Circulaire nr. Ci.RH.421/412.251 dd. 20.12.1990

CIRC 20.12.90/1

Circulaire nr. Ci.RH.421/412.251 dd. 20.12.1990


Bull. nr. 702, pag. 347

BOEKHOUDING
Boeking van deelnemingen

DEELNEMINGEN
Aanschaffingswaarde
Waardevermindering


Onderrichtingen betreffende de waardering van financiële vaste activa (deelnemingen) die met een "prijstoeslag" zijn aangeschaft.

1. In haar Bulletin nr. 24 van september 1989 heeft de Commissie voor Boekhoudkundige Normen een advies gepubliceerd over de waardering van financiële vaste activa en in het bijzonder van deelnemingen waarvan de aanschaffingswaarde een "prijstoeslag" bevat (zie tekst in bijlage).

2. De aandacht wordt erop gevestigd dat de administratie voorheen niet aanvaarde dat bij de aankoop van een deelneming het verschil tussen de totale prijs die ter zake werd betaald en de met de aandelen overeenstemmende boekwaarde van de vermogensbestanddelen van de emitterende vennootschap, onmiddellijk of gespreid (met name via een afschrijfbare goodwill) ten laste van het resultaat werd gelegd.

Alleen wanneer die totale prijs meer bedroeg dan de werkelijke waarde van de aandelen bij de verwerving, was de administratie van mening dat het meerdere verschil met de aanschaffingswaarde van immateriële vaste activa overeenstemde. In zulk geval mocht deze laatste waarde op fiscaal vlak worden afgeschreven, met dien verstande dat de jaarlijkse afschrijving in gemeen overleg tussen de belastingplichtige en de bevoegde aanslagambtenaar moest worden vastgesteld.

Voor het bepalen van de werkelijke waarde van de aangekochte aandelen moest niet alleen rekening worden gehouden met de boekwaarde van vermogensbestanddelen van de emitterende vennootschap, maar ook met de bestaande latente meerwaarden op inzonderheid de materiële en immateriële vaste activa van die emitterende vennootschap.

3. Uit het in nr. 1 vermelde advies blijkt dat de voormelde "prijstoeslag" in de tussen partijen overeengekomen prijs begrepen is en bijgevolg deel uitmaakt van de aanschaffingswaarde waartegen de deelneming in de boekhouding moet worden opgenomen.

De Commissie is bijgevolg van mening dat die "prijstoeslag" niet als een op gespreide wijze afschrijfbare goodwill kan worden gekwalificeerd (1). Bovendien is een onmiddellijke tenlasteneming van de prijstoeslag door rechtstreekse boeking op een kostenrekening, of door boeking van een waardevermindering (onmiddellijk of aan het einde van het boekjaar) evenmin toelaatbaar.

In de volgende gevallen acht de Commissie een waarde vermindering daarentegen verantwoord :

  • indien zou blijken dat de door de onderneming geraamde waarde van de deelneming - grondslag voor de overeengekomen prijs - op een zware vergissing berust. In dit geval zou het probleem evenwel niet beperkt blijven tot de betaalde prijstoeslag, maar slaan op de totale aanschaffingswaarde;
  • mocht zich na de aanschaffing van de deelneming een duurzame wijziging voordoen in ongunstige zin van de toestand of de vooruitzichten van de vennootschap; het spreekt vanzelf dat deze minderwaarde boekhoudkundig tot uitdrukking moet worden gebracht. Hetzelfde geldt wanneer de bestanddelen die aan deze deelneming een -voor de koper- bijzondere hogere waarde verleenden (zeggenschap in de vennootschapsorganen - positieve synergie), na de verwerving geheel of ten dele zouden verdwijnen.


4. Dat advies is eveneens op fiscaal vlak van toepassing met betrekking tot deelneming die op of na de datum van deze circulaire verworven zijn.



(1)Zie voor dit begrip Com.IB nr. 44/138, vijfde en zesde lid.
BIJLAGE

UITTREKSEL UIT HET BULLETIN NR. 24
VAN SEPTEMBER 1989 VAN DE COMMISSIE
VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

126. Aanschaffingswaarde.

126/8 Financiële vaste activa - waardering - aanschaffingswaarde met "prijstoeslag".

Financiële vaste activa en in het bijzonder deelnemingen worden, overeenkomstig het jaarrekeningbesluit van 8 oktober 1976, in de balans opgenomen tegen aanschaffingswaarde, na aftrek van de waardeverminderingen die hierop werden toegepast (1) (artikel 20).

Op deze deelnemingen worden waardeverminderingen toegepast "in geval van duurzame minderwaarde of ontwaarding, verantwoord door de toestand, de rendabiliteit of de vooruitzichten van de vennootschap waarin de deelneming wordt gehouden" (artikel 29).

Aan de Commissie werd gevraagd hoe deze bepalingen kunnen of moeten worden toegepast wanneer de aanschaffingswaarde van een deelneming een "prijstoeslag" bevat.

Inzonderheid kwam het erop aan te weten of deze "prijstoeslag" :

  • aan de actiefzijde van de balans onder goodwill kan of moet worden geboekt en als dusdanig via een afschrijving gespreid ten laste worden genomen;
  • als waardevermindering onmiddellijk kan of moet ten laste worden genomen.


De vraag beperkte zich tot de niet-geconsolideerde jaarrekening.



(1)Onverminderd de mogelijkheid deze te herwaarderen overeenkomstig artikel 34 van voornoemd besluit.
-------------
Het begrip "prijstoeslag" impliceert het bestaan van een andere waarde ten opzichte waarvan de betaalde prijs om de deelneming te verwerven, een overschot zou vertonen. Op grond van deze andere waarde zou - via uitsplitsing van de effectief betaalde prijs voor de verwerving of via vaststelling van een onmiddellijke tenlasteneming van deze "prijstoeslag" - de betrokken deelneming in de jaarrekening van de houder moeten worden geboekt.

In dit verband weze onderstreept dat het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 een dergelijke benadering niet aanvaardt. De regel eist dat activa in de jaarrekening worden geboekt tegen hun aanschaffingswaarde. Deze wordt omschreven als de tussen partijen overeengekomen prijs of de effectief gemaakte kosten voor de verwerving van deze actiefbestanddelen. Deze overeengekomen prijs of gemaakte kosten maken integraal deel uit van de aanschaffingswaarde, welke grondslagen ook werden gehanteerd om die vast te stellen.



1.Over de kwalificatie van dergelijke prijstoeslag als een op gespreide wijze afschrijfbare goodwill.

Benevens de regel waarnaar hierboven is verwezen en op grond waarvan
activa moeten worden gewaardeerd tegen aanschaffingswaarde, moet er ook worden op gewezen dat deze "prijstoeslag" niet onder het begrip goodwill valt, zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 8 oktober 1976. Volgens die omschrijving is er sprake van goodwill, wanneer voor de verwerving van een onderneming of van een activiteitsbranche, de betaalde prijs hoger is dan de nettowaarde van de aanwezige actief- minus passief- bestanddelen. In casu slaat de aanschaffing niet op een geheel van activa en passiva, maar op een deelneming.

Weliswaar wordt op het vlak van de geconsolideerde jaarrekening het surplus van de boekwaarde van de deelneming in verhouding tot de waarde van de activa en passiva van de geconsolideerde vennootschap waarmee deze deelneming overeenstemt -in zover dit surplus niet kan worden toegekend aan welbepaalde activa of passiva- beschouwd als een consolidatieverschil dat op grond van de zevende E.E.G.-richtlijn op dezelfde manier moet worden verwerkt als goodwill. Dit consolidatieverschil is echter het gevolg van het feit dat welbepaalde activa en passiva in de plaats komen van een deelneming die dan ook verdwijnt, wat in de niet-geconsolideerde jaarrekening niet het geval is.

Overigens zou eenzelfde werkwijze kunnen worden gevolgd bij toepassing van de vermogensmutatiemethode, wanneer de aanvankelijke boekwaarde van de deelneming wordt aangepast op grond van de waarde van het vermogen van de vennootschap waarin de deelneming wordt gehouden. Er zij evenwel op gewezen dat de vermogensmutatiemethode in België momenteel niet mag worden gebruikt in de niet-geconsolideerde jaarrekening.

2. Over de onmiddellijke tenlasteneming van de prijstoeslag.

De Commissie is van oordeel dat onmiddellijke tenlasteneming van de prijstoeslag niet toelaatbaar is, zomin via rechtstreekse boeking op een kostenrekening als door boeking van een waardevermindering, hetzij onmiddellijk, hetzij aan het einde van het boekjaar .

In economisch rationeel opzicht is er van betaling van een prijstoeslag slechts sprake als de betrokken deelneming voor de onderneming die ze heeft verworven, een bijzondere waarde vertegenwoordigt die hoger ligt dan de waarde van de deelneming louter gemeten naar haar intrinsieke waardebestanddelen. Over het algemeen ligt de reden voor deze hogere waarde in het feit dat dank zij die deelneming of extra-deelneming, zeggenschap in de organen van de vennootschap dan wel een significante invloed hierin wordt verworven. De reden kan ook liggen in de positieve synergie die de onderneming, inzonderheid voor zichzelf, kan tot stand brengen met de verwerving van deze deelneming.

Deze bijzondere waarde, die daadwerkelijk de prijs heeft beïnvloed die de onderneming heeft willen betalen om de betrokken deelneming te verwerven, mag niet buiten beschouwing worden gelaten wanneer wordt vastgesteld tegen welke waarde deze deelneming moet worden geboekt in de (niet-geconsolideerde) jaarrekening. Indien een onderneming voor een deelneming een "prijstoeslag" betaalt ter wille van de specifieke economische voordelen doe zij ervan verwacht, dan kan zijn bezwaarlijk -op gevaar af zichzelf tegen te spreken- tegelijkertijd beweren dat zij voor ditzelfde bedrag een "non-value" heeft gekocht, waardoor het verantwoord zou zijn een waardevermindering te boeken.

Overigens is het evident dat de kost van deze specifieke economische voordelen niet zou kunnen worden gelijkgesteld met bijkomende kosten, zoals makelaarslonen of beurstaksen, die krachtens artikel 29, § 3 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 ten laste mogen worden genomen van de resultatenrekening van het boekjaar in de loop waarvan zij werden gemaakt.

De boeking van een waardevermindering zou slechts verantwoord zijn indien zou blijken dat de door de onderneming geraamde waarde van deze deelneming - grondslag voor de overeengekomen prijs- op een zware vergissing zou blijken te berusten. In dit geval zou de vraag evenwel niet beperkt blijven tot de betaalde prijstoeslag, maar slaan op de totale aanschaffingswaarde.

Tenslotte spreekt het vanzelf dat, mocht zich na de aanschaffing van de deelneming een duurzame wijziging voordoen in ongunstige zin in de toestand of vooruitzichten van de vennootschap, deze minderwaarde boekhoudkundig tot uitdrukking moet worden gebracht. Hetzelfde geldt wanneer de bestanddelen die aan deze deelneming een -voor de koper- bijzondere hogere waarde verleenden(zeggenschap in de vennootschapsorganen- positieve synergie), na de verwerving geheel of ten dele zouden verdwijnen.