Circulaire nr. Ci.RH.231/569.168 (AOIF 29/2005) van 08.07.2005
CIRC 08.07.05/1
CONTROLEMAATREGEL
Uitwisseling van inlichtingen
INTEREST
Interestbetaling
Uitbetalende instantie
Uiteindelijke gerechtigde
INTERNATIONALE SAMENWERKING
Territoriaal toepassingsgebied
ROEREND INKOMEN
Inkomen uit spaargeld
Interest
Woonstaatheffing
Uitwisseling van inlichtingen
INTEREST
Interestbetaling
Uitbetalende instantie
Uiteindelijke gerechtigde
INTERNATIONALE SAMENWERKING
Territoriaal toepassingsgebied
ROEREND INKOMEN
Inkomen uit spaargeld
Interest
Woonstaatheffing
W 17.5.2004 tot omzetting in het Belgisch recht van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkom¬sten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing.
Aan alle ambtenaren.
INHOUDSTAFEL
Nrs. | ||
| I. INLEIDING | ||
| II. BEDOELDE BEGUNSTIGDEN | ||
| A. Definitie | 12 | |
| B. Bijzondere gevallen | 16 | |
| C. Territoriaal toepassingsgebied | 22 | |
| III. UITBETALENDE INSTANTIE | |
| IV. INTERESTBETALING | 56 |
| A. Voorafgaande opmerking | 56 |
| B. Bedoelde inkomsten | 58 |
| C. Bijzonderheden met betrekking tot de entiteiten van de restcategorie | 98 |
| D. Niet bedoelde inkomsten | 102 |
| 1. Grootvadersclausule | 102 |
| 2. Andere | 110 |
| V. VERPLICHTINGEN VAN DE UITBETALENDE INSTANTIES |
| A. Identificatie van de uiteindelijk gerechtigde | 115 |
| B. Tot heffing aanleiding gevend feit | 138 |
| C. Vaststelling van de WSH | 142 |
| 1. Het samengaan van de WSH en de RV | 144 |
| 2. Grondslag van de WSH | 147 |
| 3. Inkomsten van buitenlandse oorsprong | 166 |
| D. Verzaking aan de WSH | 168 |
| E. Procedure | 175 |
| 1. Aangifte en storting van de WSH | 175 |
| 2. Bezwaarschrift | 180 |
| F. Identificatie van de entiteiten van de restcategorie | 184 |
| G. De WSH en de RV | 187 |
| VI. TOEPASSING TEN NAME VAN RIJKSINWONERS |
| A. Vrijstelling van inhouding | 188 |
| B. Weerslag van de inhouding op de berekening van de personenbelasting | 194 |
| VII. INWERKINGTREDING | |
| VIII. CONTACTPERSOON | 201 |
1. De onderhavige circulaire bespreekt de wet van 17.5.2004 tot omzetting in het Belgisch recht van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing (hierna de "W 17.5.2004" genoemd - zie bijlage 1).
2. Het doel van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (hierna de "Richtlijn" genoemd - zie bijlage 2) is het mogelijk te maken om inkomsten uit spaargelden die in de vorm van interestbetaling in een lidstaat worden uitgekeerd aan uiteindelijk gerechtigden, natuurlijke personen, die hun fiscale woonplaats in een andere lidstaat hebben, effectief te belasten overeenkomstig het nationale recht van die laatste lidstaat (art. 1, § 1, Richtlijn).
3. Om dit doel te bereiken voorziet de Richtlijn in een systeem van automatische uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten met betrekking tot de bedoelde interestbetaling. Evenwel kunnen België, Luxemburg en Oostenrijk zich gedurende een overgangsperiode onthouden van de uitwisseling van gegevens met betrekking tot de in de Richtlijn bedoelde inkomsten uit spaargelden indien zij op deze inkomsten een bronbelasting heffen. Na het verstrijken van de overgangsperiode moeten die 3 lidstaten eveneens de algemene regel toepassen.
4. Naast de bepalingen met betrekking tot de nog te regelen procedure van uitwisseling van gegevens voert de W 17.5.2004 eveneens een bronbelasting in, genoemd "woonstaatheffing" (WSH), op de interesten die worden betaald of bijgeschreven door een uitbetalende instantie die in België is gevestigd, wanneer de uiteindelijk gerechtigde, natuurlijke persoon, woonachtig is in een andere lidstaat.
5. Om een kapitaalvlucht naar derde landen te voorkomen, voorziet de Richtlijn dat de lidstaten hun wetgeving moeten aanpassen en bekendmaken vóór 1.1.2004 en deze bepalingen toepassen vanaf 1.1.2005 mits :
i. | Zwitserland, Liechtenstein, San Marino, Monaco en Andorra vanaf diezelfde datum maatregelen toepassen die gelijkwaardig zijn; |
ii. |
alle overeenkomsten of andere regelingen van kracht zijn waarin wordt bepaald dat alle betrokken afhankelijke of geassocieerde gebieden (de
Kanaaleilanden, het eiland Man en de afhankelijke of geassocieerde gebieden in het Caribisch gebied) vanaf diezelfde datum automatische uitwisseling van gegevens toepassen of een bronbelasting heffen
(art. 17, §§ 1 en 2, Richtlijn).
|
6. Dit betekent dat wat betreft het territoriaal toepassingsgebied van de in de onderhavige circulaire besproken bepalingen, het noodzakelijk is rekening te houden met de bijzondere overeenkomsten die werden gesloten tussen de Europese Unie en sommige derde staten (Zwitserland, Liechtenstein, San Marino, Monaco en Andorra), alsmede met de overeenkomsten gesloten tussen België en sommige afhankelijke of geassocieerde gebieden (Nederlandse Antillen, Aruba, Guernesey, het eiland Man, Jersey, Anguilla, de Britse Maagdeneilanden, de Kaaimaneilanden, Montserrat en de Turks en Caicos Eilanden). De derde gebieden en staten waarmee dergelijke overeenkomsten werden gesloten worden hierna gezamenlijk "partnerlanden" genoemd.
7. De onderhavige circulaire verduidelijkt vooreerst de begrippen "uiteindelijk gerechtigde", "uitbetalende instantie" en "interestbetaling", alvorens het systeem van de bronbelasting en de verplichtingen van de uitbetalende instantie worden uiteengezet. Ten slotte zal eveneens het systeem van de toepassing van bronbelasting voor rijksinwoners worden besproken.
8. Sommige artikelen van de W 17.5.2004 verlenen delegatie aan de Koning, wat inhoudt dat verschillende punten van de onderhavige circulaire nog zullen worden verduidelijkt wanneer de uitvoeringsmaatregelen genomen zijn.
9.Voor de toepassing van de W 17.5.2004 en overeenkomstig het art. 3, § 1, moet worden verstaan onder :
- "lidstaat" : elke lidstaat van de Europese Unie die bedoeld is in art. 299 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, t.t.z. Duitsland, Oostenrijk, België, Cyprus (Grieks gedeelte), Denemarken (met uitsluiting van Groenland en de Faroer), Spanje (met inbegrip van de Canarische Eilanden), Estland, Finland, Frankrijk (met inbegrip van de overzeese gebieden : Guadeloupe, Frans Guyana, Martinique en Réunion), Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Polen, Portugal (met inbegrip van Madeira en de Azoren), Slowakije, Slovenië, het Verenigd Koninkrijk (met inbegrip van Gibraltar), Zweden, en de Tsjechische Republiek;
-
"instelling voor collectieve belegging in effecten" of "ICBE" : elke instelling voor collectieve belegging in effecten waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig de richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten.[Zoals gewijzigd door de richtlijn 2001/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21.1.2002 tot wijziging van de richtlijn 85/611/EEG van de Raad met het oog op de reglementering van beheersmaatschappijen en vereenvoudigde prospectussen en de richtlijn 2001/108/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 21.1.2002 tot wijziging van de richtlijn 85/611/EEG van de Raad wat betreft de beleggingen van ICBE's.]
10. Belangrijke opmerking : de aandacht wordt erop gevestigd dat de hiernavolgende commentaar niet ipso facto van toepassing is inzake de inkomstenbelastingen.
11. De W 17.5.2004 heeft betrekking op inkomsten uit spaargelden in de vorm van interestbetalingen die worden verleend door een uitbetalende instantie die in België is gevestigd, aan de uiteindelijk gerechtigden, natuurlijke personen, woonachtig in een andere lidstaat (maar dienaangaande moet eveneens rekening worden gehouden met de overeenkomsten gesloten met derde staten en de afhankelijke of geassocieerde gebieden - zie het nr. 22e.v.).
Art. 3, § 1, 5° en § 2, W 17.5.2004
12. De uiteindelijk gerechtigde wordt gedefinieerd aan de hand van een weerlegbaar vermoeden als "elke natuurlijke persoon die interestbetalingen ontvangt, of ten gunste van wie interestbetalingen zijn toegekend". Dit vermoeden is echter weerlegbaar indien de natuurlijke persoon aantoont "dat de interesten niet te zijner gunste zijn ontvangen of toegekend" (art. 3, § 1, 5°, W 17.5.2004).
13. De interest die wordt uitbetaald ten gunste van ondernemingen of andere rechtspersonen valt buiten het toepassingsgebied van de W 17.5.2004. Daarentegen maakt het bij de toepassing van deze wet niet uit of de interestbetalingen ten name van natuurlijke personen beroeps- of privé-inkomsten vormen (MvT, art. 2, § 1, Richtlijn).
14. Het vermoeden zoals bedoeld in het nr. 12 kan door een natuurlijke persoon worden weerlegd, indien hij aantoont dat hij de interest niet ter zijner gunste heeft ontvangen, m.a.w. dat hij handelt :
a) | als uitbetalende instantie voor een andere natuurlijke persoon (zie hierna de definitie van uitbetalende instantie); in dat geval moet hij de taken uitvoeren die door de Richtlijn aan de uitbetalende instanties worden opgelegd (MvT, art. 2, § 1, Richtlijn); |
b) |
als tussenpersoon voor rekening van :
er wordt opgemerkt dat in die gevallen, de tussenpersoon-natuurlijke persoon geen uitbetalende instantie is in de zin van de W 17.5.2004 daar hij geen interest uitbetaalt aan de uiteindelijk gerechtigde (natuurlijke persoon) (MvT, art. 2, § 1, Richtlijn);
|
c) | namens een andere natuurlijke persoon die de uiteindelijk gerechtigde is; in dit geval moet hij de identiteit van die uiteindelijk gerechtigde aan de uitbetalende instantie meedelen overeenkomstig de regels beschreven in het koninklijk besluit waarvan sprake is in de nrs. 115 tot 137; in dit geval handelt de ontvanger als gemachtigde van een andere natuurlijke persoon die de uiteindelijk gerechtigde is; die situatie verschilt in zoverre van punt a) dat de ontvanger van de interest geen marktdeelnemer is die als uitbetalende instantie handelt (MvT, art. 2, §1, Richtlijn). |
15. Dit bewijs kan inzonderheid door deze natuurlijke persoon worden geleverd :
- wat betreft in het bijzonder de punten a) en b): indien hij aantoont dat hij een marktdeelnemer is waarvan de activiteit bestaat uit :
| - het beheer van effecten voor rekening van derden (vermogensbeheerders, …), of |
| - het innen van roerende inkomsten voor rekening van derden en dat de inkomsten zijn gestort op een bankrekening die voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid wordt aangewend; |
- aan de hand van een duidelijk mandaat.
Vruchtgebruik
16. Vruchtgebruik is het recht om van een zaak waarvan een ander de eigendom heeft, het genot te hebben, zoals de eigenaar zelf, maar onder verplichting om de zaak zelf in stand te houden.
17. Voor de toepassing van de W 17.5.2004 is de uiteindelijk gerechtigde de vruchtgebruiker of de blote eigenaar, al naargelang de uitbetaling van de interest is gebeurd aan de vruchtgebruiker of aan de blote eigenaar volgens het toepasselijk burgerlijke recht of volgens de overeenkomst die het vruchtgebruik regelt.
Fiducie
18. De fiduciaire verhouding is een juridische overeenkomst waarbij een persoon, de fiduciant, de volle eigendom van zijn goederen overdraagt aan een andere persoon, de fiduciaire eigenaar die belast zal worden met het beheer ervan, hetzij ten gunste van de fiduciant, hetzij ten gunste van een derde begunstigde.
19. Voor de toepassing van de W 17.5.2004 is de uiteindelijk gerechtigde de fiduciant (of de derde begunstigde wanneer deze verschilt van de fiduciant en uit het contract blijkt dat de sommen definitief zijn verworven door deze derde begunstigde, zonder enige mogelijkheid dat de sommen terugkeren naar de fiduciant) en niet de fiduciaire eigenaar.
Trust
20. De trustverhouding vloeit voort uit de overeenkomst waarbij een persoon (de settlor) aan een andere persoon (de trustee) een goed (of een geheel van goederen) overdraagt. De trustee verbindt zich ertoe het goed of de goederen te beheren ten voordele van een derde persoon (de begunstigde) en dit volgens de bepalingen die duidelijk zijn beschreven in een officieel document (de trust deed).
21. Het statuut van trust wordt bepaald door de wetgeving van het land waarin de trust is gevestigd. Bijgevolg moet de marktdeelnemer, die de interest uitbetaalt of de interestbetaling bewerkstelligt ten gunste van een trustee, de hoedanigheid van de ontvanger van de bedoelde uitbetaling identificiëren zoals dit blijkt uit het statuut van de trust.
Voor het overige zijn de richtlijnen zoals vermeld in het nr. 19 eveneens mutatis mutandis van toepassing.
22. Opdat er sprake kan zijn van een bronbelasting moet de uiteindelijk gerechtigde verblijven :
- hetzij in een andere lidstaat (zie het nr. 9);
-
hetzij in één van de afhankelijke of geassocieerde gebieden waarmee een wederkerigheidsverplichting bestaat : de Nederlandse Antillen, Aruba,Guernesey, het eiland Man, Jersey, Anguilla, de Britse Maagdeneilanden, Monserrat en de Turks en Caicos Eilanden.
23. De bilaterale overeenkomsten die werden gesloten tussen België en de hierboven vermelde afhankelijke of geassocieerde gebieden voorzien immers in een wederkerigheid, d.w.z. dat de uiteindelijk gerechtigden die hun woonplaats hebben in deze gebieden onderworpen zullen zijn aan een WSH op interestbetalingen die worden verleend door een uitbetalende instantie die in België is gevestigd. Er wordt evenwel opgemerkt dat voorlopig geen WSH zal worden ingehouden op de interestbetalingen die worden verricht door een in België gevestigde uitbetalende instantie aan een uiteindelijk gerechtigde die inwoner is van Anguilla of de Turks en Caicos Eilanden, zolang die gebieden die betalingen niet onderwerpen aan een directe belasting.
24. Er werd eveneens een bilaterale overeenkomst gesloten tussen België en de Kaaimaneilanden, alsmede overeenkomsten tussen de Europese Unie en Zwitserland, Andorra, Monaco, Liechtenstein en San Marino. Deze overeenkomsten bevatten maatregelen met het oog op het garanderen van een belasting op interesten uit spaargelden (inhouding of uitwisseling van gegevens) ontvangen door de uiteindelijk gerechtigden die hun woonplaats hebben in een andere lidstaat, maar die niet hebben gekozen voor wederkerigheid. Bijgevolg zijn de uiteindelijk gerechtigden die daar hun woonplaats hebben uitgesloten van het territoriaal toepassingsgebied van de WSH.
25. Alle uiteindelijk gerechtigden die verklaren hun woonplaats te hebben in iedere andere staat of gebied in de wereld zijn, à fortiori, eveneens uitgesloten.
Art. 3, § 1, 6° en § 3, 2e tot 4e lid, W 17.5.2004
26. De W 17.5.2004 legt verplichtingen op aan de uitbetalende instantie die in België is gevestigd en niet aan de uiteindelijke belastingplichtige, die onderworpen blijft aan de fiscale verplichtingen van zijn woonstaat.
27. Art. 3, § 1, 6°, W 17.5.2004 geeft een dubbele definitie van uitbetalende instantie :
1° | elke marktdeelnemer die interesten uitbetaalt of een interestbetaling bewerkstelligt ten onmiddellijke gunste van de uiteindelijk gerechtigde; |
2° | bepaalde entiteiten, bij de ontvangst van de interesten eerder dan bij de betaling van de interesten aan de uiteindelijk gerechtigde. |
28. Een marktdeelnemer is elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de loop van de uitoefening van zijn beroep of zaak interest uitbetaalt (MvT, art. 4, § 1, Richtlijn). Uit deze definitie volgt dat een interestbetaling die door een natuurlijke persoon buiten de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid wordt verricht niet binnen het toepassingsgebied van de W 17.5.2004 valt.
29. Voor de toepassing van de W 17.5.2004, wordt geacht dat een marktdeelnemer "een rentebetaling bewerkstelligt" indien hij belast is met het inzamelen van interesten voor rekening van de uiteindelijk gerechtigde (MvT, art. 4, § 1, Richtlijn).
1° Uitbetalende instantie bij de uitbetaling of het bewerkstelligen van de betaling van de interesten
30. Overeenkomstig art. 3, § 1, 6°, 1e lid, W 17.5.2004 is een uitbetalende instantie elke marktdeelnemer die interesten uitbetaalt of een interestbetaling bewerkstelligt ten onmiddellijke gunste van de uiteindelijk gerechtigde, ongeacht of
- deze marktdeelnemer de schuldenaar is van de interestdragende schuldvordering of
- de marktdeelnemer die door de schuldenaar of de uiteindelijk gerechtigde belast is met het uitbetalen van de interest of het bewerkstelligen van de interestbetaling.
31. Anders gezegd, de uitbetalende instantie is elke rechtspersoon of natuurlijke persoon die bij de uitbetaling van de interesten uit spaargelden hetzij :
- de schuldenaar is die de interest onmiddellijk uitbetaalt aan de uiteindelijk gerechtigde;£
- de marktdeelnemer is die door de schuldenaar is belast met de toekenning van de interest aan de uiteindelijk gerechtigde;
- de marktdeelnemer is die door de uiteindelijk gerechtigde is belast met het innen van interesten uit spaargelden voor zijn rekening.
32. Rekening houdend met hetgeen voorafgaat zijn Belgische uitbetalende instanties onder meer :
- alle ondernemingen en rechtspersonen (ongeacht hun rechtsvorm en met inbegrip van inrichtingen van buitenlandse vennootschappen) die schuldenaar zijn van interesten; er wordt opgemerkt dat de bepalingen van art. 29, § 2, WIB 92 niet van toepassing zijn voor de aangifte en de storting van de WSH, d.w.z. dat verondersteld wordt dat de in dit artikel bedoelde vennootschappen, samenwerkingsverbanden en verenigingen hun rechtspersoonlijkheid behouden voor de bepalingen opgenomen in de W 17.5.2004;
- de financiële instellingen : banken, beleggingsfondsen, beursvennootschappen, beleggingsvennootschappen, fondsbeheerders, …;
- alle natuurlijke personen die handelen binnen het kader van hun beroep, zoals inzonderheid advocaten, notarissen, vermogensbeheerders, personen waarmee een fiduciaire rechtsverhouding bestaat, enz…
33. Deze eerste definitie moet garanderen dat één enkele uitbetalende instantie in elke ketting van tussenpersonen kan worden geïdentificeerd. Wanneer de interestbetaling aan de uiteindelijk gerechtigde rechtstreeks door de schuldenaar gebeurt, wordt de schuldenaar als de uitbetalende instantie aangemerkt.
34. Indien daarentegen de interest wordt uitbetaald via een aantal tussenpersonen die door de schuldenaar of door de uiteindelijk gerechtigde zijn belast met het uitbetalen van de interest of het invorderen, wordt alleen de laatste tussenpersoon die de interest rechtstreeks uitbetaalt aan, of invordert ten gunste van de uiteindelijk gerechtigde, als "uitbetalende instantie" aangemerkt (MvT, art. 4, §1, Richtlijn). In principe is de laatst actieve tussenpersoon diegene die rechtstreeks van de uiteindelijk gerechtigde de opdracht heeft gekregen de inkomsten voor zijn rekening te innen.
35. Wanneer een marktdeelnemer interest uit spaargeld overmaakt aan een natuurlijke persoon die een uiteindelijk gerechtigde zou kunnen zijn, maar die, op grond van zijn functies, eveneens een uitbetalende instantie kan zijn (bij voorbeeld een buitenlandse notaris of advocaat), dan zal die persoon, overeenkomstig de regels in verband met de identificatie van de uiteindelijk gerechtigde (zie nr. 12) worden behandeld als de buitenlandse uiteindelijk gerechtigde van de inkomsten, tenzij hij zijn rol als uitbetalende instantie aantoont en schriftelijk kan bevestigen.
36. Hierna worden een aantal situaties toegelicht die zich in de praktijk kunnen voordoen :
| 1.Gelddeposito. Een bedrag op een rekening geopend bij een Belgische bank brengt interesten op. De Belgische bank die deze interest verschuldigd is, handelt als uitbetalende instantie wanneer zij de interest rechtstreeks uitbetaalt op dezelfde rekening of op een andere rekening geopend bij haar of bij een andere bank op naam van de uiteindelijk gerechtigde. |
| 2. Kasbons. Een Belgische bank geeft kasbons op naam uit en stort de interesten rechtstreeks op rekeningen die op naam van de inschrijvers zijn geopend. Zij treedt dus op als uitbetalende instantie. |
| 3. Inning van coupons. Een natuurlijke persoon bezit een coupon van een obligatie. Hij komt die coupon innen bij een financiële instelling die hem overmaakt aan een andere financiële instelling (Belgische correspondent) die belast is met de inning ervan bij de uitgever. In dit geval wordt de eerste instelling waarbij de betrokken persoon zich heeft aangeboden, geacht op te treden als uitbetalende instantie. |
| 4. Overschrijving. Een natuurlijke persoon met woonplaats in Frankrijk ontvangt rechtstreeks interesten op zijn Belgische bankrekening als gevolg van een overschrijving uitgevoerd door een Spaanse beursvennootschap. De Belgische bank heeft een "passieve" rol en kan bijgevolg niet worden beschouwd als uitbetalende instantie. Het is de Spaanse beursvennootschap die uiteindelijk optreedt als uitbetalende instantie. |
| 5. Overschrijving. In het kader van de financiële dienst voor obligaties uitgegeven door een Belgische of buitenlandse vennootschap betaalt een Belgische bank via een overschrijving de interest rechtstreeks uit op een Nederlandse rekening van een klant met woonplaats in Nederland. In dit geval handelt de Belgische bank als uitbetalende instantie, ook al is zij niet de rechtstreekse schuldenaar van de inkomsten noch de laatste financiële instelling langs waar de betaling transiteert. |
| 6. Cheque. Een Duitse uiteindelijk gerechtigde ontvangt als uitbetaling van een coupon van een obligatie, een cheque uitgeschreven door een Franse vennootschap en komt die innen bij een Belgische bank. In dat geval is de uitschrijver van de cheque (in onderhavig geval de Franse vennootschap) de uitbetalende instantie. |
| 7. Overdracht onder bezwarende titel. Een natuurlijke persoon verkoopt een kapitalisatie-effect voor de vervaldag of een uitkeringseffect tussen twee vervaldagen. Een gedeelte van het verkregen inkomen stemt overeen met een interest uit spaargelden. De marktdeelnemer die de verkoper moet uitbetalen, is de uitbetalende instantie. |
| 8. Effecten op naam van een buitenlandse BEVEK. Indien de buitenlandse BEVEK rechtstreeks op de Belgische rekening van de uiteindelijk gerechtigde uitbetaalt, treedt zij op als uitbetalende instantie. Indien daarentegen de BEVEK een globale overschrijving verricht naar een Belgische bank, met de opdracht aan deze laatste om de uiteindelijk gerechtigden uit te betalen, dan treedt de Belgische bank op als uitbetalende instantie. |
9. Effecten in een gecentraliseerd beheer (X/N). In het systeem X/N heeft de systeembeheerder geen contact met de uiteindelijk gerechtigde van de interesten uit spaargelden en moet dus niet worden beschouwd als uitbetalende instantie. Het zullen daarentegen de financiële instellingen zijn (deelnemers en subdeelnemers in het systeem) die als uitbetalende instanties zullen moeten optreden. |
2° Uitbetalende instantie bij de ontvangst van de interesten
a) Algemene regel
a) Algemene regel
37. Art. 3, § 1, 6°, 2e lid, W 17.5.2004 verruimt de definitie van uitbetalende instantie : een door deze bepaling bedoelde entiteit wordt beschouwd als uitbetalende instantie bij de ontvangst van de interesten ten gunste van de uiteindelijk gerechtigde eerder dan bij de uitbetaling van de interesten aan deze begunstigde. Met dit lid wordt een restcategorie van entiteiten onder het toepassingsgebied gebracht die mogelijk niet zo streng door de belastingautoriteiten worden gecontroleerd. Het doel van die bepaling is ervoor te zorgen dat dergelijke entiteiten hun verplichtingen als uitbetalende instantie nakomen. Zij is slechts van toepassing op entiteiten die in een lidstaat gevestigd zijn (zie dienaangaande het nr. 54) (MvT, art. 4, § 2, Richtlijn).
38. Worden onder meer bedoeld de entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid die in België zijn gevestigd, met een eigen maatschappelijk doel en een feitelijk bestaan dat afgescheiden is van dat van hun leden, en die interestbetalingen ontvangen ten gunste van die laatsten. Die entiteiten zijn, voor wat betreft de interesten die toekomen aan de leden natuurlijke personen die inwoners zijn van een andere lidstaat of van één van de afhankelijke of bevoorrechte gebieden die gekozen hebben voor de wederkerigheid, ertoe gehouden de verplichtingen te vervullen die van toepassing zijn inzake uitbetalende instanties, en dit bij de ontvangst van de interesten, onafhankelijk van de datum waarop de inkomsten in het privé patrimonium van de leden terechtkomen.
39. Om bij de ontvangst van de interesten te worden beschouwd als een uitbetalende instantie, moet de entiteit, zoals bedoeld in het nr. 37, noodzakelijk voldoen aan de volgende 3 cumulatieve voorwaarden :
-
geen rechtspersoon zijn;[Niettemin is een uitzondering voorzien voor bepaalde vennootschapsvormen naar Fins en Zweeds recht zoals bedoeld in art. 4, § 5, Richtlijn. Het betreft:a)
in Finland: avoin yhtiö (Ay) et kommandiittiyhtiö (Ky)/öppet bolag et kommanditbolag; b)in Zweden: handelsbolag (HB) et kommanditbolag (KB).] - niet onderworpen zijn aan een belasting op de winst volgens de algemene belastingregels voor ondernemingen;
- geen instelling zijn voor collectieve belegging in effecten (icbe).
De entiteit die voldoet aan deze 3 cumulatieve voorwaarden neemt in principe de hoedanigheid aan van uitbetalende instantie en wordt hierna aangemerkt als een entiteit van de restcategorie.
40. Een entiteit waarvan de winst "onderworpen is aan een belasting volgens de algemene belastingregels voor ondernemingen" is een entiteit :
- die onderworpen is aan de vennootschapsbelasting of een belasting van gelijke aard en die geen enkele afwijkende belastingregeling geniet;
- die in haar geheel onderworpen is aan een inkomstenbelasting en niet enkel één van haar leden.
41. Zijn bijvoorbeeld te beschouwen als entiteiten van de restcategorie :
- de instellingen voor collectieve belegging naar Belgisch recht die de vorm aannemen van een gemeenschappelijk beleggingsfonds en die niet voldoen aan de definitie van een icbe zoals bedoeld in het nr. 9;
- de maatschappen;
- de tijdelijke handelsvennootschappen;
- de stille handelsvennootschappen.
42. De marktdeelnemer moet op basis van officiële bewijsstukken, die haar worden overgelegd door de entiteit of die in het bezit zijn van de entiteit, beoordelen of deze laatste al dan niet kan worden beschouwd als een uitbetalende instantie in de hoedanigheid van entiteit van de restcategorie zoals gedefinieerd in het nr. 39 (art. 3, § 1, 6°, 2 e lid, W 17.5.2004).
43. De eerste 2 voorwaarden zoals bedoeld in het nr. 39 moeten worden beoordeeld op basis van de wetgeving van het land waar de entiteit is gevestigd. De derde voorwaarde moet worden nagegaan aan de hand van de richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20.12.1985 betreffende de icbe.
44. De entiteit moet de plaats van vestiging duidelijk opgeven. Die kan worden bepaald door te verwijzen naar haar adres of de woonplaats van haar leden of nog door te verwijzen naar de lidstaat waarvan de wetgeving de betrekkingen tussen de leden van de entiteit regelt.
45. Kunnen in het bijzonder worden beschouwd als officiële bewijsstukken zoals bedoeld in het nr. 42 :
- een uittreksel van de publicatie in het officiële blad van de betreffende staat (overeenstemmend met het Belgisch Staatsblad);
- een verklaring van de buitenlandse fiscale administratie, waarbij wordt geattesteerd dat de entiteit onderworpen is aan een belasting van gelijke aard als de vennootschapsbelasting;
- een verklaring van de bevoegde overheid, waarbij wordt geattesteerd dat de entiteit gekozen heeft voor een behandeling als icbe (zie het nr. 50) of een uittreksel van een officiële lijst.
46. Overeenkomstig art. 3, § 1, 6°, 3e lid, W 17.5.2004 zal de marktdeelnemer die in België is gevestigd als uitbetalende instantie worden beschouwd, in de plaats van die entiteit, indien de entiteit van de restcategorie niet formeel heeft aanvaard dat haar identificatiegegevens en het bedrag van de interestbetaling die aan haar is verricht of voor haar is bewerkstelligd worden meegedeeld aan de bevoegde autoriteiten (zie het nr. 47).
47. Teneinde de lidstaat, waar de entiteit is gevestigd, op de hoogte te kunnen brengen van het feit dat die entiteit bij de ontvangst van de interesten moet worden beschouwd als uitbetalende instantie, moet de marktdeelnemer die in België is gevestigd en die interest uitbetaalt of een interestbetaling bewerkstelligt voor de betrokken entiteit van de restcategorie - door middel van een formeel voorafgaand akkoord van die entiteit - de naam en het adres van de entiteit meedelen aan de door de Koning aangeduide dienst [Tot op heden werd nog geen enkele dienst door de koning aangeduid.], alsmede het totale bedrag van de interesten die aan de entiteit is uitbetaald of van de interestbetalingen die voor de entiteit is bewerkstelligd. Die dienst geeft deze gegevens vervolgens door aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de entiteit is gevestigd (art. 3, § 3, 1 e lid, W 17.5.2004).
48. Die bepaling is slechts van toepassing in het geval dat een marktdeelnemer die in België is gevestigd interesten uitbetaalt of een interestbetaling bewerkstelligt voor een entiteit van de restcategorie die is gevestigd in een andere lidstaat. Wanneer de marktdeelnemer en de entiteit van de restcategorie allebei gevestigd zijn in België, is door de marktdeelnemer geen informatie verschuldigd : deze kan niet worden beschouwd als uitbetalende instantie in de plaats van de entiteit van de restcategorie, die moet voldoen aan de verplichtingen die op haar rusten als uitbetalende instantie (art. 3, § 3, 4 e lid, W 17.5.2004) (MvT, art. 4, § 4, Richtlijn).
49. Er wordt opgemerkt dat de bepalingen van de Richtlijn tot gevolg hebben dat België zal worden ingelicht indien een marktdeelnemer die in een andere lidstaat is gevestigd interesten zal uitbetalen of een interestbetaling zal bewerkstelligen voor entiteiten van de restcategorie die in België zijn gevestigd.
b) Uitzondering
50. Met het oog op het bepalen van de uitbetalende instantie, heeft de entiteit van de restcategorie de mogelijkheid om te kiezen voor een behandeling als icbe (ook al is zij geen icbe in de zin van de richtlijn 85/611/EEG). Ingeval de entiteit kiest voor die behandeling, dan wordt zij bij de ontvangst van de interesten niet als uitbetalende instantie aangemerkt, maar zal zij dit later wel worden op basis van de eerste definitie zoals bedoeld in het nr. 30 (dus als marktdeelnemer) op het moment waarop zij interest zal uitbetalen aan, of zal invorderen enrechtstreeks zal doorstorten ten gunste van de uiteindelijk gerechtigde (art. 3, § 3, 2 e lid, W 17.5.2004) (MvT, art. 4, § 3, Richtlijn).
51. Ingeval de entiteit van die keuzemogelijkheid gebruik maakt, is zij gehouden om van elke interestbetaling, die zij vervolgens verricht, de reeks van toetsingen zoals bedoeld in het nr. 39 uit te voeren om vast te stellen of de betaling binnen het toepassingsgebied van de W 17.5.2004 valt (MvT, art. 4, § 3 in fine, Richtlijn).
52. Indien van die keuzemogelijkheid gebruik wordt gemaakt, wordt door de lidstaat waar de entiteit is gevestigd een verklaring afgegeven, die door die entiteit aan de marktdeelnemer overhandigd wordt (zie art. 3, § 3, 2 e lid, W 17.5.2004). Dat attest moet ter beschikking worden gehouden van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit.
53. De nadere regels betreffende die keuzemogelijkheid voor de entiteiten van de restcategorie die in België zijn gevestigd moeten nog door de Koning worden vastgesteld (art. 3, § 3, 3 e lid, W 17.5.2005) (MvT, art. 4, § 3, Richtlijn).
c) Uitbreiding van het territoriaal toepassingsgebied
54. De overeenkomsten gesloten tussen België en de afhankelijke of geassocieerde gebieden zoals bedoeld in het nr. 6 bevatten dezelfde bijzondere bepalingen met betrekking tot de entiteiten van de restcategorie zoals bedoeld in de nrs. 37 tot 52, evenwel met de volgende nuances :
- de informatieplicht zoals bedoeld in het nr. 47 is op grond van wederkerigheid opgenomen in alle overeenkomsten die werden gesloten met de afhankelijke of geassocieerde gebieden, behalve met de Kaaimaneilanden die België op de hoogte zullen brengen wanneer een marktdeelnemer die er gevestigd is interesten zal uitbetalen of een interestbetaling zal bewerkstelligen voor een entiteit van de restcategorie die gevestigd is in België, maar die niet hebben gekozen voor wederkerigheid in deze materie;
- de bepaling zoals voorzien in het nr. 46 is op grond van wederkerigheid opgenomen in de overeenkomsten die werden gesloten met de afhankelijke of geassocieerde gebieden die gekozen hebben voor een bronbelasting, t.t.z. de Nederlandse Antillen, Guernesey, het eiland Man, Jersey, de Britse Maagdeneilanden en de Turks en Caïcos Eilanden; daarentegen is deze bepaling, voor wat betreft Aruba, Anguilla en Montserrat (die hebben gekozen voor de uitwisseling van gegevens), slechts van toepassing in de mate dat een Belgische marktdeelnemer interesten uitbetaalt aan een entiteit van de restcategorie die gevestigd is in één van die gebieden; een dergelijke maatregel is niet voorzien voor wat betreft de Kaaimaneilanden.
55. Er wordt opgemerkt dat de bijzondere overeenkomsten die tussen de Europese Unie en Zwitserland, Liechtenstein, San Marino, Monaco en Andorra werden gesloten geen bijzondere bepalingen bevatten met betrekking tot de entiteiten van de restcategorie.
A. Voorafgaande opmerking
56. Bepaalde begrippen die werden opgenomen in de W 17.5.2004 en in onderhavige circulaire verschillen van diegene die op internrechterlijk fiscaal vlak van toepassing zijn met betrekking tot inkomsten van roerende goederen en kapitalen. Het betreft inzonderheid het begrip interesten dat in het interne recht is gedefinieerd in art. 19, WIB 92 en dat voor de toepassing van de Richtlijn en dus van de W 17.5.2004 is gedefinieerd in art. 3, § 1, 7° van deze wet.
57. Voor de toepassing van de W 17.5.2004, is de plaats van vestiging van de emittent van de schuldvordering die de interesten oplevert van geen belang.
Art. 3, § 1, 7° en art. 4, § 1, 1e lid, W 17.5.2004 + uitzonderingen op art. 3, § 4, 2e, 3e en 4e lid, W 17.5.2004
58. De "interestbetalingen" in de zin van art. 3, § 1, 7°, W 17.5.2004 omvatten :
a) | de "gewone interesten"; |
b) | de interesten die zijn aangegroeid of gekapitaliseerd; |
c) | bepaalde interesten die worden uitgekeerd door ICBE's of ermee gelijkgestelden; |
d) | inkomsten die zijn gerealiseerd bij de verkoop, terugbetaling of aflossing van aandelen of bewijzen van deelneming in bepaalde ICBE's of ermee gelijkgestelden. |
59. Een afzonderlijke commentaar met betrekking tot bepaalde soorten van schuldvorderingen zal later worden verstrekt, ten einde uit te maken of bepaalde schuldvorderingen al dan niet binnen het toepassingsgebied van de W 17.5.2004 vallen, rekening houdend met het advies dat terzake door de
Europese autoriteiten zal worden verstrekt.
60. Onder "interestbetaling" in de zin van art. 3, § 1, 7°, a), W 17.5.2004 wordt verstaan de "interesten, uitbetaald of bijgeschreven op een rekening, die zijn terug te voeren op enigerlei schuldvordering, al dan niet gedekt door hypotheek of voorzien van een winstdelingsclausule, en met name de opbrengsten van overheidspapier en obligatieleningen, inclusief daaraan gehechte premies en prijzen; boete voor te late betaling wordt niet als interest aangemerkt." (zie evenwel het nr. 102 dat betrekking heeft op de uitsluiting van bepaalde schuldvorderingen - grootvadersclausule).
61. Deze definitie is ingegeven door de definitie van interesten zoals opgenomen in art. 11, § 3, van het "Modelverdrag van de OESO betreffende belastingen op inkomen en kapitaal". Zij omvat inzonderheid de interesten die voortkomen uit :
- deposito's in contanten waaronder alle vormen van bankrekeningen die interesten opbrengen;
|
Voorbeelden :
- zichtrekeningen;
- termijnrekeningen;
- spaardeposito's;
- deposito's als huurwaarborg of andere (borgstelling).
|
- alle soorten privé- en overheidsobligaties en andere vergelijkbare verhandelbare effecten, met inbegrip van de obligaties die van een winstdelingsclausule zijn voorzien (tenzij met de geleende gelden feitelijk een deel van het risico van de schuldenaar wordt gedragen) (MvT, art. 6, § 1, Richtlijn).
|
Voorbeelden :
- Staatsbons;
- kapitalisatiebons;
- zerobons;
- kasbons;
- thesauriebewijzen;
- in aandelen converteerbare obligaties of terugbetaalbare obligaties;
- Euro-obligaties, euro-commercial papers en euro medium term notes;
- eeuwigdurende obligaties.
|
Wat meer bepaald de obligaties betreft verduidelijkt de commentaar op het voormeld OESO-modelverdrag dat interesten " alles wat de emittent uitkeert bovenop het bedrag dat de inschrijver betaalt, dus de aangegroeide interest, verhoogd, in voorkomend geval, met de terugbetalings- of uitgifte-
premie" [Zie het "Modelverdrag van de OESO betreffende belastingen op inkomen en kapitaal", OESO, januari 2003, art. 11, nr. 20.] omvatten.
premie" [Zie het "Modelverdrag van de OESO betreffende belastingen op inkomen en kapitaal", OESO, januari 2003, art. 11, nr. 20.] omvatten.
Voorbeeld :
Interesten die onder de WSH vallen en voortkomen uit een gereglementeerde spaardeposito (art. 21, 5°, WIB 92) omvatten niet alleen de contractuele vaste of variabele interesten, maar eveneens de eventuele getrouwheids- en/of aangroeipremies. In tegenstelling tot de regels van toepassing inzake RV is er inderdaad geen enkele interestschijf die niet als interest uit spaargeld wordt gekwalificeerd.
In overeenstemming met de tekst van de Richtlijn en de W 17.5.2004 verandert het feit dat een schuldvordering wordt overeengekomen tegen een variabele rentevoet of recht geeft op deelneming in de winst van de schuldenaar, niets aan het interestkarakter van de schuldvordering; zij blijven interesten (hetzelfde geldt voor in aandelen converteerbare obligaties zolang die niet effectief zijn geconverteerd).
Niettemin bepalen de toelichting bij de Richtlijn en de commentaar op het OESO-modelverdrag dat de inkomsten van obligaties die recht geven op een deelneming in de winst van de schuldenaar als interesten moeten worden beschouwd en niet als dividenden " tenzij met de geleende gelden feitelijk een deel van het risico van de schuldenaar wordt gedragen". In bepaalde gevallen zal het dan ook noodzakelijk zijn de precieze draagwijdte te onderzoeken van de leningsovereenkomst (of de prospectus) die de partijen bindt.
Ten slotte is het voor de in aandelen converteerbare obligaties mogelijk dat de meerwaarde die eventueel wordt verkregen naar aanleiding van de omzetting in aandelen niet wordt aangemerkt als interest voor de toepassing van de W 17.5.2004.
62. Overeenkomstig art. 3, § 1, 7°, b), W 17.5.2004 zijn de interesten die zijn aangegroeid of gekapitaliseerd op het moment van de verkoop, terugbetaling of aflossing van in het nr. 60 bedoelde schuldvorderingen eveneens begrepen in de definitie van "interestbetalingen".
63. Daartoe behoort onder meer de aangegroeide of gekapitaliseerde interest, niet alleen verkregen op het moment van de terugbetaling of de aflossing, maar ook op het moment van de verkoop van nulcouponobligaties, obligaties uitgegeven onder pari en soortgelijke schuldvorderingen (MvT, art. 6, § 1, b), Richtlijn).
64. Art. 3, § 1, 7°, c), W 17.5.2004 breidt de definitie van "interestbetaling" uit voor bepaalde inkomsten (zie het nr. 69) uitgekeerd door :
- icbe's;
- entiteiten die overeenkomstig art. 3, § 3, 2e lid, W 17.5.2004 gekozen hebben voor een behandeling als icbe (zie het nr. 50);
- instellingen voor collectieve belegging die gevestigd zijn buiten het grondgebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap overeenkomstig het art. 299 van toepassing is.
65. Het doel van die bepaling is ervoor te zorgen dat ook indirect via dergelijke instellingen en entiteiten ontvangen inkomsten uit spaargelden binnen het toepassingsgebied van de Richtlijn vallen (MvT, art. 6, § 1, c), 1 e lid, Richtlijn).
66. In art. 3, § 1, 7°, c), W 17.5.2004 worden dus bedoeld :
- alle instellingen voor collectieve belegging die gevestigd zijn in een lidstaat en beantwoorden aan de voorwaarden zoals aangehaald in de richtlijn 85/611/EEG van 20.12.1985;
- alle instellingen voor collectieve belegging die gevestigd zijn buiten het grondgebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap overeenkomstig het art. 299 van toepassing is, ongeacht de rechtsvorm en de samenstelling van hun beleggingsportefeuille. Die categorie omvat de instellingen die bij vestiging in een lidstaat als een ICBE zouden worden beschouwd, maar ook alle andere structuren voor collectieve belegging (bijvoorbeeld beleggingsclubs) (MvT, art. 6, § 1, c), 2e lid, Richtlijn);
- de entiteiten die overeenkomstig art. 3, § 3, 2e lid, W 17.5.2004 gekozen hebben voor een behandeling als ICBE (zie het nr. 50).
67. In België worden inzonderheid de inkomsten bedoeld die worden uitgekeerd door :
- BEVEK, VBS en beleggingsfondsen met een Europees paspoort;
- beleggingsfondsen die niet beschikken over een Europees paspoort, maar die gekozen hebben voor een behandeling als ICBE (zie het nr. 50).
68. Worden daarentegen niet bedoeld de inkomsten die worden uitgekeerd door :
- BEVEK en VBS zonder Europees paspoort;
- beleggingsfondsen die niet beschikken over een Europees paspoort en die niet hebben gekozen voor een behandeling als ICBE (zie het nr. 50);
- BEVAK;
- pensioenspaarfondsen.
Transparantieregel
69. Alle inkomsten die worden uitgekeerd door de instellingen en entiteiten zoals bedoeld in het nr. 64 voldoen niet aan de definitie van "interestbetaling"; enkel de inkomsten die rechtstreeks of via de tussenkomst van een entiteit van de restcategorie voortkomen uit interestbetalingen worden bedoeld. Onder het begrip "interestbetaling" vallen alle vormen van interestbetalingen, t.t.z. :
- de interest die aan deze instellingen en entiteiten wordt uitbetaald uit hoofde van de schuldvorderingen die zij hebben;
- de aangegroeide of gekapitaliseerde interest die zij bij de verkoop, terugbetaling of aflossing van die schuldvorderingen verkrijgen;
- de inkomsten die aan deze instellingen of entiteiten zijn uitgekeerd door andere vergelijkbare instellingen of entiteiten;
- de door deze instellingen of entiteiten gerealiseerde meerwaarden bij de verkoop, terugbetaling of aflossing van aandelen of bewijzen van deelneming, in vergelijkbare instellingen of entiteiten, indien laatstgenoemden meer dan 40 % van hun beleggingsportefeuille in schuldvorderingen hebben belegd.
70. Er wordt inzonderheid verwezen naar de interestbetalingen via de tussenkomst van een entiteit van de restcategorie om ook de door de bedoelde instellingen en entiteiten uitgekeerde inkomsten uit deelnemingen in beleggingsstructuren, die vallen onder de entiteiten van de restcategorie, onder het begrip "interesten" te laten vallen (MvT, art. 6, § 1, c), 4 e lid, Richtlijn).
71. Om het gedeelte interest te bepalen dat begrepen is in de inkomsten die worden uitgekeerd door de betrokken instellingen en entiteiten, is vereist dat deze :
- een overzicht opmaken van de inkomsten die ze ontvangen hebben, in te delen naargelang hun aard (interesten, dividenden, meerwaarden, …) en een uitsplitsing maken tussen de ontvangen interestbetalingen die niet onder de grootvadersclausule vallen enerzijds, en de andere inkomsten anderzijds, en
- die uitsplitsing meedelen aan de uitbetalende instantie. In de praktijk kan de mededeling gebeuren via "data providers" die de gegevens ter beschikking stellen van de uitbetalende instanties.
72. Indien een uitbetalende instantie geen informatie heeft over het gedeelte interest dat begrepen is in de inkomsten die worden uitgekeerd door instellingen en entiteiten zoals bedoeld in het nr. 64, wordt het volledige bedrag aan inkomsten als interest aangemerkt (art. 3, § 4, 3 e lid, W 17.5.2004) (MvT, art. 6, § 2, Richtlijn).
De minimis regel van 15 %
73. Bovendien worden de uitgekeerde inkomsten van de instellingen en entiteiten zoals bedoeld in het nr. 64 die gevestigd zijn in België, van de definitie van "interestbetalingen" uitgesloten, wanneer ze niet meer dan 15 % van hun vermogen rechtstreeks of onrechtstreeks beleggen in schuldvorderingen zoals bedoeld in het nr. 60 (art. 3, § 4, 2 e lid, W 17.5.2004) (MvT, art. 6, § 6, Richtlijn; beslissing ECOFIN van 12.4.2005).
74. Het doel van die bepaling is het uitsluiten van instellingen die hoofdzakelijk in aandelen beleggen maar ten behoeve van hun liquiditeitspositie schuldvorderingen in portefeuille hebben (MvT, art. 6, § 6, Richtlijn).
Die uitsluiting, ingevoerd voor instellingen en entiteiten van de restcategorie die gevestigd zijn in België, is bindend voor de andere lidstaten. Dat betekent dat de andere lidstaten de op hun grondgebied gevestigde uitbetalende instanties niet kunnen verplichten tot informatieverstrekking of het heffen van een bronbelasting op dergelijke inkomsten (MvT, art. 6, § 6, Richtlijn).
76. Om die 15 %-drempel te bepalen, moet men zich baseren op de beleggingspolitiek zoals die in het fondsreglement of de statuten van de betrokken instellingen of entiteiten is neergelegd en, bij ontstentenis daarvan, op basis van de feitelijke samenstelling van de beleggingsportefeuille van die instellingen of entiteiten (art. 3, § 4, 7 e lid, W 17.5.2004).
Terzake heeft de door een instelling of entiteit gevoerde beleggingspolitiek voorrang op de feitelijke elementen.
77. Om die drempel te bepalen, worden de liquiditeiten in principe beschouwd als interestdragende schuldvorderingen.
78. Indien tijdens het bestaan van de instelling een aanpassing gebeurt van het reglement of de statuten, dan zal de nieuwe toestand van toepassing zijn op het moment waarop de eerstvolgende uitkering van inkomsten na die aanpassing gebeurt.
79. Indien hierover niets wordt gezegd in het fondsreglement of de statuten of indien die documenten niet toelaten te besluiten dat de 15 %-drempel werd overschreden, dan moet men zien naar de feitelijke samenstelling van de portefeuille.
Voorbeeld
De investeringen in schuldvorderingen zoals bedoeld in het nr. 60 bedragen 19 %, namelijk :
| Bankdeposito's | 7% |
| Obligaties buiten grootvadersclausule [Zie het nr. 102 e.v.] | 12 % |
| Obligaties onder grootvadersclausule | -- |
| Aandelen | -- |
80. Zoals werd aangehaald in het nr. 73, moet voor de bepaling van de 15 %-drempel rekening worden gehouden met de rechtstreekse en onrechtstreekse beleggingen in schuldvorderingen zoals bedoeld in het nr. 60. Indien bijgevolg een instelling aandelen bezit van een andere instelling moeten die aandelen in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de
15 %-drempel bij de eerste instelling, in evenredigheid met het beleggingspercentage van de tweede instelling in de bedoelde schuldvorderingen. Voor de bepaling van die drempel is het van weinig belang of die tweede instelling zelf meer of minder dan 15 % belegt in dergelijke schuldvorderingen. Volgens de tekst van de Richtlijn is het eveneens van weinig belang of die tweede instelling al dan niet beschikt over een Europees paspoort. Gelet op de uiteenlopende interpretaties die door de verschillende lidstaten worden gegeven, is het evenwel toegestaan dat in afwachting van een beslissing van de Europese Commissie, de Belgische uitbetalende instanties geen rekening houden met die tweede instelling indien die instelling niet beschikt over een Europees paspoort en dit in navolging van het standpunt ingenomen door bepaalde andere landen.
Voorbeeld
De investeringen in schuldvorderingen zoals bedoeld in het nr. 32 bedragen 17,50 %, namelijk :
| Obligaties buiten grootvadersclausule | 14 % |
| Obligaties met grootvadersclausule (GVC) [Zie het nr. 102 e.v.] | 3,50 % |
| BEVEK B (14 % x 25 %) | -- |
| Aandelen | -- |
81. Indien de toetsing van de beleggingsportefeuille gebaseerd is op de beleggingspolitiek, moet de beheersvennootschap van het beleggingsfonds
of de Raad van Bestuur van de beleggingsvennootschap besluiten of de
15 %-drempel al dan niet is overschreden. Indien de toetsing gebaseerd is op de feitelijke samenstelling van de beleggingsportefeuille, moeten de voormelde organen een toetsing vragen bij de administratie (boekhoudingafdeling) van de beleggingsinstelling.
82. Om de werkelijke samenstelling van de beleggingsportefeuille te bepalen, wordt de toetsing van de 15 %-drempel toegepast per compartiment en wordt rekening gehouden met het volgende.
- De samenstelling van de onderliggende activa wordt geregistreerd op 2 verschillende data. Het doel daarvan is het deel te bepalen dat werd belegd in schuldvorderingen in de zin van art. 3, § 1, 7, a), W 17.5.2004. De verhandelbare schuldinstrumenten waarop de zogenaamde "grootvadersclausule" (zie het nr. 102 e.v.) van toepassing is, moeten niet in aanmerking worden genomen voor het bepalen van het percentage van 15 %;
-
De 2 data zijn die van het halfjaarlijks en van het jaarlijks verslag van de instelling of entiteit;Het percentage van elk onderliggend actief wordt bepaald aan de hand van de boekwaarde van dat actief ten opzichte van de totale boekwaarde van het compartiment;Vervolgens wordt het gemiddelde van de bekomen percentages berekend en afgerond tot de hogere of lagere eenheid naargelang het deel van de eenheid al dan niet 50 % bedraagt;
- Het aldus bekomen percentage en de vaststelling of de 15 %-drempel al dan niet is overschreden zijn van toepassing op de dividenduitkering die betrekking heeft op het boekjaar waarop de toetsing van de portefeuille betrekking heeft.
Home country regel
83. Wat betreft de instellingen of entiteiten die gevestigd zijn in een lidstaat of in een partnerland, kunnen de uitbetalende instanties verwijzen naar de gegevens die door die instellingen of entiteiten in naleving van de regels van het land waarin ze zijn gevestigd worden verstrekt, om te bepalen :
- of die instellingen of entiteiten binnen het toepassingsgebied van de Richtlijn vallen;
- wat het belastbaar gedeelte is van de inkomsten die worden uitgekeerd door die instellingen of entiteiten.
84. Vallen eveneens binnen de definitie van "interestbetalingen", de meerwaarden die worden gerealiseerd bij de verkoop, terugbetaling of aflossing van aandelen of bewijzen van deelneming in :
- ICBE's;
- entiteiten die overeenkomstig art. 3, § 3, 2e lid, W 17.5.2004 gekozen hebben voor een behandeling als ICBE (zie het nr. 50);
- instellingen voor collectieve belegging die gevestigd zijn buiten het grondgebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap overeenkomstig het art. 299 van toepassing is,
wanneer deze, rechtstreeks of onrechtstreeks via de tussenkomst van andere hiervoor vermelde instellingen voor collectieve belegging of entiteiten, meer dan 40 % [Vanaf 1.1.2011 bedraagt dit percentage 25 % (art. 3, § 4, 6e lid, W 17.5.2004).] van hun portefeuille beleggen in schuldvorderingen zoals bedoeld in het nr. 60.
85. De meerwaarde wordt slechts als interest aangemerkt voor zover zij rechtstreeks of onrechtstreeks afkomstig is van interesten in de zin van de nr. 60 tot 63 (art. 3, § 4, 4 e lid, W 17.5.2004).
86. Om het bestanddeel van het bedrag van de gerealiseerde meerwaarde dat als interest moet worden aangemerkt te bepalen, moet in twee stappen worden gehandeld :
1° Nazicht van de 40 % - drempel
[Vanaf 1.1.2011 bedraagt dit percentage 25 % (art. 3, § 4, 6e lid, W 17.5.2004).]
87. De 40 %-drempel wordt bepaald door rekening te houden met de rechtstreekse en de onrechtstreekse (via de tussenkomst van andere instellingen voor collectieve belegging of entiteiten zoals bedoeld in het nr. 84) beleggingen in schuldvorderingen zoals bedoeld in het nr. 60. Indien bijgevolg een instelling aandelen bezit van een andere instelling, dan moeten die aandelen in aanmerking moeten worden genomen voor de toepassing van de 40 %-drempel [Vanaf 1.1.2011 bedraagt dit percentage 25 % (art. 3, § 4, 6e lid, W 17.5.2004).] bij de eerste instelling, in evenredigheid met het beleggingspercentage van de tweede instelling in de bedoelde schuldvorderingen. Voor de bepaling van die drempel is het van weinig belang of die tweede instelling zelf meer of minder dan 15 % belegt in dergelijke schuldvorderingen. Volgens de tekst van de Richtlijn is het eveneens van weinig belang of die tweede instelling al dan niet beschikt over een Europees paspoort. Gelet op de uiteenlopende interpretaties die door de verschillende lidstaten worden gegeven, is het evenwel toegestaan dat in afwachting van een beslissing van de Europese Commissie, de Belgische uitbetalende instanties geen rekening houden met die tweede instelling indien die instelling niet beschikt over een Europees paspoort en dit in navolging van het standpunt ingenomen door bepaalde andere landen.
Voorbeeld
De beleggingen in schuldvorderingen zoals bedoeld in het nr. 60 bedragen 42 %.
De meerwaarden die werden gerealiseerd op de aandelen van de BEVEK zullen dus onderworpen zijn aan de WSH.
Voorbeeld
De beleggingen in schuldvorderingen zoals bedoeld in het nr. 60 bedragen 37,88 % :
De beleggingen in schuldvorderingen zoals bedoeld in het nr. 60 bedragen 42 %.
De meerwaarden die werden gerealiseerd op de aandelen van de BEVEK zullen dus onderworpen zijn aan de WSH.
Voorbeeld
De beleggingen in schuldvorderingen zoals bedoeld in het nr. 60 bedragen 37,88 % :
| Rechtstreekse beleggingen in schuldvorderingen | 35 % |
| Onrechtstreekse beleggingen in schuldvorderingen (7 % x 34 %) | 2,38 % |
De meerwaarden gerealiseerd op de aandelen van de BEVEK zullen dus niet onderworpen zijn aan de WSH.
88. Om die 40 %-drempel te bepalen, moet men zich baseren op de beleggingspolitiek zoals die in het fondsreglement of de statuten van de betrokken instellingen of entiteiten is neergelegd en, bij ontstentenis daarvan, op basis van de feitelijke samenstelling van de beleggingsportefeuille van die instellingen of entiteiten (art. 3, § 4, 7 e lid, W 17.5.2004).
89. Om die drempel te bepalen, worden de liquiditeiten in principe beschouwd als interestdragende schuldvorderingen.
90. Indien de toetsing van de portefeuille gebaseerd is op de beleggingspolitiek, moet de beheersvennootschap van het beleggingsfonds of de Raad van Bestuur van de beleggingsvennootschap besluiten of de 40 %-drempel al dan niet is overschreden. Indien de toetsing gebaseerd is op de feitelijke samenstelling van de beleggingsportefeuille, moeten de voormelde organen een toetsing vragen bij de administratie (boekhoudingafdeling) van de beleggingsinstelling.
91. Om de werkelijke samenstelling van de portefeuille te bepalen, wordt de toetsing van de 40 %-drempel toegepast rekening houdend met het volgende.
- De samenstelling van de onderliggende activa wordt geregistreerd op 2 verschillende data. Het doel daarvan is het deel te bepalen dat werd belegd in schuldvorderingen in de zin van art. 3, § 1, 7°, a), W 17.5.2004. De verhandelbare schuldinstrumenten waarop de zogenaamde "grootvadersclausule" (zie het nr. 102 e.v.) van toepassing is, moeten niet in aanmerking genomen worden voor het bepalen van het percentage van 40 %.
-
De 2 data zijn die van het halfjaarlijks en van het jaarlijks verslag van de instelling of entiteit. De toetsing gebeurt op basis van de 2 laatste beschikbare verslagen, namelijk een jaarlijks en een halfjaarlijks verslagHet percentage van elk onderliggend actief wordt bepaald aan de hand van de boekwaarde van dat actief ten opzichte van de totale boekwaarde van het compartiment.Vervolgens wordt het gemiddelde van de bekomen percentages berekend en afgerond tot de hogere of lagere eenheid naargelang het deel van de eenheid al dan niet 50 % bedraagt.
- Het aldus bekomen percentage en de vaststelling of de 40 %-drempel al dan niet is overschreden, blijven geldig gedurende 12 maanden, te rekenen vanaf de eerste dag van de vijfde maand die volgt op de afsluiting van het boekjaar van de instelling of entiteit.
Voorbeeld : een Belgische BEVEK met boekjaar dat afsluit op 31.12.2005
Het percentage dat rechtstreeks belegd werd in interestdragende schuldvorderingen :
30.6.2005 : 38 %
31.12.2005 : 44 %
Gemiddelde = 41 %
Die berekening van de samenstelling van de onderliggende activa dient als referentie voor de meerwaarden die worden gerealiseerd tijdens de periode van 1.5.2006 tot en met 30.4.2007.
Het percentage dat rechtstreeks belegd werd in interestdragende schuldvorderingen :
30.6.2005 : 38 %
31.12.2005 : 44 %
Gemiddelde = 41 %
Die berekening van de samenstelling van de onderliggende activa dient als referentie voor de meerwaarden die worden gerealiseerd tijdens de periode van 1.5.2006 tot en met 30.4.2007.
92. Indien een uitbetalende instantie geen informatie heeft over het percentage van het vermogen dat is belegd in schuldvorderingen zoals bedoeld in het nr. 60, dan wordt dat percentage geacht meer dan 40 % te bedragen [Vanaf 1.1.2011 bedraagt dit percentage 25 % (art. 3, § 4, 6e lid, W 17.5.2004).] (art. 3, § 4, 5 e lid, W 17.5.2004) wat betekent dat de gerealiseerde meerwaarde binnen het toepassingsgebied van dit punt valt. Dat geldt eveneens voor de bepaling van de 40 %-drempel in geval van een onrechtstreekse belegging, wanneer men over geen enkele informatie beschikt met betrekking tot de entiteit waarin rechtstreeks of onrechtstreeks wordt belegd.
2° Uitsplitsing van de meerwaarde
93. Daarvoor moet vooreerst het bedrag van de gerealiseerde meerwaarde worden bepaald en moet vervolgens het deel van de meerwaarde worden vastgesteld dat afkomstig is van interestbetalingen.
94. Om het deel van de meerwaarde te bepalen dat afkomstig is van interesten, is vereist dat de betrokken instellingen of entiteiten :
- een overzicht opmaken van de inkomsten die ze ontvangen hebben, in te delen naargelang hun aard (interesten, dividenden, meerwaarden, …) en een uitsplitsing maken tussen de ontvangen interestbetalingen die niet onder de grootvadersclausule vallen enerzijds, en de andere inkomsten anderzijds, en
- die uitsplitsing meedelen aan de uitbetalende instantie. In de praktijk kan die mededeling gebeuren via "data providers" die de gegevens ter beschikking stellen van de uitbetalende instanties.
95. Indien een uitbetalende instantie het bedrag van de door de uiteindelijk gerechtigde gerealiseerde meerwaarde niet kan bepalen, worden de inkomsten geacht het volledige bedrag van de opbrengst van de verkoop, aflossing of terugbetaling van de aandelen of bewijzen van deelneming te zijn (art. 3, § 4, 5 e lid, W 17.5.2004).
96. Indien een uitbetalende instantie geen informatie heeft die hem toelaten het deel van de inkomsten dat uit interesten bestaat te bepalen, wordt het volledige bedrag aan inkomsten als interesten aangemerkt (art. 3, § 4, 3 e lid, W 17.5.2004).
Home country regel
97. Wat betreft de instellingen of entiteiten die gevestigd zijn in een lidstaat of in een partnerland, kunnen de uitbetalende instanties verwijzen naar de gegevens die door die instellingen of entiteiten in naleving van de regels van het land waarin ze zijn gevestigd worden verstrekt, om te bepalen :
- of die instellingen of entiteiten binnen het toepassingsgebied van de Richtlijn vallen;
- wat het belastbaar gedeelte is van de meerwaarde.
Art. 3, § 4, 1e en 2e id, W 17.5.2004
98. Art. 3, § 4, 1 e lid, W 17.5.2004 breidt de definitie van "interestbetaling" uit met interesten ontvangen door een "entiteit van de restcategorie" die als uitbetalende instantie wordt beschouwd bij de ontvangst van de interesten [Het betreft bijgevolg een entiteit die niet gekozen heeft voor een behandeling als ICBE.] (zie het nr. 37), met uitsluiting van de entiteiten zoals bedoeld in het nr. 100. In dat geval wordt dus de ontvangst van de interesten aangemerkt als "interestbetaling" door de entiteit. Die verduidelijking heeft zijn belang voor de bepalingen in het kader van de bronbelasting die hierna worden uiteengezet (zie het nr. 139).
99. Worden bijvoorbeeld bedoeld, de inkomsten die door een gemeenschappelijk beleggingsfonds (die geen ICBE is zoals omschreven in het nr. 9) worden ontvangen en die "interestbetalingen" zouden kunnen zijn.
100. De entiteiten van de restcategorie die in België zijn gevestigd en waarvan de beleggingen in schuldvorderingen zoals bedoeld in het nr. 60 niet meer dan 15 % van hun vermogen uitmaken, worden uitgesloten van de uitbreiding zoals bedoeld in het nr. 98 (zie art. 3, § 4, 2 e lid, W 17.5.2004).
101. Die maatregel is bindend voor de andere lidstaten.
1. Grootvadersclausule
Art. 6, W 17.5.2004 + MvT, art. 15, Richtlijn
102. De W 17.5.2004 bevat een "grootvadersclausule" die bedoeld is om bepaalde verhandelbare schuldinstrumenten die voor het eerst zijn uitgegeven vóór 1.3.2001 uit te sluiten van het toepassingsgebied van de wet.
103. Het merendeel van de uitstaande emissies van binnenlandse en internationale obligaties en van overige verhandelbare schuldinstrumenten bevat inderdaad zogeheten "gross-up" - en "call" - clausules. Bij een "gross-up" - clausule verbindt de emittent zich tegenover de belegger tot het compenseren ("gross-up") van belasting die wordt geheven door de staat waar de emittent is gevestigd. Die clausule is over het algemeen verbonden met een "call" - clausule op basis waarvan de emittent met betrekking tot de uitgegeven obligaties mag overgaan tot een vervroegde terugbetaling à pari. Het risico bestaat dat de heffing van een bronbelasting zoals bedoeld in de Richtlijn de toepassing van dergelijke clausules tot gevolg heeft, vooral als de schuldenaar of diens uitbetalende instantie de interest rechtstreeks uitbetaalt aan een uiteindelijk gerechtigde (MvT, art. 15, § 1, Richtlijn).
104. Om te verhinderen dat door de activering van dergelijke clausules de markt wordt verstoord, voorziet art. 6, W 17.5.2004, voor de duur van de overgangsperiode, dat de bedoelde wet niet van toepassing is op verhandelbare schuldinstrumenten die reeds in omloop zijn, d.w.z. op binnenlandse en internationale obligaties en andere verhandelbare schuldinstrumenten die voor het eerst zijn uitgegeven vóór 1.3.2001 of waarvan de oorspronkelijke uitgifteprospectus vóór die datum is geviseerd door de bevoegde autoriteiten van de Europese Unie of door de verantwoordelijke autoriteiten in de partnerlanden. Verhandelbare schuldinstrumenten die zijn uitgegeven vanaf 1.3.2001 genieten bijgevolg de grootvadersclausule niet, tenzij de oorspronkelijke prospectus vóór die datum is geviseerd (MvT, art. 15, § 1, 3 e lid, Richtlijn).
105. Dat artikel geldt voor alle verhandelbare schuldinstrumenten, die al dan niet een "gross-up"- of "call" - clausule bevatten. De term "verhandelbare schuldinstrumenten" omvat alle soorten van schuldinstrumenten die vrij op de secundaire markten verhandeld mogen worden of door de houder ervan zonder voorafgaande toestemming van de emittent mogen worden overgedragen. Daartoe behoren alle binnenlandse en internationale obligaties, maar ook andere soorten van verhandelbare schuldinstrumenten, zoals "euro-commercial papers", "euro medium term notes" en "kasbons".
106. Art. 6, 3 e lid, W 17.5.2004 maakt een onderscheid tussen verhandelbare schuldinstrumenten die worden uitgegeven door een overheid of een gelijkgestelde entiteit (die als overheidsinstantie optreedt of waarvan de rol erkend is bij een internationaal verdrag) en die worden uitgegeven door andere emittenten (privé emittenten). Met de term "gelijkgestelde entiteiten" worden publiekrechtelijke lichamen bedoeld die door de overheid zijn gemachtigd tot de uitgifte van overheidsschuld. Die term heeft geen betrekking op ondernemingen die gecontroleerd worden door de Staat en obligaties uitgeven in hun hoedanigheid van privé emittenten (MvT, art. 15, § 1, 5e lid, Richtlijn).
107. Indien op of na 1.3.2002 van de hiervoor vermelde door een overheid of een gelijkgestelde entiteit uitgegeven effecten nog een nieuwe uitgifte plaatsvindt, is de grootvadersclausule op de gehele uitgifte, bestaande uit de oorspronkelijke uitgifte en elke aanvullende latere uitgifte, niet meer van toepassing. Worden inzonderheid bedoeld de nieuwe uitgiftes van OLO voor lijnen die werden geopend vóór 1.3.2001 (art. 6, 3 e lid, W 17.5.2004) (MvT, art. 15, § 1, 5 e lid, Richtlijn).
108. Indien op of na 1.3.2002 van de hiervoor vermelde door een andere emittent ( privé emittenten) uitgegeven effecten nog een uitgifte plaatsvindt, geldt de grootvadersclausule niet voor die nieuwe uitgifte, terwijl op de oorspronkelijke uitgifte en elke andere uitgifte die vóór 1.3.2002 hebben plaatsgevonden, die clausule evenwel onverminderd van toepassing blijft. Dergelijke aanvullende uitgiften zullen voorgaande uitgiften bijgevolg niet "besmetten" (MvT, art. 15, § 1, 5 e lid, Richtlijn).
109. De Richtlijn verduidelijkt dat die maatregel de lidstaten niet belet om overeenkomstig hun interne recht een belasting te heffen op inkomsten van effecten waarvoor de grootvadersclausule geldt (art. 15, § 2, Richtlijn).
110. Van het toepassingsgebied van de Richtlijn en bijgevolg van de W 17.5.2004 zijn eveneens uitgesloten :
- pensioenen, met inbegrip van diegene die worden uitgekeerd door pensioenfondsen;
- toekenningen uit hoofde van verzekeringen;
- boete voor te late betaling (moratoriuminteresten, …);
- dividenden van beleggingen in aandelen, andere dan diegene die worden uitgegeven door ICBE's;
- meerwaarden op aandelen, andere dan diegene die worden uitgegeven door ICBE's.
Art. 4, § 1, 1e lid, W 17.5.2004
111. Wanneer de uiteindelijk gerechtigde van de interesten woonachtig is in een andere lidstaat of in één van de afhankelijke of geassocieerde gebieden die gekozen hebben voor de wederkerigheid, wordt op de interesten die worden betaald of bijgeschreven een bronbelasting ingehouden door de uitbetalende instantie die in België is gevestigd, "woonstaatheffing" genoemd (art. 4, § 1, 1 e lid, W 17.5.2004).
112. Art. 8, W 17.5.2004 heeft in art. 2, 10°, WIB 92 (thans art. 2, § 1, 10°, WIB 92) de definitie van "woonstaatheffing" (WSH) ingelast. Dat nieuw begrip stemt overeen met het begrip "bronbelasting" dat wordt aangehaald in de Richtlijn, maar is weerhouden omdat de omschrijving van de bedoelde "bronbelasting" doet veronderstellen dat de heffing gebeurt door de schuldenaar van de inkomsten terwijl, volgens de Richtlijn en bijgevolg de W 17.5.2004, de heffing moet gebeuren door de "uitbetalende instantie" die een andere persoon kan zijn dan de schuldenaar van de inkomsten (zie het nr. 30).
113. Opdat er sprake kan zijn van een heffing, moeten de volgende 3 voorwaarden samen vervuld zijn :
- er moet een "interestbetaling" zijn;
- door een uitbetalende instantie die is gevestigd in België;
- ten gunste van een uiteindelijk gerechtigde die inwoner is van een andere lidstaat of van één van de afhankelijke of geassocieerde gebieden die gekozen hebben voor de wederkerigheid.
114. De hieronder aangehaalde verplichtingen van de uitbetalende instantie bestaan inzonderheid uit :
- het identificeren van en het verzamelen van documenten met betrekking tot de uiteindelijk gerechtigde van de interesten;
- het nagaan of er een interestbetaling is geweest;
- het inhouden van de WSH of overgaan tot een uitwisseling van gegevens;
- het aangeven en storten van de WSH.
115. Vooreerst moet de uitbetalende instantie de identificatie en de vaststelling van de fiscale woonplaats van de uiteindelijke gerechtigde uitvoeren, volgens de modaliteiten zoals omschreven in het KB van 26.3.2005 ter uitvoering van art. 4, § 1, 3 e lid, 1e streepje, van de W 17.5.2004 (hierna het "KB ter identificatie" genoemd - zie bijlage 3).
116. Die identificatie en de vaststelling van de fiscale woonplaats moeten worden uitgevoerd bij elke interestbetaling of bij elke bewerkstelliging van een interestbetaling.
117. De Richtlijn verwijst uitdrukkelijk naar het begrip " fiscale woonplaats" (zie inzonderheid art. 1, Richtlijn : " Uiteindelijk doel van deze richtlijn is het mogelijk te maken dat inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling die in een lidstaat wordt verricht aan uiteindelijk gerechtigden die een natuurlijke persoon zijn en hun fiscale woonplaats in een andere lidstaat hebben, effectief worden belast overeenkomstig het nationale recht van de laatstgenoemde lidstaat.").
118. De tekst van het KB ter identificatie verwijst naar dat begrip in art. 2, § 1, 1e lid, dat bepaalt dat : " De uitbetalende instantie stelt de identiteit van de uiteindelijk gerechtigde vast aan de hand van zijn naam en voornaam en bepaalt zijn woonplaats aan de hand van zijn vast adres." Het KB ter identificatie verwijst bijgevolg naar de bepalingen van de Richtlijn (zie art. 3, § 3, Richtlijn) die op hun beurt gesteund zijn op de tekst van het "Modelverdrag van de OESO betreffende belastingen op inkomen en kapitaal", die het duurzaam tehuis als eerste criterium weerhoudt voor de vaststelling van de fiscale woonplaats (zie art. 4, § 2, a, OESO-modelverdrag).
119. Vooreerst moet de uitbetalende instantie de identiteit en de vaste woonplaats vragen aan de uiteindelijk gerechtigde. In principe zal er voor de inwoners van een andere lidstaat of van één van de afhankelijke of geassocieerde gebieden die gekozen hebben voor de wederkerigheid altijd een inhouding zijn van WSH en/of roerende voorheffing (RV).
In elk geval kan geen enkele WSH in België worden ingehouden ten aanzien van uiteindelijk gerechtigden die als rijksinwoners moeten worden beschouwd (d.w.z. belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de personenbelasting).
120. De relevante woonplaats van de uiteindelijke gerechtigde zal in de meeste gevallen vastgesteld worden op basis van het adres dat vermeld staat op het paspoort of op de officiële identiteitskaart. Wanneer ze niet vermeld staat op die documenten, wordt ze vastgesteld aan de hand van enigerlei ander bewijsdocument. Wat betreft de documenten die als bewijskrachtig kunnen worden beschouwd, kunnen de uitbetalende instanties nuttig verwijzen naar de bepalingen die zijn voorzien in het reglement van de CBFA van 27.7.2004 betreffende de voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en in het bijzonder, naar art. 8 van dat reglement.
121. Het antwoord dat door de uitbetalende instantie wordt verkregen van de uiteindelijk gerechtigde moet - behalve indien de uitbetalende instantie bijzondere argwaan heeft (art. 3, 3e lid, KB ter identificatie) - niet in twijfel worden getrokken en evenmin door hem worden gecontroleerd.
122. Wanneer de uiteindelijk gerechtigde zijn woonplaats heeft in een andere lidstaat, vormt het fiscaal identificatienummer dat door dat land is toegekend een onderdeel van de identificatie. Indien dat nummer niet bestaat of niet vermeld staat op de overgelegde stukken, dan wordt de identiteit aangevuld met de vermelding van de geboorteplaats en - datum vastgesteld aan de hand van het paspoort of de officiële identiteitskaart.
123. Wat betreft de uiteindelijk gerechtigden die over een vast adres beschikken in België maar onderworpen zijn aan de belasting van niet-inwoners, is de fiscale woonplaats die in aanmerking moet worden genomen diegene die is weerhouden door de Belgische en buitenlandse fiscale autoriteiten. Het is aan de uiteindelijk gerechtigde om aan de hand van bewijskrachtige documenten het bewijs te leveren van zijn woonplaats in het buitenland. Terzake wordt een attest van de Belgische of buitenlandse fiscale autoriteiten als een bewijskrachtig document beschouwd.
Wanneer de betrokken uiteindelijk gerechtigden het bedoelde bewijs niet leveren, moeten die uiteindelijk gerechtigden als rijksinwoners worden aangemerkt (zie het nr. 119, 2e lid).
124. De bijzonderheden met betrekking tot diplomaten en internationale ambtenaren (op grond van de zetelakkoorden of de regels van exceptie van fiscale woonplaats) gelden eveneens voor de toepassing van de W 17.5.2004.
125. Wanneer de uiteindelijk gerechtigde bij het overleggen van een paspoort of een identiteitskaart afgeleverd door een lidstaat van de Europese Unie verklaart dat hij in een derde land woont, zal hij, in afwijking van het principe zoals uiteengezet in het nr. 118, het bewijs ervan moeten leveren door middel van een fiscale woonplaatsverklaring afgegeven door de bevoegde autoriteit van dat derde land; de verklaring is geldig voor 3 jaar vanaf de datum waarop zij is afgegeven, behalve wanneer in de verklaring een kortere geldigheidsduur staat vermeld.
126. Wanneer een dergelijke verklaring niet kan worden overgelegd, wordt aangenomen dat de woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde zich bevindt op het grondgebied van de Staat die het paspoort of de officiële identiteitskaart heeft afgeleverd en zal de uitbetalende instantie de WSH moeten inhouden.
127. In dit laatste geval, is het aan de uiteindelijk gerechtigde, die aanspraak wil maken op een fiscale woonplaats in een derde land, evenwel zonder de vereiste verklaring voor te leggen (wat ook de reden hiervoor moge zijn) en de inhouding van de WSH betwist, om een met redenen omkleed bezwaarschrift in te dienen met het oog op het verkrijgen van de teruggave van die WSH.
In het kader van het onderzoek van het bezwaarschrift zal de administratie de nodige maatregelen nemen om de bevestiging te bekomen van de door de uiteindelijk gerechtigde aangegeven fiscale woonplaats.
128. Voor de contractuele relaties die zijn aangegaan tussen 1.1.2004 en 1.7.2005 en na die laatste datum doorlopen, zal de uitbetalende instantie haar informatie zonodig moeten aanvullen overeenkomstig de hiervoor bedoelde regels binnen een termijn van 6 maanden te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van het KB ter identificatie. De uitbetalende instantie is er evenwel niet toe gehouden haar gegevens aan te vullen voor de contractuele relaties die vóór 1.1.2004 zijn aangegaan, behalve in geval van twijfel omtrent de echtheid of juistheid van de aangehouden gegevens (zie art. 3, KB ter identificatie).
129. Wat betreft de bewaring van de bewijskrachtige documenten, moet de uitbetalende instantie, naar analogie met de huidige bepalingen van art. 7 van de wet van 1.1.1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, een afschrift ervan bewaren totdat een periode van 5 jaar, volgend op het jaar waarin de contractuele relatie werd beëindigd, is verstreken (zie art. 4, KB ter identificatie).
130. Zoals uiteengezet in het nr. 138 e.v., moet de fiscale woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde bepaald worden op het moment van de interestbetaling.
131. Indien de uitbetalende instantie beschikt over gegevens die doen vermoeden dat de natuurlijke persoon die een interestbetaling ontvangt of ten gunste van wie een interestbetaling wordt bewerkstelligd, niet de uiteindelijk gerechtigde is, en die persoon niet handelt voor rekening van een andere natuurlijke persoon die de uiteindelijk gerechtigde is (zie het nr. 14), moet zij redelijke maatregelen nemen om de identiteit van de uiteindelijk gerechtigde vast te stellen volgens de regels omschreven in het bedoelde KB ter identificatie. Indien de uitbetalende instantie de uiteindelijk gerechtigde niet kan identificeren, behandelt zij de natuurlijke persoon in kwestie als de uiteindelijk gerechtigde (art. 3, § 2, 2 e lid, W 17.5.2004).
132. In geval van onverdeeldheid wordt, van zodra er tenminste één van de mede-eigenaars in onverdeeldheid binnen het toepassingsgebied van de W 17.5.2004 valt, de volledige interestbetaling die wordt toegekend aan die onverdeeldheid in principe onderworpen aan de WSH. Het staat de uitbetalende instantie evenwel vrij om de WSH te beperken tot het deel van de interestbetalingen dat wordt toegekend aan de uiteindelijk gerechtigden zoals bedoeld in de W 17.5.2004, op voorwaarde dat hij een detail opmaakt van de verdeling van de interestbetalingen tussen alle eigenaars in onverdeeldheid. Als een duidelijke verdeelsleutel ontbreekt, moeten de interestbetalingen omgeslagen worden op basis van het aantal uiteindelijk gerechtigden (per persoonlijk aandeel).
133. Wanneer de uitbetalende instantie de interesten in overdeeldheid heeft uitbetaald aan of bijgeschreven op een rekening van uiteindelijk gerechtigden met woonplaats in verschillende lidstaten (buiten België) of in afhankelijke of geassocieerde gebieden waarmee een wederkerigheidsverplichting bestaat, dan kan die uitbetalende instantie, uit praktische overwegingen, de inhouding integraal overdragen aan één enkel land of gebied. Indien de uitbetalende instantie evenwel van mening is dat een uitsplitsing mogelijk is, dan staat het haar vrij om dat te doen.
134. Bij overlijden is het de laatste woonstaat van de overledene die de W 17.5.2004 zal toepassen, totdat de erfgenamen de akte van bekendheid (of een gelijkwaardige buitenlandse akte) hebben meegedeeld aan de uitbetalende instantie waaruit hun hoedanigheid en hun aanvaarding van de erfenis blijkt.
135. Vanaf het ogenblik dat de erfgenamen bij de uitbetalende instantie bekend zijn, overeenkomstig het nr. 134, zal die uitbetalende instantie, naargelang hun situatie, (al dan niet) de WSH inhouden.
136. Als hierbij een notaris of een andere testamentuitvoerder wordt betrokken, zal die in voorkomend geval, de hoedanigheid van uitbetalende instantie op zich nemen (zie het nr. 35).
137. De regularisatie van de situaties zoals bedoeld in de nrs. 132 tot 136 kan worden uitgevoerd door middel van de bezwaarprocedure (zie het nr. 180 e.v.).
138. In de gevallen dat een marktdeelnemer wordt beschouwd als een uitbetalende instantie bij de interestbetaling of de bewerkstelliging van de interestbetaling (zie het nr. 30), moet hij de heffing uitvoeren op het tijdstip waarop hij interesten uitbetaalt of een interestbetaling bewerkstelligt ten onmiddellijke gunste van de uiteindelijk gerechtigde.
139. In de gevallen waarbij een entiteit van de restcategorie wordt beschouwd als een uitbetalende instantie bij de ontvangst van de interesten (zie het nr. 37), zal zij de heffing moeten uitvoeren op het moment waarop de interesten aan haar worden uitbetaald of de interestbetaling door haar wordt bewerkstelligd ten gunste van de uiteindelijk gerechtigde. Er wordt aan herinnerd dat in bepaalde gevallen de interesten, die worden ontvangen door een entiteit van de restcategorie die in België is gevestigd, uitgesloten zijn van de definitie "interestbetaling" (zie het nr. 100), wat tot gevolg heeft dat niet is voldaan aan één van de gestelde voorwaarden opdat er een heffing zou zijn.
140. In de gevallen dat een marktdeelnemer die in België is gevestigd wordt beschouwd als een uitbetalende instantie in de plaats van de entiteit van de restcategorie (zie het nr. 46), moet hij de heffing uitvoeren op het moment waarop hij de interesten uitbetaalt of de interestbetaling bewerkstelligt voor die entiteit van de restcategorie en dit op het volledige bedrag van de interesten dat wordt uitbetaald aan die entiteit.
141. Een entiteit van de restcategorie zoals omschreven in het nr. 39 en die niet gekozen heeft voor een behandeling als ICBE (zie het nr. 50), is niet gehouden tot het uitvoeren van de taken van de uitbetalende instantie wanneer zij vervolgens de interesten uitbetaalt of een interestbetaling bewerkstelligt ten onmiddellijke gunste van de uiteindelijk gerechtigde. Dergelijke latere betalingen vallen inderdaad buiten het toepassingsgebied van de Richtlijn en bijgevolg van de W 17.5.2004 (MvT, art. 4, § 2, Richtlijn).
Art. 4, §§ 2 en 3, W 17.5.2004
142. Het tarief van de WSH wordt bepaald op :
- 15 % gedurende de eerste 3 jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van de W 17.5.2004 (zie het nr. 200);
- 20 % gedurende de volgende 3 jaar;
- en daarna 35 %.
143. Voor zover hiervan niet wordt afgeweken, zijn de regels zoals omschreven in het WIB 92 met betrekking tot de vestiging en invordering van de belastingen (Titel VII, WIB 92), die van toepassing zijn op de RV, eveneens van toepassing op de WSH (art. 4, § 4, 1 e lid, W 17.5.2004).
144. De WSH wordt toegepast op het bedrag van de interesten, zoals dat hierna wordt vastgesteld (zie het nr. 147 e.v.), vóór inhouding van de RV (art. 4, § 3, 1 e lid, W 17.5.2004).
145. Daarentegen moet de RV worden ingehouden op het bedrag dat wordt toegekend of betaalbaar gesteld zonder rekening te houden met de WSH (art. 9 en 10, W 17.5.2004 tot wijziging van de art. 22, § 1, 1 e lid, en 37, 2 e lid, WIB 92).
146. Zoals wordt aangehaald in de Richtlijn (art. 16, Richtlijn), belet de inhouding van de WSH niet de inhouding van de RV; de twee systemen van inhouding kunnen samen worden toegepast.
Art. 4, § 3, 2e lid, W 17.5.2004
a) Algemeenheden
147. Wat betreft de categorieën van interesten zoals omschreven in de nrs. 60, 62 en 84 en waarvan de modaliteiten inzake de inhouding van de WSH hierna worden uiteengezet, wordt de WSH gevestigd rekening houdend met de periode dat de uiteindelijk gerechtigde houder van de schuldvordering was (art. 4, § 3, 3 e lid, W 17.5.2004). M.a.w., de uitbetalende instantie houdt enkel de WSH in op de interesten uitbetaald aan of bijgeschreven ten gunste van de uiteindelijk gerechtigde naar rata van de periode dat hij houder van de schuldvordering was.
148. Die proratisering is bedoeld om de accumulatie van bronbelasting te voorkomen in situaties waarin de schuldvorderingen tijdens hun bestaan van houder zijn verwisseld, aangezien er eventueel een WSH kan zijn ingehouden bij de verkoop van de schuldvorderingen (zie het nr. 62) of bij de verkoop van aandelen of bewijzen van deelneming in ICBE's of ermee gelijkgestelden (zie het nr. 84) (MvT, art. 11, § 3, Richtlijn).
149. Als bewijs van de bezitsduur worden inzonderheid aanvaard :
- stukken van financiële instellingen zoals borderellen of rekeninguittreksels (originelen en dubbels, maar geen afschriften);
- duidelijk gedateerde stukken (notariële akte, vonnis, bij de administratie geregistreerd stuk).
150. Onrechtstreekse bewijzen zullen niet worden aanvaard (verklaring van de uiteindelijk gerechtigde, getuigenissen, enz.). Een datum van deponering of van inschrijving van de schuldinstrumenten op naam van de uiteindelijk gerechtigde in een register op naam, kunnen als dusdanig niet het bewijs vormen van het begin van de bezitsduur.
151. Ingeval de uitbetalende instantie die periode niet kan vaststellen met de informatie waarover zij beschikt, gaat zij ervan uit dat de uiteindelijk gerechtigde over de gehele periode dat de vordering heeft bestaan de houder ervan is geweest, tenzij de uiteindelijk gerechtigde de datum van de verkrijging aantoont (art. 4, § 3, 3 e lid, W 17.5.2004).
152. Trouwens, doordat de WSH pas vanaf 1.7.2005 in werking treedt, moet ervan worden uitgegaan dat enkel rekening moet worden gehouden met het gedeelte van de interesten dat vanaf 1.7.2005 is aangegroeid.
153. In het geval van interestbetalingen zoals omschreven in het nr. 60, wordt de WSH geheven op de uitbetaalde of bijgeschreven interesten.
154. In het geval van interestbetalingen zoals omschreven in het nr. 62, wordt de WSH geheven op het bedrag van de erin bedoelde interesten of inkomsten of door een heffing van vergelijkbare omvang ten laste van de ontvanger op het volledige bedrag van de opbrengst van de verkoop, terugbetaling of aflossing. Wanneer een inhouding is gebeurd op het volledige bedrag van de opbrengst van de verkoop, terugbetaling of aflossing in plaats van een bronbelasting op de uitbetaalde interesten, moet de eerstgenoemde heffing volledig door de uiteindelijk gerechtigde worden betaald en van vergelijkbare omvang zijn als een bronbelasting op de aangegroeide of gekapitaliseerde interest, d.w.z. de alternatieve heffing mag er niet toe leiden dat de interest in de lidstaat waar de uitbetalende instantie is gevestigd, lager wordt belast (MvT, art. 11, § 2, Richtlijn).
155. De berekening van de interesten die de belastbare grondslag voor de WSH vormen, kan gebeuren op basis van de uitgiftevoorwaarden van de betrokken schuldvordering. Externe factoren die te maken hebben met de marktvoorwaarden (rating, marktinterestvoeten, wisselkoersen, vreemde munt, enz.) worden niet in aanmerking genomen.
156. M.a.w., om uit te bepalen welke interesten uit spaargeld aan de WSH zijn onderworpen, zal (naast de hiervoor beschreven prorateringsregels) voor elke bedoelde transactie aan de hand van het verkregen bedrag de gedeelten moeten worden gehaald die overeenstemmen met :
- enerzijds, het geïnvesteerde kapitaal (eventueel verhoogd met een meerwaarde of verminderd met een minderwaarde; die elementen komen niet in aanmerking voor de toepassing van de WSH) en,
- anderzijds, het bedrag van de gecumuleerde interesten (bepaald in functie van het tarief en de nominale waarde van de schuldvordering).
157. Om het belastbaar bedrag vast te stellen, kan worden verwezen naar het nr. 19/15 e.v., Com.IB 92.
158. In het geval van een interestbetaling zoals omschreven in het nr. 64, wordt de WSH geheven op het bedrag van de erin bedoelde inkomsten.
159. Aangezien de WSH slechts van toepassing is op interesten die zijn aangegroeid vanaf 1.7.2005, blijven de inkomsten die betrekking hebben op een boekjaar afgesloten op 30.6.2005 of vroeger buiten het toepassingsgebied, ook al worden zij pas effectief na die datum uitbetaald of geïnd.
160. De aandacht wordt erop gevestigd dat, voor een dividenduitkering die plaatsvindt vanaf 1.7.2005 maar die betrekking heeft op een compartiment waarvan het boekjaar wordt afgesloten vóór 1.7.2006, voor de berekening van de 15 %-drempel (zie het nr. 82) enkel rekening zal worden gehouden met de waarde van het totale actief van het compartiment op de datum van de afsluiting van het boekjaar, tenzij de instelling of entiteit in staat is om de berekening te doen op grond van het gemiddelde van het halfjaarlijks en jaarlijks verslag.
161. In het geval van interestbetalingen zoals omschreven in het nr. 84, wordt de WSH geheven op het bedrag van de erin bedoelde interesten of inkomsten of door een heffing van vergelijkbare omvang ten laste van de ontvanger op het volledige bedrag van de opbrengst van de verkoop, terugbetaling of aflossing. Wanneer een inhouding is gebeurd op het volledige bedrag van de opbrengst van de verkoop, terugbetaling of aflossing in plaats van een bronbelasting op de uitbetaalde interesten, moet de eerstgenoemde heffing volledig door de uiteindelijk gerechtigde worden betaald en van vergelijkbare omvang zijn als een bronbelasting op de aangegroeide of gekapitaliseerde interest, d.w.z. de alternatieve heffing mag er niet toe leiden dat de interest in de lidstaat waar de uitbetalende instantie is gevestigd lager wordt belast (MvT, art. 11, § 2, Richtlijn).
162. Aangezien de WSH slechts van toepassing is op interesten die zijn aangegroeid vanaf 1.7.2005, zijn enkel de meerwaarden die worden gerealiseerd vanaf 1.7.2005 en die voortgekomen zijn van interesten vanaf die datum, onderworpen aan de WSH.
163. De aandacht wordt erop gevestigd dat voor meerwaarden die zijn gerealiseerd op aandelen of bewijzen van deelneming van een instelling of een entiteit waarvan het boekjaar afsluit vóór 1.7.2006, voor de berekening van de 40 %-drempel (zie het nr. 91) enkel rekening zal worden gehouden met de waarde van het totale vermogen op de datum van de afsluiting van het laatste boekjaar, tenzij de beleggingsinstelling in staat is de berekening te doen op basis van het gemiddelde van het halfjaarlijks en jaarlijks verslag.
164. Zoals uiteengezet in de nrs. 147 tot 152, is de mate waarin de gerealiseerde meerwaarde onderworpen is aan de WSH afhankelijk van de bezitsduur van het bedoelde effect. Indien de uitbetalende instantie de bezitsduur van het effect niet kan bepalen, dan moet hij ervan uitgaan dat de uiteindelijk gerechtigde deze bezat gedurende de gehele periode waarop de inkomsten betrekking hebben, zonder evenwel verder in de tijd terug te gaan dan tot 1.7.2005 als datum van aanschaffing.
165. In het geval dat een entiteit van de restcategorie wordt beschouwd als een uitbetalende instantie bij de ontvangst van de interesten (zie de nrs. 98 en 139), wordt de WSH geheven op het bedrag van de interesten dat toekomt aan de leden van de entiteit van de restcategorie die de uiteindelijk gerechtigden zijn in de zin van de W 17.5.2004.
Indien de verdeling onder de verschillende leden niet op een afdoende manier kan worden aangetoond, is de WSH verschuldigd op de volledige interestbetaling.
166. Indien inkomsten van buitenlandse oorsprong in België worden betaald en een buitenlandse belasting werd ingehouden op die inkomsten, dan stemt de grondslag in de WSH overeen met het bedrag van die inkomsten na aftrek van de in het buitenland ingehouden belastingen.
Zoals op het vlak van de RV, mogen de in België en in het buitenland gedragen innings- en bewaringskosten en andere soortgelijke kosten niet van de inkomsten worden afgetrokken voor de vaststelling van de grondslag in de WSH.
Art. 5, W 17.5.2004
168. Art. 5, W 17.5.2004 bepaalt dat wordt afgezien van de WSH indien de uiteindelijk gerechtigde aan de uitbetalende instantie een door de bevoegde autoriteit van zijn fiscale woonplaats op zijn naam gestelde verklaring voorlegt.
169. Overeenkomstig die bepaling, moet de uitbetalende instantie bijgevolg geen WSH inhouden indien op het moment waarop hij de interesten uitbetaalt of een interestbetaling bewerkstelligt ten gunste van de uiteindelijk gerechtigde, deze laatste aan hem een verklaring voorlegt die is opgesteld door de bevoegde autoriteit van de staat waar hij zijn fiscale woonplaats heeft en die ten minste de volgende gegevens bevat (zie art. 5, 2 e lid, W 17.5.2004) :
- naam, adres en fiscaal identificatienummer of, bij ontstentenis van een dergelijk nummer, de geboorteplaats en -datum van de uiteindelijk gerechtigde;
- naam en adres van de uitbetalende instantie;
- rekeningnummer van de uiteindelijk gerechtigde of, bij ontstentenis van een dergelijk nummer, een éénduidige omschrijving van het schuldinstrument.
170. Die bepaling moet strikt worden toegepast, in die zin dat de uiteindelijk gerechtigde, die dergelijke verklaring niet heeft voorgelegd op het tijdstip van de interestbetaling of bewerkstelliging van de interestbetaling, geenszins de WSH nadien kan terugvorderen door middel van een bezwaarschrift.
171. De vereiste vermelding op de verklaring van de éénduidige omschrijving van het schuldinstrument (zie nr. 169, laatste streepje) moet noodzakerlijkerwijs toelaten om de in de verklaring bedoelde interestbetaling met zekerheid te identificeren, teneinde de werkelijke belastingheffing op dat inkomen in de staat waar de uiteindelijk gerechtigde zijn fiscale woonplaats heeft te garanderen.
172. Die verklaring is geldig voor een periode van maximum 3 jaar.
173. Die verklaring moet door de uitbetalende instantie ter beschikking worden gehouden van de administratie die belast is met de vestiging van de inkomstenbelastingen.
174. Onder " bevoegde autoriteit" zoals bedoeld in het nr. 168, wordt verstaan :
- voor de lidstaten : de autoriteiten die de lidstaten ter kennis van de Europese Commissie hebben gebracht (zie art. 5, 3e lid, W 17.5.2004);
- voor de afhankelijke of geassocieerde gebieden : de autoriteiten aangeduid in de bilaterale overeenkomsten die werden gesloten tussen België en die afhankelijke of geassocieerde gebieden.
1. Aangifte en storting van de WSH
175. Zoals aangehaald in het nr. 143, zijn de procedureregels die van toepassing zijn op de RV eveneens van toepassing op de WSH, voor zover hiervan niet uitdrukkelijk wordt afgeweken (zie art. 4, § 4, 1 e lid, W 17.5.2004).
176. De uitbetalende instantie is verplicht een aangifte (zie model als bij-lage 4) in te dienen en de WSH te storten aan de bevoegde ontvanger van de
directe belastingen.
177. Eén enkel ontvangkantoor werd aangeduid om alle aangiften in de WSH te ontvangen. Het gaat om het ontvangkantoor Brussel Buitenland,
Kantersteen 47 te 1000 Brussel (Tel. : 02/551.58.85, Fax : 02/502.64.19, postrekeningnummer 679-2002400-29, BE26 6792 0024 0029 (IBAN), e-mail : ontv.db.brussel.buitenl@minfin.fed.be).
178. Die formaliteiten moeten worden vervuld binnen de 15 dagen na de toekenning of betaalbaarstelling van de inkomsten die zijn onderworpen aan de WSH, rekening houdend met het feit dat overeenkomstig art. 4, § 4, 2 e lid, W 17.5.2004 die toekenning of betaalbaarstelling geacht wordt plaats te vinden op de laatste dag van het trimester gedurende hetwelk die inkomsten zijn uitbetaald of bijgeschreven op een rekening.
179. M.a.w., de aangifte en de storting van de WSH moeten gebeuren uiterlijk op 15 januari, 15 april, 15 juli en 15 oktober voor de inkomsten die worden uitbetaald of bijgeschreven gedurende het voorgaande trimester. Het feit dat de laatste dag van de betalingstermijn een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, geeft geen aanleiding tot een verlenging van de betalingstermijn tot de daaropvolgende werkdag.
180. Wat betreft de rechtsmiddelen zijn de procedureregels van de RV eveneens van toepassing op de WSH.
181. Zowel de uiteindelijk gerechtigde van de inkomsten als de uitbetalende instantie zijn gemachtigd om overeenkomstig art. 366, WIB 92, een bezwaarschrift in te dienen tegen de inhouding van de WSH.
182. Overeenkomstig art. 371, WIB 92 moeten de bezwaarschriften worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van 3 maanden vanaf de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of van de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier.
183. Wat betreft de WSH, beschikken bijgevolg zowel de uiteindelijk gerechtigde van de inkomsten als de uitbetalende instantie over een termijn van 3 maanden te rekenen vanaf de inning van de WSH om een bezwaarschrift in te dienen. De in art. 371, WIB 92, voorkomende term "inning" betekent de daad van de administratie die bestaat in de ontvangst van de belasting, aanvaard als regelmatige betaling en voor het door haar aangenomen bedrag (nr. 371/25, Com.IB 92).
184. Een marktdeelnemer die in België is gevestigd en interesten uitbetaalt aan of een interestbetaling bewerkstelligt voor een entiteit van de restcategorie die is gevestigd in een andere lidstaat of in één van de afhankelijke of geassocieerde gebieden die gekozen hebben voor de wederkerigheid, moet - door middel van een formeel voorafgaand akkoord van die entiteit - aan de door de Koning aangeduide dienst[Tot op heden werd nog geen enkele dienst door de Koning aangeduid.] de gegevens meedelen die nodig zijn voor de identificatie van die entiteit (zie het nr. 47).
185. De gegevens die moeten worden meegedeeld zijn de volgende :
- de benaming van de entiteit;
- zijn adres, inclusief het land van vestiging;
- het volledige bedrag van de interesten die worden uitbetaald of waarvoor een interestbetaling is bewerkstelligd. [Het in dit specifieke geval bedoelde volledige bedrag is het bedrag dat voortvloeit uit de gegevens die werden verstrekt aan de uitbetalende instantie. Indien die laatste niet beschikt over alle nodige gegevens voor de bepaling van de belastbare grondslag, zal hij het brutobedrag van de inkomsten die worden uitbetaald aan de entiteit van de restcategorie aangeven.]
186. Die gegevens moeten éénmaal per jaar worden doorgegeven aan de door de Koning aangeduide dienst. [Tot op heden werd nog geen enkele dienst door de Koning aangeduid.]
187. In de onderstaande tabel worden de belangrijkste verschilpunten tussen de WSH en de RV aangehaald :
| WSH | RV | |
| Aard | Voorschot te verrekenen met de belasting die moet worden geheven in de woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde | Voorschot op de te heffen inkomstenbelastingen in België |
| Grondslag | Grensoverschrijdende "interestbetalingen" | Inkomsten van roerende goederen en kapitalen van Belgische of buitenlandse oorsprong indien die laatste geïnd zijn via een Belgische tussenpersoon |
| Belastingschuldige | Uitbetalende instantie (in het algemeen de laatste tussenpersoon die interest uitbetaalt of een interestbetaling bewerkstelligt ten onmiddellijke gunste van de uiteindelijk gerechtigde) | Schuldenaar van het roerend inkomen van Belgische oorsprong of de eerste Belgische tussenpersoon die betrokken is bij de betaling van een roerend inkomen van buitenlandse oorsprong |
188. Een gelijkaardige maatregel zoals diegene die bedoeld is in het nr. 168, is voorzien voor rijksinwoners (art. 7, § 1, 1 e lid, W 17.5.2004). Die maatregel bepaalt dat een rijksinwoner die onderworpen is aan de personenbelasting en als uiteindelijk gerechtigde in een andere lidstaat of in een partnerland interesten ontvangt, bij de administratie die bevoegd is voor de vestiging van de inkomstenbelastingen (zie het nr. 192) een verklaring kan vragen, die de uitbetalende instantie die in het buitenland is gevestigd moet toelaten om geen bronbelasting analoog aan de WSH in te houden.
189. Die verklaring bevat ten minste de volgende gegevens (zie art. 7, § 1, 2 e lid, W 17.5.2004) :
- naam, adres en fiscaal identificatienummer of, bij ontstentenis van een dergelijk nummer, de geboorteplaats en -datum van de uiteindelijk gerechtigde;
- naam en adres van de uitbetalende instantie;
- rekeningnummer of, bij ontstentenis van een dergelijk nummer, een éénduidige omschrijving van het schuldinstrument dat wordt meegedeeld door de uiteindelijk gerechtigde;
- de geldigheidsduur ervan (zie het nr. 191).
190. De vereiste vermelding op de verklaring, op basis waarvan kan worden verzaakt aan de WSH in een andere lidstaat of partnerland, van het rekeningnummer en de éénduidige omschrijving van het schuldinstrument (zie nr. 189, 3e streepje) moet noodzakelijkerwijs toelaten om de in de verklaring bedoelde interestbetaling(en) met zekerheid te identificeren, teneinde de werkelijke belastingheffing op dat inkomen in de personenbelasting te garanderen. [Uiteraard voor zover dat inkomen overeenkomstig het interne recht belastbaar is in de personenebelasting.]
191. De verklaring is in principe geldig voor 3 jaar, voor zover de gegevens op basis waarvan de verklaring is afgegeven, ongewijzigd blijven (art. 7, § 1, 3 e lid, W 17.5.2004) (MvT, art. 13, § 2, Richtlijn.
192. Die verklaring wordt afgegeven aan elke uiteindelijk gerechtigde die daarom vraagt door de controle van de belastingen van het ambtsgebied waar hij zijn fiscale woonplaats heeft (art. 7, § 1, 4 e lid, W 17.5.2004).
193. Hoewel de administratie over een wettelijke termijn van 2 maanden beschikt nadat het desbetreffende verzoek is ingediend voor de afgifte van de bedoelde verklaring, zullen de controles erop toezien dat die afgifte zo spoedig mogelijk gebeurt.
194. De inhouding zoals bepaald door de Richtlijn vormt geen belasting van het land waar ze wordt toegepast, maar een voorschot dat te verrekenen is met de belasting die moet worden geheven in de woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde.
195. Dit betekent enerzijds dat het bedrag van de roerende inkomsten dat is belastbaar in de personenbelasting eveneens de WSH omvat (art. 9 en 10, W 17.5.2004 die de art. 22 en 37, WIB 92 in die zin aanpassen) en anderzijds dat de WSH, die in het buitenland is ingehouden op de sommen die niet belastbaar zijn als roerende inkomsten, zal moeten worden opgenomen in de aangifte in de personenbelasting.
196. Overeenkomstig art. 7, § 2, W 17.5.2004 is de heffing die effectief overeenkomstig de art. 10 tot 15 van de Richtlijn werd ingehouden op de interesten die worden verkregen door een rijksinwoner die onderworpen is aan de personenbelasting, verrekenbaar met die belasting en terugbetaalbaar (indien deze tenminste 2,5 EUR bedraagt).
197. De uiteindelijk gerechtigde moet aantonen dat de interesten waarvoor hij een verrekening van de WSH vordert, werkelijk onderworpen zijn geweest aan die inhouding.
198. Door de taxatiediensten zal in het bijzonder aandacht worden besteed aan de gevallen waarbij er tegelijkertijd een verrekening van de WSH wordt gevraagd en een verklaring voor een verzaking aan de WSH werd aangevraagd (zie het nr. 169). Er moet worden onderzocht of er werkelijk een WSH in het buitenland werd ingehouden met betrekking tot de bedoelde schuldvordering.
199. Het volledige bedrag van de WSH is verrekenbaar met de personenbelasting en eventueel terugbetaalbaar (zelfs indien 75 % is afgestaan aan de woonstaat) (zie art. 7, § 2, W 17.5.2004) (MvT, art. 14, 2 e lid, Richtlijn).
200. De art. 1 tot 11 en 14, W 17.5.2004 zijn van toepassing op interestbetalingen die worden verricht vanaf 1.7.2005 in zoverre ze bestaan uit betaalde of toegekende interesten verlopen vanaf diezelfde datum (art. 1, KB 27.6.2005 houdende inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 17 mei 2004 tot omzetting in het Belgisch recht van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing - zie bijlage 5).
201.
Nancy JANSSENS, Eerstaanwezend Inspecteur
Tel. : 02/336.27.63
E-mail : nancy.janssens@minfin.fed.be
Federale Overheidsdienst FINANCIEN
Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit
Centrale diensten - Directie I/1
North Galaxy - Toren A - 25e verdieping
Koning Albert II-laan 33, bus 25
1030 BRUSSEL
Voor de Administrateur-generaal
van de Belastingen en de Invordering :
De Auditeur-generaal van financiën,
G. DELSOIR
17 MEI 2004 . - Wet tot omzetting in het Belgisch recht van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing
[BS 27.5.2004 - Ed. 2, blz. 41328 (zoals gewijzigd door W 20.6.2005 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992 en van het Wetboek der met de zegel gelijkgestelde taksen inzake de wederzijdse bijstand van de autoriteiten van de lid-staten op het gebied van de directe belastingen en heffingen op verzekeringspremies - BS 24.6.2005 - Ed. 3, blz. 29072.]
[BS 27.5.2004 - Ed. 2, blz. 41328 (zoals gewijzigd door W 20.6.2005 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992 en van het Wetboek der met de zegel gelijkgestelde taksen inzake de wederzijdse bijstand van de autoriteiten van de lid-staten op het gebied van de directe belastingen en heffingen op verzekeringspremies - BS 24.6.2005 - Ed. 3, blz. 29072.]
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
TITEL I. - Algemene bepaling
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
TITEL II. - Omzetting in het Belgisch recht van de richtlijn 2003/48/EG van
3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op
inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling
Art. 2. Deze titel regelt de omzetting van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling.
3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op
inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling
Art. 2. Deze titel regelt de omzetting van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling.
Art. 3. § 1. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder :
1° de Richtlijn : de richtlijn 2003/48/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling;
2° Lid-Staat : elke lidstaat van de Europese Unie die is bedoeld in artikel 299 van het Verdrag betreffende de Europese Unie;
3° derde landen - partners :
a) | de Zwitserse Confederatie, het Prinsdom Liechtenstein, de Republiek San Marino, het Prinsdom Monaco en het Prinsdom Andorra; |
b) | de Verenigde Staten van Amerika; |
c) | ieder ander land waarmee de Europese Unie een overeenkomst heeft afgesloten die voorziet in de uitwisseling van gegevens op verzoek, in de zin van de op 18 april 2002 gepubliceerde modelovereenkomst van de OESO betreffende de uitwisseling van belastinggegevens met betrekking tot rentebetalingen als omschreven in de Richtlijn die door een op hun respectieve grondgebieden gevestigde uitbetalende instantie worden verricht aan uiteindelijk gerechtigden die hun woonplaats hebben op het grondgebied dat door de Richtlijn wordt bestreken, naast de gelijktijdige heffing, door diezelfde landen, van bronbelasting op de genoemde rentebetalingen tegen het tarief dat is vastgesteld voor de overeenkomstige perioden bedoeld in artikel 11, lid 1, van de Richtlijn; |
4° instelling voor collectieve belegging in effecten : elke instelling voor collectieve belegging in effecten waaraan vergunning is verleend overeenkomstig de richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve beleggingen in effecten;
5° uiteindelijk gerechtigde : elke natuurlijke persoon die interestbetalingen ontvangt, of ten gunste van wie interestbetalingen zijn toegekend, tenzij deze aantoont dat de interesten niet te zijner gunste zijn ontvangen of toegekend;
6° uitbetalende instantie : elke marktdeelnemer die interesten uitbetaalt of een interestbetaling bewerkstelligt ten onmiddellijke gunste van de uiteindelijk gerechtigde, ongeacht of deze marktdeelnemer de debiteur is van het interestdragende schuldinstrument of de marktdeelnemer die door de debiteur of de uiteindelijk gerechtigde is belast met het uitbetalen van de interest of het bewerkstelligen van de interestbetaling.
Een in een lid-Staat gevestigde entiteit waaraan interesten worden uitbetaald of een interestbetaling wordt bewerkstelligd ten gunste van de uiteindelijk gerechtigde, wordt op het tijdstip van het verrichten of bewerkstelligen van die interestbetaling als uitbetalende instantie aangemerkt behalve indien de marktdeelnemer op basis van door de entiteit overgelegde officiële bewijsstukken redenen heeft om aan te nemen dat de entiteit :
a) | een rechtspersoon is, met uitzondering van de in artikel 4, lid 5, van de Richtlijn vermelde rechtspersonen, of |
b) | volgens de algemene belastingregels voor ondernemingen winstbelasting moet afdragen, of |
c) | een instelling voor collectieve belegging in effecten is. |
Tijdens de periode waarin de artikelen 3 tot 6 van toepassing zijn, wordt een marktdeelnemer die interesten betaalt of een interestbetaling bewerkstelligt aan een in het tweede lid bedoelde entiteit, als uitbetalende instantie aangemerkt in de plaats van die entiteit tenzij de entiteit formeel heeft aanvaard dat haar naam en adres alsmede het totale bedrag van de interestbetaling die aan haar is verricht of voor haar is bewerkstelligd, worden meegedeeld overeenkomstig § 3.
7° interestbetaling :
a) | interesten, uitbetaald of bijgeschreven op een rekening, die zijn terug te voeren op enigerlei schuldvordering, al dan niet gedekt door hypotheek of voorzien van een winstdelingsclausule, en met name de opbrengsten van overheidspapier en obligatieleningen, inclusief daaraan gehechte premies en prijzen; boete voor te late betaling wordt niet als interest aangemerkt; |
b) | interest die is aangegroeid of gekapitaliseerd op het moment van de verkoop, terugbetaling of aflossing van de onder a bedoelde schuldvorderingen; |
c) |
inkomsten uit betaling van interesten, hetzij rechtstreeks, hetzij via een in 6°, tweede lid, en § 3, eerste lid, bedoelde entiteit, uitgekeerd door :
|
d) |
inkomsten die zijn gerealiseerd bij de verkoop, terugbetaling of inkoop van aandelen of bewijzen van deelneming in de volgende instellingen en entiteiten, indien deze rechtstreeks of middellijk via andere hierna bedoelde instellingen voor collectieve belegging of entiteiten meer dan 40 pct. van hun vermogen beleggen in de onder a bedoelde schuldvorderingen :
|
§ 2. Het in § 1, 5°, bedoelde bewijs wordt geleverd, wanneer een natuurlijke persoon aantoont :
dat hij handelt als uitbetalende instantie in de zin van § 1, 6°, of
dat hij handelt namens een rechtspersoon, een entiteit waarvan de winst wordt belast volgens de algemene belastingregels voor ondernemingen, een instelling voor collectieve belegging in effecten of een in § 1, 6°, tweede lid, en § 3, eerste lid, bedoelde entiteit, en dat hij, in het laatstgenoemde geval, aan de marktdeelnemer die de interestbetaling verricht de naam en het adres van die entiteit bekendmaakt en bedoelde marktdeelnemer deze informatie op zijn beurt doorgeeft aan de administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen of
dat hij handelt namens een andere natuurlijke persoon die de uiteindelijk gerechtigde is en hij aan de uitbetalende instantie overeenkomstig artikel 4, § 1, derde lid, eerste streepje, de identiteit van die uiteindelijk gerechtigde bekendmaakt.
Indien de uitbetalende instantie beschikt over gegevens die doen vermoeden dat de natuurlijke persoon die een interestbetaling ontvangt of ten gunste van wie een interestbetaling wordt bewerkstelligd, niet de uiteindelijk gerechtigde is, en die persoon noch onder a noch onder b van het eerste lid valt, moet zij redelijke maatregelen nemen om de identiteit van de uiteindelijk gerechtigde vast te stellen volgens de regels vastgelegd in toepassing van artikel 4, § 1, derde lid, eerste streepje. Indien de uitbetalende instantie de uiteindelijk gerechtigde niet kan identificeren, behandelt zij de natuurlijke persoon in kwestie als de uiteindelijk gerechtigde.
§ 3. Een in België gevestigde marktdeelnemer die interest uitbetaalt of een interestbetaling bewerkstelligt voor een in een andere lid-Staat gevestigde entiteit als bedoeld in § 1, 6°, tweede lid, die op grond van dat tweede lid als uitbetalende instantie wordt aangemerkt, deelt aan de door de Koning aangeduide dienst de naam en het adres van de entiteit mee alsmede het totale bedrag van de interest die aan de entiteit is uitbetaald of van de betaling van interesten die voor de entiteit is bewerkstelligd. Die dienst geeft deze gegevens vervolgens door aan de bevoegde autoriteit van de lid-Staat waar de entiteit is gevestigd.
De in § 1, 6°, tweede lid, en in het eerste lid bedoelde entiteit heeft echter de mogelijkheid om voor de toepassing van deze titel te kiezen voor een behandeling als instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in § 1, 6°, tweede lid, c. Indien van deze keuzemogelijkheid gebruik wordt gemaakt, wordt door de lid-Staat waar de entiteit is gevestigd een verklaring afgegeven, welke door deze entiteit aan de marktdeelnemer overhandigd wordt.
De Koning stelt de nadere regels voor deze keuzemogelijkheid vast voor de in België gevestigde entiteiten.
Wanneer de marktdeelnemer en de in § 1, 6°, tweede lid, en in het eerste lid bedoelde entiteit in België zijn gevestigd, moet de entiteit de bepalingen van deze titel naleven wanneer deze als uitbetalende instantie handelt.
§ 4. Indien interest als omschreven in § 1, 7°, wordt uitbetaald aan, of bijgeschreven op een rekening op naam van een in § 1, 6°, tweede lid, en in § 3, eerste lid, bedoelde entiteit, en deze entiteit geen gebruik mag maken van de in § 3, tweede lid, bedoelde keuzemogelijkheid, wordt de uitbetaalde of bijgeschreven interest aangemerkt als een door deze entiteit verrichte interestbetaling.
In afwijking van § 1, 7°, c, worden de in die bepalingen bedoelde inkomsten die afkomstig zijn van in België gevestigde instellingen of entiteiten, van de definitie van interestbetaling uitgesloten wanneer beleggingen in schuldvorderingen als bedoeld in § 1, 7°, a, niet meer dan 15 pct. van het vermogen van de desbetreffende entiteiten uitmaken. Evenzeer wordt, in afwijking van het eerste lid, van de definitie van interestbetaling in § 1, 7°, uitgesloten de interest die is uitbetaald aan, of bijgeschreven op een rekening van een in § 1, 6°, tweede lid, en § 3, eerste lid, bedoelde entiteit, die geen gebruik mag maken van de in § 3, tweede lid, bedoelde keuzemogelijkheid, en die in België is gevestigd, wanneer de beleggingen van deze entiteiten in schuldvorderingen als bedoeld in § 1, 7°, a, niet meer dan 15 pct. van hun vermogen uitmaken.
Wat de in § 1, 7°, c en d, bedoelde inkomsten betreft, wordt, indien een uitbetalende instantie geen informatie heeft over het deel van de inkomsten dat uit interest bestaat, het volledige bedrag aan inkomsten als interest aangemerkt.
De in § 1, 7°, d, bedoelde inkomsten kunnen slechts als interest worden aangemerkt voorzover deze inkomsten rechtstreeks of middellijk afkomstig zijn van interesten in de zin van § 1, 7°, a en b.
Wat § 1, 7°, d, betreft, wordt, indien een uitbetalende instantie geen informatie heeft over het percentage van het vermogen dat is belegd in schuldvorderingen of in aandelen of bewijzen van deelneming als omschreven onder dat punt, dat percentage geacht meer dan 40 pct. te bedragen. Indien zij het bedrag van de door de uiteindelijk gerechtigde gerealiseerde inkomsten niet kan bepalen, worden de inkomsten geacht de opbrengst van de verkoop, aflossing of terugbetaling van de aandelen of bewijzen van deelneming te zijn.
Vanaf 1 januari 2011 wordt het percentage bedoeld in § 1, 7°, d, en in het vijfde lid 25 pct.
De in § 1, 7°, d, en in het tweede lid bedoelde percentages worden bepaald aan de hand van de beleggingspolitiek zoals die in het fondsreglement of de statuten van de betrokken instellingen of entiteiten is neergelegd en, bij ontstentenis daarvan, op basis van de feitelijke samenstelling van de beleggingsportefeuille van de instellingen of entiteiten.
Art. 4. § 1. Wanneer de uiteindelijk gerechtigde van de interesten woonachtig is in een andere lid-Staat, wordt een bronbelasting ingehouden door de uitbetalende instantie die in België is gevestigd, genaamd "woonstaatheffing", op de interesten die worden betaald of bijgeschreven.
Van de woonstaatheffing wordt 75 pct. overgedragen aan de woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde.
De Koning bepaalt :
- de modaliteiten van identificatie en van vaststelling van de woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde die door de uitbetalende instantie moeten worden toegepast;
- de modaliteiten van de overdracht van het deel van het geïnde bedrag dat aan de woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde toekomt.
§ 2. Het tarief van de woonstaatheffing wordt bepaald op :
- 15 pct. gedurende drie jaar te rekenen vanaf de in artikel 15, § 1, bedoelde datum van inwerkingtreding;
- 20 pct. gedurende de volgende drie jaar;
- en daarna 35 pct.
§ 3. Het in § 2 bedoelde tarief wordt toegepast op het bedrag van de interesten vóór inhouding van de in Titel VI, Hoofdstuk I, Afdeling III, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde roerende voorheffing.
De uitbetalende instantie houdt de woonstaatheffing op de volgende wijze in :
a) | in het geval van een interestbetaling in de zin van artikel 3, § 1, 7°, a : op de uitbetaalde of bijgeschreven interest; |
b) | in het geval van een interestbetaling in de zin van artikel 3, § 1, 7°, b of d : op het bedrag van de onder die punten bedoelde interest of inkomsten, of door een heffing van vergelijkbare omvang, ten laste van de ontvanger, op het totaalbedrag van de opbrengst van de verkoop, terugbetaling of aflossing; |
c) | in het geval van een interestbetaling in de zin van artikel 3, § 1, 7°, c : op het bedrag van de onder dat punt bedoelde inkomsten; |
d) | in het geval van een interestbetaling in de zin van artikel 3, § 4, eerste lid : op het interestbedrag dat toevalt aan elk van de leden van de in artikel 3, § 3, eerste lid, bedoelde entiteit die natuurlijke personen zijn en hun fiscale woonplaats in een andere lid-Staat hebben en die voldoen aan de voorwaarden van artikel 3, § 1, eerste lid, 5°, en § 2, eerste lid. |
Voor de toepassing van het bepaalde in het tweede lid, a en b, wordt de woonstaatheffing verricht naar rata van de periode dat de uiteindelijk gerechtigde houder van de schuldvordering was. Ingeval de uitbetalende instantie die periode niet kan vaststellen met de informatie waarover zij beschikt, gaat zij ervan uit dat de uiteindelijk gerechtigde over de gehele periode dat de vordering heeft bestaan, de houder ervan is geweest, tenzij hij de datum van verkrijging aantoont.
§ 4. Voorzover hiervan niet wordt afgeweken zijn de bepalingen van Titel VII van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 die van toepassing zijn op de roerende voorheffing, van toepassing op de in § 1, eerste lid, bedoelde woonstaatheffing.
Voor de toepassing van de artikelen 412 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en 85 van het KB/WIB 92, wordt de toekenning of betaalbaarstelling van de interesten waarvoor de woonstaatheffing overeenkomstig § 1, eerste lid, verschuldigd is door de uitbetalende instelling geacht plaats te vinden op de laatste dag van het trimester gedurende hetwelk ze zijn betaald of bijgeschreven op een rekening.
Art. 5. Indien de uiteindelijk gerechtigde aan de uitbetalende instantie een door de bevoegde autoriteit van zijn fiscale woonstaat op zijn naam gestelde verklaring voorlegt, wordt afgezien van de toepassing van artikel 4.
Die verklaring bevat ten minste de volgende gegevens :
- naam, adres en fiscaal identificatienummer of, bij ontstentenis van een dergelijk nummer, de geboorteplaats en -datum van de uiteindelijk gerechtigde;
- naam en adres van de uitbetalende instantie;
- rekeningnummer van de uiteindelijk gerechtigde of, bij ontstentenis van een dergelijk nummer, een eenduidige omschrijving van het schuldinstrument.
Onder "bevoegde autoriteit" wordt verstaan :
a) | voor de lidstaten : de autoriteiten die de lidstaten ter kennis van de Europese Commissie hebben gebracht; |
b) | voor derde landen-partners : de bevoegde autoriteit voor de toepassing van bilaterale of multilaterale belastingverdragen of, bij ontstentenis daarvan, een autoriteit die bevoegd is om een fiscale-woonplaatsverklaring af te geven. |
Art. 6. Zolang België de woonstaatheffing toepast en uiterlijk tot 31 december 2010 worden binnenlandse en internationale obligaties en andere verhandelbare schuldinstrumenten die voor het eerst zijn uitgegeven vóór 1 maart 2001 of waarvan het oorspronkelijke emissieprospectus vóór die datum is goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten van de Europese Unie of door de verantwoordelijke autoriteiten in de derde landen, niet aangemerkt als schuldvorderingen in de zin van artikel 3, § 1, 7°, a.
Indien België ook na 31 december 2010 nog een woonstaatheffing zou toepassen, dan blijven de bepalingen van dit artikel alleen van toepassing op die verhandelbare schuldinstrumenten :
- die clausules inzake het bruto bedrag (gross-up) en de vroegtijdige aflossing bevatten en
- wanneer de uitbetalende instantie gevestigd is in een lid-Staat die een heffing analoog aan de in artikel 4 bedoelde woonstaatheffing toepast en die uitbetalende instantie de interest rechtstreeks betaalt aan een uiteindelijk gerechtigde die zijn woonplaats in een andere lid-Staat heeft.
Indien op of na 1 maart 2002 een vervolgemissie plaatsvindt van één van de bovenvermelde verhandelbare schuldinstrumenten die zijn uitgegeven door een overheid of een gelijkgestelde entiteit, zoals die is opgenomen in de bijlage bij de Richtlijn, die als overheidsinstantie optreedt of waarvan de rol erkend is bij een internationaal verdrag, wordt de gehele emissie van dit schuldinstrument, bestaande uit oorspronkelijke emissie en vervolgemissies, aangemerkt als een schuldvordering in de zin van artikel 3, § 1, 7°, a.
Indien op of na 1 maart 2002 een vervolgemissie plaatsvindt van één van de bovenvermelde verhandelbare schuldinstrumenten, uitgegeven door een andere emittent die niet valt onder het bepaalde in het vorige lid, wordt deze nieuwe emissie aangemerkt als een schuldvordering in de zin van artikel 3, § 1, 7°, a.
Art. 7. § 1. Een aan de personenbelasting onderworpen rijksinwoner die als uiteindelijk gerechtigde in een andere lid-Staat interesten ontvangt, kan bij de administratie die bevoegd is voor de vestiging van de inkomstenbelastingen een verklaring vragen die de uitbetalende instantie moet toelaten geen bronheffing analoog aan de in artikel 4 bedoelde woonstaatheffing in te houden.
Die verklaring bevat tenminste de volgende gegevens :
- naam, adres en fiscaal identificatienummer of, bij ontstentenis van een dergelijk nummer, de geboorteplaats en -datum van de uiteindelijk gerechtigde;
- naam en adres van de uitbetalende instantie;
- rekeningnummer van de uiteindelijk gerechtigde of, bij ontstentenis van een dergelijk nummer, een eenduidige omschrijving van het schuldinstrument.
Een dergelijke verklaring is geldig voor drie jaar.
De verklaring wordt afgegeven aan elke uiteindelijk gerechtigde die daarom vraagt, binnen twee maanden nadat het desbetreffende verzoek is ingediend.
§ 2. Wanneer een aan de personenbelasting onderworpen rijksinwoner interesten heeft verkregen waarvoor wordt aangetoond dat die een heffing hebben ondergaan overeenkomstig de artikelen 10 tot 15 van de Richtlijn, wordt deze heffing verrekend met de personenbelasting. Het eventueel saldo wordt teruggestort indien het tenminste 2,50 EUR bedraagt.
Art. 8. Artikel 2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen door de wet van 10 augustus 2001, wordt aangevuld als volgt :
"10° Woonstaatheffing
Onder woonstaatheffing wordt verstaan de heffing die wordt geheven ingevolge de toepassing van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling of ingevolge de toepassing van een door de Europese Unie afgesloten overeenkomst die voorziet in de uitwisseling van gegevens op verzoek, in de zin van de op 18 april 2002 gepubliceerde modelovereenkomst van de OESO betreffende de uitwisseling van belastinggegevens met betrekking tot rentebetalingen als omschreven in de voornoemde richtlijn die door een op hun respectieve grondgebieden gevestigde uitbetalende instantie worden verricht aan uiteindelijk gerechtigden die hun woonplaats hebben op het grondgebied dat door deze richtlijn wordt bestreken, naast de gelijktijdige heffing, door diezelfde landen, van bronbelasting op de genoemde rentebetalingen tegen het tarief dat is vastgesteld voor de overeenkomstige perioden bedoeld in artikel 11, lid 1, van dezelfde richtlijn."
Art. 9. In artikel 22, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden "en met de fictieve roerende voorheffing" vervangen door de woorden, "met de fictieve roerende voorheffing en, in voorkomend geval, met de woonstaatheffing".
Art. 10. Artikel 37, tweede lid, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met de woorden "en, in voorkomend geval, de woonstaatheffing".
Art. 11. Artikel 286 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met de woorden "en, in voorkomend geval, van de woonstaatheffing".
Art. 12. Artikel 338 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
"Art. 338. - § 1. Behoudens de in artikel 338bis bedoelde gevallen, regelt dit artikel de wederzijdse bijstand tussen België en de lidstaten van de Europese Unie op het gebied van de inkomstenbelastingen.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
"Belgische bevoegde autoriteit" : de minister van Financiën of de persoon of instantie die door de minister van Financiën gemachtigd wordt tot het uitwisselen van inlichtingen met de bevoegde autoriteit van een andere lid-Staat van de Europese Unie;
"Staat" : een lidstaat van de Europese Unie;
"belasting" : de belasting naar het inkomen en het vermogen, zoals bepaald in artikel 1 van de richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen en heffingen op verzekeringspremies.
§ 3. De Belgische bevoegde autoriteit kan de bevoegde autoriteit van een andere Staat verzoeken haar de inlichtingen te verstrekken die van nut kunnen zijn voor de juiste vaststelling van de belasting voor een bepaald geval.
Indien de Belgische bevoegde autoriteit door de bevoegde autoriteit van een andere Staat wordt aangezocht om haar de inlichtingen te verstrekken die van nut kunnen zijn voor de juiste vaststelling van de belasting voor een bepaald geval, is de Belgische bevoegde autoriteit gehouden aan dit verzoek gevolg te geven, behalve wanneer blijkt dat de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat niet eerst de eigen gebruikelijke mogelijkheden voor het verkrijgen van deze inlichtingen heeft benut, die zij in de gegeven situatie had kunnen benutten zonder het risico te lopen het behalen van het beoogde resultaat in gevaar te brengen.
Om de in het vorige lid bedoelde inlichtingen te kunnen verstrekken, laat de Belgische bevoegde autoriteit zo nodig een onderzoek instellen.
Om de gevraagde inlichtingen te verkrijgen, gaat de Belgische bevoegde autoriteit, of de Belgische administratieve instantie waarop zij een beroep doet, op dezelfde wijze te werk als wanneer zij uit eigen beweging of op verzoek van een andere Belgische autoriteit een onderzoek instelt.
§ 4. De Belgische bevoegde autoriteit verstrekt, voor groepen van gevallen die in het kader van de in § 12 bedoelde procedure worden vastgesteld, regelmatig en zonder voorafgaand verzoek, alle inlichtingen die van nut kunnen zijn voor de juiste vaststelling van de belasting aan de bevoegde autoriteit van een andere Staat.
§ 5. De Belgische bevoegde autoriteit deelt, zonder voorafgaand verzoek, alle inlichtingen die van nut kunnen zijn voor de juiste vaststelling van de belasting, waarvan zij kennis draagt, mede aan de bevoegde autoriteit van iedere andere belanghebbende Staat, in de volgende situaties :
a) | de Belgische bevoegde autoriteit heeft redenen om te vermoeden dat in de andere Staat een abnormale vrijstelling of vermindering van belasting bestaat; |
b) | een belastingplichtige verkrijgt in België een vrijstelling of vermindering van belasting die voor hem een belastingheffing of verhoging van belasting in de andere Staat zou moeten meebrengen; |
c) | transacties tussen een Belgische belastingplichtige en een belastingplichtige van een andere Staat door tussenkomst van een vaste inrichting van die belastingplichtigen of door tussenkomst van één of meer derden, die zich in één of meer andere landen bevinden, zijn van die aard dat daardoor een belastingbesparing kan ontstaan in België, in de andere Staat of in beide Staten; |
d) | de Belgische bevoegde autoriteit heeft redenen om te vermoeden dat belastingbesparing in een andere Staat ontstaat door een kunstmatige verschuiving van winsten binnen groepen van ondernemingen; |
e) | in België komen, in verband met inlichtingen die door de bevoegde autoriteit van een andere Staat zijn verstrekt, gegevens naar voren die voor de vaststelling van de belasting in deze andere Staat van nut kunnen zijn. |
De Belgische bevoegde autoriteit kan, in het kader van de in § 12 bedoelde overlegprocedure, de in het eerste lid bedoelde uitwisseling van inlichtingen tot andere dan de daar omschreven situaties uitbreiden.
De Belgische bevoegde autoriteit kan in alle andere gevallen aan de andere Staten de inlichtingen die van nut kunnen zijn voor de juiste vaststelling van de belasting, waarvan zij kennis draagt, zonder voorafgaand verzoek verstrekken.
§ 6. De Belgische bevoegde autoriteit verstrekt de in de §§ 2 tot 5 bedoelde inlichtingen zo spoedig mogelijk. Als het verstrekken van deze inlichtingen op belemmeringen stuit of wordt geweigerd, deelt de Belgische bevoegde autoriteit dit onverwijld mede aan de bevoegde autoriteit van de andere Staat, onder vermelding van de aard van de belemmeringen of de redenen van de weigering.
§ 7. Voor de toepassing van de voorgaande bepalingen kunnen de Belgische bevoegde autoriteit en de bevoegde autoriteit van de Staat waarvoor de inlichtingen zijn bestemd, in het kader van de in § 12 bedoelde overlegprocedure, overeenkomen dat ambtenaren van de belastingadministratie van de andere Staat op het Belgische grondgebied aanwezig mogen zijn. De wijze waarop deze bepaling wordt toegepast, wordt in het kader van de bedoelde overlegprocedure vastgesteld.
§ 8. Alle inlichtingen waarover de Belgische Staat uit hoofde van dit artikel beschikt, worden op dezelfde wijze geheim gehouden als de gegevens die hij verkrijgt uit hoofde van zijn wetgeving. Hoe dan ook mogen deze inlichtingen :
- alleen aan die personen ter kennis worden gebracht die bij de vaststelling van de belasting of bij de administratieve controle in verband met de vaststelling van de belasting rechtstreeks betrokken zijn;
- alleen worden onthuld in gerechtelijke procedures of in procedures waarbij administratieve sancties worden toegepast, die zijn ingesteld met het oog op of in verband met de vaststelling van of de controle inzake de vaststelling van de belasting, en alleen aan die personen die rechtstreeks bij deze procedures betrokken zijn; deze inlichtingen mogen echter tijdens openbare rechtszittingen of bij rechterlijke uitspraken worden vermeld, indien de bevoegde autoriteit van de Staat die de inlichtingen verstrekt daar geen bezwaar tegen maakt op het moment dat zij de inlichtingen in eerste instantie verstrekt;
- in geen geval worden gebruikt voor andere doeleinden dan fiscale doeleinden of gerechtelijke procedures of procedures waarbij administratieve sancties worden toegepast, die zijn ingesteld met het oog op of in verband met de vaststelling van of de controle inzake de vaststelling van de belasting.
Evenwel, indien de wetgeving of de administratieve praktijk voor nationale doeleinden een verdergaande geheimhoudingsplicht bevat, dan is de Belgische bevoegde autoriteit niet gehouden tot het verstrekken van inlichtingen indien de Staat waarvoor deze zijn bestemd zich niet verbindt deze verdergaande geheimhoudingsplicht in acht te nemen.
De Belgische bevoegde autoriteit kan evenwel toestaan dat in de Staat die de inlichtingen ontvangt, deze ook voor andere doeleinden worden gebruikt, indien de Belgische wetgeving in België een gelijksoortig gebruik onder overeenkomstige omstandigheden toestaat.
Wanneer de Belgische bevoegde autoriteit van mening is dat de inlichtingen die zij van de bevoegde autoriteit van een andere Staat heeft ontvangen, van nut kunnen zijn voor de bevoegde autoriteit van een derde Staat, kan zij de betrokken inlichtingen aan deze laatste doorgeven mits toestemming van de bevoegde autoriteit die de inlichtingen heeft verstrekt. Wanneer de bevoegde autoriteit van een Staat van mening is dat de inlichtingen die zij van de Belgische bevoegde autoriteit heeft ontvangen, van nut kunnen zijn voor de bevoegde autoriteit van een derde Staat, kan de Belgische bevoegde autoriteit ermee instemmen dat die inlichtingen aan die Staat worden doorgegeven.
§ 9. Dit artikel verplicht de Belgische Staat niet tot het instellen van een onderzoek of het verstrekken van inlichtingen wanneer de wetgeving of de bestuurlijke praktijk niet toestaat een zodanig onderzoek in te stellen of de gevraagde inlichtingen in te winnen.
Het verstrekken van inlichtingen kan worden geweigerd indien dit zou leiden tot de onthulling van een bedrijfs-, nijverheids-, handels- of beroepsgeheim of van een fabrieks- of handelswerkwijze of van gegevens waarvan de onthulling in strijd zou zijn met de openbare orde.
De Belgische bevoegde autoriteit kan weigeren informatie over te dragen wanneer de verzoekende Staat op feitelijke of juridische gronden niet in staat is gelijksoortige inlichtingen te verstrekken.
§ 10. De Belgische bevoegde autoriteit stelt, op verzoek van de bevoegde autoriteit van een andere Staat, de geadresseerde in kennis van alle akten en beslissingen die zijn uitgevaardigd door de administratieve autoriteiten in de verzoekende Staat welke betrekking hebben op de toepassing van de wetgeving betreffende de belasting op zijn grondgebied.
In het verzoek tot kennisgeving worden de naam en het adres van de geadresseerde vermeld, evenals alle overige informatie op basis waarvan de geadresseerde gemakkelijker achterhaald kan worden, en de akte of de beslissing waarvan de geadresseerde op de hoogte gesteld moet worden.
De kennisgeving gebeurt overeenkomstig de Belgische juridische voorschriften met betrekking tot de kennisgeving van gelijksoortige akten.
De Belgische bevoegde autoriteit brengt de verzoekende autoriteit van de andere Staat onverwijld op de hoogte van het gevolg dat aan het verzoek tot kennisgeving is gegeven en van de datum waarop de akte of de beslissing ter kennis is gebracht.
§ 11. Wanneer de situatie van één of meer belastingplichtigen van gezamenlijk of complementair belang is voor de Belgische Staat en één of meer Staten, kan de Belgische bevoegde autoriteit met de bevoegde autoriteit van een andere Staat of van andere Staten overeenkomen elk op het grondgebied van haar eigen Staat gelijktijdige controles uit te voeren om de aldus verkregen informatie uit te wisselen, wanneer dergelijke controles doeltreffender worden geacht dan controles door slechts één Staat.
De Belgische bevoegde autoriteit stelt op onafhankelijke wijze vast welke belastingplichtigen zij aan een gelijktijdige controle wil onderwerpen. Zij stelt de bevoegde autoriteit van elke andere betrokken Staat op de hoogte van de dossiers die naar haar mening in aanmerking komen voor een gelijktijdige controle. Zij motiveert haar keuze zoveel mogelijk door de informatie te verstrekken die tot deze keuze heeft geleid. Zij geeft aan binnen welke termijn dergelijke controles moeten worden uitgevoerd.
Wanneer de Belgische bevoegde autoriteit geadieerd wordt omtrent een verzoek tot gelijktijdige controle, neemt ze een besluit over deelname aan die controle. Ze bevestigt de bevoegde autoriteit van wie het verzoek uitgaat of ze de uitvoering van deze controle aanvaardt, dan wel met opgave van redenen afwijst.
De Belgische bevoegde autoriteit wijst een vertegenwoordiger aan die verantwoordelijk is voor de leiding en de coördinatie van de controle.
§ 12. Met het oog op de toepassing van de bepalingen van dit artikel neemt de Belgische bevoegde autoriteit, in voorkomend geval in een comité, deel aan overleg tussen :
- de Belgische bevoegde autoriteit en de bevoegde autoriteit van een andere Staat, op verzoek van de bevoegde autoriteit van één van beide Staten, wanneer het gaat om bilaterale kwesties;
- de Belgische bevoegde autoriteit, de bevoegde autoriteit van de andere Staten en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, op verzoek van de bevoegde autoriteit van één of meerdere Staten of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wanneer het niet om uitsluitend bilaterale kwesties gaat.
De Belgische bevoegde autoriteit kan rechtstreeks met de bevoegde autoriteit van één of meerdere Staten in contact treden. De Belgische bevoegde autoriteit kan, in onderling overleg met de bevoegde autoriteit van één of meerdere Staten, autoriteiten die zij aanwijst, toestaan rechtstreeks met elkaar in contact te treden voor de behandeling van bepaalde gevallen of groepen van gevallen.
Wanneer de Belgische bevoegde autoriteit met de bevoegde autoriteit van een andere Staat een bilaterale regeling heeft getroffen inzake onderwerpen met betrekking tot de belasting, met uitzondering van de regeling van een bijzonder geval, stelt zij, samen met de bevoegde autoriteit van de andere Staat, de Commissie van de Europese Gemeenschappen daarvan zo spoedig mogelijk in kennis.
§ 13. De Belgische bevoegde autoriteit onderwerpt samen met de bevoegde autoriteit van de andere Staten en de Commissie van de Europese Gemeenschappen de in dit artikel omschreven samenwerking aan een voortdurend onderzoek. De Belgische bevoegde autoriteit stelt de bevoegde autoriteit van de andere Staten en de Commissie van de Europese Gemeenschappen in kennis van de opgedane ervaringen, teneinde de samenwerking te verbeteren en eventueel regelingen uit te werken.
§ 14. De voorafgaande bepalingen doen geen afbreuk aan de uitvoering van verdergaande verplichtingen tot uitwisseling van inlichtingen welke voortvloeien uit andere rechtsvoorschriften dan de richtlijn 77/799/EEG, zoals die laatstelijk gewijzigd is bij de richtlijnen 2004/56/EG van de Raad van 21 april 2004 en 2004/106/EG van de Raad van 16 november 2004."
Art. 13. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 338bis ingevoegd, luidende :
"Art. 338bis. § 1. Dit artikel regelt de uitwisseling van gegevens in het kader van de wet van 17 mei 2004 tot omzetting in het Belgisch recht van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing.
§ 2. Wanneer de uiteindelijk gerechtigde van interesten woonachtig is in een andere lid-Staat, verstrekt de uitbetalende instantie aan de administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen de door de Koning vastgestelde gegevens.
De administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen wisselt de in het eerste lid bedoelde gegevens uit met de bevoegde autoriteit van de woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde.
De gegevensuitwisseling gebeurt automatisch en ten minste eenmaal per jaar, binnen zes maanden na afloop van elk kalenderjaar, voor alle gedurende dat jaar verrichte betalingen van interesten. De Koning legt de modaliteiten van die uitwisseling vast.
Voor toepassing van dit artikel bepaalt de Koning :
- wat moet worden verstaan onder uiteindelijk gerechtigde, interesten en uitbetalende instantie;
- de modaliteiten volgens dewelke de identificatie en de woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde worden vastgelegd.
§ 3. Gelijkaardige inlichtingen als bedoeld in § 2 die van de bevoegde autoriteit van andere lid-Staten worden verkregen, mogen door de administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen worden gebruikt voor de juiste vaststelling van de inkomstenbelastingen.
§ 4. Artikel 318 is niet van toepassing op de uitwisseling van inlichtingen die wordt geregeld door de §§ 2 en 3."
Art. 14. Titel VII, Hoofdstuk X "Strafbepalingen", van hetzelfde Wetboek is van toepassing op de artikelen 3 tot 6 en hun uitvoeringsbesluiten.
Art. 15. § 1. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de inwerkingtreding van deze titel met uitzondering van de in de §§ 1bis en 2 bedoelde bepalingen.
§ 1bis. Artikel 12 van deze wet treedt in werking de dag waarop de wet van 20 juni 2005 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen inzake de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen en heffingen op verzekeringspremies, in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
§ 2. Artikel 338bis, § 2, eerste tot derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zoals het wordt ingevoegd door artikel 13 van deze wet en gewijzigd bij de wet van 20 juni 2005 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen inzake de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lid-Staten op het gebied van de directe belastingen en heffingen op verzekeringspremies, treedt in werking op de vroegste van de volgende data :
1° de datum die de Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, vanaf dewelke de artikelen 3 tot 6 van deze wet worden opgeheven;
2° 1 januari van het eerste volledige belastbaar tijdperk volgend op wat het laatst in datum is :
- de datum van inwerkingtreding van een overeenkomst tussen de Europese Unie, bij een met eenparigheid van stemmen genomen besluit van de Raad, en de Zwitserse Confederatie, het Prinsdom Liechtenstein, de Republiek San Marino, het Prinsdom Monaco en het Prinsdom Andorra, die voorziet in de uitwisseling van gegevens op verzoek, in de zin van de op 18 april 2002 gepubliceerde modelovereenkomst van de OESO betreffende de uitwisseling van belastinggegevens met betrekking tot rentebetalingen als omschreven in de in artikel 2 van deze wet bedoelde Richtlijn die door een op hun respectieve grondgebieden gevestigde uitbetalende instantie worden verricht aan uiteindelijk gerechtigden die hun woonplaats hebben op het grondgebied dat door de genoemde Richtlijn wordt bestreken, naast de gelijktijdige heffing, door diezelfde landen, van bronbelasting op de genoemde rentebetalingen tegen het tarief dat is vastgesteld voor de overeenkomstige perioden als bedoeld in artikel 11, lid 1, van dezelfde Richtlijn;
- de datum waarop de Raad het er unaniem over eens is dat de Verenigde Staten van Amerika zich heeft verplicht tot de uitwisseling van gegevens op verzoek, in de zin van de OESO-modelovereenkomst met betrekking tot de rentebetalingen als omschreven in de in artikel 2 van deze wet bedoelde Richtlijn die door een op zijn grondgebied gevestigde uitbetalende instantie worden verricht aan uiteindelijk gerechtigden die hun woonplaats hebben op het grondgebied dat door de genoemde Richtlijn wordt bestreken.
TITEL III. - Wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
inzake de roerende voorheffing
Art. 16. Artikel 261 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij de wetten van 4 april 1995 en van 22 december 1998, wordt aangevuld met het volgende lid :
inzake de roerende voorheffing
Art. 16. Artikel 261 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij de wetten van 4 april 1995 en van 22 december 1998, wordt aangevuld met het volgende lid :
"In afwijking van het eerste lid, 2°, worden kredietinstellingen en beursvennootschappen niet als tussenpersonen aangemerkt wanneer zij inkomsten als bedoeld in het genoemde eerste lid, 2°, betalen aan een in België gevestigde kredietinstelling, beursvennootschap of verrekenings- of vereffeningsinstelling die deze hoedanigheid verantwoordt."
Art. 17. De Koning bepaalt de inwerkingtreding van deze titel.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 17 mei 2004.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Financiën,
D. REYNDERS
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
________________
RICHTLIJN 2003/48/EG VAN DE RAAD van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling
[PB L 157 van 26.6.2003, blz. 38 (Rectificatie PB L 121 van 13.5.2005, blz. 90.]
[PB L 157 van 26.6.2003, blz. 38 (Rectificatie PB L 121 van 13.5.2005, blz. 90.]
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 94,
Gezien het voorstel van de Commissie,
[PB C 270 E van 25.9.2001, blz. 259.]
Gezien het advies van het Europees Parlement,
[PB C 47 E van 27.2.2003, blz. 553.]
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,
[PB C 48 van 21.2.2002, blz. 55.]
Overwegende hetgeen volgt :
(1) De artikelen 56 tot en met 60 van het Verdrag waarborgen het vrije verkeer van kapitaal.
(2) Inkomsten uit spaargelden in de vorm van rente uit hoofde van schuldvorderingen zijn belastbare inkomsten voor de ingezetenen van alle lidstaten.
(3) Krachtens artikel 58, lid 1, van het Verdrag hebben de lidstaten het recht de terzake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd, en het recht alle nodige maatregelen te nemen om overtredingen van de nationale wetten en voorschriften tegen te gaan, met name op fiscaal gebied.
(4) De bepalingen van de belastingwetgeving van de lidstaten ter bestrijding van misbruik en fraude mogen volgens artikel 58, lid 3, van het Verdrag geen middel tot willekeurige discriminatie vormen, noch een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer en betalingsverkeer als omschreven in artikel 56 van het Verdrag.
(5) Bij gebreke van een coördinatie van de nationale belastingregelingen voor inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling, in het bijzonder wat de behandeling van door niet-ingezetenen ontvangen rente betreft, kunnen de ingezetenen van de lidstaten zich thans in de lidstaat waar zij woonachtig zijn vaak onttrekken aan elke vorm van belastingheffing op rente die zij in een andere lidstaat ontvangen.
(6) Dit leidt tot verstoringen in het kapitaalverkeer tussen de lidstaten die onverenigbaar zijn met de interne markt.
(7) Voor deze richtlijn is voortgebouwd op de consensus die is bereikt tijdens de bijeenkomst van de Europese Raad van Santa Maria da Feira van 19 en 20 juni 2000 en de daaropvolgende zittingen van de Raad Ecofin van 26 en 27 november 2000, 13 december 2001 en 21 januari 2003.
(8) Het uiteindelijke doel van deze richtlijn is mogelijk te maken dat inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling die in een lidstaat wordt verricht aan uiteindelijk gerechtigden die een natuurlijke persoon zijn en hun woonplaats in een andere lidstaat hebben, effectief worden belast overeenkomstig het nationale recht van de laatstgenoemde lidstaat.
(9) Het doel van deze richtlijn kan het best worden bereikt door haar toe te spitsen op de rentebetalingen die in de lidstaten gevestigde marktdeelnemers verrichten of bewerkstelligen ten gunste van uiteindelijk gerechtigden die een natuurlijke persoon zijn en hun woonplaats in een andere lidstaat hebben.
(10) De doelstelling van deze richtlijn kan beter op Gemeenschapsniveau worden nagestreefd, omdat deze doelstelling bij gebreke van een coördinatie van de nationale regelingen voor de belasting van inkomsten uit spaargelden, niet voldoende door de lidstaten zelf kan worden verwezenlijkt en de Gemeenschap daarom overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, als verwoord in artikel 5 van het Verdrag, de nodige maatregelen kan nemen. Deze richtlijn beperkt zich, overeenkomstig het in dat artikel vastgelegde evenredigheidsbeginsel, tot het minimum dat voor het bereiken van deze doelstelling vereist is en gaat niet verder dan wat voor de verwezenlijking daarvan nodig is.
(11) De uitbetalende instantie is de marktdeelnemer die rente betaalt of de rentebetaling bewerkstelligt ten gunste van de uiteindelijk gerechtigde.
(12) Bij het definiëren van de begrippen "rentebetaling" en "uitbetalende instantie" dient in voorkomend geval te worden verwezen naar Richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's).
[PB L 375 van 31.12.1985, blz. 3 Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/108/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 41 van 13.2.2002, blz. 35.]
(13) De werkingssfeer van deze richtlijn moet worden beperkt tot belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rente uit hoofde van schuldvorderingen; vraagstukken in verband met de fiscale behandeling van, onder meer, pensioenen en verzekeringsuitkeringen vallen buiten de werkingssfeer van deze richtlijn.
(14) Het uiteindelijke doel van de richtlijn, namelijk het mogelijk maken van een effectieve belastingheffing op rentebetalingen in de fiscale woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde, kan worden verwezenlijkt door de uitwisseling van informatie over rentebetalingen tussen de lidstaten.
(15) Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe en de indirecte belastingen, verschaft de lidstaten al een basis voor het uitwisselen van informatie voor fiscale doeleinden betreffende de onder deze richtlijn vallende inkomsten. De richtlijn dient van toepassing te blijven op dergelijke uitwisselingen van informatie in aanvulling op de onderhavige richtlijn voorzover de onderhavige richtlijn niet van eerstgenoemde richtlijn afwijkt.
[PB L 336 van 27.12.1997, blz. 15 Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994.]
(16) De automatische uitwisseling tussen de lidstaten van informatie over de in deze richtlijn bedoelde rentebetalingen maakt een effectieve belastingheffing mogelijk op die rentebetalingen in de fiscale woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde overeenkomstig het nationale recht van die staat. Derhalve moet worden bepaald dat de lidstaten die ingevolge het bepaalde in deze richtlijn informatie uitwisselen, geen gebruik mogen maken van de in artikel 8 van Richtlijn 77/799/EEG vermelde mogelijkheid om de uitwisseling van informatie te begrenzen.
(17) Vanwege structurele verschillen kunnen Oostenrijk, België en Luxemburg de automatische uitwisseling van informatie niet tegelijkertijd met de andere lidstaten toepassen. Aangezien een bronbelasting een minimumniveau van effectieve belastingheffing kan waarborgen, vooral tegen een tarief dat geleidelijk oploopt tot 35 %, dienen deze lidstaten gedurende een overgangsperiode een bronbelasting te heffen op onder deze richtlijn vallende inkomsten uit spaargelden.
(18) Teneinde verschillen in behandeling te voorkomen, dienen Oostenrijk, België en Luxemburg niet te worden verplicht automatische uitwisseling van informatie toe te passen voordat de Zwitserse Bondsstaat, het Vorstendom Andorra, het Vorstendom Liechtenstein, het Vorstendom Monaco en de Republiek San Marino ervoor zorgen dat op verzoek effectief informatie betreffende rentebetalingen wordt uitgewisseld.
(19) Deze lidstaten dienen het grootste deel van de opbrengst van deze bronbelasting over te dragen aan de woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde van de rente.
(20) Deze lidstaten dienen te voorzien in een procedure die het de uiteindelijk gerechtigden met fiscale woonplaats in een andere lidstaat mogelijk maakt de heffing van deze bronbelasting te voorkomen door hun uitbetalende instantie te machtigen tot renseignering van de rentebedragen of door het overleggen van een verklaring die is afgegeven door de bevoegde autoriteit van hun fiscale woonstaat.
(21) De fiscale woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde moet ervoor zorgen dat dubbele belastingheffing op rentebetalingen als gevolg van de overeenkomstig de procedures van deze richtlijn toegepaste bronheffing wordt uitgesloten. De fiscale woonstaat dient daartoe de bronheffing te verrekenen met de op zijn grondgebied verschuldigde belasting en, in voorkomend geval, het bedrag dat teveel is ingehouden, aan de uiteindelijk gerechtigde terug te betalen; de fiscale woonstaat mag echter in plaats van dit verrekeningsmechanisme toe te passen de ingehouden belasting terugbetalen.
(22) Ter voorkoming van marktverstoringen dient deze richtlijn tijdens de overgangsperiode niet te gelden voor rentebetalingen op bepaalde verhandelbare schuldinstrumenten.
(23) Deze richtlijn belet de lidstaten niet om naast de in deze richtlijn bedoelde bronbelasting ook andere typen bronbelasting te heffen op rentebaten die op hun grondgebied zijn verworven.
(24) Zolang de Verenigde Staten van Amerika, Zwitserland, Andorra, Liechtenstein, Monaco, San Marino en de betrokken afhankelijke of geassocieerde gebieden van de lidstaten niet ieder gelijkwaardige of dezelfde maatregelen toepassen als de maatregelen waarin deze richtlijn voorziet, zou kapitaalvlucht naar die landen en gebieden de verwezenlijking van de doelstellingen van de richtlijn in gevaar kunnen brengen. Deze richtlijn dient derhalve van kracht te worden vanaf de datum waarop alle genoemde landen en gebieden dergelijke maatregelen toepassen.
(25) De Commissie dient om de drie jaar verslag uit te brengen over de uitvoering van deze richtlijn en de Raad de wijzigingen voor te stellen die noodzakelijk blijken voor het beter garanderen van een effectieve belastingheffing op inkomsten uit spaargelden en voor het uit de weg ruimen van ongewenste concurrentieverstoringen.
(26) In deze richtlijn zijn de grondrechten en beginselen in acht genomen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend,
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD :
HOOFDSTUK I
INLEIDENDE BEPALINGEN
Artikel 1
Doel
Artikel 1
Doel
1. Uiteindelijk doel van deze richtlijn is het mogelijk te maken dat inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling die in een lidstaat wordt verricht aan uiteindelijk gerechtigden die een natuurlijke persoon zijn en hun fiscale woonplaats in een andere lidstaat hebben, effectief worden belast overeenkomstig het nationale recht van de laatstgenoemde lidstaat.
2. De lidstaten zien erop toe dat de op hun grondgebied gevestigde uitbetalende instanties de voor de uitvoering van de richtlijn noodzakelijke taken uitvoeren, ongeacht de vestigingsplaats van de debiteur van de rentedragende schuldvordering.
Artikel 2
Definitie van uiteindelijk gerechtigde
Definitie van uiteindelijk gerechtigde
1. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder "uiteindelijk gerechtigde" verstaan elke natuurlijke persoon die een rentebetaling ontvangt, of ten gunste van wie een rentebetaling wordt bewerkstelligd, tenzij deze aantoont dat de rentebetaling niet te zijner gunste is ontvangen of bewerkstelligd is. Dit betekent :
dat hij handelt als uitbetalende instantie in de zin van artikel 4, lid 1; of
dat hij handelt namens een rechtspersoon, een entiteit waarvan de winst wordt belast volgens de algemene belastingregels voor ondernemingen, een icbe waaraan vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 85/611/EEG, of een entiteit als bedoeld in artikel 4, lid 2, van deze richtlijn, en dat hij, in het laatstgenoemde geval, aan de marktdeelnemer die de rentebetaling verricht de naam en het adres van die entiteit bekendmaakt en bedoelde marktdeelnemer deze informatie op zijn beurt doorgeeft aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar hij is gevestigd; of
dat hij handelt namens een andere natuurlijke persoon die de uiteindelijk gerechtigde is en hij aan de uitbetalende instantie overeenkomstig artikel 3, lid 2, de identiteit van die uiteindelijk gerechtigde bekendmaakt.
2. Indien de uitbetalende instantie beschikt over gegevens die doen vermoeden dat de natuurlijke persoon die een rentebetaling ontvangt of ten gunste van wie een rentebetaling wordt bewerkstelligd, niet de uiteindelijk gerechtigde is, en die persoon noch onder a) noch onder b) van lid 1 valt, moet zij redelijke maatregelen nemen om de identiteit van de uiteindelijk gerechtigde vast te stellen, overeenkomstig artikel 3,
lid 2. Indien de uitbetalende instantie de uiteindelijk gerechtigde niet kan identificeren, behandelt zij de natuurlijke persoon in kwestie als de uiteindelijk gerechtigde.
Artikel 3
Identiteit en woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde
Identiteit en woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde
1. Voor de toepassing van de artikelen 8 tot en met 12 bepaalt elke lidstaat de procedures die nodig zijn om de uitbetalende instantie in staat te stellen de identiteit en woonplaats van de uiteindelijk gerechtigden vast te stellen en draagt de lidstaat zorg voor de toepassing van deze procedures binnen zijn grondgebied.
Deze procedures voldoen aan de minimumnormen als vastgesteld in de leden 2 en 3.
2. De uitbetalende instantie stelt de identiteit van de uiteindelijk gerechtigde vast op basis van minimumnormen die verschillen naar gelang van de aanvang van de betrekkingen tussen de uitbetalende instantie en de ontvanger van de rente :
a) |
voor contractuele betrekkingen die zijn aangegaan vóór 1 januari 2004, stelt de uitbetalende instantie de identiteit vast van de uiteindelijk gerechtigde, bestaande uit diens naam en adres, aan de hand van de informatie waarover zij beschikt, met name ter uitvoering van de geldende voorschriften in de lidstaat van vestiging en van Richtlijn 91/308/EEG van de Raad van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld;
[PB L 166 van 28.6.1991, blz. 77 Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/91/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 344 van 28.12.2001, blz. 76).]
|
b) | voor contractuele betrekkingen die zijn aangegaan of voor transacties die, bij ontstentenis van contractuele betrekkingen, zijn verricht op of na 1 januari 2004, bepaalt de uitbetalende instantie de identiteit van de uiteindelijk gerechtigde, bestaande uit naam, adres, en indien dat bestaat, het hem door de fiscale woonstaat toegekende fiscaal identificatienummer. Deze elementen worden bepaald op basis van het paspoort of de officiële identiteitskaart die door de uiteindelijk gerechtigde wordt overgelegd. Indien het adres niet vermeld is in dat paspoort of in die officiële identiteitskaart, wordt het adres bepaald op basis van ieder bewijsstuk dat door de uiteindelijk gerechtigde wordt overgelegd. Indien het fiscaal identificatienummer niet vermeld is in het paspoort, in de officiële identiteitskaart of in enig ander bewijsstuk dat door de uiteindelijk gerechtigde wordt overgelegd, waaronder eventueel een fiscale-woonplaatsverklaring, wordt de identiteit aangevuld met de vermelding van diens geboorteplaats en -datum zoals vermeld in het paspoort of de officiële identiteitskaart. |
3. De uitbetalende instantie bepaalt de woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde op basis van de minimumnormen, die verschillen naar gelang van de aanvang van de betrekkingen tussen de uitbetalende instantie en de gerechtigde van de rente. Behoudens hetgeen volgt, wordt als woonplaats aangemerkt de plaats waar de uiteindelijk gerechtigde zijn vaste adres heeft :
a) | voor contractuele betrekkingen die vóór 1 januari 2004 zijn aangegaan, stelt de uitbetalende instantie de woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde vast aan de hand van de informatie waarover zij beschikt, met name ter uitvoering van de geldende voorschriften in de lidstaat van vestiging en van Richtlijn 91/308/EEG; |
b) | voor contractuele betrekkingen die zijn aangegaan of transacties die bij ontstentenis van contractuele betrekkingen zijn verricht op of na 1 januari 2004, stelt de uitbetalende instantie de woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde vast op basis van het adres dat vermeld staat in het paspoort of op de officiële identiteitskaart of zo nodig op basis van enig ander door de uiteindelijk gerechtigde overgelegd bewijsstuk, volgens de volgende procedure : van natuurlijke personen die een door een lidstaat uitgereikt paspoort of officiële identiteitskaart overleggen en die verklaren ingezetene van een derde land te zijn, wordt de woonplaats vastgesteld op basis van een fiscale-woonplaatsverklaring die is afgegeven door de bevoegde autoriteit van het derde land waarvan de natuurlijke persoon verklaart ingezetene te zijn. Wordt een dergelijke verklaring niet overgelegd, dan wordt de natuurlijke persoon geacht zijn woonplaats te hebben in de lidstaat die het paspoort of enig ander officieel identiteitsdocument heeft uitgereikt. |
Artikel 4
Definitie van uitbetalende instantie
Definitie van uitbetalende instantie
1. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder "uitbetalende instantie" verstaan elke marktdeelnemer die rente uitbetaalt of een rentebetaling bewerkstelligt ten onmiddellijke gunste van de uiteindelijk gerechtigde, ongeacht of deze marktdeelnemer de debiteur is van het rentedragende schuldinstrument of de marktdeelnemer die door de debiteur of de uiteindelijk gerechtigde is belast met het uitbetalen van de rente of het bewerkstelligen van de rentebetaling.
2. Een in een lidstaat gevestigde entiteit waaraan rente wordt uitbetaald of een rentebetaling wordt bewerkstelligd ten gunste van de uiteindelijk gerechtigde, wordt op het tijdstip van het verrichten of bewerkstelligen van die rentebetaling eveneens als uitbetalende instantie aangemerkt. Deze bepaling is niet van toepassing indien de marktdeelnemer op basis van door de entiteit overgelegde officiële bewijsstukken redenen heeft om aan te nemen dat de entiteit :
a) | een rechtspersoon is, met uitzondering van de in lid 5 vermelde rechtspersonen, of |
b) | volgens de algemene belastingregels voor ondernemingen winstbelasting moet afdragen, of |
c) | een overeenkomstig Richtlijn 85/611/EEG vergunninghoudende beschikkende icbe is. |
Een marktdeelnemer die rente uitbetaalt of een rentebetaling bewerkstelligt voor een dergelijke in een andere lidstaat gevestigde entiteit die op grond van dit lid als uitbetalende instantie wordt aangemerkt, deelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar zij is gevestigd de naam en het adres van de entiteit mee alsmede het totale bedrag van de rente die aan de entiteit is uitbetaald of de rentebetaling die voor de entiteit is bewerkstelligd. Bedoelde bevoegde autoriteit geeft deze gegevens vervolgens door aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de entiteit is gevestigd.
3. De in lid 2 bedoelde entiteit heeft echter de mogelijkheid om voor de toepassing van deze richtlijn te kiezen voor een behandeling als icbe als bedoeld in lid 2, onder c). Indien van deze keuzemogelijkheid gebruik wordt gemaakt, wordt door de lidstaat waar de entiteit is gevestigd een verklaring afgegeven, welke door deze entiteit aan de marktdeelnemer overhandigd wordt.
De lidstaten stellen nadere voorschriften voor deze keuzemogelijkheid vast voor de op hun grondgebied gevestigde entiteiten.
4. Wanneer de marktdeelnemer en de in lid 2 bedoelde entiteit in dezelfde lidstaat zijn gevestigd, ziet de lidstaat in kwestie erop toe dat de entiteit de bepalingen van deze richtlijn naleeft wanneer deze als uitbetalende instantie handelt.
5. De van de toepassing van lid 2, onder a), uitgesloten rechtspersonen zijn:
in Finland : avoin yhtiö (Ay) et kommandiittiyhtiö (Ky)/öppet bolag et kommanditbolag;
in Zweden : handelsbolag (HB) et kommanditbolag (KB).
Artikel 5
Definitie van bevoegde autoriteit
Definitie van bevoegde autoriteit
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder "bevoegde autoriteit" verstaan :
a) | voor de lidstaten : de autoriteiten die de lidstaten ter kennis van de Commissie hebben gebracht; |
b) | voor derde landen : de bevoegde autoriteit voor de toepassing van bilaterale of multilaterale belastingverdragen of, bij ontstentenis daarvan, een autoriteit die bevoegd is om een fiscale-woonplaatsverklaring af te geven. |
Artikel 6
Definitie van rentebetaling
Definitie van rentebetaling
1. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder "rentebetaling" verstaan :
a) | rente, uitbetaald of bijgeschreven op een rekening, die is terug te voeren op enigerlei schuldvordering, al dan niet gedekt door hypotheek of voorzien van een winstdelingsclausule, en met name de opbrengsten van overheidspapier en obligatieleningen, inclusief daaraan gehechte premies en prijzen; boete voor te late betaling wordt niet als rentebetaling aangemerkt; |
b) | rente die is aangegroeid of gekapitaliseerd op het moment van de verkoop, terugbetaling of aflossing van de onder a) bedoelde schuldvorderingen; |
c) | inkomsten uit rentebetalingen, hetzij rechtstreeks, hetzij via een entiteit als bedoeld in artikel 4, lid 2, uitgekeerd door : |
| i) | icbe's waaraan vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 85/611/EEG, |
| ii) | entiteiten die gebruik mogen maken van de keuzemogelijkheid van artikel 4, lid 3, en |
| iii) | instellingen voor collectieve belegging die buiten het in artikel 7 bedoelde grondgebied zijn gevestigd; |
d) | inkomsten die zijn gerealiseerd bij de verkoop, terugbetaling of aflossing van aandelen of bewijzen van deelneming in de volgende instellingen en entiteiten, indien deze rechtstreeks of middellijk via andere hierna bedoelde instellingen voor collectieve belegging of entiteiten meer dan 40 % van hun vermogen beleggen in de onder a) bedoelde schuldvorderingen : |
| i) | icbe's waaraan vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 85/611/EEG, |
| ii) | entiteiten die gebruik mogen maken van de keuzemogelijkheid van artikel 4, lid 3, |
| iii) | instellingen voor collectieve belegging die buiten het in artikel 7 bedoelde grondgebied zijn gevestigd. |
De lidstaten beschikken echter slechts over de mogelijkheid de inkomsten vermeld onder d) onder de definitie van rente te laten vallen voorzover deze inkomsten rechtstreeks of middellijk afkomstig zijn van rentebetalingen in de zin van de punten a) en b).
2. Wat betreft lid 1, onder c) en d), wordt, indien een uitbetalende instantie geen informatie heeft over het deel van de inkomsten dat voortkomt uit rentebetalingen, het volledige bedrag aan inkomsten als rentebetaling aangemerkt.
3. Wat betreft lid 1, onder d), wordt, indien een uitbetalende instantie geen informatie heeft over het percentage van het vermogen dat is belegd in schuldvorderingen of in aandelen of bewijzen van deelneming als omschreven onder dat punt, dat percentage geacht meer dan 40 % te bedragen. Indien zij het bedrag van de door de uiteindelijk gerechtigde gerealiseerde inkomsten niet kan bepalen, worden de inkomsten geacht de opbrengst van de verkoop, aflossing of terugbetaling van de aandelen of bewijzen van deelneming te zijn.
4. Indien rente als omschreven in lid 1 wordt uitbetaald aan, of bijgeschreven op een rekening op naam van een entiteit als bedoeld in artikel 4, lid 2, en deze entiteit geen gebruik mag maken van de keuzemogelijkheid van artikel 4, lid 3, wordt de uitbetaalde of bijgeschreven rente aangemerkt als een door deze entiteit verrichte rentebetaling.
5. Wat betreft lid 1, onder b) en d), kunnen lidstaten op hun grondgebied gevestigde uitbetalende instanties ertoe verplichten om de rente over een periode van ten hoogste één jaar op jaarbasis te berekenen en kunnen zij deze geannualiseerde rente als een rentebetaling beschouwen, zelfs als tijdens die periode geen verkoop, terugbetaling of aflossing heeft plaatsgevonden.
6. In afwijking van lid 1, onder c) en d), kunnen de lidstaten de in die bepalingen bedoelde inkomsten die afkomstig zijn van op hun grondgebied gevestigde instellingen of entiteiten, van de definitie van rentebetaling uitsluiten wanneer beleggingen in schuldvorderingen als bedoeld in lid 1, onder a), niet meer dan 15 % van het vermogen van de desbetreffende entiteiten uitmaken. Evenzeer kunnen de lidstaten, in afwijking van lid 4, besluiten om van de definitie van rentebetaling in lid 1, uit te sluiten de rente die is uitbetaald aan, of bijgeschreven op een rekening van een entiteit als bedoeld in artikel 4, lid 2, die geen gebruik mag maken van de keuzemogelijkheid van artikel 4, lid 3, en die op hun grondgebied is gevestigd, wanneer de beleggingen van deze entiteiten in schuldvorderingen als bedoeld in lid 1, onder a), niet meer dan 15 % van hun vermogen uitmaken.
Indien een lidstaat gebruik maakt van deze keuzemogelijkheid, is dit voor de andere lidstaten bindend.
7. Het percentage als bedoeld in lid 1, onder d), en in lid 3 wordt vanaf 1 januari 2011 25 %.
8. De in lid 1, onder d), en in lid 6 bedoelde percentages worden bepaald aan de hand van de beleggingspolitiek zoals die in het fondsreglement of de statuten van de betrokken instellingen of entiteiten is neergelegd en, bij ontstentenis daarvan, op basis van de feitelijke samenstelling van de beleggingsportefeuille van de instellingen of entiteiten.
Artikel 7
Territoriale werkingssfeer
Territoriale werkingssfeer
Deze richtlijn is van toepassing op rente welke wordt betaald door een uitbetalende instantie die is gevestigd op het grondgebied waarop het Verdrag krachtens zijn artikel 299 van toepassing is.
HOOFDSTUK II
UITWISSELING VAN INFORMATIE
Artikel 8
Renseignering door de uitbetalende instantie
Artikel 8
Renseignering door de uitbetalende instantie
1. Wanneer de uiteindelijk gerechtigde woonachtig is in een andere lidstaat dan de lidstaat waar de uitbetalende instantie is gevestigd, verstrekt de uitbetalende instantie de bevoegde autoriteit van de lidstaat van vestiging minimaal de volgende gegevens :
a) | de identiteit en woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde zoals die overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 zijn vastgesteld; |
b) | de naam en het adres van de uitbetalende instantie; |
c) | het rekeningnummer van de uiteindelijk gerechtigde of, bij ontstentenis daarvan, een eenduidige omschrijving van de rentedragende schuldvordering; |
d) | gegevens over de rentebetaling overeenkomstig het bepaalde in lid 2. |
2. De minimale inhoud van de gegevens die de uitbetalende instantie gehouden is over de rentebetaling te verstrekken, moet de rente specificeren naar de navolgende categorieën en vermelden :
a) | in het geval van een rentebetaling in de zin van artikel 6, lid 1, onder a) : het bedrag van de uitbetaalde of bijgeschreven rente; |
b) | in het geval van een rentebetaling in de zin van artikel 6, lid 1, onder b) of d) : hetzij het bedrag van de rente of de inkomsten als bedoeld onder die punten of het totaalbedrag van de opbrengst van de verkoop, terugbetaling of aflossing; |
c) | in het geval van een rentebetaling in de zin van artikel 6, lid 1, onder c) : hetzij het bedrag van de inkomsten als bedoeld onder dat punt of het totaalbedrag van de uitkering; |
d) | in het geval van een rentebetaling in de zin van artikel 6, lid 4 : het rentebedrag dat toevalt aan elk van de leden van de in artikel 4, lid 2, bedoelde entiteit die voldoen aan de voorwaarden van artikel 1, lid 1, en artikel 2, lid 1; |
e) | wanneer een lidstaat van de keuzemogelijkheid van artikel 6, lid 5, gebruik maakt : het bedrag van de op jaarbasis berekende rente. |
De lidstaten kunnen evenwel de minimale inhoud van de gegevens die de uitbetalende instantie gehouden is over de rentebetaling te verstrekken, beperken tot het totaalbedrag van de rente of van de inkomsten en tot het totaalbedrag van de opbrengst van de verkoop, terugbetaling of aflossing.
Artikel 9
Automatische gegevensuitwisseling
Automatische gegevensuitwisseling
1. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van de uitbetalende instantie verstrekt de in artikel 8 bedoelde gegevens aan de bevoegde autoriteit van de woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde.
2. De gegevensverstrekking gebeurt automatisch en ten minste eenmaal per jaar, binnen zes maanden na afloop van het belastingjaar van de lidstaat van de uitbetalende instantie, voor alle gedurende dat jaar verrichte rentebetalingen.
3. De bepalingen van Richtlijn 77/799/EEG zijn van toepassing op de uitwisseling van gegevens uit hoofde van deze richtlijn voorzover de bepalingen van deze richtlijn daarvan niet afwijken. Artikel 8 van Richtlijn 77/799/EEG is evenwel niet van toepassing op gegevens die ingevolge dit hoofdstuk worden verstrekt.
HOOFDSTUK III
OVERGANGSBEPALINGEN
Artikel 10
Overgangsperiode
Artikel 10
Overgangsperiode
1. Gedurende een overgangsperiode die begint op de in artikel 17, leden 2 en 3, vermelde datum, en behoudens het bepaalde in artikel 13, lid 1, zijn België, Luxemburg en Oostenrijk niet gehouden tot toepassing van de bepalingen van hoofdstuk II.
Zij ontvangen echter gegevens van de andere lidstaten overeenkomstig hoofdstuk II.
Gedurende deze overgangsperiode heeft deze richtlijn ten doel een minimum aan effectieve belastingheffing te garanderen op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetalingen die in de Gemeenschap wordt verricht aan uiteindelijk gerechtigden die een natuurlijke persoon zijn en hun fiscale woonplaats in een andere lidstaat hebben.
2. De overgangsperiode eindigt aan het einde van het eerste volledige belastingjaar volgend op wat het laatst in datum is :
- de datum van inwerkingtreding van een overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap, bij een met eenparigheid van stemmen genomen besluit van de Raad, en de Zwitserse Confederatie, het Prinsdom Liechtenstein, de Republiek San Marino, het Prinsdom Monaco en het Prinsdom Andorra, die voorziet in de uitwisseling van gegevens op verzoek, in de zin van de op 18 april 2002 gepubliceerde modelovereenkomst van de OESO betreffende de uitwisseling van belastinggegevens (hierna de OESO-modelovereenkomst genoemd) met betrekking tot rentebetalingen als omschreven in deze richtlijn die door een op hun respectieve grondgebieden gevestigde uitbetalende instantie worden verricht aan uiteindelijk gerechtigden die hun woonplaats hebben op het grondgebied dat door de richtlijn wordt bestreken, naast de gelijktijdige heffing, door diezelfde landen, van bronbelasting op de genoemde rentebetalingen tegen het tarief dat is vastgesteld voor de overeenkomstige perioden als bedoeld in artikel 11, lid 1;
- de datum waarop de Raad het er unaniem over eens is dat de Verenigde Staten van Amerika zich heeft verplicht tot de uitwisseling van gegevens op verzoek, in de zin van de OESO-modelovereenkomst met betrekking tot de rentebetalingen als omschreven in deze richtlijn die door een op zijn grondgebied gevestigde uitbetalende instantie worden verricht aan uiteindelijk gerechtigden die hun woonplaats hebben op het grondgebied dat door de richtlijn wordt bestreken.
3. Aan het einde van de overgangsperiode zal België, Luxemburg en Oostenrijk worden gevraagd de bepalingen van hoofdstuk II toe te passen en zullen zij niet langer bronbelasting en verdeling van belastingopbrengsten als bedoeld in de artikelen 11 en 12 toepassen. Als België, Luxemburg of Oostenrijk er tijdens de overgangsperiode voor kiest de bepalingen van hoofdstuk II toe te passen, zal het niet langer bronbelasting en verdeling van belastingopbrengsten als bedoeld in de artikelen 11 en 12 toepassen.
Artikel 11
Bronbelasting
Bronbelasting
1. Indien de uiteindelijk gerechtigde van de rente woonachtig is in een andere lidstaat dan die waar de uitbetalende instantie is gevestigd, heffen België, Luxemburg en Oostenrijk gedurende de in artikel 10 bedoelde overgangsperiode bronbelasting, gedurende de eerste drie jaar van de overgangsperiode tegen een tarief van 15 %, gedurende de volgende drie jaar tegen een tarief van 20 %, en daarna tegen een tarief van 35 %.
2. De uitbetalende instantie houdt de bronbelasting op de volgende wijze in:
a) | in het geval van een rentebetaling in de zin van artikel 6, lid 1, onder a) : op de uitbetaalde of bijgeschreven rente; |
b) | in het geval van een rentebetaling in de zin van artikel 6, lid 1, onder b) of d) : op het bedrag van de rente of inkomsten als bedoeld onder die punten, of door een heffing van vergelijkbare omvang, ten laste van de ontvanger, op het totaalbedrag van de opbrengst van de verkoop, terugbetaling of aflossing; |
c) | in het geval van een rentebetaling in de zin van artikel 6, lid 1, onder c) : op het bedrag van de inkomsten als bedoeld onder dat punt; |
d) | in het geval van een rentebetaling in de zin van artikel 6, lid 4 : op het rentebedrag dat toevalt aan elk van de leden van de in artikel 4, lid 2, bedoelde entiteit die voldoen aan de voorwaarden van artikel 1, lid 1, en artikel 2, lid 1; |
e) | wanneer een lidstaat van de keuzemogelijkheid van artikel 6, lid 5, gebruikmaakt : op het bedrag van de op jaarbasis berekende rente. |
3. Voor de toepassing van het bepaalde in lid 2, onder a) en b), wordt de bronbelasting geheven naar rata van de periode dat de uiteindelijk gerechtigde houder van de schuldvordering was. Ingeval de uitbetalende instantie die periode niet kan vaststellen met de informatie waarover zij beschikt, gaat zij ervan uit dat de uiteindelijk gerechtigde over de gehele periode dat de vordering heeft bestaan, de houder ervan is geweest, tenzij hij de datum van verkrijging aantoont.
4. Het opleggen van bronbelasting door de lidstaat van de uitbetalende instantie belet de fiscale woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde niet de inkomsten te belasten overeenkomstig het nationale recht en met inachtneming van het Verdrag.
5. Tijdens de overgangsperiode kunnen de lidstaten die bronbelasting heffen, bepalen dat een marktdeelnemer die rente uitbetaalt of een rentebetaling bewerkstelligt voor een in een andere lidstaat gevestigde entiteit als bedoeld in artikel 4, lid 2, wordt aangemerkt als de uitbetalende instantie in plaats van de entiteit, en heffen zij de bronbelasting op die rente, tenzij de entiteit formeel heeft aanvaard dat haar naam en adres alsmede het totale bedrag van de rentebetaling die aan haar is verricht of voor haar is bewerkstelligd, worden meegedeeld overeenkomstig de laatste alinea van artikel 4, lid 2.
Artikel 12
Verdeling van belastingopbrengsten
Verdeling van belastingopbrengsten
1. Lidstaten die bronbelasting heffen overeenkomstig artikel 11, lid 1, behouden 25 % van hun opbrengsten en dragen 75 % over aan de woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde van de rente.
2. Lidstaten die bronbelasting heffen overeenkomstig artikel 11, lid 5, behouden 25 % van hun opbrengsten en dragen 75 % over aan de andere lidstaten, zulks in dezelfde verhouding als de krachtens lid 1, uitgevoerde overdrachten.
3. Die overdrachten vinden plaats uiterlijk in de zes maanden volgende op het eind van het belastingjaar van de lidstaat van, in het geval van lid 1, de uitbetalende instantie, of, in het geval van lid 2, de marktdeelnemer.
4. De lidstaten die bronbelasting heffen, treffen de maatregelen die nodig zijn om het systeem voor de verdeling van de belastingopbrengsten correct te doen functioneren.
Artikel 13
Uitzonderingen op de procedure van bronbelasting
1. De lidstaten die overeenkomstig artikel 11 bronbelasting heffen, voorzien in één van beide of beide volgende procedures om te verzekeren dat uiteindelijk gerechtigden een verzoek kunnen indienen tot het niet-inhouden van bronbelasting :
Uitzonderingen op de procedure van bronbelasting
1. De lidstaten die overeenkomstig artikel 11 bronbelasting heffen, voorzien in één van beide of beide volgende procedures om te verzekeren dat uiteindelijk gerechtigden een verzoek kunnen indienen tot het niet-inhouden van bronbelasting :
a) | een procedure waarbij het de uiteindelijk gerechtigde uitdrukkelijk is toegestaan de betalende instantie te machtigen tot het doorgeven van informatie overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk II. Een dergelijke machtiging bestrijkt alle ten gunste van de uiteindelijk gerechtigde door die uitbetalende instantie uitbetaalde rente. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 9 van toepassing; |
b) | een procedure die garandeert dat geen bronbelasting wordt geheven indien de uiteindelijk gerechtigde aan zijn uitbetalende instantie een overeenkomstig lid 2 door de bevoegde autoriteit van zijn fiscale woonstaat op zijn naam gestelde verklaring voorlegt. |
2. Op verzoek van de uiteindelijk gerechtigde geeft de bevoegde autoriteit van zijn fiscale woonstaat een verklaring af met daarin de volgende gegevens :
a) | naam, adres en fiscaal identificatienummer of, bij ontstentenis van een dergelijk nummer, de geboorteplaats en -datum van de uiteindelijk gerechtigde; |
b) | naam en adres van de uitbetalende instantie; |
c) | rekeningnummer van de uiteindelijk gerechtigde of, bij ontstentenis daarvan, een eenduidige omschrijving van het schuldinstrument. |
Een dergelijke verklaring is geldig voor ten hoogste drie jaar. De verklaring wordt afgegeven aan elke uiteindelijk gerechtigde die daarom vraagt, binnen twee maanden nadat het desbetreffende verzoek is ingediend.
Artikel 14
Voorkomen van dubbele belasting
Voorkomen van dubbele belasting
1. De fiscale woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde zorgt ervoor dat het heffen van bronbelasting als bedoeld in artikel 11 niet leidt tot dubbele belasting, overeenkomstig het bepaalde in de leden 2 en 3.
2. Indien rente die de uiteindelijk gerechtigde heeft ontvangen in de lidstaat van de uitbetalende instantie is onderworpen aan bronbelasting, kent de fiscale woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde hem overeenkomstig het nationale recht een belastingverrekening toe die gelijk is aan het bedrag van de ingehouden belasting. Indien dit bedrag hoger is dan het bedrag van de krachtens het nationale recht verschuldigde belasting, restitueert de fiscale woonstaat het bedrag dat teveel is ingehouden aan de uiteindelijk gerechtigde.
3. Indien rente die de uiteindelijk gerechtigde heeft ontvangen, behalve aan de in arti-
kel 10 bedoelde bronbelasting ook onderworpen is geweest aan andere bronbelastingen, en de fiscale woonstaat naar nationaal recht of overeenkomstig verdragen ter voorkoming van dubbele belasting voor een dergelijke bronbelasting belastingverrekening toekent, wordt deze andere bronbelasting verrekend alvorens de procedure van lid 2 wordt toegepast.
4. De fiscale woonstaat kan de belastingverrekeningsregeling bedoeld in de leden 2 en 3 hierboven vervangen door restitutie van de in artikel 11 bedoelde bronbelasting.
Artikel 15
Verhandelbare schuldinstrumenten
Verhandelbare schuldinstrumenten
1. Gedurende de in artikel 10 bedoelde overgangsperiode maar uiterlijk tot 31 december 2010 worden binnenlandse en internationale obligaties en andere verhandelbare schuldinstrumenten die voor het eerst zijn uitgegeven vóór 1 maart 2001 of waarvan het oorspronkelijke emissieprospectus vóór die datum is goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten in de zin van Richtlijn 80/390/EEG van de Raad () of door de verantwoordelijke autoriteiten in derde landen, niet aangemerkt als schuldvorderingen in de zin van artikel 6, lid 1, onder a), op voorwaarde dat op of na 1 maart 2002 geen aanvullende emissies van dergelijke verhandelbare schuldinstrumenten plaatsvinden. Mocht de in artikel 10 bedoelde overgangsperiode echter na 31 december 2010 voortduren, dan blijven de bepalingen van dit artikel alleen van toepassing op die verhandelbare schuldinstrumenten :
[PB L 100 van 17.4.1980, blz. 1 Richtlijn ingetrokken bij Richtlijn 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 184 van 6.7.2001, blz. 1).]
- die clausules inzake gross-up en vroegtijdige aflossing bevatten en
- wanneer de uitbetalende instantie van de emittent gevestigd is in een lidstaat die de in artikel 11 genoemde bronbelasting toepast en die uitbetalende instantie de rente rechtstreeks betaalt aan een uiteindelijk gerechtigde die zijn woonplaats in een andere lidstaat heeft.
Indien op of na 1 maart 2002 een vervolgemissie plaatsvindt van één van de vorenvermelde verhandelbare schuldinstrumenten die zijn uitgegeven door een overheid of een gelijkgestelde entiteit die als overheidsinstantie optreedt of waarvan de rol erkend is bij internationaal verdrag, als omschreven in de bijlage, wordt de gehele emissie van dit schuldinstrument, bestaande uit oorspronkelijke emissie en vervolgemissies, aangemerkt als een schuldvordering in de zin van artikel 6, lid 1, onder a).
Indien op of na 1 maart 2002 een vervolgemissie plaatsvindt van een van de vorenvermelde verhandelbare schuldinstrumenten, uitgegeven door een andere emittent die niet valt onder het bepaalde in de tweede alinea, wordt deze nieuwe emissie aangemerkt als een schuldvordering in de zin van artikel 6, lid 1, onder a).
2. Dit artikel belet de lidstaten niet de inkomsten uit de in lid 1 bedoelde verhandelbare schuldinstrumenten overeenkomstig hun nationaal recht te belasten.
HOOFDSTUK IV
DIVERSE EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 16
Andere bronbelastingen
Artikel 16
Andere bronbelastingen
Deze richtlijn belet de lidstaten niet om naast de bronbelasting als bedoeld in artikel 11, overeenkomstig hun nationale wetten en verdragen tot voorkoming van dubbele belasting, ook andere bronbelastingen te heffen.
Artikel 17
Omzetting
Omzetting
1. De lidstaten dienen vóór 1 januari 2004 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
2. De lidstaten passen deze bepalingen vanaf 1 januari 2005 toe mits :
i) | de Zwitserse Bondstaat, het Vorstendom Liechtenstein, de Republiek San Marino, het Vorstendom Monaco en het Vorstendom Andorra vanaf diezelfde datum maatregelen toepassen die gelijkwaardig zijn aan de maatregelen waarin deze richtlijn voorziet, zulks overeenkomstig de overeenkomsten die zij met de Europese Gemeenschap hebben gesloten en na met eenparigheid van stemmen genomen besluiten van de Raad, en |
ii) | alle overeenkomsten of andere regelingen van kracht zijn waarin wordt bepaald dat alle betrokken afhankelijke of geassocieerde gebieden (de Kanaaleilanden, het eiland Man en de afhankelijke of geassocieerde gebieden in het Caribisch gebied) vanaf diezelfde datum automatische uitwisseling van informatie toepassen zoals voorgeschreven in hoofdstuk II van deze richtlijn (of tijdens de in artikel 10 bepaalde overgangsperiode een bronbelasting toepassen die strookt met de in artikel 11 en 12 vervatte voorwaarden). |
3. De Raad besluit uiterlijk zes maanden vóór 1 januari 2005 met eenparigheid van stemmen of aan de voorwaarde van lid 2 zal worden voldaan, gelet op de data van inwerkingtreding van de betrokken maatregelen in de betrokken derde landen en afhankelijke of geassocieerde gebieden. Indien de Raad niet besluit dat aan de voorwaarde zal worden voldaan, stelt hij met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie een nieuwe datum vast voor de toepassing van lid 2.
4. Wanneer de lidstaten de voor het naleven van deze richtlijn vereiste bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
5. De lidstaten stellen de Commissie hiervan onverwijld in kennis en delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen alsmede een concordantietabel die het verband aangeeft tussen deze richtlijn en de nationale bepalingen die zijn vastgesteld.
Artikel 18
Toetsing
Toetsing
De Commissie doet de Raad om de drie jaar verslag over de werking van deze richtlijn. Op basis van deze verslagen stelt de Commissie de Raad zo nodig wijzigingen op deze richtlijn voor als deze nodig blijken om effectieve belastingheffing op inkomsten uit spaargelden beter te garanderen en ongewenste concurrentieverstoringen uit de weg te ruimen.
Artikel 19
Inwerkingtreding
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 20
Adressaten
Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Luxemburg, 3 juni 2003.
Voor de Raad
De voorzitter
De voorzitter
N. CHRISTODOULAKIS
______________
BIJLAGE
LIJST VAN IN ARTIKEL 15 BEDOELDE GELIJKGESTELDE ENTITEITEN
LIJST VAN IN ARTIKEL 15 BEDOELDE GELIJKGESTELDE ENTITEITEN
Voor de toepassing van artikel 15 worden de volgende entiteiten beschouwd als "gelijkgestelde entiteit die als overheidsinstantie optreedt of waarvan de rol erkend is bij internationaal verdrag"
- Entiteiten in de Europese Unie :
| België |
Vlaams Gewest
Région wallonne (Waals Gewest)
Région de Bruxelles-capitale/Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Communauté française (Franse Gemeenschap)
Vlaamse Gemeenschap
Deutschsprachige Gemeinschaft (Duitstalige Gemeenschap)
|
| Spanje |
Xunta de Galicia (regering van de Autonome Gemeenschap van Galicië
Junta de Andalucía (regering van de Autonome Gemeenschap van
Andalusië)
Junta de Extremadura (regering van de Autonome Gemeenschap van
Extremadura)
Junta de Castilla-La Mancha (regering van de Autonome Gemeenschap van Castilië-La Mancha)
Junta de Castilla-León (regering van de Autonome Gemeenschap van
Castilië-León)
Gobierno Foral de Navarra (regering van de Autonome Gemeenschap van Navarra)
Govern de les Illes Balears (regering van de Autonome Gemeenschap van de Balearen)
Generalitat de Catalunya (regering van de Autonome Gemeenschap van Catalonië)
Generalitat de Valencia (regering van de Autonome Gemeenschap van
Valencia)
Diputación General de Aragón (regering van de Autonome Gemeenschap van Aragón)
Gobierno de las Islas Canarias (regering van de Autonome Gemeenschap van de Canarische Eilanden)
Gobierno de Murcia (regering van de Autonome Gemeenschap van Murcia)
Gobierno de Madrid (regering van de Autonome Gemeenschap van
Madrid)
Gobierno de la Comunidad Autónoma del País Vasco/Euzkadi (regering van de Autonome Gemeenschap van Baskenland)
Diputación Foral de Guipúzcoa (Provincieraad van Guipúzcoa)
Diputación Foral de Vizcaya/Bizkaia (Provincieraad van Biskaje)
Diputación Foral de Alava (Provincieraad van Alava)
Ayuntamiento de Madrid (Gemeente Madrid)
Ayuntamiento de Barcelona (Gemeente Barcelona)
Cabildo Insular de Gran Canaria (Eilandraad van Gran Canaria)
Cabildo Insular de Tenerife (Eilandraad van Tenerife)
Instituto de Crédito Oficial (Officiële Kredietinstelling)
Instituto Catalán de Finanzas (Catalaans Instituut voor Financiën)
Instituto Valenciano de Finanzas (Valenciaans Instituut voor Financiën)
|
| Griekenland |
Οργανισµός Τηλεπικοινωνιώ ν Ελλάδας (Griekse Organisatie voor Telecommunicatie)
Οργανισµός Σιδηροδρόµων Ελλάδας (Organisatie van de Griekse Spoorwegen)
∆ηµόσια Επιχείρηση Ηλεκτρισµού (Openbaar Elektriciteitsbedrijf)
|
| Frankrijk |
La Caisse d'amortissement de la dette sociale (CADES) (Fonds voor de aflossing van de sociale schuld)
L'Agence française de développement (AFD) (Frans Agentschap voor Ontwikkeling)
Réseau ferré de France (RFF) (Spoorwegennet van Frankrijk)
Caisse Nationale des autoroutes (CNA) (Nationaal Autosnelwegenfonds)
Assistance publique hôpitaux de Paris (APHP) (Openbare Bijstand
Parijse Ziekenhuizen)
Charbonnages de France (CDF) (Franse Steenkoolwinning)
Entreprise minière et chimique (EMC) (Mijnbouw- en chemiebedrijf)
|
| Italië |
Regio's
Provincies
Gemeenten
Cassa Depositi e Prestiti (Deposito- en Consignatiefonds)
|
| Portugal |
Região Autónoma da Madeira (Autonome Regio Madeira)
Região Autónoma dos Açores (Autonome Regio der Azoren)
Gemeenten
|
- Internationale entiteiten :
Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling
Europese Investeringsbank
Aziatische Ontwikkelingsbank
Afrikaanse Ontwikkelingsbank
Wereldbank/IBRD/IMF
Internationale Financieringsmaatschappij
Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank
Fonds voor sociale ontwikkeling van de Raad van Europa
Euratom
Europese Gemeenschap
Corporación Andina de Fomento (CAF) (Andes-ontwikkelingsmaatschappij)
Eurofima
Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal
Noordse Investeringsbank
Caribische Ontwikkelingsbank
Het bepaalde in artikel 15 laat internationale verplichtingen die lidstaten mogelijk ten overstaan van voornoemde internationale entiteiten zijn aangegaan, onverlet.
- Entiteiten in derde landen :
De entiteiten die aan de volgende criteria voldoen:
1. De entiteit wordt ondubbelzinnig geacht, overeenkomstig de nationale criteria een publieke entiteit te zijn.
2. Deze publieke entiteit is een niet-marktproducent die een cluster van activiteiten beheert en financiert, waarbij hij hoofdzakelijk niet-marktgoederen en -diensten
levert, die bestemd zijn om aan de gemeenschap ten goede te komen, en die daadwerkelijk worden gecontroleerd door de overheid.
3. Deze publieke entiteit is een grote en regelmatige emittent van schuld.
4. De betrokken staat is in staat te waarborgen dat zo'n publieke entiteit niet tot vervroegde aflossing zal overgaan in geval van gross-up-clausules.
__________
26 MAART 2005. - Koninklijk besluit ter uitvoering van artikel 4, § 1, derde lid, eerste streepje, van de wet van 17 mei 2004 tot omzetting in het Belgisch recht van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing, en van artikel 338bis, § 1, vierde lid, eerste streepje, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
[BS 19.4.2005 - Ed. 2, blz. 17712 (zoals gewijzigd door het KB van 27.6.2005 tot wijziging van het koninklijk besluit van 26.3.2005 ter uitvoering van artikel 4, § 1, derde lid, eerste streepje, van de wet van 17 mei 2004 tot omzetting in het Belgische recht van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing, en van artikel 338 bis, § 1, vierde lid, eerste streepje, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, BS 29.6.2005 - Ed. 2, blz. 30067).]
[BS 19.4.2005 - Ed. 2, blz. 17712 (zoals gewijzigd door het KB van 27.6.2005 tot wijziging van het koninklijk besluit van 26.3.2005 ter uitvoering van artikel 4, § 1, derde lid, eerste streepje, van de wet van 17 mei 2004 tot omzetting in het Belgische recht van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing, en van artikel 338 bis, § 1, vierde lid, eerste streepje, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, BS 29.6.2005 - Ed. 2, blz. 30067).]
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 17 mei 2004 tot omzetting in het Belgisch recht van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing, inzonderheid op artikelen 4, § 1, derde lid, eerste streepje, en 13;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 16 februari 2005;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 10 maart 2005;
Gelet op het advies 38.233/2 van de Raad van State, gegeven op 21 maart 2005, in toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Overwegende dat de bepalingen van de wet van 17 mei 2004 tot omzetting in Belgisch recht van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing en artikel 338bis, § 1, 4e lid, eerste streepje, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zullen op de 1ste juli van toepassing zijn;
Dat dit besluit de modaliteiten bepaalt voor de identificatie van de uiteindelijke gerechtigde zoals gedefinieerd in artikel 3, § 1, 5°, van de wet van 17 mei 2004, alsook die met betrekking tot de vaststelling van zijn woonplaats;
Overwegende dat het tevens past dat de verschillende betrokken acteurs zo vlug mogelijk weten hoe ze deze bepalingen dienen na te leven;
Op voordracht van Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Dit besluit bepaalt de wijze waarop de uitbetalende instantie de identificatie van de uiteindelijk gerechtigde en de vaststelling van diens woonplaats moet uitvoeren.
Hierna wordt met "de wet" bedoeld de wet van 17 mei 2004 tot omzetting in het Belgisch recht van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende de belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing.
Art. 2. § 1. De uitbetalende instantie stelt de identiteit van de uiteindelijk gerechtigde vast aan de hand van zijn naam en voornaam en bepaalt zijn woonplaats aan de hand van zijn vast adres.
Die elementen worden vastgesteld op basis van het paspoort of de officiële identiteitskaart die de uiteindelijk gerechtigde overlegt.
Wanneer de woonplaats niet op het paspoort of op de officiële identiteitskaart staat vermeld, wordt ze vastgesteld aan de hand van enigerlei ander bewijsdocument dat de uiteindelijk gerechtigde overlegt.
§ 2. De uiteindelijk gerechtigde die over een vast adres in België beschikt en die voor de toepassing van de Belgische fiscale wetgeving als spaarder-niet-inwoner wordt aangemerkt, moet zijn woonplaats in het buitenland aantonen aan de hand van bewijskrachtige documenten.
§ 3. Wanneer de uiteindelijk gerechtigde bij het overleggen van een paspoort of een identiteitskaart afgeleverd door een lidstaat van de Europese Unie of door een land vermeld in artikel 3, § 1, 3°, c), van de wet, verklaart dat hij in een derde land woont, wordt zijn woonplaats, in afwijking van paragraaf 1, vastgesteld aan de hand van een fiscale woonplaatsverklaring afgegeven door de bevoegde autoriteit van het derde land.
De verklaring is geldig voor een periode van drie jaar vanaf de datum waarop zij is afgegeven, behalve wanneer in de verklaring een kortere geldigheidsduur staat vermeld.
Wanneer de verklaring waarvan sprake is in het eerste lid, niet kan worden overgelegd, wordt aangenomen dat de woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde zich bevindt op het grondgebied van de Staat die het paspoort of de officiële identiteitskaart heeft afgeleverd.
§ 4. Wanneer de uiteindelijk gerechtigde zijn woonplaats heeft in een lidstaat of in een land vermeld in artikel 3, § 1, 3°, c), van de wet, vormt zijn fiscaal identificatienummer, toegekend door de lidstaat, ook een onderdeel van de identificatie.
Wanneer er geen fiscaal identificatienummer bestaat of wanneer het niet staat vermeld op het paspoort, de officiële identiteitskaart of enigerlei ander bewijsdocument overgelegd door de uiteindelijk gerechtigde, wordt de identiteit aangevuld met de vermelding van de geboortedatum en -plaats vastgesteld aan de hand van het paspoort of de officiële identiteitskaart.
De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën bezorgt de uitbetalende instanties nauwkeurige informatie omtrent het gebruik van het fiscaal identificatienummer in de andere lidstaten.
Art. 3. Voor de contractuele relaties die na 1 januari 2004 maar vóór de inwerkingtreding van dit besluit zijn aangegaan en na die datum doorlopen, moet de uitbetalende instantie haar informatie aanvullen overeenkomstig paragrafen 3 en 4 van artikel 2, binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
Voor de contractuele relaties die vóór 1 januari 2004 zijn aangegaan, gebeurt de identificatie aan de hand van de informatie die de uitbetalende instantie heeft verzameld op het ogenblik waarop de eerste contractuele relatie werd aangegaan.
De uitbetalende instantie stelt een nieuwe identificatie op volgens de in artikel 2 bepaalde regels, als zij twijfels heeft omtrent de echtheid of juistheid van de door de uiteindelijk gerechtigde aangebrachte elementen.
Art. 4. De uitbetalende instantie krijgt een kopie van de in artikel 2 vermelde bewijsdocumenten en bewaart die totdat een periode van vijf jaar na het einde van de contractuele relatie is verstreken.
Art. 5. Dit besluit ter uitvoering van artikel 4, § 1, derde lid, eerste streepje, van de wet en van artikel 338bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, treedt in werking op de data waarop het artikel 4, § 1, derde lid, eerste streepje, van de wet, in werking treedt.
Art. 6. Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Nice, 26 maart 2005.
ALBERT
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,
D. REYNDERS
________________
________________
27 JUNI 2005. - Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 15, § 1, van de wet van 17 mei 2004 tot omzetting in het Belgisch recht van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing
[BS 29.6.2005 - Ed. 2, blz. 30064.]
[BS 29.6.2005 - Ed. 2, blz. 30064.]
Verslag aan de Koning
Sire,
Het ontwerp van koninklijk besluit dat wij de eer hebben ter ondertekening aan Zijne Majesteit voor te leggen heeft tot doel de inwerkingtreding te regelen van de artikelen 1 tot 11 en 14 van de wet van 17 mei 2004 tot omzetting in het Belgisch recht van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing, met uitzondering van de artikelen 12 en 13 van die wet.
Overeenkomstig het artikel 17 van de richtlijn 2003/48/EC van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling was het oorspronkelijk de bedoeling dat de lidstaten de bepalingen van de richtlijn zouden toepassen vanaf 1 januari 2005.
Dat artikel 17 bevat evenwel een opschortende voorwaarde die stelt dat :
- de Zwitserse Bondsstaat, het Vorstendom Liechtenstein, de Republiek San Marino, het Vorstendom Monaco en het Vorstendom Andorra vanaf eenzelfde datum maatregelen moeten toepassen die gelijkaardig zijn aan de maatregelen als bepaald in de genoemde richtlijn;
- in alle betrokken afhankelijke of geassocieerde gebieden, overeenkomsten of andere regelingen van kracht moeten zijn die de genoemde gebieden verplichten tot een uitwisseling van informatie als bepaald in de genoemde richtlijn.
Uiterlijk zes maanden vóór 1 januari 2005 besluit de Raad van de Europese Unie met eenparigheid van stemmen of aan die voorwaarden zal worden voldaan, zoniet stelt hij met eenparigheid van stemmen een nieuwe datum van inwerkingtreding vast.
Aangezien op het gestelde tijdstip is vastgesteld dat de genoemde voorwaarden niet tijdig zouden zijn vervuld, heeft De Raad van de Europese Unie beslist de inwerkingtreding van de richtlijn uit te stellen tot 1 juli 2005.
Sedert 7 juni 2005 zijn alle hiervoor genoemde voorwaarden vervuld zodat niets een inwerkingtreding op 1 juli 2005 nog in de weg staat.
Dit ontwerp van koninklijk besluit strekt er bijgevolg toe de genoemde wet die de omzetting van de richtlijn 2003/48/EC in het Belgisch intern recht regelen, overeenkomstig de beslissing van de Raad van de Europese Unie terzake, in werking te laten treden vanaf 1 juli 2005.
Aangezien België zich in een eerste fase zal beperken tot de inhouding en doorstorting van een "woonstaatheffing", zal de inwerkingtreding van de artikelen 12 en 13 van de wet van 17 mei 2004 tot omzetting in het Belgisch recht van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing pas worden vastgesteld op het ogenblik waarop de Belgische autoriteiten beslissen om af te stappen van het stelsel van de "woonstaatheffing" en over te schakelen op het stelsel van de uitwisseling van inlichtingen.
De genoemde artikelen 12 en 13 handelen uitsluitend over die uitwisseling van inlichtingen en kunnen bijgevolg pas vanaf een latere, nog nader te bepalen datum in werking treden.
Ik heb de eer te zijn,
Sire,
Van Uwe Majesteit,
de zeer eerbiedige
en zeer getrouwe dienaar,
De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,
D. REYNDERS
27 JUNI 2005. - Koninklijk besluit houdende inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 17 mei 2004 tot omzetting in het Belgisch recht van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing (1)
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op artikel 15, § 1, van de wet van 17 mei 2004 tot omzetting in het Belgisch recht van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing, gewijzigd bij de wet van 20 juni 2005 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen inzake de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen en heffingen op verzekeringspremies;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 21 juni 2005;
Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 24 juni 2005;
Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen door de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;
Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
Overwegende dat :
- de bepalingen waarvan de inwerkingtreding door dit besluit wordt geregeld, overeenkomstig artikel 17 van de Richtlijn 2003/48/EC van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling slechts van toepassing worden vanaf een door de Raad van de Europese Unie vast te stellen datum;
- de daadwerkelijke inwerkingtreding van de genoemde wet afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de Zwitserse Bondsstaat, het Vorstendom Liechtenstein, de Republiek San Marino, het Vorstendom Monaco en het Vorstendom Andorra vanaf eenzelfde datum maatregelen moeten toepassen die gelijkaardig zijn aan de maatregelen als bepaald in de genoemde richtlijn;
- vanaf dezelfde datum in alle betrokken afhankelijke of geassocieerde gebieden, overeenkomsten of andere regelingen van kracht moeten zijn die de genoemde gebieden verplichten tot een uitwisseling van informatie als bepaald in de genoemde richtlijn;
- het vaststaat dat aan die voorwaarden is voldaan sinds 7 juni 2005;
- de uitbetalende instanties de in de genoemde wet vervatte bepalingen moeten toepassen op de betaalde of toegekende interesten die zijn verlopen vanaf 1 juli 2005, ten gevolge van de beslissing genomen door de Raad van de Ministers van Economie en Financiën van de Europese Unie (ECOFIN-Raad) op 12 april 2005;
- die uitbetalende instanties bijgevolg dringend moeten worden ingelicht over de definitieve datum van inwerkingtreding van de genoemde wettelijke bepalingen;
Op de voordracht van Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. De artikelen 1 tot 11 en 14 van de wet van 17 mei 2004 tot omzetting in het Belgisch recht van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing, zijn van toepassing op de betaalde of toegekende interesten verlopen vanaf 1 juli 2005.
Art. 2. Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Graz, 27 juni 2005.
ALBERT
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,
D. REYNDERS
_______
Nota's
(1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad
Wet van 17 mei 2004, Belgisch Staatsblad van 27 mei 2004, 2 e editie.
Wet van 20 juni 2005, Belgisch Staatsblad van 24 juni 2005, 3 e editie.
Wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 12 januari 1973, Belgisch Staatsblad van 21 maart 1973.
Wet van 4 juli 1989, Belgisch Staatsblad van 25 juli 1989.
Wet van 4 augustus 1996, Belgisch Staatsblad van 20 augustus 1996, err. 8 oktober 1996.
Bron: FisconetPlus
