Circulaire nr. Ci.RH.421/470.197 dd. 02.02.1996

CIRC 02.02.96/1

Circulaire nr. Ci.RH.421/470.197 dd. 02.02.1996


Bull. nr. 758, pag. 417

KAPITAAL MET BETREKKING TOT EEN BEROEPSWERKZAAMHEID
Belastbaar tijdperk.


Belastbaar tijdperk waarvoor verlopen interesten van kapitalen, andere dan aandelen, die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt, moeten worden belast.

1. INLEIDING

1. Deze circulaire verstrekt commentaar op de bepalingen van de art. 73, 84 en 91, 9e lid, W 6.7.1994 houdende fiscale bepalingen (V 2323 - Bull. 742), die in het WIB 92 de art. 362bis en 522 hebben ingevoegd.

II. WETTEKSTEN



2.WIB 92
Art.362bis
Ten name van belastingplichtigen die kapitalen niet zijnde aandelen, gebruiken voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid worden de op een bepaald belastbaar tijdperk betrekking hebbende verlopen interestgedeelten van die kapitalen, beschouwd als een inkomen van dat tijdperk, zelfs wanneer die interest gedurende een later tijdperk wordt geïnd of verkregen.



Art.522
Met betrekking tot kapitalen die reeds op de eerste dag van het belastbaar tijdperk verbonden aan het aanslagjaar 1995 voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid werden gebruikt, worden voor de toepassing van artikel 362bis, de op die dag reeds verlopen en nog niet belaste interestgedeelten van die kapitalen, beschouwd als een inkomen van het tijdperk waarin de interest wordt geïnd of verkregen.

W 6.7.1994



Art.91, 9e lid
De artikelen .... 73, ... zijn van toepassing vanaf het aanslagjaar 1995.

III. ALGEMEEN

3. Art. 362bis, WIB 92, heeft betrekking op het belastbare tijdperk waarvoor verlopen interesten van kapitalen die door de belastingplichtige voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt, als belastbaar inkomen moeten worden aangemerkt.

4. Overeenkomstig de bepalingen van art. 360, WIB 92, wordt de voor een aanslagjaar verschuldigde belasting gevestigd op de inkomsten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft verkregen.

Bovendien bepaalt art. 204, 20, KB/WIB 92, dat tot de inkomsten van een belastbaar tijdperk inzonderheid behoren, de inkomsten van roerende goederen en kapitalen die aan de RV onderworpen zijn en tijdens dat tijdperk aan de belastingplichtige zijn betaald of toegekend.

5. Art. 19, 4e lid, KB 8.10.1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen bepaalt daarentegen dat er moet rekening worden gehouden met de kosten en de opbrengsten die betrekking hebben op het boekjaar of op voorgaande boekjaren, ongeacht de dag waarop deze kosten en opbrengsten worden betaald of geïnd, behalve indien de effectieve inning van deze opbrengsten onzeker is.

6. Welnu, ten einde de belastingwetgeving beter in overeenstemming te brengen met de boekhoudwetgeving bepaalt art. 362bis, WIB 92, dat met ingang van het aanslagjaar 1995, de op een bepaald belastbaar tijdperk betrekking hebbende verlopen interesten van kapitalen als een inkomen van dat tijdperk worden beschouwd, zelfs wanneer die interesten gedurende een later belastbaar tijdperk worden geïnd of verkregen.

Bovendien voorziet art. 522, WIB 92, in een overgangsbepaling voor de kapitalen die reeds op de eerste dag van het belastbare tijdperk verbonden aan het aj. 1995 voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid werden gebruikt. De op die dag reeds verlopen en nog niet belaste interesten van die kapitalen worden als een belastbaar inkomen aangemerkt van het belastbare tijdperk waarin de interest wordt geïnd of verkregen.

IV. BEDOELDE KAPITALEN

7. De bepalingen van art. 362bis, WIB 92, zijn slechts van toepassing op kapitalen:

  • die interesten opbrengen;
  • die de belastingplichtige voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid gebruikt;
  • waarvan de inning van de interesten nog niet heeft plaatsgehad op de afsluitingsdatum van het boekjaar.


Inzonderheid worden de kapitalen beoogd die interesten opbrengen als bedoeld in art. 19, § 1, 1° en 2°, WIB 92, t.t.z.:

1° interest, achterstallige rente, premies en alle andere opbrengsten van al dan niet vastrentende effecten, van niet door effecten vertegenwoordigde leningen en schuldvorderingen en van gelddeposito's;

2° de in art. 10, § 2, WIB 92, vermelde termijnen voortkomend van overeenkomsten waarbij een recht van gebruik van gebouwde onroerende goederen wordt verleend, met uitzondering van het in die termijnen begrepen gedeelte dat dient om het in het gebouw belegde kapitaal of, als het een bestaand gebouw betreft, de verkoopwaarde ervan, volledig weer samen te stellen.

8. De bepalingen van art. 362bis, WIB 92, zijn daarentegen niet van toepassing op:

  • dividenden van aandelen;
  • inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen (royalties);
  • interesten van kapitalen wanneer die kapitalen door de belastingplichtige niet voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid worden gebruikt.


V. VERLOPEN INTERESTEN



A.Algemeen
9. Voor de in nr. 7 bedoelde kapitalen moeten de op een bepaald belastbaar tijdperk betrekking hebbende verlopen interesten als een inkomen van dat tijdperk worden beschouwd, zelfs wanneer die interesten gedurende een later tijdperk worden geïnd of verkregen.

Bijgevolg moeten de ondernemingen, zoals ook boekhoudkundig is voorgeschreven voor de rentedragende tegoeden, de tijdens het belastbare tijdperk verlopen interesten die slechts op de vervaldag of n.a.v. vervreemding tijdens een later belastbaar tijdperk worden geïnd of verkregen, tijdens dat tijdperk onder hun belastbare winst opnemen. Ingeval die verlopen interesten niet in de boekhouding werden opgenomen, moeten ze als een onderschatting van een actiefbestanddeel worden belast.

10. Voor de praktische berekening van de verlopen interesten dient een onderscheid te worden gemaakt naargelang het gaat om enerzijds kapitalen waarvan de inkomsten periodiek worden uitbetaald en niet worden gekapitaliseerd, en anderzijds kapitalen die geen aanleiding geven tot een periodieke uitbetaling van interesten of waarvan de inkomsten worden gekapitaliseerd, met inbegrip van effecten die zijn uitgegeven met een disconto dat overeenstemt met de tot op de vervaldag van het effect gekapitaliseerde interest.



B.Kapitalen waarvan de inkomsten periodiek worden uitbetaald
11. Wat betreft de rentegevende kapitalen waarvan de interesten periodiek worden uitbetaald en derhalve niet worden gekapitaliseerd moeten de voor een bepaald boekjaar verlopen interesten (d.w.z. de verlopen interesten vanaf de laatste vervaldag tot op het einde van het boekjaar) lineair worden berekend op basis van het nominale rendement.

Voorbeeld

12. Een vennootschap die per kalenderjaar boekhoudt heeft bij de uitgifte op 1 april 1994 obligaties verworven met een nominale waarde van 1.000.000 F en met een jaarlijkse rentevoet van 8 %. De looptijd van de obligatielening bedraagt 5 jaar en de coupon vervalt jaarlijks op 1 april.

Ongeacht de door de vennootschap gedane boekingen, bedragen de voor de boekjaren 1994 tot 1999 te belasten interesten: - boekjaar 1994: verlopen interest einde boekjaar 1.000.000 F x 8 % x 9/12 60.000 F - boekjaren 1995 tot 1998: - vervallen coupon: 80.000 F - verlopen interest vorig boekjaar: - 60.000 F - verlopen interest einde boekjaar: 60.000 F ---------- - belastbaar: 80.000 F - boekjaar 1999: - vervallen coupon: 80.000 F - verlopen interest vorig boekjaar: - 60.000 F ---------- - belastbaar: 20.000 F C. Kapitalen die geen aanleiding geven tot een periodieke uitbetaling van inkomsten of waarvan de inkomsten worden gekapitaliseerd

13. M.b.t. dergelijke kapitalen (inzonderheid kapitalisatie- of zerobons) moeten de voor een bepaald boekjaar verlopen interesten actuarieel worden berekend.

Voor de berekening van de verlopen interesten kan gebruik worden gemaakt van de formule die is opgenomen in nr. II/58, circ. 30.8.1993, nr. Ci.D.19/416.334, (Bull. 731).

Aangezien die formule uitgaat van een kapitalisatie per jaar, dient bij de bepaling van de verlopen interesten m.b.t. jaargedeelten de lineaire proratering te worden toegepast.

Voorbeeld 1

Gegevens

14. Een vennootschap die per kalenderjaar boekhoudt heeft bij de uitgifte op 1.1.1994 een kapitalisatiebon gekocht voor 1.000.000 F, terugbetaalbaar na 5 jaar voor 1.402.552 F.

Kapitalisatieplan

De wiskundige formule voor de berekening van het rendement l/n-1 i = (V) --- P geeft na invulling van de cijfergegevens de volgende vergelijking: l/n - 1 i = (1.402.552) ----------- 1.000.000 De uitwerking van deze vergelijking levert het rendement op t.t.z. i = 7 %.

Het kapitalisatieplan ziet er dan ook als volgt uit:

31.12 van de jaren Berekeningen Gekapitaliseerde waarden 1994 1.000.000 x 1,07 1.070.000 2 1995 1.000.000 x (1,07) 1.144.900 3 1996 1.000.000 x (1,07) 1.225.043 4 1997 1.000.000 x (1,07) 1.310.796 5 1998 1.000.000 x (1,07) 1.402.552 De voor elk van de boekjaren 1994 tot 1998 belastbare interesten bedragen:

  • boekjaar 1994: 1.070.000 - 1.000.000 = 70.000 F
  • boekjaar 1995: 1.144.900 - 1.070.000 = 74.900 F
  • boekjaar 1996: 1.225.043 - 1.144.900 = 80.143 F
  • boekjaar 1997: 1.310.796 - 1.225.043 = 85.753 F
  • boekjaar 1998: 1.402.552 - 1.310.796 = 91.756 F


Voorbeeld 2

15. Idem als in voorbeeld 1 maar de kapitalisatiebon werd op 1.7.1994 uitgegeven en aangekocht.

De voor elk van de boekjaren 1994 tot 1999 belastbare interesten bedragen:

boekjaar 1994: (1.070.000 - 1.000.000) x 6/12 = 35.000 F boekjaar 1995: [(1.070.000 - 1.000.000) x 6/12] + [(1.144.900 - 1.070.000) x 6/12] = 72.450 F boekjaar 1996: [(1.144.900 - 1.070.000) x 6/12] + [(1.225.043 - 1.144.900) x 6/12] = 77.521 F boekjaar 1997: [(1.225.043 - 1.144.900) x 6/12] + [(1.310.796 - 1.225.043) x 6/12] = 82.948 F boekjaar 1998: [(1.310.796 - 1.225.043) x 6/12] + [(1.402.552 - 1.310.796) x 6/12] = 88.755 F boekjaar 1999: (1.402.552 - 1.310.796) x 6/12 = 45.878 F VI. INWERKINGTREDING

16. Luidens art. 91, 9e lid, W 6.7.1994, is het nieuwe art. 362bis, WIB 92, van toepassing vanaf het aj. 1995.

Evenwel heeft art. 84, W 6.7.1994 in het WIB 92 een art. 522 ingevoegd, waardoor m.b.t. kapitalen die reeds op de eerste dag van het belastbare tijdperk verbonden aan het aj. 1995 voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid werden gebruikt, de op die dag reeds verlopen en nog niet belaste interesten van die kapitalen, worden aangemerkt als een inkomen van het tijdperk waarin de interest wordt geïnd of verkregen.

Hierdoor wordt, m.b.t. kapitalen die reeds bestonden op de eerste dag van het boekjaar verbonden aan het aj. 1995, het totale bedrag van de over de aj. 1994 en vorige verlopen interesten die nog niet in het resultaat zouden zijn opgenomen, belastbaar:

  • ofwel op het ogenblik van de vervreemding van die kapitalen;
  • ofwel op de vervaldag van die inkomsten.


Voorbeeld 1

17. Veronderstel dat, in het voorbeeld onder nr. 12, de obligaties zijn uitgegeven en verworven op 1 april 1992 en dat de vennootschap, tot einde 1993, enkel de op 1 april 1993 vervallen coupon als inkomen heeft geboekt.

Voor het boekjaar 1994 moet de belastbare interest als volgt worden bepaald: - op 1.4.1994 vervallen coupon: 80.000 F - op 31.12.1994 verlopen interest: 60.000 F --------- - belastbaar: 140.000 F Voorbeeld 2

18. Veronderstel dat, in het voorbeeld onder nr. 14, de kapitalisatiebon werd uitgegeven en gekocht op 1.1.1992 en de vennootschap, tot einde 1993, generlei interest heeft geboekt.

De voor de boekjaren 1994 tot 1996 belastbare interesten zijn als volgt te berekenen: - boekjaar 1994: 80.143 F - boekjaar 1995: 85.753 F --------- 165.896 F - boekjaar 1996: 1.402.552 - 1.000.000 - 165.896 = 236.656 F (overeenstemmend met het totaal van de interesten van de boekjaren 1992, 1993 en 1996 : 70.000 + 74.900 + 91.756 = 236.656 F).

VII. VOORHEFFINGEN

19. M.b.t. kapitalen (obligaties, kasbons, andere soortgelijke effecten en leningen) waarvan de interesten periodiek (b.v. jaarlijks) worden uitbetaald, zal in de regel de verrekening van de RV op de verlopen interesten slechts worden toegestaan, voor zover de belastingplichtige aan de betrokken taxatiedienst het bewijs levert dat die inkomsten op de vervaldag daadwerkelijk in België aan de RV werden onderworpen.

20. De RV op de verlopen interesten van kapitalisatie- of zerobons is eveneens in principe slechts verrekenbaar in die gevallen waar in de regel nooit van de inning van de RV kan worden afgezien, wat inzonderheid het geval kan zijn m.b.t. inkomsten van Belgische oorsprong als bedoeld in art. 266, tweede lid, WIB 92 (kapitalisatie- en zerobons van Belgische oorsprong).

Hierbij dient evenwel te worden aangestipt dat de Koning, ingevolge art. 16, eerste lid, W 6.8.1993 betreffende de transacties met bepaalde effecten (V 2260 - Bull. 731) (De bepalingen van deze wet zullen later gecommentarieerd worden) inzonderheid de categorieën van vastrentende effecten, met inbegrip van de effecten aan toonder en de effecten bedoeld in art. 266, tweede lid, WIB 92, en de categorieën van personen kan bepalen voor welke wordt afgezien van de inning van de RV op de inkomsten uit die effecten en op de inkomsten verworven als gevolg van transacties met die effecten voor zover het gaat om effecten die in een vereffeningsstelsel worden bijgehouden en de identiteit van de verkrijgers kan worden vastgesteld. Tot de categorieën van personen waarvoor deze verzaking van toepassing is behoren inzonderheid de binnenlandse vennootschappen, alsmede de buitenlandse vennootschappen die de hiervoren vermelde effecten hebben aangewend voor de uitoefening van hun beroepswerkzaamheid in België (Zie art. 4, eerste lid, KB 26.5.1994 over de inhouding en de vergoeding van de RV overeenkomstig hoofdstuk I, W 6.8.1993 (V 2306 - Bull. 741)).

21. Wat de inkomsten van buitenlandse oorsprong betreft, mag op de verlopen interesten geen verrekening van FBB worden toegestaan, tenzij de belastingplichtige het onbetwistbare bewijs aanbrengt dat de inkomsten op de vervaldag in het buitenland aan een belasting gelijkaardig aan de PB, de Ven.B of de BNI aldaar zijn onderworpen en daadwerkelijk die belasting hebben of zullen ondergaan.

Die verrekening mag bovendien slechts plaatsvinden nadat het voormelde bewijs aan de Belgische belastingdienst wordt geleverd. Dat bewijs kan o.a. bestaan uit een door de bevoegde buitenlandse fiscale autoriteiten afgeleverd getuigschrift. Het spreekt vanzelf dat het bewijs van effectieve betaling van de buitenlandse belasting zo spoedig mogelijk, en binnen de normale aanslagtermijnen, aan de betrokken taxatiedienst moet worden overhandigd.