Circulaire 2023/C/104 betreffende de inschrijving in de administratie van de aangever (EIDR)
Vervangt circulaire 2021/C/23
530.11; EIDR; inschrijving in de administratie van de aangever; kennisgeving van aanbrengen; vereenvoudigde aangifte; aanvullende aangifte; controleprogramma
FOD Financiën, 21.12.2023
Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen
Inhoudstabel
Circulaire 2023/C/104 betreffende de inschrijving in de administratie van de aangever (EIDR)
4.2. Overgangsmaatregelen betreffende vergunningen EIDR verleend vanaf 1 mei 2016
5. Aanvraag van een vergunning EIDR
5.2.1. Wijze en vorm van de aanvraag
5.2.3. Aanvaarding van de aanvraag
5.3. Vergunninghouder EIDR en douanevertegenwoordiging
6. Voorwaarden voor het verlenen van een vergunning EIDR
6.2.1. Uitsluitingen voor het gebruik van de vergunning EIDR
6.2.2. Ontheffing van de verplichting om de goederen aan te brengen
7. Verlenen van een vergunning EIDR
8. Toepassing van de vergunning EIDR
8.1. Verplichtingen van de vergunninghouder
8.2. Gegevensvereisten van de douaneaangifte
9. Opvolging van de vergunning EIDR
9.2. Toezicht door de douaneautoriteiten
9.3. Toezicht door de economische operator
BIJLAGE I: Gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aanvragen en beschikkingen (Bijlage A DWU DA)
BIJLAGE II: Ontheffing van de verplichting tot indiening van een aangifte vóór vertrek
BIJLAGE IV: Te controleren aspecten tijdens de voorafgaande audit (Guidance Simplifications 2.3.1 c)
1. Wettelijke basis
Een vergunning “inschrijving in de administratie van de aangever” wordt door de douaneautoriteiten verleend in overeenstemming met de volgende wettelijke bepalingen en administratieve richtlijnen:
- Verordening (EU) 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (DWU). In het bijzonder de artikels 22, 167, 182, 183, 194, 195, 211, 263 en 278;
- Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (DWU DA). In het bijzonder de artikels 11, 146, 149, 150, 183 en 245 en bijlage A;
- Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (DWU IA). In het bijzonder de artikels 157 en 233 tot en met 236 en bijlage A;
- Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 van de Commissie van 17 december 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 (DWU TDA). In het bijzonder de artikels 2, 21 en 55;
- Ministerieel besluit van 11 juli 2019 tot vaststelling van de datum van de tweede stap in toepassing van het koninklijk besluit van 13 maart 2016 tot vaststelling van de douaneregelingen en de modaliteiten waaronder de directe en indirecte vertegenwoordiging kunnen worden toegepast (B.S. 25/09/2019);
- UCC Guidance document “Commission staff working document – General Guidance on customs decisions”, Ref. Ares TAXUD (A2)(2016)3945564 – 8 juli 2016. Te raadplegen via de link UCC - Guidance documents (europa.eu);
- UCC Guidance document “Simplifications – Title V UCC/“Guidance for MSs and Trade ”, Ref. Ares (2022)3931719 – 25/05/2022 (verder naar verwezen als Guidance Simplifications). Te raadplegen via de link Guidance_Simplifications_- Title V UCC 2022 for publication.pdf (europa.eu);
- Nota van de Europese Commissie inzake douanevertegenwoordiging: “Customs representation in the context of simplifications and certain special procedures”, Ref. Ares TAXUD (A2)(2017)3500081 – 19 juni 2017. Te raadplegen via de link UCC - Guidance documents (europa.eu).
2. Toepassingsgebied
1. Deze circulaire beoogt de wettelijke bepalingen betreffende de vereenvoudigde procedure “inschrijving in de administratie van de aangever” (EIDR) te verzamelen en te becommentariëren. Alle goederen die bestemd zijn om onder een douaneregeling te worden geplaatst, met uitzondering van de regeling vrije zone[1], maken het onderwerp uit van een douaneaangifte tot plaatsing onder de desbetreffende regeling (artikel 158, lid 1 DWU). De houder van een vergunning EIDR kan deze aangifte indienen in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever teneinde de goederen onder één van de regelingen opgesomd in artikel 150, lid 2 DWU DA te plaatsen. De gegevens van de aangifte staan ter beschikking van de douaneautoriteiten in het elektronische systeem van de aangever op het tijdstip waarop de douaneaangifte, in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, wordt ingediend. De aangever dient vervolgens binnen een specifieke termijn bij het bevoegde douanekantoor een aanvullende aangifte in met de gegevens die vereist zijn voor de betrokken douaneregeling. De inschrijving in de administratie en de aanvullende aangifte vormen één geheel en worden geacht samen een enkele en ondeelbare akte te vormen, die geldig is vanaf de datum van inschrijving van de goederen in de administratie van de aangever.
3. Definities en afkortingen
3.1. Definities
Voor de toepassing van deze circulaire verstaat men onder:
Douaneautoriteiten: de douanediensten van de lidstaten die bevoegd zijn voor de toepassing van de douanewetgeving, en alle overige autoriteiten die krachtens het nationale recht belast zijn met de toepassing van bepaalde onderdelen van de douanewetgeving (artikel 5, punt 1 DWU);
Persoon: een natuurlijk persoon, een rechtspersoon of een vereniging van personen die geen rechtspersoonlijkheid bezit maar krachtens het Unierecht of het nationale recht wel als handelingsbekwaam is erkend (artikel 5, punt 4 DWU);
Marktdeelnemer: de persoon die zich in het kader van zijn bedrijfsvoering bezighoudt met activiteiten die onder de douanewetgeving vallen (artikel 5, punt 5 DWU);
Douanevertegenwoordiger: iedere persoon die door een andere persoon is aangewezen voor het vervullen van de in de douanewetgeving voorgeschreven handelingen en formaliteiten bij de douaneautoriteiten (artikel 5, punt 6 DWU);
Douaneaangifte: de handeling waarbij een persoon in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze het voornemen kenbaar maakt om goederen onder een bepaalde douaneregeling te plaatsen, in voorkomend geval met opgave van eventuele specifieke procedures die moeten worden toegepast (artikel 5, punt 12 DWU);
Aangever: de persoon die in eigen naam een douaneaangifte, een aangifte tot tijdelijke opslag, een summiere aangifte bij binnenbrengen, een summiere aangifte bij uitgaan, een aangifte tot wederuitvoer of een kennisgeving van wederuitvoer indient, dan wel de persoon namens wie deze aangifte of deze kennisgeving wordt ingediend (artikel 5, punt 15 DWU);
Douaneregeling: een van de onderstaande regelingen waaronder goederen overeenkomstig het wetboek (DWU) kunnen worden geplaatst (artikel 5, punt 16 DWU):
- in het vrije verkeer brengen,
- bijzondere regelingen,
- uitvoer;
Bijzondere regelingen: de regelingen zoals bepaald in artikel 210 DWU:
- douanevervoer, inhoudende extern en intern douanevervoer;
- opslag, inhoudende douane-entrepot en vrije zones;
- specifieke bestemming, inhoudende tijdelijke invoer en bijzondere bestemming;
- veredeling, inhoudende actieve en passieve veredeling;
Accijnsgoederen: goederen zoals bepaald in artikel 1 van de Richtlijn 2020/262 van de Raad van 19 december 2019 houdende een algemene regeling inzake accijns, en in artikel 2 van de Wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen;
Vrijgave van goederen: terbeschikkingstelling door de douaneautoriteiten van goederen voor de doeleinden die zijn voorzien in de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst (artikel 5, punt 26 DWU);
Douanetoezicht: de activiteiten die door de douaneautoriteiten in het algemeen worden ontplooid teneinde te zorgen voor de naleving van de douanewetgeving en, in voorkomend geval, van de andere bepalingen die op goederen onder douanetoezicht van toepassing zijn (artikel 5, punt 27 DWU);
Aanbrengen bij de douane: mededeling aan de douaneautoriteiten dat de goederen bij het douanekantoor of op enige andere, door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats zijn aangekomen en beschikbaar zijn voor douanecontrole (artikel 5, punt 33 DWU);
Controlekantoor: in geval van de inschrijving in de administratie zoals bedoeld in artikel 182 van het wetboek, het in de vergunning vermelde douanekantoor dat toeziet op de plaatsing van de goederen onder de douaneregeling in kwestie (artikel 1, punt 36, b) DWU DA);
Beschikking: elke beslissing welke verband houdt met de douanewetgeving die door een douaneautoriteit over een bepaald geval wordt genomen en die voor de betrokken persoon of betrokken personen rechtsgevolgen heeft (artikel 5, punt 39 DWU);
Vergunning: een gunstige beschikking in de zin van artikel 5, punt 39 en artikel 22 DWU (zie definitie in de Circulaire 2022/C/123 betreffende het nemen en het beheer van een beschikking inzake de toepassing van de douanewetgeving;
Vereenvoudigde procedure: een vereenvoudigde wijze voor het indienen van een douaneaangifte of voor het uitvoeren van bepaalde douaneformaliteiten (zie titel 1.3. van de Guidance Simplifications).
3.2. Afkortingen
AAFisc: Algemene administratie van de fiscaliteit
AEO: Authorised economic operator
AEO C: Authorised economic operator for customs simplifications
AES: Automated export system
AWDA: Algemene wet inzake douane en accijnzen
CDMS: Customs decisions management system
CCI: Centralised clearance for import
DWU: Douanewetboek van de Unie
DWU DA: Gedelegeerde handelingen van het douanewetboek van de Unie
DWU IA: Uitvoeringshandelingen van de het douanewetboek van de Unie
DWU TDA: Gedelegeerde overgangshandelingen van het douanewetboek van de Unie
EIDR: Entry into the declarant’s records
EORI: Economic operator registration and identification
G.E.: Gegevenselement
INF: Inlichtingenblad voor bijzondere regelingen
KIS-SIC: Klanten informatie systeem – Système d’information clients
4. Overgangsmaatregelen
4.1. Overgangsperiode ICT
4.1.1. Wettelijke bepalingen
Artikel 278 DWU
“Overgangsmaatregelen
1. Uiterlijk tot en met 31 december 2020 mogen andere middelen voor de uitwisseling en opslag van informatie dan de in artikel 6, lid 1, bedoelde elektronische gegevensverwerkingstechnieken op overgangsbasis worden gebruikt, indien de elektronische systemen die nodig zijn voor de toepassing van andere dan de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde bepalingen van het wetboek nog niet operationeel zijn.
2. Uiterlijk tot en met 31 december 2022 mogen andere middelen dan de in artikel 6, lid 1, bedoelde elektronische gegevensverwerkingstechnieken op overgangsbasis worden gebruikt, indien de elektronische systemen die nodig zijn voor de toepassing van de volgende bepalingen van het wetboek nog niet operationeel zijn:
a) de bepalingen inzake de kennisgeving van de aankomst, inzake het aanbrengen en inzake aangiften van tijdelijke opslag als bedoeld in de artikelen 133, 139, 145 en 146, en
b) de bepalingen inzake de douaneaangifte voor goederen die het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht als bedoeld in de artikelen 158, 162, 163, 166, 167, 170 tot en met 174, 201, 240, 250, 254 en 256.
3. Uiterlijk tot en met 31 december 2025 mogen andere middelen dan de in artikel 6, lid 1, bedoelde elektronische gegevensverwerkingstechnieken op overgangsbasis worden gebruikt, indien de elektronische systemen die nodig zijn voor de toepassing van de volgende bepalingen van het wetboek nog niet operationeel zijn:
a) de in artikel 89, lid 2, onder b), en lid 6, neergelegde bepalingen inzake zekerheidstellingen voor mogelijke of bestaande douaneschulden;
b) de in de artikelen 46, 47, 127, 128 en 129 neergelegde bepalingen inzake summiere aangiften bij binnenbrengen en risicoanalyse;
c) de in artikel 153, lid 2, neergelegde bepalingen inzake de douanestatus van goederen;
d) de in artikel 179 neergelegde bepalingen inzake gecentraliseerde vrijmaking;
e) de in artikel 210, onder a), artikel 215, lid 2, en de artikelen 226, 227, 233 en 234 neergelegde bepalingen inzake douanevervoer, en
f) de bepalingen inzake passieve veredeling, aangifte vóór vertrek, formaliteiten bij het uitgaan van goederen, de uitvoer van Uniegoederen, de wederuitvoer van niet-Uniegoederen, en summiere aangiften bij uitgaan voor goederen die het douanegebied van de Unie verlaten als bedoeld in de artikelen 258, 259, 263, 267, 269, 270, 271, 272, 274 en 275. “
4.1.2. Toelichting
2. Het DWU is op 9 oktober 2013 in werking getreden en is vanaf 1 mei 2016 volledig van toepassing. De nieuwe systemen voor elektronische uitwisseling van informatie tussen de douaneautoriteiten onderling en tussen de douaneautoriteiten en de marktdeelnemers zijn echter nog steeds in ontwikkeling. Daarom is er een DWU-werkprogramma opgesteld om de ontwikkeling en de uitrol van de diverse systemen te coördineren (Guidance Simplifications 1.1.).
3. Het actuele werkprogramma is opgenomen in het Uitvoeringbesluit (EU)2019/2151 van 13 december 2019. Dit besluit vervangt de opgeheven Uitvoeringsbesluiten 2014/255/EU en (EU) 2016/578. Verdere verwijzingen naar deze opgeheven besluiten dienen gelezen te worden als een verwijzing naar het Besluit (EU) 2019/2151[2]. Een lijst met de voorziene data voor uitrol van de verscheidene systemen is opgenomen in bijlage V van deze circulaire.
4. Tijdens de I.T. overgang zijn de overgangsmaatregelen van toepassing wanneer de elektronische systemen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de bepalingen van het wetboek nog niet operationeel zijn. De overgangsmaatregelen zijn verdeeld over de DWU TDA, de DWU DA en de DWU IA. De toepassingsperiode van deze maatregelen is gekoppeld aan de termijn voor de introductie of modernisering van de relevante systemen uit het hoger genoemde werkprogramma. De uiterlijke data voor de inwerkingtreding van de verscheidene informatie-uitwisselingssystemen zijn vastgelegd in artikel 278 DWU[3]. Bepaalde systemen zullen voor die datum gereed zijn en de overgangsperioden zijn voor elk afzonderlijk systeem verschillend. Tijdens de overgangsperiode zal voor de meeste maatregelen gebruik worden gemaakt van bestaande toepassingen of systemen die in het verleden werden ontwikkeld door de lidstaten. De voordelen van de vereenvoudigde procedures mogen hierdoor niet in het gedrang komen (Guidance Simplifications 1.2.).
4.2. Overgangsmaatregelen betreffende vergunningen EIDR verleend vanaf 1 mei 2016
4.2.1. Wettelijke bepalingen
Artikel 21 DWU TDA
“Inschrijving in de administratie van de aangever
1. Tot de respectieve datums van de upgrade van de nationale invoersystemen en van de uitrol van het AES zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/255/EU kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat andere middelen dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken worden gebruikt voor de indiening van de kennisgeving van aanbrengen, behalve wanneer ontheffing is verleend van de verplichting om de goederen bij de douane aan te brengen in overeenstemming met artikel 182, lid 3, van het wetboek.
2. Tot de datum van de uitrol van het AES zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/255/EU kunnen de douaneautoriteiten, met het oog op de plaatsing van goederen onder de regeling uitvoer of wederuitvoer, toestaan dat de kennisgeving van aanbrengen wordt vervangen door een aangifte, waaronder een vereenvoudigde aangifte.”
Artikel 2 DWU DA
“Gemeenschappelijke gegevensvereisten
(Artikel 6, lid 2, van het wetboek)
1. […]
2. Voor de uitwisseling en de opslag van informatie die voor aangiften, kennisgevingen en bewijs van douanestatus vereist is, gelden de in bijlage B vastgestelde gemeenschappelijke gegevensvereisten, vanaf de data van de uitrol of de upgrade van de in bijlage C opgenomen elektronische systemen, zoals vermeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151 van de Commissie.
3. geschrapt
4. Voor de uitwisseling en de opslag van informatie die voor aangiften, kennisgevingen en bewijs van douanestatus vereist is, gelden de in bijlage 9 bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 vastgestelde gegevensvereisten als volgt:
a) tot de datum waarop het in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151 vermelde DWU Geautomatiseerd uitvoersysteem is uitgerold, voor de gevallen die onder de kolommen A1, A2, B1 en C1 van bijlage B bij deze verordening vallen;
b) tot de datum waarop de in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151 vermelde component 1 van het elektronische systeem DWU Bijzondere regelingen is uitgerold, voor de gevallen die onder de kolommen B2 en B3 van bijlage B bij deze verordening vallen;
c) tot de datum waarop de in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151 vermelde fase 5 van het DWU Nieuw geautomatiseerd systeem voor douanevervoer is uitgerold, voor de gevallen die onder de kolom D1 van bijlage B bij deze verordening vallen;
d) tot de datum waarop de in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151 vermelde fase 1 van het DWU Bewijs van Uniestatus is uitgerold, voor de gevallen die onder de kolom E1 van bijlage B bij deze verordening vallen;
e) tot de datum waarop de in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151 vermelde release 2 van het DWU Invoercontrolesysteem is uitgerold, voor de gevallen die onder de kolommen F20 en F30 van bijlage B bij deze verordening vallen en voor de kennisgeving van uitwijking van luchtvaartuigen;
f) tot de datum waarop de in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151 vermelde release 3 van het DWU Geautomatiseerd uitvoersysteem is uitgerold, voor de gevallen die onder de kolommen F10, F50 en F51 van bijlage B bij deze verordening vallen en voor de kennisgeving van uitwijking van zeeschepen;
g) tot de upgrade van de in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151 vermelde Nationale invoersystemen, voor de gevallen die onder de kolommen H1 tot en met H4 en I1 van bijlage B bij deze verordening vallen.
Wanneer gegevensvereisten voor de uitwisseling en de opslag van informatie die voor aangiften, kennisgevingen en bewijs van douanestatus vereist is, niet zijn vastgesteld in bijlage 9 bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341, dragen de lidstaten er zorg voor dat de respectieve gegevensvereisten waarborgen dat de bepalingen betreffende deze aangiften, kennisgevingen en bewijs van douanestatus kunnen worden toegepast.
4bis. In afwijking van de leden 2 en 4 kunnen de douaneautoriteiten besluiten de gemeenschappelijke gegevensvereisten in de kolommen H1 tot en met H6, I1 en I2 van bijlage D bij deze verordening toe te passen tot de datum waarop deze douaneautoriteiten de eerste fase van de in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151 bedoelde DWU Gecentraliseerde inklaring uitrollen.
[…]”
Artikel 146 DWU DA
“Aanvullende aangifte
(Artikel 167, lid 1, van het wetboek)
1. […]
2. […]
3. […]
4. Tot de respectieve datums van de uitrol van het AES-systeem en de upgrade van de desbetreffende nationale invoersystemen zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151 kunnen de douaneautoriteiten, onverminderd artikel 105, lid 1, van het wetboek, andere dan de in de leden 1 tot en met 3 van dit artikel genoemde termijnen toestaan.”
4.2.2. Toelichting
Kennisgeving van aanbrengen
5. Conform artikel 21 DWU TDA kunnen andere middelen dan de elektronische gegevensverwerkingstechnieken worden gebruikt om een kennisgeving van aanbrengen in te dienen. Deze overgangsmaatregel is van toepassing tot de respectieve datums van de upgrade van de nationale invoersystemen en van de uitrol van het AES zoals bedoeld in bijlage bij het Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151.
6. Voor de in België verleende vergunningen EIDR kan als overgangsmaatregel een douaneaangifte type Z worden gebruikt als kennisgeving van aanbrengen. In het kader van de procedure EIDR is deze douaneaangifte type Z de aanvullende aangifte die volgt op de inschrijving in de administratie van de aangever. Bij de toepassing van deze overgangsmaatregel vervult de aangifte type Z zowel de functie van kennisgeving van aanbrengen, als de functie van aanvullende aangifte. Deze werkwijze wordt gebruikt wanneer er een aanvullende aangifte per inschrijving in de administratie (transactioneel) wordt ingediend. Wanneer de vergunninghouder ontheven is van de verplichting om de goederen aan te brengen (vrijstelling van kennisgeving), vervult de aangifte type Z enkel de functie van aanvullende aangifte.
7. Indien een vergunning EIDR met globalisatie wordt verleend, gebeurt de kennisgeving van aanbrengen doormiddel van een e-mail aan het bevoegde douanekantoor. De specificaties omtrent de vorm en de inhoud van dit e-mail bericht zullen worden opgenomen in de individuele vergunning EIDR. De vergunninghouder moet vervolgens een globale aanvullende aangifte indienen. Deze aanvullende aangifte herneemt de gegevens van alle zendingen van de periode waarop de globalisatie betrekking heeft.[4]
8. In de DWU TDA zijn geen concrete gegevensvereisten opgenomen voor de kennisgeving van aanbrengen bij de douane. Gezien deze informatievereisten evenmin werden voorzien in Verordening (EEG) nr. 2913/92 (Communautair Douanewetboek), kunnen de lidstaten hun werkwijzen van vóór 1 mei 2016 blijven toepassen in overeenstemming met artikel 21, lid 1 DWU TDA (Guidance Simplifications 2.3.9). Zoals bepaald in artikel 2, lid 4, laatste alinea DWU DA, dragen de lidstaten er zorg voor dat, wanneer de gegevensvereisten voor de kennisgevingen niet zijn vastgesteld in bijlage 9 DWU TDA, de respectieve gegevensvereisten waarborgen dat de wettelijke bepalingen betreffende deze kennisgevingen kunnen worden toegepast.
9. Indien er gebruik gemaakt wordt van een aangifte type Z per zending (zonder globalisatie), moeten alle verplichte gegevenselementen, in functie van de gevraagde douaneregeling, worden vermeld. Indien een e-mail wordt gebruikt als kennisgeving van aanbrengen, worden de vereiste gegevens door de vergunningverlenende autoriteit in de beschikking omschreven. Het e-mail bericht bevat ten minste de gegevens die noodzakelijk zijn voor de selectie in functie van een douanecontrole.
10. Na de overgangsperiode moet de kennisgeving op elektronische wijze gebeuren overeenkomstig artikel 6 DWU, artikel 2, lid 2 DWU DA en de bepalingen van bijlage B DWU DA.
De (wederinvoer met) gelijktijdige aangifte voor het vrije verkeer en ten verbruik van goederen met vrijstelling van btw voor levering naar een andere lidstaat en, indien van toepassing, met schorsing van accijns
11. De douaneregelingen 42[5] en 63[6] zijn wettelijk uitgesloten in het kader van EIDR (artikel 150, lid 3 DWU DA) omdat hiervoor specifieke informatie moet worden meegedeeld aan de douane vooraleer de goederen kunnen worden vrijgegeven[7]. Deze informatie maakt geen deel uit van de gegevensvereisten voor de kennisgeving van aanbrengen van bijlage B DWU DA. In artikel 21, lid 1 DWU TDA wordt echter bepaald dat andere middelen dan elektronische gegevensverwerkings-technieken kunnen worden gebruikt voor het indienen van de kennisgeving van aanbrengen. Daarom kunnen de lidstaten tijdens de overgangsperiode vanaf 1 mei 2016 tot het moment wanneer de upgrade van de nationale invoersystemen moet worden gerealiseerd, zelf beslissen of de kennisgeving de nodige gegevens bevat of moet worden aangevuld om de goederen onder deze regelingen te kunnen plaatsen. Indien de specifieke informatie niet voorafgaand aan de vrijgave van de goederen in de kennisgeving van aanbrenging aan de douane wordt verstrekt, moeten de goederen worden uitgesloten.
12. Omwille van operationele redenen en om de continuïteit met eerdere versies van de circulaire betreffende de inschrijving in de administratie van de aangever te bewaren, wordt de plaatsing van goederen onder de regelingen 42 en 63 toegestaan wanneer de aangifte type Z (met de volledige dataset voor de desbetreffende douaneregeling) wordt gebruikt als kennisgeving van aanbrengen. Na afloop van de overgangsperiode betreffende de kennisgeving van aanbrengen (tot de respectieve datums van de upgrade van de nationale invoersystemen en van de uitrol van het AES zoals bedoeld in bijlage bij het Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151 - zie hoger) zal dit niet meer worden toegestaan. Dit geldt zowel voor de herbeoordeelde vergunningen als voor de nieuwe vergunningen EIDR (Guidance Simplifications 3.1.1., f ).
Gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aangiften en kennisgevingen
13. Voor de uitwisseling en de opslag van de vereiste informatie voor aangiften, kennisgevingen en bewijs van douanestatus zijn, in afwachting van de uitrol of de upgrade van de in bijlage C DWU DA opgenomen elektronische systemen, de gemeenschappelijke gegevensvereisten van bijlage 9 DWU TDA van toepassing (artikel 2, lid 4 DWU DA). Het betreft de elektronische systemen die zijn opgenomen in het Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151 (artikel 2, lid 2 DWU DA). Bijlage C DWU DA bevat een tabel met de verschillende kolommen van bijlage B DWU DA en de eraan gerelateerde elektronische systemen van het DWU-werkprogramma. De upgrade van de nationale elektronische systemen voor in- en uitvoer (en het bepalen van de datum van ingebruikname ervan) behoort tot de bevoegdheid van de dienst Automatisering van het Departement Informatiemanagement.
Aanvullende aangifte
14. Artikel 146 DWU DA bepaalt de uiterlijke termijnen voor het indienen van de aanvullende aangifte die volgt op de inschrijving in de administratie van de aangever. Ingevolge lid 4 van dit artikel kunnen de douaneautoriteiten, tot de respectieve datums van de uitrol van het AES-systeem en de upgrade van de nationale invoersystemen, andere dan de wettelijk bepaalde termijnen voor het indienen van de aanvullende aangifte toestaan.
5. Aanvraag van een vergunning EIDR
5.1. Wettelijke bepalingen
Artikel 182 DWU
“Inschrijving in de administratie van de aangever
1. De douaneautoriteiten kunnen een persoon, op diens verzoek, vergunning geven om een douaneaangifte, waaronder begrepen een vereenvoudigde aangifte in te dienen in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, op voorwaarde dat de gegevens van die aangifte ter beschikking staan van de douaneautoriteiten in het elektronische systeem van de aangever op het tijdstip waarop de douaneaangifte, in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, wordt ingediend.
[…]”
Artikel 5 DWU
“Definities
4) "persoon": een natuurlijk persoon, een rechtspersoon of een vereniging van personen die geen rechtspersoonlijkheid bezit maar krachtens het Unierecht of het nationale recht wel als handelingsbekwaam is erkend;
39) ‘beschikking’: elke beslissing welke verband houdt met de douanewetgeving die door een douaneautoriteit over een bepaald geval wordt genomen en die voor de betrokken persoon of betrokken personen rechtsgevolgen heeft.”
Artikel 6 DWU
“Middelen voor het uitwisselen en het opslaan van informatie en gemeenschappelijke gegevensvereisten
1. Alle uitwisselingen van informatie, zoals aangiften, aanvragen of beschikkingen tussen douaneautoriteiten onderling en tussen marktdeelnemers en douaneautoriteiten, alsmede de door de douanewetgeving vereiste opslag van die informatie, geschieden met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken.”
Artikel 2 DWU DA
“Gemeenschappelijke gegevensvereisten
(Artikel 6, lid 2, van het wetboek)
1. Voor de uitwisseling en de opslag van informatie die voor aanvragen en beschikkingen vereist is, gelden de in bijlage A vastgestelde gemeenschappelijke gegevensvereisten
[…]”
Artikel 22 DWU
“Beschikkingen naar aanleiding van aanvragen
1. Indien een persoon een beschikking betreffende de toepassing van de douanewetgeving aanvraagt, verstrekt hij alle door de bevoegde douane autoriteiten gevraagde inlichtingen die het voor hen mogelijk maken om een beschikking af te geven.
Een beschikking mag ook worden aangevraagd door en gericht worden tot verschillende personen, overeenkomstig de in de douanewetgeving vastgelegde voorwaarden.
Tenzij anders is bepaald, is de bevoegde douaneautoriteit de autoriteit van de plaats waar de hoofdadministratie voor douanedoeleinden van de aanvrager zich bevindt of waar deze toegankelijk is, en waar op zijn minst een deel van de activiteiten die onder de beschikking moeten vallen, zal worden uitgevoerd.
2. De douaneautoriteiten gaan onverwijld, doch uiterlijk binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag voor een beschikking, na of aan de voorwaarden voor aanvaarding van de aanvraag is voldaan.
Wanneer de douaneautoriteiten vaststellen dat de aanvraag alle inlichtingen bevat opdat zij de beschikking zouden kunnen verlenen, stellen zij de aanvrager binnen de in de eerste alinea vermelde termijn daarvan in kennis.
3. De bevoegde douaneautoriteit verleent een beschikking als bedoeld in lid 1 en deelt deze aan de aanvrager onverwijld en uiterlijk 120 dagen nadat de aanvraag is aanvaard mee, tenzij anders is bepaald.
Indien de douaneautoriteiten de termijn voor het verlenen van een beschikking niet kunnen naleven, stellen zij de aanvrager daarvan in kennis vóór het verstrijken van die termijn, met opgave van de redenen en van de nieuwe termijn die zij nodig achten om een beschikking af te geven. Tenzij anders bepaald, is die nieuwe termijn niet langer dan 30 dagen.
[…].”
Artikel 11 DWU DA
“Voorwaarden voor de aanvaarding van een aanvraag
(Artikel 22, lid 2, van het wetboek)
1. Een aanvraag voor een beschikking betreffende de toepassing van de douanewetgeving wordt aanvaard mits de volgende voorwaarden zijn vervuld:
a) de aanvrager is, indien vereist krachtens de regeling waarop de aanvraag ziet, geregistreerd overeenkomstig artikel 9 van het wetboek;
b) de aanvrager is, indien vereist krachtens de regeling waarop de aanvraag ziet, gevestigd in het douanegebied van de Unie;
c) de aanvraag is ingediend bij een douaneautoriteit die is aangewezen voor het in ontvangst nemen van aanvragen in de lidstaat van de bevoegde douaneautoriteit zoals bedoeld in artikel 22, lid 1, derde alinea, van het wetboek;
d) de aanvraag ziet niet op een beschikking met hetzelfde oogmerk als een vorige, tot dezelfde aanvrager gerichte beschikking, die gedurende het jaar voorafgaand aan de aanvraag nietig is verklaard of ingetrokken op grond van het feit dat de aanvrager niet heeft voldaan aan een krachtens die beschikking opgelegde verplichting.
2. In afwijking van lid 1, onder d), bedraagt de daarin genoemde termijn drie jaar wanneer de vorige beschikking nietig is verklaard overeenkomstig artikel 27, lid 1, van het wetboek of wanneer de aanvraag een overeenkomstig artikel 38 van het wetboek ingediende aanvraag voor de status van geautoriseerde marktdeelnemer betreft. “
Bijlage A (DWU DA)
“Gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aanvragen en beschikkingen
Titel I
Aanvragen en beschikkingen
Hoofdstuk I
Legende tabel
Kolommen | Soort aanvraag/beschikking | Rechtsgrond | Titelnr. Van de specifieke gegevensvereisten |
Volgnummer G.E. | Volgnummer van het betrokken gegevenselement | ||
Naam G.E. | Naam van het betrokken gegevenselement | ||
[…]
Douaneformaliteiten
[…]
7c | Aanvraag en vergunning voor het doen van een douaneaangifte door inschrijving in de administratie van de aangever, inclusief de regeling uitvoer | Artikel 182 van het wetboek | Titel XIV |
[…] .”
5.2. Toelichting
15. De douaneautoriteiten kunnen een persoon, op diens aanvraag, een vergunning verlenen om een douaneaangifte in te dienen in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever. Als algemene regel, overeenkomstig artikel 18, lid 2 DWU en artikel 11, lid 1b) DWU DA, moeten de economische operatoren, de douanevertegenwoordigers of anderen die een vergunning voor een vereenvoudigde procedure (waaronder EIDR) aanvragen in het douanegebied van de Unie gevestigd zijn. Artikel 170, lid 2 DWU vereist daarnaast dat de aangever van de douaneaangifte, behoudens een aantal wettelijk bepaalde uitzonderingen, in het douanegebied gevestigd is (Guidance Simplifications 2.1.1. b).
16. De algemene bepalingen inzake de aanvraag en het beheer van beschikkingen zijn opgenomen in de artikels 22, 23, 27 en 28 DWU. Deze bepalingen worden toegelicht in de Circulaire 2022/C/123 betreffende het nemen en het beheer van een beschikking inzake de toepassing van de douanewetgeving.
5.2.1. Wijze en vorm van de aanvraag
17. De aanvraag voor een vergunning EIDR moet ingediend worden via de elektronische gegevensverwerkingstechnieken voor het uitwisselen van informatie en moet voldoen aan de gemeenschappelijke gegevensvereisten van bijlage A DWU DA zoals bepaald in artikel 6, lid 2 DWU en artikel 2, lid 1 DWU DA. De aanvraag, het beheer en de opvolging van de vergunningen EIDR verloopt overeenkomstig de richtlijnen van de Administratie Operations met behulp van het elektronische systeem KIS-SIC. Wanneer het een vergunning betreft waarin meerdere lidstaten betrokken zijn, is de Centrale Component van de Administratie Operations bevoegd en moet de aanvraag thans worden ingediend via het Europese elektronische systeem CDMS.
18. In de aanvraag voor een vergunning EIDR moeten de gegevenselementen worden vermeld volgens de bepalingen van bijlage A DWU DA. Deze gegevenselementen zijn opgenomen in kolom 7c van de tabel in hoofdstuk 1 van titel I van bijlage A. De specifieke gegevenselementen die uitsluitend betrekking hebben op een vergunning EIDR worden beschreven in hoofdstuk I van Titel XIV van bijlage A.
19. Bijlage I van deze circulaire herneemt alle gegevensvereisten die van toepassing zijn op de aanvragen en de beschikkingen voor EIDR. De gegevens die enkel vereist zijn voor de aanvraag van een vergunning zijn aangeduid met [*]. De gegevens die enkel vereist zijn voor de beschikking van een vergunning zijn aangeduid met [+].
20. De aanvraag moet worden opgesteld overeenkomstig de Belgische taalwetgeving. De bepalingen van het Koninklijk Besluit van 18 juli 1966 houdende de coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken zijn van toepassing. Indien de inlichtingen op de aanvraag worden geleverd in een andere taal dan die van de aanvraag, dient een vertaling van deze inlichtingen te worden bijgevoegd. De juistheid van geleverde informatie en de authenticiteit van de aangebrachte documenten behoren tot de verantwoordelijkheid van de aanvrager.
5.2.2. Plaats van de aanvraag
21. De aanvraag voor een vergunning EIDR moet worden ingediend bij de douaneautoriteit van de plaats waar de hoofdadministratie voor douanedoeleinden van de aanvrager zich bevindt of waar deze toegankelijk is, en waar op zijn minst een deel van de activiteiten die onder de beschikking vallen, zal worden uitgevoerd (artikel 22, lid 1 DWU). Voor het bepalen van de bevoegde douaneautoriteit, moet voldaan zijn aan beide voorwaarden van artikel 22, lid 2 DWU.
22. Deze hoofdadministratie voor douanedoeleinden is de boekhouding die door de douaneautoriteiten wordt beschouwd als de hoofdadministratie voor douanedoeleinden aan de hand waarvan de douaneautoriteiten het toezicht en de controle kunnen uitoefenen op alle activiteiten waarop de betrokken vergunning of beschikking betrekking heeft (G.E. 4/3 van bijlage A DWU DA).
5.2.3. Aanvaarding van de aanvraag
23. Op grond van artikel 22, lid 2 DWU bepalen de douaneautoriteiten binnen de 30 dagen na ontvangst van de aanvraag of er voldaan is aan de voorwaarden voor aanvaarding van de aanvraag. De aanvraag moet enerzijds alle inlichtingen bevatten die nodig zijn voor het verlenen van de beschikking (artikel 22, lid 2, 2de alinea DWU) en moet anderzijds voldoen aan de voorwaarden die zijn vervat in artikel 11 DWU DA.
24. De voorwaarden in artikel 11 DWU DA zijn:
- de aanvrager moet geregistreerd zijn overeenkomstig artikel 9 DWU en moet gevestigd zijn in het douanegebied van de Unie,
- de aanvrager moet zijn aanvraag indienen bij de douaneautoriteit die is aangewezen voor het in ontvangst nemen van aanvragen in de lidstaat van de bevoegde douaneautoriteit,
-
de aanvraag heeft geen betrekking op een beschikking die in het voorafgaande jaar werd ingetrokken of nietig verklaard wegens het niet nakomen van de verplichtingen van de beschikking.
25. Wanneer alle benodigde informatie wordt verstrekt en de aanvrager voldoet aan de voorwaarden van artikel 11 DWU DA, wordt de aanvaarding van de aanvraag binnen de 30 dagen bekendgemaakt aan de aanvrager (artikel 22, lid 2 DWU). De datum van aanvaarding is in dit geval de datum van ontvangst van de aanvraag door de douaneautoriteiten (artikel 12, lid 1 DWU IA). Indien de douaneautoriteiten de aanvrager niet binnen de wettelijke termijn op de hoogte brengen (elke mededeling van de douaneautoriteiten ontbreekt), wordt de aanvraag geacht te zijn aanvaard. De datum van aanvaarding is de datum waarop de aanvraag werd ingediend door de aanvrager (artikel 12, lid 3 DWU IA).
26. Wanneer de beschikkende douaneautoriteit vaststelt dat er bijkomende inlichtingen noodzakelijk zijn vooraleer de aanvraag kan worden aanvaard, stelt zij de aanvrager hiervan in kennis. De aanvrager beschikt over een aanvullende termijn van maximum 30 dagen om de relevante informatie te bezorgen (artikel 12, lid 2 DWU IA). Wanneer de aanvrager na een verzoek van de douaneautoriteiten de aanvullende informatie heeft verstrekt, is de datum van aanvaarding de datum waarop het laatste informatiestuk is verstrekt (artikel 12, lid 3 DWU IA). Wanneer de aanvrager de door de douaneautoriteiten gevraagde informatie niet binnen de door hen gestelde termijn verstrekt, wordt de aanvraag niet aanvaard en wordt de aanvrager hiervan in kennis gesteld (artikel 12, lid 2, 2de alinea DWU IA). De aanvrager kan in dit geval geen gebruik maken van het recht om gehoord te worden overeenkomstig artikel 10, punt a) DWU DA, maar hij kan wel een administratief beroep indienen (artikel 22, lid 7 en artikel 44, lid 1, eerste alinea DWU).
27. Vanaf de datum van aanvaarding van de aanvraag begint de wettelijke termijn waarbinnen de douaneautoriteiten een beschikking moeten verlenen en een beslissing moeten nemen omtrent de inhoud van de aanvraag (artikel 22, lid 3, 1ste alinea DWU).
5.3. Vergunninghouder EIDR en douanevertegenwoordiging
5.3.1. Wettelijke bepalingen
Artikel 5 DWU
“6) "douanevertegenwoordiger": iedere persoon die door een andere persoon is aangewezen voor het vervullen van de in de douanewetgeving voorgeschreven handelingen en formaliteiten bij de douaneautoriteiten;
15) "aangever": de persoon die in eigen naam een douaneaangifte, een aangifte tot tijdelijke opslag, een summiere aangifte bij binnenbrengen, een summiere aangifte bij uitgaan, een aangifte tot wederuitvoer of een kennisgeving van wederuitvoer indient, dan wel de persoon namens wie deze aangifte of deze kennisgeving wordt ingediend; “
Artikel 18 DWU
“Douanevertegenwoordiger
1. Eenieder kan zich laten vertegenwoordigen door een douanevertegenwoordiger.
De vertegenwoordiging kan direct zijn, in welk geval de douanevertegenwoordiger in naam en voor rekening van een andere persoon handelt, dan wel indirect, in welk geval de douanevertegenwoordiger in eigen naam doch voor rekening van een andere persoon handelt.”
Artikel 127. § 2 AWDA
“Niemand mag als douanevertegenwoordiger optreden, zo hij niet is ingeschreven in een stamregister van de douanevertegenwoordigers.
Voor de toepassing van het eerste lid, wordt onder douanevertegenwoordiger verstaan elke natuurlijke of rechtspersoon die beroepsmatig, in zijn naam of op naam van een opdrachtgever, maar voor rekening van een opdrachtgever, de douaneformaliteiten bij in-, uit- of douanevervoer vervult en die door de administratie erkend is als geautoriseerde marktdeelnemer volgens de Europese wetgeving of het bewijs levert van voldoende kennis van de douane- en accijnsreglementering.”
Artikel 1 van het Ministerieel besluit van 11 juli 2019 tot vaststelling van de datum van de tweede stap in toepassing van het koninklijk besluit van 13 maart 2016 tot vaststelling van de douaneregelingen en de modaliteiten waaronder de directe en indirecte vertegenwoordiging kunnen worden toegepast (B.S. 25/09/2019)
“§ 1. De indirecte vertegenwoordiging kan worden toegepast voor de douaneregelingen, zoals bepaald in artikel 5, 16), van de Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, zowel in de normale procedure bedoeld in artikel 162 als in de vereenvoudigde procedures bedoeld in de artikelen 166, 182 en 233, lid 4, van dezelfde verordening.
§ 2. De indirecte vertegenwoordiging kan niet worden toegepast voor plaatsing onder de douaneregelingen actieve veredeling, passieve veredeling, bijzondere bestemming, tijdelijke invoer of particulier douane-entrepot, tenzij de houder van de regeling en van de vergunning dezelfde persoon zijn.
§ 3. De directe vertegenwoordiging kan worden toegepast voor de douaneregelingen zoals bepaald in artikel 5, 16), van het douanewetboek van de Unie, met uitzondering van douanevervoer, ongeacht of de normale procedure in de zin van artikel 162 of de vereenvoudigde procedure in de zin van de artikelen 166 en 182 van hetzelfde wetboek wordt gebruikt.”
5.3.2. Toelichting
28. De algemene principes omtrent de douanevertegenwoordiging worden toegelicht in de Circulaire 2022/C/120 betreffende douanevertegenwoordiging. Overeenkomstig artikel 18, lid 1 DWU bestaan er twee soorten douanevertegenwoordiging: directe en indirecte douanevertegenwoordiging.
29. In het kader van de directe vertegenwoordiging handelt de douanevertegenwoordiger in naam en voor rekening van de vertegenwoordigde persoon. In dit geval heeft de vertegenwoordigde persoon de hoedanigheid van aangever zoals gedefinieerd in artikel 5, punt 15 DWU.
30. In het kader van de indirecte vertegenwoordiging handelt de douanevertegenwoordiger in eigen naam, maar voor rekening van de vertegenwoordigde persoon. In dit geval heeft de douanevertegenwoordiger de hoedanigheid van aangever zoals gedefinieerd in artikel 5, punt 15 DWU.
31. Als algemene regel kunnen krachtens het Ministerieel besluit van 11 juli 2019[8] de directe en de indirecte vertegenwoordiging worden toegepast voor de douaneregelingen, zoals bepaald in artikel 5, 16 DWU, zowel in de normale procedure bedoeld in artikel 162 DWU[9] als in de vereenvoudigde procedure bedoeld in de artikel 182 DWU (EIDR).[10] De Europese Commissie heeft dienaangaande echter een aantal belangrijke opmerkingen geformuleerd (zie hierna volgende alinea’s).[11]
Vergunning EIDR en directe douanevertegenwoordiging
32. Als uitgangspunt geldt dat de houder van een vergunning voor een vereenvoudigde procedure (waaronder EIDR) het recht heeft om beroep te doen op een directe douanevertegenwoordiger.
33. De andere mogelijkheid houdt in dat de directe vertegenwoordiger zelf houder is van een vergunning EIDR en dat hij gebruik maakt van zijn vergunning om voor rekening en in naam van de vertegenwoordigde persoon te handelen. Volgens de Europese Commissie wordt de directe douanevertegenwoordiger in principe niet uitgesloten van het gebruik van EIDR, maar moet de vertegenwoordiger een rechtstreekse toegang hebben tot het elektronisch systeem van de vertegenwoordigde persoon/aangever opdat de vergunning enig praktisch nut zou hebben. Het is immers de administratie van deze laatste (de aangever) die het fundament van de douaneaangifte zal vormen. Daarnaast zal, in tegenstelling tot de algemene regel, de directe vertegenwoordiger zelf aan alle voorwaarden tot verkrijgen van de vergunning EIDR moeten voldoen. Rekening houdend met het voorgaande, wordt verondersteld dat dergelijke vergunningen maar beperkt kunnen worden toegestaan.
Vergunning EIDR en indirecte douanevertegenwoordiging
34. Als uitgangspunt geldt dat een indirecte vertegenwoordiger, die houder is van een vergunning voor een vereenvoudigde procedure (waaronder EIDR), deze vereenvoudigde procedure mag toepassen wanneer hij handelt voor rekening van een andere persoon.
35. Het gebruik van de indirecte vertegenwoordiging is echter uitgesloten wanneer enkel de vertegenwoordigde persoon houder is van een vergunning EIDR en de vertegenwoordiger niet over een dergelijke vergunning beschikt. Volgens de redenering van de Europese Commissie kan de persoon die in eigen naam handelt (en dus de hoedanigheid van aangever heeft) enkel genieten van de voordelen van een vereenvoudigde procedure wanneer hijzelf voldoet aan de voorwaarden van die vergunning. Het feit dat de opdrachtgever (de vertegenwoordigde persoon voor wiens rekening wordt gehandeld) aan de voorwaarden van de vergunning voldoet, is niet voldoende.
6. Voorwaarden voor het verlenen van een vergunning EIDR
6.1. Wettelijke bepalingen
Artikel 182 DWU
“Inschrijving in de administratie van de aangever
1. De douaneautoriteiten kunnen een persoon, op diens verzoek, vergunning geven om een douaneaangifte, waaronder begrepen een vereenvoudigde aangifte in te dienen in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, op voorwaarde dat de gegevens van die aangifte ter beschikking staan van de douaneautoriteiten in het elektronische systeem van de aangever op het tijdstip waarop de douaneaangifte, in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, wordt ingediend.
2. De douaneaangifte wordt geacht te zijn aanvaard op het tijdstip van inschrijving van de goederen in de administratie.
3. De douaneautoriteiten kunnen, op verzoek, ontheffing verlenen van de verplichting om de goederen aan te brengen. In dat geval worden de goederen geacht te zijn vrijgegeven op het moment van inschrijving in de administratie.
Deze ontheffing kan worden toegestaan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a) de aangever is een geautoriseerd marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen;
b) de aard van de goederen en de goederenstroom van de betrokken goederen dit rechtvaardigen zulks en bekend zijn bij de douaneautoriteit;
c) het toezichthoudende douanekantoor heeft toegang tot alle informatie welke zij nodig acht om, indien nodig, haar recht te kunnen uitoefenen de goederen te controleren, indien nodig;
d) op het moment van de inschrijving in de administratie zijn de goederen niet langer onderhevig aan verboden of beperkingen, tenzij in de vergunning anders is bepaald.
Het toezichthoudende douanekantoor kan in specifieke situaties evenwel verzoeken om de goederen aan te brengen.
4. De voorwaarden waaronder de vrijgave van de goederen is toegestaan, worden in de vergunning vastgesteld.”
Artikel 150 DWU DA
“Voorwaarden voor het verlenen van vergunning voor inschrijving in de administratie van de aangever
(Artikel 182, lid 1, van het Wetboek)
1. Er wordt vergunning verleend voor het indienen van een douaneaangifte in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever als de aanvrager aantoont dat hij aan de in artikel 39, onder a), b) en d), van het wetboek vastgestelde criteria voldoet.
2. Er wordt slechts vergunning verleend voor het indienen van een douaneaangifte in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever overeenkomstig artikel 182, lid 1, van het wetboek als de aanvraag betrekking heeft op een van de volgende regelingen:
a) in het vrije verkeer brengen;
b) douane-entrepot;
c) tijdelijke invoer;
d) bijzondere bestemming;
e) actieve veredeling;
f) passieve veredeling;
g) uitvoer en wederuitvoer.
3. Wanneer de aanvraag voor een vergunning betrekking heeft op het in het vrije verkeer brengen, wordt de vergunning niet verleend voor:
a) de aangifte voor het vrije verkeer van goederen die zijn vrijgesteld van de btw overeenkomstig artikel 143, lid 1, onder d), van Richtlijn 2006/112/EG en waarvoor, indien van toepassing, de accijns is geschorst overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 2008/118/EG;
b) de wederinvoer met aangifte voor het vrije verkeer van goederen die zijn vrijgesteld van de btw overeenkomstig artikel 143, lid 1, onder d), van Richtlijn 2006/112/EG en waarvoor, indien van toepassing, de accijns is geschorst overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 2008/118/EG.
4. Wanneer de aanvraag voor een vergunning betrekking heeft op uitvoer en wederuitvoer, wordt slechts vergunning verleend indien aan beide van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a) er wordt afgezien van de verplichting tot indiening van een aangifte vóór vertrek overeenkomstig artikel 263, lid 2, van het wetboek;
b) het douanekantoor van uitvoer is ook het douanekantoor van uitgang of het douanekantoor van uitvoer en het douanekantoor van uitgang hebben een regeling getroffen om ervoor te zorgen dat de goederen bij uitgang aan douanetoezicht onderworpen zijn.
5. Wanneer de aanvraag voor een vergunning betrekking heeft op uitvoer en wederuitvoer, is de uitvoer van accijnsgoederen niet toegestaan tenzij artikel 30 van Richtlijn 2008/118/EG van toepassing is.
6. Er wordt geen vergunning verleend voor inschrijving in de administratie van de aangever wanneer de aanvraag betrekking heeft op een regeling waarvoor een gestandaardiseerde inlichtingenuitwisseling tussen de douaneautoriteiten vereist is overeenkomstig artikel 181, tenzij de douaneautoriteiten overeenkomen om andere middelen voor de elektronische uitwisseling van inlichtingen te gebruiken.”
Artikel 233 DWU IA
“Controleprogramma
(Artikel 23, lid 5, van het wetboek)
1. De douaneautoriteiten stellen een voor de marktdeelnemer specifiek controleprogramma op wanneer zij een vergunning verlenen om een douaneaangifte in te dienen in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever in overeenstemming met artikel 182, lid 1, van het wetboek, waarin het toezicht op de in het kader van de vergunning gebruikte douaneregelingen is geregeld, de frequentie van de douanecontroles is bepaald en wordt gewaarborgd dat, onder meer, doeltreffende douanecontroles kunnen worden verricht in alle stadia van de procedure in de vorm van inschrijving in de administratie van de aangever.
2. Het controleprogramma houdt in voorkomend geval rekening met de verjaringstermijn voor de mededeling van de douaneschuld zoals bedoeld in artikel 103, lid 1, van het wetboek.
3. Het controleprogramma voorziet in de uit te voeren controle wanneer een ontheffing van de aanbrenging is verleend in overeenstemming met artikel 182, lid 3, van het wetboek.
4. […] “
Artikel 234 DWU IA
“Verplichtingen van de vergunninghouder die een douaneaangifte indient in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever
1. […]
2. De vergunning om een douaneaangifte in te dienen in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever is niet van toepassing op de volgende aangiften:
a) douaneaangiften bestaande uit een aanvraag voor een vergunning voor een bijzondere regeling in overeenstemming met artikel 163 van Gedelegeerde Verordening EU) 2015/2446;
b) douaneaangiften die zijn ingediend in plaats van een summiere aangifte bij binnenbrengen in overeenstemming met artikel 130, lid 1, van het wetboek.
3. Wanneer het toezichthoudende douanekantoor overeenkomstig artikel 182, lid 3, derde alinea, van het wetboek verzoekt om goederen bij de douane aan te brengen omdat de douaneautoriteiten hebben vastgesteld dat er sprake is van een nieuw ernstig financieel risico of een andere specifieke situatie in verband met een vergunning voor het indienen van een douaneaangifte in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever met ontheffing van de verplichting om de goederen aan te brengen, stelt het toezichthoudende douanekantoor de houder van een dergelijke vergunning in kennis van:
a) de specifieke termijn waarbinnen de goederen waarop deze situaties van toepassing zijn, bij de douane moeten worden aangebracht;
b) de verplichting om de datum van kennisgeving van aanbrenging in de administratie te vermelden; en
c) de verplichting om te voldoen aan lid 1, onder b) tot en met e), en g).
In deze situaties worden de goederen vrijgegeven overeenkomstig artikel 194 van het wetboek. “
6.2. Toelichting
36. De eerste voorwaarde voor het verlenen van een vergunning EIDR wordt bepaald in artikel 182, lid 1 DWU: de gegevens van de aangifte moeten ter beschikking staan van de douaneautoriteiten in het elektronisch systeem van de aangever op het tijdstip waarop de douaneaangifte, in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, wordt ingediend.
37. De overige voorwaarden zijn opgenomen in artikel 150 DWU DA en zijn afgestemd op de AEO-criteria die worden beschreven in artikel 39 a), b en d) DWU. De aanvrager moet beantwoorden aan de volgende criteria:
- geen ernstige of herhaalde overtredingen van de douanewetgeving en belastingvoorschriften hebben gepleegd en geen strafblad hebben met zware misdrijven in verband met de economische activiteit van de aanvrager (artikel 39, a) DWU),
- aantonen dat hij zijn handelingen en de goederenstroom goed onder controle heeft dankzij een handels- en, in voorkomend geval, vervoersadministratie die passende douanecontroles mogelijk maakt (artikel 39, b) DWU),
- beschikken over een attest van de praktische vakbekwaamheid of beroepskwalificaties die rechtstreeks samenhangen met de verrichte activiteit (artikel 39, d) DWU).
38. Deze criteria worden verder uitgewerkt in de respectievelijke artikels 24, 25 en 27 DWU IA, en worden gedetailleerd toegelicht in titel 5.3 van de Circulaire 2019/C/77 betreffende de AEO-vergunning. Bij de beoordeling van de criteria tijdens de voorafgaande audit wordt bijzondere aandacht besteed aan artikel 25, lid 1b DWU IA. Krachtens dit artikel moet de administratie voor douanedoeleinden worden geïntegreerd in het boekhoudsysteem van de aanvrager of moet het mogelijk maken dat kruiscontroles van de gegevens met het boekhoudsysteem kunnen worden verricht.
39. Indien de aanvrager reeds een AEO C (Authorised Economic Operator for customs simplifications) is, moet er rekening worden gehouden met de datum van afgifte van de AEO-status en de eventuele monitoring en/of herbeoordeling.
40. De criteria die reeds werden beoordeeld in verband met het toekennen van de AEO-status zullen mogelijkerwijs niet opnieuw worden gecontroleerd. Maar indien dit noodzakelijk is, kunnen douaneautoriteiten steeds aanvullende informatie vragen aan de aanvrager (bv. bij een verandering in de omstandigheden). De specifieke voorwaarden met betrekking tot de aangevraagde vergunning EIDR moeten echter worden gecontroleerd indien dit niet is gebeurd tijdens de AEO-controle (Guidance Simplifications 2.3.1.a).
41. Een vergunning EIDR kan uitsluitend worden verleend voor de douaneregelingen opgesomd in artikel 150, lid 2 DWU DA:
- in het vrij verkeer brengen;
- douane-entrepot;
- tijdelijke invoer;
- bijzondere bestemming;
- actieve veredeling;
- passieve veredeling;
-
uitvoer en wederuitvoer.
42. Er is geen wettelijke verplichting ten aanzien van de aanvrager om zich te beperkingen tot één douaneregeling per aanvraag voor een vergunning EIDR. De douaneautoriteiten kunnen een vergunning EIDR verlenen waarin meerdere douaneregelingen worden toegepast. Indien er tussen de verschillende regelingen een onderscheid wordt gemaakt op het niveau van de kennisgeving van aanbrengen (met of zonder vrijstelling) of op het gebied van de aanvullende aangifte (met of zonder globalisatie) dienen er echter wel aparte aanvragen te gebeuren en zullen er aparte beschikkingen worden verleend. De specifieke modaliteiten omtrent de kennisgeving van aanbrengen en de wijze van indienen van de aanvullende aangifte komen later in deze circulaire aan bod.
6.2.1. Uitsluitingen voor het gebruik van de vergunning EIDR
In het vrije verkeer brengen
43. Een vergunning EIDR kan niet worden verleend voor:
- de aangifte voor het vrije verkeer en ten verbruik van goederen met vrijstelling van btw voor levering naar een andere lidstaat en, indien van toepassing, met schorsing van accijns (regeling 42).
- de wederinvoer met gelijktijdige aangifte voor het vrije verkeer en ten verbruik van goederen met vrijstelling van btw voor levering naar een andere lidstaat en, indien van toepassing, met schorsing van accijns (regeling 63).
De vrijstelling van btw en, indien van toepassing de schorsing van accijns, hebben respectievelijk betrekking op artikel 143, lid 1, onder d) van de Richtlijn 2006/112/EG en op artikel 16 van de Richtlijn (EU) 2020/262.[12]
Bijzondere regelingen
44. Een vergunning EIDR kan niet worden verleend voor:
- het plaatsen van de goederen onder de bijzondere regeling douanevervoer;
-
het plaatsen van goederen onder de bijzondere regelingen actieve of passieve veredeling wanneer er informatie moet worden uitgewisseld tussen douaneautoriteiten in meer dan één lidstaat door middel van een gestandaardiseerde informatie-uitwisseling (INF), tenzij de douaneautoriteiten in plaats van INF een andere wijze van elektronische inlichtingenuitwisseling overeenkomen zoals bepaald in artikel 176, lid 1, a) DWU DA (artikel 150, lid 6 DWU DA).
45. Voor het gebruik van de bijzondere regelingen is steeds een vergunning voor de regeling zelf nodig, maar het is wel mogelijk om de goederen onder de relevante bijzondere regeling te plaatsen door een douaneaangifte in te dienen in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever (Guidance Simplifications 2.3.2. b).
Uitvoer en wederuitvoer
46. Een vergunning EIDR voor de regeling uitvoer en voor wederuitvoer kan slechts worden verleend indien er aan de volgende twee voorwaarden is voldaan (artikel 150, lid 4 a) en b) DWU DA):
- er is een ontheffing van de verplichting voor het indienen van een aangifte vóór vertrek op basis van artikel 263, lid 2 DWU;
- het douanekantoor van uitvoer is ook het douanekantoor van uitgang of het douanekantoor van uitvoer en het douanekantoor van uitgang hebben een regeling getroffen om ervoor te zorgen dat de goederen bij uitgang aan douanetoezicht onderworpen zijn.
47. Artikel 245 DWU DA bevat een opsomming van alle specifieke gevallen (‘specifieke gevallen’ zoals genoemd in artikel 263, lid 2 b DWU) waarbij wordt afgezien van de verplichting om een aangifte vóór vertrek van de goederen in te dienen. De lijst uit artikel 245 DWU DA is opgenomen in bijlage II van deze circulaire. Voor de goederen omschreven in dit artikel kan EIDR bij uitvoer en wederuitvoer worden toegepast, voor zover eveneens aan de tweede voorwaarde bepaald in artikel 150, lid 4, b) DWU DA is voldaan.
48. Wanneer een vergunning EIDR betrekking heeft op uitvoer en wederuitvoer, kan de vergunning niet worden gebruikt voor de uitvoer van accijnsgoederen, behalve wanneer artikel 30 van de Richtlijn (EU) 2020/262 van toepassing is.[13] Dit is het geval wanneer de gehele uitvoer plaatsvindt in één lidstaat zonder dat de goederen over het grondgebied van een andere lidstaat zijn vervoerd (artikel 150, lid 5 DWU DA). Artikel 30 van de Richtlijn (EU) 2020/262 is niet van toepassing op de wederuitvoer van accijnsgoederen, gezien de artikels 14 tot en met 46 van de Richtlijn 2020/262 niet van toepassing zijn op accijnsgoederen die de douanestatus hebben van niet-Uniegoederen (artikel 2, lid 4 van de Richtlijn 2020/262) (Guidance Simplifications 2.3.2 b).
Overige uitsluitingen
49. Een vergunning EIDR kan niet worden verleend voor het plaatsen van goederen in tijdelijke opslag.
50. Op grond van artikels 234, lid 2 a) DWU IA en 163, lid 2 c) DWU DA kan een aangifte in de vorm van een inschrijving in de administratie niet worden gebruikt wanneer de douaneaangifte wordt beschouwd als een aanvraag voor een vergunning voor een bijzondere regeling.
51. Op grond van artikel 234, lid 2 b) DWU IA kan een aangifte in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever niet worden gebruikt als een douaneaangifte die wordt ingediend in plaats van een summiere aangifte bij binnenbrengen (ENS) in overeenstemming met artikel 130, lid 1 DWU. Dit laatst genoemde wetsartikel betreft de gevallen wanneer het douanekantoor van eerste binnenkomst een ontheffing verleent voor het indienen van een summiere aangifte bij binnenbrengen met betrekking tot goederen waarvoor, vóór het verstrijken van de termijn voor de indiening van die aangifte, een douaneaangifte is ingediend.
6.2.2. Ontheffing van de verplichting om de goederen aan te brengen
52. Het aanbrengen van de goederen heeft tot doel de douane op de hoogte brengen van de aankomst en beschikbaarheid van de goederen voor controle (artikel 5, punt 33 DWU). In het kader van EIDR houdt het aanbrengen in dat er een kennisgeving naar de douane wordt verstuurd om te melden dat de goederen beschikbaar zijn voor controle op de door de douane goedgekeurde locatie en dat de nodige gegevensvereisten van de aangifte zijn opgenomen in de administratie. Het goedkeuren van de locatie waar de goederen beschikbaar zijn voor controle maakt deel uit van de voorafgaande audit. Deze locatie is een verplicht dataelement (D.E. 4/8) in de vergunning EIDR volgens bijlage A DWU DA. Na de ontvangst van de kennisgeving zullen de douaneautoriteiten binnen een vooraf in de vergunning bepaalde termijn te kennen geven of ze zullen overgaan tot controle. De kennisgeving kan worden verstuurd zodra de goederen zijn ingeschreven in de administratie (Guidance Simplifications 2.3.5).
53. Op basis van artikel 182, lid 3 DWU kunnen de douaneautoriteiten, op verzoek van de aanvrager, een ontheffing verlenen om de goederen aan te brengen. Dit betekent dat er geen kennisgeving van aanbrengen moet worden verstuurd. In dit geval worden de goederen geacht te zijn vrijgegeven op het ogenblik van de inschrijving in de administratie van de aangever. De gegevens van de aangifte staan evenwel ter beschikking van de douaneautoriteiten in het elektronische systeem van de aangever op het tijdstip waarop de douaneaangifte, in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, wordt ingediend.
Voorwaarden
54. De ontheffing om de goederen aan te brengen kan worden toegestaan als aan de voorwaarden van artikel 182, lid 3 DWU is voldaan:
- de aangever is een geautoriseerd marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen (AEOC);
- de aard van de goederen en de goederenstroom van de betrokken goederen rechtvaardigen dit en zijn bekend bij de douaneautoriteit;
- het toezichthoudende douanekantoor heeft toegang tot alle informatie welke zij nodig acht om, indien nodig, haar recht te kunnen uitoefenen om de goederen te controleren;
-
op het moment van de inschrijving in de administratie zijn de goederen niet langer onderhevig aan verboden of beperkingen, tenzij in de vergunning anders is bepaald.
55. De voorwaarden met betrekking tot artikel 180, lid 3 DWU worden meer gedetailleerd omschreven in de Guidance Simplifications onder punt 2.3.1. b). Deze informatie is eveneens opgenomen in Bijlage III van deze circulaire. Het onderzoek naar deze voorwaarden zal gebeuren tijdens de voorafgaande audit.
56. Wanneer een ontheffing van de verplichting om de goederen aan te brengen wordt verleend, kunnen de douaneautoriteiten eisen dat de procedure inzake de aanzuivering van de vorige regeling of tijdelijke opslag in de vergunning EIDR wordt omschreven (Guidance Simplifications 2.3.7).
57. Op grond van artikel 234, lid 3 DWU IA kunnen de douaneautoriteiten een vergunninghouder die beschikt over een ontheffing om de goederen aan te brengen alsnog verplichten om een kennisgeving in te dienen. Dit kan wanneer er sprake is van een nieuw ernstig financieel risico of een andere specifieke situatie in verband met de vergunning EIDR. Het toezichthoudende douanekantoor stelt de vergunninghouder op de hoogte van deze beslissing en communiceert de termijn waarbinnen de kennisgeving van toepassing is. In dit geval is de vergunninghouder eveneens verplicht om de datum van de kennisgeving te vermelden in de administratie en om te voldoen aan de overige verplichtingen opgenomen in artikel 234, lid 1 DWU IA.
6.3. Voorafgaande audit
58. Er moet een voorafgaande bedrijfscontrole, de zogenaamde audit, worden uitgevoerd door de douaneautoriteiten alvorens de vergunning EIDR kan worden toegekend. De resultaten van vorige controles kunnen eventueel worden gebruikt indien er aan een aantal voorwaarden wordt voldaan:
- de eerdere controle heeft niet meer dan 3 jaar voor indiening van de aanvraag plaatsgevonden;
- de voorwaarden voor de huidige vergunning EIDR zijn dezelfde;
- de wet is niet gewijzigd;
-
de activiteiten, interne controles, IT-systemen en producten van de marktdeelnemer zijn niet veranderd.
59. De audit is gericht op de relevante AEO-criteria, maar er wordt ook controle uitgevoerd op de specifieke aspecten van de vergunning EIDR.
60. Indien de aanvrager van een vergunning EIDR reeds AEOC is, wordt hij geacht te voldoen aan de criteria voor alle vereenvoudigde procedures. Desalniettemin moeten bepaalde elementen of aanvullende voorwaarden die verband houden met de specifieke vorm van vereenvoudiging die wordt aangevraagd, beoordeeld worden vooraleer een vergunning kan worden verleend. De controle van de voorwaarden voor een ontheffing van de verplichting tot aanbrengen van de goederen kan hier ook deel van uitmaken (Guidance Simplifications 2.1.2).
61. In het kader van de procedure EIDR moeten de volgende bijkomende aspecten worden gecontroleerd (Guidance Simplifications 2.3.1. c):
- de modaliteiten die worden aangereikt om de goederen aan te brengen indien er geen vrijstelling van kennisgeving is verleend;
- de voorwaarden waaronder de vrijgave van de goederen is toegestaan (artikel 182, lid 4 DWU);
- eerbiediging van de uitsluitingen van artikel 150, lid 3 tot 6 DWU DA (zie titel 6.2.1).
Bijlage IV van deze circulaire bevat een lijst van andere punten die moeten worden gecontroleerd tijdens de audit. Deze lijst is niet exhaustief.
6.4. Verslag van de audit
62. Het verslag van de voorafgaande audit is vergelijkbaar met dat van de AEO en dient onder meer een schriftelijke beoordeling te bevatten omtrent de criteria waaraan de aanvrager moet voldoen. Verder bevat het verslag een duidelijke aanbeveling om de vereenvoudigde procedure al dan niet toe te kennen op basis van resultaten van de controle-activiteiten.
63. Alle werkzaamheden die door het douanekantoor werden verricht, moeten worden gedocumenteerd. Het verslag moet gedetailleerde informatie bevatten over de resultaten van het bezoek aan de bedrijfsruimten, de procedures die door de marktdeelnemer zijn vastgelegd, de organisatie van het bedrijf, informatie over de geïmporteerde of geëxporteerde producten, enzovoort.
64. Wanneer de aanvrager reeds AEOC-houder is, moeten het definitieve verslag en de auditdocumenten die zijn gebruikt voor de verlening van de AEO-vergunning, worden gebruikt voor de voorbereiding en de uitvoering van de voorafgaande audit in het kader van de vereenvoudigde procedures (Guidance Simplifications 2.1.2.b).
6.5. Controleprogramma
65. Krachtens artikel 233 DWU IA is het ontwikkelen van een controleprogramma verplicht voor een vergunning EIDR. Dit programma wordt samengesteld op basis van de risicobeoordeling die wordt uitgevoerd tijdens de voorafgaande audit. Het controleprogramma zal worden gebruikt als leidraad voor het uitvoeren van controles op het ogenblik dat de vergunning effectief wordt toegepast.
66. Het controleprogramma moet onder meer informatie bevatten over het toezicht op de douaneregelingen die in de vergunning zijn opgenomen en de frequentie waarmee de controles worden uitgevoerd. Het programma moeten garanderen dat er doeltreffende controles kunnen worden uitgevoerd in alle fasen van de procedure EIDR.
67. Voor gedetailleerde informatie over de methodologieën voor controles en audits, moeten de douane-auditeurs gebruik maken van de richtsnoeren die beschikbaar zijn gesteld door de Europese Unie voor de uitvoering van controles en audits en rekening houden met de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer (Speciaal verslag nr. 1/2010) (Guidance Simplifications 2.1.4).
68. Overeenkomstig de aanbevelingen van de Europese Commissie vereist artikel 233 DWU IA dat het controleprogramma (Guidance Simplifications 2.3.3):
- alleen geldt voor de betrokken marktdeelnemer (individueel en alleen voor gebruik door de douane);
- verband houdt met het toezicht op zowel de douaneregelingen als de vergunning;
- de belangrijkste elementen worden bepaald die naar gelang het risiconiveau moeten worden gecontroleerd;
- de risico’s worden aangegeven die zijn vastgesteld voor de vergunning in kwestie;
- de frequentie wordt bepaald waarmee de douanecontroles zullen worden uitgevoerd, op basis van het aantal transacties, de risico’s die ermee samenhangen en de kwaliteit van de interne controlesystemen;
- garandeert dat er tijdens alle fasen van EIDR doeltreffende controles kunnen worden uitgevoerd en dat deze worden aangepast indien de risico’s veranderen;
- wordt aangegeven welke soorten controles er zullen worden uitgevoerd (op risicoanalyse gebaseerde controles/controles a posteriori/onaangekondigde controles), welke controles minimaal moeten worden uitgevoerd en welke maatregelen uit het DWU zullen worden toegepast met betrekking tot de risico’s (documentaire of fysieke controles);
- indien relevant, rekening wordt gehouden met de verjaringstermijn voor kennisgeving van de douaneschuld;
- specifieke controleprocedures zijn opgenomen voor situaties waarin sprake is van een vrijstelling van kennisgeving (zoals mogelijke perioden van schorsing van de vrijstelling van kennisgeving uit hoofde van artikels 182, lid 3 DWU en artikel 234, lid 3 DWU IA);
- rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat risico’s veranderen en met de veranderingen die nodig zijn met betrekking tot de controles om een doeltreffende analyse en beheer van de risico’s te garanderen. Er kan onder meer worden gevraagd dat de goederen worden aangebracht overeenkomstig artikel 182, lid 3 d), 2de alinea DWU.
7. Verlenen van een vergunning EIDR
7.1. Wettelijke bepalingen
Artikel 6 DWU
“Middelen voor het uitwisselen en het opslaan van informatie en gemeenschappelijke gegevensvereisten
1. Alle uitwisselingen van informatie, zoals aangiften, aanvragen of beschikkingen tussen douaneautoriteiten onderling en tussen marktdeelnemers en douaneautoriteiten, alsmede de door de douanewetgeving vereiste opslag van die informatie, geschieden met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken.
[…] ”
Artikel 22 DWU
“Beschikkingen naar aanleiding van aanvragen
1. Indien een persoon een beschikking betreffende de toepassing van de douanewetgeving aanvraagt, verstrekt hij alle door de bevoegde douane autoriteiten gevraagde inlichtingen die het voor hen mogelijk maken om een beschikking af te geven.
Een beschikking mag ook worden aangevraagd door en gericht worden tot verschillende personen, overeenkomstig de in de douanewetgeving vastgelegde voorwaarden.
Tenzij anders is bepaald, is de bevoegde douaneautoriteit de autoriteit van de plaats waar de hoofdadministratie voor douanedoeleinden van de aanvrager zich bevindt of waar deze toegankelijk is, en waar op zijn minst een deel van de activiteiten die onder de beschikking moeten vallen, zal worden uitgevoerd.
2. De douaneautoriteiten gaan onverwijld, doch uiterlijk binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag voor een beschikking, na of aan de voorwaarden voor aanvaarding van de aanvraag is voldaan.
Wanneer de douaneautoriteiten vaststellen dat de aanvraag alle inlichtingen bevat opdat zij de beschikking zouden kunnen verlenen, stellen zij de aanvrager binnen de in de eerste alinea vermelde termijn daarvan in kennis.
3. De bevoegde douaneautoriteit verleent een beschikking als bedoeld in lid 1 en deelt deze aan de aanvrager onverwijld en uiterlijk 120 dagen nadat de aanvraag is aanvaard mee, tenzij anders is bepaald.
Indien de douaneautoriteiten de termijn voor het verlenen van een beschikking niet kunnen naleven, stellen zij de aanvrager daarvan in kennis vóór het verstrijken van die termijn, met opgave van de redenen en van de nieuwe termijn die zij nodig achten om een beschikking af te geven. Tenzij anders bepaald, is die nieuwe termijn niet langer dan 30 dagen.
Onverminderd het bepaalde in de tweede alinea kunnen de douaneautoriteiten de termijn voor het verlenen van een beschikking, zoals vastgelegd in de douanewetgeving, verlengen indien de aanvrager daarom verzoekt voor het uitvoeren van aanpassingen teneinde aan de voorwaarden en criteria te voldoen. Deze aanpassingen en de aanvullende termijn die noodzakelijk is om ze uit te voeren, worden ter kennis gebracht van de douaneautoriteiten, die een besluit nemen over de verlenging.
4. Tenzij in de beschikking of de douanewetgeving anders is bepaald, wordt de beschikking van kracht op de datum waarop de aanvrager deze ontvangt of wordt geacht deze te hebben ontvangen. Met uitzondering van de in artikel 45, lid 2, bedoelde gevallen zijn de afgegeven beschikkingen vanaf die datum uitvoerbaar door de douaneautoriteiten.
5. Tenzij de douanewetgeving anders bepaalt, is de beschikking onbeperkt geldig.
[…].”
Bijlage A (DWU DA)
“Gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aanvragen en beschikkingen
Titel I
Aanvragen en beschikkingen
Hoofdstuk I
Legende tabel
Kolommen | Soort aanvraag/beschikking | Rechtsgrond | Titelnr. van de specifieke gegevensvereisten | |
Volgnummer G.E. | Volgnummer van het betrokken gegevenselement | |||
Naam G.E. | Naam van het betrokken gegevenselement | |||
[…]
Douaneformaliteiten
[…]
7c | Aanvraag en vergunning voor het doen van een douaneaangifte door inschrijving in de administratie van de aangever, inclusief de regeling uitvoer | Artikel 182 van het wetboek | Titel XIV |
[…] .”
Bijlage A (DWU IA)
“TITEL II
Codes betreffende de gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aanvragen en beschikkingen
1. INLEIDING
Deze titel bevat de codes die in aanvragen en beschikkingen moeten worden gebruikt.
2. CODES
1/1. Code soort aanvraag/beschikking
Er moet gebruik worden gemaakt van de volgende codes
[…]
Code | Soort aanvraag/beschikking | Opschrift van de kolom in bijlage A bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 |
EIR | Aanvraag of vergunning voor het doen van een douaneaangifte door inschrijving in de administratie van de aangever, daaronder begrepen voor de regeling uitvoer | 7c |
[…]
1/6. Referentienummer beschikking
Het referentienummer van de beschikking is als volgt opgebouwd:
Veld | Inhoud | Format | Voorbeeld |
1 | Identificator van de lidstaat waar de beschikking is gegeven (tweeletterige landcode) | a2 | BE |
2 | Code soort beschikking | an..4 | EIR |
3 | Unieke identificator voor de beschikking per land (maximum 29 alfanumeriek karakters) | an..29 | 1234XYZ12345678909876543210AB |
[…] ”[14]
7.2. Toelichting
69. De algemene bepalingen inzake de aanvraag en het beheer van beschikkingen zijn opgenomen in de artikels 22, 23, 27 en 28 DWU. Deze bepalingen worden toegelicht in de Circulaire 2022/C/123 betreffende het nemen en het beheer van een beschikking inzake de toepassing van de douanewetgeving.
70. Overeenkomstig artikel 22, lid 3 DWU moeten de douaneautoriteiten uiterlijk 120 dagen na de aanvaarding van de aanvraag een beschikking verlenen. Deze termijn start op de datum van aanvaarding van de aanvraag (zie titel 4 van deze circulaire).
71. De beschikking van een vergunning EIDR moet verleend worden via de middelen voor het uitwisselen van informatie en moet beantwoorden aan de gemeenschappelijke gegevensvereisten van bijlage A DWU DA zoals bepaald in artikel 6, lid 2 DWU en artikel 2, lid 1 DWU DA.
72. In de beschikking van een vergunning EIDR moeten de gegevenselementen van bijlage A DWU DA worden vermeld. Deze gegevenselementen zijn opgenomen in kolom 7c van de tabel in hoofdstuk 1 van titel I van bijlage A DWU DA. De specifieke gegevenselementen die uitsluitend betrekking hebben op de vergunning EIDR worden beschreven in hoofdstuk I van Titel XIV van bijlage A. Voor de vergunning EIDR worden de volgende specifieke gegevenselementen bepaald:
- de ontheffing van de kennisgeving van aanbrengen;
- de ontheffing van aangifte vóór vertrek;
- het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de goederen beschikbaar zijn voor controle, en
- de termijn voor indiening van de aanvullende aangifte.
Bijlage I van deze circulaire herneemt alle gegevensvereisten die van toepassing zijn op de aanvragen en de beschikkingen voor EIDR. De gegevens die enkel vereist zijn voor de aanvraag van een vergunning zijn aangeduid met [*]. De gegevens die enkel vereist zijn voor de beschikking van een vergunning zijn aangeduid met [+].
73. Zoals bepaald in titel II van bijlage A DWU IA wordt de referentienummer van de beschikking (gegevenselement 1/6 bijlage A DWU DA) samengesteld uit drie velden:
- de identificator van de lidstaat waar de beschikking is verleend: BE voor België,
- de code van de soort beschikking: EIR voor inschrijving in de administratie van de aangever, en
- een unieke identificator van maximaal 29 alfanumerieke tekens voor de desbetreffende beschikking.
Het laatste veld van de referentienummer van de beschikking moet worden gecreëerd overeenkomstig de bepalingen die daartoe door de Administratie Operations worden vastgelegd.
7.3. Zekerheid
7.3.1. Wettelijke bepalingen
Artikel 211 DWU
“1. Een vergunning van de douaneautoriteiten is vereist voor:
a) het gebruik van de regeling actieve of passieve veredeling, tijdelijke invoer of bijzondere bestemming;
b) het beheer van een opslagruimte voor opslag in een douane- entrepot, tenzij de opslagruimte wordt beheerd door de douaneautoriteit zelf.
De voorwaarden waaronder één of meer van de in de eerste alinea bedoelde regelingen mogen worden gebruikt of het beheer van opslagruimten is toegestaan, worden in de vergunning vastgesteld.
2. […]
3. Tenzij anders is bepaald, wordt de in lid 1 bedoelde vergunning slechts verleend aan personen die aan elk van de volgende voorwaarden voldoen:
[…]
c) zij stellen zekerheid overeenkomstig artikel 89, indien een douaneschuld kan ontstaan of andere heffingen verschuldigd kunnen worden voor de onder een bijzondere regeling geplaatste goederen;
[…]”
Artikel 195 DWU
“Vrijgave afhankelijk van betaling van het met de douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten of zekerheidstelling
1. Indien het plaatsen van goederen onder een douaneregeling een douaneschuld doet ontstaan, kunnen de goederen waarop deze aangifte betrekking heeft slechts worden vrijgegeven indien het met de douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten is betaald of indien daarvoor zekerheid is gesteld.
[…]
2. […]
3. Wanneer een vereenvoudiging als bedoeld in de artikelen 166, 182 en 185 wordt toegepast en een doorlopende zekerheid is gesteld, is toezicht op de zekerheid door de douaneautoriteiten geen voorwaarde voor de vrijgave van de goederen.”
Artikel 157 DWU IA
“Toezicht op het referentiebedrag door de douaneautoriteiten
1. Het toezicht op het deel van het referentiebedrag dat het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten dekt, en op andere in verband met de invoer of uitvoer van goederen verschuldigde heffingen, die verschuldigd zullen worden voor goederen die in het vrije verkeer worden gebracht, wordt voor elke douaneaangifte gewaarborgd op het tijdstip dat de goederen onder de regeling worden geplaatst. Wanneer de douaneaangiften voor het vrije verkeer zijn ingediend in overeenstemming met een vergunning zoals bedoeld in artikel 166, lid 2, of artikel 182 van het wetboek, wordt het toezicht op het relevante deel van het referentiebedrag gewaarborgd op basis van de aanvullende aangiften of, indien van toepassing, op basis van de in de administratie opgenomen gegevens.
2. […]
3. Het toezicht op het deel van het referentiebedrag dat het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten dekt, en op andere in verband met de invoer of uitvoer verschuldigde heffingen voor zover deze gedekt moeten zijn door de zekerheid en die in andere dan de in de leden 1 en 2 genoemde gevallen zullen of kunnen ontstaan, wordt gewaarborgd door regelmatige en passende controle. “
7.3.2. Toelichting
74. De zekerheid maakt geen deel uit van de voorwaarden voor het verlenen van de vergunning EIDR. Het stellen van een zekerheid wordt echter opgelegd aan de hand van een aantal andere wetsbepalingen.
75. Indien de aanvrager van een vergunning EIDR gebruik wil maken van één of meer bijzondere regelingen vermeld in artikel 210, b) tot en met d) DWU, kan de vergunning EIDR enkel worden verleend indien de aanvrager reeds beschikt over een vergunning voor de desbetreffende bijzondere regeling(en). Voor het verlenen van een vergunning voor een bijzondere regeling moet steeds een zekerheid worden gesteld overeenkomstig artikel 211, lid 3, c) DWU.
76. Indien het plaatsen van goederen onder een douaneregeling een douaneschuld doet ontstaan, worden de goederen waarop deze aangifte betrekking heeft slechts vrijgegeven indien de douaneschuld is betaald of indien daarvoor een zekerheid is gesteld (artikel 195, lid 1 DWU). Indien toestemming is gegeven voor een uitstel van betaling van douanerechten (artikel 110 DWU), moet een dergelijke zekerheid worden gesteld alvorens gebruik kan worden gemaakt van de vereenvoudigde procedure EIDR. Indien dit het geval is, moet een afzonderlijke aanvraag voor de zekerheid en/of voor het uitstel van betaling worden ingediend en moet deze afzonderlijk worden goedgekeurd (Guidance Simplifications 2.1.3).
77. Om op correcte wijze gebruik te kunnen maken van de procedure EIDR, is het aan te bevelen een doorlopende zekerheid, zoals gedefinieerd in artikel 95 DWU, te stellen. In overeenstemming met artikel 195, lid 3 DWU, is de vrijgave van de goederen, indien er een doorlopende zekerheid wordt gesteld, niet afhankelijk van het toezicht op de zekerheid door de douaneautoriteiten. (Guidance Simplifications 2.1.3).
78. Wanneer douaneaangiften voor het vrije verkeer zijn ingediend doormiddel van de inschrijving in de administratie van de aangever en er is een doorlopende zekerheid gesteld, wordt het toezicht op het relevante deel van het referentiebedrag gewaarborgd op basis van de aanvullende aangiften of, indien van toepassing, op basis van de in de administratie opgenomen gegevens (artikel 157, lid 1 DWU IA). Wanneer goederen onder een bijzondere regeling worden geplaatst doormiddel van de inschrijving in de administratie van de aangever en er is een doorlopende zekerheid gesteld, houden de douaneautoriteiten toezicht op het relevante deel van het referentiebedrag aan de hand van regelmatige en passende controles (artikel 157, lid 3 DWU IA). Indien er een individuele zekerheid wordt gesteld, is de vrijgave van de goederen daarentegen wel afhankelijk van het toezicht op de zekerheid (Guidance Simplifications 2.1.3).
7.4. Vrijgave van de goederen
7.4.1. Wettelijke bepalingen
Artikel 182 DWU
“Inschrijving in de administratie van de aangever
1. […]
[…]
4. De voorwaarden waaronder de vrijgave van de goederen is toegestaan, worden in de vergunning vastgesteld.”
Artikel 194 DWU
“Vrijgave van de goederen
1. Mits is voldaan aan de voorwaarden voor de plaatsing van de goederen onder de betrokken regeling en voor zover er geen beperking op de goederen is gesteld en de goederen niet onder een verbod vallen, geven de douaneautoriteiten de goederen vrij zodra de vermeldingen op de douaneaangifte zijn geverifieerd of zonder verificatie zijn aanvaard.
De eerste alinea is tevens van toepassing indien een in artikel 188 bedoelde verificatie niet binnen een redelijke termijn kan worden beëindigd en de goederen niet meer aanwezig behoeven te zijn met het oog op de verificatie.
2. […]”
Artikel 235 DWU IA
“Vrijgave van de goederen wanneer een douaneaangifte is ingediend in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever
(artikel 182 van het wetboek)
1. Wanneer in de vergunning om een douaneaangifte in te dienen in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever een termijn is vastgesteld waarbinnen de houder van deze vergunning in kennis moet worden gesteld van de uit te voeren controles, worden de goederen geacht bij het verstrijken van de termijn te zijn vrijgegeven, tenzij het controlekantoor kenbaar heeft gemaakt voornemens te zijn binnen deze termijn een controle uit te voeren.
2. Wanneer in de vergunning geen termijn is vastgelegd zoals bedoeld in lid 1, geeft het controlekantoor de goederen vrij in overeenstemming met artikel 194 van het wetboek.”
7.4.2. Toelichting
79. Krachtens artikel 182, lid 2 DWU wordt de douaneaangifte geacht te zijn aanvaard op het tijdstip van inschrijving van de goederen in de administratie. Op het moment van inschrijving in de administratie wordt een kennisgeving van aanbrengen verstuurd naar het bevoegde douanekantoor. De wijze van vrijgave van de goederen moet worden vastgelegd in de vergunning (artikel 182, lid 4 DWU).
80. De vergunningverlenende dienst kan in de vergunning EIDR een termijn vastleggen om de vergunninghouder op de hoogte te brengen van het voornemen van het bevoegde douanekantoor om over te gaan tot een controle. Deze termijn start op het ogenblik dat de kennisgeving van aanbrengen wordt verstuurd. Indien de vergunning EIDR een dergelijke termijn bevat, worden de goederen verondersteld te zijn vrijgegeven op het moment dat de termijn verstrijkt, tenzij het controlekantoor binnen die termijn heeft aangegeven een controle te zullen uitvoeren (artikel 235, lid 1 DWU IA). De specifieke termijn moet zo worden gekozen dat deze het bevoegde douanekantoor voldoende tijd geeft om de noodzakelijke controles uit te voeren. Wanneer er geen termijn in de vergunning is vastgelegd, geeft het controlekantoor de goederen vrij overeenkomstig artikel 194 DWU (artikel 235, lid 2 DWU IA).
81. Wanneer de vergunninghouder beschikt over een ontheffing van de verplichting om de goederen aan te brengen, worden de goederen geacht te zijn vrijgegeven op het moment van de inschrijving in de administratie van de aangever (artikel 182, lid 3 DWU). In dit geval worden de goederen onmiddellijk vrijgegeven, zonder tussenkomst van de douaneautoriteiten. In het kader van een vergunning EIDR met een ontheffing van de verplichting om de goederen aan te brengen, kan de toepassing van artikel 235 DWU IA alsnog worden ingeroepen indien het bevoegde controlekantoor op basis van de artikels 182, lid 3, laatste alinea DWU en 234, lid 3 DWU IA de vergunninghouder verplicht om de goederen aan te brengen (zie titel 6.2.2. van deze circulaire).
82. De ontheffing van de verplichting om de goederen aan te brengen of, indien er geen ontheffing wordt verleend, de termijn tussen de ontvangst van de kennisgeving en het vrijgeven van de goederen wordt door de vergunningverlenende douaneautoriteit in de beschikking vermeld overeenkomstig bijlage A DWU DA, titel XIV, gegevenselement XIV/1.
7.5. Verboden en beperkingen
7.5.1. Wettelijke bepalingen
Artikel 182 DWU
“Inschrijving in de administratie van de aanvrager
1. […]
2. […]
3. De douaneautoriteiten kunnen, op verzoek, ontheffing verlenen van de verplichting om de goederen aan te brengen. In dat geval worden de goederen geacht te zijn vrijgegeven op het moment van inschrijving in de administratie.
Deze ontheffing kan worden toegestaan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
[…]
d) op het moment van de inschrijving in de administratie zijn de goederen niet langer onderhevig aan verboden of beperkingen, tenzij in de vergunning anders is bepaald.
Het toezichthoudende douanekantoor kan in specifieke situaties evenwel verzoeken om de goederen aan te brengen.”
Artikel 234 DWU IA
“Verplichtingen van de vergunninghouder die een douaneaangifte indient in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever
(Artikel 182, lid 1, van het wetboek)
1. De vergunninghouder die een douaneaangifte indient in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever:
[…]
d) stelt aan het controlekantoor informatie beschikbaar over goederen die aan verboden en beperkingen zijn onderworpen;
[…]”
7.5.2. Toelichting
83. De vergunninghouder stelt aan het controlekantoor informatie beschikbaar over goederen die aan verboden en beperkingen zijn onderworpen (artikel 234, lid 1 d) DWU IA). Vanuit praktisch oogpunt kan de procedure EIDR slechts worden toegepast voor aan verboden of beperkingen onderhevige goederen indien een passend beschermingsniveau kan worden gewaarborgd en wanneer er afspraken zijn gemaakt met de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het beleid inzake de betreffende verboden of beperkingen. De procedure voor verboden of aan beperkingen onderhevige goederen moet duidelijk zijn opgenomen in de vergunning. De vergunning EIDR zou kunnen worden gebruikt op voorwaarde dat de vergunninghouder de relevante bewijsstukken of vergunningen op verzoek van de douaneautoriteit overlegt of beschikbaar stelt op het moment dat de aangifte wordt aanvaard (Guidance Simplifications 2.1.6., b).
8. Toepassing van de vergunning EIDR
8.1. Verplichtingen van de vergunninghouder
8.1.1. Wettelijke bepalingen
Artikel 234 DWU IA
“Verplichtingen van de vergunninghouder die een douaneaangifte indient in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever
(Artikel 182, lid 1, van het wetboek)
1. De vergunninghouder die een douaneaangifte indient in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever:
a) brengt de goederen aan bij de douane, behalve wanneer artikel 182, lid 3, van het wetboek van toepassing is, en vermeldt de datum van de kennisgeving van aanbrenging in de administratie;
b) vermeldt ten minste de gegevens van een vereenvoudigde douaneaangifte en alle bewijsstukken in de administratie;
c) stelt op verzoek van het controlekantoor de gegevens van de in de administratie opgenomen douaneaangifte en eventuele bewijsstukken beschikbaar, tenzij de douaneautoriteiten toestaan dat de aangever rechtstreekse elektronische toegang tot die informatie in zijn administratie verschaft;
d) stelt aan het controlekantoor informatie beschikbaar over goederen die aan verboden en beperkingen zijn onderworpen;
e) voorziet het controlekantoor van bewijsstukken zoals bedoeld in artikel 163, lid 2, van het wetboek voordat de aangegeven goederen kunnen worden vrijgegeven;
f) zorgt ervoor, wanneer de ontheffing zoals bedoeld in artikel 182, lid 3, van het wetboek van toepassing is, dat de houder van de vergunning voor het beheer van de opslagruimten voor tijdelijke opslag over de noodzakelijke informatie beschikt om de beëindiging van de tijdelijke opslag te bewijzen;
g) dient de aanvullende aangifte in bij het controlekantoor op de wijze en binnen de termijn vastgesteld in de vergunning, tenzij ontheffing van de verplichting tot indiening van een aanvullende aangifte is verleend in overeenstemming met artikel 167, lid 2, van het wetboek.
2. […]
3. […]”
Artikel 167 DWU
“Aanvullende aangifte
1. Bij een vereenvoudigde aangifte overeenkomstig artikel 166 of een inschrijving in de administratie van de aangever overeenkomstig artikel 182 dient de aangever binnen een specifieke termijn bij het bevoegde douanekantoor een aanvullende aangifte in met de gegevens die vereist zijn voor de betrokken douaneregeling.
Bij een vereenvoudigde aangifte overeenkomstig artikel 166 moeten de nodige bewijsstukken binnen een specifieke termijn in het bezit zijn van de aangever en ter beschikking staan van de douaneautoriteiten.
De aanvullende aangifte kan een algemeen, periodiek of samenvattend karakter hebben
2. In de volgende gevallen wordt ontheffing verleend van de verplichting tot indiening van een aanvullende aangifte:
a) de goederen zijn onder het stelsel van douane-entrepots geplaatst;
b) andere specifieke gevallen.
3. Onder de volgende voorwaarden kunnen de douaneautoriteiten afzien van de eis dat een aanvullende aangifte moet worden ingediend:
a) de vereenvoudigde aangifte betreft goederen waarvan de waarde en hoeveelheid onder de statistische drempel liggen;
b) de vereenvoudigde aangifte bevat reeds alle informatie die nodig is voor de betreffende douaneregeling; en
c) de vereenvoudigde aangifte is niet ingediend in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever.
4. De in artikel 166 bedoelde vereenvoudigde aangifte of de in artikel 182 bedoelde inschrijving in de administratie van de aangever wordt geacht samen met de aanvullende aangifte een enkele en ondeelbare akte te vormen, die geldig is respectievelijk vanaf de datum van aanvaarding van de vereenvoudigde aangifte overeenkomstig artikel 172 en vanaf de datum van inschrijving van de goederen in de administratie van de aangever.
5. […]”
Artikel 146 DWU DA
“Aanvullende aangifte
(Artikel 167, lid 1, van het wetboek)
1. Wanneer de douaneautoriteiten het verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten overeenkomstig artikel 105, lid 1, eerste alinea, van het wetboek dienen te boeken, is de termijn voor het indienen van de aanvullende aangifte, als bedoeld in artikel 167, lid 1, eerste alinea, van het wetboek, wanneer die aangifte een algemeen karakter heeft, tien dagen na de vrijgave van de goederen.
2. Wanneer een boeking geschiedt overeenkomstig artikel 105, lid 1, tweede alinea, van het wetboek of wanneer geen douaneschuld ontstaat en de aanvullende aangifte een periodiek of samenvattend karakter heeft, beloopt het tijdvak waarop de aanvullende aangifte betrekking heeft, maximaal één kalendermaand.
3. De termijn voor de indiening van de aanvullende aangifte met een periodiek of samenvattend karakter beloopt tien dagen vanaf de einddatum van het tijdvak waarop de aanvullende aangifte betrekking heeft.
3bis. Wanneer geen douaneschuld ontstaat, mag de termijn voor de indiening van de aanvullende aangifte niet meer belopen dan 30 dagen, te rekenen vanaf de vrijgave van de goederen.
3ter. De douaneautoriteiten staan, in naar behoren gemotiveerde gevallen, een langere termijn toe voor de indiening van de in lid 1, 3 en 3bis bedoelde aanvullende aangifte. Deze termijn mag niet meer dan 120 dagen belopen, te rekenen vanaf de vrijgave van de goederen. In uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen die verband houden met de douanewaarde van goederen, kan deze termijn echter verder worden verlengd maar niet langer zijn dan twee jaar vanaf de datum van vrijgave van de goederen.
4. Tot de respectieve datums van de uitrol van het AES-systeem en de upgrade van de desbetreffende nationale invoersystemen zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151 kunnen de douaneautoriteiten, onverminderd artikel 105, lid 1, van het wetboek, andere dan de in de leden 1 tot en met 3 ter van dit artikel genoemde termijnen toestaan.”
Artikel 105 DWU
“Tijdstip van boeking
1. Indien door de aanvaarding van de douaneaangifte van goederen voor een andere douaneregeling dan die van tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten, of door enige andere handeling die dezelfde rechtsgevolgen heeft als die aanvaarding, een douaneschuld ontstaat, boeken de douaneautoriteiten het verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten uiterlijk veertien dagen na de vrijgave van de goederen.
Niettemin kan, mits de betaling is gewaarborgd, het volledige bedrag aan invoer- of uitvoerrechten voor alle goederen die tijdens een door de douaneautoriteiten vastgestelde periode van ten hoogste 31 dagen ten gunste van eenzelfde persoon werden vrijgegeven, aan het einde van deze periode in één keer worden geboekt. Deze boeking dient te geschieden uiterlijk veertien dagen na afloop van de betrokken periode.
[…]”
Artikel 183 DWU DA
“Ontheffing van de verplichting tot indiening van een aanvullende aangifte
(Artikel 167, lid 2, onder b), van het wetboek)
Er wordt ontheffing van de verplichting tot indiening van een aanvullende aangifte verleend voor goederen waarvoor een bijzondere regeling, met uitzondering van douanevervoer, is aangezuiverd door plaatsing van deze goederen onder een volgende bijzondere regeling, met uitzondering van douanevervoer, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a) de houder van de vergunning voor de eerste en de volgende bijzondere regeling is dezelfde persoon;
b) de douaneaangifte voor de eerste bijzondere regeling werd ingediend op de standaardwijze, of de aangever heeft voor de eerste bijzondere regeling een aanvullende aangifte ingediend overeenkomstig artikel 167, lid 1, eerste alinea, van het wetboek;
c) de eerste bijzondere regeling is aangezuiverd door plaatsing van de goederen onder een volgende bijzondere regeling, met uitzondering van bijzondere bestemming of actieve veredeling, in aansluiting op de indiening van een douaneaangifte in de vorm van inschrijving in de administratie van de aangever.”
8.1.2. Toelichting
Inschrijving in de administratie
84. De inschrijving in de eigen administratie van de aangever vormt de basis voor de douaneaangifte. De inschrijving in de administratie bevat ten minste de gegevens van een vereenvoudigde douaneaangifte en alle bewijsstukken (artikel 234, lid 1b) DWU IA). De gegevensvereisten van de aangiften worden behandeld in titel 8.2. van deze circulaire.
85. Op het moment van de inschrijving van de douaneaangifte in de administratie van de aangever moeten de gegevens van de aangifte in het elektronisch systeem van de aangever ter beschikking staan van de douaneautoriteiten (artikel 182, lid 1 DWU). Dit geldt eveneens voor de bewijsstukken. De douaneaangifte wordt geacht te zijn aanvaard op het tijdstip van inschrijving van de goederen in de administratie (artikel 182, lid 2 DWU). De datum van aanvaarding van de douaneaangifte door de douaneautoriteiten is, tenzij anderszins is bepaald, de datum die in aanmerking moet worden genomen voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven en voor alle andere invoer- of uitvoerformaliteiten (artikel 172 DWU).
Kennisgeving van aanbrengen
86. Het aanbrengen van de goederen is de mededeling aan de douaneautoriteiten dat de goederen bij het douanekantoor of op enige andere, door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats zijn aangekomen en beschikbaar zijn voor douanecontrole (artikel 5, punt 33 DWU). Door het verlenen van de vergunning EIDR wordt de plaats voor het aanbrengen van de goederen eveneens goedgekeurd (zie Guidance Simplifications 3.1.1. b). Bij de inschrijving in de administratie van de aangever worden de goederen aangebracht aan de hand van het versturen van een kennisgeving van aanbrengen naar het in de vergunning vermelde douanekantoor (artikel 234, lid 1 a) DWU IA). De kennisgeving van aanbrengen bevat de gegevens van de kolommen C2 (uitvoer) of I2 (invoer) van bijlage B DWU DA. De vergunninghouder vermeldt de datum van de kennisgeving van aanbrenging in de administratie.
87. De overgangsmaatregelen betreffende de kennisgeving van aanbrengen worden behandeld in titel 4.2. van deze circulaire.
88. Deze kennisgeving moet niet worden ingestuurd wanneer de vergunninghouder beschikt over een ontheffing van de verplichting van aanbrengen. In dit geval zijn de goederen reeds vrijgegeven op het ogenblik van de inschrijving in de administratie (artikel 182, lid 3 DWU).
Vrijgave en controle
89. De wijze van vrijgave van de goederen wordt vermeld in de vergunning EIDR. De modaliteiten van de vrijgave worden besproken in titel 7.4.2. van deze circulaire. Indien de zending geselecteerd wordt voor controle, blijven de goederen ter beschikking van de douaneautoriteiten op de plaats die is bepaald in de vergunning.
90. De vergunninghouder stelt op verzoek van het controlekantoor de gegevens van de in de administratie opgenomen douaneaangifte en eventuele bewijsstukken beschikbaar, tenzij de douaneautoriteiten toestaan dat de aangever rechtstreekse elektronische toegang tot die informatie in zijn administratie verschaft (artikel 234, lid 1 c) DWU IA) en voorziet het controlekantoor van de bewijsstukken zoals bedoeld in artikel 163, lid 2 DWU. Krachtens artikel 163, lid 2 DWU worden de bewijsstukken aan de douaneautoriteiten verstrekt indien de Uniewetgeving dat vereist of indien dat met het oog op douanecontroles noodzakelijk is. Informatie betreffende goederen die aan verboden en beperkingen zijn onderworpen, wordt overgemaakt aan het controlekantoor conform de voorschriften van de vergunning EIDR.
91. Wanneer de vergunninghouder beschikt over een ontheffing van de verplichting om de goederen aan te brengen, kunnen de douaneautoriteiten eisen dat de het proces van zuivering van de vorige regeling of van de tijdelijk opslag in de vergunning wordt beschreven. Krachtens artikel 234, lid 1 f) DWU IA moet de houder van de vergunning voor het beheer van de opslagruimten voor tijdelijke opslag over de noodzakelijke informatie beschikken om de beëindiging van de tijdelijke opslag te bewijzen (Guidance Simplifications 2.3.7).
Aanvullende aangifte
92. Volgend op de inschrijving in de administratie en, indien vereist, de kennisgeving van aanbrengen, moet de vergunninghouder een aanvullende douaneaangifte indienen bij het controlekantoor op de wijze en binnen de termijn vastgelegd in de vergunning, tenzij een ontheffing van de verplichting tot indiening van een aanvullende aangifte is verleend (artikel 167, lid 1 DWU en artikel 234, lid 1, g) DWU IA).
93. De douaneaangifte die wordt ingeschreven in de administratie van de aangever en de aanvullende aangifte worden geacht samen één enkele, ondeelbare akte te vormen. De akte treedt in werking op de datum dat de goederen worden ingeschreven in de administratie (artikel 167, lid 4 DWU - Guidance Simplifications 2.3.8.).
94. Artikel 146 DWU DA maakt een onderscheid tussen aanvullende aangiften met een algemeen karakter enerzijds en aanvullende aangiften met een periodiek of samenvattend karakter anderzijds.[15]
95. Een aanvullende aangifte met een algemeen karakter heeft betrekking op één enkele inschrijving in de administratie van de aangever. Het verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten wordt geboekt overeenkomstig de bepalingen van artikel 105, lid 1, 1ste alinea DWU. Een aanvullende aangifte met een algemeen karakter moet uiterlijk 10 dagen na de vrijgave van de goederen worden ingediend (artikel 146, lid 1 DWU DA). Wanneer er geen douaneschuld ontstaat, mag de termijn voor de indiening van de aanvullende aangifte niet meer belopen dan 30 dagen, te rekenen vanaf de vrijgave van de goederen (artikel 146, lid 3bis DWU DA).
96. Een aanvullende aangifte met een periodiek karakter dekt één inschrijving in de administratie van de aangever gedurende een door de douaneautoriteiten vastgelegde periode. Een aanvullende aangifte met een samenvattend karakter dekt meerdere inschrijvingen in de administratie van de aangever gedurende een door de douaneautoriteiten vastgelegde periode. De periode waarop de aanvullende aangifte betrekking heeft, beloopt maximaal 1 kalendermaand (artikel 146, lid 2 DWU DA). Het volledige bedrag aan invoer- of uitvoerrechten wordt geboekt overeenkomstig de bepalingen van artikel 105, lid 1, 2de alinea DWU. Indien er geen douaneschuld ontstaat en de aanvullende aangifte heeft een periodiek of een samenvattend karakter, beloopt de periode waarop de aanvullende aangifte betrekking heeft eveneens maximaal 1 kalendermaand. De termijn voor de indiening van de aanvullende aangifte met een periodiek of een samenvattend karakter beloopt 10 dagen vanaf de einddatum van de periode waarop de aanvullende aangifte betrekking heeft (artikel 146, lid 3 DWU DA).
97. De houders van een vergunning EIDR met globalisatie zijn sinds 1 februari 2022 verplicht om gebruik te maken van de applicatie e-globalisatie voor het indienen van de samenvattende aanvullende aangifte.[16] Bij e-globalisatie maakt de vergunninghouder gebruik van een startbericht om de globalisatieperiode aan te vatten en een eindbericht om die periode af te sluiten. Gedurende de globalisatieperiode (maximaal 1 kalendermaand) kan de vergunninghouder aan de hand van tussenberichten of subsequent messages de gegevens van de douaneaangifte verzenden. Bij het afsluiten van de globalisatieperiode wordt de samenvattende aanvullende aangifte gecreëerd in het aangiftesysteem. Het beheer en de praktische werking van e-globalisatie behoren tot de bevoegdheid van de departementen Informatiemanagement en Operations.[17]
98. Artikel 146 DWU DA voorziet eveneens een aantal specifieke gevallen waarin de termijn voor het indienen van de aanvullende aangifte kan worden aangepast. De douaneautoriteiten kunnen in naar behoren gemotiveerde gevallen een termijn van maximum 120 dagen toestaan, te rekenen vanaf de vrijgave van de goederen. In uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen die verband houden met de douanewaarde van de goederen, kunnen de douaneautoriteiten een verlenging van de termijn tot maximaal 2 jaar vanaf de vrijgave van de goederen toestaan.
99. Voor het in het vrije verkeer brengen van goederen kan de btw-geadresseerde gebruik maken van een vergunning om de btw te verleggen naar de periodieke btw-aangifte (vergunning ET/14000). Deze vergunning wordt verleend door de AAFisc.
100. Vergunninghouders EIDR voor het in het vrije verkeer brengen die optreden als btw-geadresseerde en die niet beschikken over een vergunning ET/14000 dienen de btw te voldoen volgens de bepalingen die gelden bij het in verbruikstellen van de goederen per zending/transactie.
Ontheffing van de verplichting tot indiening van een aanvullende aangifte
101. Artikel 167, lid 2 DWU geeft twee aparte mogelijkheden voor het verlenen van een ontheffing van de verplichting tot indiening van een aanvullende aangifte:
- plaatsing van goederen onder de regeling douane-entrepot;
-
specifieke gevallen die verder worden omschreven in artikel 183 DWU DA. Het betreft de situatie waarbij de goederen onder twee opeenvolgende bijzondere regelingen worden geplaatst, waarvan de plaatsing onder de tweede bijzondere regeling gebeurt doormiddel van de inschrijving in de administratie van de aangever.
102. Om de ontheffing van de verplichting tot indiening van een aanvullende aangifte te kunnen verlenen in het kader van artikel 183 DWU DA, moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
- geen van beide bijzondere regelingen mag douanevervoer zijn;
- de houder van de vergunning van de twee opéénvolgende bijzondere regelingen moet dezelfde zijn;
- de goederen werden onder de eerste bijzondere douaneregeling geplaatst doormiddel van een standaardaangifte of er werd reeds een aanvullende aangifte ingediend voor de eerste bijzondere regeling,
- de tweede, aansluitende bijzondere regeling mag niet bijzondere bestemming of actieve veredeling zijn.
8.2. Gegevensvereisten van de douaneaangifte
8.2.1. Wettelijke bepalingen
Artikel 167 DWU
“Aanvullende aangifte
1. Bij een vereenvoudigde aangifte overeenkomstig artikel 166 of een inschrijving in de administratie van de aangever overeenkomstig artikel 182 dient de aangever binnen een specifieke termijn bij het bevoegde douanekantoor een aanvullende aangifte in met de gegevens die vereist zijn voor de betrokken douaneregeling.
2. […]
3. […)
4. De in artikel 166 bedoelde vereenvoudigde aangifte of de in artikel 182 bedoelde inschrijving in de administratie van de aangever wordt geacht samen met de aanvullende aangifte een enkele en ondeelbare akte te vormen, die geldig is respectievelijk vanaf de datum van aanvaarding van de vereenvoudigde aangifte overeenkomstig artikel 172 en vanaf de datum van inschrijving van de goederen in de administratie van de aangever.
[…]”
Artikel 234 DWU IA
“Verplichtingen van de vergunninghouder die een douaneaangifte indient in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever
(Artikel 182, lid 1, van het wetboek)
1. De vergunninghouder die een douaneaangifte indient in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever:
a) […]
b) vermeldt ten minste de gegevens van een vereenvoudigde douaneaangifte en alle bewijsstukken in de administratie;
[…]”
Bijlage B DWU DA
“Gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aangiften, kennisgevingen en bewijs van de douanestatus van uniegoederen
TITEL I
Gegevensvereisten
HOOFDSTUK 1
Inleidende aantekeningen bij de tabel met gegevensvereisten
(1) De aangifteberichten bevatten een aantal gegevenselementen, waarvan naargelang de gevraagde douaneregeling(en) maar een deel wordt gebruikt.
(2) De gegevenselementen die voor elke regeling kunnen worden gebruikt, zijn vermeld in de tabel met gegevensvereisten. De specifieke bepalingen met betrekking tot elk gegevenselement in titel II doen geen afbreuk aan de status van de in de tabel met gegevensvereisten omschreven gegevenselementen. De bepalingen die van toepassing zijn op alle situaties waarin het betrokken gegevenselement wordt gevraagd, zijn opgenomen onder het opschrift „Alle relevante kolommen van de tabel met gegevensvereisten worden gebruikt”. Daarnaast zijn bepalingen die op specifieke kolommen van de tabel van toepassing zijn, opgenomen in de specifieke delen die precies op die kolommen betrekking hebben. Beide reeksen bepalingen moeten worden gecombineerd om de situatie van elke kolom van de tabel te weerspiegelen.
(3) Onderstaande symbolen „A”, „B” of „C” in deel 3 van hoofdstuk 2 laten onverlet dat bepaalde gegevens alleen worden verstrekt wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen. Zo wordt bv. de opgave van de bijzondere maatstaf (categorie „A”) enkel verlangd wanneer Taric daarin voorziet.
(4) De in deel 3 van hoofdstuk 2 omschreven symbolen „A”, ”B” of „C” kunnen worden aangevuld met voorwaarden of verduidelijkingen die zijn vermeld in de voetnoten bij de tabel met gegevensvereisten in deel 1 van hoofdstuk 3 hieronder.
(5) Als de lidstaat van aanvaarding van de douaneaangifte het toestaat, kan een douaneaangifte (kolommenreeksen B en H) of een vereenvoudigde aangifte (kolommenreeksen C en I) artikelen bevatten die aan verschillende codes voor regelingen worden onderworpen, op voorwaarde dat deze codes voor regelingen allemaal dezelfde, in deel 1 van hoofdstuk 3 omschreven gegevenssets gebruiken en tot dezelfde, in hoofdstuk 2 omschreven kolom van de tabel behoren. Deze mogelijkheid wordt echter niet gebruikt voor douaneaangiften die worden ingediend in het kader van gecentraliseerde vrijmaking overeenkomstig artikel 179, van het wetboek.
(6) Zonder op enigerlei wijze afbreuk te doen aan de verplichtingen om overeenkomstig deze bijlage gegevens te verstrekken en onverminderd artikel 15 van het wetboek, zal de inhoud van de aan de douane verstrekte gegevens voor een bepaalde vereiste gebaseerd zijn op de informatie die bij de marktdeelnemer bekend is op het moment dat deze aan de douane wordt verstrekt.
[…]
(12) De in artikel166 bedoelde vereenvoudigde aangiften bevatten de in de kolommen C1 en I1 vermelde informatie.
(13) De beknopte lijst van gegevenselementen die voor de regelingen in de kolommen C1 en I1 wordt verstrekt, houdt geen beperking in van en doet geen afbreuk aan de vereisten voor de regelingen in de andere kolommen van de tabel met gegevensvereisten, met name ten aanzien van informatie die in een aanvullende aangifte moet worden verstrekt.
(14) De formaten, codes en, indien van toepassing, de structuur van de in deze bijlage beschreven gegevensvereisten zijn gespecificeerd in Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447, die overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder a), van het wetboek is vastgesteld.
(15) De lidstaten delen de Commissie de lijst mee van de gegevens waarvan zij de opgave verlangen voor elk van de in deze bijlage bedoelde procedures. De Commissie publiceert de lijst van die gegevens. “
8.2.2. Toelichting
Overgangsbepalingen
103. De Bijlage B DWU DA is opgeschort gedurende de overgangsperiode. De effectieve inwerkingtreding van de bijlage B is afhankelijk van de respectieve datums van de uitrol of de upgrade van de relevante IT-systemen zoals bedoeld in het werkprogramma dat is opgenomen in het Uitvoeringsbesluit (EU)2019/2151. Tot op dat moment zijn de gegevenselementen voor douaneaangiften van bijlage 9 DWU TDA vereist (Guidance Simplifications 2.2.5).
Inschrijving in de administratie
104. Krachtens artikel 234, lid 1 b) DWU IA bestaat de douaneaangifte in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever ten minste uit de gegevens van de vereenvoudigde aangifte en alle bewijsstukken. De gegevensvereisten voor de vereenvoudigde aangifte zijn vermeld in de kolommen C1 (uitvoer) en I1 (invoer) van bijlage B DWU DA.[18] Krachtens artikel 182, lid 1 DWU moeten deze gegevens van de aangifte ter beschikking staan van de douaneautoriteiten in het elektronische systeem van de aangever op het tijdstip waarop de douaneaangifte, in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, wordt ingediend.
105. Inzake de gegevensvereisten voor de vereenvoudigde aangifte wordt in bijlage B DWU DA enkel het onderscheid gemaakt tussen invoer en uitvoer, en niet naar gelang de eigenlijke douaneregeling waaronder de goederen worden geplaatst. Dit betekent dat de dataset van kolom I1 van toepassing is op de douaneregelingen die onder het algemene begrip ‘invoer’ vallen. Kolom I1 is dus niet beperkt tot het in het vrije verkeer brengen, maar is bijvoorbeeld ook van toepassing wanneer goederen onder de regeling actieve veredeling worden geplaatst. Op analoge wijze is de kolom C1 van toepassing op de douaneregelingen die onder het algemene begrip ‘uitvoer’ vallen. Kolom C1 is dus niet beperkt tot de regeling uitvoer, maar is bijvoorbeeld ook van toepassing wanneer goederen onder de regeling passieve veredeling worden geplaatst.
106. De structuur en de vorm van de gegevens in de administratie zijn niet wettelijk omschreven. Er is geen standaardversie en er zijn geen regels met betrekking tot bijvoorbeeld de standaardlengte van het document. Het wordt echter aanbevolen rekening te houden met de gegevensvereisten die na de overgangsfase verplicht moeten worden opgenomen in de kennisgeving van aanbrengen en in de (aanvullende) aangifte overeenkomstig bijlage B DWU DA (Guidance Simplifications 2.3.6).
Aanvullende aangifte
107. Zoals omschreven in punt 13 van de inleidende aantekeningen bij de tabel met gegevensvereisten van bijlage B DWU DA, houdt de beperkte dataset van de kolommen I1 en C1 geen beperking in van en doet geen afbreuk aan de vereisten voor de regelingen in de andere kolommen van de tabel met gegevensvereisten, met name ten aanzien van informatie die in een aanvullende aangifte moet worden verstrekt. Deze aantekening moet samen worden gelezen met artikel 167, lid 1 en 4 DWU. Krachtens lid 1 van dit wetsartikel moet de vergunninghouder EIDR binnen een specifieke termijn bij het bevoegde douanekantoor een aanvullende aangifte indienen met de gegevens die vereist zijn voor de betrokken douaneregeling. Overeenkomstig lid 4 van dit wetsartikel wordt de inschrijving in de administratie van de aangever geacht samen met de aanvullende aangifte één enkele en ondeelbare akte te vormen, die geldig is vanaf de datum van inschrijving van de goederen in de administratie van de aangever.
108. De kolommen met de gegevensvereisten voor de vereenvoudigde aangifte bevatten slechts een beperkte dataset. Gezien de inschrijving in de administratie en de aanvullende aangifte één, ondeelbare akte vormen, moet de aanvullende aangifte de nodige gegevens bevatten zodoende dat de volledige douaneaangifte (inschrijving + aanvullende aangifte) alle vereiste gegevens bevat in functie van de betrokken douaneregeling waaronder de goederen worden geplaatst.
Aansluiting tussen de inschrijving in de administratie en de aanvullende aangifte
109. Artikel 167 DWU veronderstelt dat gegevens van de inschrijving in de administratie en van de aanvullende aangifte met elkaar verbonden dienen te zijn en dat deze aansluiting traceerbaar en controleerbaar is voor douaneautoriteiten. De keten van gegevens die begint bij de inschrijving in de administratie en die loopt tot het indienen van de aanvullende aangifte, met inbegrip van de registratie van de bewijsstukken en het bericht van aanbrengen van de goederen (indien vereist), moet ten alle tijden kunnen worden gereconstrueerd.
8.3. Aanvullende bepalingen
8.3.1. Wettelijke bepalingen
Artikel 236 DWU IA
“Tariefcontingent
1. Wanneer een douaneaangifte wordt ingediend in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever voor het in het vrije verkeer brengen van goederen die zijn onderworpen aan een tariefcontingent dat wordt beheerd met inachtneming van de chronologische volgorde van de data waarin de douaneaangiften zijn aanvaard, verzoekt de vergunninghouder die een douaneaangifte in die vorm indient, in een aanvullende aangifte om gebruik te mogen maken van het tariefcontingent.
2. Wanneer het verzoek om gebruik te mogen maken van een tariefcontingent dat wordt beheerd met inachtneming van de chronologische volgorde van de data waarin de douaneaangiften zijn aanvaard, in een aanvullende aangifte wordt gedaan, kan dit verzoek pas worden behandeld wanneer de aanvullende aangifte is ingediend. Voor de toewijzing van het tariefcontingent wordt echter rekening gehouden met de datum waarop de goederen in de administratie van de aangever zijn ingeschreven.
3. In afwijking van lid 1 van dit artikel kunnen de lidstaten, tot de datums waarop de upgrade van de nationale systemen voor invoeraangiften zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/255/EU wordt uitgerold, bepalen dat het verzoek om gebruik te mogen maken van een tariefcontingent dat overeenkomstig de artikelen 49 tot en met 54 van deze verordening wordt beheerd, in een andere dan de in lid 1 van dit artikel bedoelde vorm wordt gedaan, op voorwaarde dat de lidstaten alle noodzakelijke gegevens tot hun beschikking hebben om de geldigheid van het verzoek te beoordelen.”
Artikel 149 DWU DA
“Voorwaarden voor het verlenen van vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking
(Artikel 179, lid 1, van het wetboek)
1. […]
2. Wanneer de douaneaangifte gebeurt in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, kan vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking worden verleend onder de in artikel 150 vastgestelde voorwaarden”
Artikel 231 DWU IA
“Douaneformaliteiten en -controles met betrekking tot gecentraliseerde vrijmaking
(Artikel 179, lid 4, van het wetboek)
1. De houder van de vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking brengt de goederen aan bij het bevoegde douanekantoor dat in deze vergunning is vermeld door een van de volgende zaken in te dienen bij het controlekantoor:
a) […]
b) […]
c) een kennisgeving van aanbrenging als bedoeld in artikel 234, lid 1, onder a), van deze verordening.
2. Wanneer de douaneaangifte geschiedt in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, zijn de artikelen 234, 235 en 236 van deze verordening van toepassing.
3. De toegestane ontheffing van de aanbrenging in overeenstemming met artikel 182, lid 3, van het wetboek, is van toepassing op de gecentraliseerde vrijmaking op voorwaarde dat de vergunninghouder die een douaneaangifte indient in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, aan de verplichtingen in artikel 234, lid 1, onder f), van deze verordening heeft voldaan.
[…] “
8.3.2. Toelichting
Tariefcontingent
110. Wanneer het gaat om het in het vrije verkeer brengen van goederen die onderworpen zijn aan een tariefcontingent dat wordt beheerd met inachtneming van de chronologische volgorde van de data waarin de douaneaangiften zijn aanvaard, dient de vergunninghouder EIDR in de aanvullende aangifte een verzoek in om gebruik te kunnen maken van het betreffende tariefcontingent (artikel 236 DWU IA). Voor de toewijzing van het tariefcontingent wordt echter rekening gehouden met de datum waarop de goederen in de administratie van de aangever zijn ingeschreven.
111. Gezien het tijdsgebonden karakter van tariefcontingenten (toepassing van het principe ‘eerst komt, eerst maalt) wordt artikel 236, lid 3 DWU IA niet toegepast in België. Alle aanvragen voor tariefcontingenten die worden beheerd met inachtneming van de chronologische volgorde van de data waarin de douaneaangiften zijn aanvaard moeten via standaard aangiften gebeuren (§ 40 van de Instructie Tariefcontingenten (D.I. 625) van 6 oktober 2016 (DT 00.003.496).
Combinatie met een vergunning gecentraliseerde vrijmaking
112. De inschrijving in de administratie van de aangever kan gecombineerd worden met een vergunning gecentraliseerde vrijmaking, waarbij een douaneaangifte wordt ingediend bij het kantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de aangever gevestigd is, voor goederen die bij een ander douanekantoor worden aangebracht. De locatie van aanbrengen kan zich in een andere lidstaat van het douanegebied van de Unie bevinden.
113. Eénmaal de goederen zijn ingeschreven in de administratie van de aangever, zal de vergunninghouder EIDR de kennisgeving van aanbrengingen overmaken aan het controlekantoor (artikel 231, lid 1, c) DWU IA). Wanneer de douaneaangifte geschiedt in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, zijn de artikelen 234, 235 en 236 DWU IA van toepassing.
114. Indien er een ontheffing van de verplichting van het aanbrengen van de goederen wordt verleend, zijn de verplichtingen van artikel 234, lid 1 f) CDU IA betreffende de aanzuivering van de tijdelijke opslag van toepassing.
115. De wettelijke bepalingen omtrent de vergunning gecentraliseerde vrijmaking worden becommentarieerd in de Circulaire 2020/C/15 betreffende de gecentraliseerde vrijmaking. De toepassing van EIDR in het kader van een vergunning gecentraliseerde vrijmaking is evenwel pas voorzien in fase 2 van de CCI-module.[19]
9. Opvolging van de vergunning EIDR
9.1. Wettelijke bepalingen
Artikel 23 DWU
“Beheer van beschikkingen naar aanleiding van aanvragen
1. De houder van de beschikking komt de daaruit voortvloeiende verplichtingen na.
2. De houder van de beschikking stelt de douaneautoriteit onverwijld in kennis van alle voorvallen die zich na de vaststelling van de beschikking voordoen en die op de continuïteit of de inhoud ervan van invloed kunnen zijn.
3. Onverminderd bepalingen op andere gebieden tot vaststelling van de gevallen waarin beschikkingen geen werking hebben of hun werking verliezen, kunnen de douaneautoriteiten die een beschikking hebben afgegeven, deze op elk moment nietig verklaren, wijzigen of intrekken indien zij niet in overeenstemming is met de douanewetgeving.
4. In specifieke gevallen, gaan de douaneautoriteiten over tot:
a) herziening van een beschikking;
b) schorsing van een beschikking die niet nietig verklaard, ingetrokken of gewijzigd moet worden.
5. De douaneautoriteiten verifiëren de voorwaarden en criteria waaraan de houder van een beschikking moet voldoen. Zij gaan tevens na of alle uit de beschikking voortvloeiende verplichtingen worden nagekomen. Indien de houder van de beschikking minder dan drie jaar gevestigd is, wordt deze in het eerste jaar na het verlenen van de beschikking door de douaneautoriteiten grondig gecontroleerd.”
Artikel 134 DWU
“Douanetoezicht
1. Goederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen, zijn aan douanetoezicht onderworpen vanaf het tijdstip van binnenkomst en kunnen aan douanecontroles worden onderworpen. Zij zijn in voorkomend geval onderworpen aan de verboden of beperkingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van, onder meer, de openbare zedelijkheid, de openbare orde of de openbare veiligheid, de bescherming van de gezondheid en het leven van mens, dier of plant, de bescherming van het milieu, de bescherming van het nationaal artistiek, historisch en archeologisch bezit en de bescherming van industriële en commerciële eigendom, inclusief controles op drugsprecursoren, goederen die inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten en liquide middelen, alsmede aan de uitvoering van maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden en van handelspolitieke maatregelen.
Deze goederen blijven onder dit toezicht zolang dit nodig is om de douanestatus ervan te bepalen en worden er niet aan onttrokken zonder toestemming van de douaneautoriteiten.
Onverminderd artikel 254 zijn Uniegoederen niet aan douanetoezicht onderworpen zodra de douanestatus ervan is vastgesteld.
Niet-Uniegoederen blijven aan douanetoezicht onderworpen totdat zij een andere douanestatus krijgen of totdat zij het douanegebied van de Unie hebben verlaten of vernietigd zijn.
2. De houder van goederen onder douanetoezicht kan, met toestemming van de douaneautoriteiten, op elk tijdstip de goederen onderzoeken of daarvan monsters nemen, met name om de tariefindeling, douanewaarde of douanestatus vast te stellen. “
9.2. Toezicht door de douaneautoriteiten
116. De algemene eis om alle douanebeschikkingen te verifiëren is opgenomen in artikel 23, lid 5 DWU. De douaneautoriteiten controleren de voorwaarden en criteria waaraan de houder van een vergunning moet voldoen. Zij moeten tevens nagaan of alle uit de beschikking voortvloeiende verplichtingen worden nagekomen. De opvolging van vergunningen is bedoeld om eventuele signalen van niet-naleving in een vroeg stadium op te merken. Indien er moeilijkheden of gevallen van niet-naleving aan het licht komen, worden onverwijld maatregelen genomen.
117. Het wordt aanbevolen ten minste eens in de drie jaar een risicobeoordeling van de vergunninghouder uit te voeren. Daarnaast moet er steeds een risicobeoordeling gebeuren wanneer er een relevante verandering in een systeem (IT of ander) heeft plaatsgevonden die gevolgen heeft voor de uitvoering van de douaneregeling(en).
118. Met behulp van controles a posteriori kan er onderzoek worden gevoerd naar de administratieve, organisatorische of interne procedures van een marktdeelnemer, om bewijs te verzamelen dat de marktdeelnemer nog steeds voldoet aan de relevante wet- en regelgeving (Guidance Simplifications 2.1.5.a).
119. De algemene principes betreffende het beheer van een beschikking komen aan bod in titel 9 van de Circulaire 2022/C/123 betreffende het nemen en het beheer van een beschikking inzake de toepassing van de douanewetgeving.
9.3. Toezicht door de economische operator
120. Regelmatig toezicht is eveneens de verantwoordelijkheid van de vergunninghouder zelf. Het moet deel uitmaken van het interne controlesysteem van de economische operator. De economische operator moet zijn manier van interne controle en de resultaten die hieruit volgen aan de douaneautoriteiten bekend maken. De economische operator doet nazicht op de processen, risico’s en systemen die invloed hebben op zijn verrichtingen of transacties. Wanneer de verrichtingen aan verandering onderhevig zijn, moet dit aan de douaneautoriteiten worden gemeld. Verdere toelichting kan worden geraadpleegd in Deel 5 van de AEO-Richtsnoeren[20].
121. Het toezicht op vergunningen voor vereenvoudigde procedures en op de AEO-status moet zo veel mogelijk worden gecoördineerd om dubbel onderzoek te voorkomen Indien de houder van de beschikking minder dan drie jaar is gevestigd, wordt deze in het eerste jaar na het verlenen van de beschikking door de douaneautoriteiten grondig gecontroleerd (Guidance Simplifications 2.1.5.b).
10. Opheffingsbepalingen
122. De Circulaire 2021/C/23 betreffende de inschrijving in de administratie van de aangever (EIDR) wordt opgeheven.
Voor de Administrateur-generaal van de douane en accijnzen.
De Adviseur-generaal,
Jo LEMAIRE
BIJLAGEN
BIJLAGE I: Gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aanvragen en beschikkingen (Bijlage A DWU DA)
Symbolen in de vakken
A: Verplicht: gegevens die door elke lidstaat worden verlangd.
B: Facultatief voor de lidstaten: gegevens waarvan de lidstaten al dan niet kunnen afzien.
C: Facultatief voor de aanvrager: gegevens die de aanvrager vrijwillig kan verstrekken, maar waarvan de opgave niet door de lidstaten kan worden verlangd.
Gegevensgroepen
Groep 1: Informatie aanvraag/beschikking
Groep 2: Verwijzingen naar bewijsstukken, certificaten en vergunningen
Groep 3: Partijen
Groep 4: Data, tijden, termijnen en plaatsen
Groep 5: Identificatie van de goederen
Groep 6: Voorwaarden
Groep 7: Activiteiten en procedures
Groep 8: Overige
Merktekens
[*] Dit gegevenselement wordt uitsluitend voor de betrokken aanvraag gebruikt.
[+] Dit gegevenselement wordt uitsluitend voor de betrokken beschikking gebruikt.
Titel I
Aanvragen en beschikkingen
Hoofdstuk I
Legende tabel
Kolommen | Soort aanvraag/beschikking | Rechtsgrond | Titelnr. Van de specifieke gegevensvereisten |
Volgnummer G.E. | Volgnummer van het betrokken gegevenselement | ||
Naam G.E. | Naam van het betrokken gegevenselement | ||
[…]
Douaneformaliteiten
[…]
7C | Aanvraag en vergunning voor het doen van een douaneaangifte door inschrijving in de administratie van de aangever, inclusief de regeling uitvoer | Artikel 182 van het wetboek | Titel XIV |
TABEL 7C bijlage A DWU DA
Nr. G.E. | Naam Gegevenselement | Status G.E. | Toelichting |
1/1 | Code soort aanvraag/beschikking | A | Code vergunning: EIR |
1/2 | Handtekening/authenticatie | A | (zie hoofdstuk 2 van Titel I) |
1/3 | Soort aanvraag | A[*] | Eerste aanvraag, wijziging, verlenging of intrekking |
1/4 | Geografische geldigheid – Unie | A | Code van geografische geldigheid (zie hoofdstuk 2 van Titel 1) |
1/6 | Referentienummer beschikking | A[2] | BEEIR, gevolgd door 29 alfanumerieke tekens |
1/7 | Beschikkende douaneautoriteit | A[+] | Aan de hand van code (zie hoofdstuk 2 van Titel 1) |
2/4 | Bijgevoegde documenten | A | (zie hoofdstuk 2 van Titel 1) |
3/1 | Aanvrager/vergunninghouder | A[4] | Naam en adresgegevens aanvrager |
3/2 | Identificatie aanvrager/vergunninghouder | A | EORI-nummer |
3/3 | Vertegenwoordiger | A[4] | Relevante informatie |
3/4 | Identificatie vertegenwoordiger | A | EORI-nummer |
3/5 | Naam en contactgegevens van de persoon die verantwoordelijk is voor douanezaken | A[*] | Contactinformatie van de betrokkene |
3/6 | Contactpersoon verantwoordelijk voor de aanvraag | A[*] | Enkel wanneer het gaat om een andere persoon dan 3/5 |
3/7 | Persoon die aan het hoofd staat van het bedrijf dat de aanvraag heeft ingediend, of die zeggenschap uitoefent over het beheer ervan | A[*] | Contactgegevens van de betrokkene(n) overeenkomstig de wettelijke vestiging/vorm van het bedrijf dat de aanvraag heeft ingediend |
4/1 | Plaats | A[7] | Plaats waar de aanvraag werd ondertekend of op andere wijze geauthenticeerd |
4/2 | Datum | A | Datum van ondertekening of authentificering |
4/3 | Plaats waar de hoofdadministratie voor douanedoeleinden wordt bijgehouden of toegankelijk is | A[*] | De in artikel 22, lid 1, derde alinea, van het wetboek bedoelde hoofdadministratie voor douanedoeleinden |
4/4 | Plaats van administratievoering | A[*] | Volledige adres van de locatie(s), inclusief de lidsta(a)t(en) waar de administratie van de aanvrager wordt gevoerd of waar het de bedoeling is die te voeren |
4/6 | [Gevraagd] Begindatum van de beschikking | C[*] | Wanneer de aanvrager een specifieke datum vraagt |
4/8 | Plaats van de goederen | A | De desbetreffende code van de locatie of locaties waar de goederen zich kunnen bevinden wanneer ze onder een douaneregeling zijn geplaatst |
4/13 | Controlekantoor | A[+] | Vermeld het bevoegde controlekantoor zoals omschreven in artikel 1, punt 36). (zie hoofdstuk 2 van Titel 1) |
4/16 | Termijn | A[+] | De termijn in minuten waarbinnen het douanekantoor blijk kan geven van zijn voornemen om een controle uit te voeren voordat de goederen worden geacht te zijn vrijgegeven. |
5/1 | Goederencode | A | Ten minste de eerste 4 cijfers van de GN-code |
5/2 | Omschrijving van de goederen | A | Gedetailleerde omschrijving van de goederen waardoor ze kunnen worden geïdentificeerd en in de douanenomenclatuur kunnen worden ingedeeld. |
6/1 | Verboden en beperkingen | A | verboden en beperkingen die op nationaal of Unieniveau van toepassing zijn op de goederen en/of de betrokken regeling in de lidsta(a)t(en) van aanbrenging. Specificeer de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uit te voeren controles of formaliteiten voorafgaand aan het vrijgeven van de goederen. |
6/3 | Algemene opmerkingen | A[+] | Algemene informatie over de verplichtingen en/of formaliteiten die uit de vergunning voortvloeien. (zie hoofdstuk 2 Titel 1) |
7/2 | Soort douaneregeling | A | Aan de hand van relevante Uniecodes. |
7/4 | Aantal handelingen | A[*] | Schatting van het aantal keer per maand dat de aanvrager de vereenvoudiging zal gebruiken |
8/1 | Soort hoofdadministratie voor douanedoeleinden | A[*] | Specificeer het soort hoofdadministratie door gegevens te verstrekken over het systeem dat zal worden gebruikt, inclusief de software. |
8/2 | Soort administratie | A[*] | Specificeer het soort administratie door gegevens te verstrekken over het systeem dat zal worden gebruikt, inclusief de software. |
8/3 | Toegang tot gegevens | A | Specifieer de manieren waarop de douaneautoriteiten kunnen beschikken over de bijzonderheden van de douaneaangifte |
8/5 | Aanvullende informatie | C[*] | Vermeld eventuele aanvullende informatie als die van nut wordt geacht. |
8/12 | Toestemming voor bekendmaking in de lijst van vergunninghouders | A[*] | Vermeld (ja/neen) of de aanvrager instemt met bekendmaking in de openbare lijst van vergunninghouders van de volgende gegevens van de vergunning die hij/zij aanvraagt. |
Voetnoten
[2]: Dit gegevenselement wordt niet gebruikt in de aanvraag, tenzij het gaat om een aanvraag voor een wijziging, verlenging of intrekking van de beschikking.
[4]: Deze informatie is uitsluitend verplicht wanneer het EORI-nummer van de persoon niet wordt vereist. Wanneer het EORI-nummer is verstrekt, hoeft geen naam of adres te worden verstrekt, tenzij een papieren aanvraag of beschikking wordt gebruikt.
[5]: Deze informatie wordt niet verstrekt als de aanvrager een geautoriseerde marktdeelnemer is.
[13]: Deze informatie wordt alleen in de beschikking verstrekt indien de vergunninghouder niet is vrijgesteld van de verplichting om de goederen aan te brengen.
Specifieke gegevensvereisten aanvraag/beschikking vergunning EIDR
De specifieke gegevens voor de aanvraag voor het doen van een douaneaangifte door inschrijving in de administratie van de aangever zijn opgenomen in Titel XIV van Bijlage A van Verordening 2015/2446 (DWU DA).
Nr. G.E. | Naam Gegevenselement | Status G.E. | Toelichting |
XIV/1 | Ontheffing van de kennisgeving van aanbrengen | A | Ontheffing van de verplichting tot het indienen van een kennisgeving van aanbrengen van de goederen (ja of neen). |
XIV/2 | Ontheffing van aangifte vóór vertrek | A | Artikel 263, lid 2 DWU |
XIV/3 | Douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de goederen beschikbaar zijn voor controle | C[*] | Vermeld de identificator van het betrokken douanekantoor |
XIV/4 | Termijn voor indiening van de aanvullende aangifte | A [+] | De beschikkende douaneautoriteit bepaalt in de vergunning een termijn waarbinnen de vergunninghouder de gegevens van de aanvullende aangifte naar het controlekantoor moet sturen. De termijn wordt uitgedrukt in dagen. |
BIJLAGE II: Ontheffing van de verplichting tot indiening van een aangifte vóór vertrek
Artikel 245 DWU DA
“Ontheffing van de verplichting tot indiening van een aangifte vóór vertrek
(Artikel 263, lid 2, onder b), van het wetboek)
1. Onverminderd de verplichting tot indiening van een douaneaangifte overeenkomstig artikel 158, lid 1, van het wetboek of van een aangifte tot wederuitvoer overeenkomstig artikel 270, lid 1, van het wetboek, wordt afgezien van de verplichting om een aangifte vóór vertrek in te dienen voor de volgende goederen:
a) elektrische energie;
b) goederen die via een pijpleiding vertrekken;
c) brievenpost;
d) goederen die worden vervoerd krachtens de Akten van de Wereldpostunie;
e) roerende goederen en voorwerpen zoals omschreven in artikel 2, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 1186/2009, mits zij niet op grond van een vervoersovereenkomst worden vervoerd;
f) goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers;
g) goederen zoals bedoeld in artikel 140, lid 1, met uitzondering van, in het geval van vervoer op grond van een vervoersovereenkomst:
i) laadborden en reserveonderdelen, toebehoren en uitrusting van laadborden;
ii) containers en reserveonderdelen, toebehoren en uitrusting van containers;
iii) vervoermiddelen en reserveonderdelen, toebehoren en uitrusting van vervoermiddelen;
h) door ATA- en CPD-carnets gedekte goederen;
i) goederen die worden vervoerd of gebruikt in het kader van militaire activiteiten onder dekking van een NAVO-formulier 302 of een EU-formulier 302;
j) goederen die worden vervoerd aan boord van vaartuigen tussen EU-havens zonder dat een haven buiten het douanegebied van de Unie wordt aangedaan;
k) goederen die worden vervoerd aan boord van luchtvaartuigen tussen EU-luchthavens zonder dat een luchthaven buiten het douanegebied van de Unie wordt aangedaan;
l) wapens en militaire uitrusting die door de met de militaire verdediging van een lidstaat belaste autoriteiten buiten het douanegebied van de Unie worden gebracht in het kader van een militair vervoer of een uitsluitend voor de militaire autoriteiten bestemd vervoer;
m) de volgende goederen die het douanegebied van de Unie rechtstreeks verlaten naar offshore installaties die door een in het douanegebied van de Unie gevestigde persoon worden geëxploiteerd:
i) goederen die zijn bestemd voor de bouw, het herstellen, het onderhoud of de verbouwing van de offshore installaties;
ii) goederen die zijn bestemd voor de uitrusting van de offshore installaties;
iii) provisie die is bestemd om op de offshore installaties te worden gebruikt of verbruikt;
n) goederen waarvoor vrijstelling kan worden gevraagd op grond van het Verdrag van Wenen inzake diplomatieke betrekkingen van 18 april 1961, het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 24 april 1963, andere consulaire verdragen of het Verdrag van New York inzake bijzondere missies van 16 december 1969;
o) goederen die worden geleverd om als onderdeel of toebehoren in schepen of luchtvaartuigen te worden gemonteerd, of voor de werking van de motoren, machines en andere uitrusting van schepen of luchtvaartuigen te worden gebruikt, alsook levensmiddelen en andere artikelen bestemd om aan boord te worden verbruikt of verkocht;
p) goederen die vanuit het douanegebied van de Unie worden verzonden naar Ceuta en Melilla, Gibraltar, Helgoland, de Republiek San Marino, Vaticaanstad of de gemeente Livigno.
2. In de volgende situaties wordt afgezien van de verplichting om een aangifte vóór vertrek in te dienen:
a) wanneer een schip dat de goederen tussen EU-havens vervoert, een haven buiten het douanegebied van de Unie zal aandoen en de goederen gedurende het verblijf in de haven buiten het douanegebied van de Unie aan boord van het schip zullen blijven;
b) wanneer een luchtvaartuig dat de goederen tussen EU-luchthavens vervoert, een luchthaven buiten het douanegebied van de Unie zal aandoen en de goederen gedurende het verblijf in de luchthaven buiten het douanegebied van de Unie aan boord van het luchtvaartuig zullen blijven;
c) wanneer de goederen, in een haven of luchthaven, niet gelost worden uit het vervoermiddel waarmee ze het douanegebied van de Unie zijn binnengekomen en waarmee ze dat gebied zullen verlaten;
d) wanneer de goederen in een vorige haven of luchthaven in het douanegebied van de Unie werden geladen en daar een aangifte vóór vertrek werd ingediend of een ontheffing van de verplichting tot indiening van een aangifte vóór vertrek gold, en zij in het vervoermiddel blijven waarmee ze het douanegebied van de Unie zullen verlaten;
e) wanneer goederen in tijdelijke opslag of onder de regeling vrije zone van het vervoermiddel waarmee zij naar de ruimte voor tijdelijke opslag of de vrije zone zijn gebracht, onder toezicht van hetzelfde douanekantoor worden overgeladen in of op een vaartuig, luchtvaartuig of trein waarmee zij het douanegebied van de Unie zullen verlaten, mits de volgende voorwaarden zijn vervuld:
i) de overlading vindt plaats binnen veertien dagen nadat de goederen zijn aangebracht overeenkomstig de artikelen 144 of 245 van het wetboek of, in uitzonderlijke omstandigheden, binnen een langere termijn die door de douaneautoriteiten is toegestaan wanneer de termijn van veertien dagen ontoereikend is rekening houdend met die omstandigheden;
ii) informatie over de goederen ter beschikking staat van de douaneautoriteiten;
iii) de bestemming en de geadresseerde van de goederen niet wijzigen, voor zover de vervoerder bekend is;
f) wanneer goederen het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht, maar door de bevoegde douaneautoriteit zijn geweigerd en onmiddellijk teruggezonden zijn naar het land van uitvoer. “
BIJLAGE III: Voorwaarden voor ontheffing van de verplichting om de goederen aan te brengen (Guidance Simplifications 2.3.1 b)
Voorwaarden (artikel 182, lid 3, van het wetboek) | Informatie die moet worden gecontroleerd tijdens de voorafgaande bedrijfscontrole |
a) De aangever is een AEO voor douanevereenvoudigingen | Zie artikelen 38 en 39 van het wetboek, artikelen 24 tot en met 27 IA en de AEO-richtsnoeren voor douanevereenvoudigingen. |
b) De aard van de goederen en de goederenstroom van de betrokken goederen rechtvaardigen dit zulks en zijn bekend bij de douaneautoriteit | - De aard van de goederen moet bekend zijn op het moment van de voorafgaande bedrijfscontrole, zodat kan worden beoordeeld of ontheffing kan worden verleend van de verplichting om de goederen aan te brengen. |
c) Het controlekantoor heeft toegang tot alle informatie welke zij nodig acht om, indien nodig, haar recht te kunnen uitoefenen de goederen te controleren | Het controlekantoor moet de toegankelijkheid van het bedrijfsterrein controleren evenals de beschikbaarheid van de informatie die nodig is voor de risicoanalyse die door de aangever moet worden overlegd (de administratie, de aanwezigheid van een vertegenwoordiger van het bedrijf enz.). |
d) Op het moment van de inschrijving in de administratie zijn de goederen niet langer onderhevig aan verboden of beperkingen, tenzij in de vergunning anders is bepaald | - In het geval van goederen waarop verboden en beperkingen van toepassing zijn, kunnen, afhankelijk van de resultaten van de voorafgaande bedrijfscontrole, de voorwaarden voor een vrijstelling van kennisgeving worden geïntegreerd in de vergunning. |
e) Het controlekantoor kan in specifieke situaties evenwel verzoeken om de goederen aan te brengen | - In alle gevallen moet de aangever in staat zijn kennis te geven van de aanbrenging van de goederen bij de douane wanneer de douaneautoriteit dit vereist. Verzoeken om aanbrenging van de goederen kunnen worden voorzien in omstandigheden waarin de risico's veranderen. |
BIJLAGE IV: Te controleren aspecten tijdens de voorafgaande audit (Guidance Simplifications 2.3.1 c)
- Het gebruik van bijzondere regelingen;
- Soort douaneregeling;
- Termijn om de noodzakelijke ondersteunende documenten beschikbaar te stellen voor de douaneautoriteiten (artikel 167, lid 1, van het wetboek en artikel 147 DWU DA);
- Termijn om de aanvullende aangifte in te dienen (artikel 146 DWU DA);
- Ontheffing van de verplichting tot indiening van een aanvullende aangifte (artikel 167, lid 2 DWU; artikel 183 DWU DA);
- Goedkeuring van plaatsen voor aanbrenging van goederen bij de douane en/of aangewezen plaatsen (voor goederen die de EU binnenkomen of die, nadat ze onder de regeling douanevervoer zijn geplaatst, bij een kantoor of op een bestemming aankomen) de overeenkomstige artikelen 139 DWU en 115, DWU DA);
- De vertegenwoordiger of aangever (indien van toepassing, machtiging);
- Aansluiting tussen de kennisgeving van aanbrenging en de aanvullende aangifte. In het geval van een ontheffing van de verplichting om goederen aan te brengen moet het bedrijf kunnen aantonen dat de gegevens die zijn ingevoerd voor de vrijgave van de goederen nauwkeurig waren en vervolgens zijn opgenomen in de aanvullende aangifte;
- Koppeling tussen de administratie en het boekhoudkundig systeem, indien van toepassing;
- Plaats waar de administratie wordt bijgehouden;
- Plaats waar de administratie toegankelijk is (niet per definitie dezelfde plek waar de administratie wordt bijgehouden, met name in het geval van vertegenwoordiging);
- Zekerheden indien van toepassing voor de vereiste douaneregeling;
- Soort goederen, hoeveelheid, waarde;
- Bedrijven die genieten van de vergunning, in het geval van vertegenwoordiging;
- Specifieke kwesties voor invoer: btw-identificatienummers, toegelaten geadresseerde en andere vervoersaspecten, informatie over uitstel van betaling;
- Specifieke kwesties voor uitvoer: formaliteiten voor vertrek, toegelaten afzender en bevestiging van het vertrek, indien van toepassing.
BIJLAGE V: Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151 van de Commissie van 13 december 2019 tot vaststelling van het werkprogramma voor de ontwikkeling en de uitrol van de elektronische systemen waarin het douanewetboek van de Unie voorziet.
LIJST VAN PROJECTEN VOOR DE ONTWIKKELING EN DE UITROL VAN ELEKTRONISCHE SYSTEMEN
DWU-projecten betreffende elektronische systemen | Uitroldatums/ | ‘17 | ‘18 | ‘19 | ‘20 | ‘21 | ‘22 | ‘23 | ‘24 | ‘25 |
1. DWU Systeem van geregistreerde exporteurs (REX) | 1.1.2017 | X | ||||||||
2. DWU Bindende tariefinlichtingen (BTI-systeem) | 1.3.2017 | X | X | |||||||
3. DWU Douanebeschikkingen | 2.10.2017 | X | ||||||||
4. Directe toegang voor ondernemers tot Europese informatiesystemen (uniform gebruikersbeheer digitale handtekening) | 2.10.2017 | X | ||||||||
5. DWU Geautoriseerde marktdeelnemers (AEO-systeem) — upgrade | 1.3.2018 | X | X | |||||||
6. DWU Systeem voor de registratie en identificatie van marktdeelnemers — upgrade | 1.3.2018 | X | ||||||||
7. DWU Surveillance 3 | 1.10.2018 | X | ||||||||
8. DWU Bewijs van Uniestatus (PoUS) | 1.3.2024 | X | X | |||||||
9. DWU Nieuw geautomatiseerd systeem voor douanevervoer (NCTS) — upgrade | 1.3.2021-1.12.2023 (fase 5) | X | X | X | X | X | ||||
10. DWU Geautomatiseerd uitvoersysteem (AES) — | 1.3.2021-1.12.2023 | X | X | X | ||||||
10. DWU Geautomatiseerd uitvoersysteem (AES) — | 1.3.2021-1.12.2023 | X | X | X | ||||||
| 1.6.2020 | X | ||||||||
12. DWU Bijzondere regelingen — | nationale planning | X | X | X | X | X | X | X | ||
12. DWU Bijzondere regelingen — | nationale planning voor SP IMP | X | X | X | X | X | X | |||
13. DWU Kennisgeving van aankomst, kennisgeving van aanbrengen en tijdelijke opslag | nationale planning | X | X | X | X | X | X | |||
14. DWU Nationale invoersystemen — upgrade | nationale planning | X | X | X | X | X | X | |||
15. DWU Gecentraliseerde inklaring (CCI) | 1.3.2022-1.12.2023 (fase 1) | X | X | X | X | |||||
16. DWU Beheer van de zekerheidstelling (GUM) — | 2.10.2023—2.6.2025 | X | X | X | ||||||
16. DWU Beheer van de zekerheidstelling (GUM) — | nationale planning | X | X | X | X | X | X | X | X | X |
17. DWU Invoercontrolesysteem | 15.3.2021—1.10.2021 | X | X | X |
---------------
Interne ref.: D.I. 530.11 – OEO/DD 19.443
[1] Er bestaan geen vrije zones in België.
[2] Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151 van de Commissie van 13 december 2019 tot vaststelling van het werkprogramma voor de ontwikkeling en de uitrol van de elektronische systemen waarin het douanewetboek van de Unie voorziet. Bijlage V van deze circulaire bevat een lijst met de voorziene data voor uitrol van de elektronische systemen. Op basis van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/237 van 1 februari 2023 wordt evenwel een uitstel voorzien voor de uitroldata voor upgrade het nationale invoersysteem en component 2 van de bijzondere regelingen tot en met 31/12/2023.
[3] Afhankelijk van de wettelijke bepalingen waarop de elektronische systemen betrekking hebben, zijn de uiterlijke data van het inwerking treden vastgelegd op 31/12/2020, 31/12/2022 of 31/12/2025 (artikel 278 DWU, lid 1, 2 en 3).
[4] De termen ‘globalisatie’ en ‘globale aanvullende aangifte’ komen niet voor in het DWU. In de Belgische context wordt hierbij verwezen naar de aanvullende aangifte met een samenvattend karakter zoals bedoeld in artikel 146, lid 2 en 3 DWU DA en titel 2.2.4. a) van de Guidance Simplifications. Zie eveneens titel 8 van deze circulaire met de toelichting omtrent de aanvullende aangifte.
[5] Gelijktijdige aangifte voor het vrije verkeer en ten verbruik van goederen met vrijstelling van btw voor levering naar een andere lidstaat en, indien van toepassing, met schorsing van accijns.
[6] Wederinvoer met gelijktijdige aangifte voor het vrije verkeer en ten verbruik van goederen met vrijstelling van btw voor levering naar een andere lidstaat en, indien van toepassing, met schorsing van accijns.
[7] Zie titel 6.2. van deze circulaire.
[8] Ministerieel besluit van 11 juli 2019 tot vaststelling van de datum van de tweede stap in toepassing van het koninklijk besluit van 13 maart 2016 tot vaststelling van de douaneregelingen en de modaliteiten waaronder de directe en indirecte vertegenwoordiging kunnen worden toegepast (B.S. 25/09/2019).
[9] Artikel 162 DWU handelt over de standaard douaneaangifte.
[10] Het MB bepaalt een aantal uitzonderingen inzake de bijzondere regelingen. Zie de Circulaire 2022/C/120 betreffende douanevertegenwoordiging voor meer informatie hieromtrent.
[11] Nota van de Europese Commissie inzake douanevertegenwoordiging: “Customs representation in the context of simplifications and certain special procedures”, Ref. Ares TAXUD (A2)(2017)3500081 – 19 juni 2017.
[12] Richtlijn 2008/118/EG wordt ingetrokken met ingang van 13 februari 2023, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage I, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in intern recht en toepassingsdata van de aldaar genoemde richtlijnen. Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de Richtlijn (EU) 2020/262 van de Raad van 19 december 2019 houdende een algemene regeling inzake accijns en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II van die richtlijn.
[13] Artikel 30 van de Richtlijn 2020/262 (Vereenvoudigde procedures in één lidstaat): ‘De lidstaten kunnen vereenvoudigde procedures vaststellen voor overbrengingen onder een accijnsschorsingsregeling die uitsluitend over hun grondgebied verlopen, inclusief de mogelijkheid op dergelijke overbrengingen geen elektronische controle toe te passen.’
[14] In de DWU IA wordt een voorbeeld gegeven van een ander type vergunning. In functie van deze circulaire wordt het voorbeeld gegeven van een vergunning EIDR afgeleverd in België.
[15] De Uniewetgeving bevat geen definiëring van de begrippen algemeen, periodiek en samenvattend. In de Guidance Simplifications, bij de toelichting inzake de vergunning voor de vereenvoudigde aangifte overeenkomstig artikel 166 DWU, geeft de Europese Commissie uitleg over de manier waarop deze begrippen moeten worden geïnterpreteerd. De toelichting in deze circulaire is mede gebaseerd op de interpretatie van de begrippen in de Guidance Simplifications.
[16] 15/12/2021 E-Globalisatie verplicht vanaf 1 februari 2022 | Nationaal Forum (naforna.be)
[17] De praktische werking en de technische informatie over e-globalisatie kan worden geraadpleegd op de website van het Nationaal Forum: 17/11/2021 e-Globalisatie - Update FAQ | Nationaal Forum (naforna.be)
[18] Bijlage B DWU DA, Titel 1, Hoofdstuk 1, aantekening (12): De in artikel 166 bedoelde vereenvoudigde aangiften bevatten de in de kolommen C1 en I1 vermelde informatie. De gegevenselementen die tijdens de overgangsperiode van toepassing zijn op de vereenvoudigde aangifte zijn opgenomen in tabel 7 van aanhangsel A van bijlage 9 DWU TDA (zie daartoe artikel 2, lid 2 en 4 DWU DA).
[19] Zie daartoe het Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151 van de Commissie van 13 december 2019 tot vaststelling van het werkprogramma voor de ontwikkeling en de uitrol van de elektronische systemen waarin het douanewetboek van de Unie voorziet.
[20] aeo_guidelines_en.pdf (europa.eu)
