatenschap (art. 38, W.Succ.);

- toelaten tot keuze van woonplaats op welk adres dan ook in België (art. 42, V, W.Succ.);

- invoeren van de verplichting om in de aangifte van nalatenschap de achtereenvolgende fiscale woonplaatsen die de erflater had in de vijf jaar voorafgaand aan zijn overlijden te vermelden (art. 42, X, nieuw, W.Succ.), en van de eraan verbonden sanctie (art. 128, 4°, W.Succ.);

- opheffen van artikel 39 W.Succ. betreffende het kantoor van aangifte van nalatenschap in geval van beurtelingse verblijfplaats in twee verschillende gemeenten.

Artikel 6 van dezelfde wet voegt in het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten een nieuw artikel 170bis in, dat een nieuwe verplichte vermelding in de schenkingsakten en de er aan verbonden sancties, invoert.

Deze wet heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2002. Ze zal dus van toepassing zijn op de nalatenschappen die vanaf die datum openvallen en op de schenkingsakten die vanaf die datum worden verleden.

Bij deze circulaire wordt een eerste commentaar verstrekt bij de nieuwe bepalingen. Bijlage 1 bevat de tekst van de wet van 7 maart 2002. Bijlagen 2 en 3 bevatten respectievelijk de gecoördineerde tekst van de gewijzigde bepalingen van het Wetboek der successierechten en de tekst van het nieuwe artikel 170bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek en griffierechten. Bijlage 4 bevat, ter informatie, de gecoördineerde tekst van de artikelen 1 tot 11 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten.

I. Commentaar bij de aan het Wetboek der successierechten aangebrachte wijzigingen

A. Reden van de wijzigingen

Artikel 7, 2°, van de bijzondere wet van 13 juli 2001 tot herfinanciering van de Gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de Gewesten (B.S. van 3 augustus 2001) heeft de lokalisatiecriteria van het recht van successie en van het recht van overgang bij overlijden, bepaald bij artikel 5, § 2, 4°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiën van de Gemeenschappen en de Gewesten (B.S. van 17 januari l989, 2de editie), als volgt gewijzigd:

Oude lokalisatiecriteria

Nieuwe lokalisatiecriteria

1. De rechten van successie worden geacht gelokaliseerd te zijn: op de plaats waar de nalatenschap openvalt.

1. De rechten van successie van rijksinwoners worden geacht als volgt te zijn gelokaliseerd: op de plaats waar de overledene, op het ogenblik van zijn overlijden, zijn fiscale woonplaats had. Als de fiscale woonplaats van de overledene tijdens de periode van vijf jaar voor zijn overlijden op meer dan één plaats in België gelegen was: op de plaats in België waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode het langst gevestigd was.

2. Het recht van overgang bij overlijden wordt geacht gelokaliseerd te zijn: in het Gewest waar de goederen gelegen zijn; indien zij gelegen zijn in meerdere Gewesten, in het Gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste kadastraal inkomen gelegen is.

2. Het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners wordt geacht gelokaliseerd te zijn: in het gewest waar de goederen gelegen zijn; indien zij gelegen zijn in meerdere gewesten, in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is.

Welnu, om de plaats waar de aangifte van nalatenschap moet worden ingediend vast te stellen, gebruikt artikel 38 van het Wetboek der successierechten normaal dezelfde criteria als de lokalisatiecriteria van het recht van successie. Aldus is het voor het indienen van de aangifte van nalatenschap bevoegde kantoor steeds een kantoor binnen het Gewest waaraan de rechten moeten worden toegewezen, en een kantoor dat vertrouwd is met de regelgeving van dat Gewest. Het spreekt voor zich dat de invordering van het recht van successie moet gebeuren overeenkomstig de regels van het Gewest waaraan de opbrengst toekomt.

In het kader van het optimale beheer van de belasting, en om evidente praktische redenen, ondermeer vermijden dat elk kantoor de drie Gewestelijke regelgevingen moet kunnen toepassen, was het dus onontbeerlijk de plaats waar de aangifte van nalatenschap moet worden ingediend, in overeenstemming te brengen met de nieuwe lokalisatiecriteria.

B. Commentaar bij de nieuwe bepalingen

1. Wijziging van de plaats van indienen van de aangifte van nalatenschap

1. 1. Plaats van indienen van de aangifte van nalatenschap van een rijksinwoner (artikel 38, 1°, eerste lid, W.Succ. - artikel 2, a), van de wet)

De aanpassing van de plaats van indienen van de aangifte van nalatenschap van een rijksinwoner heeft tot gevolg dat voortaan de indiening moet gebeuren door de erfgenamen, legatarissen of begiftigden, op het kantoor van de laatste "fiscale" woonplaats van de overledene (nieuw lokalisatiecriterium van het recht van successie), en niet meer op het kantoor van de laatste "wettelijke" woonplaats (oud lokalisatiecriterium van het recht van successie). Van deze principiële regel wordt afgeweken wanneer de overledene in de laatste vijf jaar voor zijn overlijden zijn fiscale woonplaats langer in een ander Gewest heeft gehad dan dit waar zijn laatste fiscale woonplaats was. In dit geval moet de aangifte ingediend worden op het kantoor van de laatste fiscale woonplaats in het Gewest waar hij tijdens de voonnelde periode van vijf jaar het langst zijn fiscale woonplaats had.

Concreet betekent dit:

1° dat de wettelijke woonplaats niet meer bepalend. is, wel de fiscale woonplaats

Onder fiscale woonplaats wordt verstaan de plaats waar de overledene zijn werkelijke, effectieve, voortdurende woonplaats bezit en er zijn familie, het centrum van zijn bedrijvigheid en de zetel van zijn zaken of van zijn bezigheden heeft gevestigd [Besl. 8 februari 1958, nr. EE/74.313, Rép. R.J., S 1/02-01]. De fiscale woonplaats komt niet noodzakelijk overeen met de wettelijke woonplaats (artikel 102 e.v. van het Burgerlijk Wetboek) die, in principe, deze is waarvan een persoon uitdrukkelijk bij de gemeente zijn voornemen heeft verklaard om aldaar zijn hoofdverblijfplaats te vestigen [Voor het begrip hoofdverblijf: zie de circulaire nr. 3-4 van 17 januari 2002].

Voorbeeld:

De erflater had twee appartementen: één te Oostende en één te Brussel.

Hij heeft uitdrukkelijk bij de gemeente Oostende zijn voornemen verklaard om aldaar zijn hoofdverblijfplaats te vestigen. Hij verbleef er evenwel slechts tijdens bepaalde perioden (vakanties, weekend). In werkelijkheid leefde hij wezenlijk en op voortdurende wijze met zijn familie in Brussel, waar hij zijn bezigheden had.

Zijn wettelijke woonplaats was gevestigd te Oostende en zijn fiscale woonplaats was gevestigd te Brussel.

2° dat voor de bepaling van het kantoor waar de aangifte van nalatenschap moet worden ingediend:

a) eerst de achtereenvolgende fiscale woonplaatsen (adres en duur van de vestiging voor elk ervan) die de overledene had in de periode van vijf jaar voorafgaand aan zijn overlijden, opzoeken;

b) vervolgens bepalen in welk Gewest de overledene het langst zijn fiscale woonplaats gedurende die periode van vijfjaar had.

1ste hypothese

De overledene heeft altijd zijn fiscale woonplaats gehad in hetzelfde Gewest (waar in dat Gewest heeft geen belang).

In dit geval moet de aangifte van nalatenschap ingediend worden op het kantoor in welks ambtsgebied de overledene zijn laatste fiscale woonplaats in dat Gewest heeft gehad; deze laatste fiscale woonplaats is noodzakelijkerwijs dewelke de overledene had op het ogenblik van zijn overlijden.

2de hypothese

De overledene heeft niet altijd zijn fiscale woonplaats gehad in hetzelfde Gewest.

In dit geval moeten, per Gewest, de respectieve perioden van de achtereenvolgende verschillende fiscale woonplaatsen die de overledene er had gevestigd gedurende die periode van vijf jaar, worden opgeteld.

De aangifte van nalatenschap moet dan worden ingediend in het Gewest waar, gedurende de voormelde periode van vijf jaar, hij het langst zijn fiscale woonplaats heeft gehad, en, in dit Gewest, op het kantoor in welks ambtsgebied hij zijn laatste fiscale woonplaats had.

Voorbeelden:

Laatste fiscale woonplaats (op het ogenblik van overlijden) in Vlaanderen.

In de vijf jaar voor zijn overlijden, had de overledene zijn fiscale woonplaats: eerst 2 jaar in Wallonië, te Namen, daarna 1 jaar in Brussel, vervolgens opnieuw 1 jaar in Wallonië, doch te Gembloux, tenslotte 1 jaar in Vlaanderen, te Antwerpen.

Het Gewest waar hij gedurende de periode van vijf jaar voor zijn overlijden het langst zijn fiscale woonplaats heeft gehad is Wallonië: 2 jaar + 1 jaar = 3 jaar.

Bijgevolg moet de aangifte van nalatenschap ingediend worden op het kantoor in welks ambtsgebied de overledene zijn laatste fiscale woonplaats in dat Gewest heeft gehad (Wallonië), met andere woorden op het kantoor te Gembloux.

3de hypothese: bijzonder geval

De uitkomst van de optelling van de respectieve perioden van de achtereenvolgende fiscale woonplaatsen die de overledene had in de verschillende Gewesten, geeft een gelijke duur voor twee Gewesten.

In dit geval is het, voor de twee betrokken Gewesten, deze waar hij voor het laatst fiscaal gevestigd was die in aanmerking moet worden genomen. Het is bijgevolg op het kantoor in welks ambtsgebied de overledene zijn laatste fiscale woonplaats in dat Gewest heeft gehad, waar de aangifte van nalatenschap moet worden ingediend.

Voorbeeld:

De overledene had eerst zijn fiscale woonplaats 1 jaar gevestigd in Brussel, te Elsene, dan 2 jaar in Vlaanderen, vervolgens opnieuw 1 jaar in Brussel, nu te Sint-Gillis, en tenslotte 1 jaar in Wallonië.

Totale duur van fiscale woonplaats in Brussel: 2 jaar

Totale duur van fiscale woonplaats in Vlaanderen: 2 jaar

Totale duur van fiscale woonplaats in Wallonië: 1 jaar

Voor Vlaanderen en Brussel (gelijke duur van fiscale woonplaats), is het Brussel waar hij fiscaal het laatst gevestigd was.

Bijgevolg moet de aangifte van nalatenschap ingediend worden bij het Brusselse Gewest, op het kantoor in welks ambtsgebied hij zijn laatste fiscale woonplaats heeft gehad, met andere woorden op het kantoor te Sint-Gillis.

1. 2. Plaats van indienen van de aangifte van nalatenschap van een niet rijksinwoner (artikel 38, 2°, tweede lid, W.Succ. - artikel 2, b), van de wet)

De door de wet aangebrachte wijziging betreffende de plaats van indiening van de aangifte van een niet-rijksinwoner bestaat uit de verduidelijking dat indien het onroerende goederen betreft die verkregen worden door dezelfde erfgenaam, legataris of begiftigde, en die gelegen zijn in het ambtsgebied van verscheidene kantoren, het in aanmerking te nemen kadastraal inkomen het federaal kadastraal inkomen is.

In dit geval moet de aangifte van nalatenschap ingediend worden op het kantoor in welks ambtsgebied het deel van de goederen gelegen is met het hoogste federaal kadastraal inkomen. De toevoeging van het woord "federaal" is nodig vermits dat woord ook is toegevoegd aan de Iokalisatieregel van het recht van overgang bij overlijden in de herziene bijzondere financieringswet.

In het kader van deze wet kunnen de Gewesten namelijk een eigen kadastraal inkomen (K.I.) invoeren, bijvoorbeeld als heffingsgrondslag voor de onroerende voorheffing. Dit laatste K.I., dat dus van Gewest tot Gewest verschillend kan zijn, kan niet gebruikt worden voor de lokalisatie van het recht van overgang door overlijden en de bepaling van het bevoegde kantoor.

1. 3. Plaats van indienen van de aangifte van nalatenschap van een afwezige (artikel 38, 3°, W.Succ. - artikel 2, c), van de wet).

Voor de bepaling van de plaats van indienen van de aangifte van nalatenschap van een afwezige zijn dezelfde regels als deze die hiervoor werden uitgezet sub 1. 1. en 1. 2. van toepassing. Onder verschillende fiscale woonplaatsen die in aanmerking moeten worden genomen om het kantoor te bepalen waar de aangifte van nalatenschap van een afwezige rijksinwoner moet worden ingediend, worden deze verstaan die de afwezige heeft gehad in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop men zijn laatste tijding heeft ontvangen.

2. In de aangifte van nalatenschap op te nemen vermeldingen (artike 42 W.Succ. - artikel 4 van de wet).

2.1. Wijziging van de vermelding betreffende de woonstkeuze (artikel 42, V, W.Succ. - artikel 4, 1°, van de wet)

De ingevoerde wijziging heft niet de verplichting op om in de aangifte woonstkeuze te doen. Het is alleen niet meer verplicht dat ze wordt gedaan op een adres binnen het ambtsgebied van het bevoegde kantoor.

Voortaan mag ze gedaan worden op welk adres dan ook in België.

2.2. Invoeren van een nieuwe verplichting om melding te maken van de achtereenvolgende fiscale woonplaatsen van de overledene of van de afwezige in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het overlijden of voorafgaand aan het tijdstip waarop de laatste tijding van de afwezig werd ontvangen (artikel 42, X, nieuw, W.Succ. - artikel 4, 3°, van de wet).

Wanneer het recht van successie verschuldigd is moeten de personen die gehouden zijn tot het indienen van de aangifte van nalatenschap uitdrukkelijk melding maken van het adres, de datum van de vestiging en de duur van de vestiging van de verschillende fiscale woonplaatsen die de overledene of de afwezige heeft gehad in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het overlijden of aan het tijdstip waarop de laatste tijding van de afwezige werd ontvangen.

Deze maatregel werd ingevoerd om de administratie toe te laten de achtereenvolgende fiscale woonplaatsen van de overledene of van de afwezige te kennen en te controleren, dit ten einde te kunnen nagaan of het kantoor waar de aangifte van nalatenschap werd neergelegd wel degelijk het bevoegde kantoor is binnen het Gewest waaraan de rechten moeten worden toegekend.

Sanctie (artikel 128, 4°, W.Succ. - artikel 6 van de wet)

Om de aangevers er toe aan te zetten deze verplichting tot vermelding op correcte wijze na te leven, heeft de wet bepaald dat bij verzuim van vermelding, onjuiste of onvolledige vermelding, de aangevers een boete gelijk aan het tweevoud van het ontdoken recht oplopen.

3. Opheffen van artikel 39 W.Succ. (artikel 3 van de wet).

Artikel 39 bepaalt dat wanneer een rijksinwoner tot zijn overlijden afwisselend in twee of meer gemeenten verbleef, de aangifte van nalatenschap moet worden ingediend op het kantoor van de meest bevolkte gemeente. Vermits de plaats waar de aangifte van nalatenschap van een rijksinwoner moet ingediend worden voortaan bepaald wordt door de fiscale woonplaats van de overledene, verliest deze bepaling alle nut: de fiscale woonplaats is immers per definitie enig. Dit artikel werd bijgevolg opgeheven.

II. Commentaar bil de nieuwe verplichting tot vermelding die we ingevoerd in het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten betreffende de schenkingsakten (artikel 170bis nieuw W.Reg. - artikel 7 van de wet)

Het nieuwe artikel 170bis W.Reg. legt een nieuwe verplichting tot vermelding in de schenkingsakte op. Deze nieuwe vermelding is mutatis mutandis dezelfde als deze die gedaan moet worden in de aangifte van nalatenschap van een rijksinwoner. Zij volgt uit het feit dat het lokalisatiecriterium van het schenkingsrecht voor de schenkingen onder de levenden door een rijksinwoner, bepaald bij artikel 5, § 2, 8°, van voormelde bijzondere wet van 16 januari 1989 (ingevoegd bij artikel 7, 5°, van de bijzondere wet van 13 juli 2001), gelijkaardig is aan dat wat werd bepaald voor het recht van successie (sensu stricto). De lokalisatiecriteria voor het schenkingsrecht zijn in feite:

- voor het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen door een rijksinwoner: de plaats waar de schenker, op het ogenblik van de schenking, zijn fiscale woonplaats had. Indien de fiscale woonplaats van de schenker tijdens de periode van vijfjaar voor de schenking op meer dan één plaats in België gelegen was: op de plaats in België waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode het langst gevestigd was;

- voor het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van in België gelegen onroerende goederen door een niet-rijksinwoner: op de plaats waar het onroerend goed gelegen is.

Hieruit volgt dat de verschuldigde rechten op de schenkingen onder de levenden door een rijksinwoner in principe worden toegewezen aan het Gewest waar de schenker zijn fiscale woonplaats had op het tijdstip van de schenking, behalve, eventueel, indien de schenker zijn fiscale woonplaats in verschillende Gewesten had tijdens de periode van vijf jaar voor de schenking. In dit geval worden de rechten toegewezen aan het Gewest waar de schenker zijn fiscale woonplaats gedurende de voormelde periode het langst heeft gehad.

De administratie die belast is met de verdeling van de schenkingsrechten onder de verschillende Gewesten moet dus het rechthebbende Gewest bepalen, op dezelfde wijze als hiervoor werd uiteengezet sub I. B. 1 - 1 voor de plaats van indienen van de aangifte van nalatenschap van een rijksinwoner. De administratie moet bijgevolg ook de achtereenvolgende fiscale woonplaatsen die de schenker tijdens de periode van vijf jaar voor de schenking heeft gehad, kennen en kunnen controleren. Hieruit volgt dan ook de door artikel 170bis nieuw W.Reg. bepaalde verplichting om deze achtereenvolgende fiscale woonplaatsen expliciet te vermelden.

De aandacht wordt gevestigd op het feit:

1° dat de verplichting tot het vermelden van de achtereenvolgende fiscale woonplaatsen enkel geldt voor door een rijksinwoner gedane schenkingen; de rechten op een schenking van een in België gelegen onroerend goed gedaan door een niet-rijksinwoner worden immers geacht gelokaliseerd te zijn op de plaats waar het onroerend goed gelegen is;

2° dat het voor de registratie van de schenkingsakte bevoegde kantoor niet wordt gewijzigd; het blijft het kantoor in welks ambtsgebied de standplaats van de instrumenterende notaris gevestigd is;

3° dat het de notaris is die de schenker moet vragen om de verklaring af te leggen betreffende de achtereenvolgende fiscale woonplaatsen van de schenker in de periode van vijf jaar voor het overlijden, dit onder verbeurte van een boete van 25 EUR;

4° dat het de schenker is die de verklaring moet afleggen en dat indien hij weigert of een onjuiste of onvolledige verklaring aflegt, hij persoonlijk een boete verbeurt ten bedrage van twee maal de aanvullende rechten.

III. Inwerkingtreding (artikel 7 van de wet)

De wet heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2002. Dit betekent dat ze van toepassing is op de vanaf die datum opengevallen nalatenschappen, en op de schenkingsakten die vanaf die datum werden verleden.

Niettegenstaande het retroactieve karakter van de wet heeft de administratie evenwel beslist om, rekening houdend met de laattijdige bekendmaking van de wet en daar uit volgend de onmogelijkheid voor de belastingplichtigen om de nieuwe bepalingen te kennen en zich er naar te gedragen vanaf 1 januari 2002, de voorziene boete niet in te vorderen in geval van afwezigheid van vermelding of in geval van onjuiste of onvolledige vermelding van de achtereenvolgende fiscale woonplaatsen:

- van de schenker, voor de schenkingsakten die werden verleden vanaf 1 januari 2002 en die ter registratie werden neergelegd voor de datum van de bekendmaking van de wet;

- van de overledene, voor de nalatenschappen die vanaf 1 januari 2002 zijn opengevallen en waarvoor een aangifte van nalatenschap al werd ingediend voor de datum van de bekendmaking van de wet.

Deze inlichtingen zullen, indien nodig, langs minnelijke weg aan de belastingplichtigen worden gevraagd.

Namens de Minister:

De adjunct-administrateur-generaal van de belastingen,

J.-M.DELPORTE

----------

BIJLAGE 1

Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 19 maart 2002

7 maart 2002 - Wet tot wijziging van het Wetboek der successierechten en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten ingevolge de nieuwe lokalisatiecriteria voor de gewestelijke belastingen zoals bepaald bij de bijzondere wet van 13 juli 2001 tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten

ALBERT II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij:

Onze Minister van Financiën is ermee belast het ontwerp van de wet, waarvan de tekst hierna volgt, in Onze naam aan de Wetgevende Kamers voor te leggen en bij de Kamer van volksvertegenwoordigers in te dienen:

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2. In artikel 38 van het Wetboek der successierechten worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a) in 1° wordt het eerste lid vervangen als volgt:

"bij overlijden van een Rijksinwoner: door de erfgenamen, de algemene legatarissen en begiftigden, met uitsluiting van alle andere legatarissen of begiftigden, ten kantore van de successierechten binnen welk gebied de overledene zijn laatste fiscale woonplaats had. Als de fiscale woonplaats van de overledene tijdens de periode van vijf jaar voor zijn overlijden in meer dan één gewest gevestigd was, moet de aangifte worden ingediend ten kantore van de successierechten van de laatste fiscale woonplaats binnen het gewest waarin de fiscale woonplaats van de overledene tijdens de vermelde periode het langst gevestigd was.";

b) in 2°, tweede lid, worden de woorden "dat de hoogste kadastrale opbrengst vertoont" vervangen door de woorden "met het hoogste federaal kadastraal inkomen";

c) de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt:

"3° bij afwezigheid: door de personen die krachtens het 1° en het 2° van dit artikel tot aangifte verplicht zijn, ten kantore van de laatste fiscale woonplaats van de afwezige binnen het Rijk als bedoeld in 1°, wat het recht van successie betreft, en ten kantore van de plaats waar de goederen gelegen zijn, zoals onder 2° is aangeduid, wat het recht van overgang bij overlijden betreft;".

Art. 3. Artikel 39 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.

Art. 4. In artikel 42 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 9 van 3 juli 1939, de wet van 14 augustus 1947, het koninklijk besluit nr. 12 van 18 april 1967 en de wet van 22 december 1989, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° in V worden de woorden "binnen het ambtsgebied van het kantoor waar de aangifte moet ingeleverd worden" vervangen door de woorden "in België";

2° in IX wordt het woord, "bovendien, " geschrapt;

3° het artikel wordt aangevuld als volgt:

"X. Ingeval het recht van successie verschuldigd is, bevat de aangifte bovendien de uitdrukkelijke vermelding van het adres en de datum en duur van de vestiging van de verschillende fiscale woonplaatsen die de overledene of de afwezige gehad heeft in de periode van vijf jaar voorafgaand aan zijn overlijden of aan het tijdstip waarop de laatste tijding van de afwezige werd ontvangen.".

Art. 5. In artikel 128, 4°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 juli 1993, worden de woorden "artikel 42, VIIIbis, vermelde verklaring te doen of die een onjuiste of onvolledige aangifte doet" vervangen door de woorden "artikel 42, VIIIbis en X bedoelde vermeldingen in de aangifte op te nemen of die dienaangaande een onjuiste of onvolledige vermelding maakt ".

Art. 6. In het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten wordt een artikel 170bis ingevoegd, luidende:

"Art. 170bis. In geval van een schenking moet de notaris in de akte een verklaring van de schenker opnemen die vermelding inhoudt van het adres en de datum en duur van de vestiging van de verschillende fiscale woonplaatsen die de schenker gehad heeft in de periode van vijf jaar voorafgaand van de datum van de schenking.

In geval van weigering de verklaring te doen of bij onjuiste of onvolledige verklaring verbeurt de schenker een boete ten bijdrage van tweemaal de aanvullende rechten.

De notaris die nagelaten heeft de schenker te vragen de verklaring te doen, verbeurt een boete van 25 EUR.".

Art. 7. Deze wet heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2002.

Gegeven te Brussel, 7 maart 2002.

Van Koningswege:

De Minister van Financiën,

Didier REYNDERS

BIJLAGE 2

Gecoördineerde teksten van de in het Wetboek der successierechten gewijzigde bepalingen

OUDE TEKSTEN

NIEUWE TEKSTEN

Art. 38

Art. 38

De aangifte van successie dient ingeleverd:

De aangifte van successie dient ingeleverd:

1° in geval van overlijden van een Rijksinwoner: door de erfgenamen, de algemene legatarissen en begiftigden, met uitsluiting van alle andere legatarissen of begiftigden, ten kantore der successierechten in het gebied waarvan de overledene zijn laatste domicilie had.

bij overlijden van een Rijksinwoner: door de erfgenamen, de algemene legatarissen en begiftigden, met uitsluiting van alle andere legatarissen of begiftigden, ten kantore van de successierechten binnen welk gebied de overledene zijn laatste fiscale woonplaats had. Als de fiscale woonplaats van de overledene tijdens de periode van vijf jaar voor zijn overlijden in meer dan één gewest gevestigd was, moet de aangifte worden ingediend ten kantore van de successierechten van de laatste fiscale woonplaats binnen het gewest waarin de fiscale woonplaats van de overledene tijdens de vermelde periode het langst gevestigd was.

Evenwel, in geval van stilzitten der erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden, zijn de legatarissen en begiftigden ter algemenen of bijzonderen titel ertoe gehouden, op aanzoek van de ontvanger bij aangetekende brief, de aangifte in te leveren voor datgene wat hen betreft, en zulks uiterlijk binnen de maand na de afgifte van het stuk ter post.

Evenwel, in geval van stilzitten der erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden, zijn de legatarissen en begiftigden ter algemenen of bijzonderen titel ertoe gehouden, op aanzoek van de ontvanger bij aangetekende brief, de aangifte in te leveren voor datgene wat hen betreft, en zulks uiterlijk binnen de maand na de afgifte van het stuk ter post.

In geval van devolutie van geheel de gemeenschap aan de overlevende echtgenoot, krachtens een niet aan de regelen betreffende de schenkingen onderworpen huwelijksovereenkomst, is de genieter ertoe gehouden het actief en het passief der gemeenschap aan te geven;

In geval van devolutie van geheel de gemeenschap aan de overlevende echtgenoot, krachtens een niet aan de regelen betreffende de schenkingen onderworpen huwelijksovereenkomst, is de genieter ertoe gehouden het actief en het passief der gemeenschap aan te geven;

2° in geval van overlijden van een persoon die geen Rijksinwoner is: door de erfgenamen, legatarissen of begiftigden der in België gelegen onroerende goederen, ten kantore der successierechten in welks gebied deze goederen gelegen zijn.

2° in geval van overlijden van een persoon die geen Rijksinwoner is: door de erfgenamen, legatarissen of begiftigden der in België gelegen onroerende goederen, ten kantore der successierechten in welks gebied deze goederen gelegen zijn.

Zo de door een zelfde erfgenaam, legataris of begiftigde verkregen onroerende goederen gelegen zijn in het ambtsgebied van verscheidene kantoren, is het bevoegd kantoor dit binnen het gebied waarvan zich het deel der goederen bevindt dat de hoogste kadastrale opbrengst vertoont;

Zo de door een zelfde erfgenaam, legataris of begiftigde verkregen onroerende goederen gelegen zijn in het ambtsgebied van verscheidene kantoren, is het bevoegd kantoor dit binnen het gebied waarvan zich het deel der goederen bevindt met het hoogste federaal kadastraal inkomen;

3° in geval van afwezigheid: door de personen die krachtens het 1° en 2° van dit artikel tot aangifte verplicht zijn, ten kantore van de laatste woonplaats van de afwezige in het Rijk, indien het gaat om het successierecht, en ten kantore van de ligging der goederen, zoals in vorenstaand 2° is aangeduid, indien het gaat om het recht van overgang bij overlijden;

bij afwezigheid: door de personen die krachtens het 1° en het 2° van dit artikel tot aangifte verplicht zijn, ten kantore van de laatste fiscale woonplaats van de afwezige binnen het Rijk als bedoeld in 1°, wat het recht van successie betreft, en ten kantore van de plaats waar de goederen gelegen zijn, zoals onder 2° is aangeduid, wat het recht van overgang bij overlijden betreft;

4° in het geval voorzien in artikel 37, 1°: door de ingestelde rechtspersoon, ten kantore waar de belasting nog te betalen blijft;

4° in het geval voorzien in artikel 37, 1°: door de ingestelde rechtspersoon, ten kantore waar de belasting nog te betalen blijft;

5° in de gevallen bedoeld in artikel 37, 2° tot 4°: door de hiervoren aangewezen personen, tenzij slechts bepaalde erfgenamen, legatarissen of begiftigden uit de gebeurtenis voordeel trekken, in welk geval deze alleen tot aangifte zijn verplicht. De aangifte moet worden ingeleverd ten kantore waar de eerste aangifte werd neergelegd;

5° in de gevallen bedoeld in artikel 37, 2° tot 4°: door de hiervoren aangewezen personen, tenzij slechts bepaalde erfgenamen, legatarissen of begiftigden uit de gebeurtenis voordeel trekken, in welk geval deze alleen tot aangifte zijn verplicht. De aangifte moet worden ingeleverd ten kantore waar de eerste aangifte werd neergelegd;

6° in geval van ophouding van vruchtgebruik, door de erfgenamen blote eigenaars of hun rechtverkrijgenden, ten kantore waar de voor de overdracht van de blote eigendom verschuldigde rechten in schorsing gebleven zijn;

6° in geval van ophouding van vruchtgebruik, door de erfgenamen blote eigenaars of hun rechtverkrijgenden, ten kantore waar de voor de overdracht van de blote eigendom verschuldigde rechten in schorsing gebleven zijn;

7° in geval van fideïcommis: door de verwachter alleen, indien de overdracht geschiedt ten gevolge van het overlijden van de bezwaarde erfgenaam, en door de verwachter en de bezwaarde, wanneer de goederen op de verwachter overgaan tijdens het leven van de bezwaarde, ten kantore waar de nalatenschap van hem die de beschikking gedaan heeft aangegeven werd.

7° in geval van fideïcommis: door de verwachter alleen, indien de overdracht geschiedt ten gevolge van het overlijden van de bezwaarde erfgenaam, en door de verwachter en de bezwaarde, wanneer de goederen op de verwachter overgaan tijdens het leven van de bezwaarde, ten kantore waar de nalatenschap van hem die de beschikking gedaan heeft aangegeven werd.

Art. 39

Art. 39

Elke Rijksinwoner, die op het ogenblik van zijn overlijden beurtelings in twee of meer gemeenten verbleef wordt beschouwd, voor de toepassing van het Wetboek der Successierechten, als hebbende zijn laatste domicilie in de volkrijkste gemeente gehad.

[opgeheven]

Wordt niet als verblijf beschouwd in de zin dezer bepaling, het vertoef gedurende een deel van de zomer in een plaats bezocht voor baden en waterkuur, noch het periodiek vertoef elders in een gehuurd huis of in 't een of 't ander appartement, van een persoon van wie al de overige kenmerkende elementen van het domicilie betrekking hebben tot een gemeente verschillende van die, waar het vertoef plaats heeft.

Art. 42

Art. 42

De aangifte van nalatenschap vermeldt:

De aangifte van nalatenschap vermeldt:

I. Naam, voornamen, beroep, domicilie, plaats en datum van geboorte van de aangever en, desvoorkomend, van de echtgenoot der aangeefster.

I. Naam, voornamen, beroep, domicilie, plaats en datum van geboorte van de aangever en, desvoorkomend, van de echtgenoot der aangeefster.

II. Naam, voornamen, beroep, domicilie, plaats en datum van geboorte van de overleden persoon en, desvoorkomend, van haar echtgenoot plaats en datum van het overlijden van de aflijvige.

II. Naam, voornamen, beroep, domicilie, plaats en datum van geboorte van de overleden persoon en, desvoorkomend, van haar echtgenoot plaats en datum van het overlijden van de aflijvige.

III. Naam, voornamen, beroep, domicilie, plaats en datum van geboorte van de personen die de hoedanigheid hebben van erfgenamen, legatarissen en begiftigden en, in voorkomend geval, van hun echtgenoot; graad van verwantschap tussen de overledene en zijn erfgenamen, legatarissen en begiftigden; wat door elk hunner wordt verkregen; de titel krachtens welke zij tot de nalatenschap komen; naam, voornamen, domicilie, geboorteplaats en -datum van de kinderen beoogd bij artikel 56.

III. Naam, voornamen, beroep, domicilie, plaats en datum van geboorte van de personen die de hoedanigheid hebben van erfgenamen, legatarissen en begiftigden en, in voorkomend geval, van hun echtgenoot; graad van verwantschap tussen de overledene en zijn erfgenamen, legatarissen en begiftigden; wat door elk hunner wordt verkregen; de titel krachtens welke zij tot de nalatenschap komen; naam, voornamen, domicilie, geboorteplaats en -datum van de kinderen beoogd bij artikel 56.

IV. In voorkomend geval, aanduiding van de erfgenamen uitgesloten krachtens uiterste wilsbeschikkingen of contractuele beschikkingen.

IV. In voorkomend geval, aanduiding van de erfgenamen uitgesloten krachtens uiterste wilsbeschikkingen of contractuele beschikkingen.

V. De keuze van een enkele woonplaats binnen het ambtsgebied van het kantoor waar de aangifte moet ingeleverd worden.

V. De keuze van een enkele woonplaats in België.

VI. Nauwkeurige aanduiding en begroting, artikelsgewijze, van al de goederen die het belastbaar actief uitmaken.

VI. Nauwkeurige aanduiding en begroting, artikelsgewijze, van al de goederen die het belastbaar actief uitmaken.

VII. De aanwijzing van sectie en nummer van het kadaster van elkeen der onroerende goederen die onder de nalatenschap horen.

VII. De aanwijzing van sectie en nummer van het kadaster van elkeen der onroerende goederen die onder de nalatenschap horen.

VIII. De aanduiding van elk der schulden die in mindering van het belastbaar actief kunnen toegelaten worden, met opgave van naam, voornamen en domicilie van de schuldeiser, van de oorzaak der schuld en van de datum der akte, zo er een bestaat.

VIII. De aanduiding van elk der schulden die in mindering van het belastbaar actief kunnen toegelaten worden, met opgave van naam, voornamen en domicilie van de schuldeiser, van de oorzaak der schuld en van de datum der akte, zo er een bestaat.

VIIIbis. De aangifte vermeldt of de overledene ten bate van zijn erfgenamen, legatarissen of begiftigden schenkingen onder levenden heeft gedaan die vastgesteld werden door akten, welke dagtekenen van minder dan drie jaar vóór de datum van het overlijden en vóór dezelfde datum tot de formaliteit der registratie aangeboden werden of verplichtend registreerbaar geworden zijn; zo ja, duidt zij de begunstigde persoon aan en geeft de datum der akten of aangiften op alsmede de grondslag waarop het registratierecht werd of dient geheven. Die bepaling is toepasselijk welke ook de datum van de akte weze, indien de schenking gedaan werd onder een schorsende voorwaarde die vervuld werd ingevolge het overlijden van de schenker of minder dan drie jaar vóór dit overlijden.

VIIIbis. De aangifte vermeldt of de overledene ten bate van zijn erfgenamen, legatarissen of begiftigden schenkingen onder levenden heeft gedaan die vastgesteld werden door akten, welke dagtekenen van minder dan drie jaar vóór de datum van het overlijden en vóór dezelfde datum tot de formaliteit der registratie aangeboden werden of verplichtend registreerbaar geworden zijn; zo ja, duidt zij de begunstigde persoon aan en geeft de datum der akten of aangiften op alsmede de grondslag waarop het registratierecht werd of dient geheven. Die bepaling is toepasselijk welke ook de datum van de akte weze, indien de schenking gedaan werd onder een schorsende voorwaarde die vervuld werd ingevolge het overlijden van de schenker of minder dan drie jaar vóór dit overlijden.

IX. De aangifte vermeldt, bovendien, of de overledene het vruchtgebruik van enige goederen gehad heeft ofwel met fideïcommis bezwaarde goederen verkregen heeft en, zo ja, waarin deze goederen bestaan, met aanduiding van de personen die tot het genot van de volle eigendom zijn gekomen ofwel voordeel getrokken hebben uit het fideïcommis ten gevolge van het overlijden van de aflijvige.

IX. De aangifte vermeldt of de overledene het vruchtgebruik van enige goederen gehad heeft ofwel met fideïcommis bezwaarde goederen verkregen heeft en, zo ja, waarin deze goederen bestaan, met aanduiding van de personen die tot het genot van de volle eigendom zijn gekomen ofwel voordeel getrokken hebben uit het fideïcommis ten gevolge van het overlijden van de aflijvige.

X. Ingeval het recht van successie verschuldigd is, bevat de aangifte bovendien de uitdrukkelijke vermelding van het adres en de datum en duur van de vestiging van de verschillende fiscale woonplaatsen die de overledene of de afwezige gehad heeft in de periode van vijf jaar voorafgaand aan zijn overlijden of aan het tijdstip waarop de laatste tijding van de afwezige werd ontvangen.

Art. 128

Art. 128

Een boete gelijk aan het tweevoud van het ontdoken recht wordt verbeurd door de erfgenaam, legataris of begiftigde:

Een boete gelijk aan het tweevoud van het ontdoken recht wordt verbeurd door de erfgenaam, legataris of begiftigde:

1° die ten nadele van de Staat een legaat, een schenking, een graad van verwantschap of de leeftijd van de persoon op wiens hoofd een vruchtgebruik is gevestigd, verzwijgt of onjuist aangeeft;

1° die ten nadele van de Staat een legaat, een schenking, een graad van verwantschap of de leeftijd van de persoon op wiens hoofd een vruchtgebruik is gevestigd, verzwijgt of onjuist aangeeft;

2° die schulden aangeeft die niet ten laste van de nalatenschap komen;

2° die schulden aangeeft die niet ten laste van de nalatenschap komen;

3° die een onjuiste aangifte doet omtrent het aantal kinderen van de rechtsopvolgers van de overledene;

3° die een onjuiste aangifte doet omtrent het aantal kinderen van de rechtsopvolgers van de overledene;

4° die verzuimt de in artikel 42, VIIIbis, vermelde verklaring te doen of die een onjuiste of onvolledige aangifte doet.

4° die verzuimt de in artikel 42, VIIIbis en X bedoelde vermeldingen in de aangifte op te nemen of die dienaangaande een onjuiste of onvolledige vermelding maakt.

BIJLAGE 3

Tekst van artikel 170bis nieuw van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten

Art. 170bis

In geval van een schenking moet de notaris in de akte een verklaring van de schenker opnemen die vermelding inhoudt van het adres en de datum en duur van de vestiging van de verschillende fiscale woonplaatsen die de schenker gehad heeft in de periode van vijf jaar voorafgaand van de datum van de schenking.

In geval van weigering de verklaring te doen of bij onjuiste of onvolledige verklaring verbeurt de schenker een boete ten bijdrage van tweemaal de aanvullende rechten.

De notaris die nagelaten heeft de schenker te vragen de verklaring te doen, verbeurt een boete van 25 EUR.

BIJLAGE 4

16 JANUARI 1989 - Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. (gecoördineerde versie)

TITEL I - ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. § 1. Onverminderd artikel 110, § 2, van de Grondwet, gebeurt de financiering van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap en van de Franse Gemeenschap door:

niet-fiscale ontvangsten;

bis

(opgeheven bij wet van 13 juli 2001, art. 2, 1°);

toegewezen gedeelten van de opbrengst van belastingen en heffingen;

bis

(ingevoegd bij wet van 13 juli 2001, art. 2, 2°, in werking op 01.01.2002) een dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld;

leningen.

§ 2

Onverminderd artikel 110, § 2, van de Grondwet, gebeurt de financiering van de begroting van het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest door:

niet-fiscale ontvangsten;

fiscale ontvangsten, bedoeld in deze wet;

toegewezen gedeelten van de opbrengst van belastingen en heffingen;

een nationale solidariteitstussenkomst;

leningen.

§ 3

De Vlaamse Raad mag alle hem krachtens de bepalingen van deze wet toekomende financiële middelen aanwenden voor de financiering zowel van de begroting voor de aangelegenheden bedoeld in artikel 107quater van de Grondwet, als van de begroting voor de aangelegenheden bedoeld in artikel 59bis van de Grondwet.

(...)

(lid opgeheven bij wet van 16 juli 1993, art. 121, in werking op 03.07.1993)

Art. 1bis. (Ingevoegd bij wet van 13 juli 2001, art. 3, in werking op 01.01.2002). De uitwisseling van informatie in het kader van de uitoefening van de fiscale bevoegdheden van de gewesten bedoeld in deze wet en van de federale overheid wordt geregeld bij een samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

Art. 1ter. (Ingevoegd bij wet van 13 juli 2001, art. 4, in werking op 01.01.2002). De uitoefening van de fiscale bevoegdheden van de gewesten bedoeld in deze wet gebeurt met inachtname van het principe van vermijding van dubbele belasting).

Bij een door het gewest gegrond geacht verzoek houdende vermijding van dubbele belasting treedt dit gewest in overleg met de andere betrokken overheden teneinde de belastingheffing die strijdig is met het in het eerste lid vermelde principe ongedaan te maken.

TITEL II - EIGEN NIET-FISCALE ONTVANGSTEN

Art. 2. De eigen niet-fiscale ontvangsten verbonden aan de uitoefening van de door of krachtens de Grondwet aan de Gemeenschappen en Gewesten toegekende bevoegdheden komen aan de bevoegde overheid toe.

De Gemeenschappen en de Gewesten kunnen schenkingen en legaten ontvangen.

TITEL III - GEWESTELIJKE BELASTINGEN

Art. 3. (vervangen door de wet van 13 juli 2001, art. 5, in werking op 01.01.2002).

Volgende belastingen zijn gewestelijke belastingen:

de belasting op de spelen en weddenschappen;

de belasting op de automatische ontspanningstoestellen;

de openingsbelasting op de slijterijen van gegiste dranken;

het successierecht van rijksinwoners en het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners;

de onroerende voorheffing;

het registratierecht op de overdrachten ten bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voor zover het een inbreng betreft door een natuurlijk persoon van een woning in een Belgische vennootschap;

het registratierecht op:

a)

de vestiging van een hypotheek op een in België gelegen onroerend goed;

b)

de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in België gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder medeëigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen bedoeld in de artikelen 745quater en 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is;

het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen;

het kijk- en luistergeld;

10°

de verkeersbelasting op de autovoertuigen;

11°

de belasting op de inverkeerstelling;

12°

het eurovignet.

Deze belastingen zijn onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 4, 5, 8 en 11.

Art. 4. (vervangen door de wet van 13 juli 2001, art. 6, in werking op 01.01.2002).

§ 1

De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 4° en 6° tot 9° bedoelde belastingen te wijzigen.

§ 2

De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 5°, bedoelde belasting te wijzigen. Het federaal kadastraal inkomen kunnen ze echter niet wijzigen. Het gezamenlijk beheer van de gegevens van de patrimoniale documentatie gebeurt bij wege van een samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 3 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

§ 3

De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 10° en 11°, bedoelde belastingen te wijzigen. Ingeval de belastingplichtige van deze belastingen een vennootschap, zoals bedoeld in de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van vennootschappen, een autonoom overheidsbedrijf of een vereniging zonder winstgevend doel met leasingactiviteiten is, is de uitoefening van deze bevoegdheden afhankelijk van een voorafgaandelijk tussen de drie gewesten te sluiten samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

§ 4

De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 12, bedoelde belasting te wijzigen. Voor voertuigen die in het buitenland zijn ingeschreven, is de uitoefening van deze bevoegdheden afhankelijk van een voorafgaandelijk tussen de drie gewesten te sluiten samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

§ 5

Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de betrokken gewestregeringen, regelt de Koning de toewijzing van de nalatigheidsinteresten, de last van de verwijlinteresten alsook de toewijzing van de forfaitaire en proportionele fiscale boeten op de belastingen bedoeld in artikel 3 zolang de federale overheid de dienst van deze belastingen verzekert.

Art. 5. (vervangen door de wet van 13 juli 2001, art. 7, in werking op 01.01.2002).

§ 1

De in artikel 3 bedoelde belastingen worden aan de gewesten toegewezen in functie van hun lokalisatie.

§ 2

Voor de toepassing van § 1 worden deze belastingen geacht als volgt te zijn gelokaliseerd:

de belasting op de spelen en weddenschappen: op de plaats waar de spelen plaatsvinden en de weddenschappen worden aangegaan;

de belasting op de automatische ontspanningstoestellen: op de plaats waar het toestel opgesteld is;

de openingsbelasting op de slijterijen van gegiste dranken: op de plaats waar het lokaal dienende tot slijting gelegen is;

(vervangen door de wet van 13 juli 2001, art. 7, 2°, in werking op 01.01.2002).

-

het successierecht van rijksinwoners: op de plaats waar de overledene, op het ogenblik van zijn overlijden, zijn fiscale woonplaats had. Als de fiscale woonplaats van de overledene tijdens de periode van vijf jaar voor zijn overlijden op meer dan één plaats in België gelegen was: op de plaats in België waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode het langst gevestigd was;

-

het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners: in het gewest waar de goederen gelegen zijn; indien zij gelegen zijn in meerdere gewesten, in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is;

de onroerende voorheffing: op de plaats waar het onroerend goed gelegen is;

(vervangen door de wet van 13 juli 2001, art. 7, 3°, in werking op 01.01.2002) het registratierecht op de overdrachten ten bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voorzover het een inbreng betreft door een natuurlijk persoon van een woning in een Belgische vennootschap: op de plaats waar het onroerend goed gelegen is.

Als bij een ruil onroerende goederen in meerdere gewesten gelegen zijn: in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is;

(vervangen door de wet van 13 juli 2001, art. 7, 4°, in werking op 01.01.2002).

-

het registratierecht op de vestiging van een hypotheek op een in België gelegen onroerend goed: op de plaats waar het onroerend goed gelegen is. Indien, bij eenzelfde handeling, de onroerende goederen in meerdere gewesten gelegen zijn: in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is;

-

het registratierecht op de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in België gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder medeeigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen bedoeld in de artikelen 745quater en 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is: op de plaats waar het onroerend goed gelegen is;

(ingevoegd bij wet van 13 juli 2001, art. 7, 5°, in werking op 01.01.2002).

-

het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen door een rijksinwoner: op de plaats waar de schenker, op het ogenblik van de schenking, zijn fiscale woonplaats heeft. Als de fiscale woonplaats van de schenker tijdens de periode van vijf jaar voor zijn schenking op meer dan één plaats in België gelegen was: op de plaats in België waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode het langst gevestigd was;

-

het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van in België gelegen onroerende goederen door een niet-rijksinwoner: op de plaats waar het onroerend goed gelegen is;

(ingevoegd bij wet van 13 juli 2001, art. 7, 5°, in werking op 01.01.2002) het kijk- en luistergeld: op de plaats waar het televisietoestel wordt gehouden en, wat de toestellen in autovoertuigen betreft, op de plaats waar de houder van het toestel gevestigd is;

10°

(ingevoegd bij wet van 13 juli 2001, art. 7, 5°, in werking op 01.01.2002) de verkeersbelasting: op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn.

Wanneer de belastingschuldige, natuurlijke persoon of rechtspersoon, in België geen woonplaats of maatschappelijke zetel heeft, wordt de belasting geacht gelokaliseerd te zijn op de plaats van zijn verblijfplaats of voornaamste inrichting in België;

11°

(ingevoegd bij wet van 13 juli 2001, art. 7, 5°, in werking op 01.01.2002) de belasting op de inverkeerstelling: op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn;

12°

(ingevoegd bij wet van 13 juli 2001, art. 7, 5°, in werking op 01.01.2002) het eurovignet: op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn.

Het gedeelte van het eurovignet dat betrekking heeft op voertuigen die voorzien zijn van een inschrijvingskenteken uitgereikt door de autoriteiten van andere landen dan de lidstaten die deelnemen aan het eurovignetsysteem en dat aan België wordt toegekend, en het gedeelte van het eurovignet dat betrekking heeft op voertuigen die voorzien zijn van een inschrijvingskenteken uitgereikt door de autoriteiten van andere lidstaten dan België die deelnemen aan het eurovignetsysteem: worden geacht gelokaliseerd te zijn in elk gewest naar verhouding van zijn aandeel in het belastbaar wegennet zoals bepaald in het koninklijk besluit van 8 september 1997 tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is.

§ 2bis

(opgeheven bij wet van 13 juli 2001, art. 7, 6°, in werking op 01.01.2002)

§ 3

(vervangen door de wet van 13 juli 2001, art. 7, 7°, in werking op 01.01.2002) Tenzij het gewest er anders over beslist, zorgt de Staat met inachtneming van de door hem vastgestelde procedureregels kosteloos voor de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8° en 10° tot 12° bedoelde belastingen voor rekening van en in overleg met het betrokken gewest. Vanaf het tweede begrotingsjaar volgend op de datum van notificatie van de gewestregering aan de federale regering van de beslissing tot het zelf verzekeren van de dienst van de betrokken belastingen, zorgt het betrokken gewest voor de dienst van deze belastingen. De overheveling van de dienst van de belastingen naar een gewest kan slechts per groep van belastingen geschieden:

-

de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 3°, bedoelde belastingen;

-

de in artikel 3, eerste lid, 5°, bedoelde belasting;

-

de in artikel 3, eerste lid, 4° en 6° tot 8°, bedoelde belastingen;

-

de in artikel 3, eerste lid, 10° tot 12° bedoelde belastingen.

De gewesten staan ten minste tot en met 31 december 2003 in voor de dienst van de belastingen waarvoor zij reeds vóór de inwerkingtreding van de bijzondere wet van 13 juli 2001 tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten instonden.

Zolang de federale overheid de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8° en 10° tot 12°, bedoelde belastingen verzekert, wordt de overlegprocedure met betrekking tot de technische uitvoerbaarheid van de voorgenomen wijzigingen inzake voormelde gewestelijke belastingen bepaald in het in artikel 1bis bedoelde samenwerkingsakkoord.

§ 3bis

(ingevoegd bij wet van 13 juli 2001, art. 7, 8°, in werking op 01.01.2002) Tenzij het gewest er anders over beslist, zorgen de gemeenschappen tot en met 31 december 2004, met inachtneming van de door de Staat vastgestelde procedureregels, voor de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 9°, bedoelde belasting voor rekening van en in overleg met de gewesten. De gemeenschaps- en gewestregeringen sluiten een overeenkomst om de inningskosten te bepalen.

§ 4

(vervangen door de wet van 13 juli 2001, art. 7, 9°, in werking op 01.01.2002) De gewesten zijn bevoegd voor de vaststelling van de administratieve procedureregels met betrekking tot de in artikel 3 bedoelde belastingen met ingang van het begrotingsjaar vanaf hetwelk zij de dienst van de belastingen verzekeren.

TITEL IIIbis - GEMEENSCHAPSBELASTING (ingevoegd bij de wet van 16.07.1993, art. 94; opgeheven bij wet van 13.07.2001, art. 8, in werking op 01.01.2002

Art. 5bis. (opgeheven bij wet van 13 juli 2001, art. 8, in werking op 01.01.2002)

TITEL IV - TOEGEWEZEN GEDEELTEN VAN DE OPBRENGST VAN BELASTINGEN

HOOFDSTUK I - ALGEMENE BEPALINGEN

Art. 6. § 1. Een gedeelde belasting is een Rijksbelasting die op uniforme wijze over het gehele grondgebied van het Rijk wordt geheven en waarvan de opbrengst geheel of gedeeltelijk aan de Gemeenschappen wordt toegewezen overeenkomstig de bepalingen van deze wet.

De in deze titel bedoelde gedeelde belastingen zijn:

1°(...) (opgeheven bij bijzondere wet van 16 juli 1993, art. 121, in werking op 30 juli 1993);

2° de belasting over de toegevoegde waarde;

3° de personenbelasting.

§ 2. Een samengevoegde belasting is een rijksbelasting:

1° die op uniforme wijze over het gehele grondgebied van het Rijk wordt geheven;

2° waarvan een bepaald gedeelte van de opbrengst aan de Gewesten wordt toegewezen overeenkomstig de bepalingen van deze wet;

(vervangen door de wet van 13 juli 2001, art. 9, 1°, in werking op 01.01.2002) waarop de gewesten, op basis van de lokalisatie van die belastingen, opcentiemen kunnen heffen respectievelijk kortingen kunnen toestaan die beide worden toegepast op alle personen die personenbelasting verschuldigd zijn en voorzover deze verminderingen het bedrag van de toegewezen opbrengst niet overschrijden. Die opcentiemen of kortingen worden niet in aanmerking genomen bij het vaststellen van de grondslag voor de berekening van de aanvullende gemeentebelasting.

(ingevoegd bij wet van 13 juli 2001, art. 9, 2°, in werking op 01.01.2002) en waarop de gewesten, op basis van de lokalisatie van die belastingen, algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen kunnen invoeren die verbonden zijn aan de bevoegdheden van de gewesten. Die algemene belastingverminderingen of -vermeerderingen worden niet in aanmerking genomen bij het vaststellen van de grondslag voor de berekening van de aanvullende gemeentebelasting. De belastingverminderingen nemen de vorm aan van een aftrek ten aanzien van de verschuldigde personenbelasting en niet de vorm van een vermindering van de belastinggrondslag. De belastingvermeerderingen nemen de vorm aan van een verhoging ten opzichte van de verschuldigde personenbelasting en niet die van een verhoging van de belastbare grondslag.

De in deze titel bedoelde samengevoegde belasting is de personenbelasting.

Art. 7. § 1. Voor de toepassing van deze titel worden de belastingen geacht als volgt te zijn gelokaliseerd:

1° de personenbelasting: op de plaats waar de belastingplichtige zijn woonplaats heeft gevestigd;

2° (...) (opgeheven door de bijzondere wet van 16 juli 1993, art. 121, in werking op 30 juli 1993).

§ 2. Voor de toepassing van deze wet worden de ontvangsten inzake personenbelasting en het inwonertal van elk Gewest jaarlijks vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, na voorafgaand overleg met de Gemeenschaps- en Gewestexecutieven, op basis van de meest recente gegevens.

(vervangen door de wet van 13 juli 2001, art. 10, in werking op 01.01.2002). Onder ontvangsten inzake personenbelasting wordt verstaan het bedrag van de globale belasting Staat voor het laatste aanslagjaar vastgesteld bij het verstrijken van de heffingstermijn, bepaald in artikel 359 van het Wetboek der inkomstenbelastingen 1992. De globale belasting Staat is de belasting vóór toepassing van de in artikel 6, § 2, eerste lid, 3°, bedoelde opcentiemen en kortingen, van de in artikel 6, § 2, eerste lid, 4°, bedoelde algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen en van de in artikel 9, § 2, bedoelde aanvullende belastingen en opcentiemen.

Art. 8. In het raam van het Overlegcomité Regering-Executieven wordt jaarlijks een overleg gehouden over het fiscaal beleid.

Art. 9. § 1. (vervangen door de wet van 13 juli 2001, art. 11, in werking op 01.01.2002). De invoering van algemene belastingverminderingen of -vermeerderingen, opcentiemen of kortingen, bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, 3° en 4°, wordt door de betrokken gewestregering voorafgaandelijk meegedeeld aan de federale regering en de andere gewestregeringen.

De overlegprocedure met betrekking tot de technische uitvoerbaarheid van de invoering van algemene belastingverminderingen of -vermeerderingen, bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, 4°, wordt bepaald in het in artikel 1bis bedoelde samenwerkingsakkoord.

Voor het totaal van de in het eerste lid bedoelde algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen, opcentiemen en kortingen geldt een globaal maximumpercentage. Dit maximumpercentage bedraagt 3,25 % vanaf 1 januari 2001 en 6,75 % vanaf 1 januari 2004 van de in elk gewest gelokaliseerde opbrengst van de personenbelasting zoals bedoeld in artikel 7, § 2. Zonder dit maximumpercentage te overschrijden kunnen de gewesten:

1° algemene procentuele opcentiemen en algemene forfaitaire dan wel procentuele kortingen, al dan niet gedifferentieerd per belastingschijf, invoeren;

2° algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen toestaan zoals bepaald in artikel 6, § 2, eerste lid, 4°.

De uitoefening van de bevoegdheden van de gewesten met betrekking tot de algemene belastingverminderingen of -vermeerderingen, de opcentiemen of kortingen gebeurt zonder vermindering van de progressiviteit van de personenbelasting en met uitsluiting van deloyale fiscale concurrentie. Het principe van de progressiviteit wordt begrepen als volgt: naarmate het belastbaar inkomen stijgt, mag, naargelang het geval, de verhouding tussen het bedrag van de aftrek tot de verschuldigde personenbelasting voor aftrek niet toenemen of de verhouding tussen het bedrag van de verhoging tot de verschuldigde personenbelasting voor verhoging niet afnemen.

De afrekeningsmodaliteiten van de toepassing van algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen, opcentiemen en kortingen worden, na voorafgaandelijk overleg met de gewestregeringen, bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

§ 2. De opcentiemen ingevoerd door een Gewest mogen geen afbreuk doen aan het recht van de gemeenten om aanvullende belastingen of opcentiemen te heffen.

Art. 9bis. (ingevoegd bij wet van 13 juli 2001, art. 12, in werking op 01.01.2002) De ontwerpen en de voorstellen van een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel die aangelegenheden regelen zoals bedoeld in artikel 9 worden, naargelang het geval vóór neerlegging in de betrokken raad of na goedkeuring in de bevoegde commissie van de betrokken raad medegedeeld aan de federale regering en de andere gewestregeringen en, voor advies, aan het Rekenhof. Hetzelfde geldt voor de amendementen die in commissie zijn goedgekeurd. De aan het Rekenhof overgezonden ontwerpen en voorstellen dienen in voldoende mate cijfermatig onderbouwd te zijn.

Onverminderd zijn algemene bevoegdheden, geeft de algemene vergadering van het Rekenhof, binnen een maand na ontvangst van het ontwerp of voorstel, in het kader van het respect van de fiscale loyauteit, een gedocumenteerd en gemotiveerd advies over de naleving van de maximumpercentages en het principe inzake progressiviteit, zoals bedoeld in artikel 9. Dit advies wordt medegedeeld aan de federale regering en de gewestregeringen.

In het kader van zijn adviesverstrekking bedoeld in het tweede lid ontwikkelt het Rekenhof een transparant en uniform evaluatiemodel in akkoord met de federale regering en de gewestregeringen.

Het Rekenhof stelt elk jaar een rapport op dat analoog is aan het in het tweede lid bedoelde advies en dat betrekking heeft op de weerslag, tijdens het vorige aanslagjaar, van de van kracht zijnde gewestelijke fiscale maatregelen. Dit rapport wordt medegedeeld aan de federale regering en de gewestregeringen.

Art. 10. (opgeheven door de wet van 13 juli 2001, art. 13, in werking op 01.01.2002)

Art. 11. (gewijzigd bij wet van 13 juli 2001, art. 14, in werking op 01.01.2002) De gewesten kunnen geen opcentiemen of vermeerderingen heffen of kortingen of verminderingen toestaan op de in deze wet bedoelde belastingen, behalve op die welke bedoeld zijn in artikel 6, § 2.

Onder voorbehoud van de bij deze wet bepaalde gevallen zijn de Gemeenschappen en de Gewesten niet gemachtigd belastingen te heffen op de materies waarop een bij deze wet bedoelde belasting wordt geheven.