Aanschrijving nr. 6 dd. 22.08.1986

AANSCHRIJVING 86/006

Aanschrijving nr. 6 dd. 22.08.1986


Verlaagd tarief in onroerende sector vanaf 01.08.1986

Onderwerp van de aanschrijving.
1. Tot 31 juli 1986 was het BTW­tarief verlaagd van 17 pct. tot 6 pct. voor onroerende handelingen (daaronder begrepen de leveringen van nieuwe gebouwen) met betrekking tot woningen en verstrekt aan eindverbruikers. Dat was globaal de draagwijdte van de tijdelijke bepaling ingesteld bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven. (z. aanschr. 7/1982 (Z. Revue nr. 53, blz. 247.) en 12/1981 (Z. Revue nr. 65, blz. 643.)).

2. Vanaf 1 augustus 1986 is deze regeling vervangen door een nieuwe bepaling die het voorwerp uitmaakt van het koninklijk besluit van 18 juli 1986 (Z. deze Revue, blz. 266) tot wijziging van het bovengenoemd koninklijk besluit nr. 20, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 24 juli 1986. Deze bepaling verlengt op restrictieve wijze de tijdelijke bepaling, door het toepassingsgebied van het verlaagd tarief te beperken tot bepaalde onroerende handelingen en tot bepaalde woningen.

3. Deze aanschrijving verstrekt toelichting bij de nieuwe regeling van toepassing vanaf 1 augustus 1986, inzonderheid door vergelijking, wat het toepassingsgebied betreft, met de oude regeling van de tijdelijke bepaling.

4. De tekst van het koninklijk besluit van 18 juli 1986 is gepubliceerd in deze Revue in de rubriek "Wets­ en Verordeningsbepalingen" nr. I, 4. Men dient deze te raadplegen naarmate van de uiteenzettingen die hierin zijn opgenomen.

Algemene draagwijdte van de nieuwe bepaling.
5. Onder rubriek II van tabel B van de bijlage bij het voornoemd koninklijk besluit nr. 20 met titel "Gebouwen en onroerende werken", zijn de handelingen opgesomd die onroerend worden genoemd omdat ze betrekking hebben op een onroerend goed uit zijn aard. Deze handelingen zijn in de regel onderworpen aan het tarief van 17 pct.

6. De nieuwe bepaling heeft tot voorwerp duidelijk omschreven handelingen te onttrekken aan tabel B en bijgevolg aan het tarief van 17 pct. en deze te onderwerpen aan het tarief van 6 pct., door ze, onder strikte voorwaarden, op te nemen in tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20, waarin de handelingen worden beoogd onderworpen aan het verlaagd tarief. Daarom wordt bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 juli 1986 in tabel A een nieuwe rubriek XXXI ingevoegd, met de titel "Werk in onroerende staat met betrekking tot privé­woningen", waarin beperkend de handelingen worden vastgesteld die vanaf 1 augustus 1986 de fiscale gunstmaatregel blijven genieten.

7. Krachtens 1 van de nieuwe rubriek is de toepassing van het verlaagd tarief beperkt tot handelingen waarvoor de volgende voorwaarden zijn vervuld :

1° de handelingen moeten bedoeld zijn onder de nummers 2 tot 8 van rubriek II van tabel B van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 en de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben;

2° zij moeten worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikname ten minste 20 jaar teruggaat en die na de uitvoering van de werken uitsluitend of hoofdzakelijk als privé­woning wordt gebruikt;

3° zij moeten door een geregistreerd aannemer worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker;

4° de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart moeten, op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen.

8. Er wordt achtereenvolgens onderzocht :

  • in de eerste afdeling, de aard van de handelingen die in aanmerking komen, om het verlaagd tarief te genieten.
  • in afdeling 2, aan welke gebouwen deze handelingen moeten worden verricht om het verlaagd tarief te genieten;
  • in afdeling 3, in welke fase het verlaagd tarief kan worden toegepast;
  • in afdeling 4, onder welke voorwaarden de heffing van het verlaagd tarief toegestaan is, in de veronderstelling dat de grondvoorwaarden vervuld zijn.
Eerste afdeling. ­ Onroerende handelingen die in aanmerking komen om het verlaagd tarief te genieten.
Dubbele beperking van de handelingen waarop het verlaagd tarief van toepassing kan zijn.
9. Het verlaagd tarief kan slechts van toepassing zijn :

1° op werk in onroerende staat en andere handelingen bedoeld in de nummers 2 tot 8 van rubriek II van tabel B van de bijlage bij het voornoemd koninklijk besluit nr. 20;

2° voor zover de tot 1° beperkte handelingen de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling en het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning zoals bepaald in afdeling 2 tot voorwerp hebben.

Eerste onderafdeling. ­ Beperking van de onroerende handelingen door verwijzing naar de tekst van rubriek II.
Handelingen bedoeld in de nummers 2 tot 8 van rubriek II van tabel B.
10. In rubriek II van tabel B wordt onder de nummers 1 tot 11 het geheel van de onroerend genoemde handelingen, die in de regel onderworpen zijn aan het tarief van 17 pct., vermeld. In de nieuwe rubriek XXXI van tabel A worden slechts de onroerende handelingen opgenomen bedoeld onder de nummers 2 tot 8 en wordt bijgevolg elke toepassing van het verlaagd tarief uitgesloten voor :

1° de overdrachten van gebouwen bedoeld in artikel 9, § 3, van het Wetboek, die zijn opgenomen onder nummer 1 van rubriek II van tabel B;

2° het studiewerk en toezicht die behoren tot de geregelde werkzaamheid van architecten, landmeters en ingenieurs en die verricht worden ter voorbereiding of ter coördinatie van de uitvoering van onroerende handelingen, werden opgenomen onder nummer 9 van rubriek II van tabel B;

3° de diensten door makelaars en lasthebbers bij verkoop of verhuur van onroerende goederen, het beheer van onroerende goederen, handelingen bedoeld onder nummer 10 van rubriek II van tabel B;

4° de onroerende financieringshuur of "onroerende leasing" bedoeld in artikel 18, § 2, van het Wetboek, handelingen opgenomen onder nummer 11 van rubriek II van tabel B.

11. Deze handelingen zijn in elk geval uitgesloten van het voordeel van het verlaagd tarief en zijn onderworpen aan het tarief van 17 pct., eigen aan tabel B.

Vergelijking met de tijdelijke maatregel van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 20 waarvan de toepassing eindigt op 31 juli 1986.

12. Onder de tijdelijke maatregel kwamen de leveringen van nieuwe gebouwen als bedoeld in artikel 9, § 3, van het Wetboek in aanmerking voor de toepassing van het verlaagd BTW­tarief van 6 pct. voor zover het ging om woningen, gebruikt als privé­woning en geleverd aan eindverbruikers door beroepsoprichters of door toevallige oprichters of kopers­wederverkopers die hadden geopteerd voor de toepassing van de BTW. Vanaf 1 augustus 1986 zijn deze leveringen onderworpen aan het tarief van 17 pct.

13. Hetzelfde geldt ten aanzien van studiewerk en toezicht zoals opgesomd onder nr. 10, 2°, hierboven. Bij toepassing van de oude regeling genoten deze diensten eveneens het verlaagd tarief van 6 pct. indien ze betrekking hadden op een privé­woning en verstrekt werden aan een eindverbruiker.

14. Daarentegen blijft de situatie onveranderd voor de handelingen opgesomd onder nr. 10, 3° en 4°, hierboven, die reeds onder de vorige regeling aan het tarief van 17 pct. onderworpen waren.

Onderafdeling 2.­­Beperking van de onroerende handelingen wegens het doel ervan.
15. Om in aanmerking te kunnen komen voor het verlaagd tarief volstaat het niet dat de onroerende handelingen opgesomd zijn onder de nummers 2 tot 8 van rubriek II van tabel B, maar is het bovendien vereist dat zij de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitzondering van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben (tabel A, nieuwe rubriek XXXI, § 1, 1°).

16. Hierna wordt onderzocht:

1° welke handelingen omschreven zijn onder de nummers 2 tot 8 van rubriek II van tabel B;

2° welke van deze handelingen, wegens het doel ervan, het voordeel van het verlaagd tarief kunnen genieten voor zover ze wel te verstaan betrekking hebben op een woning zoals bedoeld in afdeling 2.

I. Algemeenheden.­­ Werk in onroerende staat en andere handelingen bedoeld onder de nummers 2 tot 8 van rubriek II van tabel B.

Aard van de bedoelde handelingen.

17. De hierna volgende handelingen zijn opgesomd onder de nummers 2 tot 8 van rubriek II van tabel B:

1° de eigenlijke werken in onroerende staat (nummers 2 tot 4);

2° sommige uitdrukkelijk opgesomde handelingen die, zelfs indien het geen eigenlijk werk in onroerende staat betreft, onderworpen zijn aan dezelfde belastingregeling.

18. Een lijst van deze werken en handelingen, met alle vereiste onderscheid en preciseringen, is bijgevoegd als bijlage I. Hierna volgt enkel een weergave van de voornaamste karakteristieken van die handelingen

Het begrip werk in onroerende staat.

19. Onder werk in onroerende staat wordt verstaan:

1° het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden en het reinigen, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed (nummer 2);

2° het geheel of ten dele afbreken van een uit zijn aard onroerend goed (nummer 3);

3° prestaties die erin bestaan een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt (nummer 4).

20. Zoals blijkt is het begrip werk in onroerende staat innig verbonden met het juridisch begrip onroerend goed uit zijn aard of door inlijving. Om onroerend te zijn moet het werk bijdragen tot de oprichting van een onroerend goed uit zijn aard, tot een wijziging van zijn structuur (verbouwen of omvormen, afwerken, inrichten), tot het in goede staat houden van deze structuur (onderhouden en reinigen) of tot het afbreken van een dergelijk onroerend goed. In de mate dat er goederen worden gebruikt voor dit werk, maken deze slechts deel uit van het werk in onroerende staat en worden slechts belast op dezelfde wijze als het werk zelf, voor zover ze door dezelfde persoon in uitvoering van een zelfde contract worden geleverd en geplaatst, op zodanige wijze dat ze, door die plaatsing, worden ingelijfd in de onroerende structuur door zelf onroerende goederen uit hun aard te worden.

21. Deze definitie omvat het onroerende werk behorend tot de werkzaamheden van de diverse vaklui in het bouwbedrijf, zowel wanneer dezen enkel handenarbeid verstrekken dan wanneer ze de materialen die ze leveren in het gebouw inlijven (grondwerkers, metsers, stukadoors, timmerlieden en dakdekkers, schrijnwerkers, loodgieters­zinkwerkers, elektriciens, schilders en behangers, enz).

Handelingen gelijkgesteld met werk in onroerende staat.

22. Onder de nummers 5 tot 8 van rubriek II van tabel B worden bepaalde handelingen opgesomd die voor de heffingsregeling gelijkgesteld worden met werk in onroerende staat (installatie voor verwarming en airconditioning, sanitaire installatie, elektrische installatie, elektrische belinstallatie, installatie van alarmtoestellen tegen brand en diefstal, installatie van een huistelefoon, keukeninstallatie, levering en plaatsing van wandbekleding en vloerbedekking, enz.). Deze handelingen zijn, met alle vereiste onderscheid, opgenomen in de lijst die is bijgevoegd als bijlage 2.

Bijzondere tarifering van het werk in onroerende staat en de daarmee gelijkgestelde handelingen. Onderscheid met levering van goederen.

23. Werk in onroerende staat en de daarmee gelijkgestelde handelingen zijn, in de regel, onderworpen aan het tarief van 17 pct. Doch, mits voldaan is aan de voorwaarden bepaald bij de nieuwe regeling, kunnen deze onderworpen zijn aan het tarief van 6 pct.

24. Men mag niet uit het oog verliezen dat het tarief van 17 pct. en in voorkomend geval 6 pct. slechts van toepassing is ten aanzien van de bedoelde onroerende handelingen en dat de leveringen van goederen onderworpen blijven aan het tarief dat eigen is aan deze goederen. Daarom zijn:

1° de rechtstreekse aankoop, zonder plaatsing door de leverancier, van materialen onderworpen aan het tarief eigen aan deze materialen;

2° zekere bestanddelen van een zelfde installatie, die niet worden beschouwd als zijnde onroerend uit hun aard, als levering onderworpen aan het tarief dat eigen is aan deze bestanddelen, zelfs indien ze worden geplaatst of vastgehecht door de leverancier (bijvoorbeeld, de levering met aansluiting van huishoudtoestellen in een keukeninstallatie (z. aanschr. 16/1982 (Z. Revue nr. 57, blz. 95.)), de levering met aanhechting van verwarmingstoestellen).

II. Beperking van de gunstregeling in functie van het doel van het werk in onroerende staat en de daarmee gelijkgestelde handelingen.

Bedoelde onroerende handelingen.

25. In de onderstelling dat de voorwaarden bepaald in de afdelingen 2 tot 4 vervuld zijn, is het verlaagd tarief slechts toepasselijk voor zover de onroerende handelingen bedoeld onder I (z. de nrs. 17 tot 22) voldoen aan een welbepaald doel ten aanzien van het gebouw. De handelingen moeten de omvorming, de renovatie, de rehabilitatie, de verbetering, de herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de bedoelde woning tot voorwerp hebben (z. afdeling 2).

26. Deze lange opsomming omvat uiteenlopende onroerende handelingen gaande van de omvorming van een gebouw tot het onderhoud ervan. Zij voorkomt een vage definitie van de nog onduidelijke begrippen renovatie en rehabilitatie waartoe de omvorming, verbetering of herstelling bijdragen. Bovendien wordt daardoor het soms moeilijke onderscheid tussen verbeteringen aangebracht aan een gebouw en herstellingen die eraan worden verricht, alsook het onderscheid tussen het gewone onderhoud (het in goede staat behouden van het gebouw) en de herstelling (het opnieuw in goede staat brengen) overbodig.

Handelingen uitgesloten van de gunstregeling.

Werk in onroerende staat en de daarmee gelijkgestelde handelingen die bijdragen tot de oprichting van een woning.

27. Krachtens § 1, 1°, van de nieuwe rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij voornoemd koninklijk besluit nr. 20, is werk in onroerende staat dat het bouwen van een nieuw gebouw tot voorwerp heeft impliciet uitgesloten van het voordeel van het verlaagd tarief

28. onder "werk in onroerende staat" dat het bouwen tot voorwerp heeft, wordt verstaan elk werk in onroerende staat dat strekt of bijdraagt tot de oprichting van een nieuw gebouw. Het bouwen veronderstelt een algemene bouwonderneming of een groep van vaklui die afzonderlijk handelen met de bouwheer. De handeling of het geheel van de onroerende handelingen die bijdragen tot het bouwen van een nieuw gebouw, is onderworpen aan het tarief van 17 pct. met uitsluiting van het verlaagd tarief.

Onderscheid tussen het bouwen en de omvorming of verbouwing.

29. Werk in onroerende staat dat de omvorming van een woning tot voorwerp heeft, is, indien alle andere voorwaarden zijn vervuld, onderworpen aan het tarief van 6 pct.

30. Onder "omvorming" wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant (en inzonderheid de rehabilitatie) als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken.

Evenzo wordt het bestaan van een verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren (inzonderheid de buitenmuren) en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de struktuur van het te renoveren gebouw.

31. Daarentegen dient als een bouwwerkzaamheid die bijdraagt tot de oprichting van een nieuw gebouw te worden aangemerkt:

1° het herbouwen van een gebouw na afbraak, zelfs in geval van behoud der funderingen en kelders van het oude gebouw of van bijkomende elementen van zijn struktuur (b.v. alleen de voorgevel aan de straatzijde behouden omwille van de integratie in het stedelijk kader);

2° in geval van de bouw van een of meer bijkomende appartementen in een appartementsgebouw door bovenbouw of op een andere wijze, wanneer deze nieuwe appartementen, onder toepassing van het stelsel van medeëigendom, vervreemdbaar zijn met toepassing van de BTW;

3° ingeval de eigenaar een gebouw aan het zijne aanbouwt, indien deze aanbouw geen vergroting is van het eerste gebouw, maar een nieuw gebouw dat op zichzelf vatbaar is voor vervreemding onder het stelsel van de BTW, daar het onderscheiden is van het oude gebouw;

4° in geval van een grondige (z. nr. 30, 2de lid, a contrario, en 1° van onderhavig nummer) omvorming van een schuur of een ander bijgebouw van een boerderij tot een woonhuis.

In deze situatie, waarbij de omvorming wordt gelijkgesteld met een oprichting, is het tarief van 17 pct. toepasselijk, met uitsluiting van het verlaagd tarief.

Herbouwen.

32. Het herbouwen van een woning wordt gelijkgesteld met het bouwen telkens als, gelet op de omvang van de vernieling of van de afbraak van het gebouw, de werken in feite bijdragen tot de oprichting van een nieuw gebouw (z. nr. 31).

33. Anders is de situatie in het geval van gedeeltelijke vernieling, indien de werken zelfs belangrijke herstellingen tot voorwerp hebben, met het oog op het opnieuw in goede staat brengen van het gebouw. Indien alle andere voorwaarden zijn vervuld is in dergelijk geval het tarief van 6 pct. van toepassing.

Afbraakwerken.

34. Werk in onroerende staat dat het afbreken van geheel of een gedeelte van een woning tot voorwerp heeft, is in principe onderworpen aan het tarief van 17 pct., daar dit werk als dusdanig uitgesloten is van het voordeel van het verlaagd tarief.

35. Dit geldt echter niet wanneer de afbraakwerken noodzakelijk voorafgaan aan de omvorming of de verbetering en meer algemeen aan werken die het verlaagd tarief kunnen genieten. Als bijkomend onderdeel van laatstbedoelde werken kunnen in dat geval de afbraakwerken onderworpen zijn aan het verlaagd tarief.

Werk in onroerende staat dat de reiniging van een gebouw tot voorwerp heeft.

36. Krachtens § 1, 1°, van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het voornoemd koninklijk besluit nr. 20, wordt werk in onroerende staat dat de reiniging van een gebouw tot voorwerp heeft uitdrukkelijk uitgesloten van het voordeel van het verlaagd tarief.

Onder "reiniging" wordt verstaan het gebruikelijke huishoudelijke onderhoud dat de netheid van het onroerend goed tot doel heeft zoals de regelmatige schoonmaak van gebouwen, het stofvrij maken van tapijten, het boenen van parketvloeren, het wassen van ruiten. Deze handelingen zijn onderworpen aan het tarief van 17 pct.

Daarentegen kunnen de onroerende onderhoudswerken die verder gaan dan de gewone reiniging en die ten doel hebben de woning geheel of ten dele in goede staat te houden, aan het verlaagd tarief onderworpen worden, indien alle andere voorwaarden vervuld zijn.

Voorbeelden hiervan zijn :

  • de binnen­ en buitenschilderwerken en het behangen van een onroerend goed;
  • het afkrabben of het vernissen van parketvloeren;
  • onderhoudswerken aan liften en aan installaties voor centrale verwarming, zelfs indien onderschreven door een abonnement;
  • het vegen van schoorstenen, het ontstoppen van riolen en leidingen;
  • het verwijderen van aanslag op gevels door zandstralen of op een andere wijze.
Vanzelfsprekend volgen de reinigingswerken die de uitvoering van een onderhoudswerk voorafgaan (b.v. de reiniging van te verven oppervlakken) de regeling van toepassing op dit onderhoudswerk.

Afdeling 2. ­Bestemming en ouderdom van het gebouw waaraan het werk in onroerende staat wordt verricht.
Algemene draagwijdte.

37. Om het verlaagd tarief te genieten, dienen de onroerende handelingen beoogd in de eerste afdeling te worden verricht aan een gebouw dat aan de volgende twee voorwaarden voldoet :

1° het moet gaan om een woning die, na uitvoering van de bedoelde werken, uitsluitend of hoofdzakelijk als privé­woning wordt gebruikt;

2° het moet gaan om een woning beoogd in 1°, waarvan de eerste ingebruikneming tenminste twintig jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van verschuldigdheid van BTW wegens de handeling, overeenkomstig artikel 22 van het BTW­Wetboek.

Eerste onderafdeling. ­Woningen, na de uitvoering van de werken, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk gebruikt als privé­woning.

Woningen gebruikt als privé­woning.

38. De toepassing van het verlaagd tarief is, in principe, beperkt tot de in de eerste afdeling beoogde handelingen die betrekking hebben op gebouwen, die in ieder geval na de uitvoering van die handelingen (z. nr. 39) gebouwen zijn aangewend om te worden bewoond, en dit in tegenstelling tot de gebouwen die daarvoor niet worden gebruikt, inzonderheid de gebouwen gebruikt voor beroeps­ of administratieve doeleinden, aangewend voor de nijverheid, de handel, de landbouw, de uitoefening van vrije beroepen of elke andere beroeps­ of administratieve werkzaamheid.

De beoogde gebouwen zijn dus essentieel de woonhuizen, op welke wijze ze ook zijn gebouwd (klassiek of geprefabriceerd), de bungalows en vakantiechalets, voor zover ze zijn ingelijfd in de grond en gekadastreerd als bebouwde onroerende goederen, en de appartementen, ongeacht of ze al dan niet onder de toepassing van de gedwongen medeëigendom vallen.

39. De voorwaarde van de aanpassing van het gebouw aan zijn bestemming van privé­woning moet op zijn minst voldaan zijn na uitvoering der werken, maar het is niet vereist dat het gebouw reeds aan deze bestemming aangepast was vóór deze uitvoering. Het verlaagd tarief is bijgevolg toepasselijk, voor zover alle overige voorwaarden vervuld zijn, op de omvorming van een kantoorgebouw in een appartementsgebouw.

40. Het volstaat niet dat het gebouw aangepast is aan zijn bestemming van bewoning; daarenboven is er inderdaad vereist dat het daarvoor daadwerkelijk wordt gebruikt. Wanneer er twijfel bestaat omtrent de werkelijke bestemming die aan het gebouw zal worden gegeven is principieel het tarief van 17 pct. van toepassing.

Het behoud van de oorspronkelijke heffing is evenwel afhankelijk van de werkelijke aanwending. Het tarief van 6 pct. kan slechts behouden blijven indien de bestemming van privé­woning overeenstemt met de werkelijkheid. Evenzo kan het tarief van 17 pct., toegepast wegens de bestaande twijfel, worden herzien indien het gebouw uiteindelijk wordt gebruikt als privé­woning, hetgeen het tarief van 6 pct. rechtvaardigt.

41. Om te beoordelen of de aanwending het tarief van 6 pct. of dat van 17 pct. op definitieve wijze rechtvaardigt dient men zich, in principe, te houden aan de eerste aanwending van het gebouw na de uitvoering van de werken. Nochtans, indien deze eerste aanwending toevallig, van korte duur en strijdig was met de normale bestemming van het gebouw, zoals dit werd ontworpen, is het niet uitgesloten dat, na onderzoek van ieder geval afzonderlijk, men rekening zal houden met de daaropvolgende meer betekenisvolle aanwending. Dit zou meer bepaald het geval zijn indien het gebouw, bedoeld als kantoorruimte, voorlopig en voor een korte duur zou worden aangewend als een privé­woning of indien een gebouw bedoeld als privé­woning in dezelfde precaire voorwaarden voor beroepsdoeleinden zou worden aangewend.

Gemengd gebruik van het gebouw.

42. Het verlaagd tarief van 6 pct. is eenvormig van toepassing op de in de eerste afdeling beoogde handelingen indien ze betrekking hebben op een woning uitsluitend aangewend als privé­woning. Wat het tarief van 17 pct. betreft, dit is eenvormig op deze handelingen van toepassing indien ze uitsluitend betrekking hebben op een gebouw dat voor beroepsdoeleinden wordt gebruikt.

43. Het gebeurt nochtans dat een woning wordt aangewend voor een gemengd gebruik; gedeeltelijk als privé­woning gebruikt, bevat zij evenzeer in het geheel geïntegreerde lokalen die worden gebruikt voor beroepsdoeleinden (bijvoorbeeld, een titularis van een vrij beroep die zijn kabinet in zijn privé­woning heeft ingericht; een kleinhandelaar die er zijn winkel heeft geïnstalleerd; een ambachtsman die er over een atelier beschikt; een landbouwer die in het gebouwencomplex van de boerderij zijn privé­woning heeft).

44. De nieuwe bepaling maakt het, voor de tarifering van de beoogde handelingen, noodzakelijk een onderscheid te maken naargelang in een dergelijk gebouw de privé­aanwending al dan niet overwegend is in verhouding tot het geheel.

45. Indien de privé­aanwending overwegend is en de beroepsaanwending bijkomstig, en voor zover de onroerende handelingen worden uitgevoerd aan het geheel van het gebouw (inzonderheid in geval van verbouwen), dan mag het verlaagd tarief van 6 pct. eenvormig worden toegepast op het geheel van de werken. Het is slechts voor de te verrichten aftrek dat de belastingplichtige noodzakelijkerwijze het gedeelte van de beroepsbestemming zal moeten bepalen, vermits dat gedeelte alleen recht op aftrek geeft. Indien daarentegen de werken uitsluitend worden uitgevoerd aan beroepslokalen (bijvoorbeeld, inrichtingswerken beperkt tot deze lokalen), dan is de belasting verschuldigd tegen het tarief van 17 pct., aangezien deze werken geen betrekking hebben op de woning in de strikte betekenis van het woord.

46. Indien de privé­bestemming bijkomstig is omdat de beroepslokalen in het geheel van het gebouw het belangrijkste deel uitmaken, blijft het verlaagd tarief van 6 pct. beperkt tot de werken die betrekking hebben op de privé­woning, zelfs indien de uitvoering van het werk op het ganse gebouw slaat. In dit laatste geval is een uitsplitsing van de globale prijs van de werken vereist voor de omslag van de tarieven in functie van het privé­gedeelte en van het beroepsgedeelte. In dit opzicht dient opgemerkt dat de toepassing van het verlaagd tarief voor de privé­woning lokalen onderstelt die geschikt zijn voor een blijvende bewoning, hetgeen inzonderheid de kleine ruimte uitsluit die zich bevindt achter een winkel (winkelkamer) of elk ander dergelijk lokaal dat hoofdzakelijk bestemd is voor de exploitatie.

47. Om te bepalen of, binnen de woning, de privé­aanwending al dan niet overheersend is, zal men zich richten naar het in dit opzicht aangenomen standpunt inzake inkomstenbelastingen, meer bepaald met betrekking tot de aftrek van de algemene onkosten. In ieder geval is het aangewezen voor de toepassing van de BTW op deze basis het percentage van de privé­aanwending in verhouding tot het geheel vast te stellen.

Appartementsgebouw.

48. Voor het bepalen van het toe te passen tarief in geval van onroerende handelingen die worden verricht, hetzij aan de gemeenschappelijke delen van het gebouw, hetzij aan de privatieve delen met betrekking tot de appartementen, moet de toestand appartement per appartement worden beoordeeld, overeenkomstig de aan elk appartement gegeven bestemming en rekening houdend met het onderscheid en de regels uiteengezet in deze aanschrijving.49. Indien, meer bepaald, werken worden uitgevoerd aan de gemeenschappelijke delen van het gebouw (bijvoorbeeld, vervanging of onderhoud van een lift), en indien elke medeëigenaar in de kosten bijdraagt in functie van zijn onverdeeld deel in de gemeenschappelijke delen, hangt het tarief van de belasting verschuldigd op ieders deel in de kosten af van de bestemming die hij aan zijn appartement heeft gegeven.

Verhuurde woningen.

50. Wat de verhuurde woningen betreft, mag het werk in onroerende staat zowel worden verricht in opdracht van de eigenaar als in opdracht van de huurder. In beide gevallen dient er rekening te worden gehouden met de bestemming die aan het onroerend goed wordt gegeven na het tijdstip van de uitvoering van de werken (privé­woning, gebouw bestemd voor gemengd gebruik) en moeten, voor het bepalen van het tarief, de hierboven uiteengezette regels worden toegepast ongeacht of het werk aan de eigenaar dan wel aan de huurder wordt gefactureerd. Voor de toepassing van de nieuwe regeling is het immers het "gebruik" van het onroerend goed dat in aanmerking moet worden genomen en niet het statuut van de persoon die juridisch gezien de opdrachtgever van het werk is, voor zover deze laatste uiteraard de hoedanigheid van eindverbruiker heeft (z. afdeling 3).

Garages.

51. Op zichzelf zijn garages geen woningen die worden gebruikt als huisvesting. De eraan verrichte onroerende handelingen zijn derhalve principieel onderworpen aan het tarief van 17 pct.

Dit is evenwel niet het geval wanneer een garage geïntegreerd is in een woning of wanneer, zelfs indien ze er niet aan grenst, ze deel uitmaakt van de woning door het onmiddellijke nut dat ze voor de eigenaar (of zijn huurder) meebrengt. In een dergelijk geval is het verlaagd tarief van toepassing zelfs voor de oprichting van deze garage die beschouwd wordt als zijnde een verbetering aan de woning waarbij zij nauw samenhoort.

Tuinaanleg en het oprichten van afsluitingen. Zwembaden en dergelijke installaties.

52. Het voordeel van het verlaagd tarief is voorbehouden aan onroerende handelingen met betrekking tot woningen en is gericht op privé­woningen. Het voordeel is derhalve niet van toepassing voor handelingen betreffende de grond die het gebouw omgeeft, alsook voor bepaalde installaties die geen deel uitmaken van de eigenlijke woning [Er wordt opgemerkt dat toeganswegen, muurtjes en buitenterrassen beschouwd worden als deel uitmakend van de woning.].

53. Om iedere twijfel dienaangaande te voorkomen, wordt in § 3 van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het voornoemd koninklijk besluit nr. 20 de toepassing van het verlaagd tarief uitgesloten:

1° voor werk in onroerende staat, zoals tuinaanleg en bebouwingswerkzaamheden verricht aan privé­gronden, alsook voor het oprichten van afsluitingen;

2° voor werk in onroerende staat dat tot voorwerp heeft de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties (vijvers, fonteinen, enz.).

Onderafdeling 2.­­Bestemming van de beoogde handelingen voor een gebouw van tenminste twintig jaar.
Algemeenheden.

54. Het verlaagd tarief is slechts van toepassing voor zover de bedoelde handelingen verricht worden aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming tenminste twintig jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van verschuldigdheid van de BTW dat zich voordoet overeenkomstig artikel 22 van het Wetboek.

55. Deze beperking wordt gerechtvaardigd door de bezorgdheid de verbetering, de renovatie en het in goede staat houden van oude gebouwen of ouder wordende gebouwen te bevorderen; anderzijds sluit ze al de werken aan gebouwen van minder dan twintig jaar uit en inzonderheid de voltooiing van nieuwe of recente gebouwen die door de eigenaars na de eigenlijke oprichting werd uitgesteld.

Datum van de eerste ingebruikneming.

56. De datum van de eerste ingebruikneming is die welke de aanvang van de werkelijke ingebruikneming van het gebouw aanduidt en uit dien hoofde in aanmerking werd genomen om de procedure tot vaststelling van het eerste kadastraal inkomen en de eerste aanslag inzake onroerende voorheffing te bewerkstelligen. Deze datum situeert zich, in principe, in de loop van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarvoor het gebouw voor het eerst werd opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing.

Voorbeeld. De eerste ingebruikneming van een gebouw vond plaats op 8 oktober 1966. Het eerste aanslagjaar waarvoor de onroerende voorheffing wordt ingekohierd, aanslagjaar dat overeenstemt met het belastbaar jaar, is het aanslagjaar 1967.

57. Er wordt opgemerkt dat het tijdstip van de eerste ingebruikneming als uitgangspunt dient genomen, ongeacht de oorspronkelijke bestemming, beroeps of privé, van het gebouw.

Eerste tijdstip van verschuldigdheid van de belasting.

58. Overeenkomstig artikel 22 van het BTW­Wetboek is de belasting verschuldigd naarmate van het vervallen, betalen of factureren van voorschotten en uiterlijk op het tijdstip waarop de dienst is voltooid (z. nrs. 91 tot 93). Het eerste tijdstip van verschuldigdheid van BTW op de onroerende handeling is bijgevolg het tijdstip dat, meestal wegens betaling van het eerste voorschot, voor het eerst aanleiding heeft gegeven tot de verschuldigdheid van de belasting op deze handeling.

Berekeningswijze van de ouderdom van het gebouw.

59. Om de ouderdom van het gebouw te bepalen dient, principieel, enerzijds de datum van de eerste ingebruikneming van dat gebouw te worden nagegaan, en anderzijds het eerste tijdstip van verschuldigdheid van BTW op de betreffende onroerende handeling. Indien de periode tussen deze twee data tenminste twintig jaar bedraagt mag, wanneer alle andere voorwaarden vervuld zijn, het verlaagd tarief toegepast worden op die handeling.

Voorbeeld.

60. Een verbouwing aan een woning geeft voor het eerst aanleiding tot een verschuldigdheid van BTW wegens betaling van een voorschot op 8 oktober 1986, datum waarop bij toepassing van artikel 22 van het Wetboek, de BTW verschuldigd wordt over dit voorschot. De eerste datum van ingebruikneming die in aanmerking kan worden genomen voor de toepassing van het verlaagd tarief is 8 oktober 1966. Het gebouw zou dus voor de eerste maal in gebruik moeten genomen zijn vóór 9 oktober 1966.

Administratieve toegeving.

61. Het is soms moeilijk, op een dag of maand na, de datum van de eerste ingebruikneming van het gebouw te bepalen, te meer daar deze ingebruikneming progressief kan plaatsgehad hebben. Er wordt dan ook aangenomen dat, voor de handelingen waarvoor het tijdstip van verschuldigdheid van BTW zich situeert tussen 1 augustus en 31 december 1986, de termijn van twintig jaar is nageleefd wanneer het gebouw voor de eerste maal in gebruik werd genomen in de loop van het jaar 1966. Dezelfde praktische regel zal van toepassing zijn voor de volgende jaren.

62. Zo mag ook, wanneer de BTW geheven wordt tegen het tarief van 17 pct. over een eerste voorschot op een tijdstip waarop het gebouw minder dan twintig jaar geleden in gebruik werd genomen, het tarief van 6 pct. toegepast worden over de volgende voorschotten of over het saldo van de prijs indien daarover de BTW verschuldigd wordt na het verstrijken van de termijn van ingebruikneming van twintig jaar.

Appartementsgebouwen.

63. Voor de onroerende handelingen verricht aan de gemeenschappelijke delen van een appartementsgebouw waarop het stelsel van medeëigendom van toepassing is, wordt, voor het bepalen van de ouderdom van dit gebouw, aanvaard dat rekening wordt gehouden met de datum van ingebruikneming van het eerste appartement. Zodoende geldt de vastgestelde termijn van twintig jaar eenvormig voor het geheel van het gebouw.

64. Er wordt opgemerkt dat deze vereenvoudigingsmaatregel niet van toepassing is voor de werken uitgevoerd aan de privatieve delen van elk appartement, in welk geval de termijn van twintig jaar afzonderlijk per appartement moet worden beoordeeld.

Het bekomen van gegevens omtrent de ouderdom van het gebouw.

65. Ernstige twijfel omtrent de ouderdom van een woning kan slechts bestaan in het geval dat die ouderdom rond de twintig jaar schommelt en men niet met zekerheid weet of deze termijn al dan niet wordt overschreden.

66. In dergelijk geval, en bij gebrek aan andere elementen om die ouderdom na te gaan, kan de belanghebbende zich wenden tot het BTW­controlekantoor van het ambtsgebied waarin het gebouw is gelegen of tot het kantoor van het Kadaster waarvan dat gebouw afhangt.

Afdeling 3. Heffingsfase van het verlaagd tarief.
Algemeenheden.

67. Opdat het verlaagd tarief van toepassing zou zijn op de handelingen bedoeld in de eerste afdeling, met betrekking tot gebouwen beoogd in afdeling 2, moeten deze handelingen bovendien verstrekt en gefactureerd worden aan een eindverbruiker door een persoon die, op het tijdstip van het sluiten van het aannemingscontract, geregistreerd is als zelfstandig aannemer overeenkomstig artikel 299bis van het Wetboek der inkomstenbelastingen (tabel A, rubriek XXXI, § 1, 4°).

Geregistreerde dienstverrichter.

68. Het verlaagd tarief is slechts van toepassing wanneer de beoogde handeling verstrekt en gefactureerd wordt door een aannemer die zijn registratie heeft verkregen voor de onroerende handelingen die hij uitvoert en die voor het bekomen van die registratie zijn betrouwbaarheid en fiscale solvabiliteit heeft moeten aantonen.

69. Dit registratienummer is een specifiek nummer voor aannemers van werk in onroerende staat en verschilt van hun BTW­registratienummer. Het is dus aangewezen dat ieder persoon die opdracht geeft tot het uitvoeren van een werk in onroerende staat dat in aanmerking kan komen voor het voordeel van het verlaagd tarief, eerst nagaat bij de aannemer met wie hij wenst te onderhandelen of deze een registratienummer heeft. Dit nummer moet trouwens voorkomen op alle handelsdocumenten en fiscale stukken die aan de klanten worden uitgereikt.

Begrip eindverbruiker.

70. Voor de toepassing van de nieuwe regeling moet onder eindverbruiker worden verstaan de persoon die een zakelijk recht (eigendom, vruchtgebruik, enz.) of een recht van genot (inzonderheid als huurder) bezit op de woning die hij geheel of gedeeltelijk als privé­woning gebruikt, zonder van die woning een specifieke exploitatie of een bijhorigheid van een beroepswerkzaamheid te maken.

71. In de meeste gevallen is dus in de relatie tussen de aannemer belast met de uitvoering van de werken en de eigenaar, bouwheer, het verlaagd tarief van toepassing. Het heeft dienaangaande geen belang dat de woning wordt bewoond door de eigenaar of dat ze door hem wordt verhuurd, noch dat het gaat om een eerste woning dan wel om een tweede verblijf.

72. Anderzijds is er geen enkel bezwaar dat een huurder, een vruchtgebruiker of ieder ander persoon die het genot heeft van een woning zelf opdracht geeft voor de uitvoering van onroerende handelingen aan dit onroerend goed en voor die handelingen het verlaagd tarief geniet, net alsof zij voor rekening van de eigenaar werden uitgevoerd.

Uitsluiting van het verlaagd tarief voor de onderaannemers.

73. Wanneer een aannemer het geheel of een gedeelte van de werken die hem door de eindverbruiker werden toevertrouwd in onderaanneming geeft, dan is in de relatie tussen de aannemer en zijn onderaannemer de belasting verschuldigd tegen het tarief van 17 pct. Dit geldt meer algemeen voor alle onroerende handelingen die worden verricht in een fase die voorafgaat aan die waarin de handelingen kunnen worden onderworpen aan het verlaagd tarief, nl. de fase waarin de handelingen worden verstrekt aan de eindverbruiker.

Uitsluiting van het verlaagd tarief voor de exploitanten van een inrichting voor het verschaffen van logies of voor ondernemingen die van het verschaffen van logies een bijhorigheid van hun beroepswerkzaamheid maken.

74. De onderneming die aan personen onderdak verschaft ter uitvoering van een huisvestingscontract als bedoeld in artikel 18, § 1, 10°, van het Wetboek kan, onder voorbehoud van hetgeen wordt uiteengezet onder de nummers 77 en volgende, niet als eindverbruiker worden aangemerkt. Inzonderheid de exploitanten van hotelinrichtingen zijn aldus van het voordeel van het verlaagd tarief uitgesloten.

75. Wanneer een onderneming binnen haar bedrijfsinstallatie een woning ter beschikking stelt aan een personeelslid en indien is aangetoond dat het gebruik van genoemde woongelegenheid strikt verantwoord is voor de behoeften van de onderneming (b.v. conciergewoning) en het kader van deze behoeften niet wordt overschreden, wordt de desbetreffende woning in feite aangewend voor beroepsdoeleinden en heeft de onderneming voor deze woning niet de hoedanigheid van eindverbruiker. Wanneer daarentegen een onderneming aan een personeelslid of aan een beheersorgaan lokalen ter beschikking stelt welke door deze persoon worden gebruikt als privé­woning, zonder dat het gebruik van deze woning door de betrokkene strikt verantwoord is voor de behoeften van de onderneming, kan deze laatste voor deze woning de hoedanigheid van eindverbruiker hebben (z. BTW­Revue nr. 60, blz. 433, nr. 807).

Ondernemingen die gebouwen renoveren om ze te verkopen of te verhuren.

76. Ondernemingen die oude woningen, waarvan ze eigenaar zijn ingevolge aankoop of een andere wijze van verwerving, renoveren en daarna verkopen of verhuren, kunnen, in de geest van de nieuwe regeling, aangemerkt worden als eindverbruiker zonder dat er nog een onderscheid hoeft gemaakt te worden naargelang ze deze gebouwen bestemmen voor de verhuur of de verkoop. Het tarief van 6 pct. mag dus worden toegepast op de renovatiewerken voor zover ze betrekking hebben op gebouwen welke tenminste sedert twintig jaar in gebruik zijn genomen.

Gelijkstelling met eindverbruiker van bepaalde instellingen met sociaal karakter.

77. Niettegenstaande bepaalde instellingen zoals tehuizen voor bejaarden, gehandicapten of minderjarigen, internaten van scholen of universiteiten, in principe niet kunnen aangemerkt worden als eindverbruiker gelet op de huisvesting die ze bieden, wordt hen, om reden van hun sociaal karakter, deze hoedanigheid toch toegekend voor de beoogde handelingen verricht aan gebouwen gebruikt voor huisvesting.

78. Kunnen dus genieten van het verlaagd tarief, onder de algemene voorwaarden van de nieuwe regeling:

1° de verblijfinrichtingen voor bejaarden in de zin van artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 juli 1966 op de rustoorden voor bejaarden (z. ook het Decreet van 10 mei 1984 (Belgisch Staatsblad van 15 juni 1984) wat de Franse Gemeenschap betreft, en het Decreet van 5 maart 1985 (Belgisch Staatsblad van 30 augustus 1985) voor de Vlaamse Gemeenschap);

2° de instellingen welke, met een internaatstelsel, op duurzame wijze gehandicapten opnemen die een tegemoetkoming van het Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten genieten;

3° de internaten die zijn toegevoegd aan scholen of universiteiten of die ervan afhangen;

4° de jeugdbeschermingstehuizen welke met een internaatstelsel op duurzame wijze minderjarigen opnemen ingevolge de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming (tabel A, rubriek XXXI, § 2)

79. Voor de specifieke interpretatie van de voorwaarden gesteld voor de instellingen beoogd onder 1° tot 3°, wordt verwezen naar de commentaar hieromtrent verstrekt in aanschrijving nr 12 van 10 oktober 1984 met betrekking tot de tijdelijke bepaling welke is verstreken. Wat de jeugdbeschermingstehuizen betreft, welke nog niet beoogd werden door die bepaling, vindt men in bijlage 2 een bondige commentaar

80. De aandacht wordt evenwel gevestigd op het feit dat de toepassing van het verlaagd tarief voor deze instellingen, net zoals voor elke andere eindverbruiker, thans beperkt is tot de handelingen beoogd door de nieuwe regeling.

Afdeling 4. Vormvoorwaarden op het stuk van de facturering.
Algemeenheden.

81. In de onderstelling dat de grondvoorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief vervuld zijn (z. afdelingen 1 tot 3 hierboven), kunnen de beoogde handelingen slechts dit tarief genieten wanneer de factuur uitgereikt door de aannemer en het dubbel dat hij bewaart, melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van dit tarief rechtvaardigen. Aangezien van bepaalde van deze elementen enkel de afnemer kennis heeft, dient deze laatste aan de aannemer een bewijs te geven van het voorhanden zijn ervan. Behalve in geval van samenspanning tussen de partijen en/of klaarblijkelijk niet naleven van de nieuwe regeling, ontlast het attest van de afnemer de aannemer van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief (tabel A, rubriek XXXI, § 1, 5°).

I. Facturering.

Verplichte vermeldingen op de factuur.

82. De uitgereikte factuur en het dubbel moeten op nauwkeurige wijze de nodige vermeldingen bevatten, inzonderheid om te kunnen nagaan:

1° of de handelingen werk in onroerende staat zijn of ermee worden gelijkgesteld (z. eerste afdeling);

2° of de uitgevoerde werken wel degelijk de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, behalve de reiniging, van een bestaande woning tot doel hebben (z. eerste afdeling);

3° of deze woning dienstig is, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privé­woning (z. afdeling 2);

4° of de eerste ingebruikneming ervan tenminste twintig jaar geleden gebeurde (z. afdeling 2);

5° of de aannemer wel degelijk geregistreerd is (vermelding van het registratienummer) en of zijn klant wel degelijk eindverbruiker is (z. afdeling 3).

83. Wat nr. 82, 1°, betreft moet uit de omschrijving van de aard van de handeling duidelijk blijken of het ter zake een onroerende handeling betreft dan wel een levering die onderworpen blijft aan het tarief dat van toepassing is op het goed dat er het voorwerp van uitmaakt. Inzonderheid zal er dus worden gespecifieerd of de handeling bestaat in een levering met plaatsing (b.v. levering en plaatsing van deuren en vensterramen, levering en plaatsing van op maat gesneden vasttapijt).

Bijzondere vermeldingen betreffende de bestemming van de werken aan het gebouw.

84. De bijzondere bestemming van de werken aan een woning dient te worden aangeduid door formuleringen als :

  • werken verricht aan een woning in gebruik genomen sedert tenminste twintig jaar;
  • werken verricht aan een privé­woning;
  • werken verricht aan het geheel van een onroerend goed hoofdzakelijk gebruikt als privé­woning;
  • werken verricht aan het privé­gedeelte van een onroerend goed voor gemengd gebruik;
  • werken verricht aan het geheel van een onroerend goed hoofdzakelijk gebruikt voor beroepsdoeleinden (in dit geval moet de factuur afzonderlijk de maatstaf van heffing te belasten tegen het tarief van 6 pct. en die te belasten tegen het tarief van 17 pct. vermelden).
Om een latere controle te vergemakkelijken zal telkens de plaats worden aangeduid waar het onroerend goed is gelegen (gemeente, straat en nr.).

85. Er wordt op gewezen dat wanneer de werken tegelijk aan het privé­ en aan het beroepsgedeelte van een onroerend goed voor gemengd gebruik worden verricht, en de afnemer een belastingplichtige is gehouden tot het indienen van periodieke BTW­aangiften, de belasting die over die werken is verschuldigd voor het geheel van de handeling door die aannemer moet worden voldaan krachtens artikel 17bis van het koninklijk besluit nr.1. In dat geval moet de aannemer noch het tarief noch het bedrag van de verschuldigde belasting op de factuur vermelden, maar dient hij er de vermelding "Belasting te voldoen door de medecontractant ­­ Koninklijk besluit nr. 1, art. 17bis, , op aan te brengen (kon. besl. nr. 1, art. 17bis, 3). In dit geval dient de afnemer zelf de maatstaven van heffing op de factuur te vermelden, de verschuldigde BTW in zijn aangifte op te nemen en er de aftrek met betrekking tot het beroepsgedeelte in uit te oefenen.

II. Het attest van de aannemer.

Nut van het attest voor het bepalen van het tarief.

86. Het attest van de aannemer is slechts vereist voor zover dit attest nodig is om aan de aannemer de elementen waarover deze zelf niet beschikt te verschaffen ter rechtvaardiging van het verlaagd tarief. Dit is inzonderheid het geval wat de definitieve bestemming gegeven aan het gebouw (privé­woning, uitsluitend of hoofdzakelijk, enz.) betreft en vooral wat de ouderdom van het onroerend goed betreft (tenminste 20 jaar of niet).

Het attest van de afnemer moet dus dezelfde vermeldingen bevatten als deze welke zijn opgesomd onder nr. 84 en die de aannemer op zijn factuur zal opnemen. Voor het overige is het toegestaan gat dit attest door de afnemer wordt aangebracht op het dubbel van de factuur van de aannemer.

Uiteraard moet het attest worden ondertekend door de afnemer en mag het slechts juiste inlichtingen bevatten.

De afgifte van het attest door de afnemer aan de aannemer vormt geen voorwaarde op zich voor de toepassing van het verlaagd tarief. De afwezigheid van een attest doet bijgevolg, in de gevallen waarin de aannemer over een voldoende kennis van de toestand beschikt, geen afbreuk aan de toepassing van het verlaagd tarief, die vanzelfsprekend aan de hand van een factuur zoals omschreven onder nr. 84 hierboven moet gestaafd zijn; hoe dan ook, in geval van afwezigheid van een attest is de aannemer niet ontheven van zijn aansprakelijkheid wat de toepassing van het verlaagd tarief betreft.

Mede-aansprakelijkheid van de aannemer en de klant.

87. In principe is de medecontractant van de leverancier of van de dienstverrichter met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting, wanneer de factuur onjuiste vermeldingen bevat ten aanzien van de naam en het adres van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten, de prijs of het toebehoren ervan, of het bedrag van de op de handeling verschuldigde belasting niet of onjuist vermeldt (z. BTW-Wetboek, art. 53).

88. Wanneer verkeerdelijk het tarief van 6 pct. op de factuur werd vermeld, in het bijzonder ten gevolge van onjuiste aanwijzingen betreffende de aard en de bestemming van de belastbare handeling, heeft de administratie bijgevolg de mogelijkheid om de bijkomende belasting zowel van de aannemer als van de medecontractant te vorderen. Wanneer de aannemer niet bij machte is op objectieve wijze het tarief van de verschuldigde belasting te bepalen en voor zover hij aan de afnemer een attest heeft gevraagd op basis waarvan hij de verschuldigde belasting heeft bepaald, wordt hij overeenkomstig de nieuwe bepaling ontlast van zijn aansprakelijkheid, behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet naleven van de regeling; die aansprakelijkheid wordt, voor de invordering van een aanvullende belasting, gelegd bij de afnemer.

89. Er dient evenwel te worden opgemerkt dat in de gevallen waarin bij toepassing van artikel 17bis van het koninklijk besluit nr. 1 de belasting door de medecontractant van de aannemer moet worden voldaan, de invordering in ieder geval ten laste van deze medecontractant wordt ingesteld (z. Wetboek, art. 53, § 1, derde lid).

Afdeling 5.­­Handelingen in uitvoering. Toepassing van het oud of het nieuw tarief.
90. Om te bepalen of de bedoelde onroerende handelingen onderworpen zijn aan de oude regeling van de tijdelijke bepaling die verstreken is op 31 juli 1986 of aan de nieuwe regeling van kracht sedert 1 augustus 1986, moet overeenkomstig artikel 38, § 1, eerste en tweede lid, van het BTW­Wetboek, rekening worden gehouden met het belastbaar feit en met de andere in de artikelen 17 en 22 van dit Wetboek bepaalde oorzaken van verschuldigdheid van de belasting.

91. Voor werk in onroerende staat en de daarmee gelijkgestelde handelingen is de belasting verschuldigd uiterlijk op het tijdstip waarop de dienst is voltooid, dit wil zeggen op het tijdstip dat het werk of de werkzaamheden ter voldoening van de opdrachtgever van het werk volledig zijn voltooid (z. Wetboek, art. 22, § 2, eerste lid).

92. Wanneer evenwel de prijs of een deel ervan voor dat tijdstip wordt gefactureerd of ontvangen, dan wordt de belasting over het gefactureerde of ontvangen bedrag verschuldigd, al naar het geval, op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of op het tijdstip van de incassering (z. Wetboek, art. 22, § 2, tweede lid).

93. Bovendien wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip waarop) de prijs of een deel ervan contractueel moet worden voldaan, wannneer dat tijdstip voorafgaat aan de hierboven vernoemde tijdstippen (z. Wetboek, art. 22, § 2, derde lid).

94. Deze verscheidene tijdstippen, die de datum bepalen waarop de belasting verschuldigd wordt over ieder voorschot of over het saldo van de prijs, zijn bepalend of de oude dan wel de nieuwe regeling toepasselijk is. De belasting die vóór 1 augustus 1986 verschuldigd is geworden, dient volgens de oude regeling te worden berekend, terwijl de belasting die verschuldigd wordt vanaf 1 augustus 1986 volgens de nieuwe regeling wordt berekend.

95. Voorbeelden.

1° Ten aanzien van werk in onroerende staat dat strekt tot de oprichting van een woning wordt de BTW, wegens het vervallen, factureren of incasseren van verschillende voorschotten, verschuldigd vóór 1 augustus 1986. Andere voorschotten en het saldo van de prijs vervallen, worden geïncasseerd of gefactureerd na 31 juli 1986. Voor deze laatste voorschotten en het saldo van de prijs moet de BTW berekend worden tegen het tarief van 17 pct., daar de handelingen die strekken tot de oprichting van een gebouw in de nieuwe regeling uitgesloten zijn van het verlaagd tarief.

2° Ten aanzien van een werk in onroerende staat met als doel de installatie van een centrale verwarming in een gebouw van minder dan twintig jaar wordt de BTW, wegens het vervallen, factureren of incasseren van een voorschot, verschuldigd vóór 1 augustus 1986. Het saldo van de prijs is vervallen, gefactureerd of geïncasseerd bij het beëindigen van de werken en dit na 31 juli 1986. Het saldo van de prijs zal onderworpen zijn aan het tarief van 17 pct. daar in de nieuwe regeling het tarief van 6 pct. niet van toepassing is voor gebouwen van minder dan twintig jaar.

3° Zelfde geval als het voorgaande, maar het werk wordt uitgevoerd aan een gebouw van tenminste twintig jaar. De belasting van 6 pct. zal van toepassing zijn zowel op het eerste voorschot als op het saldo van de prijs. In dergelijke gevallen is er een continuïteit tussen de oude en de nieuwe regeling.

Afdeling 6. Globale Vergelijking tussen de oude en de nieuwe regeling.
96. De nieuwe regeling is identiek aan de oude wat het begrip woningen betreft daadwerkelijk, hetzij uitsluitend hetzij hoofdzakelijk, gebruikt als privé­woning. Maar ze wijkt van de vorige regeling af wat de beperking van de toepassing van het verlaagd tarief betreft tot bepaalde onroerende handelingen en tot sommige van de bedoelde gebouwen, zoals door navolgende vergelijkende tabel wordt aangetoond.

Onroerende handelingen met betrekking tot een woning gebruikt als privé-woning, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk
Aard van de onroerende handelingenOud
tarief

Nieuw
tarief
1. Levering van nieuwe gebouwen beoogd in artikel 9, § 3, van het Wetboek. 6 pct.17 pct.
2. Het bouwen dat de oprichting van een nieuw gebouw tot voorwerp heeft 6 pct.17 pct.
3. Reinigingswerken met betrekking tot een woning 6 pct.17 pct.
4. Studiewerk en toezicht behorende tot de geregelde werkzaamheid van architecten, ingenieurs en landmeters ter coördinatie van onroerende handelingen 6 pct.17 pct.
5. omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud (behalve reiniging)
1° verricht aan een woning in gebruik sedert minder dan 20 jaar6 pct.17 pct.
2° verricht aan een woning in gebruik sedert ten minste 20 jaar6 pct.6 pct.(1)
(1) Op voorwaarde dat de beoogde handelingen worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker door een geregistreerde aannemer (nieuwe voorwaarden) en het voorwerp uitmaken van een regelmatige facturering op grond van een attest van de afnemer.
Instellingen met sociaal karakter.

97. De verschillen inzake tarifering voor woningen, opgenomen in voorgaande label, zijn mutatis mutandis van toepassing voor de lokalen dienstig voor de huisvesting van bejaarden, gehandicapten, leerlingen en studenten, en minderjarigen in instellingen die voldoen aan de voorwaarden beoogd in tabel A, nieuwe rubriek XXXI, § 2, van de bijlage bij voornoemd koninklijk besluit nr. 20.

98. Er wordt echter opgemerkt dat de jeugdbeschermingstehuizen die met internaatstelsel op duurzame wijze minderjarigen huisvesten ingevolge de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, onder de vroegere tijdelijke bepaling geen enkele gunstregeling inzake BTW genoten. Zij kunnen voortaan voor de handelingen beoogd onder nr. 5, 2°, van voorgaande tabel (z. nr. 96), zich beroepen op het verlaagd tarief van 6 pct. (in plaats van 17 pct. dat tot 31 juli 1986 op deze handelingen van toepassing was).

* * * * *

99. Onderhavige aanschrijving vervangt vanaf 1 augustus 1986 de aanschrijving nr. 7 van 10 maart 1982, die de eerste tijdelijke bepaling toepasselijk in de bouwsector toelichtte.

De aanschrijving nr. 12 van 10 oktober 1984, die de verlenging van de tijdelijke bepaling met uitbreiding tot bepaalde instellingen van sociale aard toelicht, behoudt, wat het hoofdstuk II ervan betreft, een zekere actualiteit voor zover de algemene en bijzondere toepassingsvoorwaarden van het verlaagd tarief voor die instellingen erin worden gepreciseerd en in de mate dat dit verlaagd tarief onder de nieuwe regeling behouden blijft. Onder hetzelfde voorbehoud blijft de maatregel ter vereenvoudiging, toegestaan onder de nrs. 6 en 7 van die aanschrijving voor de syndici van appartementsgebouwen, behouden en wordt overigens gecombineerd met de regeling ter vereenvoudiging bedoeld in nr. 63 van onderhavige aanschrijving, voor het bepalen van een uniforme ouderdom van het appartementsgebouw om de werken verricht aan de gemeenschappelijke delen te belasten.



Bijlage I
Handelingen uitdrukkelijk aangemerkt als werk in onroerende staat overeenkomstig de nummers 5 tot 8 van rubriek II van tabel B van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 (zie nrs. 17, 2°, en 22 van onderhavige aanschrijving).
1. Onafhankelijk van het eigenlijke werk in onroerende staat, beperkt wat hun doel betreft (z. onderhavige aanschrijving, nrs. 17, 1°, 19 tot 21 inbegrepen, en 25 en volgende), is het verlaagd tarief van 6 pct. eveneens van toepassing, voor zover aan de andere voorwaarden van deze gunstregeling is voldaan (nl. dat de handelingen de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning, in gebruik genomen sedert tenminste twintig jaar, tot voorwerp hebben), ten aanzien van handelingen gelijkgesteld met dergelijk werk overeenkomstig de nummers 5 tot 8 van rubriek II van tabel B van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970.

2. Hierna volgt een toelichting omtrent de aard van de handelingen gelijkgesteld met werk in onroerende staat overeenkomstig de nummers 5 tot 7 van bovengenoemde rubriek II. De terbeschikkingstelling van personeel, als bedoeld onder nummer 8 van deze rubriek brengt geen specifieke moeilijkheden met zich mee.

I. Centrale verwarming en airconditioning.

3. Wordt bedoeld elke handeling waarbij worden geleverd en aangehecht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming tenminste twintig jaar geleden plaatsvond, de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming of airconditioning, daaronder begrepen de branders, de reservoirs en de regel­ en controletoestellen verbonden aan de ketels of aan de radiatoren. Er dient geen onderscheid te worden gemaakt naargelang de betreffende woning nog niet was voorzien van een dergelijke installatie of naargelang de handeling daarentegen de vervanging van een gehele of een gedeeltelijke bestaande installatie tot voorwerp heeft.

4. Onder centrale verwarming wordt verstaan elk verwarmingssysteem dat erin bestaat warmte te verspreiden in één of meerdere lokalen door middel van verschillende toestellen verbonden aan een enige warmtebron, ongeacht de aard van deze laatste: gas, elektriciteit, zonneënergie, windenergie of een andere vernieuwbare bron van energie. Het systeem "minichauffage" genaamd, dat erin bestaat de warmte, voortgebracht door een speciale kachel, in verschillende kamers te verspreiden door middel van radiatoren die aan die kachel zijn verbonden, beantwoordt aan de gestelde voorwaarden.

5. Alhoewel ze niet strikt beantwoorden aan het begrip "centrale verwarming", gelet op het feit dat voor hun werking geen beroep wordt gedaan op een enige warmtebron, dienen sommige moderne verwarmingssystemen van woningen, ten aanzien van de toepassing van de BTW­tarieven, als centrale verwarming te worden beschouwd om reden van de kenmerken die ze vertonen (algemene verspreiding van de installatie in de woning, definitief karakter van plaatsing en aanpassing aan de verwarming van de woning door de individuele of gecentraliseerde programmering van de warmtespreiding) en die ze bestemmen voor het verwarmen van de totaliteit of in ieder geval de quasi­totaliteit van de woning (eengezinswoning of appartement, volgens het geval) Deze verwarmingssystemen kunnen, gezien hun integratie in het gebouw, er niet van worden losgemaakt in geval van verkoop of verhuur.

6. Derhalve gaat de administratie ervan uit dat, voor zover ze beantwoorden aan de verschillende voorwaarden opgesomd onder nr. 5 hierboven en, in het bijzonder, voor zover ze het verwarmen van de totaliteit of tenminste de quasi­totaliteit van de woning tot doel hebben, de hierna bedoelde installaties, voor de toepassing van de BTW­tarieven, gelijk te stellen zijn met installaties van centrale verwarming

1° de installatie van verwarming met gas, in 't algemeen "geïntegreerde" of "modulaire" verwarming genaamd, waarvan te uitrusting (kanalisaties, convectoren, enz.) vastgehecht is aan het gebouw, wanneer voor de plaatsing van de verwarmingselementen openingen in de muren worden vereist ten einde de verbrande gassen via leidingen te laten ontsnappen, ofwel de aansluiting op een bestaande schoorsteen noodzakelijk is;

2° de installatie van integrale verwarming samengesteld uit verschillende warmte­accumulatoren met elektriciteit, geplaatst in verschillende lokalen, wanneer de werking van deze installatieautomatisch geregeld wordt ofwel door één of meerdere thermostaten, ofwel door een apparaat geplaatst aan de buitenzijde van een woning, zoals een peiler, die de buitentemperatuur opmeet en het opladen van elk verwarmingsapparaat regelt in functie van deze temperatuur;

3° de installatie van integrale verwarming met elektriciteit, "gemengde verwarming" genaamd, die bestaat ofwel uit een combinatie van accumulatoren en directe radiatoren of convectoren, ofwel uit een combinatie van verwarming met accumulatoren geplaatst in de grond, de zoldering of de wanden en apparaten met directe verwarming, wanneer het gaat om apparaten met een vaste aansluiting, aan de woning vastgemaakt, en de werking van de installatie geregeld wordt door één of meerdere thermostaten ofwel door een apparaat geplaatst aan de buitenzijde van de woning;

4° de installatie van integrale verwarming met elektriciteit samengesteld uit verschillende radiatoren of andere apparaten met directe verwarming, voor zover het gaat om apparaten met een vaste aansluiting en vastgemaakt aan de woning en waarvan de temperatuur kan geregeld worden ofwel door middel van één enkele thermostaat per woning, ofwel door middel van een thermostaat geplaatst in iedere kamer en die slechts de apparaten bedient die geplaatst zijn in deze kamer;

5° de installatie van integrale verwarming met electriciteit, gemengd of direct, voorzien van een systeem van luchtcirculatie, samengesteld uit apparaten met een vaste aansluiting en die vastgemaakt worden aan of ingelijfd worden in het gebouw. Dit type van installatie doet in grote mate beroep op kanalisaties en apparaten die zijn ingelijfd in de muren en de vloer en door dit feit trouwens onroerend uit hun aard worden.

7. Uitrustingen, welke niet het karakter vertonen van een installatie die op blijvende wijze verbonden is aan een woning, zijn uitgesloten van het verlaagd tarief in de onroerende sector. Zijn derhalve onderworpen aan het normale tarief:

1° de installatie bestaande uit verschillende directe verwarmingsapparaten met elektriciteit, doch zonder vaste aansluiting;

2° hout­ of kolenkachels, aangesloten op een schouw, en meer algemeen een installatie bestaande uit individuele verwarmingstoestellen waarmee één of meerdere lokalen zijn uitgerust;

3° de individuele verwarmingstoestellen gebruikt als bijkomende verwarming (m.a.w. de toestellen geplaatst in één of meerdere lokalen voorzien van een installatie van centrale verwarming of geïntegreerde verwarming en waarvan het doel bestaat of wel in de vervanging van deze installatie wanneer de klimatologische omstandigheden het toelaten het gebruik van deze achterwege te laten, ofwel te voorzien in een bijkomende warmtebron bij zeer koud weder), zelfs indien deze toestellen dezelfde brandstof of dezelfde energie benutten als de installatie van centrale verwarming of de geïntegreerde verwarming die ze vervangt of aanvult.

II. Sanitaire installatie.

8. Wordt eveneens bedoeld iedere handeling waarbij worden geleverd en aangehecht aan een woning de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een sanitaire installatie en, meer algemeen, van al de vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik aangesloten op een waterleiding of een riool.

9. Wordt aldus bedoeld de handeling waarbij buisleidingen, kranen, pompen, gootstenen, wastafels, W.C., urinoirs, bidets, voetbaden en kadkuipen worden geleverd en aan een woning worden aangehecht.

10. Aangezien een warmwatertoestel zowel de badkamer als de keuken of beide tegelijk van warm water kan voorzien is de handeling waarbij zulk een toestel wordt geleverd en aangehecht aan de betrokken woning eveneens bedoeld, ongeacht waar dat toestel in de woning wordt geplaatst en zonder onderscheid naargelang van het type van warmwatertoestel.

III. Elektrische installatie.

11. Wordt eveneens bedoeld onder rubriek II, nummer 5, van bovengenoemde tabel B, iedere handeling waarbij de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische installatie, met uitzondering van toestellen voor de verlichting en van lampen, worden geleverd en aan een woning worden aangehecht.

12. Onder verlichtingstoestellen en lampen worden inzonderheid bedoeld hanglampen, plafondlampen, luchters, wandlampen, tafellampen, nachtlampen, bureaulampen, schemerlampen en waterdichte lampen voor vochtige ruimten, kandelaren, pianolampen, réverberes, lampen op voet, fluorescentielampen en hun houders, daaronder begrepen de starters en de ballasten, enz.

13. Nochtans geniet de handeling waarbij deze toestellen voor de verlichting en de lampen terzelfdertijd worden geleverd en ingewerkt in het plafond of in een vals plafond eveneens het tarief dat van toepassing is in de onroerende sector, overeenkomstig rubriek II, nummer 4, van tabel B van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20.

IV. Elektrische belinstallatie, brand­ en alarmtoestellen, telefooninstallatie.

14. Wordt eveneens bedoeld iedere handeling waarbij de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische belinstallatie, van brandalarmtoestellen, van alarmtoestellen tegen diefstal en van een huistelefoon worden geleverd en aan een woning worden aangehecht.

15. Onder elektrische belinstallatie worden bedoeld de elektromagnetische inrichtingen die een hamertje doen trillen op een bel, alsook de trillers met zoemertoon of melodie, enz.

16. Onder de elementen van een brandalarmtoestel kunnen geciteerd worden de toestellen aangesloten op een waterleiding, toestellen met smeltveiligheden, toestellen met uitzettingskleppen, toestellen met elektrische weerstandgeleiders, toestellen met foto­elektrische cel, toestellen met detector, enz.

17. Onder de toestellen van een huistelefooncentrale kunnen die geciteerd worden waarmee een centrale is uitgerust om tussen de verschillende vertrekken van een woning te kunnen telefoneren, en de elektrische deuropener met deurtelefoon of met videofoon.

V. Kasten, gootstenen, dampkappen.

18. Wordt eveneens bedoeld iedere handeling waarbij worden geleverd en aan een woning aangehecht: opbergkasten, gootstenen, keukenkasten met ingebouwde gootsteen, onderkastjes, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken is uitgerust, alsook opbergkasten die definitief zijn ingebouwd in speciaal daartoe bestemde ruimten (ongeacht in welk lokaal).

19. De evengenoemde opsomming van goederen is beperkend. Zijn dus niet bedoeld de handelingen waarbij een koelkast, een diepvriezer, een komfoor of een fornuis met gas of elektriciteit, een vaatwasmachine, een oven, een breekmachine, een wasmachine of een linnendroogkast, enz. worden geleverd en geplaatst. Deze handelingen blijven bijgevolg onderworpen aan het tarief eigen aan de goederen waarop ze betrekking hebben (z. inzonderheid aanschr. 16/1982).

VI. Luiken, rolluiken, rolgordijnen.

20. Wordt eveneens bedoeld iedere handeling waarbij luiken, rolluiken en rolgordijnen bestemd voor de buitenkant van een woning worden geleverd en aan de woning worden aangehecht.

VII. Wandbekledingen en vloerbedekkingen.

21. Wordt eveneens aangemerkt als werk in onroerende staat iedere handeling waarbij een wandbekleding of vloerbedekking wordt geleverd en aan een woning wordt gehecht. Hierbij is het van geen belang of die bekleding of bedekking aan de woning wordt vastgehecht of eenvoudig ter plaatse op maat wordt gesneden volgens de afmetingen van de te bedekken of te bekleden oppervlakte.

22. Zijn onder meer bedoeld de handelingen waarbij terzelfdertijd wordt geleverd en geplaatst :

1° behangpapier of eender welke wandbekleding alsook het nodige materiaal om de plaatsing te doen (lijm, kalk, cement, enz.);

2° vasttapijt, balatum, linoleum of eender welke vloerbedekking, ongeacht of die bedekking is gelijmd of op een andere manier is vastgehecht of eenvoudig is neergelegd. In dit laatste geval dient de vloerbedekking ter plaatse op maat te worden gesneden volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte.

VIII. Het aanhechten, het plaatsen, het herstellen en het onderhouden.

23. Het gebeurt dat een onderneming belast is met de installatie in een woning van een goed dat ze niet zelf levert aan de afnemer. In dit opzicht wordt opgemerkt dat zo ze betrekking heeft op méér of meerdere goederen zoals bedoeld in de nrs. I tot VI hierboven en zo de aanhechting van het goed aan het gebouw begrijpt, alsook wanneer ze de plaatsing van wandbekleding of vloerbedekking onder de voorwaarden omschreven onder punt VII hierboven behelst, deze plaatsing, wat het BTW­tarief betreft, dezelfde regeling volgt als wanneer er terzelfdertijd levering en, naargelang het geval, aanhechting of plaatsing zou zijn.

24. Zijn eveneens bedoeld de herstellings­ en/of onderhoudswerken aan goederen bedoeld onder de punten I tot VII hierboven, aangehecht of geplaatst onder de hierboven omschreven voorwaarden. Voorbeelden van dergelijke herstekkings­ en onderhoudswerken zijn opgenomen onder de in het nr. 36 van onderhavige aanschrijving vermelde gevallen.



Bijlage 2
Homes voor minderjarigen onder toezicht van de jeugdrechthank.
A. Algemene toepassingsvoorwaarden.
Wat de algemene toepassingsvoorwaarden betreft welke specifiek zijn voor instellingen met een sociaal karakter wordt mutatis mutandis verwezen naar de eerste afdeling van de aanschrijving nr. 12 van 10 oktober 1984.

B. Bijzondere toepassingsvoorwaarden.
I. Omschrijving van de beoogde inrichting.

Als eindverbruiker voor de toepassing van het verlaagd tarief van 6 pct. worden vanaf 1 augustus 1986 eveneens aangemerkt de jeugdbeschermingstehuizen welke met een internaatstelsel op duurzame wijze minderjarigen opnemen ingevolge de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming.

Er wordt opgemerkt dat de aldus omschreven privaatrechtelijke instellingen genieten van de vrijstelling van de BTW krachtens artikel 44, § 2, 2°, van het BTW­Wetboek (BTW­Handleiding nr. 319, C, laatste lid).

De publiekrechtelijke inrichtingen (b.v. Rijksgestichten) zijn krachtens artikel 6 van het Wetboek geen BTW­belastingplichtige en zijn voor de toepassing van het verlaagd tarief onderworpen aan dezelfde voorwaarden als de privaatrechtelijke inrichtingen.

II. Exploitatievoorwaarden.

Om aanspraak te kunnen maken op het verlaagd tarief, moet de inrichting de volgende voorwaarden samen vervullen :

1° ze dient minderjarigen op te nemen ingevolge de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming;

2° ze dient deze personen op te nemen op een duurzame wijze met internaatstelsel;

3° ze dient met het oog op deze opname erkend te zijn door de Minister van Justitie.

III. Hoedanigheid van de minderjarigen.

Bedoeld zijn de minderjarigen die bij toepassing van de wet van 8 april 1965 aan de rechtsmacht van de jeugdrechtbank zijn onderworpen en door haar krachtens artikel 37, 3°, van voornoemde wet onder toezicht van het jeugdbeschermingscomité of van een afgevaardigde bij de jeugdbescherming uitbesteed worden bij een persoon of inrichting met het oog op hun huisvesting.

De omstandigheid dat in de bedoelde instelling, naast voormelde minderjarigen, nog andere jongeren worden opgenomen vormt, in beginsel, geen beletsel voor de toepassing van het verlaagd tarief (z. evenwel nr. 67, tweede lid, van aanschr. 12/1984).

IV. Duurzaam verblijf met internaatstelsel.

Ter zake wordt mutatis mutandis verwezen naar de nrs. 64 tot 68 van de aanschrijving nr. 12 van 10 oktober 1984.

Aangezien de inrichtingen welke in de bijlage van het in nr. V hierna genoemd koninklijk besluit van 22 november 1974 worden ingedeeld in de categorieën V : opvangtehuizen, VI : medisch­psychologische centra en VIII: huizen voor moeders, niet bestemd zijn om een duurzaam verblijf te verstrekken, kunnen zij niet genieten van de fiscale gunstmaatregel.

V. Erkenning van de inrichting.

De inrichting die minderjarigen opneemt krachtens de wet van 8 april 1965 dient bij toepassing van artikel 66 van vermelde wet te worden erkend door de Minister die de Justitie onder zijn bevoegdheid heeft.

De algemene voorwaarden voor deze erkenning zijn vastgelegd in het koninklijk besluit van 22 november 1974 (Belgisch Staatsblad van 11 december 1974 en erratum Belgisch Staatsblad van 14 mei 1975).

Zoals voor de rusthuizen voor bejaarden en de homes voor gehandicapten is het recht op toepassing van het verlaagd tarief ondergeschikt aan de beoogde erkenning. In dit opzicht wordt bijgevolg verwezen, mutatis mutandis, naar de regels vervat onder de nrs. 39 tot en met 57 van de aanschrijving nr. 12 van 10 oktober 1984.